MMX82 UFX - Mengpaneel Monacor - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MMX82 UFX Monacor in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over MMX82 UFX Monacor
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Mengpaneel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MMX82 UFX - Monacor en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MMX82 UFX van het merk Monacor.
GEBRUIKSAANWIJZING MMX82 UFX Monacor
Op de uitklapbare pagina 3 vindt u een over- zicht van alle bedieningselementen en de aansluitingen. Inhoud 1 Overzicht van bedieningselementen en aansluitingen . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
2 Veiligheidsvoorschriften . . . . . . . . . . 29 3 Toepassingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29 4 Apparatuur aansluiten . . . . . . . . . . . . 30
4.2.1 Effectenapparatuur aansluiten . . . . . 30
4.2.2 Uitgangskanalen gebruiken . . . . . . . . 30
hoofdtelefoon aansluiten . . . . . . . . . . . 30
4.5 Monitorinstallatie voor de muzikanten . 30
4.6 Versterker voor de geluidsregeling
in de zaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
4.7 Gegevens met een computer
uitwisselen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
4.8 Uitgangen van de subgroepen . . . . . . . 31
4.9 Voetdrukknop voor
5.5 Effecten toevoegen . . . . . . . . . . . . . . . 32
5.5.1 Gebruik van de
5.5.3 Afzonderlijke effectenapparaat
voor de subgroepen . . . . . . . . . . . . . 33
5.6 Voorbeluisteren via de hoofdtelefoon
en een regie-monitorinstallatie . . . . . . . 33 6 Technische gegevens . . . . . . . . . . . . 33
6.1 Stekkerconfiguratie XLR-stekker
en jack . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33 1 Overzicht van de bedienings - elementen en aansluitingen
Afb. 1 Mono-ingangskanaal CH 1; de overige vijf mono-ingangskanalen zijn identiek. Afb. 2 Stereo-ingangskanaal CH 9 /10; het tweede stereo-ingangskanaal tot op de toets met positie Positie 19 identiek. 1 Kanaalfader voor regeling van het kanaalvo- lume en in- en uitmengen van het kanaalsig- naal 2 Toets SOLO om het geselecteerde kanaal voor te beluisteren via een hoofdtelefoon die op de jack PHONES (52) is aangesloten, en via een monitorinstallatie die op de jacks BOOTH OUT (53) is aangesloten: of voor te beluisteren, wanneer de toets PFL/ AFL (40) uitgeschakeld is of ter controle van de totale kanaalinstelling na de kanaalfader, als de toets PFL/ AFL ingeschakeld is Bij ingeschakelde toets SOLO licht de bijbe- horende led PEAK (5) permanent op en geven de uitsturingsled's (38) het bijbeho- rende kanaalsignaal aan. 3 Toets L-R: Bij ingedrukte toets wordt het kanaalsignaal met het signaal van de mas- terkanalen gemengd. Met de regelaar PAN (7) of BAL (8) kan het signaal ofwel alleen op het rechter of het linker kanaal gemengd wor- den ofwel op beide kanalen. 4 Toets 1-2: Bij ingedrukte toets wordt het kanaalsignaal gemengd op de subgroepen SUB 1 en SUB 2. Met de regelaar PAN (7) of BAL (8) kan het signaal ofwel alleen op groep SUB 1 respectievelijk SUB 2 gemengd wor- den ofwel op beide groepen. 5 Led PEAK: Als de toets SOLO (2) ingedrukt is, licht deze continu op. Als de toets SOLO uitgeschakeld is, geeft kort oplichten van de led aan dat het maximale onvervormde sig- naalniveau bereikt is. Als ze langer oplicht, dan wordt het kanaal overstuurd. Draai dan de regelaar GAIN (20) overeenkomstig terug. 6 Toets MUTE met controle-led om het kanaal te dempen 7 Panoramaregelaar PAN om het monosignaal in het stereoklankbeeld te positioneren Als de toets 1-2 (4) ingedrukt is, dient de regelaar om het kanaalsignaal aan de sub- groepen toe te wijzen. 8 Balansregelaar Als de toets 1-2 (4) ingedrukt is, dient de regelaar om het kanaalsignaal aan de sub- groepen toe te wijzen. 9 Regelaar AUX SEND 2 / FX om het kanaal- signaal te mengen naar het uitgangskanaal 2 (post-fader); dit uitgangskanaal dient tegelijk als effectenkanaal voor de interne effecten- generator 10 Omschakeltoets PRE voor het uitgangska- naal 1 uitgeschakeld: signaalafname post-fader Het kanaalsignaal wordt na de schuifregel- aar (1) naar het uitgangskanaal gestuurd. ingedrukt: signaalafname pre-fader Het kanaalsignaal wordt vóór de schuifre- gelaar naar het uitgangskanaal gestuurd. 11 Regelaar AUX SEND 1 / MON om het kanaal- signaal te mengen naar het uitgangskanaal 1 12 Klankregelaar LOW 80 Hz voor de lage tonen: ±15 dB bij 80 Hz 13 Klankregelaar MID voor de middentonen: ±15 dB bij 100 Hz – 8 kHz 14 Klankregelaar MID 500 Hz voor de middento- nen bij 500 Hz: ±15 dB 15 Regelaar MID FREQ om de filterfrequentie (100 Hz – 8 kHz) in te stellen voor de klankre- geling in het middentonenbereik 16 Klankregelaar MID 3 kHz voor de middento- nen bij 3 kHz: ±15 dB 17 Klankregelaar HIGH 12 kHz voor de hoge tonen: ±15 dB bij 12 kHz 18 Toets voor het Low Cut-filter (hoogdoor- laatfilter) Bij ingedrukte toets worden ongewenste sig- naaldelen onder de 75 Hz, bv. contactgeluid, onderdrukt. 19 Kanaal CH 9 /10: Toets +4/
10 voor de niveauregeling voor apparatuur met laag lijnuitgangsniveau; bij ingedrukte toets wordt het ingangsniveau opgetrokken Kanaal CH 11/12: Toets LINE / OPT om de kanaalingang om te schakelen uitgeschakeld: Ingang = jacks LINE (21) ingedrukt: Ingang = signaal van een bijko- mende module (bv. mp3-speler), die op de plaats van het plaatje bovenaan rechts ingebouwd is. 20 Regelaar GAIN om de ingangsversterking in te stellen 21 Ingang LINE (6,3 mm-jack, gebalanceerd) voor de aansluiting van een signaalbron met lijnuitgangsniveau (bv. muziekinstrument, cd / mp3-speler) Aanwijzing voor de stereokanalen: Bij aansluitingvan een monoapparaat gebruikt u alleen de boven-ste jack L. Het signaal wordt dan intern naar hetrechter en linker kanaal gestuurd. 22 Ingang MIC voor de aansluiting van een microfoon (XLR-jack, gebalanceerd.) Voor alle microfooningangen kunt u een fan- toomvoeding inschakelen,
positie 49. 23 In- en uitgangsjacks (cinch) TAPE voor een opnameapparaat Het mastersignaal kan op de jacks OUT beluisterd worden [na de schuifregelaars MASTER (34)]. Het signaal op de jacks IN wordt bij inge- drukte toets TAPE / USB TO MIX (41) vóór de schuifregelaars MASTER met het mastersig- naal gemengd.
