EKOMBG33ABV1 - Ketel DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EKOMBG33ABV1 DAIKIN in PDF-formaat.
Veelgestelde vragen - EKOMBG33ABV1 DAIKIN
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EKOMBG33ABV1 - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EKOMBG33ABV1 van het merk DAIKIN.
GEBRUIKSAANWIJZING EKOMBG33ABV1 DAIKIN
Pictogrammen In deze handleiding is het volgende pictogram gebruikt:
VOORZICHTIG Procedures die –als ze niet met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd worden– schade aan het product, de omgeving, het milieu of lichamelijk letsel tot gevolg kunnen hebben.
BELANGRIJK Procedures en/of voorschriften welke, bij niet opvolgen de werking van het toestel in negatieve zin kunnen beïnvloeden.Daikin Europe NV 5 Service en technische ondersteuning ten behoeve van de installateur Voor informatie over specifieke afstellingen, installatie-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, kunt u als installateur contact opnemen met je locale Daikin dealer. Identificatie van het product De toestelgegevens vindt u op de typeplaat op de onderzijde van het toestel. De typeplaat bevat naast de informatie over de leverancier en de toestel gegevens (type en model naam) de volgende gegevens: ******-yymm****** Product code – serienummer (yy = productie jaar, mm = producitemaand) PIN Product Identificatie Nummer Informatie met betrekking tot de warmwatervoorziening Informatie met betrekking tot Centrale Verwarming Informatie met betrekking tot de electrische aansluiting zoals voltage netfrequentie, elmax en IP klasse PMS Toegestane overdruk van het Centrale Verwarmingscircuit in bar PWS Toegestane overdruk van het warmwatercircuit Qn HS Belasting op bovenwaarde in kilowatt Qn Hi Belasting op onderwaarde in kilowatt
Vermogen in kilowatt BE, DE, GR, IT, PT, FR, PL Bestemmingslanden (EN 437) I2E(s), I2H, IIELL3P, II2H3P, II2Esi3P Toegestane toestel categorie (EN 437) G20-20 mbar G25-25 mbar Gssoort en voordruk (fabrieksinstelling, EN 437) B23, …. C93(x) Toegestane rookgascategorie (EN 15502) Tmax Max. aanvoertemperatuur in °C IPX4D Electrische beschermingsklasse 1 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN BELANGRIJK Dit product is uitsluitend voor huishoudelijk gebruik bestemd. De fabrikant Daikin aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade of letsel veroorzaakt door het niet (strikt) naleven van de veiligheidsvoorschriften en -instructies, dan wel door onachtzaamheid tijdens het installeren van de Daikin EKOMBG*ABV1 Hoog Rendement gaswandketel en de eventueel bijbehorende accessoires. Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij toezicht of instructie over het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid is gegeven. Voor de verschillende disciplines zijn de voorschriften gescheiden vermeld. De gehele installatie moet voldoen aan de geldende lokale technische en (veiligheids)voorschriften van toepassing en dit zowel voor de gasinstallatie, de elektrische installatie, rookgasafvoerinstallatie, dinkwaterinstallatie en CV- installatie. Afhankelijk van het bouwjaar kan een Daikin EKOMBG*ABV1 een onderdeel bevatten waarin keramische vezels zijn verwerkt. Dit kan van toepassing zijn op de kijkglaspakking en op de isolatiepakking van de voorplaat. Gebruik altijd de aanbevolen persoonlijke beschermingsmiddelen bij het werken met keramische vezels.Daikin Europe NV 6 2 TOESTELOMSCHRIJVING
De Daikin EKOMBG*ABV1 gaswandketel is een gesloten toestel. Het toestel is bedoeld om warmte te leveren aan het water van een CV-installatie en de WW-installatie. De luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer van de EKOMBG*ABV1 kan door middel van twee aparte leidingen op het toestel aangesloten worden of door middel van een concentrische aansluiting. Het toestel is in combinatie met de combidoorvoer gekeurd, maar het toestel kan ook aangesloten worden op combidoorvoeren die voldoen aan de universele keuringseisen voor combidoorvoeren. Het toestel kan naar keuze aangesloten worden op een montagebeugel, een frame met bovenaansluiting en diverse aansluitsets. Deze worden separaat geleverd. De Daikin EKOMBG*ABV1 gaswandketels zijn voorzien van het CE keurmerk, electrische beschermingsklasse IPX4D. Het is mogelijk om het toestel alleen te gebruiken voor warmwater of alleen voor verwarming. Het niet gebruikte systeem hoeft niet aangesloten te worden (zie § 7.2). Het toestel wordt standaard geleverd voor aardgas (G25). Op bestelling kan een toestel geleverd worden voor propaan (G31).
De Daikin EKOMBG*ABV1 gaswandketel is een modulerende hoog rendement ketel. Dit houdt in dat het vermogen wordt aangepast aan de gewenste warmtebehoefte. In de aluminium warmtewisselaar zijn twee van elkaar gescheiden koperen circuits geïntegreerd. Door de gescheiden uitgevoerde circuits voor CV- en warmwater kunnen de verwarming en warmwatervoorziening onafhankelijk van elkaar werken. De warmwatervoorziening heeft voorrang ten opzichte van de verwarming. Beide kunnen niet gelijktijdig werken. Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die bij iedere warmtevraag van de verwarming of de warmwatervoorziening de ventilator en de modulerende pomp aanstuurt, de gasklep opent, de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt en regelt, afhankelijk van het gevraagde vermogen. De pomp wordt alleen tijdens warmtevraag van de verwarming gestuurd, afhankelijk van het gevraagde vermogen.
2.3 Bedrijfstoestanden
Op het servicedisplay van het bedieningspaneel wordt door een code de bedrijfstoestand van het toestel aangegeven. - Uit Het toestel is buiten bedrijf, maar staat wel onder elektrische spanning. Op vragen voor warm tapwater of CV-water wordt niet gereageerd. De toestelvorstbeveiliging is wel actief. Dit houdt in dat de pomp gaat draaien en de wisselaar wordt opgewarmd indien de temperatuur van het daarin aanwezige water te ver daalt. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code 7 zichtbaar (opwarmen wisselaar). Tevens kan in deze bedrijfstoestand de druk in de CV-installatie (in Bar) afgelezen worden op het temperatuurdisplay. Wachtstand De LED bij de toets brandt en eventueel één van de LED’s van de tapcomfort functie. Het toestel is gereed voor het beantwoorden van een vraag naar CV- of tapwater. 0 Nadraaien CV Na het einde van CV-bedrijf draait de pomp na. De nadraaitijd staat van fabriekswege ingesteld op de waarde volgens § 7.2. Deze instelling kan gewijzigd worden. Bovendien gaat de pomp automatisch 1 keer per 24 uur gedurende 10 seconden draaien om vastzitten te voorkomen. Deze automatische inschakeling van de pomp vindt plaats op het tijdstip van de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient op het gewenste tijdstip de kamerthermostaat even omhoog gezet te worden. 1 Gewenste temperatuur bereikt De branderautomaat kan de warmtevraag tijdelijk blokkeren. De brander wordt dan gestopt. De blokkering vindt plaats omdat de gevraagde temperatuur is bereikt. Als de temperatuur voldoende is gezakt wordt de blokkering opgeheven.Daikin Europe NV 7 2 Zelftest Eenmaal per 24 uur wordt door de branderautomaat de aangesloten sensoren gecontroleerd. Tijdens de controle voert de automaat geen andere taken uit. 3 Ventileren Bij het starten van het toestel wordt allereerst de ventilator naar het starttoerental gebracht. Als het starttoerental is bereikt wordt de brander ontstoken. Code 3 is eveneens zichtbaar als er na het stoppen van de brander wordt nageventileerd. 4 Ontsteken Als de ventilator het starttoerental heeft bereikt vindt de ontsteking van de brander middels elektrische vonken plaats. Tijdens het ontsteken is code 4 zichtbaar. Indien de brander niet ontsteekt dan vindt na ongeveer 15 seconden een nieuwe ontsteekpoging plaats. Als na 4 ontsteekpogingen de brander nog niet brandt dan valt de automaat in storing. 5 CV-bedrijf Op de automaat kan een aan/uit thermostaat, een OpenTherm thermostaat, een buitenvoeler of een combinatie met de laatste aangesloten worden (zie § 0) Bij een warmtevraag afkomstig van een thermostaat volgt na het aanlopen van de ventilator (code 3 ) het ontsteken (code 4 ) en de CV-bedrijfstoestand (code 5 ). Tijdens CV-bedrijf wordt het toerental van de ventilator en daarmee het vermogen van het toestel aangepast zodanig dat de temperatuur van het CV-water naar de gewenste CV-aanvoertemperatuur toe geregeld wordt. Wanneer een aan/uit thermostaat is aangesloten, is dit de op het display ingestelde CV-aanvoertemperatuur. In het geval van een OpenTherm- of draadloze thermostaat wordt de gewenste CV- aanvoertemperatuur door de thermostaat bepaald. Bij een buitenvoeler wordt de gewenste CV-aanvoertemperatuur bepaald door de in de branderautomaat geprogrammeerde stooklijn. Voor de laatste twee situaties geldt echter als maximum de op het display ingestelde temperatuur. Tijdens CV-bedrijf wordt de gevraagde CV-aanvoertemperatuur op het bedieningspaneel weergegeven. De CV-aanvoertemperatuur kan ingesteld worden tussen 30 en 90°C (zie § 7.1). Let op: voor een laagtemperatuursysteem kan een lagere maximale instelling vereist zijn dan de standaardinstelling van 80°C. Door de servicetoets in te drukken tijdens CV-bedrijf kan de werkelijke CV- aanvoertemperatuur afgelezen worden. Als de tapcomfortfunctie is ingeschakeld (zie code 7 ), dan wordt een OpenTherm warmtevraag van minder dan 40 graden genegeerd. 6 Tapwaterbedrijf De warmwatervoorziening heeft voorrang op de verwarming. Als door de stromingsschakelaar een behoefte van meer dan 2 l/min aan warm tapwater wordt gedetecteerd, zal een eventuele CV-vraag onderbroken worden. Na het aanlopen van de ventilator (code 3 ) en het ontsteken (code 4 ) komt de automaat in tapwaterbedrijf (code 6 ). Tijdens tapwaterbedrijf wordt het toerental van de ventilator, en daarmee het vermogen van het toestel, geregeld door de automaat op basis van de ingestelde tapwatertemperatuur. De regeling draagt zorg voor de juiste tapwatertemperatuur. De water temperatuur kan worden ingesteld tussen 40°C en 65°C (zie § 7.1). De ingestelde tapwatertemperatuur wordt op het bedieningspaneel getoond. De standaardinstelling bedraagt 60°C. Door de servicetoets in te drukken tijdens tapwaterbedrijf, kan de werkelijke tapwatertemperatuur afgelezen worden.Daikin Europe NV 8 7 Opwarmen toestel Ten behoeve van een snelle levering van warm tapwater is een zogenaamde tapcomfortfunctie in de automaat aangebracht. Door deze functie wordt de warmtewisselaar op temperatuur gehouden (deze is instelbaar, zie § 7.2). De tapcomfortfunctie kent de volgende instellingen:
- Aan: ( LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is continue ingeschakeld. Het toestel levert altijd direct warm water.
