Atlas D Eco K Unit - Warmtepomp FERROLI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Atlas D Eco K Unit FERROLI in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Atlas D Eco K Unit FERROLI
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Warmtepomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Atlas D Eco K Unit - FERROLI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Atlas D Eco K Unit van het merk FERROLI.
GEBRUIKSAANWIJZING Atlas D Eco K Unit FERROLI
- Lees de waarschuwingen in deze handleiding aandachtig door, omdat ze belangrijke veiligheidsinformatie bevatten met betrekking tot de installatie, het gebruik en het onderhoud.
- De handleiding is een essentieel onderdeel van het product en moet zorgvuldig bewaard worden door de gebruiker voor verdere raadpleging.
- Bij verhuizing of verandering van eigenaar van het apparaat, dient deze handleiding de verwarmingsketel altijd te vergezellen zodat deze door de nieuwe eigenaar, gebruiker en/of installateur kan worden geraadpleegd.
- De installatie en het onderhoud moeten door technisch gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd en met inachtneming van de geldende normen en overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant.
- Verkeerde installatie of slecht onderhoud kan letsel veroorzaken aan personen of dieren en tot materiële schade leiden. De fabrikant aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade die veroorzaakt is door een niet goed uitgevoerde installatie, oneigenlijk gebruik en het niet opvolgen van de door de fabrikant verstrekte aanwijzingen.
- Alvorens een willekeurige reinigings- of onderhoudswerkzaamheid uit te voeren, het apparaat van het elektriciteitsnet loskoppelen door de hoofdschakelaar van de installatie uit te schakelen en/of de daarvoor bestemde afsluitsystemen te activeren.
- In geval van storingen en/of als het apparaat slecht werkt, moet het uitgeschakeld worden. Er mogen op geen enkele wijze pogingen tot reparatie of andere ingrepen worden ondernomen. Wendt u zich uitsluitend tot technisch gekwalificeerd, geautoriseerd personeel. Eventuele reparaties-vervangingen van producten mogen uitsluitend door technisch gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd en uitsluitend met gebruik van originele onderdelen ter vervanging. Het niet naleven van bovenstaande voorschriften kan tot gevolg hebben dat het apparaat niet veilig meer is.
-
De goede werking van het apparaat kan uitsluitend gewaarborgd worden indien periodiek een onderhoudsbeurt door gekwalificeerd personeel wordt uitgevoerd.
-
Dit apparaat mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het uitdrukkelijk ontworpen is. Ieder ander gebruik wordt als oneigenlijk, en dus gevaarlijk beschouwd.
- Controleer na het verwijderen van de verpakking of de inhoud intact is. De onderdelen van de verpakking mogen niet binnen het bereik van kinderen worden achtergelaten, want dat kan gevaar opleveren.
- Het apparaat mag worden gebruikt door kinderen van 8 jaar en ouder en door personen met lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke beperkingen of met een gebrek aan ervaring of kennis, mits ze onder toezicht staan en geïnstrueerd zijn betreffende het veilige gebruik van het apparaat en bekend zijn met de daaraan verbonden gevaren. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen. De door de gebruiker uit te voeren reiniging en het onderhoud mogen ook door kinderen vanaf 8 jaar worden uitgevoerd, mits deze onder toezicht staan.
- Het apparaat in geval van twijfel niet gebruiken en contact opnemen met de leverancier.
- Het apparaat en de bijbehorende accessoires moeten op passende wijze tot afval verwerkt worden, in overeenstemming met de geldende voorschriften.
- De afbeeldingen in deze handleiding zijn een vereenvoudigde voorstelling van het product. Er kunnen lichte en niet-significante verschillen zijn tussen deze voorstelling en het geleverde product.
DE CE-MARKERING CERTIFICATEERT DAT DE PRODUCTEN VOLDOEN AAN DE ESSENTIÈLE EISEN

VAN DE BETROKKEN GELDENDE RICHTLIJNEN. DE VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING KAN BIJ DE PRODUCENT WORDEN AANGEVRAAGD.
Dit symbool dat op het product, op de verpakking of op de documentatie staat, geeft aan dat het product aan het einde van de gebruiksduur niet samen met huishoudelijk afval mag worden ingezameld of verwijderd.

Een onjuist beheer van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur kan leiden tot het vrijkomen van gevaarlijke stoffen in het product. Om schade aan het milieu of aan de gezondheid te voorkomen, wordt de gebruiker verzocht om deze apparatuur te scheiden van andere soorten afval en deze bij de gemeentelijke inzameldienst af te geven of op te laten halen door de distributeur, volgens de voorwaarden en de voorschriften die zijn vastgelegd in de nationale bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2012/19/EU.
2. GEBRUIKSAANWIJZINGEN
2.1 Presentatie
Beste klant,
Wij danken u dat uw keus is gevallen op FERROLI, een ketel volgens geavanceerd concept en vooruitstrevende technologie, een uiterst betrouwbare constructie van hoogstaande kwaliteit. Wij verzoeken u deze handleiding aandachtig door te lezen, want er staan belangrijke veiligheidsvoorschriften in vermeld omtrent installatie, gebruik en onderhoud.
ATLAS D ECO 30/42 K 100/130 UNIT het betreft een hoge-rendements warmtegenerator voor verwarming en distributie van warm sanitair water, die met een brander op olie werkt. De verwarmingsketel bestaat uit gietijzeren elementen, met dubbelkegelvormige en stalen trekstangassemblage, gemonteerd op een verglaasde, snelvul-boiler voor warm sanitair water, met magnesiumanode voor roestwering. Het controlesysteem werkt met een microprocessor met digitale interface, met geavanceerde functies voor warmteregeling.
2.2 Bedieningspaneel
Paneel<

text_image
12 14 19 15 5 16 7 ecomfort -88°C bar on off eco comfort mode res et 8 13 27 88°C bar 26 24 3 25 23 4 22 21 20 18 17 6 8fig. 1 - Controlepaneel
Legenda paneel
1 = Toets verlagen ingestelde temperatuur warm sanitair water
2 = Toets verhogen ingestelde temperatuur warm sanitair water
3 = Toets verlagen ingestelde temperatuur verwarmingsinstallatie
4 = Toets verhogen ingestelde temperatuur verwarmingsinstallatie
5 = Display
6 = Keuzetoets modus Zomer /Winter
7 = Keuzetoets modus Economy / Comfort
8 = Resettoets
9 = Toets in-/uitschakelen apparaat
10 = Toets menu "Weersafhankelijke Temperatuur"
11 = Aanduiding ingestelde temperatuur warm sanitair water bereikt
13 = Aanduiding sanitaire werking
14 = Instelling/ temperatuur uitgang warm sanitair water
16 = Temperatuur externe sensor ( externe sonde optioneel)
17 = Verschijnt wanneer de externe Sonde of de Klokthermostaat met Afstandsbediening aangesloten is (beide optioneel)
18 = Omgevingstemperatuur (met optionele Klokthermostaat met Afstandsbediening)
19 = Aanduiding brander ingeschakeld
20 = Aanduiding antivrieswerking
21 = Aanduiding druk verwarmingsinstallatie
22 = Aanduiding Storing
23 = Instelling / temperatuur drukzijde verwarming
25 = Aanduiding werking verwarming
26 = Aanduiding ingestelde temperatuur drukzijde verwarming bereikt
27 = Aanduiding modus Zomer
Aanduiding tijdens werkinsg
Verwarming
Het verzoek om verwarming (door de Omgevingsthermostaat of de Timerafstandsbediening) wordt aangeven met knipperen van de warme lucht boven de radiator (detail 24 en 25 - fig. 1).
fig. 1De streepjes die de verwarmingsgraad aangeven (detail 26 - ) gaan branden naarmate de temperatuur van de verwarmingssensor de ingestelde waarde dichter benadert.

Het verzoek om sanitair water (naar aanleiding van gebruik van warm sanitair water) wordt aangegeven met knipperen van het warm water onder de kraan (detail 12 en 13 - fig. 1). Controleer of de functie Comfort geactiveerd is(detail 15 - fig. 1)
De streepjes die de temperatuur van het sanitaire water aangeven (detail 11 - fig. 1) gaan branden naarmate de temperatuur van de sensor van het sanitaire water de ingestelde waarde dichter benadert.

