MCS5 - Airconditioner DOMETIC - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MCS5 DOMETIC in PDF-formaat.
| Producttype | Mariene airconditioner (marien airconditioningsysteem) |
| Merk | Dometic |
| Model | MCS5 |
| Koelcapaciteit | 5.000 Btu/h (1.500 W) |
| Verwarmingscapaciteit | Geïntegreerde warmtepomp (niet gespecificeerd) |
| Voedingsspanning | 230 V ~ |
| Elektrisch verbruik (koeling) | 2,2 A |
| Elektrisch verbruik (verwarming) | 2,9 A |
| Afmetingen eenheid (L × H × D) | 452 × 279 × 226 mm |
| Gewicht eenheid | 18 kg |
| Afmetingen bedieningspaneel | 81 × 64 × 24 mm |
| Uitsparing bedieningspaneel | 64 × 48 mm |
| Diameter leiding | 102 mm (4 inch) |
| Koeltype | Gekoeld met zeewater |
| Zeewaterpomp inbegrepen | Ja, model PLL250 (100-240 V~, 50/60 Hz) |
| Lengte schermkabel | 4,5 m (standaard) |
| Functies | Koeling, verwarming, ontvochtiging (via airconditioning) |
| Onderhoud | Reiniging filter, controle condensafvoer |
| Installatie | Voorbehouden aan gekwalificeerd personeel; niet installeren in de kuip of machinekamer |
| Beschikbare reserveonderdelen | Filter, montagebeugel, slangtule |
| Garantie | Wettelijke garantie van toepassing, service via lokale partners |
Veelgestelde vragen - MCS5 DOMETIC
Gebruikersvragen over MCS5 DOMETIC
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MCS5 - DOMETIC en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MCS5 van het merk DOMETIC.
GEBRUIKSAANWIJZING MCS5 DOMETIC
Lees deze handleiding goed door voordat u het toestel gaat gebruiken en bewaar het document op een veilige plek, zodat u het later nog eens kunt nalezen. Als u het toestel doorgeeft aan een andere persoon, geef dan ook de bedieningshandleiding mee.
Inhoudsopgave
1 Opmerkingen over het gebruik van deze handleiding 127 2 Veiligheidsaanwijzingen 127 3 Doelgroep 129 4 Leveringsomvang 129 5 Correct gebruik 131 6 Technische beschrijving 132 7 Uitpakken en inspecteren 133 8 Installatie 133 9 Het Marine Climate System aansluiten 145 10 Bediening 146 11 Programmeren 146 12 Aanwijzingen voor het verhelpen van storingen 147 13 Garantie 147 14 Afvoeren 147 15 Technische gegevens 148
1 Opmerkingen over het gebruik van deze handleiding

Waarschuwing!
Veiligheidsinstructie: het niet in acht nemen hiervan kan materiële schade en lichamelijk letsel tot gevolg hebben.

Voorzichtig!
Veiligheidsinstructie: het niet in acht nemen hiervan kan materiële schade tot gevolg hebben en de werking van het toestel beperken.

Waarschuwing!
Veiligheidsinstructie, wijst op gevaren met betrekking tot elektrische stroom of elektrische spanning: het niet in acht nemen hiervan kan materiële schade en lichamelijk letsel tot gevolg hebben en de werking van het toestel beperken.

Instructie
Aanvullende informatie voor het bedienen van het toestel.
Handeling: dit symbool geeft aan dat u iets moet doen. De vereiste handelingen worden stap voor stap beschreven. ✓ Dit symbool beschrijft het resultaat van een handeling.
afb. 1, positie 5, pagina 3: deze aanduiding wijst u op een element in een afbeelding, in dit voorbeeld op "positie 5 in afbeelding 1 op pagina 3".
Neem ook de volgende veiligheidsinstructies in acht.
2 Veiligheidsaanwijzingen
De fabrikant kan niet aansprakelijk gesteld worden voor schade veroorzaakt door:
- montage- of aansluitfouten
- beschadigingen aan het toestel door mechanische invloeden en overspanningen,
- veranderingen aan het toestel zonder uitdrukkelijke toestemming van de fabrikant,
- gebruik voor andere dan de in de handleiding beschreven toepassingen.
2.1 Algemene veiligheid

- Dit systeem voldoet niet aan de vereisten voor ontstekingsbeveiliging. Installeer het daarom niet in een ruimte waarin zich ook benzinemotoren, tanks, LPG/CPG-cilinders, regelaars, kleppen of aansluitingen voor brandstofleidingen bevinden.
Als u dit niet doet, bestaat het gevaar voor verwondingen of overlijden.
- Sluit geen condensafvoerleiding aan
- binnen 1 m van een motoruitlaat of een afvoersysteem van een generator.
- in een motor- of generatorhuis,
- in het onderruim, tenzij de afvoer goed is aangesloten op een afgedichte condens- of afvoerpomp.
Als dat niet het geval is, kunnen de dampen uit het onderruim of het motorhuis zich vermengen met de afvoerlucht en zo de leefruimte verontreinigen. Dit kan leiden tot verwondingen of overlijden.
- Om het binnendringen van koolstofmonoxide (CO) of andere schadelijke dampen te voorkomen, installeert u een sifon in de condensafvoerleiding(en).
- Bij het installeren en onderhouden van het systeem bestaan er gevaren door de systeemdruk en de elektrische componenten. Draag een veiligheidsbril en werkhandschoenen. Zet een brandblusser klaar in de buurt van de werkzone.

