EKOMBG22AAV1 - Ketel DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EKOMBG22AAV1 DAIKIN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over EKOMBG22AAV1 DAIKIN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EKOMBG22AAV1 - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EKOMBG22AAV1 van het merk DAIKIN.
GEBRUIKSAANWIJZING EKOMBG22AAV1 DAIKIN
Installatievoorschrift
1 Veiligheidsvoorschriften 5
2 Toestelomschrijving 6
2.1 Algemeen 6
2.2 Werking 6
2.3 Bedrijfstoestanden 6
2.4 PC Interface 8
2.5 Testprogramma's 8
3 Hoofdcomponenten 9
3.1 Accessoires 10
4 Installatie 11
4.1 Inbouwmaten 11
4.2 Opstellingsruimte 13
4.3 Montage 14
5 Aansluiten 16
5.1 CV-installatie aansluiten 16
5.2 Warmwaterinstallatie aansluiten 18
5.3 Elektrisch aansluten 19
5.4 Kamerthermostat aansluiten 20
5.5 Gas aansluiten 21
5.6 Rookgasafvoer-en luchttoevoerkanaal 22
5.7 Afvoersystemen 23
5.8 Rookgasafvoermateriaal 24
5.9 Aansluiting op een rookgasafvoersystem zonder luchtinlaat (B23, B33) 26
5.10 Aansluiting op een afgedicht rookgasafvoersysteme 27
5.11 Vrij in de handel verkrijngbaar rookgasmateriaal (C63). 29
6 In bedrijf stellen van het toestel en de Installatie 35
6.1 Vullen en ontluchten van toestel en installmente 35
6.2 In bedrijf stellen van het toestel 36
6.3 Buiten bedrijf stellen van het toestel 37
7 Instelling en afregeling
7.1 Direct via bedieningspaneel 38
7.2 Parameter instellingen via de servicecode 39
7.3 Instellen maximaal CV-verbogen 41
7.4 Instellen pompcapaciteit 41
7.5 Weersafhankelijke regeling 41
7.6 Ombouw maar andere gassoort 42
7.7 Gas/luchtregeling 42
7.8 Controle en afstellen gas/luchtregeling 43
8 Storingen
8.1 Laatste storing tonen 45
8.2 Storingscodes 45
8.3 Overige storingen 46
9 Onderhoud
Technische specificaties 51
10.1 Technical Product Fiche in accordance to CELEX-32013R0811 52
10.2 Elektrisch schema 53
10.3 NTC wonderstanden 53
10 Garantiebepalingen
Alle rechten voorbehonden.
De verstrekte informatie geldt voor het product in standarduiutvoerig. Daikin Europe NV kan derhalve niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuale schade voortvloeieend uit de van de standarduiutvoerig afwijkende specifiees van het product. De beschikbare informatie is met alle moglike zorg samengesteld, maar Daikin Europe NV kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuale fouten in de informatie of voor de gevolgen waarvan. Daikin Europe NV kan niet aansprakelijk gesteld worden voor schade voortvloeieend uit werkzaamheden die door derden zijn uitgevoerd.
Wijzigingen voorbehonden.
Dit installmentevoorschrift
Met dit installmentievoorschrift kut u het toestel op veilige wijze monteren, installereren en onderhonden. Volg de instructies nauwkeurig op.
Neem bij twijfel contact op met de fabrikant.
Bewaar dit installmentevoerschrift bij het toestel.
Gebruekte afkortingen en benamingen
| Omschrijving | Te noemen als |
| Daikin EKOMBG22ABV1, EKOMBG28ABV1 en EKOMBG33ABV1 gaswandketel | Toestel |
| Toestel met leidingwerk voor centrale verwarming | CV-installatie |
| Toestel met leidingwerk voor warm tapwater | WW-installatie |
Pictogrammen
In deze handleiding is het volgende pictogram gebruikt:

VOORZICHTIG
Procedures die -als ze nicht met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd worden- schade aan het product, de omgeving, het milieu of lichamelijk letsel tot gevolg+kennen hebben.

BELANGRIJK
Procedures en/of voorschriften welke, bij nicht opvolgen de werkking van het toestel in negatieve zin+kunnen beinvloeden.
Service en technische ondersteuning ten behoeve van de installmenteur
Voor informatatie over specifiek afstellen, installatie-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, kunt u als installmenter contact opnemen met je locale Daikin dealer.
Identificatie van het product
De toestelgeevens vindt u op de typeplaat op de onderzijde van het toestel.
De typeplaat bevat naast de informatatie over de leverancier en de toestel gegevens (type en model naam) de volgende gegevens:
| ******-yymm**** | Product code - serialummer (yy = productieJAar, mm = productemaand) |
| PIN | Product Identificatie Nummer |
| Informatie met betrekking tot de warmwatervoorziening | |
| Informatie met betrekking tot Centrale Verwarming | |
| Informatie met betrekking tot de electrische aansluiting zoals voltage netfrequentie, elmax en IP classe | |
| PMS | Toegestane overdruk van het Centrale Verwarmingscircuit in bar |
| PWS | Toegestane overdruk van het warmwatercircuit |
| Qn HS | Belasting op bovenwaarde in kilowatt |
| Qn Hi | Belasting op onderwaarde in kilowatt |
| Pn | Vermogen in kilowatt |
| BE, DE, GR, IT, PT, FR, PL | Bestemmingslanden (EN 437) |
| I2E(s), I2H, IIELL3P, II2H3P, II2Esi3P | Toegestane toestel categorie (EN 437) |
| G20-20 mbar G25-25 mbar | Gssoort en voordruk (fabrieksinstelling, EN 437) |
| B23, ..., C93(x) | Toegestane rookgascategory (EN 15502) |
| Tmax | Max. aanvoertemperatuur in °C |
| IPX4D | Electrische beschemingsklasse |
1 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

BELANGRIJK
Dit product is uitsluitend voor huishoudelijk gebruik bestemd.
De fabrikant Daikin aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade of letsel veroorzaakt door het Niet (strikt) naleven van de veiligheidsvoorschriften en -instructies, dan wel door onachtzaamheidijdens het installereren van de Daikin EKOMBG*ABV1 Hoog Rendement gaswandketel en de eventuele bijbehorende accessoires.
Dit apparatus is nicht bedoeld voor gebruik door Personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijkke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij toezicht of instructie over het gebruik van het apparatus door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid is gegeven.
Voor de verschillende disciplines zijn de voorschriften gescheiden vermeld.
De gehele installmentie moet voldoen aan de geldende lokale technische en (veiligheids)voorschriften van toepassing en dit zowel voor de gasinstallatie, de elektrische installmentie, rookgasafvoerinstallatie, dinkwaterinstallatie en CV- installmentie.
Afhankelijk van het bouwjaar kan een Daikin EKOMBG*ABV1 een onderdeel bevatten waar in keramische verzels zijn verwertk. Dit kan van toepassing zich op de kijkglaspakking en op de isolatiepakking van de voorplaat. Gebruik altijd de aanbevolen persoonlijke beschermingsmiddelen bij het werkken met keramische verzels.
2 TOESTELOMSCHRIJVING
2.1 Algemeen
De Daikin EKOMBG*ABV1 gaswandketel is een gesloten toestel. Het toestel is bedoeld om warmte te leveren aan het water van een CV-installatie en de WW-installatie.
De luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer van de EKOMBG*ABV1 kan door middel van twee aparte leidingen op het toestel aangesloten worden de door middel van een concentrische aansluiting. Het toestel is in combinatie met de combidoorvoer gekeurd, maar het toestel kan ook aangesloten worden op combidoorvoeren die voldoen aan de universele keuringseisen voor combidoorvoeren.
Het toestel kan waar keuze aangesloten worden op een montagebeugel, een frame met bovenaansluiting en diverse aansluitsets. Deze worden Separateat geleverd.
De Daikin EKOMBG*ABV1 gaswandketels zijn voorzien van het CE keurmerk, elektrische beschemmingsklasse IPX4D.
Het is möglichk om het toestel alleen te gebruiken voor warmwater of alleen voor verwarming. Het Niet gebruikte systeme hoeft nicht aangesloten te worden (zie § 7.2).
Het toestel worden standaard geleverd voor aardgas (G25). Op bestelling kan een toestel geleverd worden voor propaan (G31).
2.2 Werking
De Daikin EKOMBG*ABV1 gaswandketel is een modulerende hoog rendement ketel. Dit houdt in dat het vermogen worden aangepast aan de gewenste warmtebehoefte. In de aluminium warmtewisselaar zijn twee van elkaar geschaden koperen circuits geintegreerd.
Door de gelechten uitgevoerde circuits voor CV- en warmwater kuren de verwarming en warmwatervoorzieening onafhankelijk van elkaar werken. De warmwatervoorzieening heeft voorrang ten opzichte van de verwarming. Beide kuren nicht gelijktijdig werken.
Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die bij iedere warmtevraag van de verwarming of de warmwatervoorzieening de ventilator en de modulerende pomp aanstuurt, de gasklep opent, de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt en regelt, afhankelijk van het gezvaagde vermogen. De pomp worden alleen tijdens warmtevraag van de verwarming gestuurd, afhankelijk van het gezvaagde vermogen.
2.3 Bedrijfstoestanden
Op het servicedisplay van het bedieningspaneel worden door een code de bedrijfstoestand van het toestel aangegeven.
Uit
Het toestel is buiten bedrijf, maar staat wel onder elektrische spanning. Op vragen voor warm tapwater of CV-water worden Niet gereageerd. De toestelvorstbeveiliging is wel actief. Dit houdt in dat de pomp gaat draaien en de wisselaar worden opgewarmd indien de temperatuur van het daarin aanwezige water te ver daalt.
Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code 7 zichtbaar (opwarmen wisselaar).
Tevens kan in deze bedrijstoestand de druk in de CV-installatie (in Bar) afgelezen worden op het temperatuurdisplay.
Wachtstand
De LED bij de ① toets brandt en eventuël één van de LED's van de tapcomfort functie. Het toestel is gereed voor het beantwoorden van een vraag maar CV- of tapwater.
D Nadraalen CV
Na het einde van CV-bedrijd draait de pomp na. De nadraaiftijd staat van fabriekswege ingesteld op de waarde volgens § 7.2. Deze instelling kan gewijzigd worden. Bovendien gaat de pomp automatisch 1 keer per 24 uur gedurende 10 seconden draaien om vastzitten te voorkomen. Deze automatische inschakeling van de pomp vindt plaats op het tijdstip van de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient op het gewenste tijdstip de kamerthermostat een omhoog gezet te worden.
Gewenste temperatuur bereikt
De branderautomaat kan de warmtevraag tjdelijk blokkeren. De brander worden dan gestopt. De blokkering vindt plaats omdat de gevraagde temperatuur is bereikt. Als de temperatuur voldoende is gezakt worden de blokkering opgeheven.



Zelftest
Eenmaal per 24 uur worden door de branderautomaat de aangesloten sensoren gecontroleerd. Tijdens de contrôle voert de automaat geen andere takenuit.
3 Ventileren
Bij het starten van het toestel worden allereerst de ventilator waar het starttoerental gebracht. Als het starttoerental is bereikt worden de brander ontstoken. Code 3 is eveneens zichtaar als er na het stoppen van de brander worden nageventileerd.
Ontsteken
Als de ventilator het starttoerental heeft bereikt vindt de ontsteking van de brander middels elektrische vondenplaats. Tijdens het ontsteken is code 4 zichtaar. Indien de brander Niet ontsteekt dan vindt na ongeveer 15 seconden een neue ontsteekpoging plaats. Als na 4 ontsteenkogingen de brander nog nicht brandt dan valt de automaat in storing.
5 CV-bedrijf
Op de automaat kan een aan/uit thermostat, een OpenTherm thermostat, een buitenvoeler of een combinatie met de LASTe aangesloten worden (zie § 0) Bij een warmtevraag afkomstig van een thermostat volgt na het aanlopen van de ventilator (code 3) het ontsteken (code 4) en de CV-bedrijfstoestand (code 5).
Tijdens CV-bedrijf worden toerental van de ventilator en daarmee het vermogen van het toestel aangepast zodenig dat de temperatuur van het CV-wateraar de gewenste CV-aanvoertemperatuur toe geregold worden. Wanner een aan/uit thermostat is aangesloten, is dit de op het display ingestelde CV-aanvoertemperatuur. In het geval van een OpenTherm- of draadloze thermostat worden de gewenste CV-aanvoertemperatuur door de thermostat bepaald. Bij een buitenvoeler worden de gewenste CV-aanvoertemperatuur bepaald door de in de branderautomaat gecprogrammeerde stooklijn. Voor de LASTe twee situaties geldtECHter als maximum de op het display ingestelde temperatuur.
Tijdens CV-bedrijf worden de gezvraagde CV-aanvoertemperatuur op het bedieningspaneel weergegeven.
De CV-aanvoertemperatuur kan ingesteld worden:tussen 30 en 90^ (zie 7.1 ).Let op: voor een laagtemperatuursystem kan een lagere maximale instelling vereist zich dan de standardinstelling van 80^
Door de servicetoets in te drukken tijdens CV-bedrijf kan de werkelijkke CVaanvoertemperatuur afgelezen worden.
Als de tapcomfortfunctie is ingeschakeld (zie code 7), dan worden OpenTherm warmtevaag van minder dan 40 graden genedeerd.
5 Tapwaterbedrijf
De warmwatervoorzieening heeft voorrang op de verwarming. Als door de stromingsschakelaar een behoefte vaneer dan 2 l/min aan warm tapwater wordt gedetecteerd, za een eventuele CV-vraag onderbroken worden. Na het aanlopen van de ventilator (code 3) en het ontsteken (code 4) komt de automaat in tapwaterbedrijf (code 5). Tijdens tapwaterbedrijf worden het toerental van de ventilator, en daarmee het vermogen van het toestel, geregold door de automaat op basis van de ingestelde tapwatertemperatuur.
De regeling draagt zorg voor de juiste tapwatertemperatuur. De water temperatuur kan worden ingesteldussen 40^ en 65^ (zie 7.1 ).
De ingestelde tapwatertemperatuur worden op het bedieningspaneel getoond. De standaardinstelling gedraagt 60^ .
Door de servicetoets in te drukkenijdens tapwaterbedrijf, kan de werkelijk tapwatertemperatuur afgelezen worden.
7Opwarmen toestel
Ten behoove van een snelle levering van warm tapwater is een zogenaamde tapcomfortfunctie in de automaat aangebracht. Door deze functie worden de warmthewisselaar op temperatuur gehonden (deze is instelbaar, die § 7.2). De tapcomfortfunctie kent de volgende instelleningen:
Aan: (① LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is continue ingeschakeld. Het toestel levert algid direct warm water.
- Eco: (LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is zelflerend. Het toestel zal zich aanpassen aan het gebruikspatroon van het warm tapwater. Hierdoor zal de warmtewisselaar gedurende de nacht, of bij lange afwezigheid, nicht op temperatuur gezhogen worden.
- Uit: (Beide LED'suit) De warmtewisselaar wordt nicht warm gehonden waardeon de levering van warm tapwater even op zich LAST wachten. Als er geen behoefte is aan snelle levering van warm tapwater, kan de tapcomfortfunctie uitgeschakeld worden. Bij de instelingen "aan" ① en "eco" ⑤ voldoet het toestel aan de Gaseur CW eisen.
2.4 PC Interface
De automaat is voorzien van een interface voor een PC. Door middel van een speciale dongle en bijbehorende software kan een PC communicatoren met de CV-ketel. Met deze voorziening is het möglich om het gedrag van de automaat, het toestel en de verwarmingsinstallatie over een langeperiode te volgen.
2.5 Testprogramma's
In de branderautamaat is een voorziening aangebracht om het toestel in een test status te brengen.
Door het activeren van een testprogramma za het toestel in bedrijf komen met een vast ventilator toenental, zonder dat de regelfuncties zullen ingrijpen.
De veiligheidsfuncties blijven wel actief.
Het testprogramma worden beeingidg door de en gelijktijdig in te drukken.
Testprogramma's
| Omschrijving programma | Toets combinaties | Display uitlezing |
| Brander aan met minimaal WW vermogen (zie parameter d § 7.2) | en - | "L" |
| Brander aan met ingesteld maximaal CV-vermogen (zie parameter 3 § 7.2) | en + (1x) | "h" |
| Brander aan met maximaal WW vermogen (zie parameter 3 § 7.2) | en + (2x) | "H" |
| Uitschaken testprogramma | + en - | Actuele bedrijfsituatie |
Als het toestel in test bedrijf is:kennen de volgende gegevens via het display wordenuitgelezen:
- Door de + toets blijvend in te drukken worden op het display de CV-druk getoond.
- Door de - toets blijvend in te drukken worden op het display de gemeten ionisatiestroom getoond
- Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag worden, gaat de pomp draaien tot de temperatuur van de warmtewisselaar voldoende is. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code 7' zichtaar (opwarmen wisselaar).
- Als de installmentie (of een deel waarvan) kan bevriezen, moet er op de koudste plaat sien (externale) vorstthermostat op de retourleiding aangebrachte worden. Deze要去 volgens het elektrisch schema aangesloten worden (zie § 0).
Opmerking
Als het toestel buiten bedrijf is ( - op het service display) blijdt de toestelvorstbeveiliging actief, op een warmtevraag van een (externale) vorstthermostat watert echter nicht gereageerd.
3 HOOFDCOMPONENTEN