De gebruiker kan het verwarmen/op temperatuur houden van de boiler uitschakelen. Als hij uitgeschakeld wordt, zal er geen sanitair warm water worden afgegeven.
Wanneer verwarming van de boiler actief is (standaard ingesteld) wordt op het display het symbool COMFORT (detail 15 - fig. 1) geactiveerd; wanneer ze is uitgeschakeld is op het display het symbool ECO (detail 15 - fig. 1) geactiveerd
De gebruiker kan de boiler uitschakelen (modus ECO) door te drukken op de toets eco/comfort (detail 7 - fig. 1). Druk nogmaals op de toets eco/comfort (detail 7 - fig. 1) om de modus COMFORT te activeren.
2.3 In- en uitschakelen
Ketel zonder stroomvoeding

fig. 4 - Ketel zonder stroomvoeding
Wanneer de stroomvoeding en/of gastoevoer van het apparaat wordt onderbroken functioneert het antivriessysteem niet. Voor lange pauzes tijdens de winterperiode is het raadzaam, om vorstschade te voorkomen, al het water in de verwarmingsketel, het sanitaire water en het water in de installatie af te tappen; of alleen het sanitaire water af te tappen en een speciaal antivriesmiddel in de verwarmingsinstallatie te doen, in overeenstemming sez. 3.3met hetgeen vermeld staat in .
Aanzetten verwarmingsketel
- Maak de brandstofkleppen open.
- Schakel de stroom naar het apparaat in.

- De eerstvolgende 120 seconden wordt op het display FH weergegeven, hetgeen betekent dat de verwarmingsinstallatie ontlucht wordt.
- De eerste 5 seconden verschijnt op het display tevens de softwareversie van de kaart.
- Wanneer de melding FH niet meer zichtbaar is, is de verwarmingsketel gereed om automatisch te starten telkens wanneer er sanitair warm water wordt gebruikt of wanneer de omgevingsthermostaat hierom vraagt.
Uitschakelen verwarmingsketel
Druk 1 seconde op de toets on/off (detail 9 - fig. 1).

Wanneer de verwarmingsketel word uitgezet, wordt de elektronische kaart nog van stroom voorzien.
De sanitaire en verwarmingswerking is niet meer actief. Het antivriessysteem blijft actief.
Druk nogmaals 1 seconde op de toets on/off (detail 9 - fig. 1) om de ketel weer aan te zetten.

text_image
-1+ 38°C 900 48°C 12 bar on off resetfig. 7
De verwarmingsketel is onmiddellijk gereed om te functioneren telkens wanneer er warm sanitair water wordt gebruikt of de omgevingsthermostaat hierom vraagt.
2.4 Instellingen
Omschakelen Zomer/Winter
Druk 1 seconde op de toets zomer/winter (detail 6 - fig. 1).

text_image
-1+ 38°C 900 48°C 12h a o centay no de re s φ on offfig. 8
Op het display wordt het symbool Zomer (detail 27 - fig. 1) actief: de verwarmingsketel levert uitsluitend warm water. Het antivriessysteem blijft actief.
Druk weer 1 seconde op de toets zomer/winter (detail 6 - fig. 1) om de modus Zomer te deactiveren.
Regeling van verwarmingstemperatuur
Bedien de verwarmingstoetsen (detail 3 en 4 - fig. 1) om de temperatuur te variëren van minimaal 30 °C tot maximaal 80 °C.
Wij raden u in elk geval aan de verwarmingsketel niet onder de 45° te laten werken.

Regeling van temperatuur sanitair water
-/+ Bedien de toetsen voor sanitair water fig. 1 (detail 1 en 2 - ) om de temperatuur te variëren van minimaal 10°C tot maximaal 65°C.

text_image
55°C 900 48°C 12bar on off res φfig. 10
Regeling van de omgevingstemperatuur (met optionele omgevingsthermostaat)
Stel met behulp van de omgevingsthermostaat de voor de vertrekken gewenste temperatuur in. Als er geen omgevingsthermostaat aanwezig is zorgt de verwarmingsketel ervoor dat het systeem op de ingestelde setpoint-temperatuur aan de drukzijde van de installatie gehouden wordt.
Regeling van de omgevingstemperatuur (met optionele timerafstandsbediening)
Stel met behulp van de timerafstandsbediening de gewenste temperatuur voor de vertrekken in. De verwarmingsketel stelt de temperatuur van het water in de installatie af op grond van de gewenste omgevingstemperatuur. Voor wat de werking met timerafstandsbediening betreft, wordt verwezen naar de betreffende gebruikershandleiding.
Weersafhankelijke temperatuur
Wanneer de externe temperatuursonde (optioneel) wordt geïnstalleerd, wordt op het display van het bedieningspaneel (detail 5 - fig. 1) de werkelijke, door de sonde gemeten buitentemperatuur weergegeven. Het regelsysteem van de verwarmingsketel werkt met "Weersafhankelijke Temperatuur". In deze modus wordt de temperatuur van de verwarmingsinstallatie gereguleerd overeenkomstig de externe weersomstandigheden, zodat gedurende het hele jaar verhoogd comfort en energiebesparing wordt gegarandeerd. Namelijk bij toename van de buitentemperatuur wordt de uitgangstemperatuur van de installatie volgens een vastgestelde "compensatiecurve" verlaagd.
Bij regeling met Weersafhankelijke temperatuur wordt de temperatuur die ingesteld is met de verwarmingstoetsen -/+ (detail 3 en 4 - fig. 1) de maximum uitgangstemperatuur van de installatie. Aanbevolen wordt om de maximumwaarde in te stellen, zodal het systeem bij het regelen gebruik kan maken van het gehele functioneringsbereik.
De verwarmingsketel moet tijdens de installatiefase door gekwalificeerd personeel worden afgesteld. Ter verhoging van het comfort kan de gebruiker echter ook enige aanpassingen programmeren.
Compensatiecurve en verplaatsen van curven
Door eenmaal op de toets mode (detail 10 - fig. 1) te drukken wordt de huidige compensatiecurve (fig. 11) afgebeeld en kan ze gewijzigd worden met de toetsen sanitair water (detail 1 en 2 - fig. 1).
Stel de gewenste curve in van 1 - 10 op grond van het kenmerk (fig. 13).
Wanneer de curve op 0 wordt ingesteld, is de weersafhankelijke temperatuur niet geactiveerd.

text_image
-1+ 08 -11°C CU- otc -1+ +/-fig. 11 - Kromming stooklijn
Door te drukken op de verwarmingstoetsen (detail 3 en 4 - fig. 1) wordt toegang verkregen tot parallelle verplaatsing van de curven (fig. 14), die gewijzigd kan worden met de toetsen sanitair water (detail 1 en 2 - fig. 1).

fig. 12 - Parallel verplaatsen van de curven
Druk nogmaals op de toets mode (detail 10 - fig. 1) om de modus voor afstellen van parallele verplaatsing van de curven af te sluiten.
Als de omgevingstemperatuur lager blijkt dan de gewenste waarde wordt aanbevolen een hogere curve in te stellen en omgekeerd. Verhoog of verlaag de curve met één eenheid en verifieer daarna de omgevingstemperatuur.