24 Schuifregelaars voor de subgroepen 1 en 2 25 Toetsen MUTE met controle-led om de sub- groepen te dempen 26 Toewijzingstoetsen SUB ASSIGN TO MAS- TER om de subgroepsignalen door te sturen naar het linker of / en rechter masterkanaal 27 Niveauregelaar FX RETURN voor het effect- signaal van de interne effectengenerator of het signaal op de ingang FX RETURN (57) Het signaal wordt met de regelaar gemengd naar de masterkanalen. 28 Niveauregelaar AUX SEND MASTER 2 / FX voor het mastersignaal van het uitgangska- naal 2, dat naar de interne effectengenerator en naar de uitgang AUX SEND 2 (55) ge - stuurd wordt 29 Toets SOLO – voor elk van de uitgangskana- len 1 en 2 – voor het beluisteren van het uit- gangskanaal via een hoofdtelefoon die op de jacks PHONES (52) is aangesloten, en via een monitorinstallatie die op de jacks BOOTH OUT (53) is aangeslotenNL
30 Niveauregelaar AUX SEND MASTER 1 / MON voor het mastersignaal van het uitgangska- naal 1, dat op de uitgang AUX SEND 1 (55) beschikbaar is 31 Niveauregelaar AUX RTN om de signalen op de ingang AUX RTN (56) naar de masterka- nalen te mengen [toets MASTER / SUB 1-2 (39) uitgeschakeld] of naar de subgroepka- nalen [toets ingedrukt] 32 Toetsen BOOTH voor het selecteren van de signalen die via de hoofdtelefoonuitgang PHONES (52) en de uitgang BOOTH OUT (53) voorbeluisterd en door de uitsturings- led's (38) getoond moeten worden: – Toets MASTER MIX voor uitgangssigna- len van de masterkanalen MASTER – Toets CD / USB / TAPE voor de ingangssig- nalen van de jacks TAPE IN (23) en de USB-aansluiting (45) – Toets SUB 1-2 voor signalen van de sub- groepen 1 en 2 Aanwijzingen
1. Als er meerdere toetsen ingedrukt zijn, wordt het
mengsignaal van de overeenkomstige bronnen beluisterd en getoond.
2. De met de toetsen SOLO (2, 29) geselecteerde
beluisterde signalen hebben voorrang: Als een toets SOLO ingedrukt is, worden de bijbehorende signalen beluisterd en getoond, en niet de signa- len die met de toetsen BOOTH geselecteerd zijn. 33 Volumeregelaar BOOTH / PHONES voor de hoofdtelefoonuitgang PHONES (52) en de uitgang BOOTH OUT (53) 34 Schuifregelaar voor het masterkanaal 35 Controle-led PHANTOM 48V: licht op bij in - geschakelde fantoomvoeding voor de ingan- gen MIC (22) 36 Bedrijfs-led POWER ON 37 Regelaar RETURN TO AUX 1 om de signa- len van de interne effectengenerator of de signalen van de jacks FX RTN (57) te men- gen naar het uitgangskanaal 1 38 Uitsturingsled's; geeft het niveau van het sig- naal aan, dat geselecteerd is om voor te beluisteren via de hoofdtelefoonuitgang PHO- NES (52) en de uitgang BOOTH OUT (53): – de signalen van de ingangskanalen / uit- gangskanalen, waarvan de toets SOLO (2,
– als er geen toets SOLO ingedrukt is, het met de toets BOOTH (32) geselecteerde voorbeluisteringssignaal 39 Toewijzingstoets MASTER / SUB 1-2 om de signalen van de ingang begin AUX RTN (56) door te sturen naar de masterkanalen (toets uitgeschakeld) of naar de subgroepkanalen (toets ingedrukt) 40 Toets PFL /AFL met controle-led eronder: Toets uitgeschakeld = PFL (Pre Fader Listening) De ingangskanalen waarvan de toets SOLO (2) ingedrukt is, worden vóór de regelaar PAN (7) of BAL (8) en de schuifregelaar (1) voorbeluisterd en de uitgangskanalen, waarvan de toets SOLO (29) ingedrukt is, vóór de regelaar AUX SEND (28, 30). Toets ingedrukt = AFL (after fader listening) De ingangskanalen waarvan de toets SOLO ingedrukt is, worden na de regelaar PAN of BAL en de schuifregelaar voorbe- luisterd en de uitgangskanalen, waarvan de toets SOLO ingedrukt is, na de regelaar AUX SEND. 41 Toets TAPE / USB TO MIX: Bij ingedrukte toets worden de ingangssignalen van de jacks TAPE IN (23) en van de USB-aanslui- ting (45) naar de masterkanalen gestuurd. 42 Toets MUTE om een geselecteerd effect in en uit te schakelen De led PEAK boven de toets licht permanent op, wanneer het effect uitgeschakeld is. Bij ingeschakeld effect licht de led alleen op bij oversturing van de effectengenerator. 43 Draaiknop FX SELECT om effecten te selec- teren: Draai aan de knop tot op het display (44) het effectnummer knipperend wordt weergegeven, en druk dan kort op de knop om te bevestigen. 44 Display EFFECT voor de weergave van het geselecteerde effectnummer 45 USB-jack (type B) voor de verbinding met een computer; kan tegelijk als uitgang (digi- tale uitvoer van het mastersignaal) en als ingang (invoer van audiobestanden) worden gebruikt (volledig duplexbedrijf)
46 POWER-jack voor aansluiting op een stop- contact (230 V~ / 50 Hz) met behulp van het bijgeleverde netsnoer 47 Houder voor de netzekering Vervang een gesmolten zekering uitsluitend door een zekering van hetzelfde type. 48 POWER-schakelaar 49 Aan / Uit-schakelaar PHANTOM van de fan- toomvoeding van 48 V voor alle microfoonin- gangen MIC (22); bij ingeschakelde fantoom- voeding licht de led PHANTOM 48V (35) Neem de waarschuwingen in hoofdstuk 4.1.1 betreffende fantoomvoeding in acht. 50 Uitgangen MASTER voor het mastersignaal, bv. voor het aansluiten van de versterker voor geluidsregeling in de zaal – via XLR-jacks, Links L / Rechts R, gebalanceerd – via 6,3 mm-jacks, Links L / Rechts R, ongebalanceerd 51 Aansluiting FOOT SWITCH (6,3 mm-jack, 2-polig) voor een voetschakelaar om de interne effectengenerator in / uit te schakelen 52 Uitgang PHONES (6,3 mm-jack) voor aan- sluiting van een stereohoofdtelefoon (impe- dantie ten minste 8 Ω) 53 Uitgang BOOTH OUT (6,3 mm-jacks) Links L/ Rechts R, ongebalanceerd) voor de aanslui- ting van een regie-monitorinstallatie 54 Uitgangen SUB OUT (6,3 mm-jacks, ongeba- lanceerd) voor de subgroepen 1 en 2 55 Uitgangen AUX SEND (6,3 mm-jacks, onge- balanceerd) voor de uitgangskanalen 1 en 2 56 Ingangen AUX RTN (6,3 mm-jacks) Links L / Rechts R, ongebalanceerd), kan als ingang voor een effectenapparaat of voor een bijko- mende lijngeluidsbron gebruikt worden Opmerking: Bij aansluiting van een monoapparaat gebruikt u alleen de jack L. Het signaal wordt dan intern naar het rechter en linker kanaal gestuurd. 57 Effectsignaalingangen FX RTN (6,3 mm-jacks Links L / Rechts R, ongebalanceerd) Bij aansluiting wordt het ingangssignaal naar het masterkanaal gestuurd en wordt de sig- naalweg van de interne effectengenerator naar de masterkanalen onderbroken. 58 Bussen CHANNEL INSERTS (6,3 mm-jacks) voor aansluiting van effectenapparaten (bv. compressoren) in de mono-ingangskanalen CH 1 tot CH 8 Stekkeraansluitingen: punt = Send (uitgang) ring = Return (ingang) schacht = massa 2 Veiligheidsvoorschriften Het apparaat is in overeenstemming met alle relevante EU-Richtlijnen en is daarom geken- merkt met . Let bij ingebruikname ook zeker op het vol- gende:
Het apparaat is enkel geschikt voor gebruik binnenshuis; vermijd druip- en spatwater, plaatsen met een hoge vochtigheid en uitzon- derlijk warme plaatsen (toegestaan omge- vingstemperatuurbereik: 0 – 40 °C).