- Gevaar voor elektrische schok!
De eenheden werken op een AC-spanning van 230 V~.
Risico op elektrische schok!
Voordat u een afdekking opent, moet u altijd eerst de voedingsspanning verbreken op het hoofdpaneel of via de voedingsbron.
Als u dit niet doet, bestaat het gevaar voor verwondingen of overlijden.
- Om het gevaar van een elektrische schok en persoonlijk letsel zo laag mogelijk te houden, moet het component effectief worden geaard.

- Bevestig de airconditioner met de vier meegeleverde montageklemmen op een stevige ondergrond.
- Installeer de airconditioner nooit in het onderruim of in de buurt van het motorhuis.
- Kies de locatie zodanig dat er geen direct contact kan zijn met dampen uit het onderruim en/of het motorhuis.
2.2 Veiligheid bij het werken met elektrische kabels

- Gebruik kabeldoorvoeren om kabels door wanden met scherpe randen te leggen.
- Leg geen losse of gebogen kabels naast elektrisch geleidende materialen (metaal).
- Trek niet aan de kabels.
- Let er bij het leggen en aansluiten van de kabels op dat niemand erover kan struikelen en de kabels niet kunnen beschadigen.
3 Doelgroep
De aanwijzingen in deze handleiding zijn gericht op gekwalificeerde medewerkers van werkplaatsen, die vertrouwd zijn met de richtlijnen en veiligheidsmaatregelen die toegepast moeten worden.
4 Leveringsomvang

Opmerking
Bij iedere eenheid worden een condensslang met 4 montageklemmen meegeleverd.
4.1 Marine Climate System MCS5
MCS5 (onderdeelnr. 207315007)
| Onderdeelnum-mer | Aantal Beschrijving |
| 201315004 | 1 Marine Climate System MCS5 |
| 222000226 | 1 Bedieningspaneel |
| 293049297 | 1 Elektriciteitskastje |
| 4160066 | 1 Elektrische isolatie |
| 225600018 | 1 Zeewater- en leidingenset (zie hieronder) |
Leidingenset
| Onderdeelnum-mer | Aantal Beschrijving | |
| 226600014 3,8 m | Leidingen, geïsoleerd | |
| 217316016 | 1 | Toevoerlucht-rooster 4x4", 102 x 102 mm |
| 217316015 | 1 | Afvoerlucht-rooster 10x8", 254 x 203 mm, geano-diseerd |
| Onderdeelnum- mer | Beschrijving |
| 291049003 Slanginstallatie | |
| 291850154 Montageklem | |
| 235000500 Filter |
4.2 Marine Climate System MCS15
MCS15 (onderdeelnr. 207315019)
| Onderdeelnum-mer | Aantal Beschrijving |
| 201315017 | 1 Marine Climate System MCS15 |
| 222000226 | 1 Bedieningspaneel |
| 293049298 | 1 Elektriciteitskastje |
| 4160066 | 1 Elektrische isolatie |
| 225600025 | 1 Zeewater- en enkele leidingset (zie hieronder) |
Leidingenset
| Onderdeelnum-mer | Aantal Beschrijving | |
| 226600015 | 3,8 m Leidingen, geöleerd | |
| 217316041 | 1 | Toevoerlucht-rooster 10x8", 254 x 203 mm |
| 316017 | 1 | Afvoerlucht-rooster 14x10", 356 x 254 mm |
MCS5, MCS15 Correct gebruik
Zeewaterset
Onderdeelnr. Aantal Beschrijving
334220 1 Buitenboord, 5/8", kunststof
226000006 7,6 m Zeewaterslang, 5/8"
335120 3 PVC-adapter, 1/2" MPT x 1/2" HB
335080 2 PVC-adapter, 1/2" FPT x 1/2" HB
225-600021 1 Zeef, 1/2" met houder 1/2" FPT
1010046 1 Zeewaterpomp PLL500 (220 - 240 V~, 50/60 Hz)
369617 17 Slangklemmen, dun
330482 1 Kogelklep, 1/2", brons
369699 1 Inlaatrooster, 1/2", brons
Reserveonderdelen
Onderdeelnummer Beschrijving
291049003 Slanginstallatie
291850154 Montageklem
235000507 Filter
5 Correct gebruik
Dit maritieme airconditioningsysteem is speciaal ontworpen voor gebruik op boten en jachten. Het kan de binnenruimte van een boot of jacht koelen of verwarmen.
6 Technische beschrijving
Het maritieme airconditioningsysteem is ontworpen voor gebruik op 230 V~.
Het maritieme airconditioningsysteem bestaat uit de airco-eenheid en de volgende componenten:
bedieningspaneel, leidingen, toevoerluchtrooster, afvoerluchtrooster, zeewaterpomp, zeef, inlaatrooster buitenboord, buitenboordaansluiting, zeewaterslang, aansluitingen voor pomp en zeef
Het airconditioningsysteem wordt gekoeld door zeewater.
6.1 Componenten van het maritieme airconditioningsysteem
| Onderdeel in afb. 1, pag. 2 | Beschrijving |
| 1 Leidingring | |
| 2 Rotatiecompressor | |
| 3 Condensafvoer (een van meertere locaties is weergegeven) | |
| 4 Elektriciteitskastje | |
| 5 Montageklem | |
| 6 Onderbak | |
| 7 Afgedichte opening (optionele locatie voor condensafvoer) | |
| 8 Ventilator | |
| 9 Schroeven (verwijderen om ventilator te lately draaien) | |
| 10 Condenserspoel (zeewateruiitlaat) | |
| 11 Verdamperspoel | |
7 Uitpakken en inspecteren
Controleer of alle onderdelen uit de paklijst aanwezig zijn en controleer of u alle dozen heeft ontvangen.
Verplaats de dozen in de normale "op-richting" zoals aangegeven door de pijlen op de dozen. Controleer of de dozen transportschade hebben opgelopen en pak indien nodig de eenheden uit. Als de eenheid is beschadigd, laat de transporteur dat aantekenen op de ontvangstbevestiging.
8 Installatie

