DJM-900NXS - DJ-mixer PIONEER - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis DJM-900NXS PIONEER in PDF-formaat.

📄 184 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice PIONEER DJM-900NXS - page 107
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Español ES Italiano IT Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : PIONEER

Model : DJM-900NXS

Categorie : DJ-mixer

Download de handleiding voor uw DJ-mixer in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding DJM-900NXS - PIONEER en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. DJM-900NXS van het merk PIONEER.

GEBRUIKSAANWIJZING DJM-900NXS PIONEER

Hartelijk dank voor uw aankoop van dit Pioneer product. Lees deze gebruiksaanwijzing aandachtig door om bekend te raken met de juiste bediening van uw apparaat. Na het doorlezen van de gebruiksaanwijzing dient u deze te bewaren op een veilige plaats, voor latere naslag. In bepaalde landen of gebieden kan de vorm van de netsnoerstekker en het stopcontact verschillen van de afbeeldingen bij de onderstaande uitleg. De aansluitmethode blijft overigens gelijk, evenals de bediening van het apparaat. BELANGRIJK CAUTION

RISK OF ELECTRIC SHOCK

De lichtflash met pijlpuntsymbool in een gelijkzijdige driehoek is bedoeld om de aandacht van de gebruikers te trekken op een niet geïsoleerde “gevaarlijke spanning” in het toestel, welke voldoende kan zijn om bij aanraking een elektrische shock te veroorzaken. WAARSCHUWING:

OM HET GEVAAR VOOR EEN ELEKTRISCHE

SHOCK TE VOORKOMEN, DEKSEL (OF

RUG) NIET VERWIJDEREN. AAN DE

BEDIENEN. Het uitroepteken in een gelijkzijdige driehoek is bedoeld om de aandacht van de gebruiker te trekken op de aanwezigheid van belangrijke bedienings- en onderhoudsinstructies in de handleiding bij dit toestel. D3-4-2-1-1_A1_Nl WAARSCHUWING Dit apparaat is niet waterdicht. Om brand of een elektrische schok te voorkomen, mag u geen voorwerp dat vloeistof bevat in de buurt van het apparaat zetten (bijvoorbeeld een bloemenvaas) of het apparaat op andere wijze blootstellen aan waterdruppels, opspattend water, regen of vocht. D3-4-2-1-3_A1_Nl WAARSCHUWING Lees zorgvuldig de volgende informatie voordat u de stekker de eerste maal in het stopcontact steekt. De bedrijfsspanning van het apparaat verschilt afhankelijk van het land waar het apparaat wordt verkocht. Zorg dat de netspanning in het land waar het apparaat wordt gebruikt overeenkomt met de bedrijfsspanning (bijv. 230 V of 120 V) aangegeven op het zijpaneel van het apparaat. D3-4-2-1-4*_A1_Nl WAARSCHUWING Om brand te voorkomen, mag u geen open vuur (zoals een brandende kaars) op de apparatuur zetten. D3-4-2-1-7a_A1_Nl

BELANGRIJKE INFORMATIE BETREFFENDE

DE VENTILATIE Let er bij het installeren van het apparaat op dat er voldoende vrije ruimte rondom het apparaat is om een goede doorstroming van lucht te waarborgen (tenminste 5 cm achter en 3 cm aan de zijkanten van het apparaat). WAARSCHUWING De gleuven en openingen in de behuizing van het apparaat zijn aangebracht voor de ventilatie, zodat een betrouwbare werking van het apparaat wordt verkregen en oververhitting wordt voorkomen. Om brand te voorkomen, moet u ervoor zorgen dat deze openingen nooit geblokkeerd worden of dat ze afgedekt worden door voorwerpen (kranten, tafelkleed, gordijn e.d.) of door gebruik van het apparaat op een dik tapijt of een bed. D3-4-2-1-7b*_A1_Nl Gebruiksomgeving Temperatuur en vochtigheidsgraad op de plaats van gebruik: +5 °C tot +35 °C, minder dan 85 % RH (ventilatieopeningen niet afgedekt) Zet het apparaat niet op een slecht geventileerde plaats en stel het apparaat ook niet bloot aan hoge vochtigheid of direct zonlicht (of sterke kunstmatige verlichting). Als de netstekker van dit apparaat niet geschikt is voor het stopcontact dat u wilt gebruiken, moet u de stekker verwijderen en een geschikte stekker aanbrengen. Laat het vervangen en aanbrengen van een nieuwe netstekker over aan vakkundig onderhoudspersoneel. Als de verwijderde stekker per ongeluk in een stopcontact zou worden gestoken, kan dit resulteren in een ernstige elektrische schok. Zorg er daarom voor dat de oude stekker na het verwijderen op de juiste wijze wordt weggegooid. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact wanneer u het apparaat geruime tijd niet denkt te gebruiken (bijv. wanneer u op vakantie gaat). D3-4-2-2-1a_A1_Nl LET OP De POWER schakelaar van dit apparaat koppelt het apparaat niet volledig los van het lichtnet. Aangezien er na het uitschakelen van het apparaat nog een kleine hoeveelheid stroom blijft lopen, moet u de stekker uit het stopcontact halen om het apparaat volledig van het lichtnet los te koppelen. Plaats het apparaat zodanig dat de stekker in een noodgeval gemakkelijk uit het stopcontact kan worden gehaald. Om brand te voorkomen, moet u de stekker uit het stopcontact halen wanneer u het apparaat langere tijd niet denkt te gebruiken (bijv. wanneer u op vakantie gaat). D3-4-2-2-2a*_A1_Nl WAARSCHUWING NETSNOER Pak het netsnoer beet bij de stekker. Trek de stekker er niet uit door aan het snoer te trekken en trek nooit aan het netsnoer met natte handen aangezien dit kortsluiting of een elektrische schok tot gevolg kan hebben. Plaats geen toestel, meubelstuk o.i.d. op het netsnoer, en klem het niet vast. Maak er nooit een knoop in en en verbind het evenmin met andere snoeren. De netsnoeren dienen zo te worden geleid dat er niet per ongeluk iemand op gaat staan. Een beschadigd netsnoer kan brand of een elektrische schok veroorzaken. Kontroleer het netsnoer af en toe. Wanneer u de indruk krijgt dat het beschadigd is, dient u bij uw dichtstbijzijnde erkende PIONEER onderhoudscentrum of uw dealer een nieuw snoer te kopen. S002*_A1_Nl D3-4-2-1-7c*_A1_Nl