A. A-label CV-pomp
B. Gasblok
C. Branderautomaat met bedieningspaneel
D. Aanvoersensor S1
E. Retoursensor S2
F. Ventilator
G. Stromingssensor
H. Druksensor CV
I. Aansluitsnoer 230V met steker met randaarde
J. Handontluchter
K. Kijkglas
L. Luchttoevoer
M. Rookgasafvoeradapter
N. Aansluitblok / klemmenlijst X4
O. Condensafvoerbak
P. Warmwatersensor S3
Q. Sifon
R. Warmtewisselaar
S. Bedieningspaneel en uitlezing
T. Ionisatie/ontsteekpen
U. Positie typeplaat
3.1 Accessoires
| Omschrijving | Artikel nummers | |
| B-pack EKFJS*AA (1) | EKFJS*AA | |
| B-pack middle (1) | EKFJM*AA | |
| B-pack large (1) | EKFJL*AA | |
| Valve kit (1) | EKVK4AA | |
| Schemplaat EKOMBG*ABV1 | EKCP1AA | |
| Buitenvoeler | EKOSK1AA | |
| 3-Way valve set | EK3WV1AA | |
| Rookgasadapter Concentrische Ø80x125 | EKHY090717 | |
| Rookgasadapter Parallel 80 mm | EKHY090707 | |
| Propaanset EKOMBG22ABV1 | EKPS075877 | |
| Propaanset EKOMBG28ABV1 | EKPS075867 | |
| Propaanset EKOMBG33ABV1 | EKHY075787 |
(1) Deze set bevat een gaskraan dat voldoet aan EN 331 met de volgende specificaties:
Zorg ervoor dat de gaskraan voldoet aan de vereisten voor de toepassing
- Gebruik de gaskraan Niet bij zichtbare schade
- Wijzig niets aan de gaskraan
- De Instructies bij de kraan moeten worden gevolgd
- Lokale wetgeving moet worden gevolgd
4 INSTALLATIE
4.1 Inbouwmaten
Toestel met leidingen maar anderen aangesloten:



Toestel + montagebeugel
| A = | Aanvoer CV | G 3/4" (ext) |
| B = | Retour CV | G 3/4" (ext) |
| C = | Gas | G 1/2" (int) |
| D = | Tapwater koud | G 1/2" (ext) |
| E = | Tapwater warm | G 1/2" (ext) |
| F = | Condensafvoer | Ø dn25 (flexibel) |
| h= | 517mm | EKOMBG22ABV1 |
| 577mm | EKOMBG28ABV1 | |
| 637mm | EKOMBG33ABV1 | |
| H= | 590mm | EKOMBG22ABV1 |
| 650mm | EKOMBG28ABV1 | |
| 710mm | EKOMBG33ABV1 | |
| Z = | Rookgasafvoer/lucht toevoer | Ø60/100 (concentrisch) |

Toestel Op B-pack aangesloten:


Toestel + B-pack
| A = | Aanvoer CV | G 3/4" (ext) |
| B = | Retour CV | G 3/4" (ext) |
| C = | Gas | G 1/2" (int) |
| D = | Tapwater koud | G 1/2" (ext) |
| E = | Tapwater warm | G 1/2" (ext) |
| F = | Condensafvoer | G 3/4" (ext) |
| H= | 770mm | EKOMBG22ABV1 |
| 830mm | EKOMBG28ABV1 | |
| 890mm | EKOMBG33ABV1 | |
| Z = | Rookgasafvoer/lucht toevoer | Ø60/100 (concentrisch) |
4.2 Opstellingsruimte
Het toestel dient aan een wand gemonteerd te worden die voldoende draagkracht heeft.
Bij lichte wandconstructies bestaat de möglichkheid dat er resonantiegeluiden optreden.
Binnen een afstand van 1 meter van het toestel dient een wandcontactdoos met randaarde voorhanden teijken.
Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrijne ruimte geinstalleerd worden. Zorg bij voorkeur voor een minimaal vrij te honden ruimte naast de ketel van 2 cm. In verband met schroeigevaar is geen vrij ruimte vereist.

BELANGRIJK
Het toestel mag Niet worden geplaatst in een ruimte waarin worden gewerkt met agressieve of corrosieve gassen zoals bijv.haarlak.
4.2.1 In een keukenkastje plaatsen
Het toestel kan:tussen twee keukenkastjes of in een kastje geplaatst worden.
Zorg voor voldoende ventilatie aan de onder- en bovenzijde.
Als het toestel in een kastje geplaatst worden,要去en er ventilatieopeningen van tenminste 50~cm^2 gemaatk worden.
4.2.2 Schermplaat en frontpaneel afnemen
Voor diverse werkzaamheden aan het toestel dieren de eventuele aangebrachte schermplaat en frontpaneel van het toestel verwijderd te worden. Ga hierbij als volgt te werk:
- Neem de schermplaat (A), indien gebruikt, maar voren toe weg.
Draai de bye schroeven (1) ache ter het displayvenster van het toestel los. - Trek de onderijde van het frontpaneel (2) maar voren toe.
Gevaar: risico van verbranding
In geval van hoge vertrek water temperatureen voor CV (of een hoog vast setupnt of een hoog weersafhankelijk instelpunt bij lage omgevingsttemperaten), kan de warmtwisselaar van de ketel zeer heet worden, bijvoorbeeld 70^ .
Pas op, in geval van een warm water vraag kan het water in eerste instantie een hogere watertemperatuur hebben dan gesvaagd.
In dit geval is het raadzaam om eenthermostaatkraan te installereren om brandwonden te voorkomen.
Dit kan gedaan worden volgens het onderstaande schema.




4.3 Montage
De ketel kan worden opgehangen aan de muur met behulp van:
- deophangstrip en de montagebeugel EKVK4AA
- een B-pakket met inbegrip van een expansion vat en een connection kit.
4.3.1 Ophangstrip en montagebeugel monteren
Zorg ervoor dat de bouw van de muur geschikt is voor de montage van de ketel.
Boor de gaten voor de ophanging strip en de montagebeugel in de muur met behulp van het boorpatron meegeleverd met de ketel.
- Monteer de ophangstrip en de montage beugel horizontally op de muur met het bijbehorende bevestigingsmaterialen.
- De ketel kan nu op de ophangstrip geplaatst worden door gelijktijdig de leidingen van de ketel in de knelfitting van de beugel te schuiven.

4.3.2 Monteren van de B-pack
Zorg ervoor dat de bouw van de muur geschikt is voor de montage van de ketel en de B-pack
Boor de gaten voor de B-pack in de muur met behulp van het boorpatroon meegeleverd met de ketel.
Monteer de B-pack op de muur met het bijbehorende bevestigingsmaterialien.
- Monteer de montagebeugel in het frame zoals uitgelegd in de manual van de B-pack.
Sluit de flexible buis op het expansievat en de aansluiting op de terugslagklep. Zorg dat de dichtingsringen geplaatst bijn!
- De ketel kan nu op de B-pack geplaatst worden door gelijktijdig de leidingen van de ketel in de knelfiting van de beugel te schuiven.

4.3.3 Toestel monteren
- Pak het toestel UIT.
- Controller de inhoud van de verpakking, deze bestaat UIT:
Toestel (A)
- Ophangstrip (B)
Sifon (C)
- Flexibele buis (D)
Installatievoorschrift
Bedieningsvoorschrift
Garantiekaart
- Controller het toestel op eventuele beschadigingen: meldt beschadigingen direct aan de leverancier.
- Monteer de ophangstrip.
- Controller of de knelringenrecht in de koppelingen van de montagebeugel zich geplaatst.
- Plaats het toestel: schuif deze van bovenaar beneden over de ophangstrip (B).Zorg dat de leidingen tegelijkertijd in de knelfittingen schuiven.
- Draai de knelfittingen op de montagebeugel vast. De nippels en leidingen mogen nicht meedraier
- Open de displayklep en draai de twee schroeven links en rechts naast de display los en demonteer het frontpaneel.
- Monteer de flexibele buis (D) op de uitloop van de sifon.
- Vul de sifon met water en schuif deze zo ver möglichelijk maar boven op de condensafvoer aansluiting (E) onder het toestel.
- Sluit de flexibele buis (D) van de sifon, eventuel samen met de overstortleiding van de inlaatcombinatie en het overstortventiel, aan op het riool via een open aansluiting (F).
- Monteer de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer (zie § 5.6).
- Monteer de mantel en draai de twee schroeven links en rechts naast de display vast, sluit de displayklep.


4.3.4 Schermplaat aanbrengen (optioneel)
Hang de omgezette bovenrand van de schermplaat aan de sluitingen onder de bodem van het toestel en schuif de schermplaat zo ver möglichk maarchteren.

5 AANSLUITEN
5.1 CV-installatie aansluten
- Spoel de CV-installatie goed schoon.
- Monteer de aanvoerleiding (A) en retourleiding (B) aan de montagebeugel.
- Alle leidingen要去enn spanningsvrij gemonteerd worden om tikken van de leidingen te voorkomen.
- Bestaande verbindingen mogen nicht verdraaid worden om lekkages te voorkomen

De CV-installatie dient voorzien te zijn van:
- Een vul/aftapkraan (A) in de retourleiding direct onder het toestel.
- Een aftapkraan op het laagste punt van de installmentie.
- Een overstortventiel (B) van 3 bar in de aanvoerleiding op een afstand van maximaal 500mm van het toestel.
Tussen het toestel en het overstortventiel mag zich geen aflsluiter of vernauwing bevinden.
- Een expansievat in de retourleiding (in de B-pack of in de installmente).
- Een terugslagklep, als er op korte afstand van het toestel leidingen maar boven lopen. Hiermee worden voorkomen dat erijdens tapwaterbedrijf van het toestel thermosifonwerking optreedt (een Niet veerbediende terugslagklep, dient verticaal gemonteerd te worden).
Als alle radiatoren zijn uitgevoerd met thermostatische of afsuitbare radiatorkranen, dient een minimale watercirculatie te worden gewaarborgd. Zie § 7.3.
5.1.2 Vloerverwarming
Vloerverwarming met pomp
Indien een vloerverwarmingsysteme nicht hydraulisch neutraal is kan de vloerverwarmingspomp ontgewenste circulatie over de CV-ketel genereren. Voor een goede werkig van de warmtapwatervoorzieening dient ontgewenste circulatie over de CV-ketel worden voorkomen.
Sluit een vloerverwarmingssysteme indirect hydraulisch neutraal aan of voorzie de CVinstallatie van een tweewegklepset 230V (E). Indien de vloerverwarmingspomp via de retour van de ketel warmte ontrekt is het möglichk om met terugslagklep (D) ongewenste circulatie gegen te gaan.
Zorg voor een minimale watercirculatie. Zie § 7.3.

Aansluitschemavloerverwarming
A. CV-ketel
G. Ruimte-/klok thermostat
B. CV-pomp
H. Maximaalthermostat
C. Thermostatische regelafsluiter
D. Terugslagklep veerbediend
E. Elektrische aufsluiter 230 V ~
F. Radiatoren

Vloerverwarming zonder pomp
Sluit het vloerverwarmingssystem (D) aan en stel de maximale CV-aanvoertemateraatur van de CV-ketel in op de ontwerpconditione. Monteer op de aanvoerbuis onder de CV-ketel een klemthermostat A).De klemthermostat met blinde kap dient ingesteld te worden op een maximale aanvoertemateraatur van 55^
Monteer de aan/uit kamerthermostat (B) en sluit deze in series met de klemthermostat aan. De ketel dient aangesloten te worden op X4 - 6/7.
De CV-pomp in de ketel worden in deze situatie benut om het drukverlies van het vloerverwarmingsysteme te overbruggen. Met behulp van de drukverliesgrafiek (7.4) is het maximale drukverlies van het vloerverwarmingsysteme te bepalen.
Zorg voor een minimale watercirculatie. Zie § 7.3.
Het is bij een vloerverwarmingsystem zonder pomp aan te bevelen om onderstaande
parameter installingen te wijzigen:
par. o van 0 maar 3.
par. P van 5 maar 2.
Tevens dient parameter 3 te worden ingesteld op minimaal niveau of het transmissieverlies van de woning, zie § 7.3.

5.1.3 Opdeling CV-installatie in groepen bij aanwezigheid extra warmtebron
Werkingsprincipe
Indien de kamerthermostat de CV-ketel uitschakelt doordat een andere verwarmingsbron de ruimte opwarmt, is het möglichk dat de overige ruimten afkoelen. Dit kan worden opgelost door de CV-installatie op te delen in twee groepen. De groep met de externe warmtebron (Z2) kan middels een elektrische afluiiter worden afgesloten van het hoofdcircuit. Beide groepen worden voorzien van een eigener kamerthermostat.
N.B. Deze regeling "externe warmtebron" kan alleen worden toegepast indien geen externe tank hoeft te worden opgewarmd (installatietype 1).
Installatievoorschrift
- Plaats de afsluiter volgens het aansluitschema.
- Sluit de kamerthermostat van groep 1 aan op X4-6/7.
- Sluit de kamerthermostaat van groep 2 aan X4 - 11/12.
- Wijzig parameter A (zie Parameter instellingen via de servicecode § 7.2).
Let op: De kamerthermostat in groep 1 MOET een aan/uit thermostatশn, de kamerthermostat in groep 2 mag zowel een OpenTherm thermostat als ook een aan/uit thermostatশn.

