RLM 4 - Robotmaaier Kärcher - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis RLM 4 Kärcher in PDF-formaat.
| Producttype | Robotische grasmaaier op batterij |
| Merk | Kärcher |
| Model | RLM 4 |
| Maximale maaioppervlakte | 500 m² |
| Maximale helling | 45% (24°) |
| Maaihoogte | 25 tot 55 mm (handmatig instelbaar) |
| Batterijtype | Ingebouwde lithium-ion (niet door gebruiker te verwijderen) |
| Autonomie | Ongeveer 60 minuten (afhankelijk van omstandigheden) |
| Oplaadtijd | Ongeveer 60 minuten |
| Voeding | Voedingsadapter 100-240 V ~ 50/60 Hz |
| Lengte van de meegeleverde omtrekkabel | 100 m |
| Programmeerbare ingangspunten | Tot 4 |
| Regensensor | Ja, met instelbare gevoeligheid en vertraging |
| Hef- en kantelsensor | Ja, stopt de messen automatisch |
| Diefstalbeveiliging | PIN- en PUK-code |
| Eco-modus | Ja, vermindert het stroomverbruik en het geluid |
| Maaiprogramma | Wekelijkse programmering, maaien van randen en secundaire oppervlakken |
| Onderhoud | Regelmatig reinigen, vervangen van de maaimessen |
| Garantie | 2 jaar (volgens wettelijke voorwaarden) |
Veelgestelde vragen - RLM 4 Kärcher
Gebruikersvragen over RLM 4 Kärcher
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RLM 4 - Kärcher en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RLM 4 van het merk Kärcher.
GEBRUIKSAANWIJZING RLM 4 Kärcher
1 Over deze gebruiksaanwijzing 69
1.1 Verklaring van pictogrammen en signaalwoorden 69
2 Productomschrijving 70
2.1 Leveringsomvang 70 2.2 Maairobot 70 2.3 Symbolen op het apparaat 71 2.4 Bedieningsoppervlak 71 2.5 Display 72 2.6 Menustructuur 73 2.7 Laadstation 74 2.8 Geïntegreerde accu 74 2.9 Beschrijving van de werking 75
3 Veiligheid 75
3.1 Beoogd gebruik 75 3.2 Mogelijk foutief gebruik 75 3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen 75
3.3.1 PIN- en PUK-invoer 76 3.3.2 Sensoren 76
3.4 Veiligheidsinstructies 77
3.4.1 Gebruiker 77 3.4.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen 77 3.4.3 Veiligheid van personen en dieren 77 3.4.4 Veiligheid van het apparaat 78 3.4.5 Elektrische veiligheid 78
4 Montage 78
4.1 Apparaat uitpakken 78 4.2 Maai gebieden plannen (01) 78 4.3 Maai gebieden voorbereiden 79 4.4 Laadstation opbouwen (03/a) 79 4.5 Begrenzingskabel installeren 79
4.5.1 Begrenzingskabel op het laadstation aansluiten (03/b). 79 4.5.2 Begrenzingskabel leggen (01). 79 4.5.3 Obstakels afzetten 80 4.5.4 Doorgangen afzetten (01/h) 81 4.5.5 Hellingen afzetten 81 4.5.6 Kabelreserves aanleggen (07) 81 4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (02) 81
4.6 Laadstation op voeding aansluiten (04) 81 4.7 Verbindingen aan het laadstation controleren (04) 81
5 Inbedrijfstelling 82
5.1 Accu opladen (08) 82 5.2 Basisinstellingen uitvoeren 82 5.3 Maaihoogte instellen 82 5.4 Automatische kalibratierit uitvoeren 83
6 Bediening 83
6.1 Apparaat met de hand starten 83 6.2 Maaiwerking staken 83 6.3 Nevenoppervlak maaien (01/NF) 83
7 Instellingen 84
7.1 Instelling oproepen - Algemeen 84 7.2 Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren 84 7.3 Eco-modus activeren/deactiveren 84 7.4 Regensensor instellen 84 7.5 Maaiprogramma instellen 84
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen 84 7.5.2 Startpunt instellen 85 7.5.3 Maaitijden instellen 86
7.6 Randenmaaien bij handmatige start 86 7.7 Maaien van nevenoppervlakken instellen 86 7.8 Displaycontrast instellen 86 7.9 Instellingsbescherming 86 7.10 Opnieuw kalibreren 87 7.11 Terugzetten op fabrieksinstellingen 87
8 Informatie weergeven 87 9 Onderhoud en verzorging 87
9.1 Reiniging 87 9.2 Regelmatige controle 88 9.3 Messen vervangen 88
10 Transport 89 11 Opslag 89
11.1 Maairobot opbergen 89 11.2 Laadstation opbergen 90 11.3 Begrenzingskabel overwinteren 90
12 Verwijderen 90 13 Hulp bij storingen 92
13.1 Apparaat- en bedieningsfouten verhelpen 92 13.2 Foutcodes en -oplossing 93
14 Garantie 97 15 EG-conformiteitsverklaring 97
1 OVER DEZE GEBRUIKSAANWIJZING
De Duitse versie is de originele gebruiksaanwijzing. Alle andere taalversies zijn vertalingen van de originele gebruiksaanwijzing. Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik. Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodat u er het antwoord op uw vragen kunt terugvinden wanneer u informatie over het apparaat nodig heeft. Draag het apparaat alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere personen over. Lees en neem de veiligheids- en waarschuwingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in acht.
1.1 Verklaring van pictogrammen en signaalwoorden

GEVAAR!
Wijst op een direct gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt.

WAARSCHUWING!
Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden.

VOORZICHTIG!
Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot een licht of middelzwaar letsel kan leiden.
LET OP!
Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële schade kan leiden.

OPMERKING
Speciale aanwijzingen voor meer duidelijkheid en een beter gebruik.
Deze documentatie beschrijft een volautomatische, met een accu gevoede maairobot die zich op een gazon vrij beweegt. De snijhoogte kan versteld worden.
2.1 Leveringsomvang
Bij de leveringsomvang horen de hier vermelde posities. Controleer of alle posities aanwezig zijn:

Nr. Component
1 Maairobot 2 Beknopte handleiding 3 Gebruiksaanwijzing 4 Gazonpennen (90 stuks) 5 Voeding 6 Winterafdekking 7 Laadstation 8 Gazonschroeven (5 st.) met moersleutel 9 Begrenzingskabel (100 m) 10 Kartonnen linial
2.2 Maairobot

Nr. Component
1 Bedieningsveld met display (inwendig) 2 STOP-toets (stopt het apparaat meteen en de snijmessen binnen de 2 s) 3 Aansluitcontacten voor opladen 4 Hoogteverstelknop (verzonken) 5 Voorste wielen (stuurbaar) 6 Accuschacht 7 Maaidek 8 Messenschijf 9 Aandrijfwiel 10 Bevestigingsbout 11 Wegruimmes 12 Snijblad
2.3 Symbolen op het apparaat
Symbool Betekenis

Houd anderen uit de buurt van de gevarenzone!

Vereist extra voorzichtigheid tijdens gebruik!

Blijf met uw handen en voeten bij het maaimechanisme vandaan!

Houd voldoende afstand!

Lees vóór ingebruikname de gebruiksaanwijzing!

Voer voor het starten van het apparaat het PIN in!