line
| X-Axis | Y-Axis | |---|---| | -20 | 30 | | -10 | 35 | | -20 | 40 | | -10 | 45 | | -10 | 50 | | -10 | 55 | | -10 | 60 | | -10 | 65 | | -10 | 70 | | -10 | 75 | | -10 | 80 | | -10 | 85 | | -10 | 90 | | 0 | 35 | | 1 | 40 | | 2 | 45 | | 3 | 50 | | 4 | 55 | | 5 | 60 | | 6 | 65 | | 7 | 70 | | 8 | 75 | | 9 | 80 | | 10 | 85 | | 11 | 90 | | 12 | 95 | | 13 | 100 | | 14 | 105 | | 15 | 110 | | 16 | 115 | | 17 | 120 | | 18 | 125 | | 19 | 130 | | 20 | 135 | | 21 | 140 | | 22 | 145 | | 23 | 150 | | 24 | 155 | | 25 | 160 | | 26 | 165 | | 27 | 170 | | 28 | 175 | | 29 | 180 | | 30 | 185 | | 31 | 190 | | 32 | 195 | | 33 | 200 | | 34 | 205 | | 35 | 210 | | 36 | 215 | | 37 | 220 | | 38 | 225 | | 39 | 230 | | 40 | 235 | | 41 | 240 | | 42 | 245 | | 43 | 250 | | 44 | 255 | | 45 | 260 | | 46 | 265 | | 47 | 270 | | 48 | 275 | | 49 | 280 | | 50 | 285 | | 51 | 290 | | 52 | 295 | | 53 | 300 | | 54 | 305 | | 55 | 310 | | 56 | 315 | | 57 | 320 | | 58 | 325 | | 59 | 330 | | 60 | 335 | | 61 | 340 | | 62 | 345 | | 63 | 350 | | 64 | 355 | | 65 | 360 | | 66 | 365 | | 67 | 370 | | 68 | 375 | | 69 | 380 | | 70 | 385 | | 71 | 390 | | 72 | 395 | | 73 | 400 | | 74 | 405 | | 75 | 410 | | 76 | 415 | | 77 | 420 | | 78 | 425 | | 79 | 430 | | 80 | 435 | | 81 | 440 | | 82 | 445 | | 83 | 450 | | 84 | 455 | | 85 | 460 | | 86 | 465 | | 87 | 470 | | 88 | 475 | | 89 | 480 | | -20-21-22-23-24-26-28-30-32-36-48-64-76-96-116-138-169-219-379-68-99-179-219-399-69-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-99-9fig. 13 - Compensatiecurven

line
| OFFSET | X | Y | |--------|------|------| | 20 | 20 | 20 | | 20 | 10 | 85 | | 20 | 0 | 85 | | 20 | -10 | 85 | | 20 | -20 | 85 | | 40 | 20 | 40 | | 40 | 10 | 85 | | 40 | 0 | 85 | | 40 | -10 | 85 | | 40 | -20 | 85 |fig. 14 - Voorbeeld van parallelle verplaatsing van de compensatiecurven
Regeling vanaf de timerafstandsbediening

tabella 1Is de verwarmingsketel aangesloten op een Timerafstandsbediening (optioneel), dan worden de bovengenoemde afstellingen uitgevoerd volgens hetgeen vermeld staat in . Bovendien wordt op het display van het bedieningspaneel (detail 5 - fig. 1) de actuele, door de Timerafstandsbediening gemeten omgevingstemperatuur weergegeven.
Tabella. 1
| Regeling van verwarmingstemperatuur | Deze temperatuur kan zowel in het menu van de Timerafstandsbediening afgesteld worden als op het bedieningspaneel van de verwarmingsketel. |
| Regeling van temperatuur saniair water | Deze temperatuur kan zowel in het menu van de Timerafstandsbediening afgesteld worden als op het bedieningspaneel van de verwarmingsketel. |
| Omschakelen Zomer/Winter | De functie Zomer heeft voorrang op de eventuele vraag om verwarming van de Timerafstandsbediening. |
| Keuze Eco/Comfort | Bij uitschakeling van de functie Sanitair in het menu van de Timerafstandsbediening gaat de verwarmingsketel over naar de modus Economy. In dit geval is toets 7 - fig. 1 op het bedieningspaneel van de verwarmingsketel uitgeschakeld. |
| Bij inschakeling van de functie Sanitair in het menu Timerafstandsbediening gaat de verwarmingsketel over naar de modus Comfort. In dit geval kan met toets 7 - fig. 1 op het bedieningspaneel van de verwarmingsketel een van beide functies gekozen worden. | |
| Weersafhankelijke temperatuur | Zowel de Timerafstandsbediening als de elektronische kaart van de ketel behe-ren beide de regeling met Weersafhankelijke Temperatuur: van deze twee is de Weersafhankelijke Temperatuur van de kaart van de verwarmingsketel prioritair. |
Afstelling hydraulische druk installatie
De vuldruk bij een koude installatie, weergegeven op het display, moet ongeveer 1,0 bar bedragen. Wanneer de druk in de installatie onder de minimumwaarden daalt, activeert de kaart van de verwarmingsketel storing F37 (fig. 15).

text_image
F37fig. 15 - Storing druk installatie onvoldoende
Kit expansievat en optionele kraan
Op aanvraag is een optionele kit met een sanitair expansievat en een vulkraan verkrijgbaar.
De kraan moet geïnstalleerd worden waarbij de richting van de pijl in acht genomen moet worden.
Wanneer hij geïnstalleerd is, de vulkraan bedienen (detail 1 - fig. 16) om de druk in de installatie weer tot een waarde van meer dan 1,0 bar te verhogen.

text_image
1fig. 16- Vulkraan (optioneel)

Wanneer de druk in de installatie weer hersteld is, activeert de verwarmingsketel een ontluchtingscyclus van 120 seconden, helgeen op het display met FH wordt weergegeven.
3. INSTALLATIE
3.1 Algemene regels
DE INSTALLATIE VAN DE VERWARMINGSKETEL MAG UITSLUITEND DOOR GESPECIALISEERD EN SPECIFIEK OPGELEID PERSONEEL WORDEN UITGEVOERD, MET INACHTNEMING VAN ALLE INSTRUCTIES VAN DEZE TECHNISCHE HANDLEIDING, VAN DE BEPALINGEN VAN DE GELDENDE WETGEVING, VAN DE VOORSCHRIFTEN VAN DE PLAATSELIJK EN LANDELIJK VAN KRACHT ZIJNDE NORMEN, EN VOLGENS DE REGELS VAN GOEDE TECHNIEK.
3.2 Installatieplaats
De verwarmingsketel moet in een aparte ruimte geplaatst worden, met ventilatieopeningen naar buiten, in overeenstemming met de geldende voorschriften. Als er zich in dezelfde ruimte meerdere branders of afzuiginstallaties bevinden die tegelijkertijd kunnen functioneren, moeten de ventilatieopeningen afmetingen hebben die geschikt zijn voor gelijktijdige werking van alle apparatuur. Er mogen zich geen brandbare voorwerpen of materialen in de ruimte bevinden of bijtende gassen, stoffen of vluchtige deeltjes die, aangezogen door de branderventilator, verstopping van de interne branderleidingen of van de verbrandingskop kunnen veroorzaken. Het vertrek moet droog zijn en mag niet blootstaan aan regen, sneeuw of vorst.

Als het apparaat wordt omsloten door meubels of als er meubels naast worden gemonteerd, moet er ruimte worden vrijgehouden voor demontage van de behuizing en om de normale onderhoudswerkzaamheden te kunnen uitvoeren
3.3 Hydraulische aansluitingen
Aanwijzingen
Het thermisch vermogen van het apparaat moet vooraf worden vastgesteld door berekening van de warmtebehoefte van het gebouw volgens de geldende voorschriften. De installatie moet uitgerust zijn met alle componenten, zodat ze correct en regelmatig kan werken. Het is raadzaam om tussen verwarmingsketel en verwarmingsinstallatie afsluitkleppen te plaatsen waarmee de verwarmingsketel zo nodig van de installatie geïsoleerd kan worden.

De afvoer van de veiligheidsklep moet worden verbonden met een trechter of een verzamelleiding, om te voorkomen dat er water over de vloer loopt als er overdruk in het verwarmingscircuit is. Indien dit niet gebeurt en de afvoerklep ingrijpt waardoor de ruimte onder water loopt, kan de fabrikant van de verwarmingsketel niet aansprakelijk worden gesteld.
Gebruik de leidingen van de hydraulische installaties niet voor aarding van elektrische apparaten.
Reinig, voordat u de installatie verricht, alle leidingen van het systeem zorgvuldig om eventuele restmaterialen of vuil te verwijderen, die de goede werking van het apparaat nadelig kunnen beïnvloeden.
Verricht de aansluitingen op de overeenkomstige aansluitpunten, zoals in de afbeelding van cap. 5 is weergegeven en volgens de op het apparaat aangebrachte symbolen.