Plaats geen bekers met vloeistof zoals drink- glazen etc. op het apparaat.
Schakel het apparaat niet in resp. trek onmid- dellijk de stekker uit het stopcontact,
1. wanneer het apparaat of het netsnoer zicht-
2. wanneer er een defect zou kunnen optreden
nadat het apparaat bijvoorbeeld is gevallen,
3. wanneer het apparaat slecht functioneert.
Het apparaat moet in elk geval worden her- steld door een gekwalificeerd vakman.
Trek de stekker nooit met het snoer uit het stopcontact, maar met de stekker zelf.
Verwijder het stof met een droge, zachte doek. Gebruik zeker geen water of chemicaliën.
In geval van ongeoorloofd of verkeerd gebruik, verkeerde aansluiting, foutieve bediening of van herstelling door een niet-gekwalificeerd persoon vervalt de garantie en de verantwoor- delijkheid voor hieruit resulterende materiële of lichamelijke schade. 3 Toepassingen Dit audiomengpaneel is geschikt voor diverse PA-toepassingen en opnamedoeleinden. Het beschikt over 8 mono- en 2 stereo-ingangskana- len voor aansluiting van microfoons (ook met fantoomvoeding) en geluidsbronnen met lijnuit- gangsniveau (bv. instrumenten, afspeelappara- tuur). De ingangssignalen kunnen op een ste- reo-masterkanaal, twee subgroepen en op twee uitgangskanalen gemengd worden. Voor het toevoegen van effecten kunt u de ingebouwde effectengenerator gebruiken. Het afmengen van het geluid kan via een hoofdtelefoon en /of een monitorinstallatie in een afzonderlijke regie- ruimte beluisterd worden. Het mengpaneel heeft niet alleen cinch-aan- sluitingen voor een opnameapparaat, het is ook uitgerust met een USB-audio-interface voor ver- binding met een computer. Deze kan gebruikt worden als uitgang voor de digitale opname van de geluidsafmenging en als ingang voor het invoeren van audiogegevens. Wanneer het apparaat definitief uit bedrijf wordt genomen, bezorg het dan voor milieuvriendelijke verwerking aan een plaatselijk recyclagebedrijf. WAARSCHUWING De netspanning van de appa- raat is levensgevaarlijk. Open het apparaat niet, en zorg dat u niets in de ventilatieopenin- gen steekt. U loopt immers het risico van een elektrische schok.NL
4 De apparatuur aansluiten Schakel het mengpaneel uit of draai / schuif de onderstaande draaiknoppen / schuifregelaars vol- ledig dicht, voordat u verbindingen tot stand brengt / loskoppelt. Zo vermijdt u storingsgeluiden: — MASTER (34) — BOOTH / PHONES (33) — AUX SEND MASTER 1 / MON (30), wanneer het uitgangskanaal 1 als monitorkanaal ge - bruikt wordt.
Omdat in de monokanalen niet omgeschakeld kan worden tussen de ingangen, sluit u ofwel de microfooningang (22) of de lijningang (21) aan, nooit beide tegelijk.
Sluit de microfoons aan op de gebalanceerde XLR-jacks MIC (22). Bij microfoons met fan- toomvoeding kunt u door met de schakelaar PHANTOM (49) op de achterzijde voor alle XLR- jacks samen een fantoomvoeding van 48 V inschakelen. Bij geactiveerde functie licht de led PHANTOM 48V (35) op.
4.1.2 Lijngeluidsbronnen
Sluit geluidsbronnen met lijnsignaalniveau (bv. ontvangers van draadloze microfoonsystemen, effectenapparatuur, instrumenten, afspeelappa- ratuur) aan op de 6,3 mm-jacks LINE (21) van de ingangskanalen. De jacks zijn gebalanceerd bedraad. U kunt ook apparatuur met ongebalan- ceerd bedrade uitgang via tweepolige stekkers aansluiten. — Sluit monoapparatuur aan op de monokana- len CH 1 tot CH 8. — Sluit stereoapparatuur aan op de stereoka- nalen CH 9 /10 en CH 11/12. Als u een mono- apparaat op een stereokanaal moet aan - sluiten, gebruikt u alleen de jack L. Het monosignaal wordt dan intern naar het rech- ter en linker kanaal gestuurd. Als de ingangskanalen niet volstaan, kunnen voor het aansluiten van bijkomende lijnbronnen ook volgende stereo-ingangen worden gebruikt:
1. de ingang AUX RTN (56)
(Bij aansluiting van een monoapparaat gebruikt u alleen de jack L, het monosignaal wordt dan intern naar het linker en rechter kanaal gestuurd.)
2. de ingang FX RTN (57)
(Bij aansluiting wordt de signaalweg van de interne effectengenerator naar de masterka- nalen onderbroken.)