Deponeer dit product niet bij het gewone huishoudelijk afval wanneer u het wilt verwijderen. Er bestaat een speciaal wettelijk voorgeschreven verzamelsysteem voor de juiste behandeling, het opnieuw bruikbaar maken en de recycling van gebruikte elektronische producten. In de lidstaten van de EU, Zwitserland en Noorwegen kunnen particulieren hun gebruikte elektronische producten gratis bij de daarvoor bestemde verzamelplaatsen of een verkooppunt (indien u aldaar een gelijkwaardig nieuw product koopt) inleveren. Indien u zich in een ander dan bovengenoemd land bevindt kunt u contact opnemen met de plaatselijke overheid voor informatie over de juiste verwijdering van het product. Zodoende zorgt u ervoor dat het verwijderde product op de juiste wijze wordt behandeld, opnieuw bruikbaar wordt gemaakt, t gerecycleerd en het niet schadelijk is voor de gezondheid en het milieu. K058b_A1_Nl

Alvorens te beginnen Kenmerken Inhoud van de doos Dit is een standaard DJ-mengpaneel voor professionele DJ’s en representeert de verfijnde techniek van Pioneer’s DJM-serie, de wereldstandaard in muziek op clubniveau. Niet alleen is dit toestel uitgerust met een grote verscheidenheid aan functies voor DJ-performances, inclusief PRO DJ LINK, SOUND COLOR FX en BEAT EFFECT, maar het maakt ook gebruik van een ontwerp met een hoge geluidskwaliteit en een zeer gemakkelijk te bedienen paneel ter ondersteuning van de performances van alle professionele DJ’s in de club-scene.

CD-ROM USB-kabel Stroomsnoer Garantiekaart Handleiding (dit document) GELUIDSKAART Dit toestel is uitgerust met een “geluidskaart/USB-audio interface”. ! Maximaal 4 stel audiosignalen van een enkele computer kunnen worden toegewezen aan de afzonderlijke kanalen en kunnen worden samengemengd. ! DVS (Digital Vinyl System) software tijdcodesignalen van een DJ-speler of analoge speler kunnen worden doorgegeven aan de DVS-software van de gebruiker. Dit maakt DJ-weergave mogelijk met DVS-software zonder allerlei ingewikkelde verbindingen. ! Maximaal 4 stel audiosignalen van de verschillende kanalen (kanalen 1 t/m 4, REC OUT, crossfader kanten A en B en microfoon) kunnen naar de computer worden gestuurd. Dit is erg handig wanneer u het gemengde geluidssignaal wilt opnemen. UITSTEKENDE GELUIDSKWALITEIT Nederlands We hebben ons ingespannen de geluidskwaliteit van de digitale/analoge in-/uitgangen te verbeteren. Geluidsverwerking met 96 kHz sampling, een 24-bit topklasse A/ D-omzetter en een 32-bit D/A-omzetter met superieure geluidskwaliteit geeft een krachtiger, nog fraaier totaalgeluid. 96 kHz 24-bit USB-audio wordt ondersteund.