- Eco: ( LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is zelflerend. Het toestel zal zich aanpassen aan het gebruikspatroon van het warm tapwater. Hierdoor zal de warmtewisselaar gedurende de nacht, of bij lange afwezigheid, niet op temperatuur gehouden worden.
- Uit: (Beide LED’s uit) De warmtewisselaar wordt niet warm gehouden waardoor de levering van warm tapwater even op zich laat wachten. Als er geen behoefte is aan snelle levering van warm tapwater, kan de tapcomfortfunctie uitgeschakeld worden. Bij de instellingen “aan” en “eco” voldoet het toestel aan de Gaskeur CW eisen.
De automaat is voorzien van een interface voor een PC. Door middel van een speciale dongle en bijbehorende software kan een PC communiceren met de CV-ketel. Met deze voorziening is het mogelijk om het gedrag van de automaat, het toestel en de verwarmingsinstallatie over een lange periode te volgen.
In de branderautomaat is een voorziening aangebracht om het toestel in een test status te brengen. Door het activeren van een testprogramma zal het toestel in bedrijf komen met een vast ventilator toerental, zonder dat de regelfuncties zullen ingrijpen. De veiligheidsfuncties blijven wel actief. Het testprogramma wordt beëindigd door de en gelijktijdig in te drukken. Testprogramma's Omschrijving programma Toets combinaties Display uitlezing Brander aan met minimaal WW vermogen (zie parameter d § 7.2)
“L” Brander aan met ingesteld maximaal CV-vermogen (zie parameter 3 § 7.2) en (1x) “h” Brander aan met maximaal WW vermogen (zie parameter 3 § 7.2) en (2x) "H" Uitschakelen testprogramma
Actuele bedrijfssituatie
Als het toestel in test bedrijf is kunnen de volgende gegevens via het display worden uitgelezen:
- Door de + toets blijvend in te drukken wordt op het display de CV-druk getoond.
- Door de - toets blijvend in te drukken wordt op het display de gemeten ionisatiestroom getoond
- Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag wordt, gaat de pomp draaien tot de temperatuur van de warmtewisselaar voldoende is. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code 7‘ zichtbaar (opwarmen wisselaar).
- Als de installatie (of een deel daarvan) kan bevriezen, moet er op de koudste plaats een (externe) vorstthermostaat op de retourleiding aangebracht worden. Deze moet volgens het elektrisch schema aangesloten worden (zie § 0).
Opmerking Als het toestel buiten bedrijf is ( - op het service display) blijft de toestelvorstbeveiliging actief, op een warmtevraag van een (externe) vorstthermostaat wordt echter niet gereageerd.Daikin Europe NV 9 3 HOOFDCOMPONENTEN
Branderautomaat met bedieningspaneel
Aansluitblok / klemmenlijst X4
Bedieningspaneel en uitlezing
Aansluitsnoer 230 V ~ met steker met randaarde
Ionisatie- / ontsteekpen
Omschrijving Artikel nummers
Schermplaat EKOMBG*ABV1 EKCP1AA
Buitenvoeler EKOSK1AA
Propaanset EKOMBG28ABV1
(1) Deze set bevat een gaskraan dat voldoet aan EN 331 met de volgende specificaties:
- Zorg ervoor dat de gaskraan voldoet aan de vereisten voor de toepassing
- Gebruik de gaskraan niet bij zichtbare schade
- Wijzig niets aan de gaskraan
- De Instructies bij de kraan moeten worden gevolgd
- Lokale wetgeving moet worden gevolgdDaikin Europe NV 11 4 INSTALLATIE
Toestel met leidingen naar onderen aangesloten:
Toestel Op B-pack aangesloten:
4.2 Opstellingsruimte
Het toestel dient aan een wand gemonteerd te worden die voldoende draagkracht heeft. Bij lichte wandconstructies bestaat de mogelijkheid dat er resonantiegeluiden optreden. Binnen een afstand van 1 meter van het toestel dient een wandcontactdoos met randaarde voorhanden te zijn. Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden. Zorg bij voorkeur voor een minimaal vrij te houden ruimte naast de ketel van 2 cm. In verband met schroeigevaar is geen vrije ruimte vereist.
BELANGRIJK Het toestel mag niet worden geplaatst in een ruimte waarin wordt gewerkt met agressieve of corrosieve gassen zoals bijv. haarlak.
4.2.1 In een keukenkastje plaatsen
Het toestel kan tussen twee keukenkastjes of in een kastje geplaatst worden. Zorg voor voldoende ventilatie aan de onder- en bovenzijde. Als het toestel in een kastje geplaatst wordt, moeten er ventilatieopeningen van tenminste 50 cm
4.2.2 Schermplaat en frontpaneel afnemen
Voor diverse werkzaamheden aan het toestel dienen de eventueel aangebrachte schermplaat en frontpaneel van het toestel verwijderd te worden. Ga hierbij als volgt te werk:
- Neem de schermplaat (A), indien gebruikt, naar voren toe weg.
- Draai de beide schroeven (1) achter het displayvenster van het toestel los.
- Trek de onderzijde van het frontpaneel (2) naar voren toe.
Gevaar: risico van verbranding In geval van hoge vertrek water temperaturen voor CV (of een hoog vast setpunt of een hoog weersafhankelijk instelpunt bij lage omgevingstemperaturen), kan de warmtewisselaar van de ketel zeer heet worden, bijvoorbeeld 70 ° C. Pas op, in geval van een warm water vraag kan het water in eerste instantie een hogere watertemperatuur hebben dan gevraagd. In dit geval is het raadzaam om een thermostaatkraan te installeren om brandwonden te voorkomen. Dit kan gedaan worden volgens het onderstaande schema.Daikin Europe NV 14
De ketel kan worden opgehangen aan de muur met behulp van:
- deophangstrip en de montagebeugel EKVK4AA
- een B-pakket met inbegrip van een expension vat en een connection kit.
4.3.1 Ophangstrip en montagebeugel monteren
- Zorg ervoor dat de bouw van de muur geschikt is voor de montage van de ketel.
- Boor de gaten voor de ophanging strip en de montagebeugel in de muur met behulp van het boorpatroon meegeleverd met de ketel.
- Monteer de ophangstrip en de montage beugel horizontaal op de muur met het bijbehorende bevestigingsmaterialen.
- De ketel kan nu op de ophangstrip geplaatst worden door gelijktijdig de leidingen van de ketel in de knelfitting van de beugel te schuiven.
- Zorg ervoor dat de bouw van de muur geschikt is voor de montage van de ketel en de B-pack
- Boor de gaten voor de B-pack in de muur met behulp van het boorpatroon meegeleverd met de ketel.
- Monteer de B-pack op de muur met het bijbehorende bevestigingsmaterialen.
- Monteer de montagebeugel in het frame zoals uitgelegd in de manual van de B- pack.
- Sluit de flexibele buis op het expansievat en de aansltuiting op de terugslagklep. Zorg dat de dichtingsringen geplaatst zijn!
- De ketel kan nu op de B-pack geplaatst worden door gelijktijdig de leidingen van de ketel in de knelfiting van de beugel te schuiven.Daikin Europe NV 15
4.3.3 Toestel monteren
1. Pak het toestel uit.
2. Controleer de inhoud van de verpakking, deze bestaat uit:
- Installatievoorschrift
3. Controleer het toestel op eventuele beschadigingen: meldt beschadigingen
direct aan de leverancier.
4. Monteer de ophangstrip.
5. Controleer of de knelringen recht in de koppelingen van de montagebeugel zijn
6. Plaats het toestel: schuif deze van boven naar beneden over de ophangstrip
(B). Zorg dat de leidingen tegelijkertijd in de knelfittingen schuiven.
7. Draai de knelfittingen op de montagebeugel vast.
De nippels en leidingen mogen niet meedraaien!
8. Open de displayklep en draai de twee schroeven links en rechts naast de
display los en demonteer het frontpaneel.
9. Monteer de flexibele buis (D) op de uitloop van de sifon.
10. Vul de sifon met water en schuif deze zo ver mogelijk naar boven op de
condensafvoer aansluiting (E) onder het toestel.
11. Sluit de flexibele buis (D) van de sifon, eventueel samen met de
overstortleiding van de inlaatcombinatie en het overstortventiel, aan op het riool via een open aansluiting (F).
12. Monteer de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer (zie § 5.6).
13. Monteer de mantel en draai de twee schroeven links en rechts naast de
4.3.4 Schermplaat aanbrengen (optioneel)
Hang de omgezette bovenrand van de schermplaat aan de sluitringen onder de bodem van het toestel en schuif de schermplaat zo ver mogelijk naar achteren.Daikin Europe NV 16 5 AANSLUITEN
5.1 CV-installatie aansluiten
1. Spoel de CV-installatie goed schoon.
2. Monteer de aanvoerleiding (A) en retourleiding (B) aan de montagebeugel.
3. Alle leidingen moeten spanningsvrij gemonteerd worden om tikken van de
leidingen te voorkomen.
4. Bestaande verbindingen mogen niet verdraaid worden om lekkages te voorkomen.
De CV-installatie dient voorzien te zijn van:
- Een vul/aftapkraan (A) in de retourleiding direct onder het toestel.
- Een aftapkraan op het laagste punt van de installatie.
- Een overstortventiel (B) van 3 bar in de aanvoerleiding op een afstand van maximaal 500 mm van het toestel. Tussen het toestel en het overstortventiel mag zich geen afsluiter of vernauwing bevinden.
- Een expansievat in de retourleiding (in de B-pack of in de installatie).
- Een terugslagklep, als er op korte afstand van het toestel leidingen naar boven lopen. Hiermee wordt voorkomen dat er tijdens tapwaterbedrijf van het toestel thermosifonwerking optreedt (een niet veerbediende terugslagklep, dient verticaal gemonteerd te worden).
5.1.1 Thermostatische radiatorkranen
Als alle radiatoren zijn uitgevoerd met thermostatische of afsluitbare radiatorkranen, dient een minimale watercirculatie te worden gewaarborgd. Zie § 7.3.