Waarschuwing - gevaar voor letsel
Het systeem mag alleen worden geïnstalleerd door gekwalificeerde medewerkers van een gespecialiseerd bedrijf. De volgende informatie is bedoeld voor elektromonteurs die vertrouwd zijn met de relevante richtlijnen en veiligheidsmaatregelen.
Maak een planning van alle benodigde verbindingen, zoals
- leidingen, -condensafvoer,
- zeewater in- en uitlaat,
- elektrische aansluitingen,
- locatie voor het bedieningspaneel, -plaatsing van de zeewaterpomp,
voldoende ruimte voor inspectie en onderhoud.

Opmerking
Neem de volgende aanwijzingen zowel voor als na de installatie in acht.
8.1 Vrije ruimte en afmetingen van de eenheid
Toelichting op afb. 2, pag. 3:
| Onder-deel | Beschrijving |
| 1 | Vrije ruimte voor afvoerlucht-inlaat(indien in de buurt van het spans) |
| 2 | Vrije ruimte voor zeewaterpijp |
| 3 | Verdamper- en condenserspoel |
| 4 | Leidingring |
| 5 | Elektriciteitskastje |
| 6 | Rotatiecompressor |
| 7 | Koudemiddel-aansluiting(deze要去egankelijk blijven, zorg voor voldoende ruimte) |
| 8 | Zeewater in |
| 9 | Zeewater uit |
| 10 | Totale minimale vrije ruimte |
| 11 | Standaardpositie ventilatie bij transport |
| 12 | Mogelijk afvoerpositie |

Opmerking
De ventilator en de leidingring kunnen zowel verticaal als horizontaal worden geplaatst. Afb. 2, pag. 3 geeft een maritiem aircosysteem MCS5 weer met de ventilator in verticale positie.
Vrije ruimte (afb. 2, pag. 3)
Bij de plaatsing van de eenheid moet er voldoende vrije ruimte beschikbaar zijn waar:
- Zorg voor een minimale vrije ruimte in een omtrek van 152 mm om de eenheid bij de zeewater- en condensafvoerpijp (1).
- Zorg voor een minimale ruimte van 76 mm voor de verdamperspoel voor de afvoerlucht-inlaat als deze naast een span (2) ligt.
- Voor een flexibele leidingverbinding (10) en voor de vrije ruimte die nodig is achter het toevoerluchtrooster,
- zorg voor 51 mm voor de buisring, en 25 mm over voor de bochtradius, en
- tel daar de leidingdiameter bij op om de totale vrije ruimte te berekenen. Zorg voor voldoende vrije ruimte voor de installatie en het onderhoud.
MCS5, MCS15 Installatie
Afmeting eenheid (afb. 2, pag. 3)
I: bovenaanzicht - II: zijaanzicht - III: achteraanzicht
| Capaciteit eenheid | MCS5 MCS15 mm mm | |
| A – Leidingafmeting 102 153 | ||
| B – Basisdiepte 204 254 | ||
| C – Algemene diepte 229 268 | ||
| D – Breedte 407 559 | ||
| E – Hoogte 286 343 |
8.2 Condensafvoer

