GEBRUIKSAANWIJZING D-ECONCEPT 1000 TALLAS
1.1 Geïntegreerde inverter 156
1.2 Geïntegreerde elektropomp 156
1.3 Geïntegreerde filter 157
1.4 Technische kenmerken 157
2. INSTALLATIE 157
2.1 Hydraulische aansluitingen 158
2.2 Vulwerkzaamheden....158
3. INBEDRIJFSTELLING....159
3.1 Elektrische aansluitingen 159
3.2 Configuratie van de geïntegreerde inverte.... 159
3.3 Vooraanzuiging 159
4. TOETSENBORD EN DISPLAY 160
4.1 Toegang tot menu's 161
4.2 Structuur van de menupagina's 162
4.3 Activering/deactivering van de motor 162
5. BETEKENIS VAN DE AFZONDERLIJKE PARAMETERS.... 163
5.1 Menu Gebruiker 163
5.1.1 RS: weergave van de draaisnelheid 163
5.1.2 VP: weergave van de druk 163
5.1.3 VF: weergave van de stroming.... 163
5.1.4 PO: weergave van het opgenomen vermogen.... 163
5.1.5 C1: weergave van de fasestroom 163
5.1.6 HO: Teller aantal uren aangeschakeld.... 163
5.1.7 HW: Teller aantal bedrijfsuren van elektropomp.... 163
5.1.8 NR: Aantal starten 163
5.1.9 EN: Meter opgenomen energie 163
5.1.10 ES: Besparing 163
5.1.11 FC: Volumemeter gepompte vloeistof.... 163
5.1.12 VE: weergave van de versie.... 163
5.1.13 FF: weergave storingen en waaarschuwingen (geschiedenis) 164
5.2 Menu Monitor 164
5.2.1 CT: contrast van het display 164
5.2.2 BK: helderheid van het display.... 164
5.2.3 TK: inschakeltijd achterverlichting....164
5.2.4 TE: weergave dissipatortemperatuur 164
5.3 Menu Setpoint 164
5.3.1 SP: instelling van de setpointdruk 164
5.4 Menu Handbediening....164
5.4.1 RI: snelheidsinstelling.... 165
5.4.2 VP: weergave van de druk 165
5.4.3 VF: weergave van de stroming.... 165
5.4.4 PO: weergave van het opgenomen vermogen.... 165
5.4.5 C1: weergave van de fasestroom 165
5.5 Menu instellingen 165
5.5.1 RP: instelling van de drukverlaging voor herstart.... 165
5.5.2 OD: type installatie 165
5.5.3 MS: matenstelsel....166
5.5.4 FY: Activering blokkering gepompt volume 166
5.5.5 TY: Activering blokkering pomptijd 166
5.5.6 TY: FH: Gepompt volume.... 166
5.5.7 TH: Pomptijd....166
5.6 Menu Gevorderde Instellingen.... 166
5.6.1 TB: blokkeertijd wegens watergebrek 166
5.6.2 T2: ertraging bij uitschakeling.... 167
5.6.3 GP: proportionele versterkingscoëfficiën 167
5.6.4 GI: integrerende versterkingscoëfficiën.... 167
5.6.5 RM: maximale snelheid 167
5.6.6 AY: Anti Cycling.... 167
5.6.7 AE: activering blokkeringverhindering 167
NEDERLANDS
5.6.8 AF: activering antibevriezingsfunctie.... 167
5.7 RF: reset van storingen en waarschuwingen.... 167
- VEILIGHEIDSSYSTEMEN 167
6.1 Beschrijving van de blokkeringen 168
6.1.1 "BL" Anti Dry-Run (beveiliging tegen droog lopen) 168
6.1.2 Anticycling (beveiliging tegen continu in- en uitschakelen zonder vraag van de gebruikspunten) 168
6.1.3 Anti-Freeze (beveiliging tegen bevriezing van het water in het systeem).... 168
6.1.4 "BP1" Blokkering wegens defect in de druksensor op de perszijde (drukopbouw installatie) ..... 168
6.1.5 "PB" Blokkering wegens voedingsspanning buiten grenzen.... 168
6.1.6 "SC" Blokkering wegens kortsluiting tussen de motorfasen.... 169
6.2 Handmatige reset van foutcondities.... 169
6.3 Automatisch herstel van foutcondities 169
- RESET EN FABRIEKSINSTELLINGEN....169
7.1 Algemene reset van het systeem.... 169
7.2 Fabrieksinstellingen 169
7.3 Herstel van de fabrieksinstellingen 169
-
BIJZONDERE INSTALLATIES.... 170
-
ONDERHOUD 171
9.1 Meegeleverd gereedschap.... 171
9.2 Schoonmaak van de geïntegreerde filter 172
9.2 Legen van het systeem 172
9.3 Terugslagklep 172
9.4 Motoras....173
In deze publicatie zijn de volgende symbolen gebruikt:

Situatie met algemeen gevaar. Het niet in acht nemen van de voorschriften die na dit symbool volgen kan persoonlijk letsel of materiële schade tot gevolg hebben.
Situatie met gevaar voor elektrische schok. Veronachtzaming van de voorschriften die na dit symbool volgen kan een situatie met ernstig risico voor de gezondheid van personen tot gevolg hebben.
Opmerkingen
WAARSCHUWINGEN

Lees deze documentatie aandachtig door vóór de installatie.
Trek steeds de stekker uit het stopcontact alvorens enige interventie uit te voeren. Vermijd absoluut de droge werking.
Bescherm de elektropomp tegen weer en wind.
De machine is ontworpen en gebouwd om water zonder ex-plosieve stoffen, vaste partikels of vezels te pompen, met een dichtheid van 1000 kg/m3 en een kinematische viscositeit die gelijk is aan 1 mm2/s, en vloeistoffen die niet chemisch agressief zijn.
Het niet in acht nemen van de waarschuwingen kan gevaarlijke situaties veroorzaken voor personen of voorwerpen, en doet de garantie op het product vervallen.
Toepassingen
Voor vaste of draagbare installatie in watervoorzienings- of druksystemen voor huishoudelijk gebruik, kleine landbouwbedrijven, moestuinen of tuinen, huishoudelijke noodsituaties en doe-het-zelfdoeleinden in het algemeen.
Dit product is een geïntegreerd systeem bestaande uit een zelfaanzuigende elektrische centrifugaalpomp met meerdere stadia, met een elektronisch stuurcircuit (inverter) en een filter voor verwijdering van onzuiverheden aan de ingang.
De installatie heeft de volgende interfacepunten voor de gebruiker, zie Afb.1:
NEDERLANDS
- Aanzuigaansluiting (ingang).
- Persaansluiting (uitgang).
- Vulopening en onderhoud filter.
- Afvoeropening.
- Ontluchtingsopening en buitengewoon onderhoud antihevelklep.
- Bedieningspaneel en display voor weergave staat.
- Handgreep voor verplaatsing en transport.
- Opening voor buitengewoon onderhoud motoras.
Afb. 1

1.1 Geïntegreerde inverter
De geïntegreerde elektronische besturing van het systeem is van het type met inverter en maakt gebruik van stromings-, druk- en temperatuursen-soren, die eveneens in het systeem zijn geïntegreerd. Door middel van deze sensoren schakelt het systeem zichzelf automatisch in en uit, volgens de eisen van de gebruiker, en is het in staat storingscondities te detecteren, te voorkomen en te signaleren. De besturing door middel van een inverter waarborgt diverse functies, waarvan, voor de pompsystemen, het handhaven van een constante druk aan de perszijde en energiebesparing de belangrijkste zijn.
- De inverter is in staat de druk van een hydraulisch circuit constant te houden door de draaisnelheid van de elektropomp te variëren. Bij werking zonder inverter kan de elektropomp niet moduleren, en wan-neer het gevraagde debiet stijgt neemt de druk noodzakelijkerwijze af, of omgekeerd; hierdoor is de druk te hoog bij lage debieten of is de druk te laag wanneer het gevraagde debiet toeneemt.
- Door de draaisnelheid te variëren in functie van de momentele vraag van het gebruikspunt, beperkt de inverter het vermogen dat wordt afgegeven aan de elektropomp tot de druk die minimaal noodzakelijk is om te verzekeren dat aan de vraag wordt voldaan. De werking zonder inverter voorziet dat de elektropomp altijd is ingeschakeld, en uitsluitend op het maximale vermogen.
Zie voor de configuratie van de parameters de hoofdstukken 4-5.
1.2 Geïntegreerde elektropomp
Het systeem omvat een elektrische centrifugaalpomp met meerdere ro-toren die wordt aangedreven door een watergekoelde driefasige elektro-motor. De koeling van de motor door water in plaats van lucht zorgt voor minder lawaai van het systeem en maakt het mogelijk hem ook in niet-geventileerde ruimten te plaatsen.
De grafiekdie staat afgebeeld in Afb. 2 toont de curve van de hydraulische prestaties. Door automatisch de draaisnelheid van de elektropomp te moduleren maakt de inverter het de pomp mogelijk om zijn werkpunt zoals nodig is te verplaatsen naar een willekeurig deel van het gebied onder de eigen curve, om de ingestelde constante druk (SP) te handhaven. De rode curve duidt het verloop van het systeem aan met setpoint ingesteld op 3.0 bar.

line
| Q (lt/1') | H(mt) - Blue Line | H(mt) - Red Line |
| --------- | ----------------- | ---------------- |
| 0 | 60 | 30 |
| 5 | 58 | 30 |
| 10 | 55 | 30 |
| 15 | 52 | 30 |
| 20 | 49 | 30 |
| 25 | 46 | 30 |
| 30 | 43 | 30 |
| 35 | 40 | 30 |
| 40 | 37 | 30 |
| 45 | 34 | 30 |
| 50 | 31 | 30 |
| 55 | 28 | 30 |
| 60 | 25 | 25 |
| 65 | 22 | 20 |
| 70 | 18 | 15 |
| 75 | 14 | 10 |
| 80 | 10 | 5 |
| 85 | 5 | 0 |
Afb. 2
Hieruit volgt dat het systeem, als SP = 3,0 bar, in staat is om een constante druk te verzekeren op de gebruikspunten die debieten vragen van tussen 0 en 55 liter/minuut. Voor hogere debieten werkt het systeem volgens de karakteristieke curve van de elektropomp op maximale draaisnelheid. Voor debieten onder bovengenoemde grenzen verzekert het systeem de constante druk, maar reduceert het het opgenomen vermogen en dus het energieverbruik.

De hierboven vermelde prestaties gelden bij een omgevings- en watertemperatuur van ongeveer 20 °C, gedurende de eerste 10 minuten waarin de motor werkt, en met het waterniveau bij de aanzuiging op een diepte van niet meer dan 1 meter.