Aansluitschemagregeling"externalerwarttebron
A. CV-ketel
B. Elektrische aufsluiter 230 V ~
C. Radiatoren
T1. Kamerthermostat groep 1
T2. Kamerthermostat groep 2
Z1. Groep 1
Z2. Groep 2
5.2 Warmwaterinstallatie aansluten
- Spoel de installmentie goed schoon.
- Monteir indien voorgeschreveen een inlaatcombinatie.
- Monteer de koud- (D) en warmwaterleiding (C) aan de montagebeugel.
Opmerkingen
- Als het toestel alleen voor de warmwatervoorzieningen worden gebruikt kan de verwarmingsfunctie met de servicecode op het bedieningspaneel uitgeschakeld worden. De CV-installatie behoegt dan Niet aangesloten of gefuld te worden.
- Als het toestelijdens de winter buren bedrivf worden gesteld en van het lichtnet afgesloten worden, moet het sanitwaterafgetapt worden om bevriezing te voorkomen. Neem hiervoord tapwateraansluitingen gelijk onder het toestel los.
In het geval van een oude installmente of WW circuits diekleine partikelen kuren bevatten is het aan te raden een filter op het warm water circuit te installeren.
De verruiling kan een fout genereren tijdens de warm water werking.

Weerstandgrafiek tapcircuit toestel
A. EKOMBG22ABV1
B. EKOMBG28ABV1
C. EKOMBG33ABV1
X. Waterleidingdruk (Bar)
Y. Debiet (L/min, tolerantrie ± 10%

5.3 Elektrisch aansluiten

VOORZICHTIG
Een wandcontactdoos met randaarde mag maximaal 1 meter van het toestel verwijderd着眼.
De wandcontactdoos要去 gemakkelijk bereikbaar zijn.
Voor opstelling in vochtige ruimten is een vaste aansluiting verplicht middels een all-polige hoofdschakelaar met een minimale contactopening van 3mm
Indien het netsnoer is beschadigd of om een andere reden要去 worden verrangen,要去 het verrangende netsnoer bij de fabrikant of diens vertegenwoordiger worden besteld. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant of diens vertegenwoordiger.
- Neem bij werkzaamheden aan het elektrisch circuit de steker uit de wandcontactdoos.
- Neem de schermplaat (A) (indien aanwezig) maar voren toe weg.
- Draai de bye schroeven (1) ache ter het displayvenster van het toestel los.
- Schuif de onderijde van het frontpaneel (2) waar voren toe en neem deze verwolgens weg.
- Trek de branderautomaat unit maar voren, de branderautomaat unit za waar bij waar beneden kantelen.
- Raadpleeg § 0 voor het makeen van de aansluitingen.
- Schuif nadat de gewenste aansluitingen zijn aangebracht de branderautomaat terug in het toestel en breng de schermplaat (indien aanwezig) waar aan.
- Sluit na het makesen van de gewenste aansluitingen het toestel aan op een wandcontactdoos met randaarde.



5.3.1 Elektrische aansluitingen
| Temperatuurregeling | Connector X4 | Opmerkingen |
| Kamerthermostat aan/uit | 6 - 7 | |
| Modulerende thermostat met comfortfunctie in gebruik | 11 - 12 | |
| Buitentemperatuurvoeler | 8 - 9 | |
| Vorststhermostat | 6 - 7 | Parallel over kamerthermostat |

5.4 Kamerthermostat aansluten
5.4.1 Kamerthermostaat aan/uit
- Sluit de kamerthermostat aan (zie § 10.1).
- Stel, indien nodig de terugkoppelweerstand van de kamerthermostaat in op 0,1 A. Meet bij twijfel de stroom en stel deze overeenkomstig in.
De maximale verbessand van de thermostaatleiding en de kamerthermostat hetraagt totaal 15 Ohm.
5.4.2 Modulerende kamerthermostat, Open Therm

Het toestel is geschikt voor het aansluiten van een modulerende kamerthermostat, volgens het OpenThermcommunicatie protocol.
De belangrijkste functie van de modulereende kamerthermostat is het berekenen van de aanvoertemperatuur bij een gewenste kamertemperatureur, om een optimaal gebruik te makeen van het moduleren. Bij elke warmtevraag worden op het display van het toestel de gewenste aanvoer temperatuur aangegeven.
Sluit de modulerende thermostaat aan (zie 10.1
Indien men gebruik wil makev van de tapwater aan/uit schakel functie van de OpenTherm thermostat dient de tapwatercomfort functie op eco of aan ingesteld te worden.
Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van de kamerthermostaat.


5.4.3 Modulerende kamerthermostat, draadloos

rf-module
De EKOMBG*ABV1 CV-ketel is geschikt om zonderZend-/ontvangstmodule draadloos te communicatoren met de Honeywell kamerthermostaten T87RF1003 Round RF, DTS92 en CMS927. De CV-ketel en kamerthermostaat dienen aan elkaar te worden toegewezen:
- Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF-kamerthermostaat menu te komen.
-
Eén van de volgende codes zal op het display van het toestel worden weergegeven:
-
rF en L / : het display boven de toets LAST wisselend een L en een - zien rode led : knipperend
De CV-ketel is nicht toegewezen. Een toestel in deze bedrijstoestand, kan worden gekoppeld d.m.v. de methode van de desbetreffende kamerthermostaat.
De methode van toewijzing is afhankelijk van het soort kamthermostaat en wordt beschreiben in de installment- en bedieningsvoorschriften van de draadloze kamhermostaat.
- rF en L/1: het display boven de toets waar wisseled een L en een 1 zien rode led :uit
De CV-ketel is reeds toegewezen. Er is reeds een bestaande koppeling met een RF-kamerthermostaat aanwezig. Om een neue koppeling möglich te make, zal de bestaande koppeling verwijderd要去en worden.
Zie: De toewijzing van een RF-kamerthermostat aan de CV-ketel ongedaan make.
- Druk op de reset toets om het RF-kamerthermostat menu te verlaten of wacht 1 minuut.
De verbinding:tussen het toestel en de RF-kamerthermostaat testen
- Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF-kamerthermostat菜单 van de branderautomaat te komen.
- Druk de service toets 1x in. Op het display boven de toets worden een t getoond.
- Zet de kamerthermostat in testmode (zie de installment en bedieningsvoorschriften van de kamerthermostat).
- De rode led boven de reset + toets gaat knipperen indien de toewijzing correct is uitgevoerd.
- Druk op de reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostat menu van de branderautamaat te verlaten. De testmode worden, 1 minuut nadat het LASTe testbericht van de RF-kamerthermostat is ontvangen, automatisch verlaten.
De toewijzing van een RF-kamerthermostat aan de CV-ketel ongedaan maken
- Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF-kamerthermostat菜单 van de CV-ketel te komen.
- Druke service toets 2x in. Op het display boven de toets worden een C getoond.
- Druk nogmaals op de reset toets van het toestel om de bestaande toewijzingen te verwijderen. Op het display van het toestel worden越 rF getoond met een knipperende L / - . Indien gewenst kan opnieuw een RF-kamerthermostaat aan het toestel worden toegewezen.
- Druk op de reset 山 toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut.
5.4.4 Buitentemperatuurvoeler
Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler. De buitentemperatuurvoeler dient in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat toegepast te worden.
In prince kan elke willekeurige aan/uit kamerthermostaat gecombineerd worden met een buitenvoeler.
Bij vraag van de kamerthermostat levert de ketel warmte tot de maximaal ingestelde temperatuur in de ketel bereikt is. Deze maximaal ingestelde temperatuur worden automatisch geregold via de buitenvoeler, volgens de ingestelde stooklijn in de ketel.
Sluit de buitentemperatuurvoeler aan (zie 10.1
Voor de stoeklijinstelling, zie Weersafhankelijke regeling (zie § 7.5).
5.5 Gas aansluten
- Monteer de koppeling van de gaskraan bij voorkeur direct in de 1/2 aansluiting van de montagebeugel.
- Plaats een gaszeef in de aansluiting voor het toestel als het gas verwuild kan zichn.
- Sluit het toestel aan op de gasleiding.
- Controller de gasvoerende delen op lekkage op een druk van maximaal 50 mbar.
- De gasleiding dient spanningsvrij te worden gemonteerd.

5.6 Rookgasafvoer-en luchttoevoerkanaal

Om het materiaal teplaaten van het rookgasafvoer-en luchttoevoerkanaal, raadpleeg de handleiding die met het material warrants meegeleverd. Neem contact op met de fabrikant van het betreffende rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaalmaterialaal voor uitgebreide technische informatie en specifieke montageinstructies.

Zorg ervoor dat de aansluitingen van het materiaal van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal op de juiste manier+zijn afgedicht.
Wanneer van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal slecht is vastgemaakt, hunnen gevaarlijke situatuies ontstaan of kan iemand letsels oplopen.
Controleer of alle rookgasonderdelen goed zich vast gemaakt er aangespannen.
Gebruik geen al dan Niet zelftappende schroeven om het rookgasafvoersysteme te bevestigen, anders is lekkage möglichk.
Gebruik geen vet (van welke soort ook) om het leidingsysteme te monteren.
Gebruik water in deplaats. De afldichtingsrubbers,konnen in contact met vet beschadigd worden.
Gebruik geen onderdelen, materiaal of aansluitmanieren van verzillende fabrikanten.
5.6.1 Concentrische aansluiting 60/100
De ketel bevat een rookgasafvoeradapter die geschikt is voor een aansluiting op een concentrische rookgasafvoersystem met een diameter van 60/100.
Steek de concentrische leiding zorgvuldig in de adapter. De ingebouwde aufdichstringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.
5.6.2 Concentrische aansluiting 80/125
Indien nodig kan de 60/100-rookgasadapter verrangen worden door een versie voor een rookgasafvoersystemeem met een diameter van 80/125.
- Volg de instructie Zoals deze bij de adapterset 80/125 is meegeverd nauwgezetuit.
- Steek de concentrische leiding zorgvuldig in de adapter. De ingebouwdefadhichringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.
5.6.3 Parallelle aansluiting 80/80
Indien nodig kan de 60/100-rookgasafvoeradapter verrangen worden door een versie voor een parallelle rookgassystem (2 leidingen) met een diameter van 80 mm.
- Volg de instructie zoals deben bij de adapterset 80 is meegeleverd nauwgezetuit.
- Steek de leidingen voor de luchttoevoer en rookgasafvoer in de luchttoevoeropening en de rookgasadapter van de unit. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting. Zorg ervoor dat de aansluitingen Niet gemengd�.
5.7 Afvoersystemen
Let op: Niet alle hieronder beschreiben rookgasafvoerconfigurations zijn toegestaan in alle landen. Raadpleeg waarom steeds de geldende locale regelgeving voordat u met deplaatsing begint, maar u deze reglementen要去 naleven.


De schema's hierboven dienen slechts als voorbeeld en deuitvoering ervan kan in sommige details verschillen.
| Uitleg over de rookgasafvoersystemen | ||
| Categorie overeenkomstig CE | ||
| B23 | Een rookgasafvoer die verbrandingsproducten buiten de kamer waarin het toestel staat, afvoert. De verbrandingslucht wordenrechtstreeks uit de kamer getrokken. | Zorg ervoor dat de luchtinlaat open is en voldoende groot is voor de vraag. |
| B33 | Een rookgasafvoersystem is aangesloten op een gemeenschappelijk kanaalsystem. Dit gemeenschappelijk kanaalsystem bestaat uit een enkele rookgasafvoer met tatsächlijke trek. Alle onder druk gebrachte verbrandingsproductbevattende onderden van het toestel� zijn volledig ingebouwd in de toestelonderdelen die verbrandingslucht toevoeren. De verbrandingslucht worden via een in de rookgasafvoer zittende concentrisch kanaal uit de kamer in het toestel getrokken. De lucht worden via hiertoe voorziene opingen in de mantel van het kanaal ingezogen. | Zorg ervoor dat de luchtinlaat open is en voldoende groot is voor de vraag. |
| C13 | Horizontaal rookgasafvoersystem. Afvoer in de buitenmuur. De luchttoeoperpening ligt in bezelfde drukzone als de afvoer. | Bijvoorbeeld: een muurdoorvoer doorheen de gevel. |
| C33 | Verticaal rookgasafvoersystem. Rookgasafvoer via het dak. De luchttoeoperpening ligt in bezelfde drukzone als de afvoer. | Bijvoorbeeld: een verticale dakdoorvoer. |
| C43 | Gezamenlijk kanaal voor luchttoevoer en rookgasafvoer (CLV-system) Dubbele leiding of concentrische leidingen | |
| C53 | Afzonderlijk luchttoevoerkanaal en afzonderlijk rookgasafvoerkanaal. Afvoer in verschillende drukzones | |
| C63 | Vrij in de handel verkrijgbaar rookgasafvoermateriaal met CE-label | Meng geen rookgasafvoermateriaal van verschillende leveranciers. |
| C83 | Gezamenlijk kanaal voor luchttoevoer en rookgasafvoer (CLV-sytem) Afvoer in verschillende drukzones | Enkel als system met dubbele leiding |
| C93 | Luchttoevoer- en rookgasafvoerkanaal in schoorsteen of kanaal: concentrisch. Luchttoevoer uit bestaand kanaal. Rookgasafvoer via het dak. Luchttoevoer en rookgasafvoer indezelfde drukzone. | Concentrisch rookgasafvoersystem:tussen de ketel en het kanaal. |
5.8 Rookgasafvoermateriaal
Het volgende rookgasafvoermaterialiaal kan bij Daikin worden besteld.
Raadpleeg ook deze website. fluegas.daikin.eu.
C13
| Artnr. | Beschrijving |
| EKFGP2978 | Kit muurdoorvoeren PP/GLV 60/100 |
| EKFGP4651 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm |
| EKFGP4652 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm |
| EKFGP4660 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° |
| EKFGP4661 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° |
| EKFGP2977 | Kit muurdoorvoeren laag profiel PP/GLV 60/100 |
| EKFGP4664 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° |
| EKFGP4631 | Muurbeugel ND 100 |
| EKFGP4667 | Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 |
C33
| Artnr. | Beschrijving |
| EKFGP4631 | Muurbeugel ND 100 |
| EKFGP4651 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm |
| EKFGP4652 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm |
| EKFGP4660 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° |
| EKFGP4661 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° |
| EKFGP4664 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° |
| EKFGP4667 | Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 |
| EKFGP6837 | Dakdoorvoer PP/GLV 60/100 AR460 |
C53
| Artnr. | Beschrijving |
| EKFGP4651 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm |
| EKFGP4652 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm |
| EKFGP6837 | Dakdoorvoer PP/GLV 60/100 AR460 |
| EKFGW4085 | Bochtstuk PP 80 90° |
| EKFGW4086 | Bochtstuk PP 80 45° |
| EKFGV1102 | Set schoorsteenaansluitingen 60/100 luchtinlaat ND 80 C53 |
| EKFGP4660 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° |
| EKFGP4661 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° |
| EKFGP4664 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° |
| EKFGP4667 | Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 |
| EKFGP4631 | Muurbeugel ND 100 |
| EKFGW4001 | Verlengstuk PP 80x500 |
| EKFGW4002 | Verlengstuk PP 80x1000 |
| EKFGW4004 | Verlengstuk PP 80x2000 |
C93
| Artnr. | Beschrijving |
| EKFGP4678 | Schoorsteenaansluiting 60/100 |
| EKFGP1856 | Flex-kit PP ND 60-80 |
| EKFGP6340 | Verlengstuk Flex PP 80 L=10 m |
| EKFGP6344 | Verlengstuk Flex PP 80 L=15 m |
| EKFGP6341 | Verlengstuk Flex PP 80 L=25 m |
| EKFGP6342 | Verlengstuk Flex PP 80 L=50 m |
| EKFGP6324 | Connector Flex-Flex PP 80 |
| EKFGP4664 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° |
| EKFGP4661 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° |
| EKFGP4660 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° |
| EKFGP6333 | Afstandhouder PP 80-100 |
| EKFGP4667 | Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 |
| EKFGP4631 | Muurbeugel ND 100 |
| EKFGP4651 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm |

