RLM 4 - Robotmaaier Kärcher - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis RLM 4 Kärcher in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over RLM 4 Kärcher
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RLM 4 - Kärcher en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RLM 4 van het merk Kärcher.
GEBRUIKSAANWIJZING RLM 4 Kärcher
1 Over deze gebruiksaanwijzing 69
1.1 Verklaring van pictogrammen en signalaalwoorden 69
2 Productomschrijving 70
2.1 Leveringsomvang 70
2.2 Maairobot 70
2.3 Symbolen op het apparatusat 71
2.4 Bedieningsoppervlak 71
2.5 Display 72
2.6 Menustructeur 73
2.7 Laadstation 74
2.8 Geintegreerde accu 74
2.9 Beschrijving van de werkking 75
3Veiligheid 75
3.1 Beoogd gebruik 75
3.2 Mogelijk foulief gebruik 75
3.3 Veiligheids- en beviegingsvoorzieningen 75
3.3.1 PIN- en PUK-invoer 76
3.3.2 Sensoren 76
3.4 Veiligheidsinstructies 77
3.4.1 Gebruiker 77
3.4.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen 77
3.4.3 Veiligheid van personen en dieren 77
3.4.4 Veiligheid van het apparaat 78
3.4.5 Elektrische verilgheit 78
4 Montage 78
4.1 Apparaat uitpakken 78
4.2 Maagebieden plannen (01) 78
4.3 Maiagebieden voorbereiden 79
4.4 Laadstation opbouwen (03/a) 79
4.5 Begrenzingskabel installeren 79
4.5.1 Begrenzingskabel op het laadstation aansluiten (03/b). 79
4.5.2 Begrenzingskabel leggen (01). 79
4.5.3 Obstakels afzetten 80
4.5.4 Doorgangen afzetten (01/h) 81
4.5.5 Hellingen afzetten 81
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (07) 81
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (02) 81
4.6 Laadstation op voeding aansluiten (04) 81
4.7 Verbindingen aan het laadstation controlleren (04) 81
5 Inbedrijfstelling 82
5.1 Accu opladen (08) 82
5.2 Basisinstallingen uitvoeren 82
5.3 Maaihoogte instellen 82
5.4 Automatische kalibratierit uittvoeren 83
6 Bediening 83
6.1 Apparaat met de hand starten 83
6.2 Maaiwerking staken 83
6.3 Nevenoppervlak maaien (01/NF) 83
7 Installingen 84
7.1 Installing oproepen - Algemeen 84
7.2 Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren 84
7.3 Eco-modus activeren/deactiveren 84
7.4 Regensensor instellen 84
7.5 Maaiprogramma instellen 84
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen 84
7.5.2 Startpunter instellen 85
7.5.3 Maaitijden instellen 86
7.6 Randenmaaien bij handmatige start 86
7.7 Maaien van nevenoppervlakken instellen 86
7.8 Displaycontrast instellen 86
7.9 Instellingsbescherming 86
7.10 Opnieuw kalibreren 87
7.11 Terugzetten op fabrieksinstellungen 87
8 Informatie weergeven 87
9 Onderhoud en verzorging 87
9.1 Reiniging 87
9.2 Regelmatige controle 88
9.3 Messen verrangen 88
10 Transport 89
11 Opslag 89
11.1 Maairobot opbergen 89
11.2 Laadstation opbergen 90
11.3 Begrenzingskabel overwinteren 90
12 Verwijdersen 90
13 Hulp bij storingen 92
13.1 Apparaat- en bedieningsfouten verhelpen 92
13.2 Foutcodes en -oplossing 93
14 Garantie 97
15 EG-conformiteitsverklaring 97
1 OVER DEZE GEBRUIKSAANWIJZING
De Duitse versie is de originele gebruiksaanwijzing. Alle andere taalversies zijn vertalin-gen van de originele gebruiksaanwijzing.
Lees voor de ingebruikname deze gebruiks-aanwijzing absolut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik.
Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodate u erin het antwoord op uw vragen kut terugvinden wanner u informatatie over het apparaat nodig heeft.
Draag het apparaat alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere Personen over.
Lees en neem de veiligheids- en waarschu-wingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in ache.
1.1 Verklaring van pictogrammen en signalaalwoorden

GEVAAR!
Wijst op een direct gevaar- lijke situatie, die, wanner er ziet vermeden worden, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt.

WAARSCHUWING!
Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanneer ze Niet vermeden wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden.

VOORZICTIG!
Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanner ze Niet vermeden wordt, tot een Licht of middelzwaar letsel kan leiden.
LET OP!
Wijst op een situation, die, wanner ze nicht vermeden wordt, tot materièle schade kan leiden.

OPMERKING
Speciale aanwijzingen voor meer duidelijkheid en een beter gebruik.
Deze documentatie beschrijft een volautomatisch, met een accu gevoede maairobot die zich op een gazon vrij beweegt. De snijhoogte kan versteld worden.
2.1 Leveringsomvang
Bij de leveringsomvang horen de hier vermelde posities. Controller of alle posities aanwezig zich:

Nr. Component
1 Maairobot
2 Beknopte handleiding
3 Gebruiksaanwijzing
4 Gazonpennen (90 stuks)
5 Voeding
6 Winterafdekking
7 Laadstation
8 Gazonschroeven (5 st.) met moersleutel
9 Begrenzingskabel (100 m)
10 Kartonnen linial
2.2 Maiarobot

Nr. Component
1 Bedieningsveld met display (inwendig)
2 STOP-toets (stopt het apparaat meteen en de snijmessen binnen de 2 s)
3 Aansluitcontacten voor opladen
4 Hoogteverstelknop (verzonken)
5 Voorste WIelen (stuurbaar)
6 Accuschacht
7 Maaidek
8 Messenschijf
9 Aandrijfwiel
10 Bevestigingsbout
11 Wegruimmes
12 Snijblad
2.3 Symbolen op het apparatusat
Symbool Betekenis

Houd anderen uit de buurt van de gevarenzone!

Vereist extra voorzichtigheidijdens gebruik!

Blijf met uw handen en voeten bij het maaimechanisme vandaan!

Houd voldoende afstand!

Lees vór ingebruikname de gebruiksaanwijzing!

Voer voor het starten van het apparaat het PIN in!

Rijd Niet op het apparaat mee!
2.4 Bedieningsoppervlak

Nr. Component
1
(Home-toets): Maaierking staken, het apparaat rijdt terug maar het laadstation. Het start de volgende dag waar automatisch op de ingestelde maaitijd.
2 Regensensor: Stelt vast of het regent (zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 84).
3 Display: Toont de huidige bedrijfsstatus van het apparaat, de naam van het geselecteerde menu, de menupunten en de functies die geselecteerd+kennen worden (zie Hoofdstuk 2.5 "Display", pagina 72).
4
pijltoetsen): Selecteer de menupunten, verhoog en verlaag de getalwaarden en kies:tussen de instellen.
5
(Start/Stop-toets): Maaiwerking met de hand starten en onderbreken of maaiwerking na het indrukken van meteen weeventzetten.
6
O functietaetsen): De functie oproepen die zojuist boven de toets op hetdisplay worden weergegeven.
7
ON (On/Off-toets): Apparaat in- en uitschakelen.
8
(Manutoets): Hoofdmenu oproepen
2.5 Display