Naarmate de aanzuigdiepte toeneemt, nemen de prestaties van de elektropomp af.
1.3 Geintegreerde filter
De installatie is uitgerust met een filterpatroon aan de pompingang die mogelijke onzuiverheden in het water tegenhoudt. Het wasbare filterpatroon met net heeft een schakel van 0,5 mm. De vulopening (3-Afb.1) leidt tot het filterpatroon voor het buitengewoon onderhoud (par.9.2). Via het doorschijnende gedeelte van de vulopening kan u nagaan of het patroon moet worden gewassen.
| Onderwerp | Parameter | Valore 1000 |
| ELEKTRISCHE VOEDING | Spanning 1 ~ 220-240 VAC | |
| Frequentie | 50/60 |
| Max. vermogen 1000 W | |
| Maximale stroomsterkte | 4.8 [Arms] |
| Aardlekstroom | <3 [mArms] |
| CONSTRUCTIE KENMERKEN | Afmetingen ruimtebeslag | 483 x 236 x H322 mm |
| Leeg gewicht (verpak-king uitgezonderd) 12.3 kg |
| Beschermingsklasse | IP X4 |
| Isolatieklasse van demotor | F |
| HYDRAULISCHE PRESTATIES | Max. opvoerhoogte | 60 m |
| Max. debiet 85 l/min | |
| Vooraanzuiging <5min op 8m | |
| Max. bedrijfsdruk | 6 bar |
| BEDRIJFS OMSTANDIGHDEN | Max. temperatuur van devloeistof | 40 °C |
| Max. omgevingstemperatuur | 50 °C |
| Omgevingstemperatuur van magazijn | -10÷60 °C |
| H min 0 m | |
| FUNCTIES EN BEVEILIGINGEN | Constante druk |
| Beveiliging tegen droog lopen |
| Beveiliging tegen bevriezing |
| Anticycling-beveiliging |
| Antiblokkeringsbeveiliging |
| Amperometrische beveiliging naar de motor |
| Bescherming tegen abnormale voedingsspanningen |
Tabel 1
2. INSTALLATIE

De installatie werd bestudeerd voor gebruik binnenhuis. Installeer het systeem niet op een permanente wijze buitenhuis en/of op plaatsen blootgesteld aan weer en wind. Het systeem kan buitenhuis worden gebruikt als "niet-permanente" installatie: transporteer het systeem ter plaatse en berg het na gebruik terug op op een overdekte plaats.
Het systeem is ontworpen om te werken in omgevingen met een temperatuur die tussen 0 °C en 50 °C blijft (op voorwaarde dat er voor elektrische voeding wordt gezorgd: zie par.5.6.8 "antibev-riezingsfunctie").
Het systeem is geschikt om drinkwater te behandelen.
Het systeem mag niet worden gebruikt voor het pompen van zout water, afvalwater, ontvlambare, bijtende of explosieve vloeistof-fen (bv. petroleum, benzine, verdunningsmiddelen), vetten, oliën of voedingsmiddelen.
Het systeem kan water aanzuigen waarvan de hoogte niet dieper is dan 8 m (hoogte tussen het waterpeil en de aanzuigopening van de pomp).
Als het systeem wordt gebruikt voor de watertoevoer in huis, moeten de lokale voorschriften in acht worden genomen van de instanties die verantwoordelijk zijn voor het waterbeheer.
Ga bij de keuze van de installatieplek het volgende na:
- De spanning en frequentie die vermeld worden op het plaatje met elektrische gegevens van de pomp moeten overeenko-men met de gegevens van het elektriciteitsnet.
- De elektrische verbinding moet op een droge plek zitten, bes-chermd tegen eventuele overstromingen.
- Het elektrisch systeem uitgerust is met een aardlekschakelaar met afmetingen vermeld in de Tabel 1.
- Er een aardverbinding werd voorzien.
NEDERLANDS

Het systeem kan niet weerstaan aan het gewicht van de leidingen en moet derhalve op een andere wijze ondersteund worden.
Gevaar voor stijging van de watertemperatuur in de pomp: als de pomp lange tijd functioneert zonder of met weinig waterafgifte, kan de watertemperatuur in de zodanig pomp stijgen dat er materiële schade of persoonlijk letsel kan worden veroorzaakt op het moment van de afgifte. Deze situatie doet zich over het algemeen voor na een lange serie opeenvolgende in- en uitschakelingen van de pomp. Dit gebeurt typisch in starre systemen (zonder expansievat), en de oorzaken kunnen zijn:
- een klein lek (ook slechts enkele druppels) dat een zodanige drukdaling veroorzaakt dat de pomp opnieuw wordt gestart, maar er onvoldoende waterversing plaatsvindt
- te lage RP-waarden die geen drukstabilisatie en reguliere uitschakeling mogelijk maken
- onjuiste instelling van de versterkingen GI en GP die schommeling van de regeling veroorzaakt. De situatie wordt verergerd in het geval van:
- een hoog setpoint (SP) waardoor er een groter vermogen wordt afgegeven naar het water;
- zeer lange uitschakeltijden T2 waardoor er langer vermogen wordt afgegeven aan het water.
Plaats de installatie best zo dicht mogelijk bij de te pompen vloeistof.
Laat het systeem enkel werken in een horizontaal vlak en wanneer het stabiel steunt op zijn rubber steunvoetjes.
In geval van een vaste installatie moet u een positie uitkiezen die toegang en visibiliteit garandeert naar het stuur- en bedieningsbord (6-Afb.1).
In geval van een vaste installatie moet u voorzien in voldoende vrije ruimte voor het gewoon onderhoud van de geïntegreerde filter (par. 9.2).
In geval van een vaste installatie raden wij aan een afsluiter te monteren zowel op de aanzuigzijde als op de perszijde. Daarmee kan de lijn voor en achter het systeem correct worden afgesloten wanneer dit nodig is voor onderhoudsinterventies en schoonmaak of gedurende periodes van buitendienststelling.
In geval van een vaste installatie raden wij aan een expansievat aan te sluiten op de persleiding, zodat het systeem elastisch wordt en beschermd wordt tegen leidingslagen. Het volume van het expansievat is niet bindend (1 liter is voldoende), de aanbevolen voorbelasting bedraagt 1bar lager dan het ingestelde setpoint.
Indien water moet worden gepompt waarin aanzienlijk veel vreemde lichamen aanwezig zijn en u het aantal schoonmaakinterventies van de geïntegreerde filter wenst te verminderen, zorg dan voor installatie van een extra externe filter aan de ingang van het systeem, geschikt om de onzuiverheden tegen te houden.

Door een filteraan te brengen op de aanzuiging nemen de hy-draulische prestaties van het systeem af in verhouding tot het belastingverlies dat door het filterzelf wordt veroorzaakt (in het algemeen geldt dat hoe groter het filtervermogen, des te sterker de daling van de prestaties.
2.1 Hydraulische aansluitingen
De installatie verzekert enkel de vermelde prestaties indien aan de ingang en uitgang leidingen worden gebruikt met een diameter van minstens die van de openingen van het systeem (1").
Voor wat betreft de positie ten opzichte van het water dat gepompt moet wor-den, kan de installatie van het systeem "boven waterniveau" of "onder water-niveau" worden genoemd. In het bijzonder wordt een installatie "boven waterniveau" genoemd wanneer de pomp op een niveau boven dat van het te pompen water wordt geplaatst (bv. pomp aan het oppervlak en water in de put); omgekeerd wordt een installatie "onder waterniveau" genoemd wanneer de pomp op een niveau onder dat van het te pompen water wordt geplaatst (bv. hangende tank en pomp eronder).
Als de installatie van het type "boven waterniveau" is, moet de aanzuigleiding vanaf de waterbron naar de pomp aflopendwor-den gemonteerd, om de vorming van zwanehalzen of sifons te vermijden. Plaats de aanzuigslang niet boven pompniveau (om te voorkomen dat er zich luchtbellen in de aanzuigslang vor-men). De aanzuigslang moet aan zijn ingang op minstens 30 cm onder het waterniveau aanzuigen, en moet over de hele lengte waterdicht zijn, tot aan de ingang van de elektropomp. Voor diepte opzuiging boven de vier meter of met aanzienlijk horizontale trajecten, het is de toepassing van een opzuigingsbuis aan te raden van grotere diameter dan diegene van de pomp opzuigingsmond. Indien de aanzuigbuis vervaardigd is in rubber of in een flexibel materiaal, moet u steeds controleren dat dit versterkt is en vacuumbestendig, om te vermijden dat deze zou vernauwen ten gevolge van de aanzuiging.
Vermijd bij installatie onder waterniveau zwanenhalzen en sifons in de aanzuigleidingen en controleer dat deze hermetisch dicht zijn.
De aanzuig- en persleidingen moeten aangesloten worden op de installatie via de voorziene schroefdraad: 1 inch buitendraad op draaikoppeling in technopolymeer.

Wanneer voor de hermetische dichting van de aansluiting hulpmateriaal (bv. teflon, jute,...) wordt gebruikt, moet u opletten dat u niet overdrijft met de hoeveelheid materiaal in de dichting: onder invloed van een correct spankoppel (bv. pijptang met lange arm), kan de overmaat aan materiaal zorgen voor een abnormale belasting op de koppeling in technopolymeer en deze definitief beschadigen.
Draaikoppelingen zorgen voor een eenvoudigere installatie van het systeem.
2.2 Vulwerkzaamheden
Installatie boven en onder waterniveau
Installatie "boven het water" (par. 2.1): draai de vuldop (3-Afb.1) handmatig of met behulp van het bijgeleverd gereedschap los en verwijder de vuldop; verwijder ook de ontluchtingsdop (5-Afb.1) met behulp van een
NEDERLANDS
schroevendraaier of het bijgeleverd gereedschap; vul vervolgens de installatie met schoon water via de vulopening (ongeveer 1 liter). Wanneer het water uit de ontluchtingsbuis loopt moet u de dop terug en met zorg vastdraaien, nogmaals bijvullen via de vuldop en de vuldop volledig terug vastdraaien. Geadviseerd wordt de terugslagklep aan het uiteinde van de aanzuigleiding te monteren (bodemklep), zodat ook deze helemaal kan worden gevuld bij de vulwerkzaamheden. In dit geval is de hoeveelheid water die nodig is voor het vullen afhankelijk van de lengte van de aanzuigleiding.
Installatie "onder waterniveau" (par. 2.1): als er tussen de watervoorraad en het systeem geen afsluitkleppen aanwezig zijn (of als deze open zijn), wordt het systeem automatisch gevuld zodra de opgesloten lucht naar bu-iten kan. Nadat de ontluchtingsdop (5-Afb.1) een beetje werd losgedraaid (zodat de lucht kan ontsnappen), kan het systeem volledig worden gevuld. Volg deze handeling goed op en sluit de ontluchtingopening van zodra er water uitloopt (wij raden aan hoe dan ook een afsluitventiel te installeren op de aanzuigleiding en deze te gebruiken tijdens de vulfase met open dop). Als alternatief, indien de aanzuigleiding is afgesloten door een gesloten ventiel, kan de vulfase op een analoge wijze worden uitgevoerd zoals beschreven voor de installatie boven waterniveau.
3. INBEDRIJFSTELLING
3.1 Elektrische aansluitingen
Om de immuniteit tegen mogelijk uitgestraald geluid naar andere ap-paraten te verbeteren, wordt geadviseerd een aparte elektriciteitsleiding te gebruiken voor de voeding van het product.