5.1.2 Vloerverwarming
Vloerverwarming met pomp Indien een vloerverwarmingssysteem niet hydraulisch neutraal is kan de vloerverwarmingspomp ongewenste circulatie over de CV-ketel genereren. Voor een goede werking van de warmtapwatervoorziening dient ongewenste circulatie over de CV-ketel worden voorkomen. Sluit een vloerverwarmingssysteem indirect hydraulisch neutraal aan of voorzie de CV- installatie van een tweewegklepset 230 V ~ (E). Indien de vloerverwarmingspomp via de retour van de ketel warmte onttrekt is het mogelijk om met terugslagklep (D) ongewenste circulatie tegen te gaan. Zorg voor een minimale watercirculatie. Zie § 7.3. Aansluitschema vloerverwarming A. CV-ketel G. Ruimte-/klok thermostaat B. CV-pomp H. Maximaal thermostaat C. Thermostatische regelafsluiter D. Terugslagklep veerbediend E. Elektrische afsluiter 230 V ~ F. RadiatorenDaikin Europe NV 17 Vloerverwarming zonder pomp Sluit het vloerverwarmingssysteem (D) aan en stel de maximale CV- aanvoertemperatuur van de CV-ketel in op de ontwerpconditie. Monteer op de aanvoerbuis onder de CV-ketel een klemthermostaat (A). De klemthermostaat met blinde kap dient ingesteld te worden op een maximale aanvoertemperatuur van 55°C. Monteer de aan/uit kamerthermostaat (B) en sluit deze in serie met de klemthermostaat aan. De ketel dient aangesloten te worden op X4 - 6/7. De CV-pomp in de ketel wordt in deze situatie benut om het drukverlies van het vloerverwarmingssysteem te overbruggen. Met behulp van de drukverliesgrafiek (§ 7.4) is het maximale drukverlies van het vloerverwarmingssysteem te bepalen. Zorg voor een minimale watercirculatie. Zie § 7.3. Het is bij een vloerverwarmingssysteem zonder pomp aan te bevelen om onderstaande parameter instellingen te wijzigen: par. o van 0 naar 3. par. P van 5 naar 2. Tevens dient parameter 3 te worden ingesteld op minimaal niveau of het transmissieverlies van de woning, zie § 7.3.
5.1.3 Opdeling CV-installatie in groepen bij aanwezigheid extra
warmtebron Werkingsprincipe Indien de kamerthermostaat de CV-ketel uitschakelt doordat een andere verwarmingsbron de ruimte opwarmt, is het mogelijk dat de overige ruimten afkoelen. Dit kan worden opgelost door de CV-installatie op te delen in twee groepen. De groep met de externe warmtebron (Z2) kan middels een elektrische afsluiter worden afgesloten van het hoofdcircuit. Beide groepen worden voorzien van een eigen kamerthermostaat. N.B. Deze regeling “externe warmtebron” kan alleen worden toegepast indien geen externe tank hoeft te worden opgewarmd (installatietype 1). Installatievoorschrift
1. Plaats de afsluiter volgens het aansluitschema.
2. Sluit de kamerthermostaat van groep 1 aan op X4 – 6/7.
3. Sluit de kamerthermostaat van groep 2 aan X4 – 11/12.
4. Wijzig parameter A (zie Parameter instellingen via de servicecode § 7.2).
Let op: De kamerthermostaat in groep 1 MOET een aan/uit thermostaat zijn, de kamerthermostaat in groep 2 mag zowel een OpenTherm thermostaat als ook een aan/uit thermostaat zijn. Aansluitschema regeling “externe warmtebron” A. CV-ketel B. Elektrische afsluiter 230 V ~ C. Radiatoren T1. Kamerthermostaat groep 1 T2. Kamerthermostaat groep 2 Z1. Groep 1 Z2. Groep 2Daikin Europe NV 18
5.2 Warmwaterinstallatie aansluiten
1. Spoel de installatie goed schoon.
2. Monteer indien voorgeschreven een inlaatcombinatie.
3. Monteer de koud- (D) en warmwaterleiding (C) aan de montagebeugel.
- Als het toestel alleen voor de warmwatervoorziening wordt gebruikt kan de verwarmingsfunctie met de servicecode op het bedieningspaneel uitgeschakeld worden. De CV-installatie behoeft dan niet aangesloten of gevuld te worden.
- Als het toestel tijdens de winter buiten bedrijf wordt gesteld en van het lichtnet afgesloten wordt, moet het sanitairwater afgetapt worden om bevriezing te voorkomen. Neem hiervoor de tapwateraansluitingen gelijk onder het toestel los. In het geval van een oude installatie of WW circuits die kleine partikelen kunnen bevatten is het aan te raden een filter op het warm water circuit te installeren. De vervuiling kan een fout genereren tijdens de warm water werking.
Weerstandgrafiek tapcircuit toestel
X. Waterleidingdruk (Bar)
Y. Debiet (L/min, tolerantie ± 10 %)Daikin Europe NV 19
5.3 Elektrisch aansluiten
VOORZICHTIG Een wandcontactdoos met randaarde mag maximaal 1 meter van het toestel verwijderd zijn. De wandcontactdoos moet gemakkelijk bereikbaar zijn. Voor opstelling in vochtige ruimten is een vaste aansluiting verplicht middels een all-polige hoofdschakelaar met een minimale contactopening van 3 mm. Indien het netsnoer is beschadigd of om een andere reden moet worden vervangen, moet het vervangende netsnoer bij de fabrikant of diens vertegenwoordiger worden besteld. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant of diens vertegenwoordiger.
1. Neem bij werkzaamheden aan het elektrisch circuit de steker uit de
2. Neem de schermplaat (A) (indien aanwezig) naar voren toe weg.
3. Draai de beide schroeven (1) achter het displayvenster van het toestel los.
4. Schuif de onderzijde van het frontpaneel (2) naar voren toe en neem deze
5. Trek de branderautomaat unit naar voren, de branderautomaat unit zal daarbij naar
6. Raadpleeg § 0 voor het maken van de aansluitingen.
7. Schuif nadat de gewenste aansluitingen zijn aangebracht de branderautomaat
terug in het toestel en breng de schermplaat (indien aanwezig) weer aan.
8. Sluit na het maken van de gewenste aansluitingen het toestel aan op een
wandcontactdoos met randaarde.
5.3.1 Elektrische aansluitingen
Temperatuurregeling Connector X4 Opmerkingen Kamerthermostaat aan/uit
Modulerende thermostaat met comfortfunctie in gebruik
Buitentemperatuurvoeler
5.4 Kamerthermostaat aansluiten
5.4.1 Kamerthermostaat aan/uit
1. Sluit de kamerthermostaat aan (zie § 10.1).
2. Stel, indien nodig de terugkoppelweerstand van de kamerthermostaat in op 0,1 A . Meet bij
twijfel de stroom en stel deze overeenkomstig in. De maximale weerstand van de thermostaatleiding en de kamerthermostaat bedraagt totaal 15 Ohm.
5.4.2 Modulerende kamerthermostaat, Open Therm
Het toestel is geschikt voor het aansluiten van een modulerende kamerthermostaat, volgens het OpenTherm communicatie protocol. De belangrijkste functie van de modulerende kamerthermostaat is het berekenen van de aanvoertemperatuur bij een gewenste kamertemperatuur, om een optimaal gebruik te maken van het moduleren. Bij elke warmtevraag wordt op het display van het toestel de gewenste aanvoer temperatuur aangegeven. Sluit de modulerende thermostaat aan (zie § 10.1). Indien men gebruik wil maken van de tapwater aan/uit schakel functie van de OpenTherm thermostaat dient de tapwatercomfort functie op eco of aan ingesteld te worden. Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van de kamerthermostaat.
5.4.3 Modulerende kamerthermostaat, draadloos
De EKOMBG*ABV1 CV-ketel is geschikt om zonder zend-/ontvangstmodule draadloos te communiceren met de Honeywell kamerthermostaten T87RF1003 Round RF, DTS92 en CMS927. De CV-ketel en kamerthermostaat dienen aan elkaar te worden toegewezen:
- Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF- kamerthermostaat menu te komen.
- Eén van de volgende codes zal op het display van het toestel worden weergegeven:
1. rF en L / - : het display boven de toets laat wisselend een L en een – zien
rode led : knipperend De CV-ketel is niet toegewezen. Een toestel in deze bedrijfstoestand, kan worden gekoppeld d.m.v. de methode van de desbetreffende kamerthermostaat. De methode van toewijzing is afhankelijk van het soort kamerthermostaat en wordt beschreven in de installatie- en bedieningsvoorschriften van de draadloze kamerthermostaat.
2. rF en L / 1 : het display boven de toets laat wisselend een L en een 1 zien
rode led : uit De CV-ketel is reeds toegewezen. Er is reeds een bestaande koppeling met een RF-kamerthermostaat aanwezig. Om een nieuwe koppeling mogelijk te maken, zal de bestaande koppeling verwijderd moeten worden. Zie: De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken.
- Druk op de reset toets om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut. De verbinding tussen het toestel en de RF-kamerthermostaat testen
1. Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in
het RF-kamerthermostaat menu van de branderautomaat te komen.
2. Druk de service toets 1x in. Op het display boven de toets wordt
3. Zet de kamerthermostaat in testmode (zie de installatie en bedienings-
voorschriften van de kamerthermostaat).
4. De rode led boven de reset toets gaat knipperen indien de toewijzing
correct is uitgevoerd.
5. Druk op de reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat
menu van de branderautomaat te verlaten. De testmode wordt, 1 minuut nadat het laatste testbericht van de RF-kamerthermostaat is ontvangen, automatisch verlaten.Daikin Europe NV 21 De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken
- Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF-kamerthermostaat menu van de CV-ketel te komen.
- Druk de service toets 2x in. Op het display boven de toets wordt een C getoond.
- Druk nogmaals op de reset toets van het toestel om de bestaande toewijzingen te verwijderen. Op het display van het toestel wordt weer rF getoond met een knipperende L / - . Indien gewenst kan opnieuw een RF- kamerthermostaat aan het toestel worden toegewezen.
- Druk op de reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut.
5.4.4 Buitentemperatuurvoeler
Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler. De buitentemperatuurvoeler dient in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat toegepast te worden. In principe kan elke willekeurige aan/uit kamerthermostaat gecombineerd worden met een buitenvoeler. Bij vraag van de kamerthermostaat levert de ketel warmte tot de maximaal ingestelde temperatuur in de ketel bereikt is. Deze maximaal ingestelde temperatuur wordt automatisch geregeld via de buitenvoeler, volgens de ingestelde stooklijn in de ketel. Sluit de buitentemperatuurvoeler aan (zie § 10.1). Voor de stooklijninstelling, zie Weersafhankelijke regeling (zie § 7.5).
1. Monteer de koppeling van de gaskraan bij voorkeur direct in de 1/2" aansluiting
van de montagebeugel.
2. Plaats een gaszeef in de aansluiting voor het toestel als het gas vervuild kan
3. Sluit het toestel aan op de gasleiding.
4. Controleer de gasvoerende delen op lekkage op een druk van maximaal 50
5. De gasleiding dient spanningsvrij te worden gemonteerd.Daikin Europe NV 22
5.6 Rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal
Om het materiaal te plaatsen van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal, raadpleeg de handleiding die met het materiaal werd meegeleverd. Neem contact op met de fabrikant van het betreffende rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaalmateriaal voor uitgebreide technische informatie en specifieke montageinstructies.
Zorg ervoor dat de aansluitingen van het materiaal van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal op de juiste manier zijn afgedicht. Wanneer van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal slecht is vastgemaakt, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan of kan iemand letsels oplopen. Controleer of alle rookgasonderdelen goed zijn vast gemaakt en aangespannen. Gebruik geen al dan niet zelftappende schroeven om het rookgasafvoersysteem te bevestigen, anders is lekkage mogelijk. Gebruik geen vet (van welke soort ook) om het leidingsysteem te monteren. Gebruik water in de plaats. De afdichtingsrubbers kunnen in contact met vet beschadigd worden. Gebruik geen onderdelen, materiaal of aansluitmanieren van verschillende fabrikanten.