Rijd niet op het apparaat mee!
2.4 Bedieningsoppervlak

Nr. Component
1
(Home-toets): Maaierking staken, het apparaat rijdt terug naar het laadstation. Het start de volgende dag automatisch op de ingestelde maaitijd.
2 Regensensor: Stelt vast of het regent (zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 84).
3 Display: Toont de huidige bedrijfsstatus van het apparaat, de naam van het geselecteerde menu, de menupunten en de functies die geselecteerd kunnen worden (zie Hoofdstuk 2.5 "Display", pagina 72).
4
pijltoetsen): Selecteer de menupunten, verhoog en verlaag de getalwaarden en kies tussen de instellingen.
5
(Start/Stop-toets): Maaiwerking met de hand starten en onderbreken of maaiwerking na het indrukken van meteen weer inzetten.
6
O functietoetsen): De functie oproepen die zojuist boven de toets op het display worden weergegeven.
7
ON (On/Off-toets): Apparaat in- en uitschakelen.
8
(Manutoets): Hoofdmenu oproepen
2.5 Display

Nr. Indicatie
1 Naam van het geselecteerde menu (hier: Hoofdmenu) 2 Menupunten in het menu: Er worden telkens slechts twee menupunten weergegeven (hier: Instellingen en Informatie). Met een knop kunnen verdere menupunten worden weergegeven. 3 Functies voor het geselecteerde menupunt (hier: Instellingen). Met ① kunnen de functies worden opgeroepen. 4 Sterretje voor de markering van het geselecteerde menupunt (hier: Instellingen)
2.6 Menustructuur
| Hoofdmenu | Programma | Weekprogramma zie Hoofdstuk 7.5 "Maaiprogramma instellen", pagi- na 84 |
| Startpunten zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunten instellen", pagina 85 | ||
| Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagi- na 87 | ||
| Instel- lingen | Tijdstip zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82 | |
| Datum zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82 | ||
| Taal zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82 | ||
| PIN code zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82 | ||
| Geluidssignaal knopbediening zie Hoofdstuk 7.2 "Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren", pagina 84 | ||
| Eco-modus Eco-mode activeren/deactiveren | ||
| Regensensor zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 84 | ||
| Regensensor vertrag. zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 84 | ||
| Regengevoelig zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagi- na 84 | ||
| Randen maaien zie Hoofdstuk 7.6 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 86 | ||
| Nevenoppervlak actief/inactief zie Hoofdstuk 7.7 "Maaien van nevenoppervlakken instellen", pagina 86 | ||
| Displaycontrast zie Hoofdstuk 7.8 "Displaycontrast instellen", pa- gina 86 | ||
| Instellingsbescherming zie Hoofdstuk 7.9 "Instillingsbescher- ming", pagina 86 | ||
| Opnieuw kalibreren zie Hoofdstuk 7.10 "Opnieuw kalibreren", pa- gina 87 | ||
| Fabrieksinstillingen zie Hoofdstuk 7.11 "Terugzetten op fa- brieksinstillingen", pagina 87 | ||
| Informa- tie | Messenservice zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 87 | |
| Hardware zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 87 | ||
| Software zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 87 | ||
| Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagi- na 87 | ||
| Storingen zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 87 |
2.7 Laadstation

Nr. Component
1 Bodemplaat 2 LEDs voor statusweergave 3 Laadcontact 4 Laadzuil 5 Winterafdekking 6 Kabelschacht 7 Wielkuip 8 Boring voor gazonschroeven (9) 9 Gazonschroeven
2.8 Geïntegreerde accu
De accu is vast in het apparaat gemonteerd en mag niet door de gebruiker worden vervangen.

OPMERKING
De accu moet voor het eerste gebruik volledig worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken.
De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu regelmatig opgeladen. Het apparaat rijdt terug naar het laadstation. - De geïntegreerde bewakingselektronica beëindigt het opladen automatisch als er een oplaadstatus van 100% is bereikt.
- Het opladen werkt alleen bij een onberispelijk contact van de laadcontacten van het laadstation met de contactoppervlakken van het apparaat. Bij een temperatuur hoger dan 45°C blokkeert de ingebouwde beveiliging het opladen van de accu. Op deze wijze worden storingen voorkomen.
- Als de bedrijfsduur van de accu ondanks een volledige oplading duidelijk korter is geworden, moet hij bij een Kärcher dealer, technicus of servicepartner door een originele accu worden vervangen.
- Als de accu door veroudering of een te lange opslagduur ontladen raakt tot beneden de door de fabrikant vastgelegde drempelwaarde, kan hij niet meer worden opgeladen. Laat de accu en de controle-elektronica controleren door uw Kärcher dealer, technicus of servicepartner. De laadconditie van de accu wordt getoond op het display. Controleer de accustatus na ca. 3 maanden opslag. Schakel hiervoor het apparaat in en lees de accustatus af. Als de accu slechts nog maar voor ca. 30% of minder is geladen, moet het apparaat in het laadstation geplaatst en ingeschakeld worden zodat de accu wordt opgeladen. Als de laadzuil voor het opbergen van het laadstation werd verwijderd (zie Hoofdstuk 11.2 "Laadstation opbergen", pagina 90), moet die eerst in omgekeerde volgorde gemonteerd en het basisstation weer op het stroomnet aangesloten worden. ■ Als er elektrolyt uit het huis is vrijgekomen: Apparaat door een Kärcher servicepunt laten repareren!
- Indien de accu uit het apparaat werd verwijderd: Als er ogen of handen met het vrijgekomen elektrolyt in aanraking zijn gekomen, moeten die onmiddellijk met water worden gespoeld. Daarna onmiddellijk een arts raadplegen!
2.9 Beschrijving van de werking
Bewegen op het gazon
Het apparaat beweegt zich vrij op een door een begrenzingskabel afgezet gebied. De oriëntatie van het apparaat gebeurt met sensoren die het magnetisch veld van de begrenzingskabel herkennen.
Als het apparaat tegen een obstakel stoot, blijft het staan en beweegt verder in een andere richting. Als het apparaat vocht herkent, gaat het automatisch terug naar het laadstation. Als het apparaat in een situatie komt waarin er geen werking mogelijk is, wordt dit met een melding op het display aangegeven.
Maaiwerking en laadwerking
De maaifasen worden afgewisseld door laadfasen. Als de lading van de accu bij het maaien tot een bepaalde waarde (weergave: 0% ) is gedaald, gaat het apparaat langs de begrenzingskabel terug naar het laadstation.
Voor de maaiwerking zijn er vooraf ingestelde maaiprogramma's aanwezig waarin ook oppervlak- en randmaaifuncties zijn opgenomen. Deze maaiprogramma's kunnen door de gebruiker worden gewijzigd.
Bij elke start van de maaimotor wordt de draairichting omgekeerd, waardoor de levensduur van de maaimessen wordt verdubbeld.
3 VEILIGHEID
3.1 Beoogd gebruik
Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Elke andere toepassing, alsook een verboden om- of aanbouw, worden beschouwd als niet beoogd gebruik en leiden tot uitsluiting van de garantie, het verlies van de conformiteit (CE-markering) en de afwijzing van elke verantwoordelijkheid vanwege de fabrikant wat betreft schade aan de gebruiker of derden.
De toepassingsgrenzen van het apparaat zijn:
max. oppervlak: 500m2 max. helling/daling: 45% (24°) - max. zijwaartse helling: 45% (24°) Temperatuur:
Opladen: 0 - 45°C Maaien: 0 - 55° C
3.2 Mogelijk foutief gebruik
Dit apparaat is niet geschikt voor gebruik in een openbare omgeving, parken, op sportterreinen of in de land- en bosbouw.
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen

WAARSCHUWING! Gevaar voor letsel
Defecte en buiten werking gestelde veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen kunnen tot ernstig letsel leiden.
Laat defecte veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen repareren. - De beschermings- en beveiligingsvoorzieningen nooit buiten werking stellen.
3.3.1 PIN- en PUK-invoer
Het apparaat kan alleen door het invoeren van een PIN (Personal Identification Number) worden gestart. Daardoor wordt het inschakelen door onbevoegde personen voorkomen. De PIN-code is in de fabriek ingesteld op 0000. De PIN-code kan worden gewijzigd, zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82.
Als de PIN-code 3 keer verkeerd wordt ingevoerd, is de invoer van de PUK (Personal Unlocking Key) noodzakelijk. Als die ook verkeerd wordt ingevoerd, moet er 24 uur voor de volgende invoer worden gewacht.
De PIN- en PUK-code dient ook als diefstalbeveiliging:
Bewaar de PIN- en PUK-code ontoegankelijk voor onbevoegde personen.
3.3.2 Sensoren
Het apparaat heeft meerdere veiligheidssensoren. Het schakelt na het uitschakelen door een veiligheidssensor niet automatisch weer in. De foutmelding wordt op het display weergegeven en moet bevestigd worden. De reden voor de activering van de sensor moet worden verholpen.
Hefsensor
Als het apparaat tijdens de werking aan het huis wordt opgetild, wordt de rijaandrijving uitgeschakeld en worden de snijmessen gestopt.
Stootsensoren voor obstakelherkenning
Het apparaat is uitgevoerd met sensoren die er bij contact met een obstakel voor zorgen dat de rijrichting wordt aangepast. Wanneer het apparaat tegen een obstakel aanstoot, verschuift het bovendeel van de behuizing iets en de stootsensor wordt geactiveerd.
Hellingsensor in rijrichting/ zijkant
Als er in rijrichting een helling of een daling of een schuine zijwaartse stand van 24° (45%) wordt bereikt, keert het apparaat om of verandert van rijrichting.
Regensensor
Het apparaat is uitgevoerd met een regensensor die in geactiveerde toestand bij regen de maaibeurt onderbreekt en ervoor zorgt dat het apparaat terugrijdt naar het laadstation.