Let op: neem altijd de veiligheidsvoorschriften in acht! De elektrische installatie moet worden uitgevoerd door een er-varen erkende elektricien, die alle verantwoordelijkheid hiervoor op zich neemt.
Geadviseerd wordt om de installatie correct en veilig te aarden, zoals wordt vereist door de geldende normen op dit gebied.
De lijndruk kan veranderen bij het starten van de elektropomp. De spanning op de lijn kan veranderingen ondergaan afhankelijk van andere inrichtingen die met de lijn verbonden zijn en de kwaliteit van de lijn zelf.
De aardlekschakelaar ter bescherming van de installatie moet correcte afmetingen hebben in functie van de eigenschappen van de tabel 1. Wij raden het gebruik aan van een aardlekschakelaar type F beschermd tegen onbedoelde activering. Indien de aanwijzingen uit deze handleiding tegenstrijdig zijn met de geldende normen, volg dan de betreffende normen.
De magnetothermische veiligheidsschakelaar moet correct gedi-mensioneerd zijn (Zie Technische eigenschappen).
3.2 Configuratie van de geïntegreerde inverte
Het systeem is door de fabrikant geconfigureerdom te voldoen aan de meestvoorkomende installatiesituaties waarin wordt gewerkt met constan-te druk. De belangrijkste parameters die in de fabriek zijn ingesteld zijn als volgt:
- Set-Point (waarde van de gewenste constante druk): SP = 3,0 bar / 43.5 psi.
- Verlaging van de druk voor herstart RP = 0,3 bar / 4.3 psi.
• Anticyclingfunctie: Uitgeschakeld.
Deze en andere parameters kunnen echter voor elke installatie op zich door de gebruiker worden ingesteld. Zie par. 4-5 voor de specificatie.

Voor de bepaling van de parameters SP en RP heeft de druk waarbij het systeem start de volgende waarde: Pstart = SP - RP Voorbeeld: 3,0 - 0,3 = 2,7 bar in de standaardconfigurati.
De installatie werkt niet wanneer het gebruikspunt zich op een hoogte bevindt groter dan het aantal meter waterkolom van Pstart (beschouw 1 bar = 10 m.c.a.): voor de defaultconfiguratie, indien het gebruikspunt zich op een hoogte bevindt van minstens 27 m boven de installatie, dan zal deze niet opstarten.
3.3 Vooraanzuiging
et vooraanzuiging van een pomp wordt de fase bedoeld gedurende wel-ke de machine probeert het huis en de aanzuigleiding te vullen met water. Als dit goed verloopt, kan de machine naar behoren functioneren. Nadat de pomp gevuld is (par. 2.2) en het apparaat geconfig-reerd (par. 3.2), kan de elektrische voeding worden aangesloten nadat er minstens één gebruikspunt op het persgedeelte is geopend.
De installatie start op en controleert of er water aanwezig is aan de perszijde.
De pomp is correct "aanzuigend" wanneer er een waterstroom wordt gedetecteerd aan de perszijde. Dit is typisch voor de installazione onder het waterniveau (par. 2.1). Het open gebruikspunt van de perszijde waaruit het gepompte water stroomt kan worden gesloten. Indien na 10 seconden er geen correct debiet werd gedetecteerd aan de perszijde, zal het systeem een droge werking signaleren (alarm BL). Bij de volgende manuele reset van de blokken (toetsen "+" en "-" start de aanzuigprocedure (typische installatiewijze boven het waterniveau par 2.1.
Het systeem kan max. 5 minuten werken met deze procedure voordat de beveiliging voor droge werking tussenkomt. De vooraanzuigtijd hangt af van diverse parameters, waarvan de diepte van het aan te zuigen water, de diameter van de aanzuigleiding, de waterdichtheid van de aanzuiglei-ding de meeste invloed hebben.
NEDERLANDS
Op voorwaarde dat een aanzuigleiding van minstens 1" wordt gebruikt en dat deze goed gedicht is (zonder openingen of samenvoegingen waaruit lucht kan ontsnappen), werd het systeem ontworpen om te kunnen aanzuigen in condities tot 8 m diepte, in minder dan 5 minuten. Wanneer het systeem een continu debiet detecteert aan de perszijde, zal de aanzuigprocedure worden afgesloten en vangt de normale werkzijde aan. Het open gebruikspunt waaruit het gepompte water loopt kan nu worden gesloten. Indien na 5 minuten het product nog niet werd aangezogen, zal het systeem een droge werking signaleren op het display. In dit geval moet u de voeding loskoppelen, 10 minuten wachten en de aanzuigprocedure herhalen.
Werking
Nadat de elektropomp vooraangezogen is, begint het systeem normaal te werken volgens de geconfigureerde parameters: hij start automatisch wan- neer de kraan wordt geopend, levert water met de ingestelde druk (SP), houdt de druk ook constant wanneer er andere kranen worden geopend, en stopt automatisch na de tijd T2 nadat de uitschakelomstandigheden zijn bereikt (T2 kan worden ingesteld door de gebruiker, fabriekswaarde 10 sec).
4. TOETSENBORD EN DISPLAY

Afb. 3: Uiterlijk van de gebruikersinterface
De gebruikersinterface bestaat uit een toetsenbord met LCD-scherm en led voor signalering POWER, COMMUNICATION, ALARM, zie Figuur 3.
Het display geeft de grootheden en de status-sen van het apparaat weer met indicaties omtrent de functionaliteit van de verschillende parameters. (Tabel 2).
| Met de MODE-toets is verplaatsing mogelijk over de diverse items binnen een menu. Door deze toets minstens 1 sec in te drukken verspringt het display naar het vorige menu-item. |
| Met de SET-toets kan het huidige menu worden afgesloten. |
| Verlaagt de huidige parameter (als een parameter wijzigbaar is). |
| Verhoogt de huidige parameter (als een parameter wijzigbaar is). |
Tabel 2: Functies van de toetsen
Door de toets “+” of de toets “-” lang in te drukken is automatische ver-hoging/verlaging van de geselecteerde parameter mogelijk. Nadat de toets “+” of de toets “-” 3 seconden lang is ingedrukt, neemt de snelheid van de automatische verhoging/verlaging toe.

Bij het indrukken van de toets “+” of de toets “-” wordt de gese-lecteerde grootheid gewijzigd en onmiddellijk opgeslagen in het permanente geheugen (EEprom). Als de machine in deze fase uitgeschakeld wordt, ook al gebeurt dit onopzettelijk, heeft dat geen verlies van de zojuist ingestelde parameter tot gevolg.
De SET-toets dient alleen om het huidige menu te verlaten en het is niet nodig de aangebrachte wijzigingen op te slaan. Alleen in bijzondere gevallen, die beschreven zijn in de volgende para-grafen, worden enkele grootheden toegepast bij het indrukken van "SET" of "MODE".
Signaleringsleds
• Power
Witte led. Led brandt vast wanneer de machine gevoed wordt. Knippert wanneer de machine uitgeschakeld is.
- Alarm
Rode led. Brandt vast wanneer de machine geblokkeerd is van-wege een fout.
De volledige structuur van alle menu's en alle items waaruit deze bestaan wordt weergegeven in Tabel 4.
NEDERLANDS
Het gewenste menu wordt rechtstreeks geopend door tegelijkertijd de toet-sencombinatie ingedrukt te houden gedurende de vereiste tijd (bijvoor-beeld MODE SET om het menu Setpoint te openen) en de verschillende menu-items kunnen worden doorlopen met de MODE-toets. Tabel 3 toont de menu's die bereikbaar zijn met de toetsencombinaties.
| NAAM VAN HET MENU | SNELTOETSEN INDRUKTIJD | |
| Gebruiker |  | | Bij het loslaten van de knop |
| Monitor |  | 2 Sec |
| Setpoint |  | 2 Sec |
| Handbedie-ning |  | 3 Sec |
| Instellingen |  | 3 Sec |
| Gevorderde instellingen |  | 3 Sec |
| Herstel van de fabriekswaarden |  | 2 Sec na inschakeling van het apparaat |
| Reset |  | 2 Sec |
Tabel 3: Toegang tot de menu's
| Hoofdmenu | Menu Gebruiker mode | Menu Monitor set-meno | Menù Setpoint mode-set | Menu Handbediening set-min-plus | Menu Instellingen set-min-plus | Menu Gevorderde instellingen mode-set-plus |
| MAIN (Hoofdpagina) | RS Toeren per minuut | CT Contrast | SP Setpointdruk | RI Snelheidsinstelling | RP Drukverlaging voor herstart | TB Blokkeringstijdwatergebrek |
| VP Druk | BK Achterverlichting | | VP Druk | OD Type installatie | T2 Vertraging uitschakeling |
| VF Weergave van de stroom | TK Inschakeltijd van de achtergrondverlichting | | VF Weergave van de stroom | MS Matenstelsel | GP Proportionele versterking. |
| PO Opgenomen vermogen door lijn | TE Temperatuur dissipator | | PO Opgenomen vermogen door lijn | FY Activering blokkering gepompt volume | GI Integrerende versterking |
| C1 Fasestroompomp | | | C1 Fasestroompomp | TY Activering blokkering pomptijd | RM Maximale snelheid |
| HO Teller aantal uren aangeschakeld | | | | FH Gepompt volume | AY Anti Cycling |
| HW Teller aantal bedrijfsuren | | | | TH Pomptijd | AE Blokkeringverhindering |
| NR Aantal starten | | | | | AF Antibevriezing |
| EN Meter opgenomen energie | | | | | FW Firmware update |
| ES Besparing | | | | | RF Reset fault & warning |
| FC Volumemeter gepompte vloeistof | | | | | |
| VE Informatie HW en SW | | | | | |
NEDERLANDS
| FFStoringen en waar-schuwingen(Geschiedenis) | | | | | |
Tabel 4 Structuur van de menu's
Bij aanschakeling verschijnt de hoofdpagina. De verschillende toetsencombinaties (zie par 4.1 Toegang tot menu's) zorgen voor de toegang tot de menu's van de machine. Het icoon van het menu dat is geopend verschijnt bovenaan op het scherm.
Op de hoofdpagina verschijnen altijd:
Staat: bedrijfstoestand (bv. standby, go, Fault)
Druk: waarde in [bar] of [psi] afhankelijk van het ingestelde matenstelsela.
Vermogen: waarde in [kW] van het vermogen dat wordt opgenomen door het apparaat. Als er zich een incident voordoet, kan het volgende verschijnen:
Storingsindicaties
Indicatie van de functies die aan de ingangen gekoppeld zijn
Specifieke pictogramme
De foutcondities worden aangegeven in Tabel 9. De andere weergaven worden vermeld in Tabel 5.
| Fout- en statuscondities die op de hoofdpagina worden weergegeven |
| Ide [GBDK] ato | Beschrijving |
| Motor in bedrijf |
| [K4DO] | Motor gestopt |
 | Motorstatus handmatig gedeactiveerd |
 | Aanwezigheid van een fout die aansturing van de elektropomp verhindert |
| EE | chrijven en opnieuw lezen op EEprom van de fabrieksinstellingen |
 | Waarschuwing wegens ontbreken voedingsspanning |
 | Aanzuiging |
Tabel 5: Status- en foutberichten op de hoofdpagina
De andere menupagina's variëren naargelang de functies die eraan gekop-peld zijn en worden achtereenvolgens beschreven naar type indicatie of instelling. Elke pagina van het menu vermeldt onderaan de druk van de installatie en de symbolen bovenaan vermelden het menu waarin men zich bevindt.