Waarschuwing!
Sluit geen condensafvoerleiding aan
- binnen 0,9 m van een motoruitlaat of een afvoersysteem van een generator,
- in een motor- of generatorhuis,
- in het onderruim, tenzij de afvoer goed is aangesloten op een afgedichte condens- of afvoerpomp.
Als dat niet het geval is, kunnen de dampen uit het onderruim of het motorhuis zich vermengen met de afvoerlucht en daardoor de leefruimte verontreinigen. Dit kan leiden tot verwondingen of overlijden.
Bij het installeren van de condensafvoer moeten de volgende aanwijzingen worden gevolgd:
Leid de condensafvoer niet naar het onderruim. Leid de condensafvoerleiding van de eenheid af omlaag naar een geschikte afvoerlocatie. - De condensafvoerleiding moet voorzien zijn van een sifon.
Voor de installatie van de condensafvoer (afb. 3, pag. 4):
Verwijder het naar achteren wijzende waterdichte afdichtplaatje van de basisplaat (4) van de airco-eenheid. Schuif eerst de vaste afdichtring (2) en vervolgens de vloeibare afdichting (3) op de PVC-aansluiting (1).
Verbind de PVC-aansluiting (1) met een sluitmoer (5) door de vrijgekomen opening met de basisplaat (4). Zorg dat deze goed is afgedicht. Gebruik hiervoor 2 moersleutels.
Installatie MCS5, MCS15
Sluit een versterkte slang met een binnendiameter van 5/8 inch (16 mm) op de slangaansluiting aan en zet hem vast met de RVS slangklemmen. De condensafvoerslang moet vanuit de eenheid omlaag worden geleid naar achteren en naar het afvoerreservoir. De slang moet zijn voorzien van een sifon.

Opmerking:
Er kunnen afvoeraansluitingen worden gebruikt waarbij de slangen een T-verbinding vormen. Er moet dan wel een minimale ruimte van 51 mm zijn van de bodem van de onderbak tot de T-verbinding.

Opmerking:
U zou kunnen overwegen een sifon in de condensafvoerleiding(en) te installeren. De sifon wordt gevuld met het normale afgevoerde condens en voorkomt het binnendringen van koolmonoxide (CO) of andere potentieel schadelijke dampen.
U test de installatie door een liter water in de bak te gooien en te kijken of het water goed wegstroomt.
8.3 Ventilator
Met een ventilator (afb. 4 1, pagina 4) kan de toevoerlucht horizontaal en verticaal worden geblazen. Draai de ventilator zodanig dat de lucht zo direct mogelijk naar het toevoerlucht-rooster stroomt.
8.3.1 MCS5
Verwijder de draad die de ventilator verbindt met de onderbak en/of een naastgelegen isolatie. Verwijder en bewaar de 7 schroeven (afb. 4 5, pagina 4) waarmee de ventilatorplaat is bevestigd aan het verdamperhuis. Draai de ventilator 90° zodat de afvoer in verticale positie staat en naar boven is gericht.
Bevestig de ventilatorplaat weer met de 7 schroeven aan het verdamperhuis. Let erop dat de elektriciteitsdraad weer in de goede positie is geplaatst zodat hij nergens blijft haken tijdens of na de installatie. De verticale draaiing is afgerond.
8.3.2 MCS15
Als de ventilator verticaal staat, moet het steunplaatje voor de verticale stand worden gebruikt. Anders kan de eenheid beschadigen en vervalt de garantie.
Verwijder de 2 zelfborgende schroeven waarmee de ventilator is bevestigd aan de afvoerbak. Verwijder de draad die de ventilator verbindt met de onderbak en/of een naastgelegen isolatie. Verwijder en bewaar de 7 schroeven (afb. 4 5, pagina 4) waarmee de ventilatorplaat is bevestigd aan het verdamperhuis. Draai de ventilator 90° zodat de afvoer in verticale positie staat en naar boven is gericht.
Bevestig de ventilatorplaat weer met de 7 schroeven aan het verdamperhuis. Positioneer het steunplaatje voor de verticale stand (afb. 4 3A en 3B, pagina 4) tegen de onderbak. Verwijder de 2 schroeven (afb. 4 2, pagina 4) uit deel A (afb. 4 3A, pagina 4) en bewaar ze. Verwijder en bewaar de 2 zelfborgende schroeven (afb. 4, pagina 4) waarmee de ventilator is bevestigd aan de afvoerbak. Met de 2 schroeven, die u net uit deel A heeft verwijderd, bevestigt u deel A aan de binnenkant van de bak (afb. 4 6, pagina 4).