Nr. Indicatie
1 Naam van het geselecteerde menu (hier: Hoofdmenu)
2 Menupunten in het menu: Er worden telkens slechts twee menupunten weergegeven (hier: Installingen en Informatie). Met een kuren er verdere menupunten worden weergegeven.
3 Functies voor het geselecteerde menupunt (hier:Instellingen).Met ① kuren de functies worden opgeroepen.
4 Sterretje voor de markings van het geselecteerde menupunt (hier:Instel-1ingen)
2.6 Menustructuur
| Hoofdmenu | Programma | Weekprogramma zie Hoofdstuk 7.5 "Maaiprogramma instellen", pagi- na 84 |
| Startpunten zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunten instellen", pagina 85 | ||
| Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagi- na 87 | ||
| Instel- lingen | Tijdstip zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82 | |
| Datum zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82 | ||
| Taal zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82 | ||
| PIN code zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82 | ||
| Geluidssignaal knopbediening zie Hoofdstuk 7.2 "Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren", pagina 84 | ||
| Eco-modus Eco-mode activeren/deactiveren | ||
| Regensensor zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 84 | ||
| Regensensor vertrag. zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 84 | ||
| Regengevoelig zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagi- na 84 | ||
| Randen maaien zie Hoofdstuk 7.6 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 86 | ||
| Nevenoppervlak actief/inactief zie Hoofdstuk 7.7 "Maaien van nevenoppervlakken instellen", pagina 86 | ||
| Displaycontrast zie Hoofdstuk 7.8 "Displaycontrast instellen", pa- gina 86 | ||
| Instellingsbescherming zie Hoofdstuk 7.9 "Instillingsbescher- ming", pagina 86 | ||
| Opnieuw kalibreren zie Hoofdstuk 7.10 "Opnieuw kalibreren", pa- gina 87 | ||
| Fabrieksinstillingen zie Hoofdstuk 7.11 "Terugzetten op fa- brieksinstillingen", pagina 87 | ||
| Informa- tie | Messenservice zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 87 | |
| Hardware zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 87 | ||
| Software zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 87 | ||
| Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagi- na 87 | ||
| Storingen zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 87 |
2.7 Laadstation

Nr. Component
1 Bodemplaat
2 LEDs voor statusweergave
3 Laadcontact
4 Laadzuil
5 Winterafdekking
6 Kabelschacht
7 Wielkuip
8 Boring voor gazonschroeven (9)
9 Gazonschroeven
2.8 Geintegreerde accu
De accu is vast in het apparaat gemonteerd en mag Niet door de gebruiker worden verrangen.

OPMERKING
De accu要去 voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is Niet slecht voor de accu als het opladen worden onderbroken.
De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeel- telijk opgeladen. Bij normala gebruik wordt de accu regelmatig opgeladen. Het apparaat rijdt terug maar het laadstation.
- De geintegreerde bewakingselectronica beeindigt het opladen automatisch als er een oplaadstatus van 100% is bereikt.
- Het opladen werkt alleen bij een onberispelijk contact van de laadcontanten van het laadstation met de contactoppervlakken van het apparatus.
Bij een temperatuur hoger dan 45^ blokeert de ingebouwde beveiliging het opladen van de accu. Op deze wijze worden een custoring voorkomen. - Als de bedrijfsduur van de accu ondanks een volledige oplading duidelijk korter is geworden, moet hij bij een Karcher dealer, technicus of servicepartner door een originele accu worden verrangen.
- Als de accu door veroudering of een te lange opslagduur ontladen raakt tot beneden de door de fabrikant vastgelegde drempelwaarde, kan hij Niet meer worden opgeladen. Laat de accu en de controle-elektronica controle-ren door uw Karcher dealer, technicus of servicepartner.
De laadconditie van de accu worden getoond op het display. De accustatus na ca. 3 maanden opslag controeren. Schakel hiervoor het apparaat in en lees de accustatus af. Als de accu slechts nog maar voor ca. 30% of minder is geladen要去 het apparaat in het laadstation geplaatst en ingeschakeld worden zo-dat de accu worden opgeladen. Als de laadzuiil voor het opbergen van het laadstation werden verwijderd (zie Hoofdstuk 11.2 "Laadstation opbergen", pagina 90),要去 die eerst weein omgekeerde volgorde gemonteerd en het basisstation weeper op het stroomnet aangeslo-ten worden.
■ Als er elektrolyt uit het huis is vrijgekomen: Apparaat door een Kärcher servicepunt lately repareren! - Indien de accu uit het apparaat werden verwijderd: Als er ogen of handen met het vrijgekomen elektrolyt in aanraking়n gekomen要去en die onmiddelijk met water worden gespoeld. Daarna onmiddelijk een arts raadplegen!
2.9 Beschrijving van de werkking
Bewegen op het gazon
Het apparaat beweegt zich vrij op een door een begrenzingskabel afgezet gebied. De oriëntatie van het apparaat gebeurt met sensoren die het magneevteld van de begrenzingskabel herkenen.
Als het apparaat gegen een obstakel stoot blijft het staan en beweegt verder in een andere riching. Als het apparaat vocht herkent, gaat het automatisch terug maar het laadstation. Als het apparaat in een situatie komt waarin er geen werkking möglich is, worden dit met en melding op het display aangegeven.
Maaiwerking en laadwerking
De maaifasen worden aufgewisseld door laadfasen. Als de lading van de accu bij het maaien tot een bepaalde waarde (weergave: 0% ) is gedaald, gaat het apparaat langs de begrenzings-kabel terug maar het laadstation.
Voor de maaiwerking zijn er vooraf ingestelde maaiprogramma's aanwezig waarin ook oppervlak- en randmaaifuncties�n opgenomen. Deze maaiprogramma's kunnen door de gebruiker worden gewijzigd.
Bij elke start van de maaimotor worden zichdraarichting omgekeerd, waardoor de levensduur van de maaimessen worden verdubbeld.
3 VEILIGHEID
3.1 Beoogd gebruik
Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Elke andere toepassing, alsook een verboden om- of aanbouw, worden beschouwd als nicht beoogd gebruik en leiden tot uitsluiting van de garantie, het verlies van de conformiteit (CE-markering) en de afwijzing van elke verantwoordelijkheid vanwege de fabrikant wat betreft schade aan de gebruiker of derden.
De toepassingsgrenzen van het apparaatijken:
max. oppervlak: 500m^2
max. helling/daling: 45% (24°)
- max. bijwaartse helling: 45% (24°)
Temperatuur:
Opladen: 0 - 45^
Maaien: 0 - 55^ C
3.2 Mogelijk foutief gebruik
Dit apparaat is nicht geschikt voor gebruik in een openbare omgeving, parken, op sportterreinen of in de land- en bosbouw.
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen

WAARSCHUWING! Gevaar voor letsel
Defecte en buiten werkig gestelde veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen können tot ernstig letsel leiden.
Laat defecte veiligheidsen beveiligingsvoorzie-ningen repareren.
- De beschermings- en beveiligingsvoorzinen gen nooit buiten werkinq stellen.
3.3.1 PIN- en PUK-invoer
Het apparaat kan alleen door in-
voeren van een PIN (personal
Identification Number) worden
gestart. Daardoor wordt het ins
schakelen door onbevoegde per
soren voorkomen. De PIN-code
is in de fabriek ingesteld op
0000. De PIN-code kan worden
gewijzigd,zie zie Hoofdstuk 5.2
"Basisinstellungen uitvoeren", pagina 82.
Als de PIN-code 3 keer verkeerd wordt ingevoerd, is de invoer van de PUK (Personal Unlocking Key)oodzakelijk. Als die ook verkeerd wordt ingevoerd moeter 24aar voor de volgende invoer worden gewacht.
De PIN- en PUK-code dient ook als diefstalbeveiliging:
Bewaar de PIN- en PUK-code ontoegankelijk voor onbevoegde Personen.
3.3.2 Sensoren
Het apparaat heeft meerereveiligheidssensoren. Hij schakeltna het uitschakelen door eenveiligheidssensor Niet automatisch wee in. De fouitmeldingwordt op het display weergeven en moet bevestigd worden. De reden voor de activering vande sensor moet worden verholpen.
Hefsensor
Als het apparaat tijdens de werkking aan het huis wordt opgetild, wordt de rijaandrijvinguitgeschakeld en de snijmessen worden gestopt.
Stootsensoren voor obstakelherkenning
Het apparaat is uitgevoerd met sensoren die er bij contact met een obstakel voor zorgen dat de rijrichting worden aangepast. Wanner het apparaat gegen een obstakel aanstoot, verschuift het bovendeel van de behuizingiets en de stootsensor worden geactiveerd.
Hellingsensor in rijrichting/ zijkant
Als er in rijrichting een helling of een daling of een schuine zijwaartse stand van 24^ (45%) wordt bereikt, keert het apparaat om of verandert van rijrichting.
Regensorso
Het apparaat is uitgevoerd met een regensensor die in geactiveerde hoedanigheid bij regende maaibeurt onderbreekt en ervoor zorgt dat het apparaat terugrijdt maar het laadstation.

OPMERKING
Het apparaat kan betrouwbaar in de buurt van andere maairobots worden gelebruikt.
Het in de begrenzingskabel gebruike signaal voldoet aan de door EGMF (European Garden Machinery Federation) vastgelegde standardaards wat betreft de elektromagnetische emissies.