Dit toestel is voorzien van 6 soorten effecten. Effecten kunnen worden verkregen door simpelweg de [COLOR] bedieningsorganen voor elk van de kanalen te verdraaien, waardoor DJ’s de eigenschappen van de geluidssignalen voor de verschillende kanalen kunnen bijregelen en zo kunnen improviseren tijdens hun performances. BEAT EFFECT De populaire BEAT EFFECT-functie van de DJM-serie is ook hierin toegepast en nog verder ontwikkeld. Dit toestel is nu uitgerust met een [X-PAD] voor verschillende effecten die te bedienen zijn door het vlak aan te raken, waardoor u intuïtieve live-uitvoeringen kunt geven met grote vrijheid. KANAAL-FADER Een nieuw ontwikkelde en zeer betrouwbare fader wordt gebruikt voor de kanaalfader. Vergeleken met kanaal-faders op voorgaande modellen in de DJM-serie, biedt deze nieuwe fader een verbeterd uithoudingsvermogen wat betreft de invloed van stof, vloeistoffen enz. die op de fader terecht kunnen komen. Ook onder zware omstandigheden blijft het toestel goed te bedienen.

De PRO DJ LINK-functies kunnen worden gebruikt wanneer een PRO DJ LINKcompatibele Pioneer DJ-speler (een CDJ-2000, CDJ-900, enz.), een computer met het rekordbox-programma en dit toestel onderling worden verbonden met LAN-kabels. Nadere informatie over PRO DJ LINK vindt u op Omtrent PRO DJ LINK op bladzijde 15. STANDAARD LAYOUT Dit toestel heeft de layout van het bedieningspaneel van de Pioneer DJM-serie, de wereldstandaard in DJ-mengpanelen, overgenomen. De eenvoudige en duidelijke layout van het paneel maakt niet alleen DJ-performances gemakkelijker, maar zorgt er ook voor dat DJ’s die dit toestel voor het eerst gebruiken het zonder aanpassingsproblemen kunnen bedienen, zodat het zonder problemen als permanent mengpaneel in een club kan worden geïnstalleerd.

Aansluitingen Schakel altijd eerst de stroom uit en trek de stekker uit het stopcontact alvorens u enige aansluiting maakt of verbreekt. Zie tevens de gebruiksaanwijzingen van de aan te sluiten apparatuur. Sluit het netnoer pas aan nadat alle aansluitingen tussen de apparatuur volledig zijn gemaakt. Gebruik alleen het bijgeleverde netsnoer. Achterpaneel

LINK 1 POWER toets (bladzijde 14) Voor aanzetten en uitschakelen van dit apparaat. 2 RETURN aansluitingen (bladzijde 7) Voor aansluiten van de uitgang van een externe effectgenerator. Wanneer alleen het [L (MONO)]-kanaal is aangesloten, wordt het ingangssignaal van het [L (MONO)]-kanaal tegelijkertijd doorgegeven aan het [R]-kanaal. 3 PHONO aansluitingen (bladzijde 7) Voor aansluiten op de phono-aansluiting (MM-element) van een weergave-apparaat. Geen lijnniveau-ingangssignalen op aansluiten. Om apparatuur te kunnen verbinden met de [PHONO] aansluitingen, moet de kortsluitstekker uit de aansluitingen verwijderd worden. Steek deze kortsluitstekker in de [PHONO] aansluitingen wanneer er niets op is aangesloten om externe ruis te verminderen. 4 CD/LINE aansluitingen (bladzijde 7) Aansluiten op een DJ-speler of een lijnuitgangscomponent. 5 SIGNAL GND aansluiting (bladzijde 7) Sluit hierop de aardingsdraad van een analoge platenspeler aan. Dit vermindert storende geluiden bij aansluiten van een analoge platenspeler. 6 LINE aansluitingen (bladzijde 7) Aansluiten op een cassettedeck of een lijnuitgangscomponent. 7 MIC2 aansluiting (bladzijde 7) Voor aansluiten van een microfoon. DIGITAL MASTER OUT

d BOOTH aansluitingen (bladzijde 7) Uitgangsaansluingen voor een booth-monitor, geschikt voor symmetrische of asymmetrische TRS-uitgangsaansluiting. e REC OUT aansluitingen (bladzijde 7) Dit is een uitgangsaansluiting voor opnamedoeleinden. f MASTER2 aansluitingen (bladzijde 7) Voor aansluiten van een eindversterker e.d. g MASTER1 aansluitingen (bladzijde 7) Voor aansluiten van een eindversterker e.d. h SEND aansluitingen (bladzijde 7) Voor aansluiten van de ingang van een externe effectgenerator. Wanneer alleen het [L (MONO)]-kanaal is aangesloten, wordt er alleen een mono-geluidssignaal uitgestuurd. i AC IN Aansluiten op een stopcontact met het bijgeleverde netsnoer. Wacht met aansluiten van het netsnoer totdat eerst alle aansluitingen tussen de apparatuur onderling compleet zijn gemaakt. Gebruik alleen het bijgeleverde netsnoer. WAARSCHUWING Houd de kortsluitstekkers buiten bereik van kinderen. Raadpleeg onmiddellijk een arts indien er onverhoopt één wordt ingeslikt. 8 MIDI OUT aansluiting (bladzijde 7) Verbind deze met de MIDI IN-aansluiting van een externe MIDI-sequencer. 9 Kensington-beveiligingsgleuf a DIGITAL IN aansluiting (bladzijde 7) Sluit deze aan op de coaxiale digitale uitgangsaansluitingen van DJ-spelers, enz. Bij omschakelen van de bemonsteringsfrequentie van het uitgangssignaal kan het geluid een ogenblik wegvallen. b DIGITAL MASTER OUT aansluitingen (bladzijde 7) Voor uitsturen van de hoofdkanaal-audiosignalen. c LINK aansluiting (bladzijde 7) Verbind deze met de LINK-aansluiting van Pioneer DJ-spelers of de LANaansluiting van een computer waarop rekordbox is geinstalleerd (PRO DJ LINK). Om meerdere apparaten aan te kunnen sluiten, kunt u gebruik maken van een zelfschakelende verdeelstekker (los verkrijgbaar). Gebruik een switching hub die geschikt is voor 100Base-TX-verbindingen. Het is mogelijk dat bepaalde switching hubs niet goed werken.