3. de ingang TAPE IN (23)
(bv. voor aansluiting van een cd-speler voor achtergrondmuziek in de speelpauzen)
4.2 Effectenapparaten
4.2.1 Effectenapparatuur aansluiten
Effectapparaten (bv. apparaten voor klankbe- werking zoals compressoren, equalizers, noise gates) kunt u rechtstreeks via de monokanalen aansluiten: Het kanaalsignaal wordt na de regel- aar GAIN (20) en het Low Cut-filter (18) afgeno- men, loopt volledig via het effectenapparaat en wordt op dezelfde plaats van de signaalweg terug naar het kanaal gestuurd. Sluit het effectenapparaat aan op de 6,3 mm-jack CHANNEL INSERT (58) van het betreffende kanaal. De stekkers moeten als volgt zijn aangesloten: punt = Send (uitgang) ring = Return (ingang) schacht = massa Voor aansluiting van effectapparaten met ge - scheiden in- en uitgangsjacks hebt u Y-kabels nodig, bv. MCA-202 van MONACOR: Afb. 6 Aansluiting via de Y-kabel MCA-202
4.2.2 Uitgangskanalen gebruiken
Via de uitgangskanalen 1 en 2 kunnen delen van het signaal op de ingangskanalen afgenomen, via een effectenapparaat (bv. galmapparaat) bewerkt en via de Return-ingangen terug naar het mengpaneel gestuurd worden. De signaalaf- name voor een als effectenkanaal gebruikt uit- gangskanaal gebeurt gewoonlijk post-fader, d.w.z. het kanaalsignaal wordt na de schuifre- gelaar (1) naar het uitgangskanaal gemengd. Zo is de effectsterkte van een kanaal steeds in ver- houding met het ingestelde kanaalniveau. Het uitgangskanaal 1 kan voor elk kanaal van post- fader naar pre-fader omgeschakeld worden; druk hiervoor op de toets PRE (10). Het uit- gangskanaal 2 is vast op post-fader ingesteld. Het dient tegelijk als effectenkanaal voor de interne effectengenerator.
1) Afhankelijk van welk uitgangskanaal gebruikt
wordt, verbindt u de ingang van het effecten- apparaat via een 6,3 mm-stekker met de mono-uitgang AUX SEND 1 of 2 (55).
2) Om het signaal dat van het effectenapparaat
komt, terug te koppelen, beschikt u over de ingangen AUX RTN (56) en FX RTN (57): — Bij gebruik van de ingang AUX RTN kunt u het effectsignaal met de regelaar AUX RTN (31) mengen naar het masterkanaal [toets MASTER / SUB 1-2 (39) uitgescha- keld] of naar de subgroepkanalen [toets MASTER / SUB 1-2 ingedrukt]. Opmerking: Bij aansluiting van een monoappa- raat gebruikt u alleen de jack L. Het signaal wordt dan intern naar het rechter en linker kanaal gestuurd. — Bij gebruik van de ingang FX RTN kunt u het effectsignaal via de regelaar FX RETURN (27) naar de masterkanalen mengen; en via de regelaar RETURN TO AUX 1 (37) mengt u het effectsignaal naar het uitgangskanaal 1. Opmerking: Door de jack L en R van deze ingang aan te sluiten, onderbreekt u telkens de signaalweg van het linker en het rechter kanaal van de interne effectengenerator naar de mas- terkanalen. Alternatief kunnen de signalen van het effec- tenapparaat ook naar de lijningang van een vrij ingangskanaal gestuurd worden.
Een opnameapparaat kan op de cinch-jacks TAPE (23) aangesloten worden (L = linker kanaal, R = rechter kanaal):
1) Voor de weergave sluit u de uitgang van het
apparaat aan op de jacks TAPE IN.
2) Voor de opname sluit u de ingang van het
apparaat aan op de jacks TAPE OUT. Hier is het mastersignaal beschikbaar dat met de schuifregelaars MASTER (34) is ingesteld.
4.4 Regie-monitorinstallatie en
hoofdtelefoon aansluiten Met een hoofdtelefoon en / of via een monitorin- stallatie in een afzonderlijke regieruimte kunt u de signalen van de individuele ingangskanalen, de mastersignalen, de subgroepsignalen en de ingangssignalen van de jacks TAPE IN (23) en de USB-jack (45) beluisteren. Sluit de hoofdtelefoon (minimumimpedantie 8 Ω) aan op de jack PHO- NES (52). Sluit de versterker van de monitorin- stallatie aan op de jacks BOOTH OUT (53); deze uitgangsjacks zijn ongebalanceerd bedraad.
4.5 Monitorinstallatie voor
de muzikanten Bij gebruik van een monitorinstallatie voor de geluidsregeling op het podium kunt u het uit- gangskanaal 1 als monitorkanaal gebruiken. De signaalafname voor een als monitorkanaal ge - bruikt uitgangskanaal gebeurt gewoonlijk pre- fader, d.w.z. het kanaalsignaal wordt vóór de fader (1) naar het uitgangskanaal gemengd. Zo krijgen de muzikanten via de monitors op het podium een afzonderlijk afgemengd muzieksig- naal. U kunt het uitgangskanaal 1 voor elk in - gangskanaal op pre-fader schakelen door op de toetsen PRE (10) te drukken. Verbind de versterker van de monitorinstal- latie of een actieve monitorbox met de mono-uit- gangsjack AUX SEND 1 (55).
4.6 Versterker voor de geluidsregeling
in de zaal Het stereomastersignaal is beschikbaar op de uitgangen MASTER (50): XLR-jacks, gebalanceerde bedrading 6,3 mm-jacks, ongebalanceerde bedrading (L = linker kanaal, R = rechter kanaal). Op een van de uitgangen kunt u de versterker voor de geluidsregeling in de zaal aansluiten. De andere uitgang kan tegelijk gebruikt worden, bv. voor een tweede versterker of om het mastersig- naal naar een bijkomend apparaat te sturen.
4.7 Gegevens met een computer
uitwisselen Via de USB-aansluiting (45) kunt u audiobestan- den in beide richtingen tussen mengpaneel en computer overdragen: — Gebruik als ingang: Met de toets TAPE / USB TO MIX (41) kunt u via de USB-aansluiting ingevoerde gegevens naar het mastersignaal schakelen en ze via een hoofdtelefoon en een regie-monitorinstallatie beluisteren. — Gebruik als uitgang: De USB-aansluiting voert het met de regelaars MASTER (34) ingestelde mastersignaal uit. Om het mengpaneel met een computer te bedie- nen, kunt u gebruik maken van de audiosoftware die met het bedrijfssysteem is meegeleverd, of u kunt bijkomende audiosoftware installeren. Ver- schillende programma's voor opnemen en af - spelen van audio vindt u gratis op het internet. Opgelet: Bij ingeschakelde fantoomvoeding mag er geen microfoon met ongebalanceerde uitgang zijn aangesloten. U zou hem immers kunnen beschadigen. Om schakelploppen in de luidsprekers en in de hoofdtelefoon te vermijden, schakelt u de fan- toomvoeding pas in of uit, wanneer het meng- paneel uitgeschakeld is of als de respectieve uitgangsregelaars volledig teruggedraaid zijn.NL
sluiting (45) met een USB-aansluiting van de computer.