3.4 Veiligheidsinstructies
3.4.1 Gebruiker
- Jongeren vanjonger dan 16年龄段, personen met lichamelijke, sensorische of geestelijkbeperkingen of met onvoldoende ervaring en kennis enpersonen die de gebruiksaanwijzing Niet kennen, mogenhet apparaat nicht gebruiken. Neem eventueel van toepassing zijnde nationale veiligheidsvoorschriften omtrent de minimum leeftijd van de gebruiker in acht.
Bedien het apparaat Niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
3.4.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen
- Om letsel te voorkomen要去 er doelmatige kleding en要去en er persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen.
- De persoonlijke beschermingsmiddelen bestaanuit:
lange broek en stevige schoenen.
■ bij onderhoud en verzorging: Veiligheidshandschoenen.
3.4.3 Veiligkeit van personen en dieren
Op openbaar toegankelijke terreinen要去en rondon het maaigebied waarschuwingsborden met het volgende opsschrift aangebracht worden:

LET OPI!
Kom Niet in de buurt van het apparatusat!
Houd kinderen onder toe-zicht!
Zorg erijdens de werkking voor dat er geen kinderen of personen in de buurt van het apparaat komen of zich en dat ze Niet met het apparaat spel- len.
- Het is verboden om op het apparaat te gaan zitten of om in de snijmessen te vrijpen!
Blijf met lichaam en kleding uit de buurt van het maaimechanisme.
3.4.4 Veiligkeit van het apparatusat
Zorg er voor het begin van de werkzaamheden voor dat er geen voorwerpen (takken, glazen of metalen voorwerpen, kledingstukken, stenen, tuinmeubelen, tuingerei of spelgoed) in het werkgedeelte van het apparaat liggen. Die kuren de snijmessen van het apparaat beschadigen of door het apparaat beschadigd worden.
- Gebruik het apparaat alleen onder de volgende voorwaarden:
Het apparatus is nicht vervuld.
Het apparatusat vertoont geen beschadigingen of slijtage.
Alle bedieningselementen werken.
Laadstation en voeding en de elektrische voedingskabels zich nicht beschadigden werken.
Vervang defecte onderdelen altijd door originele reserve-onderdelen van de fabrikant.
Laat het apparaat repareren wonneer het beschadigd raakte.
- De gebruiker van het apparaat is verantwoordelijk voor letsel bij derden of voor materiaanse schade.
- Gebruik het apparaat nooit als er tegelijkertijd een tuinsproeier in het maaigebied in bedrijf is.
Spuit het apparaat nicht met water af. - Open het apparaat nicht.
4 MONTAGE
4.1 Apparaat uitpakken
- Open de verpakking voorzichtig.
- Haal alle componenten voorzichtig uit de verpakking en controllerer ze op transportschade. Opmerking: Neem bij transportschade overeenkomstig de garantiebepalingen direct contact op met uw dealer, technicus of servicepartner.
- Controller de leveringsomvang, zie Hoofdstuk 2.1 "Leveringsomvang", pagina 70.
Indien het apparaat worden doorverzonden要去en de originele verpakking en de meegeleverde documenten worden bewaard. Die+zijn tevens bij retourzending vereist.
4.2 Maigebieden plannen (01)
Locatie van het laadstation (01/1)
Kortste möglichke afstand maar het grootste maaigebied
Vlakke ondergrond
Tegen direct zonlicht en sterke weersinvloeden beschermd
aansluitmogelijkheid voor voeding
Vrije toegankelijkheid voor de maairobot
Leggen van de begrenzingskabel (01)
De begrenzingskabel moet in een doorlopende Ius rechtsom worden gelegd.
Doorgangen tussen de maiagebieden (01/h)
Een doorgang is een nauwe strook op het gazon en kan ertoe dienen om twee maaigebieden te verbinden.
Hoofdoppervlak en nevenoppervlak(ken) (01)
Hoofdoppervlak (01/HF): Is het gazon waarop zich het laadstation bevindt en dat door het apparaat over het gehele gebied automatisch gemaaid kan worden.
- Nevenoppervlak (01/NF): Is een gazon dat door het apparaat vanaf het hoofdoppervlak Niet kan worden bereikt; apparaat indien nodig met de handaar het nevenoppervlak dragen. Nevenoppervlakken konnen met handmatige werkung worden bewerkt.
Hoofd- en nevengebied zich enchalter alleen door bezelfde, ononderbroken begrenzingskabel omheind.
Positie van de instappunten (01/X0 - 01/X3)
Het apparaat beweegt op de vastgelegde maai-tijd langs de begrenzingskabel tot aan het vastgelegde instappunt en begint waar met maaien.
Met de instappunten kan er vastgelegd worden welke gedeeltes van het maaigebied er meer worden gemaad.
4.3 Maigebieden voorbereiden
- Controller of het gazon groter is dan de oppervlaktecapaciteit van het apparaat. Bij een te groot gazon ontstaat er een onregelmatig gemaaid gazon. Verklein het te maaien gebied indien nodig.
- Voor de montage van laadstation en begren-zingskabel en voor de inbedrijfstelling van het apparaat: Het gazon met een grasmaier op eenkleine snijhoogte maaien.
- Obstakels op het gazon verwijderen of met de begrenzingskabel afzetten (zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 80):
Vlakke obstakels waar overheen kan worden bewogen en die de snijmessen konnen beschadigen (bijv. vlakke stenen, overgangen van gazonaar terras of pa-den, tegels, stoepranden enz.)
Gaten in en verheffingen op het gazon (bijv. molshopen, woelgaten, Dennenappels, geallen fruit enz.)
Steile hellingen van meer dan 45% (24^)
Water (bijv. vijvers, beken, zwembaden enz.) en de afzetting ervan t.o.v. het gazon
Struiken en heggen die breder können worden
4.4 Laadstation opbouwen (03/a)
- Laadstation (01/1) haaks t.o.v. de positie van de begrenzingskabel als volgtplaatsen:
Vlak op de grond (met een waterpas controeren)
Rechte en vlakke in- en uitrit
Niet overhellend (bij het aansluten en indraaien van de gazonschroeven mag de laadzuil Niet gebogen raken of hellen)
Bijplaatsing aan een muur: ten minste 5 cm afstand
- Laadstation (03/2) met vrijf gazonschroeven (03/1) op de grond vastzetten.
Als de meegeleverde begrenzingskabel te kort is, kan bij uw Karcher dealer, de technicus of de servicepartner een verlangkabel verkreten worden.
- Begrenzingskabel (03/4)uit de verpakking trekken.
- Afdekking van de kalbelschacht (03/3) aan de aansluiting (03/A) verwijderen.
- Isolatie van het uiteinde van de begrenzings-kabel (03/6) een stuk verwijderen en in de klem (03/7) steken.
- Klem sluiten.
- Begrenzingskabel door de trekontlasting (03/5) met kabelreserve uit de kabelschacht leiden.

OPMERKING
Met de kabelreserve{kunnen ook op een later tijdstip nogkleine correcties aan de kabelgeleiding uitgevoerd worden.
- Afdekking van de kabelschrift weerplaatsen.
De begrenzingskabel kan zowel op het gazon worden gelegd of kan 10cm onder het gazonoppervlak worden ingewerkt. Het inwerken onder het gazonoppervlak kan door uw dealer uitgevoerd worden.
Beide varianten können met elkaar gecombineerd worden.
LET OP!
Gevaar voor beschadigging van de begren-zingskabel
Als de begrenzingskabel beschadigd of doorgesneden worden is de overdracht van de besturingssignalen maar het apparaat Niet meer möglich. In dat geval moet de begrenzingskabel gerepareerd of verrangen worden. Begrenzingskabels zijn verkrijgbaar bij Kärcher.
Leg de begrenzingskabel alsijd direct op de grond. Bevestig hem indien nodig met een extra gazonpen.
- Bescherm de begrenzingskabel bij het leggen enijdens de werkking gegen beschadigin-gen.
Graaf en verticuteer nicht in de buurt van de begrenzingskabel.
- Bevestig de begrenzingskabel met regelmati-ge afstanden met gazonpennen of leg hem ondergronds (max. 10 cm diep).
- Begrenzingskabel om obstakels heen leggen:
zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 80. - Doorgangen:tussen de afzonderlijke maaigebieden aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.4 "Doorgangen afzetten (01 / h) ",pageia 81.
-
Te greste stijgingen of dalingen afzetten: zie Hoofdstuk 4.5.5 "Hellingen afzetten", pagina 81.
-
Kabelreserves aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.6 "Kabelreserves aanleggen (07)", pagina 81.
- Sluit de begrenzingskabel na het leggen aan op de aansluiting (03/b) van het laadstation:zie Hoofdstuk 4.5.1 "Begrenzingskabel op het laadstation aansluiten (03 / b) ", pagina 79.
4.5.3 Obstakels afzetten
Afhankelijk van de omgeving van het werkgeidelte要去 de begrenzingskabel met verschilende afstanden t.o.v. de obstakels worden gelegd. Gebruik voor de bepaling van de juiste afstand de linial die van de verpakking aufgehaald kan worden.