Opmerking
Met een schroefpistool boren de zelfborgende schroeven hun eigen boorgaten. Indien er toch gaten moeten worden geboord, gebruik dan een 0,5 boor met een boorstop of een andere methode om te voorkomen dat u dieper dan 6 mm in het ventilatorhuis boort.
Met de 2 zelfborgende schroeven, die u net heeft verwijderd, bevestigt u deel B (afb. 4 3B, pagina 4) van het steunplaatje aan het ventilatorhuis (afb. 4 7, pagina 4). Let erop dat de elektriciteitsdraad weer in de goede positie is geplaatst zodat hij nergens blijft haken tijdens of na de installatie. De verticale draaiing is afgerond.
8.4 Elektriciteitkastje
Bij het installeren van het elektriciteitskastje moeten de volgende aanwijzingen worden gevolgd:
- Monteer het elektriciteit op een droge plaats.
- Monteer het elektriciteitskastje op een vaste ondergrond binnen 1 m van de eenheid.
- Monteer het elektriciteitskastje binnen 4,5 m van de plaats waar het digitale bedieningstoestel wordt geïnstalleerd. Bevestig het elektriciteitskastje met de 3 montagebeugeltjes aan de rechterkant op een geschikt montageoppervlak. Gebruik schroeven die geschikt zijn voor het betreffende montageoppervlak (niet meegeleverd).
8.5 Toevoerlucht-rooster
Bij het installeren van het toevoerlucht-rooster moeten de volgende aanwijzingen worden gevolgd om een directe ononderbroken luchtstroom naar de verdamper te realiseren:

Let op! Het toevoerlucht-rooster mag in geen geval in de richting van het afvoerlucht-rooster worden gericht, anders ontstaat er een gesloten luchtcircuit.
- Installeer het toevoerlucht-rooster zo hoog mogelijk.
- Achter het toevoerlucht-rooster is een minimale vrije ruimte nodig van 76 mm plus de leidingdiameter (afb. 6 3, pagina 6) voor de aansluiting van de leidingen (afb. 2 11, pagina 3). Maak een uitsnijding voor het ronde toevoerlucht-rooster op basis van de tabel hieronder:
| MCS5 MCS15 | |
| 4,4 x 4,4"112 x 112 mm | 9,6 x 7,6"254 x 204 mm |
Monteer het toevoerlucht-rooster.
8.6 Afvoerlucht-rooster
Bij het installeren van het afvoerlucht-rooster moeten de volgende aanwijzingen worden gevolgd om een directe ononderbroken luchtstroom naar de verdamper te realiseren:
MCS5, MCS15 Installatie
- Installeer het afvoerlucht-rooster zo laag mogelijk en zoveel mogelijk in de buurt van de eenheid.
- Installeer het afvoerlucht-rooster niet in de buurt van uitlaat- en onderruimdampen.
- Het afvoerlucht-rooster moet in de hut aan de voorzijde een minimale vrije ruimte hebben van 107 mm.
Maak een uitsnijding voor de afvoerlucht-roosters op basis van de tabel hieronder:
Als uw apparaat is geleverd met een gefilterd afvoerlucht-rooster: Verwijder het filter dat op de verdamper is bevestigd en gooi het bij het afval.
Twee filters zijn niet beter dan een. De verminderde luchtstroom is minder effectief en kan in de verdamperspoel bevriezen.
Monteer het afvoerlucht-rooster.
8.7 Leidingen
Bij het installeren van de leidingen moeten de volgende aanwijzingen worden gevolgd:
- De leidingen moeten recht, soepel en strak mogelijk worden gelegd. Vermijd onnodige buigingen en lussen.
- Houd het aantal 90° buigingen op een minimum (twee rechte 90° buigingen beperken de luchtstroom met 25%). Zorg ervoor dat de leidingen goed zijn aangesloten en niet te lang zijn.
Hieronder is een samenvatting opgenomen van de juiste leidingverbindingen:
U kunt aan een van beide einden beginnen (bij het lucht-uitlaatrooster of de airco-eenheid). Trek de glasvezelisolatie terug zodat de binnenslang in de leiding zichtbaar wordt. Schuif de binnenslang rond de montagering totdat deze er aan de onderzijde weer uitkomt. Schroef 3 of 4 RVS plaatmetaal-schroeven door de leidingslang in de overgangring.
Installatie MCS5, MCS15
Zorg ervoor dat de draad in de leidingslang vastzit aan de schroefkappen.
Gebruik geen bandklemmen aangezien de slang dan wegglijdt.
Wikkel leidingtape rond de leidingen en breng een ringverbinding aan om luchtlekken te voorkomen. Duw de isolatie terug over de mylar op de ring en plak deze verbinding af.
Breng de leiding naar het andere einde en houd deze waar mogelijk recht, soepel en strak. Verwijder de overtollige leiding. Gebruik dezelfde verbindingsmethode aan het andere einde.
8.8 Installatie van het bedieningspaneel
Bij het installeren van het bedieningspaneel moeten de volgende aanwijzingen worden gevolgd:
- Monteer het bedieningspaneel binnen 4,5m van het elektriciteitskastje.
- Monteer het bedieningspaneel op een binnenwand, iets hoger dan het midden van de hut, op een plaats met vrij circulerende lucht waar de gemiddelde temperatuur het beste kan worden gedetecteerd.
- Monteer het bedieningspaneel NIET
- onder directe zonnestralen
- in de buurt van warmteopwekkende apparaten
- in een ruimte waar de temperaturen het paneel kunnen beïnvloeden en de werking kunnen verminderen
- in de toevoerluchtstroom
- boven of onder het rooster voor toevoer- of afvoerlucht
Kies voordat u het bedieningspaneel monteert eerst een geschikte plaats:
Maak een uitsnijding voor het bedieningspaneel: 64 mm breed, 48 mm hoog.
Steek één uiteinde van de displaykabel (8-pin RJ-45 stekker) in de display-aansluiting (J-2) van het elektriciteitskastje en het andere uiteinde in de achterkant van het bedieningspaneel. Reinig voordat u het paneel monteert het montageoppervlak. Gebruik hiervoor enkel isopropylalcohol (test de alcohol eerst op een verborgen deel van het oppervlak). Bevestig het bedieningspaneel met de meegeleverde schroeven aan een muur.
8.9 Installatie van eenheid en zeewatersysteem
8.9.1 Aanwijzingen voor de installatie van het zeewatersysteem