Aansluiten van ingangsaansluitingen

Wanneer u een DVS (Digital Vinyl System) maakt door een computer, audio-interface enz. met elkaar te combineren, moet u goed opletten bij het verbinden van de audiointerface verbinden met de ingangsaansluitingen van dit toestel en bij het instellen van de ingangskeuzeschakelaars. Zie tevens de handleiding van de DJ-software en de audio-interface in kwestie. Analoge platenspeler Analoge platenspeler Microfoons Cassettedeck, CD-speler, e.d. (apparatuur met lijnuitgangen) L R L R L R CH 4 CH 3

Nederlands Schakelende verdeel-hub CH1

L R rekordbox Computers Pioneer DJ-spelers 2 Naar stopcontact Pioneer DJ-spelers 2 1 Nadere informatie over PRO DJ LINK vindt u op Omtrent PRO DJ LINK op bladzijde 15. 2 Voor het gebruik van de fader-startfunctie sluit u een LAN-kabel aan (bladzijde 14). Aansluiten van uitgangsaansluitingen CH 4 CH 3

CH4 2 HOT 3 COLD DIGITAL CH3 Digitaal audio-ingangsapparaat MIDI-sequencer 1 Sluit tevens een externe effectgenerator aan op de [RETURN]-aansluiting (ingangsaansluiting).

Aansluiten op het bedieningspaneel U moet de meegeleverde USB-kabel gebruiken voor de aansluiting. Over de stuurprogrammatuur en de hulpprogrammatuur voor het instellen Dit stuurprogramma is een exclusief programma voor het insturen en uitsturen van geluidssignalen van en naar een computer. Om dit apparaat te gebruiken in aansluiting op een computer waarop Windows of Mac-OS draait, installeert u van tevoren het stuurprogramma op de computer. Computers Licentie-overeenkomst voor deze Software Microfoons MIC USB

MIC 1 Deze Licentie-overeenkomst voor deze Software (“de Overeenkomst”) geldt tussen u (zowel voor u als u als individu het programma installeert, als voor een eventuele rechtspersoon waarvoor u optreedt) (“u” of “uw”) en PIONEER CORPORATION (“Pioneer”). UITVOEREN VAN ENIGE HANDELING VOOR SET-UP OF INSTALLATIE VAN HET PROGRAMMA BETEKENT DAT U AKKOORD GAAT MET ALLE VOORWAARDEN VAN DEZE LICENTIE-OVEREENKOMST. TOESTEMMING VOOR HET DOWNLOADEN EN/OF GEBRUIKEN VAN HET PROGRAMMA IS EXPLICIET AFHANKELIJK VAN HET OPVOLGEN DOOR U VAN DEZE VOORWAARDEN. SCHRIFTELIJKE OF ELEKTRONISCHE TOESTEMMING IS NIET VEREIST OM DEZE OVEREENKOMST GELDIG EN AFDWINGBAAR TE MAKEN. ALS U NIET AKKOORD GAAT MET ALLE VOORWAARDEN VAN DEZE OVEREENKOMST, KRIJGT U GEEN TOESTEMMING HET PROGRAMMA TE GEBRUIKEN EN MOET U STOPPEN MET DE INSTALLATIE OF, INDIEN VAN TOEPASSING, HET PROGRAMMA VERWIJDEREN. LEVEL