OPMERKING
Afzettingen zijn alleenoodzakelijk als ze door de stootsensoren van het apparaat Niet kuren worden herkend. Vermijd te veel of onnodige afzettingen. Niveauverschillen die kleiner zich dan 6 cm, moeten worden uitgesloten, odomat het apparaat anders schade kan veroorzaken.
Afstand t.o.v. muren, hekken, bloembedden: min. 20 cm (01)
Het apparaat beweegt met een afstand maar bui- ten van 20 cm langs de begrenzingskabel. Leg waarom de begrenzingskabel met een afstand van ten minste 20 cm t.o.v. muren, hekken of bloembedden.
Afstand t.o.v. terrasranden en verharde paden (05)
Als de rand van het terras of het pad hoger is dan het gazon moet er een afstand van ten minste 20~cm aangehouden worden. Als de rand van het terras of het pad op gelijke hoogte van het gazon ligt kan de kabel precies op de rand worden gelegd.
Afstand van obstakels t.o.v. de begrenzingskabel (01)
Als de begrenzingskabels van het obstakel weg ofaar het obstakel toe precies samenvallen, d.w.z. met een afstand van 0cm ,beweegt het apparaat over de begrenzingskabelsBeen. De begrenzingskabels hierbij Niet over elkaarBeen (02 / c) ,maar evenwijdig leggen (01 / e)
Leggen van de begrenzingskabel rond hoeken (06)
Bij hier binnen verlopende hoeken (06/a): Begrenzingskabel diagonal leggen om te voorkomen dat het apparaat in de hoek vastkomt te zitten.
Bij waar buiten verlopende hoeken met obstakels (06/b): Begrenzingskabel in een punt leggen om te voorkomen dat het apparaat te-gen de hoek aan botst.
Bij waar buiten verlopende hoeken zonder obstakels: Begrenzingskabel met een hoek van 90^ leggen.
4.5.4 Doorgangen afzetten (01/h)
De volgende afstanden要去en in de doorgang aangehouden worden:
Totale breedte: min. 60 cm
■ Afstand van de begrenzingskabel t.o.v. derand: 20 cm
■ Afstand:tussen de begrenzingskabels: min. 30 cm
4.5.5 Hellingen afzetten
Hellingen van meer dan 45% 要去en met de begrenzingskabel afgezet worden (45% = 45cm helling per 1 m horizontal).
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (07)
Om na de inrichting van het maaigebied het laadstation nog te konnen verplaatsen of het maaigebied te vergroten, moet er op regelmatige afstanden een reservelengte in de begrenzingskabel worden ingebouwd.
Kies het aantal kabelreservelengtes maar eigengoeddanken.

OPMERKING
Vorm bij reservelengtes geen open lussen.
- Leg de begrenzingskabel rond de actuèle gazonpen (07/1) en wee terug maar de vorige gazonpen (07/3).
- Leid de begrenzingskabel dan werk terug maar de actuèle gazonpen. Er ontstaat een Ius. De kabels要去en bij elkaar liggen.
- Indien nodig de lus in het midden met een extra gazonpen (07/2) aan de grond bevestigen.
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (02)
- De reserves van de begrenzingskabel worden Niet in een gelijkmatige, langgerekte lus gelegd (02/a).
De begrenzingskabel worden nicht deskundig rond de hoeken gelegd (02/b).
De begrenzingskabel worden gekruist of nicht rechtsom gelegd (02/c). - De begrenzingskabel worden te onnauwkeurig gelegd, zodate randedeeltes van het gazon nicht gemaaid nutzen worden (02/d).
- De begrenzingskabel worden bij hetijken en terugleiden van de rand waar een obstakel binnen het gazon Niet direct naast elkaar liggend gelegd (02/e).
- De instappunten worden te ver weg van het laadstation vastgelegd (02/f).
De begrenzingskabel wordt over de rand van het gazon heb ven gelegd (02 / g)
Bij het leggen van de begrenzingskabel worden de minimum afstand voor doorgangen van 30 cm onderschreden (02/h).
De begrenzingskabel worden te:dicht, d.w.z. met een afstand van minder dan 20 cm t.o.v. Niet te passeren obstakels gelegd (02/i).
4.6 Laadstation op voeding aansluiten (04)
- Voeding (04/4) op een droge en gegen zonlicht beschermde plek voldoende in de buurt van het laadstation (04/1)plaatsen.
- Laagspanningskabel van de voeding (04/5) en kabel van het laadstation (04/6) met elkaar verbinden.
- Netstekker van de voeding (04/2) in een stopcontact (04/3) steken.

OPMERKING
Wij adviseren om de voeding op het spanningsnet via een aardlekschakelaar met een nominale lekstroom van < 30mA aan te sluiten.
4.7 Verbindingen aan het laadstation controlleren (04)
- Controller of beide leds aan de voorkant van de laadzuil (09/1) branden. Indien Niet:
Trek de voedingskabel los.
- Controller alle stekkerverbindungen van de voeding en van de begrenzingskabel op juiste montage en beschadigingen.
Toestandsweergaven van de leds
| Leds Bedrijfstoestanden | |
| groen | ■ Brandt als de begrenzingskabel correct is gelegd en de lus in or-de is. |
| ■ Knippert als de lus van de be-grenzingskabel nicht in orde is. | |
| geel | ■ Brandt als de voeding in orde is. |
5 INBEDRIJFSTELLING
Dit hoofdstuk beschrijft de handelingen en instellen die nodig� om het apparaat voor de eerste keer in bedrijf te stellen. Voor alle andere instellenen zie Hoofdstuk 7 "Instellenen", pagina 84.
5.1 Accu opladen (08)
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normala gebruik worden de accu van het apparaat regelmatig opgeladen.

OPMERKING
De accu要去hertheeerste gebruik
completewordenopgeladen.Deaccu kan inelke willekeurige laadtoestand
wordenopgeladen.Hetisneit slecht
voordeccualshetopladenwordt onderbroken.
Deaccukanalleenwordonopgeladen
alshetappaatisingschakeld.
- Apparaat (08/1) zodenig in het laadstation (08/3)plaatsen dat de contactoppervlakken van het apparaat de laadcontacten van het laadstation raken.
2.Met ON apparaat inschakelen. - Het display op het apparaat toont Accu wordt geladen. Indien Niet: zie Hoofdstuk 13 "Hulp bij storingen", pagina 92.
5.2 Basisinstallingenuitvoeren
- Afdekkap openen.
- Met ON apparaat inschakelen. Firmware, codenummer en type worden weergegeven.
- In het menu taalkeuze met taalselecteren en met Uvernemen.
- In het menu Aanmelding > PIN invoe- ren het vooraf ingestelde PIN 0000 invoe- ren. Hiervoor na elkaar met of hecij
fer 0 selecteren en telkens met Verne-men. Na de invoer van het PIN worden de toe-gang vrijgeschakeld.
- In het menu PIN wijzigen:
Bij Nieuwe PIN invoeren een zelf gekozen{niew PIN van vierplaatsen invoeren. Hiervoor na elkaar meteen cijfer selecteren en telkens met O overnemen.
Bij Nieuwe PIN herh. het neue PIN opnieuw invoeren. Als beiden invoeren identiek zich, worden PIN met succès gewijzigd weergegeven.
-
In het menu Datum invoeren de actuèle datum instellen (formaat: DD-MM-20JJ). Hiervoor na elkaar met @ cijfer selecteren en telkens met Uvernemen.
-
In het menu Tijdstip invoeren >24h formaat de actuèleijd instellen (formaat: HH:MM). Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
De basisinstallingen zijn voltooid. De status On-gekalibreerd starttoets indrukken worden weergegeven.
5.3 Maaihoogte instellen
De maaihoogte kan traploosussen de 25 - 55mm met de hand worden versteld.