OPMERKING
Het apparaat kan betrouwbaar in de buurt van andere maairobots worden gebruikt.
Het in de begrenzingskabel gebruikte signaal voldoet aan de door EGMF (European Garden Machinery Federation) vastgelegde standaards wat betreft de elektromagnetische emissies.

3.4 Veiligheidsinstructies
3.4.1 Gebruiker
- Jongeren jonger dan 16 jaar, personen met lichamelijke, sensorische of geestelijke beperkingen of met onvoldoende ervaring en kennis en personen die de gebruiksaanwijzing niet kennen, mogen het apparaat niet gebruiken. Neem eventueel van toepassing zijnde nationale veiligheidsvoorschriften omtrent de minimum leeftijd van de gebruiker in acht. Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
3.4.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen
- Om letsel te voorkomen moeten er doelmatige kleding en persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen.
- De persoonlijke beschermingsmiddelen bestaan uit:
lange broek en stevige schoenen. ■ bij onderhoud en verzorging: Veiligheidshandschoenen.
3.4.3 Veiligheid van personen en dieren
Op openbaar toegankelijke terreinen en rondom het maaigebied moeten waarschuwingsborden met het volgende opschrift aangebracht worden:

LET OP!
Kom niet in de buurt van het apparaat!
Houd kinderen onder toezicht!
Zorg er tijdens de werking voor dat er geen kinderen of personen in de buurt van het apparaat komen en dat ze niet met het apparaat spelen.
- Het is verboden om op het apparaat te gaan zitten of om in de snijmessen te grijpen! Blijf met lichaam en kleding uit de buurt van het maaimechanisme.
3.4.4 Veiligheid van het apparaat
Zorg er voor het begin van de werkzaamheden voor dat er geen voorwerpen (takken, glazen of metalen voorwerpen, kledingstukken, stenen, tuinmeubelen, tuingerei of speelgoed) in het werkgedeelte van het apparaat liggen. Die kunnen de snijmessen van het apparaat beschadigen of door het apparaat beschadigd worden. - Gebruik het apparaat alleen onder de volgende voorwaarden:
Het apparaat is niet vervuild. Het apparaat vertoont geen beschadigingen of slijtage. Alle bedieningselementen werken. Laadstation en voeding en de elektrische voedingskabels zijn niet beschadigd.
Vervang defecte onderdelen altijd door originele reserve-onderdelen van de fabrikant.
Laat het apparaat repareren wanneer het beschadigd raakt. - De gebruiker van het apparaat is verantwoordelijk voor letsel bij derden of voor materiële schade.
- Gebruik het apparaat nooit als er tegelijkertijd een tuinsproeier in het maaigebied in bedrijf is. Spuit het apparaat niet met water af.
- Open het apparaat niet.
4 MONTAGE
4.1 Apparaat uitpakken
- Open de verpakking voorzichtig.
- Haal alle componenten voorzichtig uit de verpakking en controleer ze op transportschade. Opmerking: Neem bij transportschade overeenkomstig de garantiebepalingen direct contact op met uw dealer, technicus of servicepartner.
- Controleer de leveringsomvang, zie Hoofdstuk 2.1 "Leveringsomvang", pagina 70.
Indien het apparaat wordt doorverzonden, moeten de originele verpakking en de meegeleverde documenten worden bewaard. Deze zijn tevens bij retourzending vereist.
4.2 Maaigebieden plannen (01)
Locatie van het laadstation (01/1)
Kortste mogelijke afstand tot het grootste maaigebied. Vlakke ondergrond. Tegen direct zonlicht en sterke weersinvloeden beschermd. Aansluitmogelijkheid voor voeding. Vrije toegankelijkheid voor de maairobot.
Leggen van de begrenzingskabel (01)
De begrenzingskabel moet in een doorlopende lus rechtsom worden gelegd.
Doorgangen tussen de maaigebieden (01/h)
Een doorgang is een nauwe strook op het gazon en kan ertoe dienen om twee maaigebieden te verbinden.
Hoofdoppervlak en nevenoppervlak(ken) (01)
Hoofdoppervlak (01/HF): Is het gazon waarop zich het laadstation bevindt en dat door het apparaat over het gehele gebied automatisch gemaaid kan worden. - Nevenoppervlak (01/NF): Is een gazon dat door het apparaat vanaf het hoofdoppervlak niet kan worden bereikt; apparaat indien nodig met de hand naar het nevenoppervlak dragen. Nevenoppervlakken kunnen met handmatige werking worden bewerkt.
Hoofd- en nevengebied worden alleen door dezelfde, ononderbroken begrenzingskabel omheind.
Positie van de instappunten (01/X0 - 01/X3)
Het apparaat beweegt op de vastgelegde maaitijd langs de begrenzingskabel tot aan het vastgelegde instappunt en begint daar met maaien.
Met de instappunten kan worden vastgelegd welke gedeelten van het maaigebied meer worden gemaaid.
4.3 Maaigebieden voorbereiden
- Controleer of het gazon groter is dan de oppervlaktecapaciteit van het apparaat. Bij een te groot gazon ontstaat er een onregelmatig gemaaid gazon. Verklein het te maaien gebied indien nodig.
- Voor de montage van laadstation en begrenzingskabel en voor de inbedrijfstelling van het apparaat: het gazon met een grasmaaier op een kleine snijhoogte maaien.
- Obstakels op het gazon verwijderen of met de begrenzingskabel afzetten (zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 80):
Vlakke obstakels waar overheen kan worden bewogen en die de snijmessen kunnen beschadigen (bijv. vlakke stenen, overgangen van gazon naar terras of paden, tegels, stoepranden enz.) Gaten in en verheffingen op het gazon (bijv. molshopen, woelgaten, dennenappels, gevallen fruit enz.) Steile hellingen van meer dan 45% (24°) Water (bijv. vijvers, beken, zwembaden enz.) en de afzetting ervan t.o.v. het gazon Struiken en heggen die breder kunnen worden
4.4 Laadstation opbouwen (03/a)
- Laadstation (01/1) haaks t.o.v. de positie van de begrenzingskabel als volgt plaatsen:
Vlak op de grond (met een waterpas controleren) Rechte en vlakke in- en uitrit Niet overhellend (bij het aansluiten en indraaien van de gazonschroeven mag de laadzuil niet gebogen raken of hellen) Bij plaatsing aan een muur: ten minste 5 cm afstand
- Laadstation (03/2) met vijf gazonschroeven (03/1) op de grond vastzetten.
Als de meegeleverde begrenzingskabel te kort is, kan bij uw Kärcher dealer, de technicus of de servicepartner een verlengkabel verkregen worden.
- Begrenzingskabel (03/4) uit de verpakking trekken.
- Afdekking van de kabelschacht (03/3) aan de aansluiting (03/A) verwijderen.
- Isolatie van het uiteinde van de begrenzingskabel (03/6) een stuk verwijderen en in de klem (03/7) steken.
- Klem sluiten.
- Begrenzingskabel door de trekontlasting (03/5) met kabelreserve uit de kabelschacht leiden.