Installeer bij de ingang van het sanitair koud water de terugslag- en veiligheidsklep 'A' (zie fig. 17), die met de ketel wordt meegeleverd. Houd rekening met de richting van de pijl op de klep.

text_image
Afig. 17 - Installatie terugslag- en veiligheidsklep

Installeer op de toevoer van de installatie de terugslagklep 'A' (ziefig. 18), die met de ketel wordt meegeleverd en breng de pakking 'B' aan. Houd rekening met de richting van de pijl op de klep.

text_image
A Bfig. 18 - Installatie terugslagklep
Hoog efficiënte circulatiepomp boiler
Voor een goede werking van de verwarmingsketel ATLAS D ECO 30/42 K 100/130 UNIT, moet de snelheidskeuzeknop (zie fig. 19) op stand III gezet worden.

text_image
Milo 1 Min. 4 I II 7 IIIfig. 19
Circulatiepomp Hoog efficiënte verwarming
De fabrieksinstelling is geschikt voor alle installaties; het is echter mogelijk om een andere werkingsstrategie in te stellen, op basis van de eigenschappen van de installatie.
Waarde Dp-v
Proportionele prevalentie

text_image
Min. 1 4 7 I II IIIfig. 20
Waarde
Vaste snelheid

text_image
Min. 1 4 7 I II IIIfig. 21
- Waarde Dp-v Proportionele prevalentie (fig. 20)
De Prevalentie van de circulatiepomp zal automatisch beperkt worden bij de afname van het door de installatie gevraagde debiet. Deze waarde blijkt optimaal voor installaties met radiatoren (2 buizen of een enkele buis) en/of thermostaatkleppen.
De sterke punten zijn de beperking van elektriciteitsverbruik bij de afname van de vraag van de installatie en de vermindering van het lawaai op radiatoren en/of thermostaatkleppen. Het werkingsbereik loopt van minimum (1) tot maximum (7).
- Waarde Vaste snelheid (fig. 21)
De circulatiepomp moduleert het eigen vermogen niet. Het werkingsprincipe is dat van de traditionele circulatiepompen met 3 snelheden (met een beperking van het elektrici- teitsverbruik ten opzichte daarvan). Het werkingsbereik loopt van snelheid 1 (I) tot snelheid 3 (III).
Hoogefficiënte circulatiepomp (mod. PARA)
Bedieningstoetsen en signaleringsleds

Bij normale werking brandt de led met groen licht
Led brandt/knippert in het geval van een storing



Indicatie van de geselecteerde regelmodus:

Proportionele opvoerhoogte pa
Constante opvoerhoogte p.c

Vaste snelheid

Indicatie van de geselecteerde karakteristiekcurve (1

) binnen de regelmodus

Gecombineerde ledindicaties tijdens de ontluchtingsfunctie van de circu- latiepomp, handmatige herstart en toetsvergrendeling


Door op de toets te drukken kunnen de verschillende regelcombinaties worden ingesteld


- Door 3 seconden indrukken wordt de ontluchtingsfunctie van de circulatiepomp geactiveerd
- Door 5 seconden indrukken vindt een handmatige herstart plaats - Door 8 seconden indrukken wordt de toets vergrendeld/ontgren-
deld
Voor een goede uitkomst van de berekening "Warmtemeting" (zie deel 11 WARMTEME- TING (BOEKHOUDING), moe - e circulatiepomp zijn ingesteld op de modus "Constant toerental" en op de stand . Om die regeling in te stellen, druk meerdere keren op de knop "A" totdat de leds gaan branden die worden aangegeven op onderstaande af- beelding.


Er kan echter een andere werkingsstrategie worden ingesteld, op basis van de eigenschappen van de installatie.
- Instelling △-v Proportionele opvoerhoogte
De opvoerhoogte van de circulatiepomp zal automatisch verminderd worden naargelang er minder debiet wordt gevraagd door de installatie.
De sterke punten zijn de beperking van elektriciteitsverbruik bij afname van de vraag van de installatie en vermindering van het lawaai. Het werkingsbereik loopt van minimum tot maximum.
- Instelling p-c Constante opvoerhoogte
De opvoerhoogte van de circulatiepomp blijft constant, ook als het door de installatie gevraagde debiet varieert.
- Instelling Vaste snelheid
De circulatiepomp moduleert het eigen vermogen niet. Het werkingsprincipe is dat van de traditionele circulatiepompen met 3 snelheden (met een beperking van het elektriciteitsverbruik ten opzichte daarvan). Het werkingsbereik loopt van snelheid 1 () tot snelheid 3 ()
ATLAS D ECO 30/42 K 100/130 UNIT
Kenmerken van het water van de installatie
Bij een waterhardheidsgraad van meer dan 25° Fr (1°F = 10ppm CaCO3), is het noodzakelijk dat het water op passende wijze behandeld wordt om afzettingen in de verwarmingsketel te voorkomen. Na behandeling mag de hardheidsgraad niet minder dan 15°F bedragen (DPR 236/88 betreffende gebruik van water bestemd voor consumptie). Behandeling van het water is onontbeerlijk bij uitgebreide installaties of bij frequente invoer van suppletiewater in de installatie.

Indien er een waterontharder bij de inlaat van het koude water van de verwarmingsketel wordt geïnstalleerd, dient u erop te letten dat de hardheidsgraad niet te laag wordt daar de magnesiumanode van de boiler daardoor sneller achteruit kan gaan.
Antivriessysteem, antivriesmiddel, additieven en remmende stoffen
De verwarmingsketel is uitgerust met een antivriessysteem, dat de ketel inschakelt in verwarmingsmodus wanneer de temperatuur van het toevoerwater onder de 6 °C daalt. Het systeem functioneert niet wanneer het apparaat niet van stroom en/of gas wordt voorzien. Het gebruik van antivriesmiddelen, additieven en remmende stoffen is, indien noodzakelijk, uitsluitend toegestaan indien de fabrikant van dergelijke vloeistof of additieven garant staat voor het feit dat zijn producten voor het betreffende doel geschikt zijn en geen schade veroorzaken aan de warmtewisselaar of aan overige componenten en/of materialen van verwarmingsketel en installatie. Het is verboden antivriesmiddelen, additieven en remmende stoffen te gebruiken die bestemd zijn voor algemene doeleinden en niet specifiek bedoeld voor verwarmingsinstallaties en ongeschikt voor het materiaal waaruit verwarmingsketel en installatie samengesteld zijn.
3.4 Aansluiting van de brander
De brander is uitgerust met slangen en een filter voor aansluiting op de olietoevoerleiding. fig. 24Laat de slangen uit de achterwand steken en installeer het filter zoals vermeld in .

Het olietoevoercircuit moet tot stand gebracht worden volgens een van onderstaande schema's, waarbij de in de tabel weergegeven lengte van de leidingen (LMAX) niet overschreden mag worden.

text_image
H 4m. MAX H L MAX (m) H (m) Øi 8 mm. Øi 10 mm. 0.5 10 20 1.0 20 40 1.5 40 80 2.0 60 100fig. 25 - Zwaartekrachtvoeding

text_image
H L MAX (m) H (m) Øi 8 mm. Øi 10 mm. 0.0 25 60 0.5 21 50 1.0 18 44 1.5 15 38 2.0 12 32 2.5 10 26 3.0 8 20 3.5 6 16fig. 26 - Voeding door aanzuiging

text_image
4m. MAX H H (m) L MAX (m) Øi 8 mm. Øi 10 mm. 0.0 25 60 0.5 21 50 1.0 18 44 1.5 15 38 2.0 12 32 2.5 10 26 3.0 8 20 3.5 6 16fig. 27 - Sifonvoeding

fig. 28 - Ringvoeding
3.5 Elektrische aansluitingen
Aansluiting op het elektriciteitsnet

De elektrische veiligheid van het apparaat wordt alleen bereikt wanneer het correct geaard is, overeenkomstig de geldende veiligheidsnormen. Laat door een vakman controleren of de aarding efficiënt en afdoende is. De fabrikant is niet aansprakelijk voor eventuele schade die ontstaat doordat de installatie niet geaard is. Laat bovendien controleren of de elektrische installatie geschikt is voor het maximumvermogen dat door het apparaat wordt opgenomen (dit staat vermeld op de typeplaat van de verwarmingsketel).
De verwarmingsketel is voorbedraad en voorzien van een kabel van het type "Y" zonder stekker, voor aansluiting op het elektriciteitsnet. De aansluitingen op het net moeten worden gerealiseerd met een vaste aansluiting, door middel van een tweepolige schakelaar met een opening tussen de contacten van minstens 3 mm; er moeten zekeringen van max. 3A tussen verwarmingsketel en lijn worden geplaatst. Het is belangrijk dat de polariteiten (LIJN: bruine draad / NEUTRAAL: blauwe draad / AARDE: geel-groene draad) in acht worden genomen bij het aansluiten van de elektriciteitsleiding. Zorg er bij het installeren of vervangen van de voedingskabel voor dat de aardgeleider 2 cm langer is dan de andere.