Hoofdtelefoon Programma licentie 1 Beperkte licentie. Onder de voorwaarden van deze Overeenkomst verleent Pioneer u een beperkte, niet-exclusieve, nietoverdraagbare licentie (zonder het recht sublicenties te verlenen): a Om een enkele kopie van het Programma te installeren op de harde schijf van uw computer, om het Programma uitsluitend voor uw persoonlijke doeleinden en in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst en de Documentatie te gebruiken (“toegestaan gebruik”), b Om de Documentatie te gebruiken in het kader van uw Toegestaan gebruik; en c Om één kopie te maken van het Programma uitsluitend als reservekopie, met dien verstande dat alle titels en handelsmerken, meldingen met betrekking tot auteursrechten en andere beperkte rechten op de kopie worden vermeld. 2 Beperkingen. Behalve indien uitdrukkelijk toegestaan door deze Overeenkomst mag u het Programma of de Documentatie niet kopiëren of gebruiken. U mag het Programma niet overdragen aan derden, er sublicenties op verlenen, het verhuren, uitleasen of uitlenen, noch het gebruiken voor het opleiden van derden, voor gedeeld gebruik op commerciële basis, of voor gebruik op een servicefaciliteit. U mag niet zelf of via een derde het Programma modificeren, reverse engineeren, disassembleren of decompileren, behalve in zoverre toegestaan door ter zake geldende regelgeving, en ook dan alleen nadat u Pioneer schriftelijk op de hoogte hebt gesteld van uw intenties. U mag het Programma niet gebruiken op meerdere processoren zonder voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe van Pioneer. 3 Eigendom. Pioneer of de licentiegever behoudt zich alle rechten, titels en belangen voor met betrekking tot alle octrooien, auteursrechten, handelsgeheimen en andere intellectuele eigendomsrechten op het Programma en de Documentatie en op eventuele afleidingen daarvan. U verwerft geen andere rechten, expliciet of impliciet dan de beperkte licentie zoals vervat in deze Overeenkomst. 4 Geen ondersteuning. Pioneer heeft geen enkele verplichting tot het verlenen van ondersteuning, uitvoeren van onderhoud, of het uitgeven van upgrades, wijzigingen of nieuwe versies van het Programma of de Documentatie onder deze Overeenkomst. MASTER LEVEL

Definities 1 “Documentatie” betekent in dit verband de schriftelijke documentatie, specificaties en de hulpbestanden beschikbaar gesteld door Pioneer ter assistentie bij de installatie en het gebruik van het Programma. 2 “Programma” betekent in dit verband alle Pioneer software, of gedeeltes daarvan, waarop door Pioneer aan u licentie verleend is onder deze Overeenkomst.

Schade en maatregelen bij inbreuk U gaat ermee akkoord dat enige inbreuk op de bepalingen van deze Overeenkomst Pioneer schade berokkent die niet alleen door geld vergoed kan worden. In aanvulling op enige geldelijke schadeloosstelling en eventueel andere maatregelen

waartoe Pioneer gerechtigd is, gaat u ermee akkoord dat Pioneer eventueel gerechtelijke stappen mag ondernemen om toekomstig, daadwerkelijk, of doorgaande inbreuken op deze Overeenkomst te voorkomen.

Ontbinding Algemene voorwaarden Voorzorgen bij het installeren

Voor het installeren van het stuurprogramma dient u eerst dit apparaat uit te schakelen en de USB-kabel los te maken van dit apparaat en van uw computer. Als u dit apparaat aansluit op uw computer zonder eerst het stuurprogramma te installeren, kan er iets fout gaan in uw computer, afhankelijk van uw besturingssysteem. Als u een eenmaal gestart installatieproces hebt onderbroken, dient u opnieuw vanaf het allereerste begin te beginnen, volgens de hieronder beschreven procedure. Lees eerst aandachtig Licentie-overeenkomst voor deze Software door voordat u de specifieke stuurprogramma’s voor dit apparaat gaat installeren. Sluit voor het installeren van het stuurprogramma eerst alle andere programma’s die op uw computer actief zijn. Het stuurprogramma is geschikt voor de volgende besturingssystemen. Geschikte besturingssystemen

32-bit versie 32-bit versie

De bijgeleverde CD-ROM bevat installatieprogramma’s in de volgende 12 talen. Engels, Frans, Duits, Italiaans, Nederlands, Spaans, Portugees, Russisch, Vereenvoudigd Chinees, Traditioneel Chinees, Koreaans en Japans Als u gebruikt maakt van een besturingssysteem in een andere taal, volgt u dan de aanwijzingen op het scherm om in te stellen op [English (Engels)]. Installeren van het stuurprogramma Installatieprocedure (Windows) Lees eerst aandachtig Voorzorgen bij het installeren door alvorens een sturprogramma te installeren. ! Voor het installeren of verwijderen van het stuurprogramma zult u wellicht toestemming nodig hebben van de beheerder van uw computer. Meld u aan als de beheerder van uw computer voordat u begint met het installeren. 1 Plaats de bijgeleverde CD-ROM in het CD-station van de computer. De CD-ROM map verschijnt. ! Als er na het laden van de CD-ROM geen CD-ROM map verschijnt, opent u dan het CD-station via [Computer (of Deze computer)] in het [Starten]-menu.