OPMERKING
Met de kabelreserve kunnen ook op een later tijdstip nog kleine correcties aan de kabelgeleiding uitgevoerd worden.
- Afdekking van de kabelschacht weerplaatsen.
De begrenzingskabel kan zowel op het gazon worden gelegd of kan 10 cm onder het gazonoppervlak worden ingewerkt. Het inwerken onder het gazonoppervlak kan door uw dealer uitgevoerd worden.
Beide varianten kunnen met elkaar gecombineerd worden.
LET OP!
Gevaar voor beschadiging van de begrenzingskabel
Als de begrenzingskabel beschadigd of doorgesneden wordt, is de overdracht van de besturingssignalen naar het apparaat niet meer mogelijk. In dat geval moet de begrenzingskabel gerepareerd of vervangen worden. Begrenzingskabels zijn verkrijgbaar bij Kärcher.
Leg de begrenzingskabel altijd direct op de grond. Bevestig hem indien nodig met een extra gazonpen. - Bescherm de begrenzingskabel bij het leggen en tijdens de werking tegen beschadigingen. Graaf en verticuteer niet in de buurt van de begrenzingskabel.
- Bevestig de begrenzingskabel met regelmatige afstanden met gazonpennen of leg hem ondergronds (max. 10 cm diep).
- Begrenzingskabel om obstakels heen leggen: zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 80.
- Doorgangen tussen de afzonderlijke maaigebieden aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.4 "Doorgangen afzetten (01/h)", pagina 81.
- Te grote stijgingen of dalingen afzetten: zie Hoofdstuk 4.5.5 "Hellingen afzetten", pagina 81.
- Kabelreserves aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.6 "Kabelreserves aanleggen (07)", pagina 81.
- Sluit de begrenzingskabel na het leggen aan op de aansluiting (03/b) van het laadstation: zie Hoofdstuk 4.5.1 "Begrenzingskabel op het laadstation aansluiten (03/b)", pagina 79.
4.5.3 Obstakels afzetten
Afhankelijk van de omgeving van het werkgebied moet de begrenzingskabel met verschillende afstanden t.o.v. de obstakels worden gelegd. Gebruik voor de bepaling van de juiste afstand de liniaal die van de verpakking afgehaald kan worden.

OPMERKING
Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van het apparaat niet kunnen worden herkend. Vermijd te veel of onnodige afzettingen. Niveauverschillen die kleiner zijn dan 6 cm, moeten worden uitgesloten, omdat het apparaat anders schade kan veroorzaken.
Afstand t.o.v. muren, hekken, bloembedden: min. 20 cm (01)
Het apparaat beweegt met een afstand van buiten 20 cm langs de begrenzingskabel. Leg daarom de begrenzingskabel met een afstand van ten minste 20 cm t.o.v. muren, hekken of bloembedden.
Afstand t.o.v. terrasranden en verharde paden (05)
Als de rand van het terras of het pad hoger is dan het gazon moet er een afstand van ten minste 20 cm aangehouden worden. Als de rand van het terras of het pad op gelijke hoogte van het gazon ligt kan de kabel precies op de rand worden gelegd.
Afstand van obstakels t.o.v. de begrenzingskabel (01)
Als de begrenzingskabels van het obstakel weg of naar het obstakel toe precies samenvallen, d.w.z. met een afstand van 0 cm, beweegt het apparaat over de begrenzingskabels heen. De begrenzingskabels hierbij niet over elkaar heen (02/c), maar evenwijdig leggen (01/e).
Leggen van de begrenzingskabel rond hoeken (06)
Bij naar binnen verlopende hoeken (06/a): Begrenzingskabel diagonaal leggen om te voorkomen dat het apparaat in de hoek vast komt te zitten. Bij naar buiten verlopende hoeken met obstakels (06/b): Begrenzingskabel in een punt leggen om te voorkomen dat het apparaat tegen de hoek aan botst. Bij naar buiten verlopende hoeken zonder obstakels: Begrenzingskabel met een hoek van 90° leggen.
4.5.4 Doorgangen afzetten (01/h)
De volgende afstanden moeten in de doorgang aangehouden worden:
Totale breedte: min. 60 cm ■ Afstand van de begrenzingskabel t.o.v. de rand: 20 cm ■ Afstand tussen de begrenzingskabels: min. 30 cm
4.5.5 Hellingen afzetten
Hellingen van meer dan 45% moeten met de begrenzingskabel afgezet worden (45% = 45 cm helling per 1 m horizontaal).
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (07)
Om na de inrichting van het maaigebied het laadstation nog te kunnen verplaatsen of het maaigebied te vergroten, moet er op regelmatige afstanden een reservelengte in de begrenzingskabel worden ingebouwd.
Kies het aantal kabelreservelengtes naar eigen goeddunken.

OPMERKING
Vorm bij reservelengtes geen open lussen.
- Leg de begrenzingskabel rond de actuele gazonpen (07/1) en weer terug naar de vorige gazonpen (07/3).
- Leid de begrenzingskabel dan weer terug naar de actuele gazonpen. Er ontstaat een lus. De kabels moeten bij elkaar liggen.
- Indien nodig de lus in het midden met een extra gazonpen (07/2) aan de grond bevestigen.
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (02)
- De reserves van de begrenzingskabel worden niet in een gelijkmatige, langgerekte lus gelegd (02/a). De begrenzingskabel wordt niet deskundig rond de hoeken gelegd (02/b). De begrenzingskabel wordt gekruist of niet rechtsom gelegd (02/c).
- De begrenzingskabel wordt te onnauwkeurig gelegd, zodat randeeltes van het gazon niet gemaaid kunnen worden (02/d).
- De begrenzingskabel wordt bij het ijken en terugleiden van de rand waar een obstakel binnen het gazon ligt, niet direct naast elkaar liggend gelegd (02/e).
- De instappunten worden te ver weg van het laadstation vastgelegd (02/f). De begrenzingskabel wordt over de rand van het gazon heen gelegd (02/g). Bij het leggen van de begrenzingskabel wordt de minimum afstand voor doorgangen van 30 cm onderschreden (02/h). De begrenzingskabel wordt te dicht, d.w.z. met een afstand van minder dan 20 cm t.o.v. niet te passeren obstakels gelegd (02/i).
4.6 Laadstation op voeding aansluiten (04)
- Voeding (04/4) op een droge en tegen zonlicht beschermde plek voldoende in de buurt van het laadstation (04/1) plaatsen.
- Laagspanningskabel van de voeding (04/5) en kabel van het laadstation (04/6) met elkaar verbinden.
- Netstekker van de voeding (04/2) in een stopcontact (04/3) steken.

OPMERKING
Wij adviseren om de voeding op het spanningsnet via een aardlekschakelaar met een nominale lekstroom van < 30 mA aan te sluiten.
4.7 Verbindingen aan het laadstation controleren (04)
- Controleer of beide leds aan de voorkant van de laadzuil (09/1) branden. Indien niet:
Trek de voedingskabel los. - Controleer alle stekkerverbindingen van de voeding en van de begrenzingskabel op juiste montage en beschadigingen.
Toestandsweergaven van de leds
| Leds Bedrijfstoestanden | |
| groen | ■ Brandt als de begrenzingskabel correct is gelegd en de lus in or-de is. |
| ■ Knippert als de lus van de be-grenzingskabel nicht in orde is. | |
| geel | ■ Brandt als de voeding in orde is. |
5 INBEDRIJFSTELLING
Dit hoofdstuk beschrijft de handelingen en instellingen die nodig zijn om het apparaat voor de eerste keer in bedrijf te stellen. Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina 84.
5.1 Accu opladen (08)
De ingebouwde accu is bij aflevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu van het apparaat regelmatig opgeladen.

OPMERKING
De accu moet voor het eerste gebruik volledig worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
- Apparaat (08/1) zodanig in het laadstation (08/3) plaatsen dat de contactoppervlakken van het apparaat de laadcontacten van het laadstation raken. 2. Met ON apparaat inschakelen.
- Het display op het apparaat toont "Accu wordt geladen". Indien niet: zie Hoofdstuk 13 "Hulp bij storingen", pagina 92.
5.2 Basisinstellingen uitvoeren
- Afdekkap openen.
- Met ON apparaat inschakelen. Firmware, codenummer en type worden weergegeven.
- In het menu taalkeuze met taal selecteren en met OK bevestigen.
- In het menu Aanmelding > PIN invoeren het vooraf ingestelde PIN 0000 invoeren. Hiervoor na elkaar met of het cijfer 0 selecteren en telkens met OK bevestigen.
Na de invoer van het PIN worden de toegangen vrijgeschakeld.
- In het menu PIN wijzigen:
Bij Nieuwe PIN invoeren een zelf gekozen nieuwe PIN van vier plaatsen invoeren. Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met OK overnemen. Bij Nieuwe PIN herh. het nieuwe PIN opnieuw invoeren. Als beide invoeren identiek zijn, wordt PIN met succes gewijzigd weergegeven.
- In het menu Datum invoeren de actuele datum instellen (formaat: DD-MM-20JJ). Hiervoor na elkaar met @ cijfer selecteren en telkens met OK overnemen.
- In het menu Tijdstip invoeren in 24h formaat de actuele tijd instellen (formaat: HH:MM). Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met OK overnemen.
De basisinstellingen zijn voltooid. De status On-gekalibreerd starttoets indrukken worden weergegeven.
5.3 Maaihoogte instellen
De maaihoogte kan traploos tussen de 25 - 55 mm met de hand worden versteld.