text_image
SP
2.6
bar
0 1 2 3 4 5 6 7 8
Afb. 4: Weergave van een menuparameter
Op de pagina's met parameters kunnen de volgende waarden verschijnen: numerieke waarden en meeteenheden van het actuele item, waarden van andere parameters die verbonden zijn met de actuele parameter, zie Afb. 4.
Op alle pagina's van het menu, met uitzondering van alle pagina's van het gebruikersmenu, is een functie actief die na 3 minuten na de laatste indrukking van een toets automatisch de hoofdpagina doet verschijnen.
4.3 Activering/deactivering van de motor
In normale bedrijfsomstandigheden heeft het indrukken en vervolgens los-laten van beide toetsen “+” en “-” blokkering/deblokkering van de motor tot gevolg (retentief ook na uitschakeling). Bij activering van een alarm zal de bovenstaande handeling dit alarm resetten. De uitgeschakelde motorstatus wordt aangetoond door de knipperende witte LED.
Dit commando kan vanaf elke menupagina worden geactiveerd, behalve RF.
NEDERLANDS
5. BETEKENIS VAN DE AFZONDERLIJKE PARAMETERS

De inverter laat het systeem op constante druk werken. Deze regeling wordt benut als de hydraulische installatie na het sys-teem naar behoren gedimensioneerd is. Installaties die zijn uit-gevoerd met leidingen met een te kleine doorsnede zorgen voor belastingverliezen die de apparatuur niet kan compenseren; het resultaat is dat de druk constant is op de sensoren maar niet op de gebruikspunten.

Installaties die te sterk vervormbaar zijn kunnen leiden tot schommelingen, als dit zich zou voordoen kan het probleem wor-den opgelost met behulp van de parameters "GP" en "GI" (zie par 5.6.3 - GP: proportionele versterkings-coëfficiënten 5.6.4 - GI: integrerende versterkingscoëfficiënt.
Door vanuit het hoofdmenu op de toets MODE te drukken (of door het selectiemenu te gebruiken door op "+" of "-" te drukken), wordt het MENU GEBRUIKER geopend. In het menu is het met de toets MODE mogelijk om door de diverse pagina's van het menu te scrollen. De weergegeven grootheden zijn als volgt.
5.1.1 RS: weergave van de draaisnelheid
Draaisnelheid die wordt aangedreven door de motor in rpm.
5.1.2 VP: weergave van de druk
Druk van de installatie gemeten in [bar] of [psi], al naargelang het gebrui-kte matenstelsel.
5.1.3 VF: weergave van de stroming
Geeft de momentane stroming weer in [liter/min] of [gal/min], al naargelang het ingestelde matenstelsel.
5.1.4 PO: weergave van het opgenomen vermogen
Vermogen dat wordt opgenomen door de elektropomp in [kW].
Indien het maximaal opgenomen vermogen wordt overschreden en de vermogensbeveiliging wordt ingeschakeld, zal het symbool van de parameter PO knipperen.
5.1.5 C1: weergave van de fasestroom
Fasestroom van de motor in [A].
Bij tijdelijke overschrijding van de maximale stroomsterkte zal het symbool C1 knipperen, wat duidt op een overbelasting van de motor en op het feit dat indien het systeem blijft doorwerken onder deze condities de beveiliging zal worden geactiveerd.
5.1.6 HO: Teller aantal uren aangeschakeld
Duidt het aantal uren aan dat het systeem elektrisch wordt gevoed. Elke 2 seconden verschijnt afwisselend de partiële en totale tellers van het aantal aangeschakelde uren. Naast de meeteenheid verschijnt een "T" bij weergave van de totale teller en een "P" bij weergave van de partiële teller. De partiële teller kan worden gereset door minstens 2 seconden de toets "-" in te drukken.
5.1.7 HW: Teller aantal bedrijfsuren van elektropomp
Duidt het aantal bedrijfsuren aan van de pomp. Elke 2 seconden verschijnt afwisselend de partiele en totale tellers van het aantal bedrijfsuren van de elektropomp. Naast de meeteenheid verschijnt een "T" bij weergave van de totale teller en een "P" bij weergave van de partiele teller. De partiele teller kan worden gereset door minstens 2 seconden de toets "-" in te drukken.
5.1.8 NR: Aantal starten
Duidt het aantal motorstarten aan.
5.1.9 EN: Meter opgenomen energie
Duidt de elektrische energie aan opgenomen van het net en uitgedrukt in kW. Elke 2 seconden verschijnt afwisselend de partiele en totale meters van de opgenomen energie. Naast de meeteenheid verschijnt een "T" bij weergave van de totale meter en een "P" bij weergave van de partiele meter. De partiele meter kan worden gereset door minstens 2 seconden de toets "-" in te drukken.
5.1.10 ES: Besparing
Duidt de percentuele besparing aan ten opzichte van dezelfde pomp bestuurd door een on/off systeem in plaats van een inverter. De berekende waarde kan worden gereset door indrukking van de toets “-” voor minstens 2 seconden.
5.1.11 FC: Volumemeter gepompte vloeistof
Duidt het volume aan van de vloeistof gepompt door het systeem. Elke 2 seconden verschijnt afwisselend de partiële en totale volumemeters van de vloeistof. Naast de meeteenheid verschijnt een "T" bij weergave van de totale meter en een "P" bij weergave van de partiële meter. De partiële meter kan worden gereset door minstens 2 seconden de toets "-" in te drukken.
5.1.12 VE: weergave van de versie
Versie van de hardware en software waarmee het apparaat is uitgerust.
NEDERLANDS
5.1.13 FF: weergave storingen en waaarschuwingen (geschiedenis)
Chronologische weergave van de storingen die zijn opgetreden tijdens de werking van het systeem. Onder het symbool FF verschijnen twee getallen x/y die respectievelijk de weergegeven storing (x) en het totale aantal aanwezige storingen (y) aangeven; rechts van deze getallen staat een aanwijzing omtrent het type weergegeven storing. De toetsen "+" en "-" verschuiven de lijst van storingen: door op de toets "-" te drukken gaat u achteruit in de geschiedenis tot aan de oudste aan-wezige storing, door op de toets "+" te drukken gaat u vooruit in de ge-schiedenis tot aan de meest recente storing. De storingen worden chronologisch weergegeven, vanaf de storing die het langst geleden is verschijnen (x=1) tot de meest recente storing (x=y). Er kunnen maximaal 64 storingen worden weergegeven; nadat dit aantal bereikt is, worden de oudste storingen overschreven. Dit menu-item geeft een lijst van storingen weer, maar maakt geen reset mogelijk. De reset kan enkel gebeuren via het specifieke commando RF in het MENU GEVORDERDE INSTELLINGEN. Noch een handmatige reset, noch een uitschakeling van het apparaat, noch herstel van de fabriekswaarden wist de storingengeschiedenis; dit gebeurt alleen met de hierboven beschreven procedure.
Door vanaf het hoofdmenu gelijktijdig gedurende 2 seconden de toetsen "SET" en "-" (min) in te drukken gaat u naar het MENU MONITOR. Door vanuit het menu op de toets MODE te drukken verschijnen achter-eenvolgens de volgende grootheden.
5.2.1 CT: contrast van het display
Regelt het contrast van het display.
5.2.2 BK: helderheid van het display
Regelt de achterverlichting van het display op een schaal van 0 tot 100.
5.2.3 TK: inschakeltijd achterverlichting
Stelt de inschakeltijd van de achterverlichting in na de laatste druk op een toets. Toegestane waarden: van 20 sec tot 10 min of 'altijd ingeschakeld'. Wanneer de achterverlichting permanent is aangeschakeld verschijnt het opschrift "ON" op het scherm. Wanneer de achterverlichting uit is, heeft de eerst druk op een willekeurige toets alleen tot gevolg dat de achterverlichting opnieuw wordt ingeschakeld.
5.2.4 TE: weergave dissipatortemperatuur
Houd vanuit het hoofdmenu de toetsen "MODE" en "SET" tegelijkertijd in-gedrukt totdat "SP" op het display verschijnt (of gebruik het selectiemenu door op "+" of "-" te drukken). De toetsen "+" en "-" maken het respectievelijk mogelijk de druk voor drukopbouw in de installatie te verhogen of te verlagen. Om het huidige menu af te sluiten en terug te keren naar het hoofdmenu, druk op SET. Het regelbereik is 1-5 bar (14-80 psi).
5.3.1 SP: instelling van de setpointdruk
Druk waarbij de installatie onder druk wordt gezet.

De herstartdruk van de pomp is behalve aan de ingestelde druk SP ook gebonden aan RP. RP drukt de drukverlaging uit ten opzichte van "SP", die de herstart van de pomp veroorzaakt.
Voorbeeld: SP = 3,0 [bar]; RP = 0,3 [bar];
Tijdens de normale werking wordt de druk in de installatie opgebouwd met 3,0 [bar].
De herstart van de elektropomp vindt plaats wanneer de druk onder 2,7 [bar] daalt.