OPMERKING
Voor de kalibratierit (zie zij Hoofdstuk 5.4 "Automatische kalibratierituitvoeren", pagina 83) en voor het leren van de toegangspunten (zie zij Hoofdstuk 7.5.2"Startpunterinstellen", pagina 85) worden een maaihoogte van 55mm aanbevolen.
- Afdekking (10/1) openen.
- De maaihoogte instellen (de actuèle maaihoogte wordt op het scherm (10/3) in millimeter aangegeven):
Maaihoogte (d.w.z. gazonhoogte) verhogen: Draaiknop (10/2) rechtsom (10 / + ) draaien.
Maaihoogte (d.w.z. gazonhoogte) verla-gen: Draaiknop (10/2) linksom (10/-) draaien.
- Afdekking sluiten.
5.4 Automatische kalibratierituitvoeren
Zet het apparaat op de beginstand (09)
- Zet het apparaat binnen het maaigebied op de startup:
min. 1 m links en 1 m voor het laadstation
met de voorkant op de begrenzingskabel uitgelijnd
Kalibratierit starten
-
Controller der binnen het te voorspellen bewegingsgedeelte van het apparaat geen obstakels aanwezig zijn. Het apparaat要去 met beiden voorwienen over de begrenzingskabel hebken hun den. Verwijder obstakels indien nodig.
-
Met START apparaat starten. Op het display wordt weergegeven:
!Waarschuwing!Aandrijving start
■ Kalibreren, Fase [1]
Tijdens de kalibratierit
Het apparaat rijdt voor de bepaling van de signaalsterkte binnen de begrenzingskabel eerst twee koer over de begrenzingskabelBeen en vertologens hier het laadstation en blijftaar stilstaan.
Op het display wordt de melding Kalibra-tie voltooid gegeven.
De accu worden opgeladen.

OPMERKING
Het apparaat moet bij het binnenrijden in het laadstation blijven staan. Als het apparaat bij het binnenrijden in het laadstation de contacten Niet raakt, rijdt het verder langs de begrenzingskabel. Als het apparaat Niet door het laadstation rijdt is de kalibratieprocedure mislukt. In dat geval要去h het laadstation beter uitgelijnd en de kalibratieprocedure worden herhaald.
Na de kalibratie
De vooraf ingestelde actuèle maaitijd worden aangegeven.
Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina 84.

OPMERKING
Voor een goed maairesultaat is het aan te bevelen de luslengte door het apparaat te lately meten. Dit worden gedaan met de training om de toegangspunten (zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunter instellen", pagina 85) te bepalen.
6 BEDIENING
6.1 Apparaat met de hand starten
- Met ON OFF apparatus at inschakelen.
Voor randen maaien buiten de planning: zie Hoofdstuk 7.6 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 86.
- Met START apparaat met de hand starten. STOP
6.2 Maaiwerking staken
op het apparaat indrukken.
Het apparaat rijdt automatisch terug maar het laadstation. Het wist het maaischema van de actuèle dag en start de volgende dag waar op het ingesteldeijdstip.
START op het apparaat indrukken. STOP
De maaiwerking worden gedurende een half.
eur onderbroken.
ON OFF op het apparatusat indrukken.
Het apparatus wordtuitgeschakeld.

OPMERKING
In gevaarlijke situatuies kan het apparaat met de STOP-toets (08/2) worden gestopt.
6.3 Nevenoppervlak maaien (01/NF)
- Apparaat optillen en met de hand op het nevenoppervlak plaatsen.
- Met ON apparaat inschakelen.
- Met hofdmenu oproepen.
- of * stellingen
- d: Nvenoppervlak maaien
- Met mauijd selecteren.
- Met START apparaat met de hand starten. STOP
Afhankelijk van de instelling: Het apparaat maait gedurende de ingesteldeijd en schakeltervo-gensuit of maait verdter tot de accu leeg is.
Na het maaien van het nevenoppervlak het apparaat weeer met de hand in het laadstation plaatsen.
7 INSTELLINGEN
7.1 Installing oproepen - Algemeen
- Met ofdmenu opropen.
Opmerking: Het sterretje * voor het menupunt geeft aan dat het zojuist is geselecteerd.
- of stellingen

-
Met het gewenste menupunt selecteren en met overnemen.
-
Installingen uitvoeren.
Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreiben.
- Met teruggaan aan het hoofdmenu.

OPMERKING
Verdere menupunten: zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellungen uitvoeren", pagina 82.
7.2 Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren
-
oduidssignaal knopbe-diening
-
Geluidssignaal knopbediening activeren/de-activeren:
of activeren: Geluidssignaal knopbediening activeren.
of edact. Geluidssignaal knopbediening deactive ren.
7.3 Eco-modus activeren/deactiveren
In de Eco-modus schakelt het apparaat om maar de energie besparende modus. Daardoor wordt het energieverbruik en de geluidsemissie gereduceerd.

OPMERKING
In hoog en dicht gras evenals dichte grasmat Niet aanbevolen of eventueel Niet möglichk.
-
oEMode 0
-
Eco-modus activeren/deactiveren:
Activeren Eco-modus activeren.
gedeact. Eco-modus deactiveren.
7.4 Regensensor instellen

OPMERKING
Maaien van een droog gazon vermindert verruiling.
Door het activeren van de regensensor en het instellen van een vertragingstijd kan er worden voorkomen dat het apparaat bij een nat gazon maait.
Als de regensensor geactiveerd is, rijdt het apparaat terug maar het laadstation als het begint te regenen. Daar blijft het tot de regensensor is gedroogd. Vervolgens wacht het nog dearend af die als vertraging is ingesteld voordat het doorgaat met maaien. De gevoeligheid van de regensensor is instelbaar.
- Vertraging van de regensensor instellen:
of Regensensor vertrag.
xx uur xx minuten Met de gewenste waarde voor de vertraging selecteren en met evestigen.
- Gevoeligkeit van de regensensor instellen:
of Regengevoelig
Met de gewennen waarde voor de gevoeligheid instellen en met de vestigen.
7.5 Maiprogramma instellen
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen
1.Met ofofdmenu oproepen.
-
o* Rgramma
-
Met metumpunt selecteren en met overnemen.
-
Instellingen uitvoeren. Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreiben.
7.5.2 Startpunter instellen
Startpunter teachers
- Apparaat in het laadstationplaatsen.
- Met ON apparaat inschakelen.
3.Met ofdmenu oproepen. -
of Programma
-
of* startpunter
- of * startpunter teachers
- start teachrun voor startupnten
of start . Happaraat beweegt langs de begrenzingskabel.
of hier , a het apparaat het gewenste instappunt hebft bereikt. Het instappunt worden opgeslagen.
- ste startpunt 1 in, als bij de teach-rit geen instappunt is vastgelegd. Als er hier geen instappunt worden vastgelegd, worden de instappunten automatisch vastgelegd.
- dStaVtPunt x: XXm, als het Iaatste instappunt is bereikt.
Instappunten met de hand vastleggen (01)
Het eerste instappunt (01/X0) is vooraf ingesteld en bevindt zich 1 m rechts naast het laadstation. Achter dit punten+knen er maximaal 3 verdere instappunten (X1 t/m X3) worden geprogrammeerd. Houd bij het vastleggen van de instappunten rekening met het volgende:
Stel de instappunten nicht te ver verwijderd van het laadstation en nicht te zich bij elkaar in (02/f).
- Gebruik slechts zoveel instappunten als nodig.
- o* startpunter
- of* Rnt X1 bij [020m]
Met navelkaar een cijfer selecteren en telkens met Overnemen.
- o* Rnt X2 bij [075m]
Met nelaar een cijfer selecteren en telkens met Uvernemen.
- Verdere instappunten vastleggen indien nodig.
- Met tuggaan naar het hoofdmenu.
7.5.3 Maaitijden instellen

