AT8030EUR - Niet gecategoriseerd Beha-Amprobe - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis AT8030EUR Beha-Amprobe in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Niet gecategoriseerd in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding AT8030EUR - Beha-Amprobe en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. AT8030EUR van het merk Beha-Amprobe.
GEBRUIKSAANWIJZING AT8030EUR Beha-Amprobe
2.3 Signalzange CT-400-EUR
PNederlands AT-8000-EUR Geavanceerde kabelzoeker AT-8020-EUR AT-8030-EUR Handleiding 3/2020, 6012356 B ©2020 Beha-amprobe. Alle rechten voorbehouden.Beperkte garantie en beperking van aansprakelijkheid Uw Beha-Amprobe-product is vrij van defecten in materiaal en fabricage gedurende twee jaar vanaf de aankoopdatum behalve wanneer de plaatselijke wetgeving anders vereist. Deze garantie dekt geen zekeringen, wegwerpbatterijen of schade door ongelukken, verwaarlozing, misbruik, verandering, vervuiling, of abnormale gebruiksomstandigheden. Wederverkopers zijn niet geautoriseerd tot het verlengen van andere garanties namens Beha-Amprobe. Om tijdens de garantieperiode service te verkrijgen, moet u het product met aankoopbewijs terugsturen naar een geautoriseerd Beha-Amprobe Service Center of naar een dealer of distributeur van Beha-Amprobe. Zie de reparatiesectie voor details. DEZE GARANTIE IS UW ENIGE REMEDIE. ALLE ANDERE GARANTIES - ZIJ HET UITDRUKKELIJK, IMPLICIET OF WETTELIJK - INCLUSIEF IMPLICIETE GARANTIE VOOR GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL OF VERKOOPBAARHEID, WORDEN HIERBIJ AFGEWEZEN. DE FABRIKANT IS NIET AANSPRAKELIJK VOOR ENIGE SPECIALE, INDIRECTE, INCIDENTELE OF GEVOLGSCHADE OF VERLIES VOORTVLOEIEND UIT ENIGE OORZAAK OF REGELS. Omdat sommige staten en landen het uitsluiten of beperken van een impliciete garantie of van incidentele of gevolgschade niet toestaan, is deze beperking van de aansprakelijkheid mogelijk niet op u van toepassing. Reparatie Bij alle gereedschap van Beha-Amprobe dat wordt teruggezonden voor reparatie al dan niet onder garantie of voor kalibratie moet het volgende worden meegezonden:uw naam, bedrijfsnaam, adres, telefoonnummer, en aankoopbewijs. Neem daarnaast een korte omschrijving op van het probleem of de gevraagde dienst en stuur de testsnoeren met het product mee. Kosten voor reparatie of vervanging die niet onder garantie plaatsvinden, moeten worden betaald in de vorm van een cheque, een betalingsopdracht, een credit card met verloopdatum of een aankooporder betaalbaar gesteld aan Beha-Amprobe. Reparatie en vervanging onder garantie - alle landen Lees de garantiebepalingen en controleer de batterij voordat u reparatie aanvraagt. Tijdens de garantieperiode kunt u elk defect testgereedschap retourneren naar uw Beha-Amprobe- distributeur om dit om te ruilen voor hetzelfde of een gelijksoortig product. Zie de sectie "Waar te kopen" op beha-amprobe.com voor een lijst met distributeurs in uw omgeving. Daarnaast kunt u in de Verenigde Staten en Canada eenheden voor reparatie en vervanging onder garantie tevens sturen naar een Beha-Amprobe Service Center (zie het adres hierna). Reparatie en vervangingen buiten garantie - Europa Europese eenheden die niet onder de garantie vallen, kunnen tegen nominale kosten vervangen worden door uw Beha-Amprobe-distributeur. Zie de sectie "Waar te kopen" op beha-amprobe.com voor een lijst met distributeurs in uw omgeving. Beha-Amprobe Afdeling en gedeponeerd handelsmerk van Fluke Corp. (USA) Duitsland* In den Engematten 14 79286 Glottertal Duitsland Telefoon: +49 (0) 7684 8009 - 0 beha-amprobe.de Verenigd Koninkrijk 52 Hurricane Way Norwich, Norfolk NR6 6JB United Kingdom Telefoon: +44 (0) 1603 25 6662 beha-amprobe.com Nederland - Hoofdkantoor** Science Park Eindhoven 5110 5692 EC Son Nederland Telefoon: +31 (0) 40 267 51 00 beha-amprobe.com
- (Alleen correspondentie - op dit adres zijn reparatie en vervanging niet beschikbaar. Eu- ropese klanten moeten contact opnemen met hun distributeur.) **één contactadres in EEA Fluke Europe BV1 AT-8000-EUR Advanced Wire Tracer INHOUD
- 3.1 a De ontvanger gebruiken in spanningvoerende SMART SENSOR
- 3.1 b De ontvanger gebruiken in spanningvoerende Tip Sensor-modus .............. 15
3.2 Spanningsloze snoeren zoeken .....................................................................................16
- De ontvanger gebruiken in spanningsloze Tip Sensor-modus
3.3 Stroomonderbrekers en zekeringen identificeren .......................................................17
- De ontvanger gebruiken in spanningvoerende en spanningsloze stroomonderbrekermodus
4.5 Zoeken in niet-metaalhoudende pijpen en leidingen .................................................23
4.10 Een circuit toewijzen met aansluiting testsnoeren ....................................................27
4.11 Stroomonderbrekers./zekeringen zoeken op systemen met lichtdimmers ..............27
Algemeen Voor uw eigen veiligheid en om schade aan het instrument te voorkomen, raden wij u aan de onderstaande procedures te volgen. OPMERKING: Zorg dat u de instructies nauwgezet volgt voor en tijdens de metingen.
- Controleer vóór gebruik of het elektrische instrument goed werkt.
- Voordat u enige geleiders bevestigt, moet u controleren of de spanning die aanwezig is in de geleider, binnen het bereik van het instrument valt.
- Berg de instrumenten op in hun draagtas wanneer ze niet in gebruik zijn.
- Als de zender of ontvanger niet wordt gebruikt gedurende langere tijd, verwijdert u de batterijen om lekkage in de instrumenten te voorkomen.
- Gebruik uitsluitend door Beha-Amprobe goedgekeurde kabels en accessoires. Veiligheidsmaatregelen In veel gevallen kan een gevaarlijk niveau van spanning en/of stroom aanwezig zijn. Het is daarom belangrijk direct contact met niet-geïsoleerde, spanning-/stroomvoerende oppervlakken te vermijden. Geschikte isolatiehandschoenen en beschermende kleding moeten worden gedragen in gevaarlijke spanningsgebieden.
- Meet geen spanning of stroom in natte, vochtige of stoffige plaatsen.
- Meet geen spanning bij aanwezigheid van gas, explosieve materialen of brandbare stoffen.
- Raak het circuit dat moet worden getest niet aan als er geen meting wordt uitgevoerd.
- Raak geen blootliggende metalen onderdelen, zoals ongebruikte aansluitingen en circuits aan.
- Gebruik het instrument niet als er een storing lijkt te zijn (d.w.z. als u vervormingen, onderbrekingen, lekkage van substanties opmerkt, als er geen berichten op het display verschijnen enz.). Informatie voor uw veiligheid Het product meter voldoet aan:
- EMC IEC/EN 61326-1 Meetcategorie IV (CAT IV) is voor circuits die direct zijn aangesloten op de primaire hulpstroombron voor een bepaald gebouw of tussen de stroomtoevoer van het gebouw en het hoofdverdeelbord. Dergelijke apparatuur kan elektriciteitsmeters en primaire overspanningsbeveiligingsapparaten bevatten. CENELEC-richtlijnen De instrumenten voldoen aan de CENELEC laagspanningsrichtlijn 2014/35/EU en de richtlijn voor elektromagnetische compatibiliteit 2014/30/EU3 Waarschuwingen: Lees dit voor het gebruik Voor het vermijden van de mogelijkheid op een elektrische schok of persoonlijk letsel:
- Gebruik het product alleen zoals beschreven in deze handleiding anders kan de bescherming die door het instrument wordt geleverd, worden verminderd.
- Vermijd alleen werken, zodat u hulp kun krijgen als dat nodig is.
- Test de sonde op een bekende signaalbron binnen het nominale spanningsbereik van het product voor en na gebruik om te controleren of het product goed werkt.
- Gebruik het product niet in de buurt van explosieve gassen, dampen of in vochtige omgevingen.
- Inspecteer het product vóór het gebruik en gebruik het niet als het beschadigd lijkt. Controleer op barsten of ontbrekend plastic. Besteed specifieke aandacht aan de isolatie rond de connectors.
- Inspecteer de testafleidingen vóór het gebruik. Niet gebruiken als de isolatie beschadigd is of als er metaal blootligt.
- Gebruik het product niet als het niet correct werkt. De bescherming kan gehinderd worden. Laat het product onderhouden als u twijfelt.
- Controleer de testafleidingen voor continuïteit. Vervang beschadigde testafleidingen voordat u het product gebruikt.
- Laat het product alleen onderhouden door gekwalificeerd onderhoudspersoneel.