2) Het ingeschakelde mengpaneel wordt door
de computer als USB-audioapparaat voor ge - luidsinvoer en -uitvoer herkend. De vereiste besturingsprogramma's (standaard bestu- ringsprogramma van het besturingssysteem) moeten op de computer beschikbaar zijn. Opmerking: Als niet alle vereiste besturingspro-gramma's op de computer beschikbaar zijn, moet uze achteraf installeren, bv. via de originele cd vanhet besturingssysteem. Herstart de computer na deinstallatie indien nodig.
3) Open het gebruikte audioprogramma en voer
hierin de nodige instellingen door voor de geluidsweergave via het mengpaneel of voor de geluidsopname van het mengpaneel
handleiding van het programma). Het mengpaneel kan dan aan de hand van hoofd- stuk 5 worden bediend. Als er geen geluidsopname of geluidsweergave gebeurt, dan moet u in de systeeminstellingen controleren of de USB-interface voor de geluids- invoer of geluidsuitvoer geselecteerd is. Tip: Als het mengpaneel zowel met een computer ver-bonden is als met de apparaten die via hun netsnoergeaard zijn (bv. versterker), kunnen door aardlussenstorende bromtonen optreden. Om deze te vermijden,kunt u het mengpaneel via een massascheidingsfilter(bv. FGA-102 of FGA-202 uit het gamma van “imgStage Line”) met het respectieve apparaat verbinden.
4.8 Uitgangen van de subgroepen
De subgroepsignalen kunnen met de toesten SUB ASSIGN TO MASTER (26) naar het mas- tersignaal geschakeld worden maar zijn tegelijk ook beschikbaar op de uitgangen SUB OUT (54). Van deze uitgangen kunt u ze bv. naar een ander mengpaneel of een afzonderlijk effecten- apparaat doorsturen.
4.9 Voetdrukknop voor
de effectengenerator Om de interne effectengenerator in- en uit te schakelen, kunt u een voetdrukknop, bv. FS-60 van MONACOR, aansluiten op de tweepolige 6,3 mm-jack FOOT SWITCH (51).
4.10 Voedingsspanning
Verbind de netaansluiting (46) van het mengpa- neel via het bijgeleverde netsnoer met een stop- contact (230 V~ / 50 Hz). 5 Bediening
5.1 In- en uitschakelen
1) Plaats volgende uitgangsregelaars in de mini-
mumstand, voordat u inschakelt. Zo vermijdt u inschakelgeluiden en een te hoog volume: — MASTER (34) — BOOTH / PHONES (33) — AUX SEND MASTER / MON (30), wanneer het uitgangskanaal 1 als monitorkanaal gebruikt wordt.
2) Naargelang het aansloten microfoontype
schakelt u de fantoomvoeding van 48 V in of uit met de toets PHANTOM (49) [
3) Om het mengpaneel in en uit te schakelen,
drukt u op de netschakelaar POWER (48). Bij ingeschakeld apparaat licht de bedrijfsled POWER ON (36) op.
5.2 Uitsturing van de ingangskanalen
De volgende bedieningsstappen dienen alleen als hulp, er zijn ook andere methoden mogelijk.
1) Zorg eerst voor de volgende basisinstelling.
aars HIGH (17), MID (13), LOW (12) en de regelaars PAN (7) in het midden. Schakel de toetsen (18) uit. b) Plaats in alle stereo-ingangskanalen (afb.
2) de klankregelaars HIGH (17), MID 3 kHz
(16), MID 500 Hz (14), LOW (12) en de regelaars BAL (8) in het midden. Schakel in het kanaal CH 9 /10 de toets +4 /
(19) uit en in het kanaal CH 11/12 de toets LINE / OPT (19). c) Draai in alle ingangskanalen de regelaars AUX SEND 1 / MON (11) en AUX SEND 2 / FX (9) voor de uitgangskanalen volledig terug. d) Schakel in alle ingangskanalen de toetsen MUTE (6), 1-2 (4), L-R (3) en SOLO (2) uit en schuif de kanaalfaders (1) dicht. e) Schakel in het uitgangsveld (afb. 3) alle toetsen SOLO (29) en de toets TAPE / USB TO MIX (41) uit en draai de AUX- SEND-MASTER-regelaars (28, 30) en de RETURN-regelaars (27, 31, 37) dicht.
2) Stuur een geluidssignaal (bv. in microfoon
zingen, een instrument bespelen) naar het eerste gebruikte kanaal.
3) Als u het signaal via de eerste aangesloten
versterker voor de geluidsregeling in de zaal wilt horen, schuift u de fader (1) van het kanaal open tot de stand “0”, drukt u de toets L-R (3) en schuift u de fader MASTER (34) open tot het signaal goed te horen is. Het signaal kan echter ook bij dichtgeschoven regelaars via een hoofdtelefoon of een regie-monitorinstal- latie beluisterd worden,
4) Druk op de toets SOLO (2) van het kanaal.
Hiermee is de beluisteringsfunctie voor het kanaal ingeschakeld, ter controle licht de led PEAK (5) op.
5) Schakel de toets PFL /AFL (40) eventueel uit
om de beluisteringsmodus “PFL” te selecte- ren: De led onder de toets licht groen op en de linker ledrij van de uitsturingsled's (38) geeft het kanaalsignaal vóór de schuifregel- aar (1) en de regelaar PAN (7) of BAL (8) aan.
6) Stel de ingangsversterking optimaal in aan
de hand van de uitsturingsled's: Stel bij een monokanaal de regelaar GAIN (20) zo in dat het weergegeven niveau zich in het bereik rond 0 dB bevindt. Als het stereokanaal +4 /
10 (19) ondanks uitgeschakelde toets overstuurd wordt, ver- mindert u het niveau van de signaalbron. Bij geringe uitsturing drukt u voor de niveauver- sterking (12 dB) op de toets +4 /
Bij het stereokanaal CH 11/12 is de ingangsversterking vast ingesteld. Als de uit- sturing ongunstig is, verandert u het uit- gangsniveau van de aangesloten signaal- bron.
7) Stel de klank in met de regelaars HIGH (17)
voor de hoge tonen en LOW (12) voor de lage tonen (±15 dB). Bij een monokanaal stelt u met de regelaar MID FREQ (15) de middenfrequentie in (100 – 8000 Hz) en gebeurt de versterking of vermindering (15 dB) ervan met de regelaar MID (13). Druk zo nodig op de toets (18) om laagfrequente storingsgeluiden (bv. con- tactgeluid, brom) te onderdrukken. Bij een stereokanaal stelt u met de regel- aars MID 500 Hz (14) en MID 3 kHz (16) de middentonen in (±15 dB). Controleer vervolgens de uitsturing van het kanaal en corrigeer zo nodig de ingangs- versterking.