OPMERKING
Tussen de programmering van de maai-tijden en het starten van het maaien要去en 30 minutes liggen. Indien nicht start het apparaat pas op de volgende geprogrammeerde maaitijd.
In het menupunt Weekprogramma worden de dagen van de week en deijdstippen ingesteld waarop het apparaat要去 maaien. Pas deze instellingen indien nodig aan op de afmetingen van het gazon. Als er na ongeveer een week nog ongemaaide gebieden te zien� ometen de maaitijden verlangd worden.
1.
Weekprogramma
of E1ke dag [X]: Het apparaat maait iedere dag op de ingestelde tijdstippen. Als E1ke dag [ ] worden aangegeven, maait het apparaat alleen op de ingestelde weekdays.
of Maandag [X]...* Zondag [X]: Het apparaat maait op de ingestelde weekdayop de ingestelde tijdstippen. Als bijv.Maandag [ ] wordt weergegeven,maait het apparaat op de betreffende dag Niet.
of wijzigen : Dabetreffende dag activeren [X] of deactiveren [ ],rijkden, manier van maaien en instappun- ten instellen.
- Instellingen voor alle dagen of de betreffende dag uitvoeren:
bijv. [M] 07:00-10:00 [?]: Normaal maaien [M] van 07:00 - 10:00 uur met automatisch wisselend instappunt 0 -3 [?]
bijv. [R] 16:00-18:00 [1]: Het apparataat start om 16:00 eer met het maaien van randen [R] en beweegt langs de gehele begrenzingskabel. Daarna begint het maaien van het gebied op instappunt 1 [1]. Om 18:00 eer of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug maar het laadstation.
of wijzigen : Gselecteernde instelling wijzigen.
of Verder: Gbyjzigde insteling bevestigen en verder maar de volgende instelling.
- opsvan : Alle geldijzigde instellingen van het menupunt opslaan.
7.6 Randen maaien bij handmatige start
Voor de handmatige start kan hier ingesteld worden dat het apparaat met het maaien van de randen begint.
Randen op de geprogrammeerde maaitijden maaien:zie Hoofdstuk 7.5.3 "Maaitijden instellen",pagea 86.
- of* Rnden maaien
- handmatige start
7.7 Maaien van nevenoppervlakken instellen
- of* Nvenoppervlak maaien
- Maaitijden instellen:
of hactief: Het maaien van nevenoppervlakken isuitgeschakeld.
of actief : Het apparaat maait tot de accu leeg is.
of laaitijd in min: Het apparaat maait gedurende de ingesteldeijd het nevenoppervlak. De vol-gende maaitijden konnen ingesteld worden: 15/30/tot accu leeg.
7.8 Displaycontrast instellen
Als het display bijv. in zonlicht slecht af te lezen valt, kan de weergave door wijziging van het displaycontrast verbeterd worden.
- o* playcontrast
- Met het visplaycontrast verhogen/ verlagen en met Uvernemen.
7.9 Instellingsbescherming
Als de instellingsbescherming gedeactiveerd is hoeft alleen bij het bevestigen van voor de veiligheid belangrijke fouten de PIN-code ingevoerd te worden.
- of* stellingsbescherming






















- Instellingsbescherming activeren/deactiveren:














Instellingsbescherming activeren.











Instellingsbescherming deactiveren.
7.10 Opniew kalibreren
Als de positie of de lenghte van de begrenzingskabel werd gewijzigd of het apparaat de begrenzingskabel Nieteer kan vinden, moet er op-nieuw gekalibreerdd worden.































- Kalibratierum uitvoeren: zie Hoofdstuk 5.4 "Automatische kalibratierit uitvoeren", pagina 83.
7.11 Terugzetten op fabrieksinstelleningen
De fabrieksinstelling van het apparaat+kennen bijv.oor een doorverkoop teruggezet worden.











apparaat meldt:Instellingen met succes hersteld
Het menu Informatie dient voor de weergave van de apparaatgegevens. In dit menu kan denverder geen instellingen worden gedaan.
























































Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreiben.














Messenservice
Geeft aan over hoeveel bedrijfsuren er een messenservice moodzakelijk is. De teller kan met de hand teruggezet worden. De messenservice dooreen gespecialiseerde Karcher dealer, technicus of een servicepartner uit latent voeren.
Teller voor de messenservice terugzetten:













Hardware
Geeft informatatie weever het apparaat, als bijv. type, fabricejaar, bedrijfsuren, serienummer, aantal maaibeurten, totale maaitijd, aantal laadcycli, totale oplaadtijd, lengte van de lus van de begrenzingskabel.
Software
Geeft de firmware-versie aan.
Programma-info
Toont actuèle instellingen als bijv. de totale wekelijkse maaitijd.
Storingen
Geeft de als LAST opgetreden storingsmeldingen met datum,ijd en foutcode wee.
9 ONDERHOUD EN VERZORGING

VOORZICTIG!
Gevaar voor letsel
Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen können letselveroorzaken.
Draag bij onderhouds-en reinigingswerkzaam-heden altijd beschermende handschoenen!
9.1 Reiniging
LET OP!
Gevaardoorwater
Water in de maairobot en in het laadstation leidt tot schade aan elektrische componenten.
Spuit de maairobot en het laadstation nicht af met water.

VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen
De snijmessen zijn erg scherp en{kunnen snijwondenveroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
Let erop dat lichaams-delen nicht in de snijmes-sen terechtkomen.
Een keer per week uitvoeren:
- Met ON OFF apparatus at uitschakelen.
- Oppervlak van het lui met een stoffer, een borstel, een vochtige doek of een fijn spons afvegen.
- Onderkant, maaidek en snijmessen met een borstel afborstelen.
- Snijmessen op beschadigingen controleren.
Indien nodig verrangen: wie Hoofdstuk 9.3 "Messen verrangen", pagina 88.
Laadstation reinigen
- Grasrestanten en loot of andere voorwerpen regelmatig uit het laadstation verwijderen.
- Oppervlak van het laadstation met een vochtige doek of een fijn spons afvegen.
9.2 Regelmatige controle
Algemene controle
- Controller eén keer per week de gehele installmente op beschadigingen:
Apparaat
Laedstation
Begrenzingskabel
Voeding
- Vervang defect onderdelen door originele onderdelen van Karcher of door een servicepunt van Karcher.
Wielen controlleren op vrije beweging
Een keer per week UITvoeren:
- De omgeving van de rolden grondig van grasrestanten en verruiling ontdoen. Gebruik hiervoor een stoffer en een doeck.
- Controller of de rolten soepel draaien en of ze gestuurd konnen worden. Opmerking: Als de rolten stroef draaien of Niet gestuurd konnen worden要去en ze door een servicepunt van Karcher worden verran-gen.
Contactoppervlakken aan de maairobot controlleren
- Vervuiling met een doek verwijderen en dan iets met contactvet insmeren.
Laadcontacten van het laadstation controlleren
- Trek de voedingskabel los.
- De laadcontacten richting laadstation drukken en loslaten. De laadcontacten要去en wee terugveren in de uitgangspositie. Opmerking: Als de laadcontacten Niet terugveren要去en ze door een servicepunt van Karcher worden verrangen.
9.3 Messen verrangen

VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen
De snijmessen zijn erg scherp en{kunnen snijwondenveroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
Let erop dat lichaams-delen nicht in de snijmessen terechtkommen.
LET OP!
Beschadiging van het apparaat door ondeskundige reparatie
Door hetrechtbuigen van verbogen gemonteerde snijmessen kan de messenschijf beschadigd raken.
■ Buig verbogen snijmes-issen nichtrecht.
Vervang verbogen snijmessen door originele reserveonderdelen van Karcher.
Versleten snijmessen of verbogen snijmessen要去en worden verrangen.
- Met ON apparaat uitschakelen.
- Apparaat omkeren met de messen maar boven toe.
- Bevestigingsbouten losdraaien.
- De snijmessen uit de meszitting halen.
- De meszitting reinigen met een zacht borsteltje.