Dubbelklik op [DJM-900nexus_X.XXX.exe] Het installatiescherm voor het stuurprogramma verschijnt. 3 Wanneer het taalkeuzescherm verschijnt, kiest u [Nederlands] en klikt u op [OK]. U kunt kiezen uit diverse talen, afhankelijk van het besturingssysteem van uw computer. 4 Lees zorgvuldig de Licentie-overeenkomst voor deze Software en als u akkoord gaat met de voorwaarden, plaats u een vinkje in [Akkoord.] en klikt u op [OK]. Als u niet akkoord gaat met de voorwaarden in de Licentie-overeenkomst voor deze Software, klikt u op [Annuleren] om het installeren te stoppen. Nederlands 1 Beperking aansprakelijkheid. In geen geval en onder geen enkele interpretatie aanvaardt Pioneer of een dochterbedrijf aansprakelijkheid met betrekking tot deze Overeenkomst of het onderwerp daarvan, voor enige indirecte, bijkomende, bijzondere of gevolgschade, of voor als strafmaatregel opgelegde vergoedingen, of voor gederfde winst, niet gerealiseerde opbrengsten, omzet of besparingen, verloren gegane gegevens, of voor gebruiks- of vervangingskosten, ook niet indien zij van tevoren op de hoogte gesteld is van de mogelijkheid van dergelijke schade of indien dergelijke schade voorzienbaar geacht moest worden. In geen geval zal de aansprakelijkheid van Pioneer voor geleden schade het bedrag dat u aan Pioneer of één van haar dochtermaatschappijen voor het Programma heeft betaald overschrijden. Partijen erkennen hierbij dat de beperking van de aansprakelijkheid en de risicoverdeling in deze Overeenkomst worden weerspiegeld in de prijs van het Programma en essentieel onderdeel uitmaken van de wilsovereenkomst tussen de partijen, zonder welke Pioneer het Programma niet ter beschikking zou hebben gesteld of deze Overeenkomst niet zou zijn aangegaan. 2 Eventuele beperkingen op of uitsluitingen van garantie en aansprakelijkheid zoals vervat in deze Overeenkomst hebben geen invloed op uw wettelijke rechten als consument en zijn alleen op u van toepassing voorzover dergelijke beperkingen en uitsluitingen zijn toegestaan onder de regelgeving zoals die geldt in de jurisdictie waar u zich bevindt. 3 Annulering en afstand. Als een bepaling in deze Overeenkomst wederrechtelijk, ongeldig of anderszins niet afdwingbaar blijkt te zijn, zal deze bepaling voor zover mogelijk toepassing vinden, of, indien dit niet mogelijk is, geannuleerd worden en worden geschrapt uit deze Overeenkomst, terwijl de rest daarvan onverkort van kracht blijft. Wanneer één van beide partijen afstand doet van haar rechten als gevolg van een inbreuk op deze Overeenkomst, wordt daarmee niet vanzelfsprekend afstand van deze rechten gedaan bij een eventuele volgende inbreuk daarop. 4 Geen overdracht. U mag deze Overeenkomst of enig recht of verplichting daaronder verkregen of aangegaan, niet overdragen, verkopen, overdoen aan anderen, of op andere wijze daarover beschikken, vrijwillig of onvrijwillig, van rechtswege of op een andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe van Pioneer. Een eventuele poging door u tot overdracht of verdeling is nietig. Overeenkomstig het hierboven bepaalde is deze Overeenkomst van kracht om reden van en zal strekken tot voordeel van beide partijen en hun respectievelijke rechtsopvolgers. 5 Volledige overeenkomst. Deze Overeenkomst omvat alle van kracht zijnde bepalingen tussen de partijen en treedt in de plaats van alle voorgaande of nog geldige overeenkomsten of aanspraken, schriftelijk of mondeling, met betrekking tot het onderwerp daarvan. Deze Overeenkomst mag niet worden gewijzigd of geamendeerd zonder uitdrukkelijke en voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe van Pioneer, en geen andere handeling, document, gebruik of gewoonte kan deze Overeenkomst wijzigen of amenderen. 6 U gaat ermee akkoord dat deze Overeenkomst en alle mogelijke geschillen met betrekking tot deze overeenkomst zijn onderworpen aan Japans recht.

Windows XP Professional x64 Edition wordt niet ondersteund. Pioneer is gerechtigd deze Overeenkomst op elk moment te beëindigen wanneer u zich niet houdt aan enige bepaling. Als deze Overeenkomst wordt beëindigd, dient u het gebruik van het Programma onmiddellijk te staken, het permanent van de gebruikte computer te verwijderen en alle kopieën van het Programma en de Documentatie in uw bezit te vernietigen, en schriftelijk aan Pioneer te bevestigen dat u zulks gedaan heeft. De paragrafen 2.2, 2.3, 2.4, 3, 4, 5 en 6 blijven van kracht nadat deze Overeenkomst is beëindigd.

Geschikte besturingssystemen 5 Volg voor de installatieprocedure de aanwijzingen die op uw scherm verschijnen. Als er [Windows-beveiliging] op het scherm verschijnt tijdens het installationproces, klikt u op [Dit stuurprogramma toch installeren] om door te gaan met installeren. ! Bij installeren onder Windows XP Als er [Hardware-installatie] op het scherm verschijnt tijdens het installationproces, klikt u op [Toch doorgaan] om door te gaan met installeren. ! Wanneer het installatieproces voltooid is, verschijnt er een mededeling ter afsluiting. ! Wanneer de installatieprocedure voor het stuurprogramma voltooid is, zult u uw computer opnieuw moeten opstarten. Installatieprocedure (Macintosh) Lees eerst aandachtig Voorzorgen bij het installeren door alvorens een sturprogramma te installeren. ! Voor het installeren of verwijderen van het stuurprogramma zult u wellicht toestemming nodig hebben van de beheerder van uw computer. Zorg dat u van tevoren de naam en het wachtwoord van uw beheerder paraat heeft. 1 Plaats de bijgeleverde CD-ROM in het CD-station van de computer. De CD-ROM map verschijnt. ! Dubbelklik op het CD-pictogram op uw bureaublad als er na het laden van een CD-ROM geen mappen worden aangegeven.