- Ga uiterst voorzichtig te werk als u werkt in de buurt van blootliggende geleiders of rails. Contact met de geleider kan elektrische schok veroorzaken.
- Houd het product niet vast voorbij de tactiele barrière.
- Pas niet meer toe dan de nominale spanning en CAT-classificatie, zoals gemarkeerd op het product, tussen de aansluitklemmen of tussen elke aansluitklem en aarde.
- Verwijder testsnoeren van het product voordat u de productbehuizing of batterijklep opent.
- Bedien het product nooit terwijl de batterijklep verwijderd is of de behuizing geopend is.
- Wees voorzichtig bij het werken met spanningen van meer dan 30 V wisselstroom RMS, 42V wisselstroom piek of 60 V gelijkstroom. De spanningen vormen een risico op elektrische schok.
- Probeer nooit aan te sluiten op een spanningvoerend circuit dat het maximale bereik van het product kan overschrijden.
- Gebruik de juiste aansluitklemmen, functies en bereiken voor uw metingen.
- Wanneer u alligatorklemmen en testsondes gebruikt, moet u de vingers achter de vingerbeschermingen houden.
- Gebruik alleen de exacte zekeringvervanging en opgegeven vervangonderdelen.
- Als u elektrische aansluitingen maakt, sluit u het nul-testsnoer aan voordat u het spanningsdragende testsnoer aansluit. Bij het loskoppelen, moet u het spanningsdragende testsnoer loskoppelen voordat u het nul-testsnoer loskoppelt.
- Om onjuiste lezingen die elektrische schokken of persoonlijk letsel kunnen veroorzaken, te vermijden, moet u de batterijen vervangen zodra het pictogram batterij bijna leeg verschijnt. Controleer de werking van het product op een bekende bron voor en na het gebruik.
- Gebruik alleen AA-batterijen die goed in de productbehuizing zijn geplaatst om het product van stroom te voorzien (zie sectie 5.1: Batterijen vervangen).
- Gebruik bij het onderhoud alleen de aanbevolen vervangonderdelen die door de gebruiker kunnen worden onderhouden.
- Leef de plaatselijke en nationale veiligheidsregels na. Individuele beschermende uitrusting moet worden gebruikt om schokken en letsel door vlambogen te voorkomen bij open stroomgeleiders.
- Gebruik alleen het testsnoer dat bij het product is geleverd of een UL-gecertificeerde meetsonde volgens classificatie van CAT IV 600 V of beter.
- Gebruik geen AARDINGSSTAAF (TIC 410A) om de AT-8000-RE-ontvanger te bedienen aan spanningen van meer dan 600 V.
- De batterijen verwijderen als het product niet wordt gebruikt voor een langdurige periode, of indien opgeslagen bij temperaturen boven de 50 °C (122 °F). Als de batterijen niet worden verwijderd, kan lekkage van de batterij het product beschadigen.
- Volg alle instructies van de batterijenfabrikant betreffende de verzorging en het opladen van batterijen.
- Gebruik het product niet om te controleren op afwezigheid van spanning. Gebruik in plaats daarvan een spanningstester.
1. VOORZORGS- EN VEILIGHEIDSMAATREGELEN4
Symbolen die worden gebruikt in dit productBatterijstatus – Toont de resterende batterijlading.Startscherm – Hiermee keert u terug naar het startscherm.Help – Hiermee gaat u naar de helprichtlijn.Instellingen – Hiermee gaat u naar het instellingsmenu.Geeft aan dat het volume is gedempt.Volume– Toont het volume op vier niveaus.Gevoeligheidsindicator – Toont het gevoeligheidsniveau van 1 tot 10.Pictogram dat een spanningvoerend systeem aangeeft.Pictogram dat een spanningsloos systeem aangeeft. SIGNALIndicator signaalsterkte – Toont de sterkte van het signaal van 0 tot MAN/AUTOToont of de gevoeligheidsaanpassing in de handmatige of automatische modus is.Het slot geeft aan of de automatische gevoeligheidsvergrendeling actief is (alleen in automatische gevoeligheidsmodus).Toepassing en verwijdering van gevaarlijke stroomgeleiders toegestaan. Let op! Risico op elektrische schok. Let op! Zie de uitleg in deze handleiding. De apparatuur is beschermd door dubbele of versterkte isolatie. Aarde (massa).CAT IV 600VOverspanning tot aan categorie IV 600V (piekbescherming tot 8 kV). Zekering. Voldoet aan de relevante Noord-Amerikaanse veiligheidsstandaarden. Voldoet aan de Europese richtlijnen.Voldoet aan de relevante Australische standaarden. Dit product voldoet aan de merkingsvoorschriften van de AEEA-richtlijn. Het bevestigde label geeft aan dat u dit elektrisch/elektronisch product niet mag weggooien bij het huishoudelijk afval. Productcategorie: Verwijzende naar de apparaattypes in de AEEA-richtlijn Bijlage I, is dit product geclassificeerd als een product van categorie 9 “Bewakings- en bedieningsinstrumenten”. Werp dit product niet weg als ongesorteerd gemeentelijk afval.
1. VOORZORGS- EN VEILIGHEIDSMAATREGELEN5
Deze handleiding bevat informatie en waarschuwingen die moeten worden nageleefd voor een veilige bediening en onderhoud van het instrument. Als het product wordt gebruikt op een manier die niet is opgegeven door de fabrikant, kan dit afbreuk doen aan de bescherming die door het product wordt geboden. Dit product voldoet aan de water- en stofbescherming IP52 (ontvanger) en IP40 (zender en signaalklem:) conform IEC 60529. NIET buitenshuis gebruiken tijdens perioden van regen. Het product is dubbel geïsoleerd als bescherming conform EN61010-1 tot CAT IV 600 V. LET OP: sluit de zender niet aan op een afzonderlijke aarde in patiëntgebieden van een gezondheidszorginstelling die gevoelig zijn voor elektriciteit. Sluit de aarde als eerst aan en koppel deze als laatste los.
2. ONDERDELEN VAN DE KIT
De doos moet bevatten:
De AT-8000-RE-ontvanger detecteert het signaal dat wordt gegenereerd door de AT-8000-TE- zender langs draden die de TIP SENSOR of de SMART SENSOR
gebruiken en toont informatie op het TFT LCD-kleurenscherm. Actief zoeken met een signaal dat is gegenereerd door de AT-8000-TE-zender De SMART SENSOR
werkt met een 6 kHz-signaal dat wordt gegenereerd samen met spanningvoerende draden (boven 30 V AC/DC) en biedt een indicatie van de draadpositie en richting ten opzichte van de ontvanger. De SMART SENSOR
is niet ontworpen om te werken met spanningsloze systemen. Voor die toepassing moet de TIP SENSOR worden gebruikt in de spanningsloze modus. De TIP SENSOR kan worden gebruikt op spanningvoerende of spanningsloze draden en kan worden gebruikt voor algemeen zoeken, zoeken in kleine ruimten, het zoeken van stroomonderbrekers Zekering, het lokaliseren van draden in bundels of in aansluitdozen. De TIP SENSOR-modus zoekt de exacte locatie van de draad met zowel een auditieve als visuele indicatie van de gedetecteerde signaalsterkte, maar in tegenstelling tot de SMART SENSOR
-modus wordt hier geen richting of stand van de draad getoond. Opmerking: De ontvanger zal GEEN signalen van de draad detecteren doorheen metalen leidingen of afgeschermde kabels. Raadpleeg Speciale toepassingen, deel 4.4 "Kabels zoeken in metalen leidingen" voor alternatieve zoekmethoden. TACTIELE BEGRENZING TACTIELE BEGRENZING AT-8000-RE RECEIVER TIP SENSOR LCD-SCHERM TFT-kleurenscherm KNOP GEVOELIGHEIDSAANPASSING
(achterzijde) NCV-KNOP Contactloze spanningsmodus 4-RICHTING NAVIGATIETOETSEN GEGOTEN RUBBEREN BEHUIZING ENTER-KNOP Selecteert de functie VOEDINGSKNOP BATTERIJVAK (achterzijde) BEVESTIGINGSPUNT AARDINGSSTAAF (Niet gebruiken voor hogere spanning dan 600 V) Afbeelding 2.1a: Overzicht van AT-8000-RE-ontvanger7 ENERGIZED:DE-ENERGIZED:
Hoofdtoepassingen Instelmenu Helprichtlijn Aanpassing zoemervolume Gevoeligheidsaanpassing Batterij- status Afbeelding 2.1b: Overzicht van elementen van Home-scherm
VERSIE FWD AUTO Nederlands UIT Taal: Achtergrondverlichting: Instellingen: STANDAARD HANDM. KORT AAN LANG UIT Gevoeligheid: Smart Sensor-bereik: Helpgids: INSTELLINGEN Afbeelding 2.1c: Overzicht van elementen van menu Instellingen Taal Gewenste taal selecteren Achtergrondverlichting 25%, 50%, 75%, 100% Instelling DEFAULT : Standaardinstellingen herstellen Helprichtlijnen
: het apparaat zal u begeleiden door elke modus OFF : Het apparaat start zonder begeleiding Gevoeligheid* MAN : Toetsen (+) en (-) handmatige gevoeligheidsaanpassing AUTO : Automatische gevoeligheidsaanpassing Smart Sensor
-bereik SHORT : Voor kabeldetectie tot 1 m LONG : Voor draad zoeken tussen 3 en 6 meter
- Opmerking: De automatische en handmatige gevoeligheidsmodi kunnen gemakkelijk worden gewijzigd door de toets + en – tegelijk ingedrukt te houden terwijl de ontvanger in een zoekmodus is. Wanneer de gevoeligheidsmodus is ingesteld op "Auto", wordt de handmatige aanpassing is uitgeschakeld.