OPMERKING
Voor de kalibratierit (zie Hoofdstuk 5.4 "Automatische kalibratierit uitvoeren", pagina 83) en voor het leren van de toegangspunten (zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunt instellen", pagina 85) wordt een maaihoogte van 55 mm aanbevolen.
- Afdekking (10/1) openen.
- De maaihoogte instellen (de actuele maaihoogte wordt op het scherm (10/3) in millimeter aangegeven):
Maaihoogte (d.w.z. gazonhoogte) verhogen: Draaiknop (10/2) rechtsom (10/+) draaien. Maaihoogte (d.w.z. gazonhoogte) verlagen: Draaiknop (10/2) linksom (10/-) draaien.
- Afdekking sluiten.
5.4 Automatische kalibratierit uitvoeren
Zet het apparaat op de beginstand (09)
- Zet het apparaat binnen het maaigebied op de startplaats:
min. 1 m links en 1 m voor het laadstation, met de voorkant op de begrenzingskabel uitgelijnd
Kalibratierit starten
- Controleer dat binnen het te voorspellen bewegingsgedeelte van het apparaat geen obstakels aanwezig zijn. Het apparaat moet met beide voorwielen over de begrenzingskabel heen kunnen rijden. Verwijder obstakels indien nodig.
- Met START het apparaat starten. Op het display wordt weergegeven:
!Waarschuwing!Aandrijving start ■ Kalibreren, Fase [1]
Tijdens de kalibratierit
Het apparaat rijdt voor de bepaling van de signaalsterkte binnen de begrenzingskabel eerst twee keer over de begrenzingskabel heen en vervolgens naar het laadstation en blijft daar stilstaan.
Op het display wordt de melding Kalibratie voltooid gegeven. De accu wordt opgeladen.

OPMERKING
Het apparaat moet bij het binnenrijden in het laadstation blijven staan. Als het apparaat bij het binnenrijden in het laadstation de contacten niet raakt, rijdt het verder langs de begrenzingskabel. Als het apparaat niet door het laadstation rijdt, is de kalibratieprocedure mislukt. In dat geval moet het laadstation beter uitgelijnd worden en de kalibratieprocedure worden herhaald.
Na de kalibratie
De vooraf ingestelde actuele maaitijd worden aangegeven.
Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina 84.

OPMERKING
Voor een goed maairesultaat is het aan te bevelen de luslengte door het apparaat te laten meten. Dit wordt gedaan met de training om de toegangspunten (zie Hoofdstuk 7.5.2 "Startpunt instellen", pagina 85) te bepalen.
6 BEDIENING
6.1 Apparaat met de hand starten
- Met ON OFF apparaat inschakelen.
Voor randen maaien buiten de planning: zie Hoofdstuk 7.6 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 86.
- Met START apparaat met de hand starten. STOP
6.2 Maaiwerking staken
op het apparaat indrukken. Het apparaat rijdt automatisch terug naar het laadstation. Het wist het maaischema van de actuele dag en start de volgende dag waar op het ingestelde tijdstip. START op het apparaat indrukken. STOP De maaiwerking wordt gedurende een half uur onderbroken. ON OFF op het apparaat indrukken. Het apparaat wordt uitgeschakeld.

OPMERKING
In gevaarlijke situaties kan het apparaat met de STOP-toets (08/2) worden gestopt.
6.3 Nevenoppervlak maaien (01/NF)
- Apparaat optillen en met de hand op het nevenoppervlak plaatsen.
- Met ON apparaat inschakelen.
- Met hofdmenu oproepen.
- of * stellingen
- d: Nvenoppervlak maaien
- Met mauijd selecteren.
- Met START apparaat met de hand starten. STOP
Afhankelijk van de instelling: Het apparaat maait gedurende de ingesteldeijd en schakeltervo-gensuit of maait verdter tot de accu leeg is.
Na het maaien van het nevenoppervlak het apparaat weeer met de hand in het laadstation plaatsen.
7 INSTELLINGEN
7.1 Installing oproepen - Algemeen
- Met ofdmenu opropen.
Opmerking: Het sterretje * voor het menupunt geeft aan dat het zojuist is geselecteerd.
- of stellingen

- Met het gewenste menupunt selecteren en met overnemen.
- Instellingen uitvoeren.
Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
- Met teruggaan aan het hoofdmenu.

OPMERKING
Verdere menupunten: zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 82.
7.2 Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren
- Geluidssignaal knopbediening
- Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren:
of activeren: Geluidssignaal knopbediening activeren.
of deactiveren: Geluidssignaal knopbediening deactiveren.
7.3 Eco-modus activeren/deactiveren
In de Eco-modus schakelt het apparaat om naar de energiebesparende modus. Daardoor wordt het energieverbruik en de geluidsemissie gereduceerd.

OPMERKING
In hoog en dicht gras evenals dichte grasmat: niet aanbevolen of eventueel niet mogelijk.
- oEMode 0
- Eco-modus activeren/deactiveren:
Activeren: Eco-modus activeren.
gedeact.: Eco-modus deactiveren.
7.4 Regensensor instellen

OPMERKING
Maaien van een droog gazon vermindert vervuiling.
Door het activeren van de regensensor en het instellen van een vertragingstijd kan er worden voorkomen dat het apparaat bij een nat gazon maait.
Als de regensensor geactiveerd is, rijdt het apparaat terug naar het laadstation als het begint te regenen. Daar blijft het tot de regensensor is gedroogd. Vervolgens wacht het nog de tijd af die als vertraging is ingesteld voordat het doorgaat met maaien. De gevoeligheid van de regensensor is instelbaar.
- Vertraging van de regensensor instellen:
of Regensensor vertrag.
xx uur xx minuten Met de gewenste waarde voor de vertraging selecteren en met bevestigen.
- Gevoeligheid van de regensensor instellen:
of Regengevoelig
Met de gewenste waarde voor de gevoeligheid instellen en met bevestigen.
7.5 Maaiprogramma instellen
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen
1. Met hoofdmenu oproepen.
- o* Programma
- Met menupunt selecteren en met overnemen.
- Instellingen uitvoeren. Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
7.5.2 Startpunt instellen
Startpunt instellen
- Apparaat in het laadstation plaatsen.
- Met ON apparaat inschakelen. 3. Met of d menu oproepen.
- of * Programma
- of * startpunt
- of * startpunt instellen
- start teachrun voor startpunten
of start . Het apparaat beweegt langs de begrenzingskabel. of hier , als het apparaat het gewenste instappunt heeft bereikt. Het instappunt wordt opgeslagen.
- ste startpunt 1 in, als bij de teach-rit geen instappunt is vastgelegd. Als er hier geen instappunt wordt vastgelegd, worden de instappunten automatisch vastgelegd.
- dStaVtPunt x: XXm, als het laatste instappunt is bereikt.
Instappunten met de hand vastleggen (01)
Het eerste instappunt (01/X0) is vooraf ingesteld en bevindt zich 1 m rechts naast het laadstation. Achter dit punt kunnen er maximaal 3 verdere instappunten (X1 t/m X3) worden geprogrammeerd. Houd bij het vastleggen van de instappunten rekening met het volgende:
Stel de instappunten niet te ver verwijderd van het laadstation en niet te dicht bij elkaar in (02/f). - Gebruik slechts zoveel instappunten als nodig.
- o* startpunt
- of* punt X1 bij [020m]
Met navelkaar een cijfer selecteren en telkens met Overnemen.
- of* punt X2 bij [075m]
Met navelkaar een cijfer selecteren en telkens met Overnemen.
- Verdere instappunten vastleggen indien nodig.
- Met teruggaan naar het hoofdmenu.
7.5.3 Maaitijden instellen