VOORZICHTG
Zorg ervoor dat de kamer waar de ketel staat voldoet aan de voorgeschreiben vereisten van B23 of B33 inzake de aansluiting op een rookgasafvoersystem.
- Wanner de aansluiting van de ketel op een rookgasafvoersystemeem voldoet aan B23 of B33, dan is de elektrische beveiligingsklasse IP20 inplaats van IP44.
Montage (algemeen)
- Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar.
Iedere leiding moet, vertrekkende van de unit, in de voorgaande worden geschoven.
Monteer een nicht verticale verbrandingsgasafvoerleiding met helling maar het toestel (min. 5mm / m
5.9.1 Toegestane leidinglengtes voor systemen met parallelle luchttoevoer en rookgasafvoer
Toegestane leidinglengtes B23 en B33 voor toepassing 80mm
| C13 | C33 | C43 | C53 | C83 | |
| EKOMBG22ABV1 | 100 m | 100 m | 100 m | 100 m | 100 m |
| EKOMBG28ABV1 | 85 m | 85 m | 85 m | 85 m | 85 m |
| EKOMBG33ABV1 | 80 m | 80 m | 80 m | 80 m | 80 m |
5.10 Aansluiting op een afgedicht rookgasafvoersysteme.
5.10.1 Leidinglengthes
Naarmate de waarstand van de rookgasafvoer- en luchttoevoerleidingen toeneemt za het vermogen van het toestel afnemen. De maximale toegestane vermogensafname bedraagt 5% .
De waterrstand van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer is afhankelijk van de lengte, de diameter en alle componenten van het leidingsystem. Per toestelcategorie is de totale toegestane leidinglengte aangegeven van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer.
5.10.2 Toegestane leidinglengtes voor concentrische rookgasafvoersystemen
Toegestane leidinglengen bij toepassing concentrisch 60/100
| C13 | C33 | |
| EKOMBG22ABV1 | 10 m | 11 m |
| EKOMBG28ABV1 | 10 m | 10 m |
| EKOMBG33ABV1 | 10 m | 10 m |
Toegestane leidinglengen bij toepassing concentrisch 80/125
| C13 | C33 | C93 | |
| EKOMBG22ABV1 | 29 m | 29 m | Zie § 6.2.3 |
| EKOMBG28ABV1 | 29 m | 29 m | Zie § 6.2.3 |
| EKOMBG33ABV1 | 29 m | 29 m | Zie § 6.2.3 |
Neem contact op met de fabrikant om de berekeningen te lien controleren van de waarstand van de luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding en de wandtemperatuur aan het einde van de verbrandingsgasafvoerleiding.
Vervanglengtes
| Bocht 90° | R/D=1 | 2 m |
| Bocht 45° | R/D=1 | 1 m |
| Knie 90° | R/D=0,5 | 4 m |
| Knie 45° | R/D=0,5 | 2 m |
Montage algemeen:
Voor alle uitmondingen geldt de onderstaande montage:
- Schuif de concentrische verbrandingsgasafvoerleiding en luchttoevoerleiding in de afvoer van het toestel.
- Schuif de concentrische leidingen in elkaar.
ledere leiding moet, vertrekkende van de unit, in de voorgaande worden geschoven. - Monteer een Niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding met een helling maar het toestel (min. 5mm / m
- Monteer de bevestigingsbeugels conform het montagevoerschrift van de leverancier van het luchttoevoer/rookgasafvoersystem.
5.10.3 Toegestane leidinglengtes voor systemen met parallele luchttoevoer en rookgasafvoer
Toegestane leidinglengtes bij gebruik van 80mm (totaal van de rookgasafvoerleiding en de luchtinlaatleiding samen genomen).
| C13 | C33 | C43 | C53 | C83 | |
| EKOMBG22ABV1 | 100 m | 100 m | 100 m | 100 m | 100 m |
| EKOMBG28ABV1 | 85 m | 85 m | 85 m | 85 m | 85 m |
| EKOMBG33ABV1 | 80 m | 80 m | 80 m | 80 m | 80 m |
Vervanglengtes
| Bocht 90° | R/D=1 | 2 m |
| Bocht 45° | R/D=1 | 1 m |
| Knie 90° | R/D=0,5 | 4 m |
| Knie 45° | R/D=0,5 | 2 m |

Rekenvoorbeeld
| Leiding | Leidinglengtes | Totale leidinglengte |
| Rookgasafvoer | L1 + L2 + L3 + 2x2 m | 13 m |
| Luchttoevoer | L4 + L5 + L6 + 2x2m | 12 m |

Opmerking:
De totale leidinglengte is: de som van de rechte leidinglengtes + de som van de verwangleidinglengtes van bochten/knieën bedragen samen 25 meter. Indien deze waarde minder is dan de maximaal toegestane leidinglengte voldoet de rookgasafvoer op dit punt aan de eisen.
5.11 Vrij in de handel verkrijgbaar rookgasmaterialiaal (C63).
De eigenschappen van de verbranding bepalen de keuze van het rookgasafvoermaterialiaal. Normen EN 1443 en EN 1856-1 bevatten de nodige informatie voor de keuze van het rookgasafvoermateriaal via een sticker met identificatie-informatie. De identificatie-informatie bevat de volgende gegevens: A CE-label B De norm waaraan moet worden voldaan: Metaal, EN 1856-1 of EN 1856-2 Kunststof, EN 14471
De identificatie-informatie moet de volgende gegevens bevatten:
C Temperaturklasse : T120
D Drukklasse : Druk (P) of hoge druk (Hi)
E Weerstandklasse : W (wet' voor nat)
F Weerstandklasse in geval van brand : E

Afmetingen C63 rookgasafvoersysteme (buitenafmetingen in mm)
| Parallel | Concentrisch 80/125 | Concentrisch 60/100 | ||
| Rookgasafvoerbuis | Luchtinlaat | Rookgasafvoerbuis | Luchtinlaat | |
| ø 80 +0,3 -0,7 | ø 80 +0,3 -0,7 | ø 125 +2 -0 | ø 60 +0,3 -0,7 | ø 100 +2 -0 |

Rookgasafvoermateriaal van verschillende merken combineren is verboden!
5.11.1 Het rookgasafvoersystem bevestigen

BELANGRIJK
- Deze reglementen gelden zowel voor concentrische als voor parallele rookgasafvoersystemen.
- Het rookgasafvoersystem moet stevig op een vaste structuur worden vastgemaakt.
- Het rookgasafvoersysteme moet een continue neerwaartse helling (1,5^ tot 3^ ) maar de ketel hebben. N.B. De muurdoorvoeren要去en horizontaal worden geplaatst.
- Gebruik alleen de bijgeleverde beugels.
- Elk bochtstuk要去en een beugel stevig worden vastgemaakt. Behalve voor de aansluiting op de ketel: indien de lengte van de leidinge voor en na het eerste bochtstuk Nieteer dan 250 mm bedraagt, moet h tweeede element na het eerste bochtstuk een beugel bevatten. Opmerking: de beugel要去h bochtstuk worden geplaatst!
- Elk verlengstuk要去im de meter met een beugel worden vastgemaakt. Deze beugel mag de leiding Niet rondon klemmen om ervoor te zorgen dat deze leiding vrij kan bewegen.
Zorg ervoor dat de beugel in de juiste stand worden vergrendeld in functie van deplaats van deze beugel op de leiding of het bochtstuk: - Meng geen rookgasafvoeronderdelen en klemmen van verschillende leveranciers.
Klemrand beugel op buis
Klemrand beugel op mof

Maximumafstand tussendeklemmen
| Vertical | Andere |
| 2000 mm | 1000 mm |
- Verdeel de lenghtes gegmatig:tussen de beugels.
- Elk system moet minstens 1 beugel bevatten.
- Plaats de eerste klem op maximum 500 mm van de ketel.




6.2.1 Luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met gemeenschappelijk afvoersysteme.
Toestelcategorie: C83
Een luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met een gemeinschappelijk afvoersystem is toegestaan.

BELANGRIJK
- De luchttoevoer in de gevel要去 voorzien worden van een inlaatrooster (A).
- Het gemeinschappelijk afvoersysteme moet voorzien worden van een trekkende afvoerkap (B).
- Als het gemeinschappelijk afvoersysteme in de buitenlucht worden gesitueerd, moet de afvoerleiding dubbelwandig of geisoleerd uitgevoerd worden.
Toegestane leidinglengte
Verbrandingsgasafvoerleiding:tussen het toestel en het gemeenschappelijk afvoersysteme en luchttoevoerleiding:tussen het toestel en het inlaatrooster samen:
| EKOMBG22ABV1 | 100 m |
| EKOMBG28ABV1 | 85 m |
| EKOMBG33ABV1 | 80 m |
De minimale diameters van het gemeenschappelijk afvoersysteme gebaseerd op onderdruk.
| Diameter rookgasafvoer | |||
| EKOMBG**ABV1 | |||
| Aantal toestellen | 22 | 28 | 33 |
| 2 | 110 | 130 | 130 |
| 3 | 130 | 150 | 150 |
| 4 | 150 | 180 | 180 |
| 5 | 180 | 200 | 200 |
| 6 | 200 | 220 | 220 |
| 7 | 220 | 230 | 230 |
| 8 | 230 | 250 | 250 |
| 9 | 240 | 270 | 270 |
| 10 | 260 | 280 | 280 |
| 11 | 270 | 290 | 290 |
| 12 | 280 | 300 | 300 |
Gemeenschappelijk verbrandingsgasafvoer
De uitmonding van de verbrandingsgasafvoer kan op een willekeurige plaats in het schuine dakvlak gemaakt worden, mits de uitmonding in het dakvlak bezelfde orientatie heeft als de luchttoevoer in de gevel. Bij een platdak moet de uitmonding van de verbrandingsgasafvoer in het "vrije" uitmondingsgebied gemaakt worden.
Breng een condensafvoer aan.
Opmerking
Het gemeinschappelijk afvoersysteme is in combinatie met het toestel gekeurd.

6.2.2 Dakuitmonding CLV-system
Toestelcategorie : C43

BELANGRIJK
- Een dakuitmonding door een Combinatie Luchttoevoer-Verbrandingsgasafvoersystem (CLV-system) is togetstaan.
- Voor de gemeinschappelijk verbrandingsgas-afvoerkap en luchttoevoerkap is een verklaring van geen bezwaar of een Gaskeur van het Gastec-Gasinstituut nodig.
- De doortocht van de drukvereeffeningsopening aan de onderzijde van het gemeenschappelijk luchttoevoer- en rookgasafvoersystem is gelijk aan 0.44^* het rookgasafvoer- oppervlak.
De gemeinschappelijk luchttoevoer en de gemeinschappelijk afvoer van de verbrandingsgassen mogen concentrisch of afzonderlijk uitgevoerd worden.
Toegestane leidinglengte
Voor parall: Luchtoevoer-en verbrandingsgasafvoerleiding samen, exclusief de lengte van de combidoorvoer.
Voor concentrisch : Totale leidinglengte, exclusief de lengte van de combidoorvoer.
| Parallel | Concentrisch 60/100 | Concentrisch 80/125 | |
| EKOMBG22ABV1 | 100 m | 10 m | 29 m |
| EKOMBG28ABV1 | 85 m | 10 m | 29 m |
| EKOMBG33ABV1 | 80 m | 10 m | 29 m |
De minimale diameters van het gemeenschappelijk luchttoevoer- en rookgasafvoersysteme gembeerd op het aanvullingsblad 2001-02 keuringeisen nr. 138 van Gastec.
| EKOMBG22ABV1 EN EKOMBG28ABV1 | EKOMBG33ABV1 | |||||||
| Aantal toestellen | Concentrisch | Parallel | Concentrisch | Parallel | ||||
| RGA | LTV | RGA | LTV | RGA | LTV | RGA | LTV | |
| 2 | 135 | 253 | 135 | 214 | 155 | 291 | 155 | 246 |
| 3 | 157 | 295 | 157 | 249 | 166 | 311 | 166 | 263 |
| 4 | 166 | 311 | 166 | 263 | 176 | 330 | 176 | 279 |
| 5 | 175 | 328 | 175 | 278 | 186 | 349 | 186 | 295 |
| 6 | 184 | 345 | 184 | 292 | 196 | 367 | 196 | 311 |
| 7 | 193 | 362 | 193 | 306 | 206 | 386 | 206 | 326 |
| 8 | 201 | 376 | 201 | 318 | 216 | 404 | 216 | 342 |
| 9 | 210 | 393 | 210 | 332 | 226 | 423 | 226 | 358 |
| 10 | 219 | 410 | 219 | 347 | 236 | 442 | 236 | 374 |
| 11 | 228 | 427 | 228 | 361 | 247 | 463 | 247 | 391 |
| 12 | 237 | 444 | 237 | 375 | 257 | 482 | 257 | 407 |
| 13 | 246 | 461 | 246 | 389 | 267 | 500 | 267 | 423 |
| 14 | 255 | 478 | 255 | 404 | 277 | 519 | 277 | 439 |
| 15 | 264 | 494 | 264 | 418 | 287 | 538 | 287 | 454 |
| 16 | 272 | 509 | 272 | 431 | 297 | 556 | 297 | 470 |
| 17 | 281 | 526 | 281 | 445 | 307 | 575 | 307 | 486 |
| 18 | 290 | 543 | 290 | 459 | 317 | 594 | 317 | 502 |
| 19 | 299 | 560 | 299 | 473 | 328 | 614 | 328 | 519 |
| 20 | 308 | 577 | 308 | 488 | 338 | 633 | 338 | 535 |
6.2.3 Rookgasafvoer concentrisch horizontal, vertikaal luchtomstolen door schacht
Toestelcategorie : C93
Een rookgasafvoersysteme volgens C93 (C33s) is toegestaan bij toepassing van CE goedgekeurd of het door Daikin toegeleverde afvoermateriaal.
Onderstaande zaken要去en in achegenomen worden.
Algemeen
- De rookgasafvoer in de schacht moet worden uitgevoerd d.m.v. starre buis of flexibel met een diameter van 60 of 80 mm.
Bij toepassing van kunststof rookgasafvoer materialen dient dit te voldoen aan de temperatuur klasse T120. - De verbinding:tussen concentrisch horizontal en de verticale aansluiting dient te worden ondersteund op de door de fabrikant aangegeven methode. Instructies van de fabrikant dienen correct en volledig te worden opgevolgd.
- Indien de rookgasijp in een bestaand kanaal moet worden geplaatst dient dit vooraf worden geinspecteerd en indien nodig gereinigd.
- De luchtdichttheid van de schacht dient te worden gewaarborgd.
Toegestane leidinglengte en systeemeisen
Indien gebruik gemaakt wodt van een schacht (bijv. een gemetseld schoorsteen-kanaal) als luchttoevoer is onderstaande van toepassing.
| Rookgafvoerijp | Schachtafmeting (mm) | Max. lenghte [mtr] | |
| Diameter (mm) (star of flexibel) | Vierkant | Rond | |
| DN 60 | 115 x 115 | 135 | 11 |
| DN 80 | 135 x 135 | 155 | 29 |

6 IN BEDRIJF STEllen VAN HET TOESTEL EN DE INSTALLATIE
6.1 Vullen en ontluchten van toestel en installmentie
6.1.1 CV-systeme
- Steek de steker van het toestel in een wandcontactdoos.
Het toestel kan een zelfontrole uitvoeren: (op service display). Daarna komt het toestel in de uit stand: (op service display) en de CVdruk worden getoond op het temperatuur display.