De AT-8000-TE-zender werkt op spanningvoerende en spanningsloze circuits tot 600 V AC/ DC in elektrische omgevingen van categorie I tot en met categorie IV. Afbeelding 2.3: Overzicht van de AT-8000-TE-zender TRANSMITTER
1. Rood: Spanningvoerend
2. Uit: Uitgeschakeld
AAN/UIT: Druk kort om de zender in te schakelen. Druk langer dan 2 seconden om de zender uit te schakelen. Volumeregeling: het volume kan worden gewijzigd door kort te drukken op de knoppen VOLUME HOGER/LAGER. Naast dempen zijn vier volumeniveaus beschikbaar. Het gekozen volumeniveau verschijnt korte tijd op het LED-display. Als het geluid gedempt is, licht de MUTE-LED op. Het geluidspatroon verschilt afhankelijk van de gekozen bedieningsmodus. Waarschuwingsindicator voor spanning: Het waarschuwingslampje zal AAN zijn voor spanningvoerende circuits(30 tot 600 V AC/DC), UIT voor spanningsloze circuits (0 > 30 V AC/ DC) en KNIPPEREND als een ovespanning is gedetecteerd (> 650 V AC/DC). INDICATOR ZENDMODUS: De LED-lampjes knipperen met een verschillend ritme, afhankelijk van de gekozen gebruiksmodus. Verzenden in HOGE modus – Snel knipperend Verzenden in LAGE modus – Langzaam knipperend Verzenden in LUSMODUS – Afwisselend knipperend Hoge modus: Druk kort op HI in de HOGE verzendmodus. Als u een tweede keer kort drukt op de HI-knop, schakelt u het verzenden uit. Lage modus: Druk kort op LO in de LAGE verzendmodus. Als u een tweede keer kort drukt op de LO-knop, schakelt u het verzenden uit. Lusmodus: Houd de drukknop HI langer dan 2 seconden ingedrukt om de Lusmodus in te schakelen. Houd de drukknop HI kort of lang ingedrukt om de Lusmodus uit te schakelen.9
2. ONDERDELEN VAN DE KIT
Zendersignaalmodi: Hoog signaal (Hi) – De functie Modus HOOG is aanbevolen voor toepassingen voor het zoeken van draden op spanningvoerende en spanningsloze circuits, inclusief de locatie van de stroomonderbreker/zekering. Deze functie wordt het vaakst gebruikt. Laag signaal (Lo) – De modusfunctie LAAG is alleen geschikt voor de meest veeleisende en nauwkeurige toepassingen toepassingen van draden zoeken, want het beperkt het signaalniveau dat wordt gegenereerd door de zender om de draadlocatie nauwkeuriger te kunnen vaststellen. Een lager signaalniveau vermindert het koppelen met aangrenzende draden en metalen objecten , waardoor verkeerde waarden door valse signalen worden vermeden. Een lager signaal voorkomt ook de oververzadiging van de ontvanger met een krachtig signaal dat een te groot gebied dekt. Lusmodus – Deze modus wordt gestart door de knop HI langer dan 2 seconden ingedrukt te houden. Dit moet worden gebruikt wanneer u werkt met spanningsloze circuits met gesloten lus, zoals kortsluiting in de draden, afgeschermde kabels of spanningsloze draden die aan het uiteinde zijn geaard. Op welk vlak verschilt de lusfunctie van de Hi- en Lo-instellingen wanneer u testsnoeren gebruikt? De modi HOOG en LAAG genereren een signaal in alle open aftakkingen van het spanningsloze circuit. Dit is nuttig wanneer u open draden zoekt. Hi/Lo-modi werken NIET op draden die aan het uiteinde zijn kortgesloten (gesloten kring) of geaard omdat het signaal niet kan worden gegenereerd.
TIP SENSOR Lusmodus genereert een signaal (stroomafgifte) in een gesloten lus Alleen spanningsloze circuits. De lusmodus wordt gebruikt om de locatie van een kortsluiting vast te stellen (omdat de stroom niet in de open aftakkingen kan worden afgegeven) en om draden die aan het uiteinde zijn geaard, te zoeken (omdat de lus gesloten is via de aardaansluiting). Afbeelding 2.2b: Een signaal genereren in de Lusmodus
TIP SENSOR Opmerking: De lusmodus werkt alleen op spanningsloze circuits. Deze wordt automatisch uitgeschakeld wanneer de zender wordt aangesloten op een spanningvoerende lijn met testsnoeren. Afbeelding 2.2a: Een signaal genereren met de modi HOOG en LAAG en gesloten lus10
2. ONDERDELEN VAN DE KIT
Werken met de zender wanneer de zender aan is en is aangesloten op het circuit met testsnoeren, controleer deze op spanning. Een rode waarschuwingsindicator voor spanning licht op als de zender een gevaarlijke spanningsniveaus van meer dan 30 V AC/DC detecteert. BELANGRIJK! De waarschuwingsindicator voor spanning knippert wanneer overspanning (>650 V AC/ DC) is gedetecteerd. Koppel de zender in geval van overspanning onmiddellijk los van het circuit! Deze waarschuwingsindicator voor spanning is niet ontworpen om te controleren op het ontbreken van spanning. Gebruik daarvoor een spanningstester. Als u kort op de knoppen voor hoog (HI) of laag (LO) signaal drukt, begint de zender met het genereren van een zoeksignaal. De zender schakelt, afhankelijk van de gedetecteerde spanning, automatisch naar:
- Spanningvoerende modus(30 tot 600 V AC/DC) die 6 kHZ frequentie genereert
- Spanningsloze modus (0 tot 30 V AC/DC) die 33 kHZ frequentie genereert De spanningvoerende modus gebruikt een lagere transmissiefrequentie (6 kHz) dan de spanningsloze modus (33 kHz) om de signaalkoppeling tussen de draden te verminderen. De spanningsloze modus vereist een hogere frequentie om een betrouwbaar signaal te genereren. Spanningvoerende modus: In de spanningvoerende modus haalt de zender een zeer lage stroom uit het spanningvoerende circuit en genereert het een 6 kHz signaal. Dit is een heel belangrijke functie van de Zender omdat het halen van stroom geen signaal dat gevoelige apparatuur die op het circuit is aangesloten injecteert. Het signaal wordt ook gegenereerd in een direct pad tussen de zender en de stroombron. Zo wordt er GEEN signaal geplaatst op een van de aftakkingen zodat de draadtracering direct terug naar het stroomonderbrekers-/ zekeringspaneel mogelijk is. Vanwege deze functie moet de zender worden aangesloten op de laadzijde van het circuit. Spanningsloze modus: In de spanningsloze modus injecteert de zender een 33 kHz- signaal op het circuit. Omdat het signaal in deze modus is geïnjecteerd, gaat het door alle circuitaftakkingen. Het hoge frequentie-/lage energiesignaal met hoge frequentie die geen schade zal veroorzaken aan gevoelige apparatuur.11
(inbegrepen bij AT-8030-EUR, optioneel voor AT-8020-EUR) Het accessoire Signaalklem wordt gebruikt voor toepassingen wanneer de blote geleiders niet toegankelijk zijn. Door de klembevestiging kan de zender een signaal opwekken via de isolatie naar beide draden. De klem werkt op gesloten circuits met lage impedantie. AANSLUITING OP ZENDER KLEM TACTIELE BEGRENZING KLEMVRIJGAVE TESTSNOER Afbeelding 2.3: Overzicht van CT-400-EUR signaalklem12
3. HOOFDTOEPASSINGEN
BELANGRIJKE MEDEDELING. LEZEN VOORDAT U ZOEKEN START Problemen met de signaalonderdrukking vermijden met een afzonderlijke neutrale of afzonderlijke aardaansluitingHet signaal dat wordt gegenereerd door de zender, creëert een elektromagnetisch veld rond de draad. Dit veld is wat detecteerbaar is door de ontvanger. Hoe helderder dit signaal, hoe gemakkelijker het wordt om de draad te zoeken.Als de zender bijvoorbeeld wordt aangesloten op twee aangrenzende draden op hetzelfde circuit (bijvoorbeeld, lijn/fase- en neutrale draden), gaat het signaal in één richting door de eerste draad en keert het terug (in tegenovergestelde richting) door de tweede. Dit veroorzaakt de creatie van twee elektromagnetische velden rond elke draad in tegenovergestelde richting. Deze tegengestelde velden zullen elkaar gedeeltelijk of volledig neutraliseren, zodat het zoeken van draden moeilijk tot zelfs onmogelijk wordt.AT-8000-TEOm het neutraliserende effect te vermijden, moet een afzonderlijke neutrale of afzonderlijke aardaansluitingsmethode worden gebruikt. Het rode testsnoer van de zender moet worden aangesloten op de lijn-/fasedraad van het circuit dat u wilt zoeken en het groene snoer op een afzonderlijke aardings- of neutrale draad (zoals een waterpijp, een aardingsstaak, een metalen geaarde structuur van het gebouw of de aarde van een stopcontact) op aan andere aftakking. Het is belangrijk dat u begrijpt dat een acceptabele afzonderlijke neutrale of aardingsdraad NIET de aansluiting is van een stopcontact op dezelfde aftakking als de draad die u wilt zoeken. Als de lijn-/fasedraad spanningvoerend is en de zender goed is aangesloten op een afzonderlijke neutrale of aardingsdraad, licht de rode LED op de zender op. De afzonderlijke neutrale/aardaansluiting creëert de maximale signaalsterkte, omdat het elektromagnetische veld rond de lijn-/fasedraad niet wordt onderdrukt door een signaal op het retourpad dat langs een aangrenzende draad (aarde of neutraal) in tegenovergestelde richting stroomt, maar eerder via de afzonderlijke aansluiting.TIP: In circuits die met RCD’s zijn beveiligd, moet u altijd een afzonderlijke neutrale verbinding gebruiken in plaats van een afzonderlijke aardaansluiting. Ander valt de RCD uit. Draad zoeken. Raadpleeg ook Speciale toepassingen, sectie 4.1 “Kabeldetectie door RCD beveiligd circuit” voor alternatieve zoekmethoden. RCD AT-8000-TE Afbeelding 3b: Voorbeeld van afzonderlijke neutrale verbinding (voorkeur) AT-8000-TE Afbeelding 3c: Voorbeeld van afzonderlijke aardaansluiting (alternatief) Afbeelding 3a13
3.1 Spanningvoerende kabels zoeken
Testsnoeren zender aansluiten
1. Sluit groene en rode testsnoeren aan op de zender
(polariteit heeft geen belang).