Let op!
Als er geen zeewaterzeef wordt geïnstalleerd, vervalt de garantie!
Bij het installeren van zeewatersystemen moeten de volgende aanwijzingen worden gevolgd:
- De zeewaterpomp moet worden gemonteerd zodat hij zich altijd minimaal 300 mm onder de zeespiegel bevindt.
- De zeewaterpomp kan horizontaal of verticaal worden gemonteerd, maar de uitlaat moet altijd boven de inlaat (afb. 5, pag. 5) worden geplaatst.
| Onder-deel | Beschrijving |
| 1 | Buitenboard-inlaat |
| 2 | Kogelklep |
| 3 | Z e e f |
| 4 | Zeewaterpomp |
| 5 | Condenserspoel airco |
| 6 | Zeewater-uitlaat |
| 7 | Waterspiegel |
| 8 | Inlaatstroom |
| 9 | Uitlaatstroom |
| 10 | Slangklemmen paarsgewijs geinstalleerd met steleinden aan tegen-over elkaar liggende zijden |
A: Correct
Stabiele opwaartse stroom van inlaat tot eenheid (8), vervolgens neerwaarts naar de uitlaat (9), slangen stevig dubbel vastgeklemd (10).
Buitenboord-inlaat (1), kogelklep (2), slang en zeef (3) mogen niet kleiner zijn dan de pompinlaat.
B: Niet correct
Slangen mogen geen knikken, lussen of hoge punten hebben waardoor de waterstroom kan worden belemmerd.
C: Niet correct
Pomp (4) en zeef (3) moeten zich onder de waterspiegel bevinden (7).
D: Niet correct
De zeef (3) moet onder pomp (4) en onder de waterspiegel (7) worden aangebracht.
Installatie MCS5, MCS15
- Zorg ervoor dat het water vanaf de buitenboord-uitlaat vrij kan stromen als de pomp draait.
- Het inlaatrooster moet naar voren gericht zijn en mag niet worden gedeeld met een andere pomp.
- Het inlaatrooster en de sluitklep moeten vastzitten en goed zijn afgedicht.
- Het is verplicht om een zeewaterzeef (3) tussen de afsluitklep (buitenboordkraan) (1) en de pomp (4) te monteren, om de pomp te beschermen tegen vreemde stoffen. Zorg dat het filter van de zeef (3) toegankelijk blijft.
- Het zeewatersysteem moet worden geïnstalleerd
- met een opwaartse neiging vanaf het inlaatrooster en buitenboordkraan (1),
- door de zeef (3),
- tot de pompinlaat (4) en
- vervolgens omhoog naar de inlaat van de condenserspoel op de airco-eenheid (5).
- De afvoer van de airco-eenheid (5) moet worden verbonden met de buitenboord-uitlaat (6), die op een plaat wordt gemonteerd waar de waterstroom visueel kan worden vastgesteld en om het geluid te beperken zo dicht mogelijk bij de waterspiegel.
- Zorg ervoor dat de slangen vanaf het inlaatrooster omhoog lopen naar de zeef (3), pomp (4) en airco-eenheid (5).
- Vermijd lussen, hoge punten of hoeken van 90° met de zeewaterslang.
- De airco-eenheid (5) moet zo laag mogelijk worden geïnstalleerd, maar nooit in de buurt van het onderruim of motorhuis (zoals onder een V-kooi, eethoek of onder een kast). Zorg voor voldoende ruimte rondom de eenheid.
- Kies de locatie zodanig dat er geen direct contact kan zijn met dampen uit het onderruim en/of het motorhuis.
- Monteer de eenheid (5) op een stevig, effen en horizontaal oppervlak.
- Klem de slangverbindingen dubbel vast met RVS klemmen. De klemmen worden waar nodig omgekeerd.
- Breng teflon-tape aan op alle draadschroefverbindingen.
- Draai deze anderhalf slag vaster dan handvast.