Dubbelklik op [DJM-900nexusAudioDriver.pkg] Het installatiescherm voor het stuurprogramma verschijnt. 4 Controleer de details op het scherm en klik op [Toch doorgaan] 5 Wanneer het scherm met de gebruiksovereenkomst voor de software verschijnt, kiest u [Nederlands], leest u de Licentieovereenkomst voor deze Software aandachtig door en klikt u op [Toch doorgaan]. U kunt kiezen uit diverse talen, afhankelijk van het besturingssysteem van uw computer.

6 Als u akkoord gaat met de voorwaarden in de Licentieovereenkomst voor deze Software, klikt u op [Akkoord.]. Klik op de [MIXER INPUT] tab. Als u niet akkoord gaat met de voorwaarden in de Licentie-overeenkomst voor deze Software, klikt u op [Niet akkoord] om het installeren te stoppen. 7 Volg voor de installatieprocedure de aanwijzingen die op uw scherm verschijnen.

Klik op [Annuleren] om het installeren te stoppen, nadat het al is begonnen. Wanneer de installatieprocedure voor het stuurprogramma voltooid is, zult u uw computer opnieuw moeten opstarten. Aansluiten van de DJM-900NXS op een computer

Sluit dit apparaat aan op uw computer via een USB-kabel. Dit apparaat functioneert als een audio-apparaat volgens de ASIO-normen. ! Deze functie werkt niet met computers die geen ondersteuning bieden voor USB ! Tijdens het gebruik van applicaties die geschikt zijn voor ASIO, kunt u [USB 1/2], [USB 3/4], [USB 5/6] en [USB 7/8] gebruiken als ingangsbronnen. ! Tijdens het gebruik van applicaties die geschikt zijn voor DirectX, kunt u alleen [USB 1/2] gebruiken als ingangsbron. ! De aanbevolen werkomgeving voor de computer is afhankelijk van het DJ-applicatieprogramma. Controleer altijd de aanbevolen computer-werkomgeving voor het DJ-applicatieprogramma dat u gebruikt. ! Wanneer er tegelijkertijd een ander USB-geluidsapparaat op de computer is aangesloten, kan dat niet altijd werken of naar behoren herkend worden. Wij raden u aan om alleen de computer en dit apparaat aan te sluiten. ! Bij aansluiten van de computer en dit apparaat raden we u aan om de aansluiting rechtstreeks op de USB-aansluitbus van dit apparaat te maken.

Instellen van het uitgangssignaal voor audiogegevens van dit toestel naar de computer Open het instelhulpprogramma voor u begint.

Klik op de [Mixer Audio Output] van het afrolmenu. Druk op de [POWER]-toets. Schakel dit apparaat in. ! De mededeling [Apparaatstuurprogramma installeren] kan verschijnen wanneer de DJM-900NXS voor het eerst wordt aangesloten op een computer of bij aansluiting op de USB-aansluitbus van de computer. Wacht tot de mededeling [De apparaten zijn gereed voor gebruik] verschijnt. ! Bij installeren onder Windows XP — [Mag Windows verbinding met Windows Update maken om te zoeken naar software?] kan verschijnen tijdens de installatieprocedure. Kies dan [ Nee, nu niet] en klik op [Volgende] om door te gaan met installeren. — [Wat moet de wizard doen?] kan verschijnen tijdens de installatieprocedure. Kies dan [ De software automatisch installeren (aanbevolen)] en klik op [Volgende] om door te gaan met installeren. — Als er [Windows-beveiliging] op het scherm verschijnt tijdens het installationproces, klikt u op [Dit stuurprogramma toch installeren] om door te gaan met installeren. Selecteer de audiogegevens die naar de computer moeten worden gestuurd uit de beschikbare geluidssignalen binnenin dit toestel en maak de vereiste instellingen daarvoor. CH1 CH2 CH3 CH4 CH1 Timecode PHONO1 CH2 Timecode CD/ LINE1 CH3 Timecode CD/ LINE1 CH4 Timecode PHONO1 CH1 Timecode CD/ LINE1 CH2 Timecode LINE1 CH3 Timecode LINE1 CH4 Timecode CD/ LINE1 Over de hulpprogrammatuur voor het instellen CH1 Timecode DIGITAL1 CH2 Timecode DIGITAL1 CH3 Timecode DIGITAL1 CH4 Timecode DIGITAL1 Het instelhulpprogramma kan worden gebruikt voor de hieronder beschreven controles en instellingen. — Controleren van de status van de [DIGITAL, CD/LINE, PHONO, LINE, USB */*] keuzeschakelaar van dit toestel — Instellen van het uitgangssignaal voor audiogegevens van dit toestel naar de computer — Aanpassen van de buffergrootte (bij gebruik van Windows ASIO) — Controleren welke versie van het stuurprogramma u heeft POST CH1 Fader2 POST CH2 Fader2 POST CH3 Fader2 POST CH4 Fader2 Openen van het instelhulpprogramma Voor Windows Klik op het [Starten]-menu > [Alle programma's] > [Pioneer] > [DJM-900nexus] > [DJM-900nexus Instelfunctie]. Voor Mac OS X Klik op het [Macintosh HD]-pictogram > [Application] > [Pioneer] > [DJM900nexus] > [DJM-900nexus Instelfunctie]. Controleren van de status van de [DIGITAL, CD/LINE, PHONO, LINE, USB */*] keuzeschakelaar van dit toestel Open het instelhulpprogramma voor u begint. Cross Fader A