2. Gebruik de geleverde testsnoeraccessoires, sluit het
rode testsnoer aan op de lijn/fasedraad die wordt gezocht. Voor spanningvoerende systemen, wordt het signaal ALLEEN uitgezonden tussen de laadzijde waarop de zender is aangesloten en de stroombron (zie afbeelding 3.1a).
3. Sluit het groene snoer aan op een afzonderlijke
neutrale draad op de RCD of op het aansluitpunt dat zo dicht mogelijk bij de RCD ligt.*
- Opmerking: Zorg dat de lijn-/fasedraad en de afzonderlijke neutrale draad aangesloten zijn op dezelfde RCD, anders zal de RCD uitvallen. Controleer of de waarschuwingsindicator voor spanning AAN staat. Anders kan de aansluiting die u hebt gemaakt van lijn/ fase naar lijn/fase of van neutraal naar neutraal, spanningsloos worden. Voer in dat geval de aansluiting opnieuw uit op de juiste manier. Afbeelding 3.1a: Juiste aansluiting met afzonderlijke neutrale aansluiting AT-8000-TE TIP: De zender, met het rode testsnoer, kan direct worden aangesloten op de stroomdraad van de werkende elektrische apparatuur onder last (motor, elektronica enz). Het zoeken kan worden uitgevoerd zonder dat de apparatuur of de voeding moet worden uitgeschakeld. AT-8000-TE Afbeelding 3.1b: Instelling zender Instelling van de AT-8000-TE-zender
1. Druk op de Aan/uit-knop om de zender in te schakelen.
2. Controleer of de testsnoeren correct zijn aangesloten: het rode LED; van de
spanningsstatus moet aan zijn voor circuits met spanning van meer dan 30 V AC/DC. Opmerking: Zorg dat u de afzonderlijke neutrale aansluiting gebruikt zoals hierboven beschreven.
3. Selecteer de HOGE signaalmodus door te drukken op HI voor de meeste toepassingen.
De zender verschijnt zoals weergegeven in afbeelding 3.1c. Het LED-display zal snel beginnen te knipperen.14
(spanningvoerend) Opmerking: De LAGE signaalprecisiemodus kan worden gebruikt om het signaalniveau dat door de zender wordt gegenereerd, te beperken om de draadlocatie nauwkeuriger te kunnen vaststellen. Een lagere signaalniveau vermindert het koppelen met aangrenzende draden en metalen objecten en helpt ons verkeerde aflezingen door valse signalen, te vermijden. Een lager signaal helpt ons ook om de oververzadiging van de ontvanger met een krachtig signaal dat een te groot gebied dekt, te voorkomen. De LAGE modusfunctie wordt alleen gebruikt voor de meest veeleisende toepassingen voor het nauwkeurig zoeken van draden.
3.1 a AT-800-RE gebruiken in spanningvoerende SMART SENSOR
zorgt voor gemakkelijker draad zoeken door het tonen van de richting en positie van de draad en is de aanbevolen methode voor het zoeken van spanningvoerende draden. Opmerking: De Smart Sensor
werkt niet in spanningsloze circuits; in plaats daarvan moet een tip sensor worden gebruikt. AT-8000-RE-ontvanger gebruiken
1. Druk op de Aan/uit-knop om de ontvanger in te schakelen; het laden van het Home-scherm kan
-modus met de richtingspijlen en drukken op de gele ENTER-knop.
3. Houd de ontvanger met de Smart Sensor
naar het doelgebied gericht. Als er een "?" in een rode schijf knippert op het scherm, is er geen signaal gedetecteerd (afbeelding 3.1d). Plaats de Smart Sensor
dichter bij het doelgebied tot het signaal is gedetecteerd en u een richtingspijl ziet. Als er geen signaal is gedetecteerd, verhoogt u de gevoeligheid met de knop "+" op de ontvanger.*
4. Verplaats de ontvanger in de richting die door de pijl op het scherm is aangeduid (afbeelding
5. Het groene doelsymbool geeft aan dat de ontvanger direct boven de draad is. Als de ontvanger
de draad niet vergrendelt, vermindert u de gevoeligheid met de “-“ op het toetsenblok of stelt u de zender in om uit te zenden op een LAAG niveau voor nauwkeurig zoeken (afbeelding 3.1f).
6. Druk op ENTER wanneer u klaar bent om terug te keren naar het startscherm.
- Opmerking: Houd de ontvanger voor de beste resultaten minstens 1 m van de zender en zijn testsnoeren om de signaalstoring te minimaliseren en de resultaten van het zoeken van draden te verbeteren. Selecteer het "Lange" Smart Sensor
-bereik in het instellingsmenu als u werkt met draden die zich meer dan 1 m diep zitten. Afbeelding 3.1d: Geen signaal gedetecteerd
SMART SENSOR BEKRACHTIGD
Afbeelding 3.1e: Draad zit links
KNIPPEREND Afbeelding 3.1c: Zenderindicator met signaal in HOGE modus15
3. HOOFDTOEPASSINGEN - TIP SENSOR (spanningvoerend)
Afbeelding 3.1f: Ontvanger vergrendeld op draad
SMART SENSOR BEKRACHTIGD
3.1 b De AT-8000-RE ontvanger gebruiken in spanningvoerende Tip Sensor-modus
TIP SENSOR-modus wordt gebruikt voor de volgende toepassingen:nauwkeurige locatiebepaling van een draad in een bundel, zoeken in hoeken en ingesloten ruimten, zoals aansluitdozen of binnenin behuizingen.
1. Druk op de Aan/uit-knop om de ontvanger in te schakelen; het laden van het Home-
scherm kan tot 30 seconden duren.
2. Selecteer de spanningvoerende TIP SENSOR-modus met de richtingspijlen en drukken
op de gele ENTER-knop.
3. Houd de ontvanger met de Tip Sensor naar het doelgebied gericht.
4. Scan het doelgebied met de Tip Sensor om het hoogste signaalniveau te zoeken
(afbeelding 3.1g). Pas tijdens het zoeken periodiek de gevoeligheid aan om de signaalsterkte in de buurt van 75 te houden. Verhoog of verlaag de gevoeligheid door op het toetsenblok op + of – te drukken. Als het signaal te sterk is voor een nauwkeurige locatie, wijzigt u de zender naar de LAGE modus.
5. Positionering ontvanger: Voor de beste resultaten lijnt u de groef uit op de tip
sensor met de draadrichting. Het signaal gaat mogelijk verloren als deze niet goed is uitgelijnd (afbeelding 3.1h).
6. Om de richting van de draad te controleren, moet u de ontvanger periodiek 90 graden
draaien. De signaalsterkte zal de hoogst zijn wanneer de draad is uitgelijnd op de Tip Sensor-groef (afbeelding 3.1i).