Instelling van een te hoge druk (SP) ten opzichte van de pomp-prestaties kan valse fouten wegens watergebrek BL veroorzak-en; in dit geval moet de ingestelde druk worden verlaagd.
Let op: de instelling van bijzondere waarden van deze parameter in relatie tot het systeem kan bijdragen aan gevaarlijke situaties doordat het water in de pomp hoge temperaturen bereikt (zie Waarschuwingen van hoofdstuk 2).
5.4 Menu Handbediening

n de handbedieningsfunctie mag de som van de ingangsdruk en de maximaal leverbare druk niet groter zijn dan 6 bar.
Houd vanuit het hoofdmenu de toetsen "SET" en "+" en "-" tegelijkertijd ingedrukt totdat op het display de pagina van het menu Handbediening verschijnt (of gebruik het selectiemenu door op "+" of "-" te drukken). Met het menu kunnen diverse configuratieparametersworden weerge-geven en gewijzigd: met de toets MODE kan door de menupagina's wor-den gescrold, met de toetsen "+" en "-" kan de waarde van de betreffende parameter respectievelijk worden verhoogd en verlaagd. Om het huidige menu af te sluiten en terug te keren naar het hoofdmenu, druk op SET. Het openen van het handbedieningsmenu door indrukken van de toetsen "SET" "+" "-" brengt de machine in een geforceerde STOP-conditie. Deze functie kan worden gebruikt om stopzetting van de machine af te dwingen. In de handbedieningsmodus is het, ongeacht de weergegeven parameter, mogelijk de volgende opdrachten uit te voeren:
NEDERLANDS
- Tijdelijke start van de elektropomp.
- Permanente start van de pomp.
- Wijziging van het toerental in de manuele modus.
Gelijktijdig indrukken van de toetsen MODE en “+” heeft tot gevolg dat de pomp start op de snelheid RI en het bedrijf duurt zolang de twee toetsen ingedrukt blijven. Wanneer de opdracht pomp AAN of pomp UIT wordt ge-geven, wordt dit gecommuniceerd op het display.
Start van de pomp
Gelijktijdig indrukken van de toetsen "MODE" "-" "+" gedurende 2 sec veroorzaakt het starten van de pomp op de snelheid RI. Het bedrijf duurt totdat de toets SET wordt ingedrukt. Opnieuw indrukken van SET heeft afsluiting van het handbedieningsmenu tot gevolg.
Wanneer de opdracht pomp AAN of pomp UIT wordt gegeven, wordt dit gecommuniceerd op het display.
Bij werking in deze modaliteit voor langer dan 5' zonder debiet zal de machine halt houden en wordt een alarm PH gegenereerd. Nadat de fout PH verdwenen is, zal de reset uitsluitend op automatische wijze plaatsvinden. De resettijd is 15'; als de fout PH meer dan 6 maal achtereen optreedt, neemt de resettijd toe tot 1 uur. Na de reset die volgt op deze fout, blijft de pomp in stop totdat de gebruiker hem start met de toetsen "MODE" "-" "+".

Let op: het gebruik van deze werkingswijze kan bijdragen aan gevaarlijke situaties doordat het water in de pomp hoge temperaturen bereikt (zie Waarschuwingen van hoofdstuk 2).
5.4.1 RI: snelheidsinstelling
Stelt de motorsnelheid in in tpm. Hiermee wordt het toerental op een voor-ingestelde waarde geforceerd.
Indien het uitgevoerde toerental verschilt van het ingestelde toerental "RI" zal afwisselend het ingestelde en uitgevoerde toerental worden weergegeven. Bij weergave van het uitgevoerde toerental verschijnt de letter "A" naast de meeteenheid. Bij elke indrukking van "+" of "-" voor wijziging van het RI, zal automatisch het ingestelde toerental verschijnen.
5.4.2 VP: weergave van de druk
Druk van de installatie gemeten in [bar] of [psi], al naargelang het gebrui-kte matenstelsel.
5.4.3 VF: weergave van de stroming
Geeft de stroming weer in de gekozen meeteenheid. De meeteenheid kan [l/min] of [gal/min] zijn, zie par. 5.5.3 - MS: Matenstelsel.
5.4.4 PO: weergave van het opgenomen vermogen
Vermogen dat wordt opgenomen door de elektropomp in [kW].
Indien het maximaal opgenomen vermogen wordt overschreden en de vermogensbeveiliging wordt ingeschakeld, zal het symbool van de parameter PO knipperen.
5.4.5 C1: weergave van de fasestroom
Fasestroom van de motor in [A].
Bij tijdelijke overschrijding van de maximale stroomsterkte zal het symbool C1 knipperen, wat duidt op een overbelasting van de motor en op het feit dat indien het systeem blijft doorwerken onder deze condities de beveiliging zal worden geactiveerd.
Druk in het hoofdmenu gelijktijdig op de toetsen "MODE" & "SET" & "-" totdat de eerste parameter van het menu instellingen verschijnt op het scherm.
Met het menu kunnen diverse configuratieparametersworden weergegeven en gewijzigd: met de toets MODE kan door de menupa-gina's worden gescrold, met de toetsen "+" en "-" kan de waarde van de betreffende parameter respectievelijk worden verhoogd en verlaagd. Om het huidige menu af te sluiten en terug te keren naar het hoofdmenu, druk op SET.
5.5.1 RP: instelling van de drukverlaging voor herstart
Drukt de drukverlaging ten opzichte van de SP-waarde uit die herstart van de pomp veroorzaakt. Als de setpointdruk bijvoorbeeld 3,0 [bar] bedraagt en RP is 0,5 [bar], vindt de herstart plaats bij 2,5 [bar]. RP kan worden ingesteld van een minimum van 0,1 tot een maximum van 1,5 [bar]. In bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld bij een setpoint dat lager is dan RP zelf) kan hij automatisch worden beperkt.

Let op: de instelling van bijzondere waarden van deze parameter in relatie tot het systeem kan bijdragen aan gevaarlijke situaties doordat het water in de pomp hoge temperaturen bereikt (zie Waarschuwingen van hoofdstuk 2).
5.5.2 OD: type installatie
Mogelijke waarden zijn "R" en "E", hetgeen staat voor een starre of een elast-ische installatie. Bij het verlaten van de fabriek is de waarde "R" ingesteld, die geschikt is voor de meeste installaties. Als er sprake is van drukschommelingen die niet gestabiliseerd kunnen worden aan de hand van de parameters GI en GP, moet de waarde 2 worden ingesteld.
NEDERLANDS
BELANGRIJK: in de twee configuratiesveranderen ook de waarden van de regelparameters GP en GI. Daarnaast zijn de waarden van GP en GI die zijn ingesteld in modus 1 ondergebracht in een ander geheugen dan de waarden van GP en GI die zijn ingesteld in modus 2. De waarde van GP in modus 1 wordt derhalve bij overgang naar modus 2 vervangen door de waarde van GP in modus 2, maar wordt bewaard en kan worden teruggevonden bij terugkeer in modus 1. Een zelfde waarde die te zien is op het display heeft een ander gewicht in de ene of de andere modus, aangezien het controle-algoritme verschilt.
5.5.3 MS: matenstelsel
Hiermee wordt het matenstelsel van de meeteenheden ingesteld, te weten het internationale of het Britse stelsel. De weergegeven grootheden wor-den weergegeven in Tabel 6.
OPMERKING: De stroming in Britse meeteenheden (gal/ min) wordt uitgedrukt met een conversiefactor van 1 gal = 4,0 liter, hetgeen over-eenkomt met een metrische gallon.
| Weergegeven meeteenheden |
| Grootheid | Meeteenheid internationaal | Meeteenheid Brits |
| Druck | bar | |
| Temperatuur | °C | |
| Flusso | lpm | |
Tabel 6: Matenstelsel meeteenheden
Activeert de blokkering van het volume van de gepompte vloeistof FH.
5.5.5 TY: Activering blokkering pomptijd
Activeert de blokkering van de effectieve pomptijd TH.
5.5.6 TY: FH: Gepompt volume
Voor instelling van het volume gepompte vloeistof waarna het systeem stopt met werken. Indien de functie is ingesteld (parameter FY), zie par 5.5.4, meet de inverter het volume gepompte vloeistof en bij het bereiken van de waarde FH ingesteld door de gebruiker wordt de pomp uitgeschakeld. Het systeem blijft geblokkeerd tot aan een manuele reset. Reset kan gebeuren vanaf alle pagina's van het menu door gelijktijdige indrukking en daarop volgende loslating van de toetsen "+" en "-" . De status van de teller en van de blokkering worden opgeslagen en behouden na uitschakeling en terug aanschakeling. Bij activering van de "blokkering gepompt volume" verschijnt de bijbehorende teller op de hoofdpagina, die vertrekkende vanaf de ingestelde waarde aftelt tot 0. Wanneer de teller de waarde nul bereikt, zal het systeem halt houden en begint de teller te knipperen. De telling begint vanaf het ogenblik van activering van FY of vanaf de laatste instelling van FH, of vanaf de reset van de blokkering met de toetsen "+" en "-" . De geactiveerde blokkering wordt niet geregistreerd in de foutenwachtrij. FH kan worden ingesteld op een waarde gelegen tussen 10 liter (2,5 gal) en 32000 liter (8000 gal).
5.5.7 TH: Pomptijd
Voor instelling van de pomptijd waarna het systeem stopt met werken. Indien de functie is ingesteld (parameter TY), zie par 5.5.6, meet de inverter de werktijd van de pomp en bij het bereiken van de waarde TH ingesteld door de gebruiker wordt de pomp uitgeschakeld. Het systeem blijft geblokkeerd tot aan een manuele reset. Reset kan gebeuren vanaf alle pagina's van het menu door gelijktijdige indrukking en daarop volgende loslating van de toetsen "+" en "-". De status van de teller en van de blokkering worden opgeslagen en behouden na uitschakeling en terug aanschakeling. Bij activering van de "blokkering pomptijd" verschijnt de bijbehorende teller op de hoofdpagina, die vertrekkende vanaf de ingestelde waarde aftelt tot 0. Wanneer de teller de waarde nul bereikt, zal het systeem halt houden en begint de teller te knipperen. De telling begint vanaf het ogenblik van activering van TY of vanaf de laatste instelling van TH, of vanaf de reset van de blokkering met de toetsen "+" en "-". De geactiveerde blokkering wordt niet geregistreerd in de foutenwachtrij. TH kan worden ingesteld op een waarde gelegen tussen 10 seconden en 9 h.
Geavanceerde instellingen die alleen mogen worden verricht door gespe-cialiseerd personeel of onder direct toezicht van het assistentienetwerk. Houd vanuit het hoofdmenu de toetsen "MODE" en "SET" en "+" tegeli-jkertijd ingedrukt totdat "TB" op het display verschijnt (of gebruik het se-lectiemenu door op "+" of "-" te drukken). Met het menu kunnen diverse configuratieparametersworden weergegeven en gewijzigd: met de toets MODE kan door de menupagina's worden gescrold, met de toetsen "+" en "-" kan de waarde van de betreffende parameter respectievelijk worden verhoogd en verlaagd. Om het huidige menu af te sluiten en terug te keren naar het hoofdmenu, druk op SET.
5.6.1 TB: blokkeertijd wegens watergebrek
De instelling van de reactietijd van de blokkering wegens watergebrek maakt het mogelijk de tijd (in seconden) te selecteren die het apparaat gebruikt om het watergebrek te signaleren. Verandering van deze parameter kan nuttig zijn als er een vertraging bek-end is tussen het moment waarop de motor ingeschakeld wordt en het moment waarop de afgifte start. Een voorbeeld hiervan is een installatie waarin de aanzuigleiding buitengewoon lang is en een klein lek bevat. In dit geval kan het gebeuren dat de leiding in kwestie leegraakt, ook als het water niet ontbreekt, de elektropomp enige tijd nodig heeft om zich weer te vullen, de waterstroom te leveren en druk op de installatie te veroorzaken.
NEDERLANDS
5.6.2 T2: ertraging bij uitschakeling
Stelt de vertraging in waarmee de inverter moet worden uitgeschakeld vanaf het moment waarop de omstandigheden voor uitschakeling zijn bereikt: druk in de installatie en stroming lager dan de minimumstroming. T2 kan worden ingesteld tussen 2 en 120 s. De fabrieksinstelling is 10 s.