8) Schakel de toets SOLO opnieuw uit om de
beluisteringsfunctie voor het kanaal uit te schakelen. Bij uitgeschakelde beluisterings- functie dient de led PEAK als oversturings- led, waarmee de uitsturing van het kanaal grof kan worden gecontroleerd. Als de led permanent oplicht, vermindert u de ingangs- versterking (regelaar GAIN) of het ingangs- signaal.
9) Om bij de weergave van het signaal via de
versterker voor geluidsregeling in de zaal steeds alleen het kanaal te laten horen dat net ingesteld wordt, plaatst u na het uitsturen van een kanaal de schuifregelaar (1) ervan terug in de minimumstand of drukt u op de bij- behorende toets MUTE (6).
10) Herhaal de stappen 2) tot 9) voor alle andere
1) Kies voor elk ingangskanaal of het kanaalsig-
naal gemengd moet worden met het signaal van de masterkanalen of / en met dat van de subgroepkanalen: — Door op de toets L-R: (3) te drukken, wordt het signaal naar de masterkanalen gestuurd. — Door op de toets 1-2 (4) wordt het signaal naar de kanalen SUB 1 en 2 gestuurd. Deze signalen kunnen samen met de schuifregelaars SUB 1 en 2 (24) in- en uit- gemengd of in volume gewijzigd worden, en zo nodig via de jacks SUB OUT (53) naar een afzonderlijke effectenapparaat gestuurd worden.
Schuif de regelaars MASTER (34) zo ver open, tot u de mengverhouding van de geluidsbron- nen optimaal kunt instellen.
3) Meng de signalen van de ingangskanalen
met de schuifregelaars (1) in het gewenste volumeverhouding. Schuif de regelaars van ongebruikte kanalen altijd volledig dicht.
4) Voor de monokanalen plaatst u met de pano-
ramaregelaars PAN (7) de monosignalen in het stereoklankbeeld en voor de stereokana- len stelt u met de regelaars BAL (8) de balans van de stereosignalen instellen.
5) Als er signalen naar de subgroepen gestuurd
worden, drukt u op de overeenkomstige toet- sen SUB ASSIGN TO MASTER (26), wan- neer de subgroepen op het linker en rechter masterkanaal gemengd moeten worden. (In principe drukt u in het kanaal SUB 1 op de toets L en in op de toets R in kanaal SUB 2.) Stel het geluidsvolume van de subgroepsig- nalen in met de schuifregelaars SUB 1 en 2 (24). WAARSCHUWING Stel het volume van de ge - luidsinstallatie en dat van de hoofdtelefoon nooit zeer hoog in. Langdurige blootstelling aan hoge volumes kan het ge - hoor beschadigen! Het ge hoor raakt aangepast aan hoge volumes die na een tijdje niet meer zo hoog lijken. Draai het volume daarom niet verder open, zelfs nadat u eraan gewoon bent.32
6) Zie hoofdstuk 5.5 voor het toevoegen van
7) Om het ingangssignaal van de jacks TAPE IN
(23) en van de USB-aansluiting (45) naar het mastersignaal te schakelen, drukt u op de toets TAPE / USB TO MIX (41). Opmerking: Als tijdens een opname via de jacks TAPE OUT of via de USB-aansluiting het opname- signaal als ingangssignaal naar de jacks TAPE IN of de USB-aansluiting wordt gestuurd, dan mag de toets TAPE/ USB TO MIX niet ingedrukt zijn, omdat er zich anders een terugkoppeling voordoet.
8) Met de schuifregelaars MASTER stelt u het
uiteindelijke volume van het mastersignaal in met inachtneming van de uitsturingsled's (38). Om deze het niveau van het mastersig- naal te laten weergeven, drukt u op de toets MASTER MIX (32). Daarbij moeten alle toet- sen SOLO (2, 29) voor de beluisteringsfunc- tie uitgeschakeld zijn. [Als een van de toetsen SOLO ingedrukt is, licht de led onder de toets PFL /AFL (40) op.] Bij oversturing lichten de rode led's CLIP van de niveauweergave op; plaats de schuifregelaars MASTER overeen- komstig terug.
9) Om een kanaal te dempen, bv. tijdens een
speelpauze, drukt u op de toets MUTE (6, 25). Ter controle licht de LED onder de toets op.
5.4 Monitor-uitgangskanaal instellen
De monitorinstallatie voor de geluidsregeling op het podium moet op de jack AUX SEND 1 (55) van het uitgangskanaal 1 aangesloten zijn.
1) Bij de kanalen waarvan het signaal naar het
monitorkanaal gestuurd wordt, drukt u op de toets PRE (10) om het signaalafnamepunt voor het monitorkanaal naar pre-fader om te schakelen.
2) Draai de regelaar AUX SEND MASTER 1 /
MON (30) voor het totale geluidsvolume van het gemengde monitorsignaal zo ver open dat het monitorsignaal bij de volgende instel- lingen goed hoorbaar is via de monitorinstal- latie.
3) Meng met de regelaars AUX SEND 1 / MON
(11) de kanaalsignalen naar het monitorka- naal: Draai de regelaars volgens het ge - wenste onderlinge geluidsvolume van de kanalen open.
4) Met de regelaar RETURN TO AUX 1 (37)
kunt u het effectsignaal van de interne effec- tengenerator naar het monitorkanaal 1 men- gen of het signaal van de jacks FX RTN (57), als hierop een apparaat is aangesloten.
5) Als u het monitorkanaal via een hoofdtelefoon
of een regie-monitorinstallatie wilt be luisteren, en de uitsturingsled's (38) moeten het moni- torsignaal aangeven, druk dan op de toets SOLO (29) naast de regelaar AUX SEND MASTER 1 / MON (30),
5.5 Effecten toevoegen
5.5.1 Gebruik van de interne
effectengenerator Met de interne effectengenerator kunnen 100 verschillende effecten gegenereerd worden die naar de masterkanalen en naar het uitgangska- naal 1 gemengd kunnen worden. Als effectenka- naal voor de effectengenerator dient het uit- gangskanaal 2. Belangrijk: Bij gebruik van de effectengenerator mag de ingang FX RTN (57) niet in gebruik zijn. Bij aansluiting van de beide jacks wordt de sig- naalweg van de interne effectengenerator naar de masterkanalen en naar het uitgangskanaal 1 onderbroken.
1) Om de navolgende effectinstellingen te laten
horen, plaatst u de regelaars AUX SEND MASTER 2 / FX (28) en FX RETURN (27) eerst ongeveer in de middelste stand.
2) Draai de knop FX SELECT (43) links- of
rechtsom tot het nummer van het gewenste effect (
afb. 7 Effectenoverzicht) knippe- rend op het display (44) verschijnt. Bevestig de keuze door op de knop te drukken: het nummer stopt met knipperen, het effect is ingeschakeld.
3) Meng met behulp van de regelaars AUX
SEND 2 / FX (9) de signalen van de ingangs- kanalen naar het effectenkanaal. Het signaal wordt na de schuifregelaar (1) afgenomen, d.w.z. dat de effectsterkte van een kanaal steeds in verhouding is tot het ingestelde kanaalniveau.