De voedingskabel van het apparaat mag niet door de gebruiker worden vervangen. Als de kabel beschadigd is, moet het apparaat worden uitgeschakeld en dient u zich voor vervanging van de kabel uitsluitend tot gekwalificeerde vakmensen te wenden. Als de elektrische voedingskabel vervangen wordt, mag uitsluitend een kabel "HAR H05 VV-F 3x0,75 mm2 worden gebruikt met een buitendiameter van maximaal 8 mm.
Omgevingsthermostaat (optie)

LET OP: DE OMGEVINGSTHERMOSTAAT MOET SCHONE CONTACTEN HEBBEN. DOOR 230 V. AAN TE SLUITEN OP DE KLEMMEN VAN DE OMGEVINGSTHERMOSTAAT WORDT DE ELEKTRONISCHE KAART ONHERSTELBAAR BESCHADIGD.
Bij het aansluiten van timerafstandsbedieningen of timers, mag de voeding voor deze voorzieningen niet van hun schakelcontacten worden genomen. De voeding ervan moet rechtstreeks door het net of door batterijen worden geleverd, afhankelijk van het type voorziening.
Toegang tot het elektrische klemmenbord
Draai de twee schroeven "A" op het paneel los en verwijder het deurtje

text_image
A A'fig. 29 - Toegang tot het elektrische klemmenbord
3.6 Aansluiting op het rookkanaal
Het apparaat moet aangesloten worden op een rookkanaal dat ontworpen en gebouwd is in overeenstemming van de geldende normen. De leiding tussen de ketel en het rookafvoerkanaal moet vervaardigd zijn van voor dit doel geschikt materiaal, dat wil zeggen bestendig tegen de temperatuur en tegen corrosie. Geadviseerd wordt de afdichting van de verbindingspunten goed te onderhouden.
4. SERVICE EN ONDERHOUD
Alle hieronder beschreven werkzaamheden die afstellingen, wijzigingen en inbedrijfstelling betreffen mogen uitsluitend worden uitgevoerd door Gekwalificeerd en hiervoor opgeleid Personeel (dat voldoet aan de technisch-professionele vereisten op grond van de geldende voorschriften), zoals het personeel van de plaatselijke Technische Klantenservice.
FERROLI is geenszins aansprakelijk voor schade aan zaken en/of persoonlijk letsel, veroorzaakt door ingrepen op het apparaat, uitgevoerd door onbevoegde en ondeskundige personen.
4.1 Instellingen
TEST modus inschakelen
Druk gelijktijdig op de toetsen verwarming (details 3 en 4 - fig. 1) gedurende 5 seconden om de TEST modus in te schakelen. De verwarmingsketel wordt onafhankelijk van het verzoek van de installatie of om sanitair water ingeschakeld.
Op het display, gaan de symbolen verwarming (detail 24 - fig. 1) en sanitair water (detail 12 - fig. 1) knipperen.

fig. 30 - Functie TEST
Herhaal de procedure om de TEST-modus te deactiveren.
De TEST-modus wordt in ieder geval automatisch na 15 minuten uitgeschakeld.
Afstellen brander
De brander wordt in de fabriek afgesteld zoals vermeld in tabella 2. De brander kan op een ander vermogen ingesteld worden door in te grijpen op de pompdruk, de sproeier en door afstelling van de kop en de luchttoevoer, zoals in de volgende paragrafen beschreven is. Het gewijzigde vermogen dient echter binnen het nominale bedrijfsveld van de ketel te liggen. Controleer na de afstelling, met een toestel voor verbrandingsanalyse, of het gehalte aan CO _2 % in de rookgassen tussen 11% en 12% liegt.
Tabel debiet oliesproeiers
In tabella 2 staat het oliedebiet vermeld (in kg/h) bij variaties van pomp- en sproeierdruk.
NB - Onderstaande waarden dienen uitsluitend als leidraad, want er moet rekening worden gehouden met het feit dat het debiet van de sproeiers ± 5% kan variëren. Bovendien neemt bij branders met voorverwarmer het brandstofdebiet af met ongeveer 10%.
Tabella. 2
| Pompdruk (bar) | |||||||
| SPROEIER G.P.H. | 8 9 10 | 11 12 13 14 | |||||
| 0.40 | 1,32 1,40 | 1,47 1,54 1,61 | 1,68 1,75 | ||||
| 15,66 16,50 | 17,43 18,26 | 19,09 19,92 | 20,75 | ||||
| 0.50 | 1,57 1,65 | 1,73 1,81 1,89 | 1,97 2,05 | ||||
| 18,62 19,57 | 20,51 21,50 | 22,42 23,36 | 24,31 | ||||
| 0.60 | 1,93 2,01 | 2,23 2,32 2,42 | 2,52 2,64 | ||||
| 22,89 23,83 | 26,44 27,51 | 28,70 29,88 | 31,31 | ||||
| 0.65 | 2,12 2,25 | 2,40 2,63 2,74 | 2,80 2,91 | ||||
| 25,14 26,58 | 28,46 31,19 | 32,49 33,21 | 34,51 | ||||
| 0.75 | 2,50 2,65 | 2,80 2,95 3,07 | 3,20 3,33 | ||||
| 29,65 31,43 | 33,21 34,99 | 36,41 37,95 | 39,49 | ||||
| 0.85 | 2,92 3,10 | 3,27 3,45 3,60 | 3,75 3,90 | ||||
| 34,63 36,76 | 38,78 40,92 | 42,69 44,47 | 46,25 | ||||
| 1.00 | 3,30 3,50 | 3,67 3,85 4,02 | 4,20 4,38 | ||||
| 39,13 41,51 | 43,52 45,66 | 47,67 48,72 | 51,95 | ||||
| 1.25 | 4,12 4,40 | 4,61 4,82 5,08 | 5,25 5,46 | ||||
| 48,86 52,18 | 54,67 57,16 | 59,65 62,26 | 64,75 | ||||
| 1.50 | 4,95 5,30 | 5,55 5,80 6,05 | 6,30 6,55 | ||||
| 58,70 62,85 | 65,82 68,78 | 71,75 74,72 | 77,68 | ||||
| 1.75 | 5,69 6,18 | 6,46 6,75 7,06 | 7,38 7,96 | ||||
| 67,48 73,29 | 76,61 80,05 | 83,73 87,53 | 91,20 | ||||
| Debiet bij uitgang van de sproeier in kg/h | |||||||
Regeling pompdruk
De pomp is in de fabriek reeds afgesteld op 12 bar. Gebruik voor de controle van de druk een manometer in oliebad. De druk kan worden ingesteld tussen 11 en 14 bar.

- Inlaat ∅1/4"
- Retour ∅1/4"
- Toevoer diesel olie ∅1/8"
- Regeling van de druk
- Aansluiting manometer ∅1/8"
- Aansluiting vacuümmeter ∅1/8"
Regeling verbrandingskop
De kop wordt afgesteld met de schroef 1 volgens de aanwijzingen in de index 2.

Regeling luchtschuif
Nadat de schroef 3 is losgedraaid met de schroef 1, wordt de verbrandingslucht afgesteld volgens de aanwijzingen in de index 2. Blokkeer de schroef 3 na de afstelling.