5.6.1 Concentrische aansluiting 60/100
De ketel bevat een rookgasafvoeradapter die geschikt is voor een aansluiting op een concentrische rookgasafvoersysteem met een diameter van 60/100. Steek de concentrische leiding zorgvuldig in de adapter. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.
5.6.2 Concentrische aansluiting 80/125
Indien nodig kan de 60/100-rookgasadapter vervangen worden door een versie voor een rookgasafvoersysteem met een diameter van 80/125.
1. Volg de instructie zoals deze bij de adapterset 80/125 is meegeleverd
2. Steek de concentrische leiding zorgvuldig in de adapter. De ingebouwde
afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.
5.6.3 Parallelle aansluiting 80/80
Indien nodig kan de 60/100-rookgasafvoeradapter vervangen worden door een versie voor een parallelle rookgassysteem (2 leidingen) met een diameter van 80 mm.
1. Volg de instructie zoals deze bij de adapterset 80 is meegeleverd nauwgezet
2. Steek de leidingen voor de luchttoevoer en rookgasafvoer in de
luchttoevoeropening en de rookgasadapter van de unit. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting. Zorg ervoor dat de aansluitingen niet gemengd zijn.Daikin Europe NV 23
Let op: niet alle hieronder beschreven rookgasafvoerconfiguraties zijn toegestaan in alle landen. Raadpleeg daarom steeds de geldende locale regelgeving voordat u met de plaatsing begint, daar u deze reglementen moet naleven.
De schema's hierboven dienen slechts als voorbeeld en de uitvoering ervan kan in sommige details verschillen.
Uitleg over de rookgasafvoersystemen Categorie overeenkomstig CE B23 Een rookgasafvoer die verbrandingsproducten buiten de kamer waarin het toestel staat, afvoert. De verbrandingslucht wordt rechtstreeks uit de kamer getrokken. Zorg ervoor dat de luchtinlaat open is en voldoende groot is voor de vraag. B33 Een rookgasafvoersysteem is aangesloten op een gemeenschappelijk kanaalsysteem. Dit gemeenschappelijk kanaalsysteem bestaat uit een enkele rookgasafvoer met natuurlijke trek. Alle onder druk gebrachte verbrandingsproductbevattende onderdelen van het toestel zijn volledig ingebouwd in de toestelonderdelen die verbrandingslucht toevoeren. De verbrandingslucht wordt via een in de rookgasafvoer zittende concentrisch kanaal uit de kamer in het toestel getrokken. De lucht wordt via hiertoe voorziene openingen in de mantel van het kanaal ingezogen. Zorg ervoor dat de luchtinlaat open is en voldoende groot is voor de vraag. C13 Horizontaal rookgasafvoersysteem. Afvoer in de buitenmuur. De luchttoevoeropening ligt in dezelfde drukzone als de afvoer. Bijvoorbeeld: een muurdoorvoer doorheen de gevel. C33 Verticaal rookgasafvoersysteem. Rookgasafvoer via het dak. De luchttoevoeropening ligt in dezelfde drukzone als de afvoer. Bijvoorbeeld: een verticale dakdoorvoer. C43 Gezamenlijk kanaal voor luchttoevoer en rookgasafvoer (CLV-systeem) Dubbele leiding of concentrische leidingen
C53 Afzonderlijk luchttoevoerkanaal en afzonderlijk rookgasafvoerkanaal. Afvoer in verschillende drukzones
C63 Vrij in de handel verkrijgbaar rookgasafvoermateriaal met CE-label Meng geen rookgasafvoermateriaal van verschillende leveranciers.Daikin Europe NV 24 C83 Gezamenlijk kanaal voor luchttoevoer en rookgasafvoer (CLV-systeem) Afvoer in verschillende drukzones Enkel als systeem met dubbele leiding C93 Luchttoevoer- en rookgasafvoerkanaal in schoorsteen of kanaal: concentrisch. Luchttoevoer uit bestaand kanaal. Rookgasafvoer via het dak. Luchttoevoer en rookgasafvoer in dezelfde drukzone. Concentrisch rookgasafvoersysteem tussen de ketel en het kanaal.
Het volgende rookgasafvoermateriaal kan bij Daikin worden besteld. Raadpleeg ook deze website. fluegas.daikin.eu. C13 Artnr. Beschrijving EKFGP2978 Kit muurdoorvoeren PP/GLV 60/100 EKFGP4651 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm EKFGP4652 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm EKFGP4660 Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° EKFGP4661 Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° EKFGP2977 Kit muurdoorvoeren laag profiel PP/GLV 60/100 EKFGP4664 Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° EKFGP4631 Muurbeugel ND 100 EKFGP4667 Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100
5.9 Aansluiting op een rookgasafvoersysteem zonder luchtinlaat (B23, B33)
- Zorg ervoor dat de kamer waar de ketel staat voldoet aan de voorgeschreven vereisten van B23 of B33 inzake de aansluiting op een rookgasafvoersysteem.
- Wanneer de aansluiting van de ketel op een rookgasafvoersysteem voldoet aan B23 of B33, dan is de elektrische beveiligingsklasse IP20 in plaats van IP44.
6. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar.
Iedere leiding moet, vertrekkende van de unit, in de voorgaande worden geschoven. Monteer een niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding met helling naar het toestel (min. 5 mm/m).
5.9.1 Toegestane leidinglengtes voor systemen met parallelle luchttoevoer
en rookgasafvoer Toegestane leidinglengtes B23 en B33 voor toepassing Ø80 mm
5.10 Aansluiting op een afgedicht rookgasafvoersysteem.
5.10.1 Leidinglengtes
Naarmate de weerstand van de rookgasafvoer- en luchttoevoerleidingen toeneemt zal het vermogen van het toestel afnemen. De maximale toegestane vermogensafname bedraagt 5%. De weerstand van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer is afhankelijk van de lengte, de diameter en alle componenten van het leidingsysteem. Per toestelcategorie is de totale toegestane leidinglengte aangegeven van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer.
5.10.2 Toegestane leidinglengtes voor concentrische rookgasafvoersystemen
Toegestane leidinglengen bij toepassing concentrisch 60/100
C13 C33 EKOMBG22ABV1 10 m 11 m EKOMBG28ABV1 10 m 10 m EKOMBG33ABV1 10 m 10 m Toegestane leidinglengen bij toepassing concentrisch 80/125
Neem contact op met de fabrikant om de berekeningen te laten controleren van de weerstand van de luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding en de wandtemperatuur aan het einde van de verbrandingsgasafvoerleiding. Vervanglengtes Bocht 90° R/D=1 2 m Bocht 45° R/D=1 1 m Knie 90° R/D=0,5 4 m Knie 45° R/D=0,5 2 m
Montage algemeen: Voor alle uitmondingen geldt de onderstaande montage:
1. Schuif de concentrische verbrandingsgasafvoerleiding en luchttoevoerleiding in de
afvoer van het toestel.
2. Schuif de concentrische leidingen in elkaar.
Iedere leiding moet, vertrekkende van de unit, in de voorgaande worden geschoven.
3. Monteer een niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding met een helling naar het
toestel (min. 5 mm/m).
4. Monteer de bevestigingsbeugels conform het montagevoorschrift van de
leverancier van het luchttoevoer/rookgasafvoersysteem.Daikin Europe NV 28
5.10.3 Toegestane leidinglengtes voor systemen met parallelle luchttoevoer
en rookgasafvoer Toegestane leidinglengtes bij gebruik van Ø80 mm (totaal van de rookgasafvoerleiding en de luchtinlaatleiding samen genomen).
Rekenvoorbeeld Leiding Leidinglengtes Totale leidinglengte Rookgasafvoer L1 + L2 + L3 + 2x2 m 13 m Luchttoevoer L4 + L5 + L6 + 2x2m 12 m
Opmerking: De totale leidinglengte is: de som van de rechte leidinglengtes + de som van de vervangleidinglengtes van bochten/knieën bedragen samen 25 meter. Indien deze waarde minder is dan de maximaal toegestane leidinglengte voldoet de rookgasafvoer op dit punt aan de eisen.Daikin Europe NV 29
5.11 Vrij in de handel verkrijgbaar rookgasmateriaal (C63).
De eigenschappen van de verbranding bepalen de keuze van het rookgasafvoermateriaal. Normen EN 1443 en EN 1856-1 bevatten de nodige informatie voor de keuze van het rookgasafvoermateriaal via een sticker met identificatie-informatie. De identificatie-informatie bevat de volgende gegevens: A CE-label B De norm waaraan moet worden voldaan: Metaal, EN 1856-1 of EN 1856-2 Kunststof, EN 14471 De identificatie-informatie moet de volgende gegevens bevatten: C Temperatuurklasse : T120 D Drukklasse : Druk (P) of hoge druk (Hi) E Weerstandklasse : W ('wet' voor nat) F Weerstandklasse in geval van brand : E
Rookgasafvoerbuis Luchtinlaat Rookgasafvoerbuis Luchtinlaat ø 80 +0,3 - 0,7
5.11.1 Het rookgasafvoersysteem bevestigen
- Deze reglementen gelden zowel voor concentrische als voor parallelle rookgasafvoersystemen.
- Het rookgasafvoersysteem moet stevig op een vaste structuur worden vastgemaakt.
- Het rookgasafvoersysteem moet een continue neerwaartse helling (1,5° tot 3°) naar de ketel hebben. N.B. De muurdoorvoeren moeten horizontaal worden geplaatst.
- Gebruik alleen de bijgeleverde beugels.
- Elk bochtstuk moet met een beugel stevig worden vastgemaakt. Behalve voor de aansluiting op de ketel: indien de lengte van de leidingen voor en na het eerste bochtstuk niet meer dan 250 mm bedraagt, moet het tweede element na het eerste bochtstuk een beugel bevatten. Opmerking: de beugel moet op het bochtstuk worden geplaatst!
- Elk verlengstuk moet om de meter met een beugel worden vastgemaakt. Deze beugel mag de leiding niet rondom klemmen om ervoor te zorgen dat deze leiding vrij kan bewegen.
- Zorg ervoor dat de beugel in de juiste stand wordt vergrendeld in functie van de plaats van deze beugel op de leiding of het bochtstuk:
- Meng geen rookgasafvoeronderdelen en klemmen van verschillende leveranciers.
Maximumafstand tussen de klemmen Verticaal Andere 2000 mm 1000 mm
- Verdeel de lengtes gelijkmatig tussen de beugels.
- Elk systeem moet minstens 1 beugel bevatten.
- Plaats de eerste klem op maximum 500 mm van de ketel.Daikin Europe NV 31Daikin Europe NV 32
6.2.1 Luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met
gemeenschappelijk afvoersysteem. Toestelcategorie: C83 Een luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met een gemeenschappelijk afvoersysteem is toegestaan.
- De luchttoevoer in de gevel moet voorzien worden van een inlaatrooster (A).
- Het gemeenschappelijk afvoersysteem moet voorzien worden van een trekkende afvoerkap (B).
- Als het gemeenschappelijk afvoersysteem in de buitenlucht wordt gesitueerd, moet de afvoerleiding dubbelwandig of geïsoleerd uitgevoerd worden.