Let op! Draai de schroeven niet te vast. Hierdoor kunnen binnen enkele uren of dagen scheuren ontstaan.
Voordat u de boot in gebruik neemt, controleert u of er geen lekkage is. Als u twijfelt over deze procedure, laat de werkzaamheden dan uitvoeren door een gekwalificeerde bootmonteur. Zo voorkomt u dat uw boot zinkt.
8.9.2 Leidingenset installeren

Opmerking
Bij de eenheid op de afbeelding is de ventilator in verticale stand gedraaid.

Opmerking
Voor afmetingen en onderdeelnummers, zie hoofdstuk "Leveringsomvang" op pagina 129.
Toelichting op afb. 6, pag. 6
Onderdeel Beschrijving
1 Leidingen 2 Toevoerlucht-rooster 3 Diepte van toevoerlucht-rooster 4 Afvoerlucht-rooster 5 Bedieningspaneel 6 Elektrische isolatie 7 Condensafvoer aan afvoerreservoir 8 Slanginstallatie 9 Zeewater-uitlaat 10 Zeewater-inlaat 11 Montageklem 12 Airco-eenheid 13 Elektriciteitskastje
8.9.3 Installatie zeewaterset
Toelichting op afb. 7, pag. 6
Onderdeel Beschrijving
1 Waterspiegel 2 Buitenboord 3 Zeewaterslang 4 Airco-eenheid 5 Elektriciteitskastje 6 Stroomisolatiepomp 7 Zeewaterpomp 8 PVC-adapter, 1/2" FPT x 1/2" HB 9 PVC-adapter, 1/2" MPT x 1/2" HB 10 Zeef 11 Zeewater-inlaat (zie detail A)
Zeewater-inlaat (detail A)
| Onderdeel in A | Beschrijving |
| 12 Zeewaterslang | |
| 13 Slangklemmen | |
| 14 PVC-adapter, 1/2", MPT x 1/2" HB | |
| 15 Kogelklep | |
| 16 Moer | |
| 17 Steunplaat (niet meegeleverd met de set) | |
| 18 Grondlijm (niet meegeleverd met de set) | |
| 19 Romp | |
| 20 Inlautrooster | |
8.9.4 Installatie
Installeer het inlaatrooster voor het zeewater zo ver mogelijk onder de zeespiegel en zo dicht mogelijk bij de kiel en met de inlaat in de richting van de boeg. Hierdoor blijft de inlaat in het water als de boot overhelt, zodat er geen lucht in het systeem binnendringt. Dicht het rooster af met een afdichtmiddel voor boten dat geschikt is voor gebruik onder water.
Smeer de grondlijm royaal aan beide zijden en door de opening. Installeer een bronzen doorstromende buitenboordkraan op het buitenboord inlaatrooster. Installeer een zeewaterzeef onder het niveau van de pomp, terwijl het filter toegankelijk blijft. Verbind de buitenboordkraan en de zeef in opwaartse richting. Gebruik hiervoor een verstevigde slang van 5/8" (16 mm) die geschikt is voor boten. Zet de zeewaterpomp goed vast boven de zeef, minimaal 300 mm onder de waterspiegel. Draai de pompkop in de richting van de waterstroom. Monteer de airco-eenheid door de onderbak op een vlak, horizontaal oppervlak te bevestigen. Hiervoor gebruikt u de montageklemmen en de vier schroeven. De onderbak dient ook als condensbak. Verbind de afvoer van de pomp waar boven toe met de inlaat van de condenserspoel aan de onderkant van de airco-eenheid. Gebruik hiervoor een versterkte slang van 5/8" (16 mm), die geschikt is voor boten. Installeer de buitenboordafvoer.
MCS5, MCS15 Het Marine Climate System aansluiten
Verbind de afvoer van de condenserspoel met de buitenboordafvoer. Gebruik hiervoor een versterkte slang van 5/8" (16 mm), die geschikt is voor boten. Verbind alle metalen onderdelen die in aanraking komen met zeewater aan het aardingssysteem van het schip, zoals het inlaatrooster, de pomp (de isolatie aarddraad), en de airco.
9 Het Marine Climate System aansluiten

Waarschuwing!
Als het systeem niet goed wordt geaard, vervalt de garantie!