Plaats elektroden - deflector
Nadat de sproeier gemonteerd is, moet worden gecontroleerd of de elektroden en de deflector correct geplaatst zijn volgens de hieronder aangegeven maten. Het is wenselijk de maten telkens opnieuw te controleren nadat er een ingreep op de kop gepleegd is.

text_image
2±3 2±3 3 6+6,5fig. 35- Plaats elektroden - deflector
4.2 Inwerkingstelling
⚠️ Controles die uitgevoerd moeten worden bij de eerste ontsteking en naar aanleiding van alle onderhoudswerkzaamheden die afsluiting van de installaties met zich meebrengen, of na een ingreep op de veiligheidsinrichtingen of delen van de verwarmingsketel:
Alvorens de verwarmingsketel te ontsteken
- Zet eventuele afsluitkleppen tussen verwarmingsketel en installaties open.
- Controleer of het brandstofsysteem lekdicht is.
- Controleer of het expansievat goed voorbelast is
- Vul de hydraulische installatie en zorg ervoor dat de verwarmingsketel en de installatie volledig ontlucht zijn door de ontluchtingsklep op de verwarmingsketel en de eventuele ontluchtingskleppen op de installatie te openen.
- Controleer of er geen waterlekken in de installatie, de circuits van het sanitaire water, de verbindingen of de verwarmingsketel zitten.
- Controleer of de elektrische installatie goed is aangesloten en de aarding naar behoren is uitgevoerd.
- Controleer of er zich in de buurt van de verwarmingsketel geen ontvlambare vloeistoffen of materialen bevinden.
- Monteer de manometer en de vacuümmeter op de branderpomp (deze moeten worden verwijderd na de inwerkingstelling)
- open de afsluiters langs de olieleiding
Aanzetten

flowchart
graph TD
A["Configuration A"] --> P1["P"]
P1 --> V1["VE"]
V1 --> G1["G"]
G1 --> V2["Output"]
B["Configuration B"] --> P2["P"]
P2 --> V2
V2 --> G2["G"]
G2 --> V3["Output"]
fig. 36 - Aanzetten
A
Bij het sluiten van de thermostaatlijn begint de brandermotor samen met de pomp te draaien: alle aangezogen olie wordt naar de retourleiding gestuurd. Tevens werken de branderventilator en de ontstekingstransformalor, d.w.z. dat de volgende fasen plaatsvinden:
• voor-ventilatie van de vuurhaard.
- voorspoelen van een deel van het oliecircuit.
• voor-ontsteking, met ontlading tussen de elektrodenpunten.
B
Na afloop van het voorspoelen opent de apparatuur de elektromagnetische klep: de olie bereikt de sproeier, vanwaar hij zeer fijn verstoven naar buiten komt.
Het contact met de ontlading tussen de elektroden zorgt ervoor dat er een vlam ontstaat. Tegelijkertijd vangt de veiligheidstijd aan.
Cyclus van het apparaat

text_image
R A B C SB W M t3n Z t1 t3 TSA BV FRfig. 37 - Cyclus van het apparaat
R-SB-W Thermostaten/Drukschakelaars
M Brandermotor
Z Ontstekingstransformator
BV Magneetklep
FR Fotoweerstand
A' Aanvang inschakelen met voorverwarmer
A Aanvang inschakelen zonder voorverwarmer
B Vlam aanwezig
C Normale werking
H Stop voor afstellen (TA-TC)
t1 Tijd voor-ventilatie
TSA Veiligheidstijd
t3 Tijd voorontsteking
t3n Tijd na-ontsteking
tw Voorverwarmingstijd

Signalen bij uitgang apparaat
Vereiste signalen bij ingang
Controles tijdens de werking
- Schakel het apparaat in zoals beschreven in sez. 2.3.
- Controleer de lekdichtheid van het brandstofcircuit en van de waterinstallaties.
- Controleer de doeltreffendheid van de afvoerleiding en de rookgas-luchtpijpen tijdens de werking van de verwarmingsketel.
- Controleer of de watercirculatie tussen de verwarmingsketel en de installaties correct verloopt.
- Controleer of de ontsteking van de verwarmingsketel correct werkt door hem verschillende malen te ontsteken en weer uit te zetten door middel van de omgevingsthermostaat of de afstandsbediening.
- Controleer of de deuren van brander en brandstofkamer hermetisch sluiten.
- Controleer of de brander naar behoren werkt.
- Voer brandstofanalyse uit (met de verwarmingsketel in stabiele toestand) en controleer of het gehalte aan CO _2 in de rookgassen tussen 11% en 12% ligt.
- Controleer de correcte programmering van de parameters en programmeer het apparaat naar gelang de persoonlijke behoeften (compensatiecurve, vermogen, temperatuur e.d.).
4.3 Onderhoud
Periodiek onderhoud
Om te zorgen dat het apparaat goed blijft werken, is het noodzakelijk dat gekwalificeerd personeel de volgende punten jaarlijks naloopt:
- De besturings- en veiligheidsinrichtingen moeten goed functioneren.
- Het circuit voor rookafvoer moet optimaal functioneren.
- Controleer of de brandstoftoevoer- en -afvoerleidingen niet verstopt of beschadigd zijn.
- Reinig het filter van de brandstofaanzuigleiding.
• Bepaal het juiste brandstofverbruik
- Reinig de verbrandingskop bij de brandstofuitgang, op de wervelschijf.
- Laat de brander gedurende ongeveer 10 minuten op volle kracht werken en analyseer daarna het verbrandingsproces als volgt:
- De juiste afstelling van alle elementen, die in deze handleiding vermeld staan
- Temperatuur van de rook in de afvoerleiding
- Percentage CO2
- De pijpen moeten vrij zijn van obstakels en geen sporen van lekkage vertonen
- Brander en warmtewisselaar moeten schoon zijn, zonder afzettingen. Maak geen gebruik van chemische producten om ze te reinigen.
- De gas- en waterinstallaties moeten lekdicht zijn.
- De waterdruk van de installatie moet in de ruststand circa 1 bar zijn; indien dit niet het geval is, de installatie naar deze waarde terugbrengen.
- De circulatiepomp mag niet geblokkeerd zijn.
- Het expansievat moet gevuld zijn
- Controleer de magnesiumanode en vervang ze, indien nodig.

Ommanteling, paneel en sierelementen van de verwarmingsketel kunnen zonodig schoongemaakt worden met een zachte doek, eventueel bevochtigd met water met zeepoplossing. Vermijd het gebruik van elke soort schuurmiddel of oplosmiddel.
Toegang tot de elektrode en sproeier
- Koppel de kabels van de elektroden van de transformator los en verwijder de fotoweerstand 1, de koppeling 2 die de dieselleiding met lijn 3 van de sproeier verbindt. Draai de schroeven 4 los en neem de unit sproeier-deflector-elektroden weg.

- Draai de schroef 5 los om de deflector te verwijderen en de schroef 6 om de elektroden te verwijderen. Een goede reiniging van de sproeier wordt verkregen door het filter te demonteren en de sneden en het verstuivingsgat met benzine schoon te maken en met diesel te spoelen. Let er bij het hermonteren op om de elektrodendeflector correct te plaatsen.

Reiniging van de verwarmingsketel
- Schakel de stroom naar de verwarmingsketel uit.
- Verwijder de brander (zie de vorige paragraaf).
- Verwijder het bovenste paneel.
- Verwijder de deur voor de reiniging 'A' door de moeren 'B' los te draaien.
- Open de deur van de brander 'C' nadat u de moeren 'D' hebt losgedraaid.
- Maak de binnenkant van de verwarmingsketel en het volledige traject van de afgevoerde rook schoon met een borstel, een zuiger of met perslucht.
- Sluit ten slotte de deuren.