OPMERKING
Tussen de programmering van de maaitijden en het starten van het maaien moet er 30 minuten liggen. Indien niet, start het apparaat pas op de volgende geprogrammeerde maaitijd.
In het menupunt Weekprogramma worden de dagen van de week en de tijdstippen ingesteld waarop het apparaat moet maaien. Pas deze instellingen indien nodig aan op de afmetingen van het gazon. Als er na ongeveer een week nog ongemaaide gebieden te zien zijn, moeten de maaitijden verlengd worden.
1.
Weekprogramma
of Elke dag [X]: Het apparaat maait iedere dag op de ingestelde tijdstippen. Als Elke dag [ ] wordt aangegeven, maait het apparaat alleen op de ingestelde weekdagen. of Maandag [X]...* Zondag [X]: Het apparaat maait op de ingestelde weekdagen op de ingestelde tijdstippen. Als bijv. Maandag [ ] wordt weergegeven, maait het apparaat op de betreffende dag niet. of wijzigen: De betreffende dag activeren [X] of deactiveren [ ], rijkden, manier van maaien en instappunten instellen.
- Instellingen voor alle dagen of de betreffende dag uitvoeren:
bijv. * [M] 07:00-10:00 [?]: Normaal maaien [M] van 07:00 - 10:00 uur met automatisch wisselend instappunt 0-3 [?] bijv. * [R] 16:00-18:00 [1]: Het apparaat start om 16:00 uur met het maaien van randen [R] en beweegt langs de gehele begrenzingskabel. Daarna begint het maaien van het gebied op instappunt 1 [1]. Om 18:00 uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug naar het laadstation.
of wijzigen: Geselecteerde instelling wijzigen. of Verder: Gewijzigde instelling bevestigen en verder naar de volgende instelling.
- opslaan: Alle gewijzigde instellingen van het menupunt opslaan.
7.6 Randen maaien bij handmatige start
Voor de handmatige start kan hier ingesteld worden dat het apparaat met het maaien van de randen begint.
Randen op de geprogrammeerde maaitijden maaien: zie Hoofdstuk 7.5.3 "Maaitijden instellen", pagina 86.
- of* Randen maaien
- handmatige start
7.7 Maaien van nevenoppervlakken instellen
- of* Nevenoppervlak maaien
- Maaitijden instellen:
of inactief: Het maaien van nevenoppervlakken is uitgeschakeld. of actief: Het apparaat maait tot de accu leeg is. of maaitijd in min: Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd het nevenoppervlak. De volgende maaitijden kunnen ingesteld worden: 15/30/tot accu leeg.
7.8 Displaycontrast instellen
Als het display bijv. in zonlicht slecht af te lezen valt, kan de weergave door wijziging van het displaycontrast verbeterd worden.
- of* Displaycontrast
- Met het displaycontrast verhogen/verlagen en met OK bevestigen.
7.9 Instellingsbescherming
Als de instellingsbescherming gedeactiveerd is, hoeft alleen bij het bevestigen van voor de veiligheid belangrijke fouten de PIN-code ingevoerd te worden.
- Instellingsbescherming






















- Instellingsbescherming activeren/deactiveren:














Instellingsbescherming activeren.











Instellingsbescherming deactiveren.
7.10 Opnieuw kalibreren
Als de positie of de lengte van de begrenzingskabel werd gewijzigd of het apparaat de begrenzingskabel niet meer kan vinden, moet er opnieuw gekalibreerd worden.































- Kalibratierit uitvoeren: zie Hoofdstuk 5.4 "Automatische kalibratierit uitvoeren", pagina 83.
7.11 Terugzetten op fabrieksinstellingen
De fabrieksinstelling van het apparaat kan bijv. voor een doorverkoop teruggezet worden.











Het apparaat meldt: Instellingen met succes hersteld.
Het menu Informatie dient voor de weergave van de apparaatgegevens. In dit menu kunnen verder geen instellingen worden gedaan.
























































Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.














Messenservice
Geeft aan over hoeveel bedrijfsuren er een messenservice noodzakelijk is. De teller kan met de hand teruggezet worden. De messenservice dient door een gespecialiseerde Kärcher-dealer, technicus of een servicepartner uitgevoerd te worden.
Teller voor de messenservice terugzetten:













Hardware
Geeft informatie weer over het apparaat, zoals type, fabricagejaar, bedrijfsuren, serienummer, aantal maaibeurten, totale maaitijd, aantal laadcycli, totale oplaadtijd, lengte van de lus van de begrenzingskabel.
Software
Geeft de firmware-versie aan.
Programma-info
Toont actuele instellingen zoals de totale wekelijkse maaitijd.
Storingen
Geeft de als laatste opgetreden storingsmeldingen met datum, tijd en foutcode weer.
9 ONDERHOUD EN VERZORGING

VOORZICHTIG!
Gevaar voor letsel
Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermende handschoenen!
9.1 Reiniging
LET OP!
Gevaar door water
Water in de maairobot en in het laadstation leidt tot schade aan elektrische componenten.
Spuit de maairobot en het laadstation niet af met water.

VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen
De snijmessen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen! Let erop dat lichaamsdelen niet in de snijmessen terechtkomen.
Een keer per week uitvoeren:
- Met de ON/OFF-schakelaar het apparaat uitschakelen.
- Oppervlak van het huis met een stoffer, een borstel, een vochtige doek of een fijn sponsje afvegen.
- Onderkant, maaidek en snijmessen met een borstel afborstelen.
- Snijmessen op beschadigingen controleren. Indien nodig vervangen: zie Hoofdstuk 9.3 "Messen vervangen", pagina 88.
Laadstation reinigen
- Grasresten en losse voorwerpen regelmatig uit het laadstation verwijderen.
- Het oppervlak van het laadstation afvegen met een vochtige doek of een fijne spons.
9.2 Regelmatige controle
Algemene controle
- Controleer één keer per week de gehele installatie op beschadigingen:
Apparaat, laadstation, begrenzingskabel, voeding
- Vervang defecte onderdelen door originele onderdelen van Kärcher of door een servicepunt van Kärcher.
Controleer of de wielen vrij kunnen bewegen.
Eén keer per week uitvoeren:
- De omgeving van de rol grondig ontdoen van grasresten en vervuiling. Gebruik hiervoor een stoffer en een doek.
- Controleer of de rollen soepel draaien en of ze gestuurd kunnen worden. Opmerking: Als de rollen stroef draaien of niet gestuurd kunnen worden, moeten ze door een servicepunt van Kärcher worden vervangen.
Contactoppervlakken aan de maairobot controleren
- Vervuiling met een doek verwijderen en daarna iets met contactvet insmeren.
Laadcontacten van het laadstation controleren
- Trek de voedingskabel los.
- De laadcontacten richting laadstation drukken en loslaten. De laadcontacten moeten terugveren in de uitgangspositie. Opmerking: Als de laadcontacten niet terugveren, moeten ze door een servicepunt van Karcher worden vervangen.
9.3 Messen vervangen

VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen
De snijmessen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen! Let erop dat lichaamsdelen niet in de snijmessen terechtkomen.
LET OP!
Beschadiging van het apparaat door ondeskundige reparatie
Door het rechtbuigen van verbogen gemonteerde snijmessen kan de messenschijf beschadigd raken.
Buig verbogen snijmessen niet recht. Vervang verbogen snijmessen door originele reserveonderdelen van Karcher.
Versleten snijmessen of verbogen snijmessen moeten worden vervangen.
- Met ON apparaat uitschakelen.
- Apparaat omkeren met de messen naar boven toe.
- Bevestigingsbouten losdraaien.
- De snijmessen uit de meszitting halen.
- De meszitting reinigen met een zacht borsteltje.