Bij een CV-druk lager dan 0,5 bar worden de CV-druk knipperend op het display weergegeven.
In de uit stand worden de CV-druk weergegeven.
- Sluit de vulslang aan op de vul-/aftapkraan en vul de installmentie met schoon drinkwater, tot een druk liggendussen 1 en 2 bar bij een koude installmentie (af te lezen op het temperatuur display).
- Ontlucht het toestel met de handontluchtter (A).
Eventuel kan er een automatische ontluchter op het toestel gemonteerd worden in plaats van de handontluchter.
- Ontlucht de installment met de handontluchters op de radiatoren.
- Vul de CV-installatie bij als de druk door het ontluchten te ver is gedaald.
- Controller alle koppelingen op lekkage.
- Controller of de sifon gemuld is met water.

WAARSCHUWING
Indien de sifon Niet gevuld is met water kunnen verbrandingsgassen in de ruimte vrijkomen.

WAARSCHUWING
Als een toevoegmiddel aan het CV-water worden toegevoegt,要去 dit geschikt zichoor voor de in het toestel toegepaste materialen zoals koper, messing, roestvast staal, staal, kunststof en rubber. Het toevoegmiddel dient bij voorkeur voorzien te zichen van een KIWA -ATA- Atest keurmerk.

6.1.2 Warmwatervoorzieening
- Open de hoofdkraan om het warmwatergedeelite op druk te brengen.
- Ontlucht de wisselaar en het leidingsystemeem door een warmwaterkraan te openen.
Laat de kraan open staan tot alle lucht uit het system is verdwenen.
3. Controller alle koppelingen op lekkage.
6.1.3 Gastroevoer
- Ontlucht de gasleiding met de voordrukmeetnippel (D) op het gasblok.
- Controller alle koppelingen op lekkage.
- Controleer de voordruk en de offset druk (zie § 7.7).

6.2 In bedrijf stellen van het toestel

Uitlezing
1 Aan/uit
2 CV bedrijf of instellen maximale CV temperatuur
3 Tap bedrijf of instellen tap temperatuur
4 Gewenste temperatuur CV of tapwater in ^ C /druk CV water in bar /storingscode
5 Tap comfort functie eco
6 Tap comfort functie aan
7 Bedrijfscode
8 Bij storing knipperen
Bediening
A Aan/uit toets
B Tap/CV toets, voor instellen gewenste temperatuur
C -toets
D +toets
E Tap comfort functieuit /eco/aan toets
F Service toets / actuele temperatuur tijdens warmte vraag
G Reset toets
Nadat de voorgaande handelingen zijn uitgevoerd, mag het toestel in bedrijf gesteld worden.
- Druk op de Klop, om het toestel in bedrijf te stellen.
De warmtewisselaar worden opgewarmd en op het service display verschijnen 3 H en 7 (Afhankelijk status externe spaarschakelaar en/of OpenTherm regeling). - Stel de pompstand in afhankelijk van het ingestelde maximaal vermogen en de waterzijdige watstand van de installmentie. Voor de opvoerhoogte van de pomp en het drukverlies van het toestel (zie § 7.4).
- Stel de kamerthermostaat hoger in dan de kamertemperatuur. Het toestel gaat nu op CV bedrijf: 5 op het service display.
- Stook de installment op.
- Controller of het ingestelde maximale CV-vermogen overeenkomt met de gewenste waarde. Indien nodig kan het maximaal CV-vermogen worden aangepast (zie § 7.2 parameter c en 3 en § 7.3).
- Controller of de ingestelde minimale en maximale waarde van de pompkarakteristiek correct+zijn ingesteld (zie § 7.2 parameter 3. en c. en § 7.4)
- Schakel het toesteluit.
- Ontlucht het toestel en de installment na het afkoelen (zo nodig bijvullen).
- Schakel het toestel in.
- Controller de verwarming en de warmwatervoorzieing op de goede werkinq.
- Instruer de gebruiker over het vullen, ontluchten en de werkig van de verwarming en de warmwatervoorziening.
Opmerkingen
- Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die de brander ontsteekt, de vlam continue bewaakt en de modulerende pomp aanstuurt, bij iedere warmtevraag van de verwarming of van de warmwatervoorzieening.
- De circulatiepomp goats bij jegere warmtevraag voor de verwarming draaien. De pomp heeft een nadraaitijd van 1 minuut. De nadraaitijd kan eventuele gewijzigd worden (zie § 7.2).
- De pomp draait automatisch 1 maal per 24.ur gedurende 10 seconden om vastzitten te voorkomen. De automatische inschakeling van de pomp vindt plaats 24uur na de laatste warmtevraag. Om het tijdstep te wijzigien dient de kamthermostaat op het gewenste tijdstep kortstandig hoger gezet te worden.
- Voor de warmwatervoorzieningen draaït de pomp nicht.
6.3 Buiten bedrijf stellen van het toestel

VOORZICHTIG
Tap het toestel en de installment af, als de netspanning is onderbroken en er kans is op bevriezing.
- Neem de stekeruit de wandcontactdoos.
- Tap het toestel af met de vul-/aftapkraan.
- Tap de installmente af op het laagste punt.
- Sluit de hoofdkraan voor de koud- en warmwatertoevoer maar het toestel.
- Tap het toestel af door de tapwater koppelingen onder het toestel los te nemen.
- Ledig de sifon.
- Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen,要去 het toestel in een vorstvrije ruimte geinstalleelerd worden.
- Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag wordt schakelt de ketel in tot de warmtewisselaar is opgewarmd. Als de möglichkeid bestaat dat de installmentie (of een deel waarvan) kan bevriezen,要去 op de koudste plaatens ene (exteme) vorsstthermostaat op de retourleiding aangebracht worden. Deze dient volgens het elektrisch schema aangesloten worden (zie § 0).
Opmerking
Indien een (externe) vorstthermostat in de installmentie is aangebracht en op het toestel aangesloten, is deze Niet actief als het toestel op het bedieningspaneel is uitgeschakeld (op het service display).
Indien een (externale) vorstthermostat in de installmentie is aangebracht en op het toestel aangesloten, is deze nicht actief als het toestel op het bedieningspaneel isuitgeschakeld ( - op service display).
7 INSTELLING EN AFREGELING
Het functioneren van het toestel is te beinvloeden door de (parameter)instelleningen in de branderautomaat. Een deel hiervan is direct via het bedieningspaneel in te stellen, een ander deel kan alleen m.b.v. de servicecode worden aangepast.
7.1 Direct via bedieningspaneel
De volgende functies können direct bediend worden.
Toestel aan/uit
M.b.v. de foets wordt het toestel in werking gezet.
Wanner het toestel in werkig is za de groene LED boven de hets branden.
Wonneer het toestel uit is brandt er een balkje op de service display ( - ) om aan te Geven dat er voedingsspanning aanwezig is. Tevens geeft in deze bedrijfstoestand de temperatuurdisplay de druk in de CV installment (in bar) aan.
Zomerstand
Indien parameter q ingesteld is op een waarde ongelijk aan 0 kan met de ets ook de zomerstand worden ingeschakeld. Dit houdt in dat de CV-functie wordenuitgeschakeld maar warmwater beschikbaar blijft.
De zomerstand kan worden geactiveerd door de ets na het inschakenen nogmaals in te drukken. In het display verschijnt [Su], [So] of [Et]. (de vermelding in het display is afhankelijk van de instelling van parameter q)
De zomerstand kan worden uitgeschakeld door 2 keer de eets te drukken tot het toestel wee in bedrijfstoestand staat.
Tapcomfort
De tapcomfortfunctie kan met de tapcomfort foets bediend worden en kent de volgende instelleningen:
Aan: ( ① LED aan) De tapcomfortfundie van het toestel is continue ingeschakeld. De warmtewisselaar wordt continue warm gehonden. Het toestel levert.altijd direct warm water.
- Eco: (LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is zichlerend. Het toestel zal zich aanpassen aan het gebruikspatroon van het warm tapwater. Hierdoor zal de warmtewisselaar gedurende de nacht, of bij lange afwezigheid, Niet op temperatuur worden gezogen.
- Uit: (Beide LED's uit.) De warmtewisselaar wordt nicht warm gehonden waardoor de levering van warm tapwater even op zich LAST wachten. Als er geen behoefte is aan warm tapwater of aan de directe levering hiervan dan kan de tapcomfortfunctieuitgeschakeld worden.
Resetten
Controleer aan de hand van de storingscodes onder § 8.2 de aard van de storing en los zo mogelijk de oorzaak van de storing op alvorens het toestel te resetten.
Wonneer een vergrendelende storing wordt aangegeven d.m.v. een knipperende LED boven de toets en een cijfer op de display kan door het indrukken van de reset toets het toestel opnieuw gestart worden.
Installingen van de diverse functies wijzigen:
Door de toets 2 seconden ingedrukt te honden komt u in het gebruikers instellenen menu (LED bij het cijferdisplay gaan knipperen). Door herhaald op de toets gaat telkens een andere functie LED knipperen. Wanner de LED knippert kan de desbetreffend functie met de
+en toets ingesteld worden. De ingestelde waarde wordt op het display到场。
Met de aan/uit foets worden het instel menu afgesloten en worden de wijzigingen Niet opgeslagen.
Met de reset zoets worden het instel menu afgesloten en worden de wijzigingen opgeslagen.
Wanneer gedurende 30 seconden geen toets worden ingedrukt, worden het instelmenu automatisch afgesloten en worden de wijzigingen opgeslagen.
Maximum CV-aanvoertemperatuur
Druk op de koets tot de LED bij ght knipperen.
Stel met de + en - toets de temperatuur inussen 30^ en 90^ (standaard instelling 80^ ).
Tapwater temperatuur
Druk op de koets tot de LED bij that knipperen.
Stel met de ten toets de temperatuur inussen 40^ en 65^ (standaard instelling 60^ ).
7.2 Parameter installingen via de servicecode
De parameters van de branderautomaat zijn in de fabrieb ingesteld volgens onderstaande tabel.
Deze parameters können alleen met de servicecode gewijzigd worden. Ga als volgt te werk om
hetprogrammageheugen te activeren:
- Druk gewiktijdig op de en toets, tot een verschijnt op het servicedisplay en een op het temperatuurdisplay.
- Stel met de +toets [75] (servicecode) in op het temperatuurdisplay.
- Stel met de toets de in te stellen parameter in op het servicedisplay.
- Stel met de +en -toets de parameter in op de gewenste Waarde (zichtbaar) op het temperatuurdisplay.
- Druk, nadat alle gewenste veranderingen zijn ingegeben, de toets in totdat op het servicedisplay verschijnt.
De branderautomaat is nu opniew geprogrammeerd.
Opmerking
Door de ① toets in te drukken gaat men uit het menu zonder de parameterwijzigingen op te slaan.
Voorbeeld: Wijzigem maximaal CV-verbogen
- Druk gelijktijdig op de en toets.
- Ga met de de +toetsaar
- Druk 3 x op de teets. Op het display verschijnt 60 en 3.
- Wijzig met de teets de 60 in 70.
- Druk op de toets in totdat P-verschijnt.
- De wijziging is doorgevoerd. Het maximaal CV-vermogen is verhoogd van 60 maar 70% .
| EKOMBG ** ABV1 | |||||
| Para-meter | Beschrijving | 22 | 28 | 33 | Instelbereik |
| 0 | Servicecode [15] | - | - | - | Toegang tot installaurinstallingen, de servicecode要去ingegeben worden (=15) |
| 1 | Installatietype | 0 | 0 | 0 | 0=Kombi.1=Solo EKOMBG22ABV1 + externe boiler2=Tap (alleen warmwater)3=Solo |
| 2 | CV-pomp instelling | 0 | 0 | 0 | 0=pomp nadraaitijd actief1=pomp continue actief2-5=niet actief |
| 3 | Ingesteld maximaal CV-verbogen | 60 | 60 | 60 | Instelbereik ingestelde waarde parameter c tot 100%(100% = 99 + 1x-) |
| 3. | Maximum capacititeit modulerende CV-pomp | 80 | 80 | 80 | Instelbereik ingestelde waarde parameter c. tot 100% |
| 4 | Ingesteld maximaal WW-verbogen | 99 | 99 | 99 | Instelbereik ingestelde waarde parameter d tot 100% |
| 5 | Min. aanvoertemperatuur van de stooklijn | 25 | 25 | 25 | Instelbereik 10°C tot ingestelde waarde parameter 5. |
| 5. | Max. instelwaarde aanvoertemperatuur viabedieningspaneel | 90 | 90 | 90 | Instelbereik 30°C tot 90°C |
| 6 | Min. buitentemperatuur van de stooklijn | -7 | -7 | -7 | Instelbereik -30°C tot 10°C |
| 7 | Max. buitentemperatuur van de stooklijn | 25 | 25 | 25 | Instelbereik 15°C tot 30°C |
| 8 | CV-pomp nadraaitijd na CV-bedrijf | 1 | 1 | 1 | Instelbereik 0 tot en met 15 minutes |
| 9 | CV-pomp nadraaitijd na boiler-bedrijf | 1 | 1 | 1 | Instelbereik 0 tot en met 15 minutes (n.v.t. voor Kombi toestel) |
| A | Stand driewegklep of elektrische aflsluiter | 0 | 0 | 0 | 0=tijdens CV-bedrijf bekrachtigld1=tijdens WW-bedrijf bekrachtigd en rust2=bekrachtigd bij elke warmtevraag (CV, Warmwater en warmhoudfunctie)3=groepen-regeling4 en hoger = Niet actief |
| B | Booster | 0 | 0 | 0 | Niet actief |
| C | Stappenmodulatie | 1 | 1 | 1 | 0=stappenmodulatie tijdens CV-bedrijf uitt1=stappenmodulatie tijdens CV-bedrijf aan2= stroomcontrole voor Open Thermthermostatingschakeld |
| c | Minimaal toerental CV | 30 | 30 | 30 | Instelbereik 20 tot 50% |
| c. | Minimum capacitieit modulerende CV-pomp | 40 | 40 | 40 | Instelbereik 15 tot ingestelde waarde par. 3. |
| D | Minimaal toerental WW | 25 | 25 | 25 | Instelbereik 20 tot 50% |
| E | Min. aanvoertemperatuur bij OT (OpenTherm) of RF-thermostat | 30 | 30 | 30 | Instelbereik 10°C tot 60°C |
| E. | Reactie OT en RF kamerthermostat | 1 | 1 | 1 | 0=warmtevraag nicht beantwoorden indien gevaagde temperatuur lager is dan ingestelde waarde par. E 1=warmtevraag beantwoorden met minimale aanvoertemperatuur begrensd op ingestelde waarde par. E 2=warmtevraag beantwoorden met maximaal ingestelde aanvoertemperatuur (aan/uit functie) |
| F | Starttoerental CV | 70 | 60 | 50 | Instelbereik 40 tot 99% van het ingestelde maximaal toerental |
| F. | Minimaal starttoerental WW | 70 | 60 | 50 | Instelbereik 40 tot 99% van het ingestelde maximaal toerental |
| h | Max. toerental ventilator | 50 | 50 | 50 | Instelbereik 40 tot 50 (40=4000 t/min, 50=5000 t/min). N.B. Fabrieksinstilling, toerental kan afwijken. |
| J | CLV overdruk | - | - | - | Niet van toepassing |
| L | Legionella preventie | 0 | 0 | 0 | Niet actief (alleen voor toestellen in combinatie met een externe boiler) |
| n | Regeltemperatuur tijdens boiler-bedrijf (Ta) | 80 | 80 | 80 | Instelbereik 60°C tot 90°C |
| n. | Warmhoudtemperatuur bij Comfort/Eco | 0 | 0 | 0 | Instelbereik 0 of 40°C tot 60°C 0 = warmhoudtemperatuur is gelijk aan tapwatertemperatuur |
| O. | Wachtijd CV-vraag beantwoording | 0 | 0 | 0 | Instelbereik 0 – 15 minutes |
| o | Wachtijd CV-bedrijf na WW-bedrijf | 0 | 0 | 0 | Instelbereik 0 tot 15 minutes |
| o. | Aantal Ecodagen | 3 | 3 | 3 | Instelbereik 0,1 tot 10 dagen 0 = Comfort functie controlleraar door Open Therm thermostat 1 – 10 aantal eco DAGen |
| P | Antipendeltijd tijdens CV-bedrijf | 5 | 5 | 5 | Minimale uitschakelijk op ketelwater temperatuur Instelbaar 0 tot 15 minutes |
| P. | Referentiewaarde tapwater | 24 | 30 | 36 | 24 = EKOMBG22ABV1 30 = EKOMBG28ABV1 36 = EKOMBG33ABV1 |
| q | Zomerstand | 0 | 0 | 0 | 0 = Geen zomerstand instelhaar via de Toets 1 = Zomerstand instelhaar via toets (code in display : Su) 2 = Zomerstand instelhaar via Toets (code in display : So) 3 = Zomerstand instelhaar via Toets (code in display : Et) |
| r | Stooklijn verschuivingscoefficienl | 0 | 0 | 0 | Niet actief |
7.3 Instellen maximaal CV-vermogen
Het maximaal CV-vermogen worden in de fabriek ingesteld op 60% . Als er voor de CV-installatie更是 minder vermogen nodig is, kan het maximaal CV-vermogen gewijzigd worden door het toerenal van de ventilator te wijzigen. Zie tabel: Instelling CV-vermogen.
Deze babel geeft de relation weer:tussen het toerenal van de ventilator en het toestelvermogen.
| Gewenst CV-vermogen in kW (ca.) | Instelling op service display (in % maximaal toerental) | ||
| EKOMBG ** ABV1 | |||
| 22 | 28 | 33 | |
| 22,7 | 28,4 | 31,9 | 100 |
| 20,5 | 25,6 | 28,8 | 90 |
| 18,2 | 22,9 | 25,6 | 80 |
| 16,0 | 20,1 | 22,4 | 70 |
| 13,7 | 17,4 | 19,2 | 60 |
| 11,5 | 14,6 | 16,0 | 50 |
| 9,3 | 11,8 | 12,8 | 40 |
| 5,9 | 7,7 | 8,0 | 25 |
Let op:
Het vermogenijdens het branden worden langzaam verhoogd en worden verlaagd zodra de ingestelde aanvoertemperatuur worden bereikt (modulatie op Taanvoer).
| De minimale doorway stroom hoeveelheid (l/h) | Ingesteld vermogen (kW) |
| 155 | 5.4 kW |
| 240 | 8,5 kW |
| 510 | 17,8 kW |
| 750 | 26,2 kW |
7.4 Instellen pompcapaciteit
De EKOMBG*ABV1 CV-ketels zijn voorzien van een modulerende A-klasse pomp welke op basis van het geleverd CV-vermogen moduleert. De minimale en maximale capaciteit van de pomp kan met de parameters 3. en c. worden aangepast. Zie ook § 7.2.
De ingestelde waarde van parameter 3. (max. pompstand) is het percentage van de maximale pomp capacititeit en is gekoppeld aan het ingesteld maximaal CV-vermogen zoals ingesteld met parameter 3
De ingestelde waarde van parameter c. (min. pompstand) is gekoppeld aan het minimaal CV-vermogenzoals ingesteld met parameter c
Indien de CV-belasting moduleert:tussen de minimale en maximale waarde za del pompcapaciteit evenredig mee moduleren.
Drukverlies grafiek toestel CV-zijdig
A. EKOMBG22ABV1
B. EKOMBG28ABV1
C. EKOMBG33ABV1
7.5 Weersafhankelijke regeling
Bij het aansluiten van een buitenvoeler worden de aanvoertemperatuur automatisch geregeld afhankelijk van de buitentemperatuur, volgens de ingestelde stooklijn.
De maximale aanvoertemperatuur (Tmax) worden ingesteld via het temperatuurdisplay. Indien gewenst kan de stooklijn met de servicecode gewijzigd worden (zie § 7.2). De weersafhankelijkige regeling functioneert uitsluitend met een aan-uit kamerthermostaat. Bij het toepassen van een Open Therm kamerthermostaat worden de buitentemperatuur doorgegeven beschreter is de stooklijn van de CV-ketel Niet actief.
Stooklijn grafiek
X. T buiten in ^ C
Y. Taanvoer in ^ C
A. Fabrieksinstelling
(Tmax CV = 80^ Tmin CV = 25^ Tmin bu = -7^ Tmax bu = 25^ )
B. Voorbeeld
(TmaxCV=60°C, TminCV=25°C, Tminbu=-7°C, Tmaxbu=25°C)