7. Druk op ENTER wanneer u klaar bent om terug te keren naar het startscherm.
Opmerking: Houd de ontvanger voor de beste resultaten minstens 1 m van de zender en zijn testsnoeren om de signaalstoring te minimaliseren en de resultaten van het zoeken van draden te verbeteren. Afbeelding 3.1g: Ontvangerscherm dat het signaal toont dat is gedetecteerd in de spanningvoerende TIP SENSOR-modus 30-600V AC/DC40-400 HZ
3. HOOFDTOEPASSINGEN - TIP SENSOR (spanningvoerend)
Afbeelding 3.1h: De tip sensor uitlijnen met de draad Tipgroef Uitlijnen Afbeelding 3.1i: De ontvanger draaien voor uitlijnen met de draad
3.2 Spanningsloze snoeren zoeken
Testsnoeren zender aansluiten
1. Sluit groene en rode testsnoeren aan op de zender (polariteit
2. Sluit een rood snoer aan op de spanningsloze lijn-fasedraad (aan
de laadzijde van het systeem). In de spanningsloze modus wordt het signaal geïnjecteerd in ALLE aftakkingen van het circuit, niet alleen tussen de uitgang en de stroomonderbreker/zekering zoals in spanningvoerende modi.
3. Sluit het groene snoer aan op een afzonderlijke aarding
(metalen bouwstructuur, metalen waterpijp of een aardleiding / aardlekbeveiliging (PE) op een afzonderlijk circuit). OPGELET: Omwille van veiligheidsredenen is dit alleen toegestaan in spanningsloze circuits. Gebruik geen aardleiding die parallel loopt met de draad die u gaat zoeken omdat dit het zoeksignaal zal verzwakken of onderdrukken.
- Opmerking: Bij het werken met spanningsloze door RCD beveiligde circuits, moet u ermee rekening houden dat de afzonderlijke aardaansluiting de RCD laat uitvallen. AT-8000-TE Afbeelding 3.2a: Juiste aansluiting met afzonderlijke aarding Instelling van de AT-8000-TE-zender
1. Druk op de Aan/uit-knop om de zender in te schakelen.
2. Controleer of de testsnoeren correct zijn aangesloten;
het rode LED-statuslampje voor spanning moet uit zijn voor spanningsloze circuits van lager dan 30 V AC/DC. Opmerking: Zorg dat u de afzonderlijke aardaansluiting gebruikt zoals hierboven beschreven.
3. Selecteer de HOGE signaalmodus door te drukken op HI
voor de meeste toepassingen. De zender verschijnt zoals weergegeven in afbeelding 3.2b. Het LED-display zal snel beginnen te knipperen. Opmerking: De LAGE signaalprecisiemodus kan worden gebruikt om het signaalniveau dat door de zender wordt gegenereerd, te beperken om de draadlocatie nauwkeuriger te kunnen vaststellen. Een lagere signaalniveau vermindert het koppelen met aangrenzende draden en metalen objecten en helpt ons verkeerde aflezingen door valse signalen, te vermijden. Een lager signaal helpt ons ook om de oververzadiging van de ontvanger met een krachtig signaal dat een te groot gebied dekt, te voorkomen. De LAGE modusfunctie wordt alleen gebruikt voor de meest veeleisende toepassingen voor het nauwkeurig zoeken van draden. AT-8000-TTRANSMITTER
KNIPPEREND Afbeelding 3.2b: Zenderindicator met signaal in HOGE modus TIP SENSOR17
3. HOOFDTOEPASSINGEN - TIP SENSOR (Spanningsloos)
Een AT-8000-RE-ontvanger gebruiken in de spanningsloze Tip Sensor-modus TIP SENSOR De spanningsloze TIP SENSOR-modus wordt gebruikt voor algemeen zoeken van draden, de nauwkeurige locatiebepaling van draden in bundels, zoeken in hoeken en ingesloten ruimten, zoals aansluitdozen of binnenin behuizingen.
1. Druk op de Aan/uit-knop om de ontvanger in te schakelen; het laden van het Home-
scherm kan tot 30 seconden duren.
2. Selecteer de spanningsloze TIP SENSOR-modus met de richtingspijlen en drukken op de
3. Houd de ontvanger met de Tip Sensor naar het doelgebied.*
4. Scan het doelgebied met de Tip Sensor om het hoogste signaalniveau te zoeken
(afbeelding 3.2c). Pas tijdens het zoeken periodiek de gevoeligheid aan om de signaalsterkte in de buurt van 75 te houden. Verhoog of verlaag de gevoeligheid door op het toetsenblok op + of – te drukken. Als het signaal te sterk is voor een nauwkeurige locatie, wijzigt u de zender naar de LAGE modus.
5. Druk op ENTER wanneer u klaar bent om terug te keren naar het startscherm.
SIGNAL PUNTSENSOR ONBEKRACHTIGD Afbeelding 3.2c: Ontvanger die het signaal toont dat is gedetecteerd in de spanningsloze TIP SENSOR-modus
- Opmerking: Houd de ontvanger voor de beste resultaten minstens 1 m van de zender en zijn testsnoeren om de signaalstoring te minimaliseren en de resultaten van het zoeken van draden te verbeteren. De spanningsloze modus gebruikt een andere antenne in de Tip Sensor dan de spanningvoerende modus. Specifieke uitlijning van de Tip Sensor-groef op de draad is niet vereist. De resultaten van het zoeken van spanningsloze draden zijn alleen gebaseerd op de nabijheid van de Tip Sensor bij de draad.
3.3 Stroomonderbrekers en zekeringen identificeren
De stroomonderbreker past de gevoeligheid van de ontvanger automatisch aan. Hierdoor zal de ontvanger de locatie van slechts één correcte stroomonderbreker/zekering vaststellen en aanduiden. Deze verbetering helpt bij het verwijderen van de analyse van de signaalsterkte van het identificatieproces van de stroomonderbreker/zekering dat standaard is voor minder geavanceerde kabelzoekers. Opmerking: Voor het zoeken van de stroomonderbreker/zekering, kan een vereenvoudigde directe verbinding met de lijn en neutrale draden worden gebruikt omdat deze draden worden gescheiden op het stroomonderbrekers-/zekeringspaneel. Er is geen risico op signaalonderdrukkingseffect als de dragen minstens enkele centimeters van elkaar liggen. De afzonderlijke neutrale aansluiting zoals weergegeven in de spanningvoerende TIP SENSOR-modus, moet specifiek voor superieure resultaten worden gebruikt als, naast de identificatie van de stroomonderbreker/zekering, ook draden moeten worden gezocht. TIP SENSOR18
3. HOOFDTOEPASSINGEN - TIP SENSOR (Spanningsloos)
Afbeelding 3.3a: Vereenvoudigde directe aansluiting AT-8000-TE Zenderverbinding - spanningvoerende en spanningsloze systemen De aansluitingen van de zender is gelijk voor spanningvoerende en spanningsloze stroomonderbreker/ zekering zoeken. De testsnoeren aansluiten
1. Sluit de zender aan met de vereenvoudigde directe aansluiting of een afzonderlijke neutrale/
2. Als de vereenvoudigde directe aansluitingsmethode wordt gebruikt, sluit u de testsnoeren direct
aan op de lijn/fase- en neutrale draden. Tijdens het zoeken van een onderbreker of zekering zullen snoeren niet langer traceerbaar zijn omdat de signalen elkaar zullen onderdrukken.
3. Voor een afzonderlijke neutrale aansluiting, sluit u het rode snoer aan op de lijn-/fasedraad aan
de laadzijde van het systeem. De draad kan spanningvoerend of spanningsloos zijn. Sluit het groene snoer aan op een afzonderlijke neutrale draad, zoals een neutrale draad die zo dicht mogelijk bij de onderbrekers/zekering zit. TIP: De zender, met het rode testsnoer, kan direct worden aangesloten op de stroomdraad van de werkende elektrische apparatuur onder last (motor, elektronica enz). Het zoeken kan worden uitgevoerd zonder dat de apparatuur of de voeding moet worden uitgeschakeld. AT-8000-TE Instelling van de AT-8000-TE-zender
1. Druk op de Aan/uit-knop om de zender in te schakelen.
2. Verifieer dat de testsnoeren goed zijn aangesloten. Het rode LED-statuslampje voor spanning
gaat branden voor spanningvoerende circuits met een spanning van hoger dan 30 V AC/DC. Als het circuit spanningsloos is, gaat het lampje uit.
3. Selecteer de HOGE signaalmodus voor het zoeken van de stroomonderbreker/zekering.
en spanningsloos) Spanningvoerend en spanningsloze stroomonderbreker/zekering zoeken STROOMONDERBREKERS
Overzicht ontvangersproces Stroomonderbrekers/zekeringen zoeken is een proces van twee stappen:
SCAN - Scan elke stroomonderbreker/zekering één seconde. De ontvanger registreert de zoeksignaalniveaus.
ZOEKEN - De ontvanger geeft de afzonderlijke stroomonderbreker/zekering aan met het sterkste opgenomen signaal. AT-8000-RE-ontvanger gebruiken
1. Druk op de Aan/uit-knop om de ontvanger in te schakelen; het laden van het Home-
STROOMONDERBREKERS-modus met de richtingspijlen en drukken op de gele ENTER- knop. Stap 1 -
1. Het apparaat start automatisch in de
SCAN-modus (afbeelding 3.3c).
2. Scan elke onderbreker/zekering gedurende een seconde door deze aan te raken met de
Tip Sensor. Controleer of de groef op de Tip Sensor in de lengte parallel loopt met de stroomonderbreker/zekering (afbeelding 3.3e).