Waarschuwing!
Eerst de AC-stroomonderbreker uitschakelen voordat u het elektriciteitskastje opent om toegang te krijgen tot de aansluitstrook.
Toelichting bij schakelschema's (afb. 8, pag. 7):
| Onder-deel Beschrijving |
| 1 Elektriciteitskastje |
| 2 Starthulp met een Positieve Temperatuur Coefficientesterstand (PTC-meerstand)(wordt nicht gezebrukt in MCS5) |
| 3 Condensator |
| 4 Bedieningspaneel |
| 5 Optionele alternatie luchtsensor |
| 6 Optionele buitenlucht-sensor |
| 7 Compressor |
| 8 Pomp- of relaispaneel |
| 9 Terugslagklep |
| 10 Ventilator |
| 11 Hopedruk-schakelaar |
| 12 Stroomvoorziening |
| 13 Aardpunt van het systeme |
| 14 Aansluitingen ingangsstroom en uitgangsstroom pomp |
Bij het aansluiten van het maritieme aircosysteem moeten de volgende aanwijzingen worden gevolgd:
- Er moet een stroomonderbreker worden gebruikt met de juiste afmeting om het systeem te beveiligen, zoals vermeld is op het gegevensplaatje van de airco-eenheid.
Bediening MCS5, MCS15
- Installeer en aard een AC-stroombron die voldoet aan de elektrische normen voor boten.
- Gebruik minimaal 3,5 mm² bootkabel om de airco-eenheid te voeden, om de zeewaterpomp te voeden, en om de draden op de pomp te verlengen.
- Voor elektrische verbindingen in het onderruim onder de waterspiegel moeten thermisch krimpende isolatiedraden worden gebruikt.
- Alle verbindingen maar de aansluitstrook moeten worden gemaakt met voldoende grote kabelschoenen (niet meegeleverd).
- Voor iedere airco-eenheid is een eigen stroomonderbreker vereist.
- Als er slechts een airco-eenheid is geïnstalleerd, heeft de zeewaterpomp geen stroomonderbreker nodig. De bedrading van de zeewaterpomp is aangesloten op de aansluitstrook van de eenheid (zie schakelschema, afb. 8, pag. 7).
- Als er twee of meer airco-eenheden dezelfde zeewaterpomp gebruiken, worden de draden van de pomp op een pomprelaispaneel (PRP) aangesloten die een eigen stroomonderbreker heeft (zie het schakelschema, bekleed met de PRP). Sluit de airco-eenheid aan op het aardingssysteem van de boot om corrosie door lekstroom te voorkomen. Zorg ervoor dat de AC-aarde van de airco-eenheid goed wordt aangesloten op de AC-aarde van de boot. Binnen de boot moet de AC-aardbus op exact één plaats aangesloten zijn op de DC-aardbus. Verbind de afzonderlijke pompen, metalen kleppen en aansluitingen in het zeewatercircuit die geïsoleerd zijn via de airco-eenheid met PVC- of rubberslangen met het aardingssysteem van de boot. Dit voorkomt corrosie door lekstroom.
10 Bediening

Opmerking: Voor de bediening zie de bedieningshandleiding.
11 Programmeren

Opmerking: Voor het programmeren en definiëren van de parameters zie de bedieningshandleiding.
12 Aanwijzingen voor het verhelpen van storingen

Opmerking
Voor het verhelen van storingen zie de bedieningshandleiding.
13 Garantie
De wettelijke garantieperiode is van toepassing. Als het product defect is, neem dan contact op met het WAECO-filiaal in uw land (adressen achterin de handleiding).
Onze specialisten helpen u graag verder en bespreken het verdere verloop van de garantie met u.
14 Afvoeren
Laat het verpakkingsmateriaal indien mogelijk recyclen.

Als u het toestel definitief buiten bedrijf stelt, informeer dan bij het dichtstbijzijnde recyclingcentrum of uw speciaalzaak naar de betreffende afvoervoorschriften.
15.1 Gegevens eenheid
| Marine Climate System MCS5 | Marine Climate System MCS15 | |
| Koelvermogen: 5000 Btuh | 1500 W | 15000 Btuh |
| 4400 W | ||
| Ingangsspanning: 230 V 230 V | ||
| Stroomverbruik: | ||
| Koelen: 2,2 A 5,7 A | ||
| Verwarmen: 2,9 A 7,0 A | ||
| Afmeting (b x h x d): | ||
| Eenheid: 226 x 279 x 452 mm | 226 x 279 x 452 mm | |
| Bedieningspaneel: | 81 x 64 x 24 mm | 81 x 64 x 24 mm |
| Uitsnijding voor paneel: | 64 x 48 mm | 64 x 48 mm |
| Gewicht: | 18 kg | 28 kg |
15.2 Kabellengte
| Displaykabel: | 4,5 m standard |
| Alternatieve luchtsensor (optioneel): | 2,0 m standard |
| Buitenluchtsensor (optioneel): | 4,5 m standard |
| Alle aangepaste kabellengtes worden geleverd in standaardeenheden van 1,5 m: | 22,5 m maximum |

AANWIJZINGEN: De maximale lengte van de display- en sensorkabels is 22,9 m. De buitendeursensor en alternatieve luchtsensoren zijn optionele onderdelen en worden niet meegeleverd met het standaard bedieningspakket.
Versies, technische verbeteringen en voorradigheid voorbehouden.