4) Stel het niveau van alle op het effectenkanaal
gemengde signalen in met de regelaar AUX SEND MASTER 2 / FX (28). De signalen wor- den naar de ingang van de effectengenerator gestuurd en zijn ook beschikbaar op de jack AUX SEND 2 (55). De led PEAK boven de toets MUTE (42) dient bij ingeschakelde effectengenerator als oversturingsled. Hiermee kunt u de uitsturing grof regelen. Als de led oplicht, draait u de regelaar AUX SEND MASTER 2 / FX over- eenkomstig terug.
5) Meng het effectsignaal met de regelaar FX
RETURN (27) naar de masterkanalen; en met de regelaar RETURN TO AUX 1 (37) mengt u het effectsignaal desgewenst ook naar het uitgangskanaal 1.
6) De effectengenerator kan met een op de jack
FOOT SWITCH (51) aangesloten voetdruk- knop en met de toets MUTE (42) uit- en opnieuw ingeschakeld worden (de toets ver- grendelt niet). Als hij uitgeschakeld is, licht ter controle de led PEAK boven de toets MUTE.
5.5.2 Extern effectenapparaat
Het effectenapparaat moet via een Aux-Send- uitgang en een Aux-Return-ingang (of lijningang van een vrijgegeven ingangskanaal) aangeslo- ten zijn,
1) Om de navolgende effectinstellingen te laten
horen, plaatst u de overeenkomstige uit- gangs- en ingangsregelaar eerst ongeveer in de middelste stand: overeenkomstig de gebruikte uitgang regelaar AUX SEND MASTER 1 / MON (30)
regelaar AUX SEND MASTER 2 / FX (28) overeenkomstig de gebruikte ingang regelaar AUX RTN (31)
schuifregelaar (1) van het overeenkom- stige ingangskanaal
2) Als het effectenapparaat op de ingang AUX
RTN (56) aangesloten is, legt u met de toets MASTER / SUB 1-2 (39) vast, of het effectsig- naal naar de masterkanalen (toets uitgescha- keld) of naar de subgroepkanalen (toets inge- drukt) gestuurd moet worden.
3) Afhankelijk van welk uitgangskanaal als
effectenkanaal gebruikt wordt, mengt u met de regelaars AUX SEND 1 / MON (11) of met de regelaars AUX SEND 2 / FX (9) de kanaal- signalen naar het effectenkanaal. Met deze regelaars kunt u voor elk kanaal afzonderlijk de gewenste effectintensiteit instellen. Indien het uitgangskanaal 1 als effecten- kanaal gebruikt wordt, moeten de toetsen PRE (10) uitgeschakeld zijn (instelling post- fader). Opmerking: Als het effectenapparaat op de lijnin- gang van een ingangskanaal is aangesloten, draait u de regelaar AUX SEND 1 of 2 van het bewuste kanaal volledig terug, omdat er zich anders een terugkoppeling voordoet.
4) Met de respectieve uitgangsregelaar AUX
SEND (28, 30) stelt u het niveau van het uit- gangssignaal op het effectenkanaal zo in, dat het effectenapparaat niet overstuurd wordt. Met de toets SOLO (29) naast de AUX- SEND-regelaar kunt u het effectenkanaal via de hoofdtelefoon of een regie-monitorinstal- latie beluisteren en via de uitsturingsled's (38) controleren,
5) Het signaal dat van het effectenapparaat
komt, voegt u toe met de respectieve in - gangsregelaar; hiermee kunt u de effect - intensiteit voor alle kanalen samen instellen: — Als het effectenapparaat op de ingang AUX RETURN (56) is aangesloten, mengt u het effectsignaal met de regelaar AUX RTN (31) naar de masterkanalen of naar de subgroepkanalen (afhankelijk van de stand van de toets MASTER / SUB 1-2).
Nummer Naam Effect Parameter 00 – 09 VOCAL Nagalmeffect, bijzonder geschikt voor zangtoepassingen uitklinktijd 0,8 – 0,9 s, pre-delaytijd 10 – 45 ms 10 – 19 SMALL ROOM Nagalmeffect: Simulatie van een kleine tot middelgrote ruimte uitklinktijd 0,7 – 2,1 s, pre-delaytijd 20 – 45 ms 20 – 29 LARGE HALL Nagalmeffect: Simulatie van een grote zaal uitklinktijd 3,6 – 5,4 s, pre-delaytijd 23 – 55 ms 30 – 39 ECHO Echo-Effekt vertragingstijd 145 – 205 ms 40 – 49 ECHO + VERB Combinatie van echo-effect en nagalmeffect vertragingstijd 208 – 650 ms, uitklinktijd 1,7 – 2,7 s 50 – 59 FLANGE + VERB Combinatie van flanger-effect en nagalmeffect snelheid 0,8 – 2,52 Hz, uitklinktijd 1,5 – 2,9 ms 60 – 69 PLATE Simulatie van een klassieke, helder klinkende galmplaat uitklinktijd 0,9 – 3,6 s 70 – 79 CHORUS + GTR Gitaareffect: Chorus snelheid 0,92 – 1,72 Hz 80 – 89 ROTARY + GTR Gitaareffect: Rotary (Leslie-effect) modulatiediepte 20 – 80 % 90 – 99 TREMOLO + GTR Gitaareffect: Tremolo snelheid 0,6 – 5 Hz Afb. 7 Effectenoverzicht33 — Als het effectenapparaat op de ingang FX RTN (57) is aangesloten, mengt u het effectsignaal met de regelaar FX RETURN (27) naar de masterkanalen. Bovendien kan het effectsignaal met de regelaar RETURN TO AUX 1 (37) naar het uitgangskanaal 1 gemengd worden (bv. indien deze als monitorkanaal gebruikt wordt). — Als het effectenapparaat op de lijningang (21) van een ingangskanaal is aangeslo- ten, mengt u het effectsignaal met de over- eenkomstig kanaalfader (1) naar de mas- terkanalen [de toets L-R (3) moet inge- drukt zijn] en/of naar de subgroepkanalen [de toets 1-2 (4) moet ingedrukt zijn].
5.5.3 Afzonderlijk effectenapparaat
voor de subgroepen Onafhankelijk van de in de hoofdstukken 5.5.1 en 5.5.2 beschreven mogelijkheden, kunt u de signalen van de subgroepen via een afzonderlijk effectenapparaat sturen.
1) Sluit de ingang van het effectenapparaat aan
op de jacks SUB OUT (54) en de uitgang van het effectenapparaat op een vrije lijningang van het mengpaneel.
2) Selecteer met de toetsen SUB ASSIGN TO
MASTER (26): — Als de signalen van de subgroepen volle- dig via het effectenapparaat gestuurd en van daar naar de masterkanalen gemengd moeten worden, dan schakelt u alle toet- sen uit. — Als de signalen van de subgroepen op het mengpaneel samen met de effectsignalen van de subgroepen op de masterkanalen gemengd moeten worden, dan drukt u op de overeenkomstige toetsen (in principe toets L in het kanaal SUB 1 en toets R in het kanaal SUB 2).