OPMERKING
De snijmessen moeten over de gehele lengte geslepen zijn en kunnen daarom 180° gedraaid gemonteerd worden, waardoor de draaitijd verdubbeld kan worden.
- Messen vervangen:
■ Als de snijmessen sinds de eerste montage nog niet zijn gedraaid: Snijmessen 180° draaien en met de geslepen kant naar het apparaat toe wijzend weer in de messenzitting plaatsen en de bevestigingsbouten weer handvast aandraaien. - Als de snijmessen sinds de eerste montage al eens zijn gedraaid: Nieuwe snijmessen met de geslepen kant naar het apparaat toe wijzend in de messenzitting plaatsen en nieuwe bevestigingsbouten handvast aandraaien.
Opmerking: Er mogen uitsluitend originele reserveonderdelen van Kärcher worden gebruikt.
Als ernstige vervuiling niet met een borstel kan worden verwijderd, moet de messenschijf worden vervangen, omdat er anders onbalans kan ontstaan, wat kan zorgen voor meer geluid, meer slijtage en functiestoringen.
10 TRANSPORT
Ga bij het transport van het apparaat, bijv. van het hoofd- naar het nevenoppervlak, als volgt te werk:
- Met START of met de stoptoets het apparaat stoppen.
- Met ON apparaat uitschakelen.
- Til het apparaat met beide handen aan het huis op:
De snijmessen mogen niet aangeraakt worden. De snijmessen moeten altijd van het lichaam weg wijzen.
11 OPSLAG
11.1 Maairobot opbergen
Berg het apparaat op als het gedurende de winter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt.
- Accu geheel opladen (zie Hoofdstuk 5.1 "Accu opladen (08)", pagina 82).
- Apparaat grondig reinigen (zie Hoofdstuk 9.1 "Reiniging", pagina 87).
- Apparaat bewaren:
staand op alle wielen op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek buiten het bereik van kinderen
11.2 Laadstation opbergen
Het laadstation kan, moet echter niet opgeborgen worden. Door het op te bergen wordt er echter een te vroege veroudering als bijv. het uitbleken van de kleur of corrosie van de laadcontacten voorkomen.
Als het laadstation buiten blijft staan:
- Voeding van het net scheiden en van het laadstation losnemen.
- Kabel van het laadstation oprollen.
- Voeding opbergen.
- Laadcontacten met contactvet insmeren.
Als het laadstation wordt opgeborgen:
- Alle bovenstaande werkzaamheden uitvoeren.
- Laadstation van de begrenzingskabel scheiden.
- Laadstation verwijderen en verontreinigingen verwijderen met een handveger en een licht vochtige doek.
- Laadstation bewaren:
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek buiten het bereik van kinderen
Als alleen de laadpaal wordt opgeslagen:
- Voeding van het net scheiden en van het laadstation losnemen.
- Verontreinigingen met een stoffer en een licht vochtige doek verwijderen.
- Laadpaal verwijderen:
Beide bouten van de laadzuil (08/4) losdraaien. Laadzuil door kantelen van het laadstation losnemen. Stekkerverbinding van laadstation en laadzuil losmaken. Opening van de basis (08/5) afsluiten met de bijgevoegde winterafdekking (08/6).
- Laadpaal opbergen:
op een droge, afsluitbare en tegen vorst beveiligde plek buiten het bereik van kinderen
De begrenzingskabel kan in de grond blijven zitten en hoeft niet verwijderd te worden.
- Als het laadstation is opgeborgen: De kabeluiteinden met contactvet insmeren en met plankband omwikkelen. Daardoor worden de kabeluiteinden beschermd tegen corrosie.
Advies over de wetgeving inzake elektrische en elektronische apparaten (ElektroG)
Oude elektrische en elektronische apparaten horen niet thuis bij het huishoudelijk afval, maar moeten gescheiden worden aangeboden of verwijderd!
- Gebruikte batterijen of accu's, die niet vast in het apparaat ingebouwd zijn, moeten voor de verwijdering worden gedemonteerd! De recycling ervan wordt door de batterijwetgeving beheerst.
- Bezitters of gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De eindgebruiker is verantwoordelijk voor het wissen van zijn persoonlijke gegevens op het te verwijderen gebruikte apparaat!
Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat elektrische en elektronische gebruikte apparaten niet via het gewone afval mogen worden verwijderd.
Elektrische en elektronische apparaten kunnen op de volgende verzamelpunten gratis worden afgegeven:
- Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken) Verkooppunten van elektrische apparatuur (vast en online), voor zover handelaren tot terugname verplicht zijn of deze vrijwillig aanbieden.
Deze voorschriften zijn alleen van toepassing op apparaten die in landen van de Europese Unie geïnstalleerd en verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2012/19/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwijkende voorschriften gelden voor het verwijderen van afgedankte elektrische en elektronische apparaten.
Over de batterijwetgeving (in Duitsland: BattG)

- Gebruikte batterijen en accu's horen niet bij het gewone afval, maar moeten afzonderlijk worden weggegooid! Zie de gebruiksaanwijzing om tot een veilige verwijdering van batterijen of accu's uit het elektrische apparaat over te gaan en voor informatie over het type of het chemisch systeem. Bezitters of gebruikers van batterijen en accu's zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De teruggave is beperkt tot de normale huishoudelijke hoeveelheden.
Gebruikte batterijen kunnen schadelijke stoffen of zware metalen bevatten, die het milieu en de gezondheid schade kunnen toebrengen. Het hergebruiken van gebruikte batterijen en het opnieuw gebruiken van de grondstoffen draagt bij tot het behoud van deze belangrijke goederen.
Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat gebruikte batterijen en accu's niet via het gewone afval mogen worden verwijderd.
Wanneer ook de vermelding Hg, Cd of Pb onder de afvalemmer is aangebracht, betekent dit het volgende:
Hg: de batterij bevat meer dan 0,0005% kwik Cd: de batterij bevat meer dan 0,002 % cadmium Pb: de batterij bevat meer dan 0,004 % lood
Accu's en batterijen kunnen op de volgende verzamelpunten gratis worden afgegeven:
Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken), verkooppunten van batterijen en accu's, een verzamelpunt van het gemeenschappelijke recyclingsysteem voor gebruikte apparaten en batterijen, een verzamelpunt van de fabrikant (indien hij geen lid is van het gemeenschappelijke recyclingsysteem).
Deze voorschriften zijn alleen van toepassing op accu's en batterijen die in landen van de Europese Unie zijn verkocht en die voldoen aan de Europese richtlijn 2006/66/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwijkende bepalingen voor de recycling van accu's en batterijen gelden.
Aanwijzingen voor de verpakking

Het verpakkingsmateriaal is herbruikbaar. Voer de verpakking op milieubewuste wijze af.
Demonteer de accu voordat het apparaat wordt weggegooid.
De geïntegreerde accu moet worden gedemonteerd en apart worden weggegooid voordat het apparaat wordt afgedankt.

- Bouten (1) losdraaien.
- Deksel van het accuvak (2) afnemen.
- Accu (3) loskoppelen en verwijderen.
- Deksel terugplaatsen en bouten weer aandraaien.
13 HULP BIJ STORINGEN
13.1 Apparaat- en bedieningsfouten verhelpen

VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel
Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermende handschoenen!
| Storing Oorzaak Oplossing | ||
| Apparaat start nicht. Accu is leeg. Apparaat in het laadstation opladen. | ||
| Apparaat komt klem te zit-ten en graaft zich vast. De wielen draaien verder. | Stootsensoren worden nicht geactiveerd. | Bezoek een Kärcher service centre. |
| Gras is te hoog. | ■ De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. ■ Gras met een grasmaier maaien. | |
| Apparaat blijf op een onef-fenheid van het gazon han-gen. | Oneffenheid verwijderen. | |
| Apparaat maait op verkeer-de tijdstippen. | Apparaat heeft de verkeerde tijd. | Tijd instellen. |
| Maaitijden zijn verkeerd inge-steld. | Maaitijden instellen. | |
| Apparaat verliest deijdinstellenen. | Accu is defect. Bezoek een Kärcher ser-vice centre. | |
| Motor blokkeertijdens het maaien. | Motor is overbelast. Apparaat uitschakenen, op effen onder-grond of laag grasplaatsen en opnieuw starten. | |
| Accu is leeg. Accu opladen. | ||
| Snijmessen�stomp. Snijmessen omkeren of indien nodig verrangen. | ||
| Maairesultaat is ongelijk-matig. | Maaitijd is te kort. Langere maaijtijd programmeren. | |
| Maaigebied is te groot. Maaigebied verkleinen. | ||
| De maaihoogte is te laag ingesteld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. | |
| Snijmessen�stomp. Snijmessen omkeren of indien nodig verrangen. | ||
| Het vermogen van de accu-neemt duidelijk af. | De maaihoogte is te laag ingesteld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. |
| Gras te hoog of te nat. | ■ Gazon laten drogen. ■ Maaihoogte hoger instellen. | |
Storing Oorzaak Oplossing
| Apparaat tritt of het ge-luidsvolume is te hoog. | Onbalans in het snijmes of in de aandrijving van het snij-mes | ■ Maaidek reinigen. ■ Bezoek een Kärcher service centre. |
| Accu kan nicht opgeladen worden resp. te lage ac-cuspanning | ■ Laadcontacten van het laadstation+zijn verruild. ■ Contactoppervlakken aan het apparaat+zijn verruild. | Laadcontacten en contactoppervlakken reinigen. |
| Laadstation heeft geen stroom. | Laadstation op voeding aansluten. | |
| ■ Apparaat raakt de laad-contacten Niet. ■ Contactoppervlakken aan het apparaat+zijn af-gebrand. | ■ Apparaat in het laadstationplaatsen en controlleren of de laadcontacten contact maken. ■ Bezoek een Kärcher service centre. | |
| Levensduur van de accu is afgelopen. | Bezoek een Kärcher service centre. | |
| Oplaadelektronica is defect. Bezoek een Kärcher service centre. | ||