Let op: de instelling van bijzondere waarden van deze parameter in relatie tot het systeem kan bijdragen aan gevaarlijke situaties doordat het water in de pomp hoge temperaturen bereikt (zie Waarschuwingen van hoofdstuk 2).
5.6.3 GP: proportionele versterkingscoëfficiën
De proportionele waarde moet in het algemeen worden verhoogd voor systemen met elasticiteit (bijvoorbeeld met buizen van PVC) en worden verlaagd voor starre installaties (bijvoorbeeld met ijzeren buizen). Om de druk in de installatie constant te houden, voert de inverter een controle van het type PI uit op de gemeten drukfout. Afhankelijk van deze fout berekent de inverter het vermogen dat aan de motor moet worden geleverd. Het gedrag van deze controle hangt af van de parameters GP en GI die zijn ingesteld. Om tegemoet te komen aan de diverse gedrag-swijzen van verschillende types hydraulische installaties waarop het sys-teem kan werken, maakt de inverter het mogelijk andere parameters te selecteren dan in de fabriek zijn ingesteld. Voor bijna alle installaties zijn de fabriekinstellingen voor de parameters GP en GI optimaal. Als er zich problemen voordoen in de regeling, is het mogelijk deze instellingen aan te passen.

Let op: de instelling van bijzondere waarden van deze parameter in relatie tot het systeem kan bijdragen aan gevaarlijke situaties doordat het water in de pomp hoge temperaturen bereikt (zie Waarschuwingen van hoofdstuk 2).
5.6.4 Gl: integrerende versterkingscoëfficiën
Als er sprake is van grote drukvallen wanneer de stroming plotseling ver-hoogd wordt, of een langzame reactie van het systeem, moet de waarde van GI worden verhoogd. Als er zich daarentegen drukschommelingen rondom het setpoint voordoen, moet de waarde van GI worden verlaagd.

Let op: de instelling van bijzondere waarden van deze parameter in relatie tot het systeem kan bijdragen aan gevaarlijke situaties doordat het water in de pomp hoge temperaturen bereikt (zie Waarschuwingen van hoofdstuk 2).
BELANGRIJK: voor bevredigende drukregelingen moeten normaal gesproken zowel GP als GI worden aangepast.
5.6.5 RM: maximale snelheid
Hiermee wordt een maximumgrens ingesteld voor het aantal omwentelin-gen van de pomp.
ComeZoals beschreven in paragraaf 9 dient deze functie om veelvuldige in- en uitschakelingen te voorkomen in het geval van lekken in de instal-latie. De functie kan op 2 verschillende manieren worden geactiveerd: nor-maal en smart. In de normale modus blokkeert de elektronische besturing de motor na N identieke start/stopcycli. In de smartmodus daarentegen werkt hij op de parameter RP om de negatieve effecten van lekken te verminderen. Als de functie wordt ingesteld op "Gedeactiveerd", grijpt hij niet in.
5.6.7 AE: activering blokkeringverhindering
Deze functie dient om mechanische blokkeringen te voorkomen in het geval van langdurige inactiviteit; hij werkt door de pomp periodiek te laten draaien. Wanneer de functie geactiveerd is, voert de pomp elke 23 uur een cyclus die blokkering voorkomt uit met een duur van 1 min.
5.6.8 AF: activering antibevriezingsfunctie
Als deze functie geactiveerd is, wordt de pomp automatisch aan het draaien gebracht wanneer de temperatuur in de buurt van het vriespunt komt, om te voorkomen dat de pomp zelf kapot gaat.
5.7 RF: reset van storingen en waarschuwingen
Door de toets “-” minstens 2 seconden in te drukken wordt de chronologie van storingen en waarschuwingen gewist. Onder het sym-bool RF wordt het aantal storingen weergegeven dat aanwezig is in de geschiedenis (max. 64). De geschiedenis kan worden bekeken vanuit het menu MONITOR op de pagina FF.
6. VEILIGHEIDSSYSTEMEN
Het apparaat is voorzien van veiligheidssystemen die erop gericht zijn de pomp, motor, voedingslijn en inverter te beschermen. Als er één of meer beveiligingen worden geactiveerd, wordt de beveiliging met de hoogste prioriteit onmiddellijk gesignaleerd op het display. Afhankelijk van het type fout kan de motor stoppen, maar wanneer de normale omstandigheden zijn hersteld, kan de foutstatus onmiddellijke automatisch worden opge-heven, of na een bepaalde tijd na een automatische terugstelling. In het geval van blokkering door watergebrek (BL), blokkering door over-stroom van de motor (OC), blokkering door directe kortsluiting tussen de motorfasen (SC), kan worden geprobeerd de foutconditie handmatig te verlaten door tegelijkertijd op de toetsen “+” en “-” te drukken en hen los te laten. Als de foutconditie aanhoudt, moet de oorzaak van de storing worden opgeheven. Bij een blokkering vanwege een van de interne fouten E18, E19, E20, E21 moet 15 minuten worden gewacht terwijl het apparaat wordt gevoed, zodat de geblokkeerde toestand automatisch kan worden opgelost.
NEDERLANDS
| Alarm in de storingengeschiedenis |
| Indicatie op display | Beschrijving |
| PD Onjuiste uitschakeling | |
| FA Problemen in het koelsysteem |
Tabel 7: Alarmen
| Blokkeercondities |
| Indicatie op display Beschrijving |
| PH | Blokkering door te lange werking zonder debiet |
| BL | Blokkering wegens watergebrek |
| BP1 | Blokkering wegens leesfout op druksensor perszijde |
| PB | Blokkering wegens voedingsspanning buiten grenzen |
| OT | Blokkering wegens oververhitting van vermogensstadia |
| OC | Blokkering wegens overstroom in de motor |
| SC | Blokkering wegens kortsluiting tussen de motorfasen |
| ESC | Blokkering wegens kortsluiting naar aarde |
| HL | Warme vloeistof |
| NC | Blokkering wegens afgekoppelde motor |
| EI | Blokkering wegens de i-nde interne fout |
| VI | Blokkering wegens i-nde interne spanning buiten tolerantie |
| EY | Blokkering wegens abnormale cycling die is waargenomen in het systeem |
Tabel 8: Aanduiding van de blokkeringen
6.1 Beschrijving van de blokkeringen
6.1.1 "BL" Anti Dry-Run (beveiliging tegen droog lopen)
In situaties zonder water wordt de pomp automatisch gestopt na de tijd TB. Dit wordt aangegeven door de rode led "Alarm" en het opschrift "BL" op het display. Nadat de juiste watertoevoer is hersteld, kan worden geprobeerd om de veiligheidsblokkering handmatig op te heffen door tegelijkertijd op de toet-sen "+" en "-" te drukken en hen vervolgens los te laten. Als de alarmstatus aanhoudt, d.w.z. de gebruiker grijpt niet in om de wa-tertoevoer te herstellen en de pomp te resetten, probeert de automatische herstart de pomp weer te starten.

Als de parameter SP niet goed is ingesteld, kan de beveiliging wegens watergebrek wellicht niet goed functioneren.
6.1.2 Anticycling (beveiliging tegen continu in- en uitschakelen zonder vraag van de gebruikspunten)
Als er lekken zijn in het persgedeelte van de installatie start en stopt het systeem ook veelvuldig als er niet bewust water wordt afgetapt: zelfs een klein lek (enkele ml) veroorzaakt een drukdaling die op zijn beurt het start-en van de elektropomp teweegbrengt. De elektronische besturing van het systeem is in staat de aanwezigheid van het lek te detecteren op basis van de regelmaat. De anticycling-functie kan uitgesloten of geactiveerd worden in de modus Basic of Smart (par. 5.6.6). De modus Basic voorziet dat wanneer de con-ditie van veelvuldig starten en stoppen wordt gedetecteerd, de pomp stopt en in afwachting blijft van een handbediende reset. Deze conditie wordt meegedeeld aan de gebruiker doordat de rode led "Alarm" gaat branden en de tekst "ANTICYCLING" op het display verschijnt. Nadat het lek ver-holpen is, kan de herstart met de hand worden geforceerd door de toetsen "+" en "-" tegelijkertijd in te drukken en los te laten. De modus Smart werkt zodanig dat als er een situatie met lek wordt geconstateerd, de parameter RP wordt verhoogd om het aantal inschakelingen in de tijd te verlagen.
6.1.3 Anti-Freeze (beveiliging tegen bevriezing van het water in het systeem)
Als water van vloeistof overgaat in vaste toestand, neemt het toe in vol-ume. Daarom moet worden vermeden dat het systeem vol water blijft bij temperaturen rond het vriespunt, om breuk van het systeem te voorkomen. Om deze reden wordt geadviseerd elke elektropomp te legen wanneer hij niet gebruikt wordt tijdens de winter. Dit systeem is echter beveiligd te-gen ijsvorming in het systeem doordat de elektropomp wordt aangedreven in het geval dat de temperatuur onder waarden vlak boven het vriespunt daalt. Op deze manier wordt het water in het systeem verwarmd en bev-riezing voorkomen.