OPMERKING
De snijmensen zich over de gehele lenghte geslepen en+kunnen darom 180^ gedraaid gemonteerd worden,waardoor dedraaitijd verdubbeld worden.
- Messen verrangen:
■ Als de snijmessen sinds de eerste montage nog Niet+zijn gedraaid: Snijmessen 180^ draaien en met de geslepen kant maar het apparaat toe wijzend weer in de meszitting plaatsen en de bevestigingsbouten wee handvast aandraaien.
- Als de snijmessen sind de eerste montage aliens zich geldraaid: Nieuwe snijmessen met de geslepen Kantaar het apparaat toe wijdend in de meszittingplaatsen en neue bevestigingsboute handvast aandraaien.
Opmerking: Er mogen uitsluitend origi-nele reserveonderdelen van Karcher worden gebrukt.
Als ernstige verruiling Niet met een borstel kan worden verwijderd,要去 de messenschijf worden verrangen, omdat er anders onbalans kan zorgen voor meer geluid,meer slijtage en functiesto-ringen.
10 TRANSPORT
Ga bij het transport van het apparaat, bijv. van het hoofd- maar het nevenoppervlak, als volgt te werk:
- Met START of met de stoptoets het apparaat stoppen.
-
Met ON apparaat uitschakelen.
-
Til het apparaat met beiden handen aan het huis op:
De snijmessen mogen nicht aangeraakt worden.
De snijmessen要去en altijd van het li-chaam weg wijzen.
11 OPSLAG
11.1 Maairobot opbergen
Berg het apparaat op als het gedurende de winter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen Niet worden gelebruikt.
- Accu geheel opladen (zie Hoofdstuk 5.1 "Accu opladen (08)", pagina 82).
-
Apparaat grondig reinigen (zie Hoofdstuk 9.1 "Reiniging", pagina 87).
-
Apparaat bewaren:
staand op alle wielen
op een droge, afsluitbare en gegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
11.2 Laadstation opbergen
Het laadstation kan, moetECHter Niet opgeborgen worden. Door het op te bergen wordt er zichter een te vroege veroudering als bijv. het uitbleken van de kleur of corrosie van de laadcontacten voorkomen.
Als het laadstation buiten blijft staan:
- Voeding van het net scheiden en van het laadstation losnemen.
- Kabel van het laadstation oprollen.
- Voeding opbergen.
- Laadcontacten met contactvet insmeren.
Als het laadstation wordt opgeborgen:
- Alle bovenstaande werkzaamheden uitvoeren.
- Laadstation van de begrenzingskabel scheiden.
- Laadstation verwijderen en verontreinigungen verwijderen met een handveger en eenlicht vochtige doeck.
- Laadstation bewaren:
op een droge, afsluitbare en gegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
Als alleen de laadpaal worden opgeslagen:
- Voeding van het net scheiden en van het laadstation losnemen.
- Verontreinigungen met een stoffer en eenlicht vochtige doek verwijderen.
- Laadpaal verwijdersen:
Beide boute n van de laadzui (08/4) los-draaien.
Laadzuil door kantelen van het laadstation losnemen.
Stekkerverbinding van laadstation en laadzuil losmaken.
Opening van de basis (08/5) aflsuiten met de bijgevoegde winterafdekking (08/6).
- Laadpaal opbergen:
op een droge, aflsuitbare en gegen vorst beveiligde plek
buiten het bereik van kinderen
De begrenzingskabel kan in de grond blijven zitten en hoeft nicht verwijderd te worden.
- Als het laadstation is opgeborgen: De kabeluiteinden met contactvet insmeren en met plankband omwikkelen. Daardoor worden de kabeluiteinden beschermd gegen corrosie.
12 VERWIJDEREN
Advies over de wetgeving inzake elektrische en elektronische apparaten (ElektroG)
Oude elektrische en elektronische apparaten horen nicht thuis bij het huishoudelijkke afval, maar要去en geschieren worden aangeboden of verwijderd!
- Gebruekte batterijen of accu's, die nicht vast in het apparaat ingebouwd zijn,要去en voor de verwijdering worden gedemonteerd! De recycling ervan worden door de batterijwetgeving beheerst.
- Bezitters of gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur zijn wette-lijk tot teruggave na gebruik verplicht.
De eindgebungruiker is verantwoordelijk voor het wissen van zijn persoonlijke gegevens op het te verwijderen gelebruekte apparaat!
Het symbol van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat elektrische en elektronische gebruike apparaten Niet via het gewoon afval mogen worden verwijderd.
Elektrische en elektronische apparaten können op de volgende verzamelpunten gratis worden afgegeben:
- Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van elektrische apparatuur (vast en online), voor zover handelaren tot terugname verplicht zich on deze vrijwillig aanbieten.
Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op apparaten die in landen van de Europese Unie geinstalleerd en verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2012/19/EU. In landen buiten de Europese Unie konnen afwijkende voorschriften gelden voor het verwijderen van afgedankte elektrische en elektronische apparaten.
Over de batterijwetgeving (in Duitsland: BattG)

- Gebruike batterijen en accu's horen nicht bij het gewone afval, maar要去en afzonderlijk worden weggedaan!
Zie de gebruiksaanwijzing om tot een veilige verwijdering van batterijen of accu'suit het elektrische apparaat over te kuren gaan en voor informatie over het type of het chemisch system.
Bezitters of gebruikers van batterijen en accu's zich wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De teruggave is beperkt tot de normale huishoudelijk hoeveelheden.
Gebruekte batterijen können schadelijke stoffen of zware metalen bevatten, die het milieu en de gezondheid schade+kunnen toebrengen. Het hergebruiken van gebruekte batterijen en het opnieuw gebruiken van de grondstoffen draagt bij tot het behoud van deze belangrijke goederen.
Het symbol van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat gebruike batterijen en accu's Niet via het gewoon afval mogen worden verwijderd.
Wanner ook de vermelding Hg, Cd of Pb onder de afvalemmer is aangebracht, betekent dit het volgende:
Hg: de batterij bevat meer dan 0,0005% kwik
Cd: de batterij bevat meer dan 0,002 % cadmium
Pb: de batterij bevat meer dan 0,004 % lood
Accu's en batterijen können op de volgende verzamelpunten gratis worden afgegeben:
Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
Verkooppunten van batterijen en accu's
Een verzamelpunt van het gemeenschappelijkke recycling system voor gebruike apparaten en batterijen
Een verzamelpunt van de fabrikant (indien hij geen lid is van het gemeenschappelijkke recyclung systeme)
Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op accu's en batterijen die in landen van de Europese Unie verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2006/66/EU. In landen buiten de Europese Unie konnen afwijkende bepalingen voor de recycling van accu's en batterijen gelden.
Aanwijzingen voor de verpakking

Het verpakkingmaterial is herbruikbaar. Doe de verpakking milieubewust weg.
Demonteer de accu voordat het apparaat worden weggedaan.
De geintegreerde accu moet gedemonteerd en apart weggedaan worden voordat het apparaat worden afgedankt.

- Bouten (1) losdraaien.
- Deksel van het accuvak (2) afnemen.
- Accu (3) loskoppelen en verwijdersen.
- Deksel weerplaatsen en bouteen weeandraaien.
13 HULP BIJ STORINGEN
13.1 Apparaat- en bedieningsfouten verhelpen

VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel
Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen können letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden.altijd beschemende handschoenen!
| Storing Oorzaak Oplossing | ||
| Apparaat start nicht. Accu is leeg. Apparaat in het laadstation opladen. | ||
| Apparaat komt klem te zit-ten en graaft zich vast. De wielen draaien verder. | Stootsensoren worden nicht geactiveerd. | Bezoek een Kärcher service centre. |
| Gras is te hoog. | ■ De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. ■ Gras met een grasmaier maaien. | |
| Apparaat blijf op een onef-fenheid van het gazon han-gen. | Oneffenheid verwijderen. | |
| Apparaat maait op verkeer-de tijdstippen. | Apparaat heeft de verkeerde tijd. | Tijd instellen. |
| Maaitijden zijn verkeerd inge-steld. | Maaitijden instellen. | |
| Apparaat verliest deijdinstellenen. | Accu is defect. Bezoek een Kärcher ser-vice centre. | |
| Motor blokkeertijdens het maaien. | Motor is overbelast. Apparaat uitschakenen, op effen onder-grond of laag grasplaatsen en opnieuw starten. | |
| Accu is leeg. Accu opladen. | ||
| Snijmessen�stomp. Snijmessen omkeren of indien nodig verrangen. | ||
| Maairesultaat is ongelijk-matig. | Maaitijd is te kort. Langere maaijtijd programmeren. | |
| Maaigebied is te groot. Maaigebied verkleinen. | ||
| De maaihoogte is te laag ingesteld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. | |
| Snijmessen�stomp. Snijmessen omkeren of indien nodig verrangen. | ||
| Het vermogen van de accu-neemt duidelijk af. | De maaihoogte is te laag ingesteld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. |
| Gras te hoog of te nat. | ■ Gazon laten drogen. ■ Maaihoogte hoger instellen. | |
Storing Oorzaak Oplossing
| Apparaat tritt of het ge-luidsvolume is te hoog. | Onbalans in het snijmes of in de aandrijving van het snij-mes | ■ Maaidek reinigen. ■ Bezoek een Kärcher service centre. |
| Accu kan nicht opgeladen worden resp. te lage ac-cuspanning | ■ Laadcontacten van het laadstation+zijn verruild. ■ Contactoppervlakken aan het apparaat+zijn verruild. | Laadcontacten en contactoppervlakken reinigen. |
| Laadstation heeft geen stroom. | Laadstation op voeding aansluten. | |
| ■ Apparaat raakt de laad-contacten Niet. ■ Contactoppervlakken aan het apparaat+zijn af-gebrand. | ■ Apparaat in het laadstationplaatsen en controlleren of de laadcontacten contact maken. ■ Bezoek een Kärcher service centre. | |
| Levensduur van de accu is afgelopen. | Bezoek een Kärcher service centre. | |
| Oplaadelektronica is defect. Bezoek een Kärcher service centre. | ||