Toegestane leidinglengte Verbrandingsgasafvoerleiding tussen het toestel en het gemeenschappelijk afvoer- systeem en luchttoevoerleiding tussen het toestel en het inlaatrooster samen: EKOMBG22ABV1 100 m EKOMBG28ABV1 85 m EKOMBG33ABV1 80 m
De minimale diameters van het gemeenschappelijk afvoersysteem gebaseerd op onderdruk.
EKOMBG**ABV1 Aantal toestellen
Gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoer De uitmonding van de verbrandingsgasafvoer kan op een willekeurige plaats in het schuine dakvlak gemaakt worden, mits de uitmonding in het dakvlak dezelfde oriëntatie heeft als de luchttoevoer in de gevel. Bij een platdak moet de uitmonding van de verbrandingsgasafvoer in het “vrije” uitmondingsgebied gemaakt worden. Breng een condensafvoer aan. Opmerking Het gemeenschappelijk afvoersysteem is in combinatie met het toestel gekeurd.Daikin Europe NV 33
De gemeenschappelijke luchttoevoer en de gemeenschappelijke afvoer van de verbrandingsgassen mogen concentrisch of afzonderlijk uitgevoerd worden. Toegestane leidinglengte Voor parallel : Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding samen, exclusief de lengte van de combidoorvoer. Voor concentrisch : Totale leidinglengte , exclusief de lengte van de combidoorvoer.
De minimale diameters van het gemeenschappelijk luchttoevoer- en rookgasafvoersysteem gebaseerd op het aanvullingsblad 2001-02 keuringseisen nr. 138 van Gastec.
- Een dakuitmonding door een Combinatie Luchttoevoer- Verbrandingsgasafvoersysteem (CLV-systeem) is toegestaan.
- Voor de gemeenschappelijke verbrandingsgas-afvoerkap en luchttoevoerkap is een verklaring van geen bezwaar of een Gaskeur van het Gastec-Gasinstituut nodig.
- De doortocht van de drukvereffeningsopening aan de onderzijde van het gemeenschappelijk luchttoevoer- en rookgasafvoer- systeem is gelijk aan 0.44 * het rookgasafvoer- oppervlak.Daikin Europe NV 34
6.2.3 Rookgasafvoer concentrisch horizontaal, vertikaal luchtomsloten
door schacht Toestelcategorie : C93
Een rookgasafvoersysteem volgens C93 (C33s) is toegestaan bij toepassing van CE goedgekeurd of het door Daikin toegeleverde afvoermateriaal. Onderstaande zaken moeten in acht genomen worden. Algemeen
- De rookgasafvoer in de schacht moet worden uitgevoerd d.m.v. starre buis of flexibel met een diameter van 60 of 80 mm.
- Bij toepassing van kunststof rookgasafvoer materialen dient dit te voldoen aan de temperatuur klasse T120.
- De verbinding tussen concentrisch horizontaal en de verticale aansluiting dient te worden ondersteund op de door de fabrikant aangegeven methode. Instructies van de fabrikant dienen correct en volledig te worden opgevolgd.
- Indien de rookgaspijp in een bestaand kanaal moet worden geplaatst dient dit vooraf worden geïnspecteerd en indien nodig gereinigd.
- De luchtdichtheid van de schacht dient te worden gewaarborgd.
Toegestane leidinglengte en systeemeisen Indien gebruik gemaakt wodt van een schacht (bijv. een gemetseld schoorsteen-kanaal) als luchttoevoer is onderstaande van toepassing. Rookgafvoerpijp Schachtafmeting (mm) Max. lengte [mtr] Diameter (mm) (star of flexibel) Vierkant Rond DN 60 115 x 115
6.1 Vullen en ontluchten van toestel en installatie
1. Steek de steker van het toestel in een wandcontactdoos.
Het toestel kan een zelfcontrole uitvoeren: 2 (op service display). Daarna komt het toestel in de uit stand: - (op service display) en de CV- druk wordt getoond op het temperatuur display.
Bij een CV-druk lager dan 0,5 bar wordt de CV-druk knipperend op het display weergegeven. In de uit stand wordt de CV-druk weergegeven.
2. Sluit de vulslang aan op de vul-/aftapkraan en vul de installatie met schoon
drinkwater, tot een druk liggend tussen 1 en 2 bar bij een koude installatie (af te lezen op het temperatuur display).
3. Ontlucht het toestel met de handontluchter (A).
Eventueel kan er een automatische ontluchter op het toestel gemonteerd worden in plaats van de handontluchter.
4. Ontlucht de installatie met de handontluchters op de radiatoren.
5. Vul de CV-installatie bij als de druk door het ontluchten te ver is gedaald.
6. Controleer alle koppelingen op lekkage.
7. Controleer of de sifon gevuld is met water.
WAARSCHUWING Indien de sifon niet gevuld is met water kunnen verbrandingsgassen in de ruimte vrijkomen.
WAARSCHUWING Als een toevoegmiddel aan het CV-water wordt toegevoegd, moet dit geschikt zijn voor de in het toestel toegepaste materialen zoals koper, messing, roestvast staal, staal, kunststof en rubber. Het toevoegmiddel dient bij voorkeur voorzien te zijn van een KIWA –ATA- Atest keurmerk.
6.1.2 Warmwatervoorziening
1. Open de hoofdkraan om het warmwatergedeelte op druk te brengen.
2. Ontlucht de wisselaar en het leidingsysteem door een warmwaterkraan te
openen. Laat de kraan open staan tot alle lucht uit het systeem is verdwenen.
1. Ontlucht de gasleiding met de voordrukmeetnippel (D) op het gasblok.
2. Controleer alle koppelingen op lekkage.
3. Controleer de voordruk en de offset druk (zie § 7.7).Daikin Europe NV 36
6.2 In bedrijf stellen van het toestel
CV bedrijf of instellen maximale CV temperatuur
Tap/CV toets, voor instellen gewenste temperatuur
Tap bedrijf of instellen tap temperatuur
Tap comfort functie eco
Tap comfort functie uit / eco / aan toets
Tap comfort functie aan
Service toets / actuele temperatuur tijdens warmte vraag
Bij storing knipperen
Nadat de voorgaande handelingen zijn uitgevoerd, mag het toestel in bedrijf gesteld worden.
1. Druk op de knop, om het toestel in bedrijf te stellen.
De warmtewisselaar wordt opgewarmd en op het service display verschijnen 3, 4 en 7 (Afhankelijk status externe spaarschakelaar en/of OpenTherm regeling). 2. Stel de pompstand in afhankelijk van het ingestelde maximaal vermogen en de waterzijdige weerstand van de installatie. Voor de opvoerhoogte van de pomp en het drukverlies van het toestel (zie § 7.4). 3. Stel de kamerthermostaat hoger in dan de kamertemperatuur. Het toestel gaat nu op CV bedrijf: 5 op het service display.
4. Stook de installatie op.
5. Controleer of het ingestelde maximale CV-vermogen overeenkomt met de gewenste waarde. Indien nodig kan het maximaal CV-vermogen worden aangepast (zie § 7.2 parameter c en 3 en § 7.3). 6. Controleer of de ingestelde minimale en maximale waarde van de pompkarakteristiek correct zijn ingesteld (zie § 7.2 parameter 3. en c. en § 7.4)
7. Schakel het toestel uit.
8. Ontlucht het toestel en de installatie na het afkoelen (zo nodig bijvullen).
9. Schakel het toestel in.
10. Controleer de verwarming en de warmwatervoorziening op de goede werking.
11. Instrueer de gebruiker over het vullen, ontluchten en de werking van de verwarming en de warmwatervoorziening.
- Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die de brander ontsteekt, de vlam continue bewaakt en de modulerende pomp aanstuurt, bij iedere warmtevraag van de verwarming of van de warmwatervoorziening.
- De circulatiepomp gaat bij iedere warmtevraag voor de verwarming draaien. De pomp heeft een nadraaitijd van 1 minuut. De nadraaitijd kan eventueel gewijzigd worden (zie § 7.2).
- De pomp draait automatisch 1 maal per 24 uur gedurende 10 seconden om vastzitten te voorkomen. De automatische inschakeling van de pomp vindt plaats 24 uur na de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient de kamerthermostaat op het gewenste tijdstip kortstondig hoger gezet te worden.
- Voor de warmwatervoorziening draait de pomp niet.Daikin Europe NV 37
6.3 Buiten bedrijf stellen van het toestel
VOORZICHTIG Tap het toestel en de installatie af, als de netspanning is onderbroken en er kans is op bevriezing.
1. Neem de steker uit de wandcontactdoos.
2. Tap het toestel af met de vul-/aftapkraan.
3. Tap de installatie af op het laagste punt.
4. Sluit de hoofdkraan voor de koud- en warmwatertoevoer naar het toestel.
5. Tap het toestel af door de tapwater koppelingen onder het toestel los te nemen.
- Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden.
- Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag wordt schakelt de ketel in tot de warmtewisselaar is opgewarmd..Als de mogelijkheid bestaat dat de installatie (of een deel daarvan) kan bevriezen, moet er op de koudste plaats een (externe) vorstthermostaat op de retourleiding aangebracht worden. Deze dient volgens het elektrisch schema aangesloten worden (zie § 0). Opmerking Indien een (externe) vorstthermostaat in de installatie is aangebracht en op het toestel aangesloten, is deze niet actief als het toestel op het bedieningspaneel is uitgeschakeld ( - op het service display). Indien een (externe) vorstthermostaat in de installatie is aangebracht en op het toestel aangesloten, is deze niet actief als het toestel op het bedieningspaneel is uitgeschakeld ( - op service display).Daikin Europe NV 38
7 INSTELLING EN AFREGELING
Het functioneren van het toestel is te beïnvloeden door de (parameter)instellingen in de branderautomaat. Een deel hiervan is direct via het bedieningspaneel in te stellen, een ander deel kan alleen m.b.v. de servicecode worden aangepast.
7.1 Direct via bedieningspaneel
De volgende functies kunnen direct bediend worden. Toestel aan/uit M.b.v. de toets wordt het toestel in werking gezet. Wanneer het toestel in werking is zal de groene LED boven de toets branden. Wanneer het toestel uit is brandt er één balkje op de service display (
) om aan te geven dat er voedingsspanning aanwezig is. Tevens geeft in deze bedrijfstoestand de temperatuurdisplay de druk in de CV installatie (in bar) aan. Zomerstand Indien parameter q ingesteld is op een waarde ongelijk aan 0 kan met de toets ook de zomerstand worden ingeschakeld. Dit houdt in dat de CV-functie wordt uitgeschakeld maar warmwater beschikbaar blijft. De zomerstand kan worden geactiveerd door de toets na het inschakelen nogmaals in te drukken. In het display verschijnt [Su], [So] of [Et]. (de vermelding in het display is afhankelijk van de instelling van parameter q) De zomerstand kan worden uitgeschakeld door 2 keer de toets te drukken tot het toestel weer in bedrijfstoestand staat. Tapcomfort De tapcomfortfunctie kan met de tapcomfort toets bediend worden en kent de volgende instellingen:
- Aan: ( LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is continue ingeschakeld. De warmtewisselaar wordt continue warm gehouden. Het toestel levert altijd direct warm water.