OPMERKING
Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.
13.2 Foutcodes en -oplossing
Foutcode Oorzaak Oplossing
| CN001: Tilt sensor | Kantelsensor is geactiveerd: ■ Max. hellingshoek over-schreden ■ Apparaat werk gedragen ■ Helling te steil | Apparaat op een horizontale onder-grondplaatsen en de fouit bevestigen. |
| CN002: Lift sensor | De hefsensor is geactiveerd: ■ De afdekking van het ap-paraat werk door optillen of door een obstakel maar boven toe wegderukt. | Obstakel verwijderen. |
| CN005: Bumper deflected | Apparaat is gegen een obsta-kel gereden en kan zich nicht losmaken (bijv. botsing in de buurt van het laadstation). | Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen. ■ Positie van de begrenzingskabel corrigeren. |
| Foutcode Oorzaak Oplossing | ||
| CN007: No loop signaI nal | ■ Geen circuitsignaal ■ Begrenzingskabel is de- fect. ■ Circuitsignaal is te zwak. | ■ Leds aan het laadstation controle- ren. ■ Voeding van het laadstation contro- leren. Voeding losnemen en weeer aansluten. ■ Begrenzingskabel op beschadigin- gen controleren. Defecte kabel re- pareren. |
| CN008: Loop signal weak | ■ Circuitsignaal te zwak ■ Begrenzingskabel te diep ingegraven | ■ Leds aan het laadstation controle- ren. ■ Voeding van het laadstation contro- leren. Voeding losnemen en weeer aansluten. ■ Begrenzingskabel tot de voorge-schreven hoogte verhogen,evt. di- rect op het gazon bevestigen. |
| CN010: Slechte posi-tie | ■ Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga-zonoppervlak. ■ Begrenzingskabel werk gekruist. | ■ Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen. ■ Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. Kruising van de kabel opheffen. |
| CN011: Escaped robot | Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper-vlak. | Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. |
| CN012: Cal: no loop CN015: Cal: outside | Storingijdens de kalibratie: ■ Apparaat kan de begren-zingskabel Niet vinden. | ■ Leds aan het laadstation controle- ren. ■ Voeding van het laadstation contro- leren. Voeding losnemen en weeer aansluten. ■ Apparaat op de voorgeschreven kal- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. Apparaat moet over de begrenzingskabel heb den kunnen rijden. |
| CN017: Cal: signal weak | Storingijdens de kalibratie: ■ Circuitsignaal te zwak ■ Geen circuitsignaal ■ Begrenzingskabel is de- fect. | ■ Apparaat op de voorgeschreven kal- libratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. ■ Voeding van het laadstation contro- leren. Voeding losnemen en weeer aansluten. ■ Begrenzingskabel op beschadigin- gen controleren. |
| CN018: Cal: Collisi-on | Storingijdens de kalibratie: ■ Apparaat is gegen een obstakel aan gereden. | Obstakel verwijderen. |
| CN038: Battery Accu is leeg: | ||
| Circuit van de begrenzings-kabel is te lang, te veel eilan-den. | Positie van de begrenzingskabel corri-geren. | |
| Bij het opladen geen contact met de laadcontacten | ■ Laadcontacten reinigen. ■ Apparaat in het laadstation plaatsen en controlleren of de laadcontacten contact makeen. ■ Laadcontacten latent controlleren door een servicepunt van Kärcher en latent vernieuwen. | |
| Obstakels in de buurt van het laadstation | Obstakels verwijderen. | |
| Apparaat heeft zich vastge-reden. | Apparaat op een vrij, omheind gazonplaatsen. | |
| Apparaat vindt het laadstation Niet. | ■ Begrenzingskabel op beschadig-gen controlleren. ■ Begrenzingskabel door een Kärcher servicepunt latent opmeten. | |
| Accu is opgebruikt. Accu door | een Kärcher servicepunt laten verrangen. | |
| Oplaadelektronica is defect. Laadelektronica door een Kärcher servicepunt latent controlleren. | ||
| CN099: Recov escape | Automatisch verhelpen van storing nicht möglich | ■ Storingsmelding met de hand be-vestigen. ■ Als dit waar opttreedt: Apparaat door een Kärcher servicepunt latent con-troleren. |
| CN104: Battery over heating | ■ Accu is oververhit (meer dan 60 °C). Er is geen ontlading möglich. ■ Noodstop door controle-elektronica | ■ Apparaat uitschakelen en accu latent afkoelen. ■ Apparaat Niet in het laadstationplaatsen. |
| CN110: Blade motor over heating | Maaimotor is oververhit (meer dan 80 °C). | ■ Apparaat uitschakelen en latent af-koelen. ■ Als dit waar opttreedt: Apparaat door een Kärcher servicepunt latent con-troleren. |
| CN119: R-Bumper deflected | Apparaat is gegen een obsta-kel gereden en kan zich nicht losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| CN120: L-Bumper deflected | ||
| CN128: Recov Impos-sible | Apparaat is gegen een obsta-kel gereden en kan zich nicht losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonopper-vlak. | ■ Apparaat op een vrij, omheind ga-zonplaatsen.■ Positie van de begrenzingskabel corrigeren. | |
| CN129: Restricted WL | Motor van linkerwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. |
| CN130: Restricted WR | Motor van rechterwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. |

OPMERKING
Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.
14 GARANTIE
Eventuele wettelijke termijnen voor aansprakelijkheid voor optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden door ons naar eigen goeddunken verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat is aangeschaft.
Onze garantie geldt alleen bij:
naleving van deze gebruiksaanwijzing - Deskundig gebruik - Gebruik van originele reserveonderdelen
De garantie vervalt bij:
Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen - Eigenhandig aangebrachte technische wijzigingen - Gebruik voor andere doeleinden dan het gebruiksdoel
Van de garantie zijn uitgesloten:
lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik
De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is de datum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.
15 EG-CONFORMITEITSVERKLARING
Wij verklaren hierbij dat de hieronder beschreven machine op grond van haar ontwerp en constructie en in de door ons op de markt gebrachte versie voldoet aan de relevante fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de EU-richtlijnen. Bij een niet met ons afgesproken wijziging van de machine verliest deze verklaring haar geldigheid.
| Product | Fabrikant | Gemachtigde voor de documentatie |
| RLM 4 | Alfred Kärcher SE & Co. KG | S. Reiser |
| Alfred-Kärcher-Str. 28 - 40 | ||
| Type | 71364 Winnenden (Duitsland) | Toegepaste geharmoniseerde normen |
| Tel.: +49 7195 14-0 | ||
| RLM4 | Fax: +49 7195 14-2212 | EN 60335-1 |
| EN 50636-2-107:2015 | ||
| Van toepassing+zijnde EU-richtlij-nen | EN 61558-1 | |
| EN 61558-2-16 | ||
| 2006/42/EG (+2009/127/EG) | EN 62233:2008 | |
| 2014/30/EU | EN 50563 | |
| 2009/125/EC | EN 50581 | |
| 2011/65/EU | ||
| 2014/53/EU | De ondergetekenden handelen namens en met volmacht van de raad van bestuur. |