De Anti-Freeze-beveiliging functioneert alleen als het systeem normaal wordt gevoed: als de stekker uit het stopcontact is ge-haald of als er geen stroom is, kan de beveiliging niet werken. Het is echter raadzaam het systeem niet gevuld te laten tijdens lange periodes van inactiviteit: tap het systeem zorgvuldig af via de afvoerdop (afb 1 - Vlak E) en berg het op een beschermde plek op.
6.1.4 "BP1" Blokkering wegens defect in de druksensor op de perszijde (drukopbouw installatie)
Als het apparaat een afwijking vaststelt op de druksensor aan de perszijde blijft de pomp geblokkeerd en wordt de fout "BP1" gesignaleerd. Deze toestand begint zodra het probleem wordt vastgesteld en eindigt automa-tisch wanneer de juiste omstandigheden terugkeren.
6.1.5 "PB" Blokkering wegens voedingsspanning buiten grenzen
Deze treedt in werking wanneer de lijnspanning op de voedingsklem een waarde krijgt die buiten de toegestane grenzen ligt. Het herstel vindt alleen automatisch plaats wanneer de spanning op de klem terugkeert binnen de toegestane waardeni.
NEDERLANDS
6.1.6 "SC" Blokkering wegens kortsluiting tussen de motorfasen
Het apparaat is voorzien van een beveiliging tegen directe kortsluiting die kan optreden tussen de fasen van de motor. Wanneer deze blokkering-stoestand wordt gesignaleerd, kan men proberen de werking te herstellen door tegelijkertijd de toetsen "+" en "-" in te drukken; dit heeft echter pas effect nadat er 10 seconden zijn verstreken na het moment dat de kortsluit-ing is opgetreden.
6.2 Handmatige reset van foutcondities
Bij een fouttoestand kan de gebruiker de fout annuleren door een nieuwe poging te forceren door de toetsen "+" en "-" tegelijkertijd in te drukken.
6.3 Automatisch herstel van foutcondities
Voor sommige storingen en blokkeringen voert het systeem pogingen uit tot automatisch herstel. Het automatische herstel betreft in het bijzonder:
"BL" Blokkering wegens watergebrek
"PB" Blokkering wegens voedingsspanning buiten grenzen
"OT" Blokkering wegens oververhitting van vermogensstadia
"OC" Blokkering wegens overstroom in de motor
"BP" Blokkering wegens een storing op de druksensor
Als het systeem bijvoorbeeld geblokkeerd raakt door watertekort, begint het apparaat automatisch een testprocedure om na te gaan of de machine ook werkelijk definitiefen permanent drooggelopen is. Als tijdens deze reeks handelingen een herstelpoging succes heeft (bijvoorbeeld als het water is teruggekeerd), wordt de procedure gestopt en keert de normale werking terug. Tabel 9 toont de reeksen handelingen die door het apparaat worden uitge-voerd voor de diverse types blokkeringen.
| Automatisch herstel van foutcondities |
| Indicatie op display | Beschrijving Handelingen voor automatisch herstel |
| BL Blokkering wegens watergebrek - Een poging om de 10 minuten, in totaal 6 pogingen.- Een poging per uur, in totaal 24 pogingen.- Een poging per 24 uur, in totaal 30 pogingen. |
| PB | Blokkering wegens voedingsspanning buiten grenzen | Wordt hersteld wanneer de spanning weer binnen de toegestane grenzen ligt. |
| OT | Blokkering wegens oververhitting van vermogensstadia | Wordt hersteld wanneer de temperat- uur van de voedingsklemmen terug- keert binnen de toegestane grenzen. |
| OC | Blokkering wegens overstroom in de motor | - Een poging om de 10 minuten, in totaal 6 pogingen.- Een poging per uur, in totaal 24 pogingen.- Een poging per 24 uur, in totaal 30 pogingen. |
Tabel 9: Automatisch herstel van de blokkeringen
7. RESET EN FABRIEKSINSTELLINGEN
7.1 Algemene reset van het systeem
Voor een reset van het systeem moeten de 4 toetsen tegelijkertijd 2 sec worden ingedrukt. Dit staat gelijk aan het afkoppelen van de voeding, wachten tot het systeem helemaal uitgeschakeld is en de voeding opnieuw inschakelen. De reset wist niet de door de gebruiker opgeslagen instel-lingen.
7.2 Fabrieksinstellingen
7.2 - FabrieksinstellingenBij het verlaten van de fabriek is op het apparaat een serie parameters vooringesteld die de gebruiker naar behoefte kan veranderen. Elke veran-dering van de instellingen wordt automatisch in het geheugen opgeslagen en desgewenst is het altijd mogelijk de fabrieksinstellingen terug te halen (zie par. 7.3 - Herstel van de fabrieksinstellingen).
7.3 Herstel van de fabrieksinstellingen
Om de fabriekswaarden te herstellen moet het apparaat worden uitge-schakeld, moet worden gewacht tot het display eventueel helemaal uitge-schakeld is, moeten de toetsen "SET" en "+" ingedrukt gehouden worden en de voeding worden ingeschakeld; laat de twee toetsen pas los wanneer "EE" wordt weergegeven. In dit geval worden de fabrieksinstellingen her-steld (schrijven en opnieuw lezen op EEPROM van de fabrieksinstellingen die permanent zijn opgeslagen in het FLASH-geheugen). Nadat alle parameters zijn ingesteld, keert het apparaat terug naar de nor-male werking.
NEDERLANDS
OPMERKING: als de fabriekswaarden zijn hersteld moeten alle param-eters die kenmerkend zijn voor de installatie opnieuw worden ingesteld (versterkingen, setpointdruk enz.) zoals bij de eerst installatie.
| Fabrieksinstellingen |
| Identificator | Beschrijving | Waarde | Geheugensteun installatie |
| CT | Contrast 15 | | |
| BK | Achterverlichting 85 | | |
| TK T. aanschakeling achterverlichting 2 min | | |
| SP | Setpointdruk [bar] 3,0 | | |
| RI Toeren per minuut in hand-bediening [tpm] 4000 | | |
| OD Type installatie R (Star) | |
| RP | Drukverlaging voor herstart [bar] | 0,5 | |
| MS | Matenstelsel | I (Internationaal) | |
| FY Aanschakeling limiet FH OFF | |
| TY | Aanschakeling limiet TH | OFF | |
| FH | Limiet door gepompt volume | 100 [l]25 [gal] | |
| TH | Limiet door pomptijd | 10 min | |
| TB | Vertraging lage druk [s] | 10 | |
| T2 | Proportionele versterkingscoëfficiën | 10 | |
| GP | Integrerende versterkingscoëfficiën | 0,5 | |
| GI | Integrerende versterkingscoëfficiënt | 1,2 | |
| RM | Maximale snelheid [rpm] | 7000 | |
| AY | Anticyclingfunctie AY | SMART | |
| AE | Functie blokkeringverhin-dering | ON(Geactiveerd) | |
| AF | Antibevriezing | ON(Geactiveerd) | |
Tabel 10: Fabrieksinstellingen
8. BIJZONDERE INSTALLATIES
8.1 - e18
Het product wordt gebouwd en geleverd met de mogelijkheid tot zelfaan-zuiging. Onder verwijzing naar par. 4, is het systeem in staat vóór aan te zuigen en dus te functioneren in elke gekozen installatieconfiguratie:onder waterniveau of boven waterniveau. Er bestaan echter gevallen waarin de zelfaanzuigingsmogelijkheid niet noodzakelijk is of er bestaan gebieden waar het verboden is zelfaanzuigende pompen te gebruiken. Tijdens het vooraanzuigen dwingt de pomp een deel van het water waar al druk op staat terug te keren naar het aanzuiggedeelte, totdat er een drukwaarde op het persgedeelte wordt bereikt waardoor het systeem gevuld geacht wordt. Op dit punt gaat het recirculatiekanaal automatisch dicht. Deze fase wordt bij elke inschakeling herhaald, ook als de pomp al vooraangezo-gen is, totdat de drukwaarde voor sluiting van het recirculatiekanaal wordt bereikt (ongeveer 1 bar). Waar het water arriveert bij de aanzuiging van het systeem die al onder druk staat of als de installatie altijd hoe dan ook onder waterniveau is, is het mogelijk (verplicht indien voorgeschreven door lokale verordeningen) de sluiting van de recirculatieleiding te forceren waardoor de zelfaanzuigingsmogelijkheid verloren gaat. Zodoende heeft men het voordeel dat er geen klikgeluid van de sluiter van de leiding te horen is bij elke inschakeling van het systeem. Volg onderstaande stappen om de sluiting van de zelfaanzuigende leiding te forceren:
- koppel de elektrische voeding af;
- maak het systeem leeg;
- verwijder hoe dan ook de afvoerdop, maar let op dat de O-Ring niet valt (Afb.5);
- haal de sluiter van zijn plaats met behulp van een tang. De sluiter wordt weggehaald samen met de O-ring en de metalen voor waar-mee hij is geassembleerd;
- verwijder de veer van de sluiter; breng de sluiter weer op zijn plaats aan met de bijbehorende O-ring (zijde met de afdichting naar de bin-nenkant van de pomp, steel met kruislingse vleugels naar buiten);
-
schroef de dop vast na de metalen veer erin te hebben geplaatst, zodat hij vastzit tussen de dop en de kruislingse vleugels van de slui-tersteel. Zorg er bij het terugplaatsen van de dop voor dat de bijbe-horende O-ring altijd goed op zijn plaats zit;
-
ul de pomp, sluit de elektrische voeding aan en start het systeem.

Indien het systeem wordt gemonteerd op een installatie raden wij aan de afsluiting van de zelfaanzuigende leiding op te leggen bij het eerste gebruik, of hoe dan ook voordat het systeem op de installatie wordt aangesloten. Volg de hoger vermelde puntjes van 3 tot 7 met een losgekoppelde elektrische voeding (par 8.1).
NEDERLANDS

Afb. 5
9. ONDERHOUD

Alvorens welke ingreep dan ook te beginnen op het systeem moet de elektrische voeding worden uitgeschakeld.
De enige voorziene gewone onderhoudsinterventie is de schoonmaak van de geïntegreerde filter (§ 9.2).
Bovendien worden de instructies vermeld voor de buitengewone onderhoudsinterventies vereist in bijzondere omstandigheden (bv. Ledigen van het systeem voor opberging tijdens rustperiode).
9.1 Meegeleverd gereedschap
Samen met het product levert DAB u een specifiek accessoire voor demontage van de vul- en ontluchtingsdoppen.

9.2 Schoonmaak van de geïntegreerde filter
Voor de correcte werking van het systeem en om de vermelde prestaties te garanderen moet u de verstopping van de filter vermijden. Controleer regelmatig visueel de staat van het filterpatroon op het doorschijnende deksel en maak dit als volgt schoon indien nodig:
- Koppel de elektrische voeding los en wacht 10 minuten.
- Sluit bij installatie van het systeem onder het waterniveau het afsluitventiel op de aanzuigzijde.
- Draai de vuldop handmatig of met behulp van het bijgeleverde gereedschap los.
- Verwijder het patroon zonder het te draaien: op deze wijze komt ook de opvangbeker vrij.
- Ledig de beker en was het patroon onder stromend water.
- Plaats het patroon terug in de zitting: let op dat de beker correct bevestigd zit met de bajonetaansluiting.
- Draai de vuldop volledig vast tot aan de aanslag.
Indien het systeem terug wordt gebruikt - en niet wordt opgeborgen - moet de correcte aanzuiging van de pomp worden gegarandeerd en de vulfase (par.2.2) en aanzuigfase (par.3.3) worden herhaald, best alvorens puntje 7 uit te voeren, indien het systeem werd geïnstalleerd boven het waterniveau.