3. Om voldoende tijd tussen de scans te garanderen, wacht u op de actieve groene pijl
en de hoorbare waarschuwing (2 pieptonen) voordat u naar de volgende onderbreker/ zekering gaat.
4. Scan elke stroomonderbreker/zekering – de volgorde van het scannen maakt niet
uit. U kunt elke stroomonderbreker/zekering meerdere keren scannen. De ontvanger registreert het hoogste gedetecteerd signaal. Gebruikstip: probeer voor de beste resultaten te scannen bij de uitgang van de stroomonderbreker/zekering. Belangrijke opmerking: Differentiatie in het design van de stroomonderbreker/zekering, hoogte, interne contactstructuur kan de nauwkeurigheid van de stroomonderbreker/ zekering beïnvloeden. Voor de meest betrouwbare resultaten, verwijdert u de afdekking van de stroomonderbreker/zekering en voert u de scan uit op de draden in plaats van op de stroomonderbrekers/zekeringen. Scan de stroomonderbrekers/zekeringen altijd op dezelfde positie en uitlijning van de tip sensor. Een variatie kan onjuiste resultaten beïnvloeden. Afbeelding 3.3c: SCAN-modus – Stroomonderbrekers/zekeringen scannen
SCANNENZOEKEN Afbeelding 3.3e: Juiste uitlijning van de Tip Sensor met de stroomonderbreker STROOMONDERBREKERS &20
ZOEKEN 1. Selecteer de modus ZOEKEN met de richtingspijlen en drukken op de gele ENTER-knop (afbeelding 3.3d).2. Scan elke onderbreker/zekering opnieuw door deze gedurende een seconde aan te raken met de Tip Sensor. Actieve rode pijl geeft het scanproces aan. Controleer of de groef op de Tip Sensor in de lengte parallel loopt met de stroomonderbreker/zekering (afbeelding 3.3e). Gebruikstip: houd de ontvanger in dezelfde positie als tijdens de scanstap 3. Scan alle stroomonderbrekers/zekeringen opnieuw tot de effen groene pijl en een hoorbare waarschuwing (doorlopende pieptoon) aangeven dat de juiste stroomonderbreker/zekering is gevonden (afbeelding 3.3f).4. Druk op ENTER wanneer u klaar bent om terug te keren naar het startscherm. Afbeelding 3.3d: Modus ZOEKEN – Zoeken naar juiste stroomonderbreker/zekering
ONDERBREKERS BEKRACHTIGDSCANNENZOEKENSCAN OPNIEUW OM ONDERBREKER/ZEKERING TE VINDENGebruikstip: de nauwkeurigheid van de identificatieresultaten van de stroomonderbreker/zekering kan worden gecontroleerd door de ontvanger naar de spanningvoerende of spanningsloze TIP SENSOR-modus te schakelen en te controleren of het signaalniveau van de stroomonderbreker dat door de ontvanger is geïdentificeerd, de hoogste is onder alle stroomonderbrekers/zekeringen. Afbeelding 3.3f: Modus ZOEKEN - stroomonderbreker/zekering geïdentificeerd
De NCV-modus (Contactloze spanning) wordt gebruikt om te controleren of een draad spanningvoerend is. Deze methode vereist geen zender. De ontvanger zal een spanningvoerende kabel detecteren en zoeken als de spanning tussen 90 V en 600 V AC en tussen 40 Hz en 400 Hz ligt. Er is geen stroomafgifte nodig. Opmerking: Voor uw veiligheid moet u, voordat u werkt met kabels, altijd controleren of ze spanningsloos zijn met een extra spanningstester. De spaningsaanduiding in de NCV-modus is niet voldoende om de veiligheid te garanderen. Deze functie is niet geschikt om op afwezigheid van spanning te testen. Dit vereist altijd een tweepolige spanningstest.Bediening NCV-modus1. Druk op de Aan/uit-knop om de ontvanger in te schakelen; het laden van het Home-scherm kan tot 30 seconden duren.2. Druk op de NCV-knop om de contactloze spanningsmodus te selecteren.3. Houd de ontvanger met de Tip Sensor tegen de draad. 4. Voor een nauwkeurige locatiebepaling van de lijn-/fasedraad tegenover de neutrale draad, verhoogt of verlaagt u de gevoeligheid door op het toetsenblok op + of – te drukken.5. Druk op ENTER wanneer u klaar bent om terug te keren naar het startscherm. NCV-MODUS21
4. SPECIALE TOEPASSINGEN
CONTACTLOZE SPANNINGSDETECTIE Afbeelding 3.4: Spanningsdetectie in NCV-modus met Tip Sensor
4.1 Kabeldetectie door RCD beveiligd circuit
- Gebruik een afzonderlijke neutrale verbinding wanneer dat mogelijk is. Sluit hiervoor het groene snoer aan op een afzonderlijke neutrale draad op de RCD of op het aansluitpunt dat zo dicht mogelijk bij de RCD ligt.*
- Voer het zoeken uit zoals beschreven in de toepassingen Draad zoeken (SLIMME en TIP SENSOR-modus) of stroomonderbreker/zekering.
- Opmerking: Zorg dat de lijn-/fasedraad en de afzonderlijke neutrale draad aangesloten zijn op dezelfde RCD, anders zal de RCD uitvallen. RCD AT-8000-TE Afbeelding 4.1: Voorbeeld van afzonderlijke neutrale verbinding Methode 2 – Als een afzonderlijke neutrale aansluiting niet praktisch is:
- Koppel de stroom van het circuit los.
- Sluit een zender direct aan op de draad zoals beschreven in de methode Draad zoeken voor spanningsloze draden met een afzonderlijke aardaansluiting (groen testsnoer aangesloten op afzonderlijke aarding in plaats van een neutrale draad).
- Voer het zoeken uit zoals beschreven in de toepassingen Draad zoeken of stroomonderbreker/zekering.22
4.2 Onderbrekingen/openingen zoeken
Het is mogelijk de exacte locatie waar een draad gebroken is, te bepalen, zelfs als de draad zich achter muren, vloeren of plafonds bevindt.
1. Zorg dat de draad spanningsloos is.
2. Gebruik de stappen die zijn beschreven in sectie 3.2 om de zender aan te sluiten en het
zoeken uit te voeren.
3. Voor de beste resultaten, dient u alle spanningsloze draden te aarden met het zwarte
testsnoer. Het zoeksignaal dat door de zender wordt gegenereerd, wordt langs de draad geleid zolang er continuïteit is in de metaalgeleider. Om een fout te vinden, zoekt u de draad tot het signaal stopt. Om de foutlocatie te controleren, verplaatst u de zender naar het andere uiteinde van de draad en herhaalt u het zoeken vanaf het tegenoverliggende uiteinde. Als het signaal stopt op exact dezelfde locatie, is de fout gelokaliseerd. Opmerking: als de plaats van de fout niet wordt gevonden, kan het resultaat een hoge weerstandsonderbreking zijn (gedeeltelijk open circuit) Een dergelijke onderbreking zou verhinderen dat er een hogere stroom vloeit, maar zal het zoeksignaal door de onderbreking geleiden. Dergelijke fouten worden niet gedetecteerd tot de draad volledig open is.
TIP SENSOR Afbeelding 4.2: De plaats van de fout zoeken
4.3 Kortsluitingen zoeken
Als er een kortsluiting in de draden optreedt, zal de stroomonderbreker/zekering uitvallen. Om dit te corrigeren, koppelt u de draden los en zorg dat de uiteinden van de draden aan beide zijden van de kabel van elkaar en van andere draden of lasten zijn geïsoleerd en spanningsloos zijn gemaakt.
1. Sluit de zender aan met de testsnoeren op het circuit zoals weergegeven in afbeelding
2. Draai de zender naar de lusmodus door de knop HIGH (HOOG) twee seconden in te
drukken. Controleer of de LED van de lus AAN is.
3. Stel de ontvanger in op de spanningsloze TIP SENSOR-modus om de leiding te zoeken.
Start het zoeken van de kabel tot het signaal stopt. Om de foutlocatie te controleren, verplaatst u de zender naar het andere uiteinde van de draad en herhaalt u het zoeken vanaf het tegenoverliggende uiteinde. Als het signaal stopt op exact dezelfde locatie, is de fout gelokaliseerd. Opmerking: Deze methode wordt beïnvloed door het signaalonderdrukkingseffect. Verwacht een relatief zwak signaal.
TIP SENSOR Afbeelding 4.3: Kortsluitingen zoeken
4.4 Kabels zoeken in metalen leidingen: Methode van aansluitdoos
De AT-8000-RE-ontvanger zal het signaal niet kunnen oppikken van de draad via de metalen leiding. De metalen leiding zal het zoeksignaal volledig afschermen. Opmerking: De ontvanger zal draden in een niet-metaalhoudende leiding kunnen detecteren. Volg algemene zoekrichtlijnen voor deze toepassingen. Om draden in een leiding te zoeken:
1. Gebruik spanningvoerende of spanningsloze TIP SENSOR-modus als omschreven in
2. Open aansluitdozen en gebruik de tip sensor van de ontvanger om te detecteren welke
draad in de aansluitdoos het signaal draagt.