7.6 Ombouw maar andere gassoort

VOORZICHTIG
Werkzaamheden aan gasvoerende delen月至uitsluitend door een erkend installeur uitgeoerd worden.
Als op het toestel een andere gassoort wordt aangesloten dan waaroor het toestel door de fabrikant is afgesteld dient de gasdoseerring verrangen te worden. Ombouw sets t.b.v. andere gassoorten zich op bestelling leverbaar.
Ombouwen van de doseerring
- Schakel de keteluit en neem de stekeruit de wandcontactdoos.
- Sluit de gaskraan.
- Verwijder het frontpaneel van het toestel.
- Neem de koppeling (A) boven het gasblok los en draai de gasmengbuis (B) maar achteren.
- Vervang de O-ring (C) en de gasdoseerring (D) door de ringen van de ombouwset.
- In omgekeerde volgorde wee opbouwen.
- Open de gaskraan.
- Controller de gaskoppelingen voor het gasblok op dichtheid.
- Plaats de steker in de wandcontactdoos en schakel de ketel in.
- Controller de gaskoppelingen na het gasblok op dichtheid (tijdens bedrijf).
- Controller nu de afstelling van de gas/luchtverhouding (zie § 7.7).
- Plak een sticker ingestelde gassoort over de bestaande sticker bij het gasblok.
- Plak een sticker ingestelde gassoort bij de typeplaat.
- Monteer het frontpaneel van het toestel.
7.7 Gas/luchtregeling
De CO2 -installing is ingesteld in de fabrik en heeft in prince ge aanpassingen nodig. De instelling kan worden gecontroleerd door het CO2 percentage in de verbrandingsgassen te meten. In geval van een möglichke storing van de aanpassing, moet de verwangting van de gasklep of de omzetting maar een ander gastype worden gecontroleerd en indien nodig ingesteld volgens de onderstaande instructies. Controller alsijd het CO_2 percentage wonneer het deksel open staat.

| Gassoort | Aardgas | Propaan |
| Gascategorie | 2E/H G20 | 3P / G31 |
| CO2% op Laagstand (L) (en-) Met geopende mantel | See par. 7.8 | See par 7.8 |
| CO2% op Hoogstand (H) (en+2x) Met geopende mantel | See par 7.8 | See par 7.8 |
| Gasvoordruk (mbar) | 20 | 30/37/50 |
| Gasdoseerring : (alleen geldig in combinatie met ventilator met geäntegreerde tunnel venturi (zie tekening) | Aardgas | Propaan |
| EKOMBG22ABV1 | 505 | 410 |
| EKOMBG28ABV1 | 600 | 480 |
| EKOMBG33ABV1 | 655 | 525 |

VOORZICHTIG
CO_2 controle dient met geopende mantel plaats te vinden.
Met gesloten mantel kan het CO_2% hoger�n dan de in
bovenstaande tabel vermelde waarden.
7.8 Controle en afstellen gas/luchtregeling
7.8.1 De CO 2 instelling controller
1 Schakel de gasboiler uit met de ① knop. -verschijnt op het servicedisplay.
2 Verwijder het voorpaneel van de gasboiler.
3 Verwijder het monsterpunt (a) en voer een geschikte schoorsteengasanalysesonde in.

BELANGRIJK
Zorg dat de opstartprocedure van het analyseapparaat is voltooid alvorens de sonde in het monsterpunt te steken.

BELANGRIJK
Laat de gasboiler stabel draaien. Er können foute metingen voorkomen indien de meetsonde worden aangesloten vooraleer de gasboiler stabel draait..
4 Schakel de gasboiler in met de Chop en creer een verzoek voor ruimteverwarming.
5 Selecteer deinstalling Hoog door tweeemaal tegelijk de knoppen en + in te drukken. Er verschijnt een hoofdletter "H" op het servicedisplay. De gebruikersinterface geeft symbool Bezig wee. Voer GEEN testuit wannerkleine letter "h" wordt weergegeven. Als dit het geval is druk dan opnieuw en in
6 Laat de uitleeswaarden zich stabiliseren. Wacht minstens 3 Minutes en vergelijk het CO_2 percentage met de waarden in de onderstaande tabel.
| CO2-waarde bij maximumvermögen | Aardgas G20 (20 mbar) | Aardgas G25 (25 mbar) (alleen Belgie) | Propaan G31 (30/37/50 mbar) |
| Maximumwaarde | 9,6 | 8,3 | 10,8 |
| Minimumwaarde | 8,4 | 7,3 | 9,8 |
7 Noteer het CO_2 percentage bij maximumvermogen. Dit is belangrijk met betrekking tot de volgende stappen.

BELANGRIJK
Het is NIET möglichk om het CO2percentage aan te passen wanner het testprogramma worden uitgevoerd. Wanner het CO_2 percentage afwijk van de waarden in de bovenstaande tabel, neem dan contact op met uw lokale serviceafdeling.
8 Selecteer de instelling Laag door eenmaal tegelijk de knappen en - in te drukken. "L" verschijnt op het servicDISPLAY. De gebruikersinterface geeft symbol Bezig weeer.
9 Laat de uitleeswaarden zich stabiliseren. Wacht minstens 3 Minutes en vergelijk het CO_2 percentage met de waarden in de onderstaande tabel.
| CO2-waarde bij minimumvermögen | Aardgas G20 (20 mbar) | Aardgas G25 (25 mbar) (alleen Belgje) | Propaan G31 (30/37/50 mbar) |
| Maximumwaarde | (a) | ||
| Minimumwaarde | 8,4 | 7,4 | 9,4 |
(a) CO 2-waarde bij maximumvermogen geregisteerd bij instelling Hoog.
10 Als het CO2 -percentage bij maximum en minimumvermogen zich binnen het bereik vermeld in de bovenstaande tabellen bevindt, is de CO2 instelling van de ketel correct. Indien NIET, pas de CO_2 -instelling dan aan volgens de instructies in het onderstaande hoofdstuk.
11 Schakel het apparaat UIT door op de knop ① te drukken en zet het monsterpunt terug op zichen plaat. Zorg dat deze gasdicht is.
12 Zet het voorpaneel terug op zijn plaats.

VOORZICHTIG
Werken aan gasgeleidende onderdelenogens ALLEEN worden uitgevoerd door een gekwalificeerd,competentperson.

7.8.2 De CO 2 instelling aanpassen

BELANGRIJK
Pas alleen de CO_2 instelling aan wonneur u het eerst hebte gecontroleerd en zeker bent dat aanpassingoodzakelijk is. Er mag geen aanpassing aan de gasklep worden uitgevoerd zonder Voorafgaande toestemming van uw plaatselijke Daikin verdeler. In Belgie mag de gasklep NIET worden aangepast en/of de zgel verwijderd of verbroken worden. Neem contact op met uw verdeler.
1 Verwijder de dop (A) die de afstelschroef afdekt.
2 Draai de schroef (B) om het CO_2 -percentage te verhogen (rechtsom) of te verlagen (linksom). Zie de onderstaande tabel voor de gewenste waarde.
| Gemeten waarde bij maximum-vermogen | Instelwaarden CO2(%) bij minimumvermogen (voorste deksel geopend) | |
| Aardgas 2H (G20, 20 mbar) | Propaan 3P (G31,30/50/37 mbar) | |
| 10,8 | - | 10,5±0,1 |
| 10,6 | 10,3±0,1 | |
| 10,4 | 10,1±0,1 | |
| 10,2 | 9,9±0,1 | |
| 10 | 9,8±0,1 | |
| 9,8 | 9,6±0,1 | |
| 9,6 | 9,0±0,1 | - |
| 9,4 | 8,9±0,1 | |
| 9,2 | 8,8±0,1 | |
| 9,0 | 8,7±0,1 | |
| 8,8 | 8,6±0,1 | |
| 8,6 | 8,5±0,1 | |