- Eco: ( LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is zelflerend. Het toestel zal zich aanpassen aan het gebruikspatroon van het warm tapwater. Hierdoor zal de warmtewisselaar gedurende de nacht, of bij lange afwezigheid, niet op temperatuur worden gehouden.
- Uit: (Beide LED’s uit.) De warmtewisselaar wordt niet warm gehouden waardoor de levering van warm tapwater even op zich laat wachten. Als er geen behoefte is aan warm tapwater of aan de directe levering hiervan dan kan de tapcomfortfunctie uitgeschakeld worden. Resetten Controleer aan de hand van de storingscodes onder § 8.2 de aard van de storing en los zo mogelijk de oorzaak van de storing op alvorens het toestel te resetten. Wanneer een vergrendelende storing wordt aangegeven d.m.v. een knipperende LED boven de toets en een cijfer op de display kan door het indrukken van de reset toets het toestel opnieuw gestart worden. Instellingen van de diverse functies wijzigen: Door de toets 2 seconden ingedrukt te houden komt u in het gebruikers instellingen menu (LED bij en het cijferdisplay gaan knipperen). Door herhaald op de toets gaat telkens een andere functie LED knipperen. Wanneer de LED knippert kan de desbetreffend functie met de en toets ingesteld worden. De ingestelde waarde wordt op het display getoond. Met de aan/uit toets wordt het instel menu afgesloten en worden de wijzigingen niet opgeslagen. Met de reset toets wordt het instel menu afgesloten en worden de wijzigingen opgeslagen. Wanneer gedurende 30 seconden geen toets wordt ingedrukt, wordt het instelmenu automatisch afgesloten en worden de wijzigingen opgeslagen. Maximum CV-aanvoertemperatuur Druk op de toets tot de LED bij gaat knipperen. Stel met de en toets de temperatuur in tussen 30°C en 90°C (standaard instelling 80°C). Tapwater temperatuur Druk op de toets tot de LED bij gaat knipperen. Stel met de en toets de temperatuur in tussen 40°C en 65°C (standaard instelling 60°C).Daikin Europe NV 39
7.2 Parameter instellingen via de servicecode
De parameters van de branderautomaat zijn in de fabriek ingesteld volgens onderstaande tabel. Deze parameters kunnen alleen met de servicecode gewijzigd worden. Ga als volgt te werk om het programmageheugen te activeren:
1. Druk gelijktijdig op de en toets, tot een 0 verschijnt op het servicedisplay en een 0 op het temperatuurdisplay.
2. Stel met de toets 15 (servicecode) in op het temperatuurdisplay.
3. Stel met de toets de in te stellen parameter in op het servicedisplay.
4. Stel met de en toets de parameter in op de gewenste waarde (zichtbaar) op het temperatuurdisplay.
5. Druk, nadat alle gewenste veranderingen zijn ingegeven, de toets in totdat P op het servicedisplay verschijnt.
De branderautomaat is nu opnieuw geprogrammeerd. Opmerking Door de toets in te drukken gaat men uit het menu zonder de parameterwijzigingen op te slaan. Voorbeeld: Wijzigen maximaal CV-vermogen
1. Druk gelijktijdig op de en toets.
2. Ga met de de toets naar 15 .
3. Druk 3 x op de toets. Op het display verschijnt 60 en 3 .
4. Wijzig met de toets de 60 in 70.
5. Druk op de toets in totdat P verschijnt.
6. De wijziging is doorgevoerd. Het maximaal CV-vermogen is verhoogd van 60 naar 70 %.
Para- meter Beschrijving
Toegang tot installateurinstellingen, de servicecode moet ingegeven worden (=15)
0=pomp nadraaitijd actief 1=pomp continue actief
Ingesteld maximaal CV-vermogen
Ingesteld maximaal WW-vermogen
Min. aanvoertemperatuur van de stooklijn
Max. instelwaarde aanvoertemperatuur via bedieningspaneel
Min. buitentemperatuur van de stooklijn
Max. buitentemperatuur van de stooklijn
CV-pomp nadraaitijd na CV-bedrijf
Instelbereik 0 tot en met 15 minuten
CV-pomp nadraaitijd na boiler-bedrijf
Instelbereik 0 tot en met 15 minuten (n.v.t. voor Kombi toestel)
0=tijdens CV-bedrijf bekrachtigd 1=tijdens WW-bedrijf bekrachtigd en rust 2=bekrachtigd bij elke warmtevraag (CV, Warmwater en warmhoudfunctie) 3=groepen-regeling 4 en hoger = niet actief
0=stappenmodulatie tijdens CV-bedrijf uit 1=stappenmodulatie tijdens CV-bedrijf aan 2= stroomcontrole voor Open Therm thermostaat ingeschakeldDaikin Europe NV 40
Instelbereik 15 tot ingestelde waarde par. 3.
Min. aanvoertemperatuur bij OT (OpenTherm) of RF-thermostaat
Instelbereik 10°C tot 60°C E . Reactie OT en RF kamerthermostaat
0= warmtevraag niet beantwoorden indien gevraagde temperatuur lager is dan ingestelde waarde par. E 1= warmtevraag beantwoorden met minimale aanvoertemperatuur begrensd op ingestelde waarde par. E 2= warmtevraag beantwoorden met maximaal ingestelde aanvoertemperatuur (aan/uit functie)
Instelbereik 40 tot 99% van het ingestelde maximaal toerental F . Minimaal starttoerental WW
Instelbereik 40 tot 99% van het ingestelde maximaal toerental
Instelbereik 40 tot 50 (40=4000 t/min, 50=5000 t/min). N.B. Fabrieksinstelling, toerental kan afwijken.
Niet actief (alleen voor toestellen in combinatie met een externe boiler)
Regeltemperatuur tijdens boiler-bedrijf (Ta)
Warmhoudtemperatuur bij Comfort/Eco
Instelbereik 0 of 40°C tot 60°C 0 = warmhoudtemperatuur is gelijk aan tapwatertemperatuur
Wachttijd CV-vraag beantwoording
Wachttijd CV-bedrijf na WW-bedrijf
Instelbereik 0,1 tot 10 dagen 0 = Comfort functie controlleerbaar door Open Therm thermostaat 1 – 10 aantal eco dagen
Antipendeltijd tijdens CV-bedrijf
Minimale uitschakeltijd op ketelwater temperatuur Instelbaar 0 tot 15 minuten
0 = Geen zomerstand instelbaar via de toets 1 = Zomerstand instelbaar via toets (code in display : Su) 2 = Zomerstand instelbaar via toets (code in display : So) 3 = Zomerstand instelbaar via toets (code in display : Et)
Stooklijn verschuivingscoëfficiënt
Niet actiefDaikin Europe NV 41
7.3 Instellen maximaal CV-vermogen
Het maximaal CV-vermogen wordt in de fabriek ingesteld op 60%. Als er voor de CV- installatie meer of minder vermogen nodig is, kan het maximaal CV-vermogen gewijzigd worden door het toerental van de ventilator te wijzigen. Zie tabel: Instelling CV-vermogen. Deze tabel geeft de relatie weer tussen het toerental van de ventilator en het toestelvermogen. Gewenst CV-vermogen in kW (ca.) Instelling op service display EKOMBG ** ABV1 (in % maximaal toerental)
Let op: Het vermogen tijdens het branden wordt langzaam verhoogd en wordt verlaagd zodra de ingestelde aanvoertemperatuur wordt bereikt (modulatie op Taanvoer). De minimale doorstroom hoeveelheid (l/h) Ingesteld vermogen (kW)
7.4 Instellen pompcapaciteit
De EKOMBG*ABV1 CV-ketels zijn voorzien van een modulerende A-klasse pomp welke op basis van het geleverd CV-vermogen moduleert. De minimale en maximale capaciteit van de pomp kan met de parameters 3. en c. worden aangepast. Zie ook §
De ingestelde waarde van parameter 3. (max. pompstand) is het percentage van de maximale pomp capaciteit en is gekoppeld aan het ingesteld maximaal CV-vermogen zoals ingesteld met parameter 3 De ingestelde waarde van parameter c. (min. pompstand) is gekoppeld aan het minimaal CV-vermogen zoals ingesteld met parameter c Indien de CV-belasting moduleert tussen de minimale en maximale waarde zal de pompcapaciteit evenredig mee moduleren. Drukverlies grafiek toestel CV-zijdig
7.5 Weersafhankelijke regeling
Bij het aansluiten van een buitenvoeler wordt de aanvoertemperatuur automatisch geregeld afhankelijk van de buitentemperatuur, volgens de ingestelde stooklijn. De maximale aanvoertemperatuur (Tmax) wordt ingesteld via het temperatuurdisplay. Indien gewenst kan de stooklijn met de servicecode gewijzigd worden (zie § 7.2). De weersafhankelijke regeling functioneert uitsluitend met een aan-uit kamerthermostaat. Bij het toepassen van een Open Therm kamerthermostaat wordt de buitentemperatuur doorgegeven echter is de stooklijn van de CV-ketel niet actief. Stooklijn grafiek
7.6 Ombouw naar andere gassoort
VOORZICHTIG Werkzaamheden aan gasvoerende delen mogen uitsluitend door een erkend installateur uitgevoerd worden.
Als op het toestel een andere gassoort wordt aangesloten dan waarvoor het toestel door de fabrikant is afgesteld dient de gasdoseerring vervangen te worden. Ombouw sets t.b.v. andere gassoorten zijn op bestelling leverbaar. Ombouwen van de doseerring
1. Schakel de ketel uit en neem de steker uit de wandcontactdoos.
2. Sluit de gaskraan.
3. Verwijder het frontpaneel van het toestel.
4. Neem de koppeling (A) boven het gasblok los en draai de gasmengbuis (B) naar achteren.
5. Vervang de O-ring (C) en de gasdoseerring (D) door de ringen van de ombouwset.
6. In omgekeerde volgorde weer opbouwen.
7. Open de gaskraan.
8. Controleer de gaskoppelingen voor het gasblok op dichtheid.
9. Plaats de steker in de wandcontactdoos en schakel de ketel in.
10. Controleer de gaskoppelingen na het gasblok op dichtheid (tijdens bedrijf).
11. Controleer nu de afstelling van de gas/luchtverhouding (zie § 7.7).
12. Plak een sticker ingestelde gassoort over de bestaande sticker bij het gasblok.
13. Plak een sticker ingestelde gassoort bij de typeplaat.
14. Monteer het frontpaneel van het toestel.
- instelling is ingesteld in de fabriek en heeft in principe geen aanpassingen nodig. De instelling kan worden gecontroleerd door het CO
percentage in de verbrandingsgassen te meten. In geval van een mogelijke storing van de aanpassing, moet de vervanging van de gasklep of de omzetting naar een ander gastype worden gecontroleerd en indien nodig ingesteld volgens de onderstaande instructies. Controleer altijd het CO
percentage wanneer het deksel open staat.
controle dient met geopende mantel plaats te vinden. Met gesloten mantel kan het CO
% hoger zijn dan de in bovenstaande tabel vermelde waarden.