9.2 Legen van het systeem
Als men het water dat in het systeem aanwezig is wil aftappen, moet als volgt worden gewerkt:
- Koppel de elektrische voeding los en wacht 10 minuten.
- Indien het systeem is gemonteerd op een installatie: onderbreek de aanzuigleiding zo dicht mogelijk bij het systeem (wij raden aan steeds een afsluitventiel te monteren onmiddellijk voor het systeem) zodat niet ook de volledige aanzuiginstallatie wordt geledigd.
-
Indien het systeem is gemonteerd op een installatie: open de dichtstbijgelegen perskraan zodat de druk van de installatie wordt afgelaten en ledig de installatie zoveel mogelijk.
-
Indien het systeem is gemonteerd op een installatie: indien een afsluitventiel werd voorzien achter de installatie (wat steeds wordt aanbevolen) moet deze worden gesloten zodat het water aanwezig tussen het pompsysteem en de eerste kraan niet kan afvloeien.
-
Koppel de pomp los van de installatie.
-
Verwijder de afvoerdop (4-Afb.1) en laat het aanwezige water afvloeien.
-
Draai de afvoerdop terug vast en zorg ervoor dat de O-Ring correct in de zitting zit.
-
Het water dat vast zit tussen de persinstallatie achter de antihevelklep geïntegreerd in het systeem kan enkel afvloeien op het ogenblik dat het systeem zelf wordt losgekoppeld.

Pur Hoewel het systeem in feite leeg blijft, kan het niet al het water dat het bevat naar buiten drijven. Tijdens de manipulatie van het systeem na het legen, is het waarschijnlijk dat er kleine hoeveelheden naar buiten kunnen komen uit het systeem zelf.
Wij bevelen steeds het gebruik aan van een driedelige koppeling, zowel op de aanzuigzijde als perszijde, om het puntje 5 te vereenvoudigen.
9.3 Terugslagklep
Het systeem heeft een geïntegreerde terugslagklep die noodzakelijk is voor de juiste werking. De aanwezigheid van vaste voorwerpen of zand in het water kan slechte werking van de klep en daardoor van het systeem tot gevolg hebben. Ondanks onze aanbeveling om enkel schoon water te pompen en de aanwezigheid van een filter aan de ingang, kan bij een abnormale werking van de antihevelklep deze als volgt worden verwijderd en schoongemaakt en/of vervangen:
NEDERLANDS
- Ledig het systeem door de puntjes van 1 tot 6 uit paragraaf 9.3 te volgen;
- Draai de ontluchtingsdop volledig vast: indien het patroon nog niet volledig in de zitting zat, zal hij tijdens het vastdraaien correct worden gepositioneerd (Afb.8);
- haal met behulp van een tang de patroon van de terugslagklep, zonder hem te draaien, door hem vast te pakken aan de speciaal hiervoor aangebrachte brug (Afb. 8): hiervoor kan een zekere kracht nodig zijn;
- maak de klep schoon onder stromend water, ga na of hij niet besch-adigd is en vervang hem eventueel;
- plaats de complete patroon vervolgens opnieuw in zijn zitting: dit ver-eist de kracht die nodig is om de 2 O-ringen (Afb. 8);
- Draai de ontluchtingsdop volledig vast: indien het patroon nog niet volledig in de zitting zat, zal hij tijdens het vastdraaien correct worden gepositioneerd (Afb.8).

Indien de antihevelklep wordt verwijderd, wordt de persleiding geledigd.

Als bij het onderhoud op de terugslagklep een of meer O-ringen kwijtraken of beschadigd worden, moeten ze worden vervangen. Gebeurt dit niet, dan kan het systeem niet correct functioneren.
9.4 Motoras
De elektronische besturing van het systeem verzekert soepele starts, om te sterke belastingen op de mechanische organen te voorkomen en de lev-ensduur van het product te verlengen. Dit kenmerk kan in buitengewone gevallen een probleem veroorzaken bij het starten van de elektropomp: na een periode van inactiviteit, eventueel met lediging van het systeem, kun-nen de opgeloste zouten in het water neergeslagen zijn en kalkaanslag vormen tussen het draaiende onderdeel (motoras) en het vaste deel van de elektropomp, waardoor de weerstand bij het starten stijgt. In dit geval kan het voldoende zijn om de motoras met de hand te helpen om los te komen van de kalkaanslag. Deze handeling is in dit systeem mogelijk doordat toegang van buitenaf tot de motoras mogelijk is, en er een sleepo-pening is aangebracht in het uiteinde van de as zelf. Ga als volgt te werk:
- verwijder de toegangsdop tot de motoras met behulp van een zeskant-sleutel van 10 mm (afb. 9);
- steek een platte schroevendraaier in de opening in de motoras en manoeuvreer in beide draairichtingen (afb. 9);
- als vrij draaien mogelijk is, kan het systeem in beweging worden gesteld nadat de verwijderde dop en afdekking opnieuw zijn gemon-teerd;
- als de blokkering van het draaien niet met de hand kan worden opge-heven, moet het assistentiecentrum worden gebeld.
NEDERLANDS

Alvorens te beginnen met het opsporen van storingen moet de elektrische verbinding van de elektropomp worden losgemaakt (stekker uit het stopcontact halen).
| Storing | LED | Waarschijnlijke | oorzaken | Oplossingen |
| De pomp start niet. Rood: uitWit: uitBlauw: uit | Geen elektrische voeding. Controleren of | er spanning ophet stopcontact staat en de stekker er opnieuw in steken. |
| De pomp start niet. Rood: brandtWit: brandtBlauw: uit | As geblokkeerd. Zie paragraaf 9.4 (onderhoud motoras). |
| De pomp start niet. Rood: uitWit: brandtBlauw: uit | Gebruikspunt op een hoger niveau dan het niveau dat gelijk is aan de herstartdruk van het systeem, (par. 3.2). | Verhoog de waarde van de herstart-druk van het systeem door SP te verhogen of RP te verlagen. |
| De pomp stopt niet. Rood: uitWit: brandtBlauw: uit | 1. Lek in de instal-latie.2. Rotor of hydraulisch onderdeel verstopt.3. Intrede van lucht in de aanzuigleiding.4. Stromingssensor defect. | 1. Controleer de installatie, zoek het lek en hef het op.2. Demonteer het systeem en hef de verstoppingen op (assistentiedi-enst).3. Controleer de aanzuigleiding, spoor de oorzaak van de luchtintrede op en hef deze op.4. Contacteer het assistentiecentrum. |
| Persing onvoldoende. Rood: uitWit: brandtBlauw: uit | 1. Te hoge aanzuig-diepte.2. Aanzuigleiding verstopt of met te kleine diameter.3. Rotor of hydraulisch onderdeel verstopt. | 1. Naarmate de aanzuigdiepte hoger is, nemen de hydraulische prestaties van het product af. Controleer of de aanzuigdiepte kan worden gereduceerd. Gebruik een aanzuigleiding met grotere diameter (nooit kleiner dan 1").2. Controleer de aanzuigleiding, spoor de oorzaak van de gerin-gere |
NEDERLANDS
| | | stroming op (verstopping, scherpe bocht, stijgend gedeelte ...) en hef hem op.3. Demonteer het systeem en hef de verstoppingen op (assisten-tiedienst). |
| De pomp start zonder vraag door een. | Rood: uitWit: brandtBlauw: uit | 1. Lek in de instal-latie.2. Terugslagklep defect. | 1. Controleer de installatie, zoek het lek en hef het op.2. Pleeg onderhoud op de terug-slagklep zoals beschreven in paragraaf 9.3. |
| Er is niet onmid-dellijk waterdruk bij opening va het gebrui-kspunt (*). | Rood: uitWit: brandtBlauw: uit | Expansievat leeg (on-voldoende luchtdruk), of membraan stuk. | Controleer de luchtdruk in het expansievat. Indien er tijdens de controle water uitloopt, is het vat stuk.Zoniet de luchtdruk herstellen volgens de vergelijking P= SetPoint-1bar. |
| Bij opening van het ge-bruikspunt wordt de stroom nul voordat de pomp start (*). | Rood: uitWit: brandtBlauw: uit | Luchtdruk in het expansievat hoger dan de startdruk van het systeem. | Ijk de druk in het expansievat of configureer de parameters SP en/of RP volgens de vergelijking P= SetPoint-1bar. |
| Het display toont BL. | Rood: brandtWit: brandtBlauw: uit | 1. Geen water.2. Pomp niet vooraangezogen.3. Setpoint niet bereikbaar met ingestelde RM-waarde. | 1-2. Zuig de pomp voor aan en con-troleer of er geen lucht in de leiding zit. Controleer of de aanzuiging of eventuele filters niet verstopt zitte.3. Stel een RM-waarde in die het mogelijk maakt het setpoint te. |
| Het display toont BP1. | Rood: brandtWit: brandtBlauw: uit | 1. Druksensor defect. 1. Contacteer het | assistentiecen-trum. |
| Het display toont OC. | Rood: brandtWit: brandtBlauw: uit | 1. Te hoge stroomop-name.2. Pomp geblok-keerd. | 1. Vloeistof te dicht. Gebruik de pomp niet voor andere vloeistof-fen dan water.2. Contacteer het assistentiecen-trum. |
| Het display toont PB. | Rood: brandtWit: brandtBlauw: uit | 1. Lage voedingss-panning.2. Te grote span-ningsdaling op de lijn. | 1. Controleer of de juiste lijnspan-ning aanwezig is.2. Controleer de doorsnede van de voedingskabels. |
(*) Bij installatie van een expansievat.
Dit product of de delen ervan moeten worden afgevoerd als afval met re-spect voor het milieu en overeenkomstig de plaatselijke milieuvoorschrift-en; gebruik de plaatselijke, openbare of particuliere, systemen voor afval-verzameling.
12. GARANTIE
Elke wijziging waarvoor geen voorafgaande toestemming verkregen is, ontheft de fabrikant van iedere verantwoor-delijkheid. Alle vervangingsonderdelen die worden gebruik-ikt bij reparaties moeten originele onderdelen zijn, en alle accessoires moeten geautoriseerd zijn door de fabrikant, zodanig dat de maximale veiligheid van de machines en van de installations waarop zij gemonteerd kunnen wor-den, wordt gewaarborgd.
Dit product wordt gedekt door een wettelijk voorziene garantie (in de Europese Gemeenschap gedurende 24 maanden, met ingang op de aankoopdatum) voor alle storingen te wijten aan fabricagefouten of gebruikt materiaal. Het product kan gratis worden vervangen door een perfect werkend product of gratis worden hersteld wanneer de volgende condities zich voordoen:
- het product correct werd gebruikt, conform de instructies en er geen poging werd ondernomen voor herstelling door de koper zelf of derden.
- het product werd overhandigd aan het verkooppunt, samen met het aankoopbewijs (factuur of kassabon) en een korte beschrijving van het opgetreden probleem.
Het vliegwiel en de onderdelen onderhevig aan slijtage worden niet gedekt door de garantie. De uitvoering van interventies tijdens de garantieperiode resulteert nooit in de verlening van deze periode.
СОДЕРЖАНИЕ