3 Plaats na het meten van het CO2 -percentage en de aanpassing van de instelling het afdeklopje en het monsterpunt terug op hunplaats. Zorg dat ze gasdicht zijn.
4 Selecteer de instelling Hoog door tweeemaal tegelijk de knoppen en + in te drukken. Er verschijnt een hoofdletter op het servicedisplay.
5 Meet het CO2 -percentage. Als het CO2 -percentage nog steeds afwikt van de waarden in de tabel die het CO2 -percentage bij maximumvermogen aangeeft, neem dan contact op met uwplaatselijke verdeler.
6 Druk tegelijk op + en - om het testprogramma te verlaten.
7 Zet het voorpaneel terug op zijnplaats.
8 STORINGEN
8.1 Laatste storing tonen
Breng het toestel met de toets in de uit-stand en druk de toets in.
De rode storings-LED brandt continue, en de staat storingscode worden knipperend op het temperatuursdisplay getoond.
Indien het toestel nog nooit een vergrendelende storing hebigt gedetecteerd, worden geen code getoond.
DeThatd t i e t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t t 0
8.2 Storingscodes
Als de storings-LED knippert detecteert de branderautomaat een fout. Op het temperatuur display wordt een storingscode weergegeven.
Als de storing is verholpen kan de branderautomaat opnieuw gestart worden door op de reset te drukken.
De volgende fouten worden anderscheiden:
| Temperatuur display | Omschrijving | Mogelijk oorzaak/oplossing |
| — | Toestel staat uit | |
| 10, 11, 12, 13, 14 | Sensorfout S1 | Lucht in de installation. Ontlucht ketel en CV-installatie. Controller de bevestiging van de klem ntc om de warmwaterbuis. Controller bedrading op breuk. Vervang S1. |
| 20, 21, 22, 23, 24 | Sensorfout S2 | Controller bedrading op breuk. Vervang S2. |
| 0 | Sensorfout na zich controle | Vervang S1 en/of S2. |
| 1 | Temperatuur te hoog | Lucht in installation. Ontlucht ketel en CV-installatie. Pomp draait nicht. Reset of verrang de pomp, wie § 8.2.10 |
| 2 | Verwisseling S1 en S2 | Controller kabelboom. Vervang S1 of S2. |
| 4 | Geen vlamsignaal | Gaskraanicht. Gasvoordrukt te laag of valt weg. Condensafvoer verstopt. Controller ontsteekunit en ontsteekkabel. Geen of onjuiste ontsteekafstand, controller deze m.b.v. de controlemal. Gasblok of ontsteek unit krijgt geen spanning. Controller aarding. |
| 5 | Slecht vlamsignaal | Condensafvoer verstopt. Gasvoordrukt te laag of valtweg. Controller ontsteekunit en ontsteekkabel. Afstelling gasblok controeren. Controller aarding. Controller luchttoevoer en rookgasafvoer i.v.m. möglichke recirculatie van rookgassen. |
| 6 | Vlam detectie foult | Vervang ontsteekkabel + bougiedop. Vervang ontsteekunit. Vervang branderautomaat. |
| 8 | Ventilatoroteralniet juist | Ventilator loopt aan谈起 mantel isolatie. Bedrading:tussen ventilator en mantel. Controller bedrading of steker op slecht contact draad., meet 25-27V dc. Controller en/of verrang ventilator. Vervang branderautomaat. |
| 27 | Kortsluiting buitenvoeler | Controller de bedrading van de buitenvoeler. Vervang buitenvoeler BRINK WTW koppelstuk aangesloten. Branderautomaat is ongeschikt voor deze toepassing. Vervang branderautomaat voor de juiste versie. |
| 29, 30 | Gasklep relais defect | Vervang branderautomaat. |

Vervang defecte onderden uitsluitend voor de originele Daikin onderden.
Het Niet of onjuist monteren van de sensoren S1 en/of S2 kan leiden tot ernstige schade.
8.3 Overige storingen
Controlemal ontsteekpenpositie Art.nr.074617

8.3.2 Brander resonanceert

8.3.3 Geen verwarming (CV)
Mogelijkkeoorzaken:

| Controller connector X2 en X4.. | ||
| Nee ↓ | ||
| Geen spanning (24 V). | Ja ↑ | Vervang defecte automaat. Controller de bedrading volgens het schema. Controller de connector X4. Vervang de defecte automaat. |
| 8.3.4 Het vermogen is verminderMogelijkere orzaken: | Oplossing: | |
| Op hoog toerental is het vermogen afgenomen. | Ja ↑ | Reinig het toestel en sifon. Controller de rookgasafvoer en het luchttoevoersystem op waarstand. |
| 8.3.5 CV komt nicht op temperatuurMogelijkere orzaken: | Oplossing: | |
| Waterdruk in installment is te laag. | Ja ↑ | Vul de installment bij. Zie § 6.1.1. |
| Nee ↓ | ||
| Kamerthermostatiet alat niel in orde. | Ja ↑ | Controller de instelling en pas deze eventuel aan. |
| Nee ↓ | ||
| Temperatuur is te laag ingesteld. | Ja ↑ | Verhoog de CV-temperatuur Zie Bedrijf CV. Indien een buitenvoeler aanwezig is: Controller de buitenvoeler op kortsluiting: heb deze op. |
| Nee ↓ | ||
| Geen doorstroming in de installment. | Ja ↑ | Controller de ΔT (±20° C)ussen aanvoer en retour CV. Zorg voor goede doorstroming in de installment. |
| Nee ↓ | ||
| Het ketelvermogen is Niet goed ingesteld. | Ja ↑ | Pas het ketelvermogen aan. Zie Instelling maximaal CV-vernogen. |
| Nee ↓ | ||
| Geen warmte overdrecht door verruiling in de CV-ketel/installatie. | Ja ↑ | Spoel de CV-ketel/installatie CV-zijdig. |
| 8.3.6 Geen warmwater (WW)Mogelijkere orzaken: | Oplossing: | |
| Het service display geeft niets aan. | Ja ↑ | Controller of de steker in de wandcontactdoos is gestoken. |
| Nee ↓ | ||
| Het service display geeft niets aan. | Ja ↑ | Controller de zekering, wie Elektrisch schema § 10.1. |
| Nee ↓ | ||
| Stromingsssensor werkt nicht. | Ja ↑ | Vervang de stromingsssensor. |
| Nee ↓ | ||
| Tapflow < 1,5 l/min. | Ja ↑ | Vergroot de tapflow. |
| Nee ↓ | ||
| Geen spanning op de stromingsssensor (5V dc). | Ja ↑ | Controller de bedrading volgens het schema. |
| Nee ↓ | ||
| S3 defect. | Ja ↑ | Vervang S3. |
| Nee ↓ | ||
| De thermostatische douche- of badkraan is defect. | Ja ↑ | De thermostatische kraan staat alsleen koud water door. Hierdoor blijft de tapflow door de ketel onder de 1,5 l/min. Controller de thermostatische kraan. |
| 8.3.7 Warmwater kommt nicht op temperatuurMogelijkere orzaken: | Oplossing: | |
| Tapflow te hoog. | Ja ↑ | Reduceer de tapflow. Controller doseerschijf (EKOMBG22ABV1 en EKOMBG28ABV1). |
| Nee ↓ | ||
| Instilling warmwater temperatuur te laag. | Ja ↑ | Verhoog de warmwater temperatuur, wie § 7.1. |
| CV-installatie worden tijdens:tappen warm. | Ja ↑ | Ongewenste circulatie:tijdens warmwater vraag in het CV-circuit door thermosifonwerking of tweede pomp in het CV-circuit. Plaats een keerklep ingeval van thermosifon werkung of een tweewegklep ingeval van een tweede pomp. |
Nee
Onvoldoende warmte overdracht door kalk of verruiling in de CV-ketel tapwaterzijdig.
Ja
Ontkalk of spoel de CV-ketel tapwaterzijdig.
8.3.8 CV-installatie blijft ongewenst warm
Mogelijkkeoorzaken:
Kamerthermostaat/weersafhankelijke regeling defect of kort gesloten.
Ja
Oplossing:
Controller de bedrading.
Controller OpenTherm, Aan/uit aansluiting van het toestel of de verbindingussen CV-ketel en RF-kamerthermostatat Vervang de thermostat.
Vervang de weersafhankelijke regeling.
Nee CV-installatie wordt opgewärmd door middel van Tapcomfort. Het servicedisplay geeft regelmatig code 7 weer.
Ja
Ongewenste circulatie in het CV-circuit door thermosifonwerking of tweede pomp in het CV-circuit. Plaats een keerklep ingeval van thermosifon werkinq of een tweewegklep ingeval van een tweede pomp.
8.3.9 A-label pomp LED knippert afwisseled rood/groen
Mogelijkkeoorzaken:
Te hoge of te lage netspanning.
Nee
Temperatuur pomp is te hoog.
Oplossing:
Controller de netspanning.
Ja
Controleer de water- en omgevingstemperatuur.
8.3.10 A-label pomp LED knippert rood
Mogelijkkeoorzaken:
Pomp gestopt.
Ja
Oplossing:
Reset de pomp door het toestel minimaal 20 seconden met de aan/uit knop te zetten (let op: indien pomp op continue is ingesteld kan de pomp alleen worden geseset door de steker uit het stopcontact te nemen).
Vervang depomp.
9 ONDERHOUD
Het toestel en de installmentie dienen elk一年多 door een erkend installateur gecontroleerd en zo nodig gereinigd te worden.

VOORZICHTIG
Werkzaamheden aan gasvoerende delen月至suiitend door een erkend installmentuuitgevoerd worden.
Controleer na werkzaamheden alle rookgasvoerende delen op dichtheid.
Wanner het toestel zouiist in bedrijf is geweest+kennen sommige onderdelen heet+zijn.
9.1.1 Demonteren
- Schakel het toestel UIT met de toets.
- Neem de steker uit de wandcontactdoors.
- Sluit de gaskraan.
- Open de displayklep en draai de twee schroeven links en rechts naast de display los en demonteer het frontpaneel.
- Wacht tot het toestel is afgekoeld.
- Draai de wartelmoer onderaan de rookgaskoker linksom los.
- Schuif de rookgaskoker met een linksomdraiende beweging maar boven (1) tot de onderkant van de pijp boven de aansluiting van de condensafvoerbak is gekomen. Trek de onderkant van de pijp�<|im_start|> 2 en neem de pijp linksom draaiend maar onder toe weg (3).
- Til de condensafvoerbak aan de linkerkantuit de aansluiting van de sifon (4) en draai hem waar rechts met de sifon aansluiting over de rand van de onderbak (5). Duw de condensafvoerbak aan de achterkantaar beneden van de aansluiting op de warmtewisselaar (6) en neem hem uit het toestel.
- Neem de connector van de ventilator en de ontsteekunit van het gasblok.
- Neem de koppeling onder het gasblok los.
- Schroef de borbstbouten (inbus) van het voordeksel los en neem dit compleet met gasblok en ventilator waar voren toe weg (let op dat de brander, isolatieplaat, gasblok, gasleiding en de ventilator Niet beschaden). Leg het afgenomen voordeksel met de voetsteunen horizontaal op een vlakke ondergrond.
- De brander en de geintegreerde isolatieplaat behoeven geen onderhoud (niet te worden gereinigd). Gebruik derhalve nooit een borstel of perslucht om deze onderdelen te reinigen, zDat het ontwikkelen van stof worden vermeden.


9.1.2 Reinigen
- Reinig de warmtewisselaar van bovenaar beneden met een borstel of stofzuiger.
- Reinig de onderzijde van de warmtewisselaar.
- Reinig de condensafvoerbak met water.
- Reinig de sifon met water.
- Reinig de binnen- en onderkant van de voorplaat met een zachtte borstel.

VOORZICHTIG
De geintegreerde isolatieplaat en branderpakking bevatten ceramicische verzels.

9.1.3 Monteren

Bij onderhoudClient de afdichtring voorplaat te worden verrangen.
Controleer bij het monteren de overige afdichtingen op
beschadigingen,verharding,(haar)scheuren en/of verkleuringen.
Plaats waar nodig een neue afdichting.Controleer tevens de juiste positionering.
- ControllerDat tussen de flens van de borstbout en de Voorplaat een dunne laag keramisch vet aanwezig is. Als geen of onvoldoende vet aanwezig is moet dit alsnog worden aangebracht (zie afbeelding).
- Let op: Vervang de affdichtring rondon de Voorplaat. Reinig de affdichtringkamer met een zachte borstel en zorg dat de neue o-ring rondon goed worden aangedrukt. Voorkom rekken of scheuren. Plaats het voordeksel op de warmtewisselaar en bevestig dit met de speciale borstbouten (inbus). Zorg dat de o-ring bij hetplaaten van de voorplaat goed op zich plek blijf zitten. Draai de borstbouten gelijkmatig kruislings handvast aan (10 - 12Nm) .Zie voor de volgorde van het aandraaien de afbeelding.
- Draai de branderboutjes gelijkmatig kruislings handvast aan.
- Monteer de gaskoppeling onder het gasblok.
- Monteer de connector op de ventilator en de ontsteekunit op het gasblok.
- Monteer de condensafvoerbak door deze met de sifon aansluiting nog voor de onderbak, op de afvoerstomp van de wisselaar te schuiven (1). Draai de condensafvoerbak daarna maar links (2) en druk deze waar beneden in de sifon aansluiting (3). Let er op dat waar bij dechterzijde van de condensafvoerbak op de nok achterin de onderbak (A) komt te rusten.
- Vul de sifon met water en monteer deze op de aansluiting onder de condensafvoerbak.
- Schuif de rookgaskoker waar links draaiend met de bovenkant om de rookgasadapter in het bovendeksel. Steek de onderkant in de condensafvoerbak, sleep de afdichtringaar beneden en draai de wartelmoer recht som vast.
- Open de gaskraan en controllerer de gaskoppelingen onder het gasblok en op de montagebeugel op lekkege.
- Controller de CV- en de waterleidingen op lekkage.
- Stop de steker in de wandcontactdoos.
- Stel het toestel in bedrijf met de hets.
- Controller het Voordeksel, de verbinding van de ventilator op het voordeksel en de rookgasafvoer onderdelen op lekke.
- Controller de gas-luchtregeling (zie § 7.7 en § 0) en controller de gaskoppeling op het gasblok op dichtheid.
- Monteer de mantel en draai de twee schroeven links en rechts naast de display vast, sluit de displayklep.
- Controller de verwarming en de warmwatervoorzieening op een goede werking.