30/37/50 Gasdoseerring : (alleen geldig in combinatie met ventilator met geïntegreerde tunnel venturi (zie tekening) Aardgas Propaan EKOMBG22ABV1
7.8 Controle en afstellen gas/luchtregeling
instelling controleren 1 Schakel de gasboiler uit met de knop. - verschijnt op het servicedisplay. 2 Verwijder het voorpaneel van de gasboiler. 3 Verwijder het monsterpunt (a) en voer een geschikte schoorsteengasanalysesonde in.
BELANGRIJK Zorg dat de opstartprocedure van het analyseapparaat is voltooid alvorens de sonde in het monsterpunt te steken.
BELANGRIJK Laat de gasboiler stabiel draaien. Er kunnen foute metingen voorkomen indien de meetsonde wordt aangesloten vooraleer de gasboiler stabiel draait.. 4 Schakel de gasboiler in met de knop en creëer een verzoek voor ruimteverwarming. 5 Selecteer de instelling Hoog door tweemaal tegelijk de knoppen en in te drukken. Er verschijnt een hoofdletter "H" op het servicedisplay. De gebruikersinterface geeft symbool Bezig weer. Voer GEEN test uit wanneer kleine letter “h” wordt weergegeven. Als dit het geval is druk dan opnieuw en in. 6 Laat de uitleeswaarden zich stabiliseren. Wacht minstens 3 minuten en vergelijk het CO
percentage met de waarden in de onderstaande tabel.
-waarde bij maximumvermogen Aardgas G20 (20 mbar) Aardgas G25 (25 mbar) (alleen België) Propaan G31 (30/37/50 mbar) Maximumwaarde 9,6 8,3 10,8 Minimumwaarde 8,4 7,3 9,8
percentage bij maximumvermogen. Dit is belangrijk met betrekking tot de volgende stappen.
BELANGRIJK Het is NIET mogelijk om het CO
percentage aan te passen wanneer het testprogramma wordt uitgevoerd. Wanneer het CO
percentage afwijkt van de waarden in de bovenstaande tabel, neem dan contact op met uw lokale serviceafdeling. 8 Selecteer de instelling Laag door eenmaal tegelijk de knoppen en in te drukken. “L” verschijnt op het servicedisplay. De gebruikersinterface geeft symbool Bezig weer. 9 Laat de uitleeswaarden zich stabiliseren. Wacht minstens 3 minuten en vergelijk het CO
-percentage met de waarden in de onderstaande tabel.
-waarde bij minimumvermogen Aardgas G20 (20 mbar) Aardgas G25 (25 mbar) (alleen België) Propaan G31 (30/37/50 mbar) Maximumwaarde (a) Minimumwaarde 8,4 7,4 9,4 (a) CO
-waarde bij maximumvermogen geregistreerd bij instelling Hoog. 10 Als het CO
-percentage bij maximum en minimumvermogen zich binnen het bereik vermeld in de bovenstaande tabellen bevindt, is de CO
-instelling dan aan volgens de instructies in het onderstaande hoofdstuk. 11 Schakel het apparaat uit door op de knop te drukken en zet het monsterpunt terug op zijn plaats. Zorg dat deze gasdicht is. 12 Zet het voorpaneel terug op zijn plaats.
VOORZICHTIG Werken aan gasgeleidende onderdelen mogen ALLEEN worden uitgevoerd door een gekwalificeerd, competent persoon.Daikin Europe NV 44
instelling aanpassen
instelling aan wanneer u het eerst hebt gecontroleerd en zeker bent dat aanpassing noodzakelijk is. Er mag geen aanpassing aan de gasklep worden uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van uw plaatselijke Daikin verdeler. In België mag de gasklep NIET worden aangepast en/of de zegel verwijderd of verbroken worden. Neem contact op met uw verdeler.
1 Verwijder de dop (A) die de afstelschroef afdekt. 2 Draai de schroef (B) om het CO
-percentage te verhogen (rechtsom) of te verlagen (linksom). Zie de onderstaande tabel voor de gewenste waarde. Gemeten waarde bij maximum- vermogen Instelwaarden CO
(%) bij minimumvermogen (voorste deksel geopend) Aardgas 2H (G20, 20 mbar) Propaan 3P (G31,30/50/37 mbar) 10,8
3 Plaats na het meten van het CO
-percentage en de aanpassing van de instelling het afdekdopje en het monsterpunt terug op hun plaats. Zorg dat ze gasdicht zijn. 4 Selecteer de instelling Hoog door tweemaal tegelijk de knoppen en in te drukken. Er verschijnt een hoofdletter op het servicedisplay. 5 Meet het CO
-percentage. Als het CO
-percentage nog steeds afwijkt van de waarden in de tabel die het CO
-percentage bij maximumvermogen aangeeft, neem dan contact op met uw plaatselijke verdeler. 6 Druk tegelijk op + en - om het testprogramma te verlaten. 7 Zet het voorpaneel terug op zijn plaats.Daikin Europe NV 45 8 STORINGEN
8.1 Laatste storing tonen
Breng het toestel met de toets in de uit-stand en druk de toets in. De rode storings-LED brandt continue, en de laatste storingscode wordt knipperend op het temperatuursdisplay getoond. Indien het toestel nog nooit een vergrendelende storing heeft gedetecteerd, wordt geen code getoond. De laatste vergrendelende storing kan gewist worden door tijdens het indrukken van de toets de toets kort in te drukken.
Als de storings-LED knippert detecteert de branderautomaat een fout. Op het temperatuur display wordt een storingscode weergegeven. Als de storing is verholpen kan de branderautomaat opnieuw gestart worden door op de reset toets te drukken. De volgende fouten worden onderscheiden: Temperatuur display Omschrijving Mogelijke oorzaak/oplossing
- Toestel staat uit 10, 11, 12, 13, 14 Sensorfout S1
- Lucht in de installatie. Ontlucht ketel en CV-installatie.
- Controleer de bevestiging van de klem ntc om de warmwaterbuis.
- Controleer bedrading op breuk.
- Vervang S1. 20, 21, 22, 23, 24 Sensorfout S2
- Controleer bedrading op breuk.
- Lucht in installatie. Ontlucht ketel en CV-installatie.
- Pomp draait niet. Reset of vervang de pomp, zie § 8.2.10
- Condensafvoer verstopt.
- Controleer ontsteekunit en ontsteekkabel.
- Geen of onjuiste ontsteekafstand, controleer deze m.b.v. de controlemal.
- Gasblok of ontsteek unit krijgt geen spanning.
- Condensafvoer verstopt.
- Controleer luchttoevoer en rookgasafvoer i.v.m. mogelijke recirculatie van rookgassen.
Ventilatortoerental niet juist
- Ventilator loopt aan tegen mantel isolatie.
- Bedrading tussen ventilator en mantel.
- Controleer bedrading of steker op slecht contact draad., meet 25-27V dc.
Kortsluiting buitenvoeler
- Controleer de bedrading van de buitenvoeler.
- Vervang buitenvoeler
- BRINK WTW koppelstuk aangesloten. Branderautomaat is ongeschikt voor deze toepassing. Vervang branderautomaat voor de juiste versie. 29, 30 Gasklep relais defect
Vervang defecte onderdelen uitsluitend voor de originele Daikin onderdelen. Het niet of onjuist monteren van de sensoren S1 en/of S2 kan leiden tot ernstige schade.Daikin Europe NV 46
Oplossing: Voordruk te hoog.
Mogelijk is de huisdrukregelaar defect. Neem contact op met het energiebedrijf. Nee
Controleer de ontsteekpenafstand m.b.v. de controlemal. Vervang de ontsteekpen.
Gas-luchtregeling niet goed ingeregeld.
Controleer de afstelling, zie Gas- luchtregeling §7.7 en § 7.8. Nee
Controleer de ontsteekpenafstand m.b.v. de controlemal. Controleer en/of vervang de ontsteekkabel. Vervang de ontsteekunit op het gasblok. Vervang de ontsteekpen.
Mogelijk is de huisdrukregelaar defect. Neem contact op met het energiebedrijf. Nee
Recirculatie verbrandingsgassen.
Controleer de verbrandingsgasafvoer en het luchttoevoersysteem. Nee
Gas- luchtregeling niet goed ingeregeld.
Controleer de afstelling, zie Gas- luchtregeling § 7.7 en § 7.8. Nee
Oplossing: Het service display geeft niets aan.
Het service display geeft niets aan.
Controleer de zekering, zie Elektrisch schema § 10.1 Nee
Het service display geeft een balkje (
weer. De ketel staat uit.
Schakel de ketel in m.b.v. de toets. Nee
Kamerthermostaat/weersafhankelijke regeling niet aangesloten of defect.
Controleer de bedrading. Controleer OpenTherm, Aan/uit aansluiting van het toestel of de verbinding tussen CV-ketel en RF-kamerthermostaat .Vervang de thermostaat. Vervang de weersafhankelijke regeling. Nee
Pomp draait niet. Display geeft 80 en 1 weer.
Vervang defecte automaat. Controleer de bedrading volgens het schema. Controleer de connector X4. Vervang de defecte automaat.
8.3.4 Het vermogen is verminderd
Oplossing: Op hoog toerental is het vermogen afgenomen.
Reinig het toestel en sifon. Controleer de rookgasafvoer en het luchttoevoersysteem op weerstand.
8.3.5 CV komt niet op temperatuur
Vul de installatie bij. Zie § 6.1.1. Nee
Kamerthermostaat niet in orde.
Controleer de instelling en pas deze eventueel aan. Nee
Temperatuur is te laag ingesteld.
Verhoog de CV-temperatuur Zie Bedrijf CV. Indien een buitenvoeler aanwezig is: Controleer de buitenvoeler op kortsluiting: hef deze op. Nee
Geen doorstroming in de installatie.
Controleer de ΔT (± 20° C) tussen aanvoer en retour CV. Zorg voor goede doorstroming in de installatie. Nee
Het ketelvermogen is niet goed ingesteld.
Pas het ketelvermogen aan. Zie Instelling maximaal CV-vermogen. Nee
Geen warmte overdracht door vervuiling in de CV-ketel/installatie.
Spoel de CV-ketel/installatie CV-zijdig.
Oplossing: Het service display geeft niets aan.
Het service display geeft niets aan.
Controleer de zekering, zie Elektrisch schema § 10.1. Nee
Stromingssensor werkt niet.
Geen spanning op de stromingssensor (5V dc).
Controleer de bedrading volgens het schema. Nee
De thermostatische kraan laat alleen koud water door. Hierdoor blijft de tapflow door de ketel onder de 1,5 l/min. Controleer de thermostatische kraan.
8.3.7 Warmwater komt niet op temperatuur
Instelling warmwater temperatuur te laag.
Verhoog de warmwater temperatuur, zie § 7.1.
CV-installatie wordt tijdens tappen warm.
Ongewenste circulatie tijdens warmwater vraag in het CV-circuit door thermosifonwerking of tweede pomp in het CV-circuit. Plaats een keerklep ingeval van thermosifon werking of een tweewegklep ingeval van een tweede pomp.Daikin Europe NV 48 Nee
Onvoldoende warmte overdracht door kalk of vervuiling in de CV-ketel tapwaterzijdig.