3. Ga van aansluitdoos naar aansluitdoos om het pad van de draad te volgen.
Opmerking: Als het signaal direct op de leiding wordt toegepast, wordt het signaal verzonden via alle aftakkingen van de leiding zodat het zoeken van één specifiek leidingpad niet mogelijk is.
4.5 Zoeken in niet-metaalhoudende pijpen en leidingen
De AT-8000-EUR kan indirect plastic leidingen en pijpen zoeken met de volgende stappen:
1. Stop de geleidende trekveer of draad in de leiding.
2. Sluit het rode testsnoer van de zender aan op de trekveer en de groene aardleiding op
een afzonderlijke aarding als omschreven in deel 3.2.
3. Stel de ontvanger in op de spanningsloze TIP SENSOR-modus om de leiding te zoeken.
4. De ontvanger zal het signaal dat door de trekveer of de draad wordt geleid, door de
4.6 Afgeschermde draden zoeken
Een afgeschermde draad verhindert dat de ontvanger een zoeksignaal detecteert wanneer de standaard gebruikersinstructies worden gevolgd. Volg deze procedures om een afgeschermde kabel doeltreffend te zoeken. Als de afgeschermd kabel geaard is aan het uiteinde:
1. Stel de zender in de lusmodus in door de knop HIGH (HOOG) twee seconden in te
drukken. Controleer of de LED van de lus AAN is.
2. Koppel de aarde op het voorste uiteinde van de afgeschermde draad los en sluit
de afscherming aan op een van de aansluitingen van de zender (polariteit is niet belangrijk) met een testsnoer.
3. Sluit de tweede uitgang van de zender aan op een afzonderlijke aarding.
4. Stel de ontvanger in op spanningsloze TIP SENSOR-modus om de afscherming te zoeken
als omschreven in deel 3.2.
TIP SENSOR Afbeelding 4.6a: Afgeschermde draden zoeken Als de afgeschermde kabel is losgekoppeld van de aarde aan het uiteinde:
1. Stel de zender in de modus Draad zoeken in (zie deel 3.2).
2. Koppel de aarde op het voorste uiteinde van de afgeschermde draad los en sluit
de afscherming aan op een van de aansluitingen van de zender (polariteit is niet belangrijk) met een testsnoer.
3. Sluit de tweede uitgang van de zender aan op een afzonderlijke aarding.
4. Stel de ontvanger in op een draadzoekmodus om de afscherming te zoeken als
omschreven in deel 3.2.25
4. SPECIALE TOEPASSINGEN
TIP SENSOR Afbeelding 4.6b: Een afgeschermde kabel die is losgekoppeld van de aarde aan het uiteinde zoeken
4.7 Ondergrondse kabels zoeken
De AT-8000-EUR kan niet alleen draden onder de grond opsporen, maar ook draden achter muren of vloeren. Voer het zoeken uit zoals beschreven in de spanningvoerende SMART SENSOR
-modus of de spanningvoerende/spanningsloze TIP SENSOR-modi. U kunt een spanningsstaaf aansluiten om het zoeken ergonomischer en handiger te maken.
TIP SENSOR Afbeelding 4.7: Ondergrondse draden zoeken
4.8 Laagspannings- en gegevenskabels zoeken
De AT-8000-EUR kan gegevens-, audio- en thermostaatkabels zoeken (om afgeschermde gegevenskabels te zoeken, raadpleeg u sectie 4.6). Gegevens-, audio- en thermostaatkabels zoeken:
1. Sluit de zender aan met de afzonderlijke aardingsmethode zoals beschreven in sectie 3.2.
2. Stel de ontvanger in op de spanningsloze TIP SENSOR-modus om de leiding te zoeken.26
Een specifieke draad in een bundel identificeren:
1. Sluit de zender aan met de spanningvoerende of spanningsloze TIP SENSOR-modus.
Als u een spanningvoerende draad aansluit, moet u controleren of de zender is aangesloten op de laadzijde.
2. Selecteer respectievelijk de spanningvoerende of spanningsloze TIP SENSOR-modus op
de ontvanger. Trek één draad zo ver mogelijk uit de andere draden in de bundel en raak het aan met de Tip Sensor. Het sterkste signaal geeft de juiste draad in de bundel aan. Opmerking: In sommige speciale gevallen kan het nodig zijn om alle ongebruikte draden op de zenderzijde naar de aarding aan te sluiten.
TIP SENSOR 4.9a: Een spanningvoerende draad identificeren
4.10 Een circuit toewijzen met aansluiting testsnoeren
Het toewijzen van een circuit kan alleen worden uitgevoerd op spanningsloze circuits wanneer u de aansluiting van testsnoeren gebruikt.
1. Schakel de stroomonderbreker/zekering naar de positie UIT.
2. Stel de zender en ontvanger in zoals beschreven in Spanningsloze draad zoeken als
omschreven in deel 3.2.
4. Alle draden, stopcontacten en ladingen die een sterk signaal hebben, zoals aangegeven
door de ontvanger, zijn aangesloten op deze stroomonderbreker/zekering. AT-8000-TE Stroomonderbreker/ zekering UITSCHAKELEN Afbeelding 4.10: Een circuit toewijzen
4.11 Stroomonderbrekers./zekeringen zoeken op systemen met lichtdimmers
Lichtdimmers kunnen een aanzienlijke hoeveelheid elektrische "ruis" produceren die bestaat uit een multifrequentiesignalen. In sommige zeldzame situaties kan de ontvanger deze ruis, vaak een "ghost"signaal genoemd, verkeerd aflezen als een door de zender -gegenereerd signaal. Daardoor kan de ontvanger misleidende waarden geven. Als u stroomonderbrekers of zekeringen op lichtdimmers zoekt, moet de dimmer uit zijn (de lichtschakelaar is uit). Dit verhindert dat de ontvanger een verkeerde stroomonderbreker/ zekering aanduidt.28
4. SPECIALE TOEPASSINGEN
4.12 Signaalklem - Gesloten luscircuits
Gesloten lus, spanningsloze en lage impedantiecircuits De tang wordt gebruikt voor toepassingen waar er geen toegang is tot een blote geleider voor het aansluiten van de testsnoeren. Wanneer de tang wordt aangesloten op de zender, kan de zender een signaal opwekken naar de spanningvoerende of spanningsloze draad door de isolatie. Standaard toepassingen van de signaalklem omvatten het zoeken van leidingen of afschermingen die geaard zijn aan beide uiteinden. Voor signaalkabels en spanningsloze draden of ladingen, moet u het circuit tijdelijk aarden aan beide uiteinden om het zoeken uit te voeren. De signaalklem aansluiten
1. Sluit de testsnoeren van de CT-400-EUR aan op de aansluitingen van de zender
(polariteit heeft geen belang).
2. Klem de CT-400-EUR voedingsstroomtang rond de geleider. Om het signaal sterker te
maken, draait u de geleiderdraad indien mogelijk enkele keren rond de klem. AT-8000-TE Afbeelding 4.12a: Aansluiting signaalklem Instelling van de AT-8000-TE-zender
1. Druk op de Aan/uit-knop om de zender in
te schakelen. De rode LED-indicator van de spanningsstatus moet UIT zijn wanneer de klem wordt aangesloten en bij het werken met spanningvoerende of spanningsloze systemen.
2. Houd de knop gedurende meer dan
2 seconden ingedrukt voor de HOGE signaalmodus en selecteer de lusmodus op de zender. Deze klemmodus (lusmodus) genereert een versterkt 6 kHz-signaal om superieure zoekresultaten te leveren. AT-8000-T TRANSMITTER
Afbeelding 4.12b: Zenderindicator met signaal in lusmodus29
4. SPECIALE TOEPASSINGEN
AT-8000-RE-ontvanger gebruiken
1. Druk op de Aan/uit-knop om de ontvanger in te schakelen; het laden van het Home-
scherm kan tot 30 seconden duren.
2. Selecteer de spanningvoerende TIP SENSOR-modus met de richtingspijlen en drukken
op de gele ENTER-knop.
3. Houd de ontvanger met de Tip Sensor naar het doelgebied gericht.
4. Scan het doelgebied met de Tip Sensor om het hoogste signaalniveau te zoeken. Pas
tijdens het zoeken periodiek de gevoeligheid aan om de signaalsterkte in de buurt van 75 te houden. Verhoog of verlaag de gevoeligheid door op het toetsenblok op + of – te drukken.
5. Positionering ontvanger: Voor de beste resultaten lijnt u de groef uit op de tip sensor
met de draad in de richting zoals weergegeven. Het signaal gaat mogelijk verloren als deze niet goed is uitgelijnd.
6. Om de richting van de draad te controleren, moet u de ontvanger periodiek 90 graden
draaien. De signaalsterkte zal de hoogst zijn wanneer de draad is uitgelijnd op de Tip Sensor-groef.