| Toestel naam | EKOMBG22ABV1 | EKOMBG28ABV1 | EKOMBG33ABV1 |
| Verwarmingsketel met rookgascondensor | Ja | Ja | Ja |
| Lage temperatuur-verwarmingsketel | Nee | Nee | Nee |
| Verwarmingsketel type B1 | Nee | Nee | Nee |
| Combinatieverwarmingstoestel: | Ja | Ja | Ja |
| Tapwater | ||||
| Nom. belasting bovenwaarde, Qn (Hs) | kW | 6,1 – 25,9 | 7,9 – 32,3 | 8,4 – 36,3 |
| Nom. belasting onderwaarde, Qn (Hi) | kW | 5,5 – 23,3 | 7,2 – 29,1 | 7,5 – 32,7 |
| Tapdrempel | l/min | 2 | ||
| Tapwaterhoeveelheid 60°C | l/min | 6 | 7,5 | 9 |
| Tapwaterhoeveelheid 40°C (gemengd) | l/min | 10 | 12,5 | 15 |
| Tapwatertemperatuur | °C | 60 | ||
| Tapwaterzijdig drukverschil | kPa | Zie § 5,2 | ||
| CV | ||||
| Nom. belasting bovenwaarde, Qn (Hs) | kW | 6,1 – 25,9 | 7,9 – 32,3 | 8,4 – 36,3 |
| Nom. belasting onderwaarde, Qn (Hi) | kW | 5,5 – 23,3 | 7,1 – 29,1 | 7,6 – 32,7 |
| Nom. Vermoge, Pn | kW | 6,0 - 22,6 | 7,6 - 28,2 | 8,3 - 32,0 |
| Max. CV-waterdruk, PMS | bar | 3 | ||
| Max. CV-watertemperatuur | °C | 90 | ||
| Overige gevevens | ||||
| Gasverbruik G25 (1) | m3/h | 0.62 – 2.82 | 0.84 – 3.46 | 0.89 – 3.92 |
| Gasverbruik G20 (1) | m3/h | 0.58 – 2.42 | 0.74 – 3.02 | 0.79 – 3.39 |
| Gasverbruik G31 (1) | m3/h | 0.21 – 0.94 | 0.29 – 1.19 | 0.30 – 1.29 |
| Drukkeries toestel (CV) | mH2O | Zie § 7.4 | ||
| Max. rookgastemperatuur warm tapwater | °C | 70 | 70 | 70 |
| Massadebiet rookgas (max) | g/s | 10,8 | 13,5 | 15,1 |
| Beschikbare ventilatordruk | Pa | 75 | 75 | 75 |
| NOx-klasse | 6 | 6 | 6 | |
| NOx | mg/kWh | 28 | 27 | 36 |
| P1, bij 30% nominale toevoer (30/37) | kW | 7,5 | 9,4 | 10,7 |
| P4, nominale uitlaat (80/60) | kW | 22,6 | 28,2 | 32,0 |
| η1, Efficientie bij P1 | % | 96,4 | 96,8 | 98,2 |
| η4, Efficientie bij P4 | % | 87,1 | 87,2 | 88,0 |
| Warmteverlies in stand-by, Pstby | 0,037 | 0,037 | 0,038 | |
| Dagelijks brandstofverbruik voor warm tapwater, Qfuel | kWh | 14,463 | 22,884 | 22,573 |
| Dagelijks elektriciteitsverbruik voor warm tapwater, Qelec | kWh | 0,064 | 0,076 | 0,071 |
| Elektrische gegevens | |||
| Netspanning | V | 230 | |
| Veiligeidsklasse | IP | IPX4D (B23, B33 = IP20) | |
| Ogenomen vermogen: vollast | W | 80 | |
| Ogenomen vermogen: standby | W | 2 | |
| Aanvullend elektricietsverbruik bij volledige lading (elmax) | kW | ||
| Aanvullend elektricietsverbruik bij deellast (elmin) | kW | ||
| Aanvullend elektricietsverbruik in stand-by stand (Psb) | kW | ||
| Inbouwmaten en gewicht | ||||
| Hoopte | mm | 590 | 650 | 710 |
| Breedte | mm | 450 | ||
| Diepte | mm | 240 | ||
| Gewicht | kg | 30 | 33 | 36 |
Gassoort (1) (EN 15502)
B23; B33; C13x; C33x; C43x; C53x; C63x; C83x: C93x
| Land van bestemming | Toestelcategorie (EN437) | Gassoort (1) en aansluitdruk (EN 437) |
| IT | II2H3P | G20, 20 mbar, G31: 37 mbar |
| FR | II2Esi3P | G20, 20 mbar, G25: 25 mbar, G31: 37 mbar |
| BE | I2E(S) | G20, 20 mbar, G25: 25 mbar |
| PL | II2E3P | G20, 20 mbar, G31: 37 mbar |
| DE | II2ELL3P | G20, 20 mbar, G25: 20 mbar, G31: 50 mbar |
| GR | II2H3P | G20, 20 mbar, G31: 37 mbar |
| PT | II2H3P | G20, 20 mbar, G31: 37 mbar |
(1) G20-Aardgas E/H
G25 - Aardgas LL/L
G31-Vloeibaar gas Propan
| Leverancier | Daikin Europe NV Zandvoordestraat 300 8400 Oostende Belgium | ||||
| Typeaanduiding | EKOMBG22ABV1 | EKOMBG28ABV1 | EKOMBG33ABV1 | ||
| Seizuengebonden energia efficiëntie- klasse voor ruimteverwarming | - | - | A | A | A |
| Nominate warmteafgîte (vermogen) | Prated | kW | 23 | 28 | 32 |
| Seizuenggebonden energia efficiëntie klasse voor ruimteverwarming | ηs | % | 91 | 93 | 94 |
| Geluidsniveau | LwA | dB | 50 | 50 | 50 |
| Capaciteitsprofil tapwater | - | - | L | XL | XL |
| Energie efficiëntie klasse voor watervewarming | - | - | A | A | A |
| Jaarliks elektriciteitsverbruik | AEC | kWh | 14 | 17 | 16 |
| Jaarliks brandstofverbruik | AFC | GJ | 11 | 18 | 18 |
| Tapwater rendement | ηwh | % | 80 | 83 | 84 |
| Efficiëntieklasseregelaar | II | II | II | ||
| Bijdrage tot de Jaarlijkse efficiëntie | % | 2,0 | 2,0 | 2,0 | |
| BELANGRIJK | |||||
| • Lees voor het installereren het installatione voorschift en bedieningsvoorschriften. • Dit apparaat is Niet bedoeld voor gebruik door Personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuigelijkde of geestelijkke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij toezicht door, of instructie over het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoerdelijk is voor hun verligheid is gegeven. • Het toestel en installmentatie dienen elk়aar door een erkend installerateur gecontroleerd en zo nodig gereinigd worden. • Het toestel kan met een vochtige doeK gereinigd worden. Gebruik geen agressieve of schurenchoonmaak- of oplosmiddelen. | |||||
A Aardaansluiting warmtewisselaar
B Bougiekap
C Branderautomaat
E Aardlippen branderautomaat
F Zekering (3,15 AT)
G Gasklep + ontsteekunit
Ontsteek-/ionisatiepen
M Netspanning
P1 CV-pomp
S1 Aanvoersensor
S2 Retoursensor
S3 WW-sensor
S5 Stromingssensor
S7 CV-waterduksensor
V Ventilator

| Aansluiten: | |||
| Connector X4 24V= | 5 - ‰ | CV-pomp. (5= PWM signal (rood), E=aarde) | |
| 6 - 7 | Aan/uit kamerthermostat en/of vorstthermostat (24Vdc of ± 125mA) | ||
| 8 - 9 | Buitenvoeler (12k ohm / 25°C) | ||
| 9 - 10 | Tanksensor of tank hermostat (indien doorverbinding 9 - 10 aanwezig dan deze verwijderen) | ||
| 11 - 12 | OpenTherm thermostat | ||
| Connector X2 230V~ | 2 - 4 | Netsnoer (2=L (bruin), 4=N (blauw), E=aarde) | |
| 7 - 8 | CV-pomp (8=L (bruin), 7=N (blauw), E=aarde) | ||
| 3 - 5 - 6 | Afsluiter vloerverwarming of groepenregeling. (3=L (bruin), 5=schakel (zwart), 6=N (blauw)) (EK3WV1AA) | ||
| 3 - 5 - 6 | Driewegklep (3=L (bruin), 5=schakel (zwart), 6=N (blauw)) (EK3WV1AA) | ||
| Connector X5 | Computer interface | ||
Op dit product zijn de algemene garantievoorwaarden van Daikin Europe NV van toepassing.
De garantie verwalt indien worden vastgesteld, dat de gebreken, beschadigingen of overmatige slijtage te wijten aan of oneigenlijk gebruik of onoordeelkundige behandeling of aan ondeskundige reparatie, installing, installmente of onderhoud, door nicht erkende installateurs of aan het onderhevig zich aan stoffen met agressieve chemicalien (o.a.haarlak) en andere schadelijke stoffen.
De garantie verwalt tevens wonneer leidingen en koppelingen in de installmentaar zinr toegepast, die zuurstofdiffusie kunnen voroorzaken of het defect het gevolg is van ketelsteenafzetting (schadelijk voor het toestel en installmente). Oppervlaktebeschadigingen alsmede transportschade vallen buiten de garantie. Hetrecht op garantie verwalt indien Niet kan worden aangetoond, dat de CV-ketel na ingebruikname Niet tenminste 1 maal peraar door een erkend installerateur aan een onderhoudsbeurt is onderworpen. De installmente- en gebruksvoorschriften die wij voor de betreffende toestellen afgeven, dienen geheel in acht te worden genomen.
Milieu

Als het toestel aan verranging toe is kan dit meestal, na overleg, door uw dealer teruggenomen worden. Mocht dit nicht möglichelijk zijn, informeer dan bij uw gemeenteaar de mogelijkheden voor hergebruik of milieuvriendelijk verwerking van de gebruike materialen.
Voor de productie van het toestel is gebruik gemaakt van diverse kunststoffen en metalen. Bovendien bevat het toestel elektronische componenten die tot het elektronisch afval behoren.
Gebruik volgens bestemming
Het toestel, zoals beschreiben in deze documentatie, is bestemd voor het verwarmen van ruimten via een centrale verwarmingsinstallatie en/of voor het leveren van warmwater. leder ander gebruik valt buiten de bestemming van het toestel. Op schade voortkomend uit onjuist gebruik, kan geen aansprakelijkheid genomen worden.
SOMMARIO
6.1 PAnpwoon kai eApwoon movadac kai Eykaotaan
6.1.1 Σuσημa CH
- Eioayete to bua maovadac mea oia utoooyn H ovada mtopei va ektealeaeia autoeAeyxo: (otnv obov noepici) H ovada 0a metapei ot n ouvexia o puoian aneepytoinang: - (otnv obov noepici) kai n pieon CH eapavietai otnv obov thepokpia

Eav n tiocn CH evai kipotepn ao 0,5 bar, n tiocn CH
Ta avaoaBnei Tavw otyn oboyn.
Tn puoi an atvepyoioan, Ta eapavietai n tiocn CH.
- Suovdeote to oawnyi npwns otyn taipnpwns/atoopayionc kai yeipte nty ekyataotaon me kaqapno noo vepo, eiean metagu 1 kal 2 bar, eav ny eykataotaon evai Kpua (muopeite va to diatniotwote atio tv othov thepuokpiaac
- Aepiote to ouotmae xepokivto aepiotnpa (A). Karotiv napayyiaas, mtoei va evawpatwei autopatc aepiotnpac ravw atn povada avt tou xepokivntou aepiotnpa.
- AepioTe Tny Evkaratoaon me Xeipokivntouc aepiotnpes Tavu oTa kalopipep.
- Tejiote Tny Evkataaon CH eav n Tiocn Exe Ieoi Ka ta ToA Lyw aepiou.
- EAEYTE OAc TIC ouVdoEci yia diappoeC.
- EaeyE av to ofovi exi yeiioe ie vepo.


NPOEIADONOIH
Eav to oipov dev exei ymuie evepo, ta kauaepia mtopei va aTAEUeepuvotai eo aTo xipo.

IPOEIAOIOIH2H
Eav exi TPOOteei PpOeBTo 0 To Vepo CH, PtpeTeauo va eivai kataaAio yia uikai Tou xpoaiotoiouvtai otn ova, otwC xalkoc, oepixakos, avoieibwtox kaluac, xaluaic, paoikokai aotixo. To pooBTo PtpeTei daviKa va peei tiototoin KWA/ATA/A.
6.1.2 IapoxDHW
- AvoiTe Tnv KevTpiKn Bava yia va etavaapepeTe To DHW uTo NiEoN.
- Aepiote tov evaalaktn kai to ouotnma oawnywewv aoviyovtac n bav DHW.
Aphote Tn Bava avoixtn ewos otou o aepac eEeAe1 aoTuOaTnma.
- ELeyTe OEs TIS ouVoeaeis yia diappoec.
6.1.3 Tpoqobooia aepiou
- AepioTe to oawna aepiou e Tnv ottn metponns apxikns Tiieons (D) Tavw 0to pIak epiou.
- ELeyE OEs TIS ouVoeiS Yia diappoEc.
- ELeyTe Tn apxik nieon kai nviieon amokkiong (Eeite nap. 7.7).

6.2 Apxikn Ekkivno n ovoaac

Evδειξη
1 EvpyoToinan/ameevpyoToinan
2 Aetoupyia CH nppuoBuaon neyioanG eepkoiaac CH
3 Aetoupyla bava n puBmuon 8epuokpaia f bava
4 Antapaittnnepuokpaa CH n vpo bava c 0C / niocn vepou CH e bar / katoaon duaiitoupyia
5 Aetoupyia dveoans bavac eco
6 Aetoupyia aveoans bavac evepyomoln
7 Kωδικός οειτουργίας
8 AvaoBriVe o Tepiwno duoioupyia
Aetoupyia
A Koupi evpyoToinang/antevpyoToinng
B Koumti bava/CH ia va puthetaiae Te mteuunn eepokpaoia
Koumu
D Koumi+
E Aetoupyia davaoc bavac aeepeytooin / eco / koupti evpyoioin
F Koumti oepic /mpayatikn eepokpaoia kata n diapkeia aitmuos eepaavangs
G Koumuεπαφρας
Meta aio TIV ookpwn Tw npakatw epeyewv, EITPTETaI np axikk kivnTns movadac.
- Pntto To koupi ① yia apxikn Aetoupyia nC npovadac
O evaalakntns eepohtnac 0eepaovtei kai taw otnv oboyn oepics aepaviote i [Avaoya me nV katotaon tou eotepikou diakottin ecn /kai n pueion OpenTherm). - Pubiote n pueian avtiaic baei ts meyioins puoiiaevns ioxuc kai ts nlaepikn savtoaans vepu tnc ykataotaans. ta mve pa h evpo nts avtiaac kai mnu atwaleia nieans ts movadac: (deite nap. 7.4).
- Puθμiσe To θερμοσταπ xωρou σε υψηλότερn pθμισι από αυτή της θερμοκρασίας xωρou. H λειουργia θα μεταβει σε λειουργia CH: 5σην θεόνη σερβις
- EvpyotoiOnTE TnV EykataOtaaN.
- EAEyE av npuogmuevn meiyotn 1oxus CH avtoioxei otnv ataiouevntip. Eoov xpeiaotei ptoeiv apuoiotei n meiyotn 1oxus CH (BAETTAP.7.2 TAPaepToC kai 3 kaI trap.7.3)
- EAEyE av npBpuoiEvn EaxiOnn kai pviOnn TmTuv xapakniotikuv avlaic exouv biopwgei owta (BaETe TAP. 7.2 KAI TAPApEtpo 3Kai c Kai TAP.7.4)
- ATEVEpyoTOnIe Tn movad
- EKKEVWOTOTOV aepa ato tn povada kai tny eYkataaon apou Kpuwoei (yejiote epooov xpeiaotei).
- Evpyoioane n movada
- EAEYETnTnTAPoxnEepaovnsKai ZeatoVepoU Ws TPOSc Tnv opH Aetoupyia Touc.
- KATEUOVE T O XOOTN OTO Epa TnS Pwons, nS EApwons kai nS LEIOUPyiaC nTnIaPoxns Eepavons kai Zeotou vepou.
xóla
H ovada eonlizai taev avn aeKtpovik oevykt n eBeta, o toiooc evpytoie tv Eeyktnou aeBnta kai eeyxetnpuoiotiknavlaia, oe kae aitmaeepuvanc ato tn 0epuavon n aoTnv npoxn cetou vepou.
H avlia kukloopopiac 0a aeitoupyei oe kaote aittna eepavans ia th eepavan. H avlia ouvexici va aeitoupyei via tepiou 1 aeTIO. O xpoVos ouvexian5 aeitoupyiac mtopei va aalaei oe kaote aittna (BAE TAP.7.2).
H avTia 8a aeoupyei autojuata 1 opa ava 24 wpes, yia 10 deTpOeTTa, ouwS wote va atopoeuxTei to pILOkapiua nts. H ouykepiEvn autOpatn evpyotoinan ts avtias npayatoioietra 24 wes meta to teLeutao aitna thepavons. Ia va aalaeTe to xpov npetie va eeyotoiae TEiymuia to eepoantxwpou otivTheta xpvikn OTiyuun.