OPMERKING
Neem contact op met unsere klantenservice bij storingen die nicht in deze tabel staan vermeld of die u zich selbst kunt oplossen.
13.2 Foutcodes en -oplossing
Foutcode Oorzaak Oplossing
| CN001: Tilt sensor | Kantelsensor is geactiveerd: ■ Max. hellingshoek over-schreden ■ Apparaat werk gedragen ■ Helling te steil | Apparaat op een horizontale onder-grondplaatsen en de fouit bevestigen. |
| CN002: Lift sensor | De hefsensor is geactiveerd: ■ De afdekking van het ap-paraat werk door optillen of door een obstakel maar boven toe wegderukt. | Obstakel verwijderen. |
| CN005: Bumper deflected | Apparaat is gegen een obsta-kel gereden en kan zich nicht losmaken (bijv. botsing in de buurt van het laadstation). | Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen. ■ Positie van de begrenzingskabel corrigeren. |
| Foutcode Oorzaak Oplossing | ||
| CN007: No loop signaI nal | ■ Geen circuitsignaal ■ Begrenzingskabel is de- fect. ■ Circuitsignaal is te zwak. | ■ Leds aan het laadstation controle- ren. ■ Voeding van het laadstation contro- leren. Voeding losnemen en weeer aansluten. ■ Begrenzingskabel op beschadigin- gen controleren. Defecte kabel re- pareren. |
| CN008: Loop signal weak | ■ Circuitsignaal te zwak ■ Begrenzingskabel te diep ingegraven | ■ Leds aan het laadstation controle- ren. ■ Voeding van het laadstation contro- leren. Voeding losnemen en weeer aansluten. ■ Begrenzingskabel tot de voorge-schreven hoogte verhogen,evt. di- rect op het gazon bevestigen. |
| CN010: Slechte posi-tie | ■ Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga-zonoppervlak. ■ Begrenzingskabel werk gekruist. | ■ Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen. ■ Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. Kruising van de kabel opheffen. |
| CN011: Escaped robot | Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper-vlak. | Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. |
| CN012: Cal: no loop CN015: Cal: outside | Storingijdens de kalibratie: ■ Apparaat kan de begren-zingskabel Niet vinden. | ■ Leds aan het laadstation controle- ren. ■ Voeding van het laadstation contro- leren. Voeding losnemen en weeer aansluten. ■ Apparaat op de voorgeschreven kal- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. Apparaat moet over de begrenzingskabel heb den kunnen rijden. |
| CN017: Cal: signal weak | Storingijdens de kalibratie: ■ Circuitsignaal te zwak ■ Geen circuitsignaal ■ Begrenzingskabel is de- fect. | ■ Apparaat op de voorgeschreven kal- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. ■ Voeding van het laadstation contro- leren. Voeding losnemen en weeer aansluten. ■ Begrenzingskabel op beschadigin- gen controleren. |
| CN018: Cal: Collisi-on | Storingijdens de kalibratie: ■ Apparaat is gegen een obstakel aan gereden. | Obstakel verwijderen. |
| CN038: Battery Accu is leeg: | ||
| Circuit van de begrenzings-kabel is te lang, te veel eilan-den. | Positie van de begrenzingskabel corri-geren. | |
| Bij het opladen geen contact met de laadcontacten | ■ Laadcontacten reinigen. ■ Apparaat in het laadstation plaatsen en controlleren of de laadcontacten contact makeen. ■ Laadcontacten latent controlleren door een servicepunt van Kärcher en latent vernieuwen. | |
| Obstakels in de buurt van het laadstation | Obstakels verwijderen. | |
| Apparaat heeft zich vastge-reden. | Apparaat op een vrij, omheind gazonplaatsen. | |
| Apparaat vindt het laadstation Niet. | ■ Begrenzingskabel op beschadig-gen controlleren. ■ Begrenzingskabel door een Kärcher servicepunt latent opmeten. | |
| Accu is opgebruikt. Accu door | een Kärcher servicepunt laten verrangen. | |
| Oplaadelektronica is defect. Laadelektronica door een Kärcher servicepunt latent controlleren. | ||
| CN099: Recov escape | Automatisch verhelpen van storing nicht möglich | ■ Storingsmelding met de hand be-vestigen. ■ Als dit waar opttreedt: Apparaat door een Kärcher servicepunt latent con-troleren. |
| CN104: Battery over heating | ■ Accu is oververhit (meer dan 60 °C). Er is geen ontlading möglich. ■ Noodstop door controle-elektronica | ■ Apparaat uitschakelen en accu latent afkoelen. ■ Apparaat Niet in het laadstationplaatsen. |
| CN110: Blade motor over heating | Maaimotor is oververhit (meer dan 80 °C). | ■ Apparaat uitschakelen en latent af-koelen. ■ Als dit waar opttreedt: Apparaat door een Kärcher servicepunt latent con-troleren. |
| CN119: R-Bumper deflected | Apparaat is gegen een obsta-kel gereden en kan zich nicht losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| CN120: L-Bumper deflected | ||
| CN128: Recov Impos-sible | Apparaat is gegen een obsta-kel gereden en kan zich nicht losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper-vlak. | ■ Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen.■ Positie van de begrenzingskabel corrigeren. | |
| CN129: Restricted WL | Motor van linkerwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. |
| CN130: Restricted WR | Motor van rechterwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. |

OPMERKING
Neem contact op met unsere klantenservice bij storingen die nicht in denen tabel staan vermeld of die u zich selbst kunt oplossen.
14 GARANTIE
Eventueel bennen de wettelijk termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden maar eigenvoordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een verrangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werk aangeschaft.
Onze garantie geldt alleen bij:
naleving van deze gebruiksaanwijzing
- Deskundig gebruik
Gebruik van originele reserveonderdelen
De garantie vervalt bij:
Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
Eigenhandig aangebrachte technische wijzigingen
- Gebruik voor andere doeleinden dan het gebruiksdoel
Van de garantie zijn uitgesloten:
lakschade opgetreden als gevolg van normala gebruik
De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is waar bij de datum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon maar uw dealer ofaar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaringaat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.
15 EG-CONFORMITEITSVERKLARING
Wij verklaren hierbij dat de hieronder beschreiben machine op grond van zich ontwerp en constructie en in de door ons op de markt gebrachte versie voldoet aan de relevante fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de EU-richtlijnen. Bij een Niet met ons afgesproken wijziging van de machine verliest deze verklaring� geldigheid.
| Product | Fabrikant | Gemachtigde voor de documentatie |
| RLM 4 | Alfred Kärcher SE & Co. KG | S. Reiser |
| Alfred-Kärcher-Str. 28 - 40 | ||
| Type | 71364 Winnenden (Duitsland) | Toegepaste geharmoniseerde normen |
| Tel.: +49 7195 14-0 | ||
| RLM4 | Fax: +49 7195 14-2212 | EN 60335-1 |
| EN 50636-2-107:2015 | ||
| Van toepassing+zijnde EU-richtlij-nen | EN 61558-1 | |
| EN 61558-2-16 | ||
| 2006/42/EG (+2009/127/EG) | EN 62233:2008 | |
| 2014/30/EU | EN 50563 | |
| 2009/125/EC | EN 50581 | |
| 2011/65/EU | ||
| 2014/53/EU | De ondergetekenden handelen namens en met volmacht van de raad van bestuur. |