4.4 Oplossen van storingen
Diagnostiek
De verwarmingsketel is voorzien van een geavanceerd zelfdiagnosesysteem. Bij een storing in de verwarmingsketel knippert het display samen met het storingssymbool (detail 22 - fig. 1) en geeft de storingscode weer.
Er bestaan storingen die permanente blokkering veroorzaken (aangeduid met de letter 'A'): om de werking te resetten op de loets RESET (det. 8 - fig. 1) gedurende 1 seconde drukken of de optionele klokthermostaat (optioneel) met afstandsbediening RESETTEN; indien de ketel niet start de storing oplossen die aangeduid wordt met de bedrijfslampjes.
Andere storingen zorgen voor tijdelijke blokkering (aangeduid met de letter "F") die automatisch worden opgeheven zodra de waarde weer binnen het normale werkingsbereik van de verwarmingsketel komt.
Tabella. 3 - Overzicht storingen
| Code storing | Storing Mogelijke oorzaak | Oplossing | |
| A01 | Blokkering van de brander | Pomp geblokkeerd Vervangen | |
| Elektromotor defect Vervangen | |||
| Olieklep defect Vervangen | |||
| Er zit geen brandstof in de tank of er zit water op de bodem | Brandstof bijvullen of water afzuigen | ||
| Toevoerkleppen olieleiding gesloten Openmaken | |||
| Filters vuil (leiding- pomp-sproeier) Schoonmaken | |||
| Pomp zuigt niet aan Inschakelen en oorzaak van uit-schakelen opsporen | |||
| Ontstekingselektroden slecht geregeld of vuil | Afstellen of schoonmaken | ||
| Sproeier verstopt, vuil of vervormd Vervangen | |||
| Regelingen kop en schuif niet geschikt Afstellen | |||
| Elektroden defect of naar massa Vervangen | |||
| Ontstekingstransformator defect Vervangen | |||
| Elektrodekabels defect of naar massa | Vervangen | ||
| Elektrodekabels vervormd door hoge temperatuur | Vervangen en afschermen | ||
| Elektrische aansluitingen klep of transformator verkeerd | Controleren | ||
| Motor-pompkoppeling kapot | Vervangen | ||
| Aanzuiging pomp verbonden met retourleiding | Aansluiting corrigeren | ||
| Fotoweerstand defect | Vervangen | ||
| Fotoweerstand vuil Fotoweerstand reiniger | |||
| A02 | Vlamsignaal aanwezig bij uitgeschakelde brander | Kortsluiting in fotoweerstand | Fotoweerstand vervangen |
| Vreemde lichtbron raakt de fotoweerstand | Lichtbron verwijderen | ||
| A03 | Inwerkingtreding beveiliging tegen te hoge temperatuur | Verwarmingssensor beschadigd | Controleer positie en werking van de verwarmingssensor |
| Onvoldoende watercirculatie in de installatie | Controleer de circulatiepomp (Zie tabel tabella 4) | ||
| Lucht in de installatie | Ontlucht de installatie | ||
| A04 | Storing parameters kaart | Onjuiste instelling parameter kaart | Controleer en wijzig eventueel de parameter kaart |
| F07 | Storing voorverwarmer (het contact wordt niet binnen 120 seconden gesloten) | Breuk in bedrading Controleer de bedrading | |
| F09 | Storing parameters kaart | Onjuiste instelling parameter kaart | Controleer en wijzig eventueel de parameter kaart |
| F10 | Storing sensor drukzijde 1 | Sensor beschadigd | Controleer de bedrading of vervang de sensor |
| Kortsluiting in bedrading | |||
| Breuk in bedrading | |||
| F11 | Storing van sensor sanitair water | Sensor beschadigd | Controleer de bedrading of vervang de sensor |
| Kortsluiting in bedrading | |||
| Breuk in bedrading | |||
| F12 | Storing parameters kaart | Onjuiste instelling parameter kaart | Controleer en wijzig eventueel de parameter kaart |
| F14 | Storing sensor drukzijde 2 | Sensor beschadigd | Controleer de bedrading of vervang de sensor |
| Kortsluiting in bedrading | |||
| Breuk in bedrading | |||
| F16 | Storing parameters kaart | Onjuiste instelling parameter kaart | Controleer en wijzig eventueel de parameter kaart |
| F34 | Voedingsspanning lager dan 170V. | Problemen met het elektriciteitsnet Controleer het elektriciteitsnet | |
| F35 | Abnormale netfrequentie | Problemen met het elektriciteitsnet Controleer het elektriciteitsnet | |
| F37 | Druk van waterinstallatie verkeerd | Druk te laag | Vul de installatie |
| Sensor beschadigd Controleer de sensor | |||
| F39 | Storing sonde buitentemperatuur | Sonde beschadigd of kortsluiting in bedra-ding | Controleer de bedrading of vervang de sensor |
| Sonde niet aangesloten na activeren van de weersafhankelijke temperatuur | Sluit de buitensonde weer aan of deactiveer de weersafhankelijke temperatuur | ||
| F40 | Druk van waterinstallatie verkeerd | Druk te hoog | Controleer de installatie |
| Controleer de veiligheidsklep | |||
| Controleer het expansievat | |||
| A41 | Plaats sensoren | Sensor drukzijde niet aangebracht in ketelbehuizing | Controleer positie en werking van de verwarmingssensor |
| F42 | Storing verwarmingssensor | Sensor beschadigd Vervang de sensor | |
| F47 | Storing sensor waterdruk installatie | Breuk in bedrading Controleer de bedrading | |
Diagnose circulatiepomp
Sommige storingen van de circulatiepomp worden aangegeven door de led naast de snelheidskeuzeknop (fig. 41 - fig. 42).

text_image
wilofig. 41
Tabella. 4 - Indicaties werking circulatiepomp
![]() | UitgeschakeldCirculatiepomp in STAND-BY |
![]() | Groen ONCirculatiepomp in werking |
![]() | Groen knipperendOntluchtingscyclus |
![]() | Afwisselend Groen/RoodCirculatiepomp geblokkeerd door externe oorzaak:- Overspanning (>270V)- Onvoldoende spanning (<160V)- Overbelasting motor |
![]() | Rood knipperendCirculatiepomp geblokkeerd door interne oorzaak:- Motor geblokkeerd- Elektronica beschadigd |
Diagnostiek circulatiepomp (mod. PARA)
Sommige storingen van de circulatiepomp worden gesignaleerd door de led (fig. 42).

| Leds | Storing | Oorzaak | Oplossing |
| Brandt met rood licht | Blokkering | Rotor geblokkeerd | Activeer de handmatige herstart of neem contact op met de klantenservice |
| Contact/wikkeling | Wikkeling defect | ||
| Knippert met rood licht | Onder-/overspanning | Voedingsspanning voedings-zijde te laag/hoog | Controleer de netspanning en de gebruiksomstandighe-den.Vraag klantenservice aan |
| Te hoge temperatuur van de module | Binnenste van de module te heet | ||
| Kortsluiting | Te hoge motorstroom | ||
| Knippert met rood/groen licht | Werking van de turbine | Het hydraulische systeem van de pompen wordt gevoed, maar de pomp heeft geen netspan-ning | Controleer de netspanning, het waterdebiet/-druk alsook de omgevingsomstandighe-den |
| Droog bedrijf | Lucht in de pomp | ||
| Overbelasting | De motor draait moeizaam.De pomp functioneert niet vol-gens de specificaties (bv. tem-peratuur van de module hoog).Het toerental is lager dan bij normale werking. |
Legenda afbeeldingen cap. 5
A Veiligheids- en terugslagklep
A4 Rookuitlaat
10 Toevoer installatie - ∅ 3/4"
11 Retour installatie - ∅ 1'
14 Veiligheidsklep verwarming
32 Circulatiepomp verwarming
36 Automatische ontluchting
40 Expansievat Sanitair water
56 Expansievat
74 Vulkraan installatie
97 Magnesiumanode
130 Circulatiepomp boiler
143 Regelthermostaat Boiler
154 Condensafvoerslang
178 Thermometerbol boiler
179 Terugslagklep
180 Boiler
192 Hercirculatie - ∅ 3/4"
197 Handbediende ontluchtingsklep
209 Toevoer boiler - ∅ 3/4
210 Retour boiler - ∅ 3/4"
233 Afvoerkraan boiler
246 Drukomzetter
275 Aftapkraan verwarmingsinstallatie
278 Dubbele sensor (Verwarming + Veiligheid)
293 Inspectieflens boiler
295 Brander
5.1 Afmetingen, aansluitingen en hoofdcomponenten

text_image
500 32 40 246 130 179 295 1350 74 293 97 180 42 275 233fig. 43 - Vooraanzicht

text_image
850 197 10 179 14 36 11 209 192 A 210 56 278fig. 44 - Zijaanzicht - ATLAS D ECO 30 K 100 UNIT

text_image
1050 197 10 179 14 36 56 278 11 209 192 A 210fig. 45 - Zijaanzicht - ATLAS D ECO 42 K 130 UNIT

text_image
10 54 a4 120-130 mm 1264 422 252 82 579 105 11 1121fig. 46 - Achteraanzicht
5.2 Watercircuit

flowchart
graph TD
A["10"] --> B["14"]
B --> C["197"]
C --> D["56"]
D --> E["36"]
E --> F["278"]
F --> G["246"]
G --> H["32"]
H --> I["130"]
I --> J["179"]
J --> K["40"]
K --> L["74"]
L --> M["11"]
M --> N["209"]
N --> O["192"]
O --> P["210"]
P --> Q["275"]
Q --> R["233"]
fig. 47 - Watercircuit
5.3 Diagrammen
Belastingsverlles/Opvoerhoogte circulatiepompen
- Prevalentie van de circulatiepomp met instelling op "vaste snelheid".