7. Druk op ENTER wanneer u klaar bent om terug te keren naar het startscherm.
Afbeelding 4.12c: De tip sensor uitlijnen met de draad Tipgroef Uitlijnen Afbeelding 4.12d: De ontvanger draaien voor uitlijnen met de draad
- Opmerking: Houd de ontvanger voor de beste resultaten minstens 1 m van de zender, signaalklem en zijn testsnoeren om de signaalstoring te minimaliseren en de resultaten van het zoeken van draden te verbeteren.30
4. SPECIALE TOEPASSINGEN
4.13 Signaalklem - Circuits toewijzen
De tang kan worden gebruikt voor het toewijzen van ladingen aan specifieke stroomonderbrekers/zekeringen op zowel spanningvoerende als spanningsloze systemen. U hoeft de voeding niet los te koppelen.
1. Klem de CT-400-EUR rond de draad op het stroomonderbrekers-/zekeringspaneel.
2. Stel de zender en ontvanger in zoals beschreven in het vorige deel 4.12.
3. Scan spanplaten van stopcontacten en draden die ladingen verbinden met de TIP
sensor van de ontvanger. Bij gebruik van de lusmodus moet u de ontvanger instellen op de spanningvoerende TIP SENSOR-modus.
4. Alle draden, stopcontacten en ladingen die een sterk signaal hebben, zoals aangegeven
door de ontvanger, zijn aangesloten op deze stroomonderbreker/zekering. AT-8000-TE Afbeelding 4.13: Ladingen zoeken met de signaalklem31
De zenderbatterijen vervangen Het batterijvak op de achterkant van de zender is ontworpen om het voor de gebruiker gemakkelijk te maken de batterijen te vervangen. Er wordt een schroef toegevoegd om de batterij vast te houden in het geval u de eenheid laat vallen. Acht (8) AA alkaline of oplaadbare NiMH-batterijen kunnen worden gebruikt. NiMH-batterijen moeten worden verwijderd om te worden opgeladen. Opmerking: Batterijen zijn niet vooraf geïnstalleerd in de zender.
1. Zorg dat de zender is uitgeschakeld en losgekoppeld van het circuit.
2. Gebruik een sterschroevendraaier om de schroeven van het batterijvak los te schroeven.
3. Verwijder de batterijklep (afbeelding 5.1a).
4. Installeer de batterijen.
5. Plaats de batterijklep terug en maak deze vast met de schroeven.
Schroef 8 x AA- batterijen Batterijdeksel Afbeelding 5.1a: Zenderbatterijen vervangen32
Handmatig selecteren van het batterijtype van de zender Het type batterijen dat wordt gebruikt- alkaline- of oplaadbare NiMH- kunnen automatisch worden herkend bij het inschakelen van het apparaat of kunnen handmatig worden gedefinieerd door de gebruiker. Stel het batterijtype in als alkaline:
1. Controleer of de zender is uitgeschakeld.
2. Houd de knop VOLUME HOGER (+) ingedrukt.
3. Druk op de Aan/uit-knop terwijl u op de knop voor een hoger volume drukt. Het
gekozen batterijtype zal alkaline zijn. Stel het batterijtype in als oplaadbaar NiMH:
1. Controleer of de zender is uitgeschakeld.
2. Houd de knop VOLUME LAGER (-) ingedrukt.
3. Druk op de Aan/uit-knop terwijl u op de knop voor een lager volume drukt. Het
gekozen batterijtype zal oplaadbare NiMH zijn. Als het batterijtype niet handmatig wordt gedefinieerd, wordt het batterijtype automatisch herkend. De automatische herkenning van het batterijtype trekt meer stroom en kan onbetrouwbaar zijn als ongeschikte of oude batterijen worden gebruikt. De automatische batterijherkenning kan ook onbetrouwbaar zijn als de oplaadbare batterijen niet werden opgeladen gedurende meer dan een maand. Batterijstatus van zender Gekoppeld aan 8 AA-batterijen van hetzelfde type en in serie geschakeld. BATTERIJDREMPEL ALKALINE Apparaat wordt uitgeschakeld als de spanning lager is dan 6,9 V Batterij leeg – RODE LED knippert als de spanning >7,3 V en < 9,4 V is 0-10% - RODE LED is AAN voor spanningen van >9,6 V en <9,9 V 10-40% - Twee gele LED’s zijn AAN voor spanningen van >10 V en <10,8 V 40-75% - Drie groene LED’s zijn AAN voor spanningen van >10,9 V en <12 V >75% - Vier groene LED’s zijn AAN voor spanningen van > 12 V BATTERIJDREMPEL NiMH Apparaat wordt uitgeschakeld als de spanning lager is dan 6,9 V Batterij leeg – RODE LED knippert als de spanning >7,1 V en < 7,3 V is 0-10% - RODE LED is AAN voor spanningen van >7,4 V en <7,6 V 10-40% - Twee gele LED’s zijn AAN voor spanningen van >7,7 V en <8,5 V 40-75% - Drie groene LED’s zijn AAN voor spanningen van >8,6 V en <9,7 V >75% - Vier groene LED’s zijn AAN voor spanningen van > 9,8 V33 De batterijen van de ontvanger vervangen Het batterijvak op de achterkant van de ontvanger is ontworpen om het voor de gebruiker gemakkelijk te maken de batterijen te vervangen. Er wordt een schroef toegevoegd om de batterij vast te houden in het geval u de eenheid laat vallen. Vier (4) AA alkaline of oplaadbare NiMH-batterijen kunnen worden gebruikt. NiMH-batterijen moeten worden verwijderd om te worden opgeladen. Opmerking: Batterijen zijn niet vooraf geïnstalleerd in de ontvanger.
1. Controleer of de ontvanger is uitgeschakeld.
2. Gebruik een platte schroefdriver om de schroef los te maken.
3. Verwijder de batterijklep (afbeelding 5.1b).
4. Installeer de batterijen.
5. Plaats de batterijklep terug en maak deze vast met de bijgeleverde schroef.
Schroef Batterijdeksel 4 x AA- batterijen Afbeelding 5.1b: Batterijen van de ontvanger vervangen
5.2 De zekering vervangen
De zekering van de ontvanger vervangen
Waarschuwing: Om schokken, letsels of schade aan de zender te voorkomen, moet u de testsnoeren loskoppelen voordat u de behuizing opent.
1. Koppel alle testsnoeren los van de zender.
2. Controleer of de zender is uitgeschakeld.
3. Gebruik een sterschroevendraaier om de kantelstandschroeven los te maken.
4. Verwijder de batterijklep en alle batterijen.
5. Gebruik een sterschroevendraaier om de bevestigingsschroeven los te maken.
6. Verwijder de achterklep door deze omhoog te trekken (afbeelding 5.2).
7. Verwijder de zekering uit de zekeringhouder.
8. Plaats de nieuwe zekering (1,6 A, 700 V MAX, SNEL Ø 6X32 mm) in de zekeringkast.
9. Plaats de achterklep terug, maak deze vast met de bevestigingsschroeven en gebruik
een sterschroevendraaier om de schroeven aan te halen. Zekering Afbeelding 5.2: De zekering van de zender vervangen35
bedrijfsspanning 0 tot 600 V AC/DC 0 tot 600 V AC/DC 0 tot 1.000 V AC Bedrijfsfrequentie Ingeschakeld: 6,25 kHz Spanningsloos: 32,768 kHz Ingeschakeld: 6,25 kHz Spanningsloos: 32,768 kHz Lusmodus: 6,25 kHz Hoge / Lage modus: 32,768 kHz AC-stroommeting: 45 Hz tot 400 Hz Spanningsdetectie Zie NCV-detectie > 30 V AC/DC Nvt. Signaalindicaties Weergave numeriek staafdiagram en hoorbare pieptoon LED’s en hoorbare pieptoon Nvt. Responstijd Slimme modus: 750 mSec Tip Sensor spanningvoerend: 300 mSec Tip Sensor spanningsloos: 750 mSec NCV: 500 mSec Batterijmonitoring: 5 sec Monitoring lijnspanning: 1 sec Monitoring batterijspanning: 5 sec Onmiddellijk Afgegeven stroom van signaal (standaard) Nvt. Spanningvoerend circuit: HI-modus: 60 mA RMS LO-modus: 30 mA RMS Spanningsloos circuit: HI-modus: 130 mA RMS LO-modus: 40 mA RMS Lusmodus: 160 mA RMS 1 mA/A voor AC- stroommeting met multimeter Signaal spanningsuitgang (nominaal) Nvt. Spanningsloos circuit: LAAG: 29 V RMS, 120 Vp-p HOOG: 33 V RMS, 140 Vp-p Met CT-400-EUR: Lusmodus: 31 V RMS, 120 Vp-p Spanningsloos circuit: 2,4 V RMS, 24 Vp-p Bereikdetectie (openlucht) Slimme modus Lokaliseren: Ca. 5 cm (1,97-in) radius (±2%) Richtingsaanduiding: Tot 1,5 m (5 FT) (±2%) TIP Sensor: Spanningvoerend Lokaliseren: ongeveer 5 cm (1,97-in) (±1%) Detectie: Tot 6,7 m (22 FT) (±1%) TIP Sensor: spanningsloos Detectie: Tot 4,3 m (14 FT) (±5%) NCV (40-400 Hz) Lokaliseren: ongeveer 5 cm (1,97-in) radius (±5%) Detectie: Tot 1,2 m (4 FT) (±5%) Nvt. Nvt.36
Notice-Facile