Ontkalk of spoel de CV-ketel tapwaterzijdig.
8.3.8 CV-installatie blijft ongewenst warm
Oplossing: Kamerthermostaat/weersafhankelijke regeling defect of kort gesloten.
Controleer de bedrading. Controleer OpenTherm, Aan/uit aansluiting van het toestel of de verbinding tussen CV-ketel en RF-kamerthermostaat Vervang de thermostaat. Vervang de weersafhankelijke regeling.
CV-installatie wordt opgewarmd door middel van Tapcomfort. Het servicedisplay geeft regelmatig code 7 weer.
Ongewenste circulatie in het CV-circuit door thermosifonwerking of tweede pomp in het CV-circuit. Plaats een keerklep ingeval van thermosifon werking of een tweewegklep ingeval van een tweede pomp.
Temperatuur pomp is te hoog.
Controleer de water- en omgevingstemperatuur.
Reset de pomp door het toestel minimaal 20 seconden met de aan/uit knop uit te zetten (let op: indien pomp op continue is ingesteld kan de pomp alleen worden gereset door de steker uit het stopcontact te nemen). Vervang de pomp.Daikin Europe NV 49 9 ONDERHOUD Het toestel en de installatie dienen elk jaar door een erkend installateur gecontroleerd en zo nodig gereinigd te worden.
VOORZICHTIG Werkzaamheden aan gasvoerende delen mogen uitsluitend door een erkend installateur uitgevoerd worden. Controleer na werkzaamheden alle rookgasvoerende delen op dichtheid. Wanneer het toestel zojuist in bedrijf is geweest kunnen sommige onderdelen heet zijn.
1. Schakel het toestel uit met de toets.
2. Neem de steker uit de wandcontactdoos.
los en demonteer het frontpaneel.
5. Wacht tot het toestel is afgekoeld.
6. Draai de wartelmoer onderaan de rookgaskoker linksom los.
7. Schuif de rookgaskoker met een linksomdraaiende beweging naar boven (1) tot de
onderkant van de pijp boven de aansluiting van de condensafvoerbak is gekomen. Trek de onderkant van de pijp naar voren (2) en neem de pijp linksom draaiend naar onder toe weg (3).
8. Til de condensafvoerbak aan de linkerkant uit de aansluiting van de sifon (4) en
draai hem naar rechts met de sifon aansluiting over de rand van de onderbak (5). Duw de condensafvoerbak aan de achterkant naar beneden van de aansluiting op de warmtewisselaar (6) en neem hem uit het toestel.
9. Neem de connector van de ventilator en de ontsteekunit van het gasblok.
10. Neem de koppeling onder het gasblok los.
11. Schroef de borstbouten (inbus) van het voordeksel los en neem dit compleet met
gasblok en ventilator naar voren toe weg (let op dat de brander, isolatieplaat, gasblok, gasleiding en de ventilator niet beschadigen). Leg het afgenomen voordeksel met de voetsteunen horizontaal op een vlakke ondergrond.
12. De brander en de geïntegreerde isolatieplaat behoeven geen onderhoud (niet te
worden gereinigd). Gebruik derhalve nooit een borstel of perslucht om deze onderdelen te reinigen, zodat het ontwikkelen van stof wordt vermeden.
1. Reinig de warmtewisselaar van boven naar beneden met een borstel of stofzuiger.
2. Reinig de onderzijde van de warmtewisselaar.
3. Reinig de condensafvoerbak met water.
4. Reinig de sifon met water.
5. Reinig de binnen- en onderkant van de voorplaat met een zachte borstel.
VOORZICHTIG De geïntegreerde isolatieplaat en branderpakking bevatten ceramische vezels.Daikin Europe NV 50
Bij onderhoud dient de afdichtring voorplaat te worden vervangen. Controleer bij het monteren de overige afdichtingen op beschadigingen, verharding, (haar)scheuren en/of verkleuringen. Plaats waar nodig een nieuwe afdichting. Controleer tevens de juiste positionering.
1. Controleer dat tussen de flens van de borstbout en de voorplaat een dunne laag
keramisch vet aanwezig is. Als geen of onvoldoende vet aanwezig is moet dit alsnog worden aangebracht (zie afbeelding).
2. Let op: Vervang de afdichtring rondom de voorplaat. Reinig de afdichtringkamer
met een zachte borstel en zorg dat de nieuwe o-ring rondom goed wordt aangedrukt. Voorkom rekken of scheuren. Plaats het voordeksel op de warmtewisselaar en bevestig dit met de speciale borstbouten (inbus). Zorg dat de o-ring bij het plaatsen van de voorplaat goed op zijn plek blijft zitten. Draai de borstbouten gelijkmatig kruislings handvast aan (10 – 12 Nm). Zie voor de volgorde van het aandraaien de afbeelding.
3. Draai de branderboutjes gelijkmatig kruislings handvast aan.
4. Monteer de gaskoppeling onder het gasblok.
5. Monteer de connector op de ventilator en de ontsteekunit op het gasblok.
6. Monteer de condensafvoerbak door deze met de sifon aansluiting nog voor de onderbak,
op de afvoerstomp van de wisselaar te schuiven (1). Draai de condensafvoerbak daarna naar links (2) en druk deze naar beneden in de sifon aansluiting (3). Let er op dat daarbij de achterzijde van de condensafvoerbak op de nok achterin de onderbak (A) komt te rusten.
7. Vul de sifon met water en monteer deze op de aansluiting onder de condensafvoerbak.
8. Schuif de rookgaskoker naar links draaiend met de bovenkant om de rookgasadapter in het
bovendeksel. Steek de onderkant in de condensafvoerbak, sleep de afdichtring naar beneden en draai de wartelmoer rechtsom vast.
9. Open de gaskraan en controleer de gaskoppelingen onder het gasblok en op de
montagebeugel op lekkage.
10. Controleer de CV- en de waterleidingen op lekkage.
11. Stop de steker in de wandcontactdoos.
12. Stel het toestel in bedrijf met de toets.
13. Controleer het voordeksel, de verbinding van de ventilator op het voordeksel en de
rookgasafvoer onderdelen op lekkage.
14. Controleer de gas-luchtregeling (zie § 7.7 en § 0 ) en controleer de gaskoppeling op het
gasblok op dichtheid.
15. Monteer de mantel en draai de twee schroeven links en rechts naast de display vast, sluit
16. Controleer de verwarming en de warmwatervoorziening op een goede werking.Daikin Europe NV 51
Lage temperatuur-verwarmingsketel
Tapwaterhoeveelheid 60°C l/min
Tapwaterhoeveelheid 40°C (gemengd) l/min
Tapwaterzijdig drukverschil kPa Zie § 5.2
Max. CV-watertemperatuur
Overige gegevens Gasverbruik G25 (1)
Max. rookgastemperatuur warm tapwater
P1, bij 30% nominale toevoer (30/37)
7,5 9,4 10,7 P4, nominale uitlaat (80/60)
22,6 28,2 32,0 ɳ 1, Efficiëntie bij P1
98,2 ɳ 4, Efficiëntie bij P4
0,037 0,037 0,038 Dagelijks brandstofverbruik voor warm tapwater, Qfuel kWh 14,463
22,573 Dagelijks elektriciteitsverbruik voor warm tapwater, Qelec kWh 0,064 0,076 0,071
Opgenomen vermogen: standby
Aanvullend elektriciteitsverbruik bij volledige lading (elmax)
Aanvullend elektriciteitsverbruik bij deellast (elmin)
Aanvullend elektriciteitsverbruik in stand-by stand (Psb)
Inbouwmaten en gewicht Hoogte
Land van bestemming Toestelcategorie (EN437) Gassoort (1) en aansluitdruk (EN 437)
Daikin Europe NV Zandvoordestraat 300 8400 Oostende Belgium Typeaanduiding EKOMBG22ABV1 EKOMBG28ABV1 EKOMBG33ABV1 Seizoensgebonden energie efficiëntie- klasse voor ruimteverwarming
Seizoensgebonden energie efficiëntie klasse voor ruimteverwarming
Capaciteitsprofiel tapwater
Energie efficiëntie klasse voor waterverwarming
Jaarlijks elektriciteitsverbruik AEC kWh
Jaarlijks brandstofverbruik AFC
Efficiëntieklasseregelaar
Bijdrage tot de jaarlijkse efficiëntie
- Lees voor het installeren het installatie voorschrift en bedieningsvoorschriften.
- Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuigelijke of geestelijke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij toezicht door, of instructie over het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid is gegeven.
- Het toestel en installatie dienen elk jaar door een erkend installateur gecontroleerd en zo nodig gereinigd worden.
- Het toestel kan met een vochtige doek gereinigd worden. Gebruik geen agressieve of schurende schoonmaak- of oplosmiddelen.Daikin Europe NV 53
Aardaansluiting warmtewisselaar
Aansluiten: Connector X4 24V=
Aan/uit kamerthermostaat en/of vorstthermostaat (24Vdc of ± 125mA)
Tanksensor of tank hermostaat (indien doorverbinding 9 – 10 aanwezig dan deze verwijderen)
CV-pomp (8=L (bruin), 7=N (blauw), E=aarde)
Afsluiter vloerverwarming of groepenregeling. (3=L (bruin), 5=schakel (zwart), 6=N (blauw)) (EK3WV1AA)
Driewegklep (3=L (bruin), 5=schakel (zwart), 6=N (blauw)) (EK3WV1AA) Connector X5
952Daikin Europe NV 54 10 GARANTIEBEPALINGEN Op dit product zijn de algemene garantievoorwaarden van Daikin Europe NV van toepassing. De garantie vervalt indien wordt vastgesteld, dat de gebreken, beschadigingen of overmatige slijtage te wijten zijn aan of oneigenlijk gebruik of onoordeelkundige behandeling of aan ondeskundige reparatie, instelling, installatie of onderhoud, door niet erkende installateurs of aan het onderhevig zijn aan stoffen met agressieve chemicaliën (o.a. haarlak) en andere schadelijke stoffen. De garantie vervalt tevens wanneer leidingen en koppelingen in de installatie zijn toegepast, die zuurstofdiffusie kunnen veroorzaken of het defect het gevolg is van ketelsteenafzetting (schadelijk voor het toestel en installatie). Oppervlaktebeschadigingen alsmede transportschade vallen buiten de garantie. Het recht op garantie vervalt indien niet kan worden aangetoond, dat de CV-ketel na ingebruikname niet tenminste 1 maal per jaar door een erkend installateur aan een onderhoudsbeurt is onderworpen. De installatie- en gebruiksvoorschriften die wij voor de betreffende toestellen afgeven, dienen geheel in acht te worden genomen. Milieu
Als het toestel aan vervanging toe is kan dit meestal, na overleg, door uw dealer teruggenomen worden. Mocht dit niet mogelijk zijn, informeer dan bij uw gemeente naar de mogelijkheden voor hergebruik of milieuvriendelijke verwerking van de gebruikte materialen. Voor de productie van het toestel is gebruik gemaakt van diverse kunststoffen en metalen. Bovendien bevat het toestel elektronische componenten die tot het elektronisch afval behoren.
Notice-Facile