text_image
Min. 1 4 7 I II IIIH [m H2O]

A Drukhoogteverlies ketel
1 - 2 - 3 Snelheid circulatiepomp
- Prevalentie van de circulatiepomp met instelling op "proportionele prevalentie".

A Drukhoogteverlies ketel
| Handelsmerk: FERROLI | |||
| Ketel met rookgascondensor: NEE | |||
| Lagetemperatuur (**)-ketel: JA | |||
| B1-ketel: NEE | |||
| Combinatieverwarmingstoestel: JA | |||
| Ruimteverwarmingstoestel met warmtekrachtkoppeling: NEE | |||
| Item | Symbool | Eenheid | Waarde |
| Seizonsgebonden energie-efficiëntieklasse voor ruimteverwarming (A+++ tot en met D) | B | ||
| Nominale Warmteafgifte | Pn | kW | 25 |
| Seizonsgebonden energie-efficiëntie voor ruimteverwarming | _s | % | 86 |
| Nuttige warmteafgifte | |||
| Bij nominale warmteafgifte en werking op hoge temperatuur (*) | P4 | kW | 25,0 |
| Bij 30 % van de nominale warmteafgifte en werking op lage temperatuur (**) | P1 | kW | 7,8 |
| Nuttig rendement | |||
| Bij nominale warmteafgifte en werking op hoge temperatuur (*) | _4 | % | 88,2 |
| Bij 30 % van de nominale warmteafgifte en werking op lage temperatuur (**) | _1 | % | 92,2 |
| Supplementair elektriciteitsverbruik | |||
| Bij volledige belasting | elmax | kW | 0,150 |
| Bij deellast | elmin | kW | 0,069 |
| In stand-by-stand | PSB | kW | 0,003 |
| Andere items | |||
| Stand-by-warmteverlies | Pstby | kW | 0,105 |
| Energieverbruik van ontstekingsbrander | Pign | kW | 0,000 |
| Jaarlijks energieverbruik | QHE | GJ | 83 |
| Geluidsvermogensniveau | LWA | dB | 62 |
| Emissies van stikstofoxides | NOx | mg/kWh | 95 |
| Voor combinatieverwarmingstoestellen | |||
| Opgegeven capaciteitsprofiel | XL | ||
| Energie-efficiëntieklasse voor waterverwarming (A+ tot en met F) | B | ||
| Dagelijks elektriciteitsverbruik | Qelec | kWh | 0,279 |
| Jaarlijks elektriciteitsverbruik | AEC | kWh | 55 |
| Energie-efficiëntie voor waterverwarming | _wh | % | 64 |
| Dagelijks brandstofverbruik | Qfuel | kWh | 31,807 |
| Jaarlijks brandstofverbruik | AFC | GJ | 24 |
(*) Werking op hoge temperatuur betekent een retourtemperatuur van 60 °C bij de inlaat van het verwarmingstoestel en een toevoertemperatuur van 80 °C bij de uitlaat van het verwarmingstoestel. (**) Lage temperatuur betekent voor ruimteverwarmingstoestellen met ketel met rookgascondensor een retourtemperatuur van 30 °C, voor lagetemperatuur-ketels 37 °C en voor andere verwarmingstoestellen 50 °C (bij de inlaat van het verwarmingstoestel).
Produktkaart ErP
MODEL: ATLAS D ECO 42 K 130 UNIT - (OLHU4YWA)
| Handelsmerk: FERROLI | |||
| Ketel met rookgascondensor: NEE | |||
| Lagetemperatuur (**)-ketel: JA | |||
| B1-ketel: NEE | |||
| Combinatieverwarmingstoestel: JA | |||
| Ruimteverwarmingstoestel met warmtekrachtkoppeling: NEE | |||
| Item | Symbool | Eenheid | Waarde |
| Seizoensgebonden energie-efficiëntieklasse voor ruimteverwarming (A+++ tot en met D) | B | ||
| Nominale Warmteafgifte | Pn | kW | 37 |
| Seizoensgebonden energie-efficiëntie voor ruimteverwarming | _s | % | 86 |
| Nuttige warmteafgifte | |||
| Bij nominale warmteafgifte en werking op hoge temperatuur (*) | P4 | kW | 37,1 |
| Bij 30 % van de nominale warmteafgifte en werking op lage temperatuur (**) | P1 | kW | 11,5 |
| Nuttig rendement | |||
| Bij nominale warmteafgifte en werking op hoge temperatuur (*) | _4 | % | 88,3 |
| Bij 30 % van de nominale warmteafgifte en werking op lage temperatuur (**) | _1 | % | 91,5 |
| Supplementair elektriciteitsverbruik | |||
| Bij volledige belasting | elmax | kW | 0,150 |
| Bij deellast | elmin | kW | 0,068 |
| In stand-by-stand | PSB | kW | 0,003 |
| Andere items | |||
| Stand-by-warmteverlies | Pstby | kW | 0,127 |
| Energieverbruik van ontstekingsbrander | Pign | kW | 0,000 |
| Jaarlijks energieverbruik | QHE | GJ | 123 |
| Geluidsvermogensniveau | LWA | dB | 62 |
| Emissies van stikstofoxides | NOx | mg/kWh | 92 |
| Voor combinatieverwarmingstoestellen | |||
| Opgegeven capaciteitsprofiel | XXL | ||
| Energie-efficiëntieklasse voor waterverwarming (A+ tot en met F) | B | ||
| Dagelijks elektriciteitsverbruik | Qelec | kWh | 0,317 |
| Jaarlijks elektriciteitsverbruik | AEC | kWh | 70 |
| Energie-efficiëntie voor waterverwarming | _wh | % | 61 |
| Dagelijks brandstofverbruik | Qfuel | kWh | 37,231 |
| Jaarlijks brandstofverbruik | AFC | GJ | 31 |
(*) Werking op hoge temperatuur betekent een retourtemperatuur van 60 °C bij de inlaat van het verwarmingstoestel en een toevoertemperatuur van 80 °C bij de uitlaat van het verwarmingstoestel. (**) Lage temperatuur betekent voor ruimteverwarmingstoestellen met ketel met rookgascondensor een retourtemperatuur van 30 °C, voor lagetemperatuur-ketels 37 °C en voor andere verwarmingstoestellen 50 °C (bij de inlaat van het verwarmingstoestel).
5.5 Schakelschema

text_image
230V 50Hz L N ±4 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 32 130 42 138 139 72 TR 1 1 MB VE 278 FR X6 X12 X8 DBM06G 246 OUT +5V GND DSP05 T2 x7 x9fig. 50 - Schakelschema
32 Circulatiepomp verwarming
42 Temperatuursonde sanitair water
72 Omgevingsthermostaat (optie)
130 Circulatiepomp boiler
138 Externe sonde (optie)
139 Klokthermostaat met afstandsbediening (optioneel)
246 Drukomzetter
278 Dubbele sensor (Beveiliging + verwarming)
TR Ontstekingstransformator
FR Fotoweerstand
MB Brandermotor
VE Magneetklep