3) Stel met de schuifregelaars SUB 1 en 2 (24)
het niveau in, waarmee de signalen van de subgroepen naar het effectenapparaat gestuurd en eventueel ook naar de master- kanalen gemengd worden.
4) Voer alle andere instellingen door op het effec-
tenapparaat en het ingangskanaal waarop het effectenapparaat is aangesloten.
Voorbeluisteren via de hoofdtelefoon en een regie-monitorinstallatie Om via een hoofdtelefoon op de jack PHONES (52) en een regie-monitorinstallatie op de jacks BOOTH OUT (53) voor te beluisteren, kunt u vol- gende signalen selecteren:
1. het signaal van elk ingangskanaal
2. de mastersignalen van de uitgangskanalen 1
(23) en van de USB-aansluiting (45)
4. de signalen van de subgroepen 1 en 2 op de
uitgangen SUB OUT (54)
5. de mastersignalen van het mengpaneel op
de uitgangen MASTER (50) De uitsturingsled (38) geeft steeds het niveau aan van de signalen die om te beluisteren gese- lecteerd zijn.
1) Om een ingangskanaal voor te beluisteren,
drukt u op de toets SOLO (2) van het kanaal. Om aan te geven, dat de beluisteringsfunctie voor het kanaal ingeschakeld is, licht de led PEAK (5) op. Bovendien licht onder de toets PFL /AFL (40) de led: groen op in beluiste- ringsmodus "PFL" of rood in de modus “AFL”. — Bij uitgeschakelde toets PFL /AFL is de modus “PFL” (pre fader listening) inge- schakeld. Deze kan voor de niveaurege- ling van het kanaal gebruikt worden: Het kanaalsignaal wordt vóór de schuifregel- aar (1) en de panorama- (7) of balansre- gelaar (8) beluisterd en getoond (mono). — Bij ingedrukte toets PFL /AFL is de modus “AFL” (after fader listening) ingeschakeld, waarmee u de volledige kanaalinstellling kunt controleren: Het kanaalsignaal wordt na de schuifregelaar en de panorama- of balansregelaar beluisterd en getoond (stereo).
2) Om een uitgangskanaal te beluisteren,
drukt u op de bijbehorende toets SOLO (29): voor het uitgangskanaal 1 op de toets SOLO naast de regelaar AUX SEND MASTER 1 (30), voor het uitgangskanaal 2 op de toets SOLO naast de regelaar AUX SEND MASTER 2 (28). Selecteer met de toets PFL /AFL de beluiste- ringsmodus: Als de toets uitgeschakeld is, wordt het signaal vóór de regelaar AUX SEND MASTER beluisterd en getoond, bij ingedrukte toets gebeurt dit na de regelaar.
3) Om het ingangssignaal van de jacks TAPE
IN (23) en van de USB-aansluiting (45) te beluisteren, bv. om een opname te controle- ren, drukt u op de toets CD / USB / TAPE (32).
4) Om de subgroepsignalen te beluisteren
(steeds post-fader) drukt u op de toets SUB 1-2 (32).
5) Om de mastersignalen te beluisteren (steeds
- post-fader) drukt u op de toets MASTER MIX (32). Belangrijk: De toetsen SOLO (2, 29) hebben voorrang op de toetsen BOOTH (32), d.w.z. wanneer ten minste een toets SOLO ingedrukt is, worden de signalen die met de toetsen BOOTH geselecteerd zijn, niet beluisterd / getoond. De toetsen BOOTH zijn daarentegen onderling gelijkwaardig; d.w.z. als tegelijk inge- drukt zijn, wordt het mengsignaal van de bijbe- horende bronnen beluisterd en getoond. 6 Technische gegevens Ingangen (gevoeligheid / impedantie; aansluiting) Mic: p. 0
- ,5 mV/1,8 kΩ; XLR, gebalanceerd Line (monokanaal): p. 1
- mV/10 kΩ; 6,3 mm-jack, gebalanceerd Line (stereokanaal): p. 10
- mV/10 kΩ; 6,3 mm-jack, gebalanceerd Tape In: p. 100
- mV/10 kΩ; Cinch Return: p. 100
- mV/10 kΩ; 6,3 mm-jack, ongebalanceerd Insert: p. 100
- mV/10 kΩ; 6,3 mm-jack, ongebalanceerd Uitgangsniveau Master XLR-jacks: p. 1
- ,5 V* Jacks: p. 750
- mV* Tape Out: p. 750
- mV* Booth Out: V* *bij weergave 0 dB Aux Send: max. 9,5 V Hoofdtelefoon- impedantie: ≥ 8 Ω USB-interface*: p. 2
- USB 2.0 (Full Speed) Frequentiebereik: – 20 000 Hz THD: < 0,05 % Signaal / Ruis-verhouding: > 7 4 dB, (A-gemeten) Overspraak: p. 20
- 63 dB Equalizer Lage tonen: ±15 dB / 80 Hz Hoge tonen: ±15 dB / 12 kHz Middentonen monokanaal: ±15 dB /100 – 8000 Hz Middentonen stereokanaal:
- ±15 dB / 500 Hz ±15 dB / 3000 Hz Low Cut-filter: Hz Fantoomvoeding: p. 75
- +48 V Voedingsspanning: p. 230
- V~ / 50 Hz Opgenomen vermogen: max. 40 VA Omgevings- temperatuurbereik: p. 0
- – 40 °C Afmetingen (B × H × D): 404 × 96 × 385 mm Gewicht: ,2 kg Geschikt besturingssysteem voor de gegevens- overdracht via de USB-interface: Windows 2000, Windows XP of latere Windows- versies Mac OS 9.0.4 of hoger, Mac OS X Windows is een gedeponeerd handelsmerk van de Microsoft Corpora-tion in de USA en andere landen.Mac OS is een gedeponeerd handelsmerk van Apple Computer, Inc. inde Verenigde Staten en andere landen. p. 5
6.1 Stekkerconfiguratie XLR-stekker
en 6,3 mm-jack XLR-stekker voor gebalanceerde aansluiting polige 6,3 mm-stekker voor gebalanceerde aansluiting 2-polige 6,3 mm-stekker voor ongebalanceerde aansluiting 3-polige 6,3 mm-stekker voor de bussen INSERT 6,3 mm-stereostekker voor de hoofdtelefoonaansluiting Wijzigingen voorbehouden. T = linker kanaal R = rechter kanaal S = massa T = Send (uitgang) R = Return (ingang) S = massa T = signaal S = massa T = signaal + R = signaal
Deze gebruiksaanwijzing is door de auteurswet beschermd eigendom van MONACOR
INTERNATIONAL GmbH & Co. KG. Een reproductie – ook gedeeltelijk – voor eigen commerciële doeleinden is verboden.
SimpelGids