1: De audiogegevens worden geproduceerd met hetzelfde volume waarmee het door dit toestel wordt ontvangen, ongeacht de [USB Output Level]-instelling. 2: Bij gebruik voor andere applicaties dan opnemen, moet u letten op de instellingen van de DJ-applicatie zodat er geen audiolussen worden aangemaakt. Als er audiolussen worden aangemaakt, kan er geluid worden ingevoerd of geproduceerd met onbedoelde volumes.

Klik op de [USB Output Level] van het afrolmenu. Regel het volume van de door dit toestel geproduceerde audiogegevens. ! De [USB Output Level]-instelling wordt op alle audiogegevens op dezelfde manier toegepast. Wanneer echter 1 is geselecteerd in de tabel bij stap 2, worden de audiogegevens geproduceerd met hetzelfde volume als waarmee ze door dit toestel ontvangen worden. ! Als er alleen met de volumeregeling van de DJ-software niet voldoende volume geproduceerd kan worden, moet u de [USB Output Level]-instelling veranderen om het volume van de door dit toestel geproduceerde audiogegevens aan te passen. Let op dat het geluid niet vervormd raakt wanneer het volume te hoog wordt gezet. Aanpassen van de buffergrootte (bij gebruik van Windows ASIO) Als er applicatieprogramma’s dit apparaat gebruiken als hun vaste audio-apparaat (zoals DJ-programma’s, enz.), sluit u die programma’s dan voordat u de buffercapaciteit aanpast. Open het instelhulpprogramma voor u begint.

Een ruime buffercapaciteit is nuttig om de kans op het wegvallen van geluid (dropouts) te voorkomen, maar verhoogt daarentegen de geringe vertraging in de audiosignaaltransmissie (latency). Controleren welke versie van het stuurprogramma u heeft Open het instelhulpprogramma voor u begint. Klik op de [About] tab. Nederlands Controleren van de meest recente informatie over het stuurprogramma Bezoek onze webiste, hieronder vermeld, voor de meest recente informatie over het stuurprogramma voor exclusief gebruik met dit apparaat. http://www.prodjnet.com/support/

De werking kan niet worden gegarandeerd wanneer er meerdere van deze mengpanelen zijn aangesloten op een enkele computer.

1 MIC1 aansluiting (bladzijde 15) Voor aansluiten van een microfoon. 2 USB aansluiting (bladzijde 8) Sluit de computer aan. 3 USB verbindingsindicator Licht op wanneer er signalen worden uitgewisseld met de computer. 4 MIC1 LEVEL instelling (bladzijde 15) Regelt het uitgangsniveau van de geluidsweergave via het [MIC1] kanaal. 5 MIC2 LEVEL instelling (bladzijde 15) Regelt het uitgangsniveau van de geluidsweergave via het [MIC2] kanaal. 6 EQ (HI, LOW) instellingen (bladzijde 15) Deze regelen de toonweergave van de [MIC1] en [MIC2] kanalen. 7 OFF, ON, TALK OVER keuzeschakelaar (bladzijde 15) Zet de microfoon aan/uit. 8 SOUND COLOR FX toetsen (bladzijde 15) 9 CUE toetsen (bladzijde 14) Druk op de [CUE] toets(en) voor het kanaal (de kanalen) waarmee u wilt meeluisteren. a FADER START (1, 2, 3, 4) toetsen (bladzijde 14) Hiermee kunt u de fader-startfunctie aan/uit zetten. b MONO SPLIT, STEREO keuzeschakelaar (bladzijde 14) Bepaalt hoe het geluid voor het meeluisteren via de hoofdtelefoon wordt verdeeld. c MIXING instellingen (bladzijde 14) Hiermee kunt u de balans regelen van het meeluistervolume voor het geluid van de kanalen waarvoor de [CUE] wordt ingedrukt en het geluid van het [MASTER] kanaal. d LEVEL instelling (bladzijde 14) Regelt het uitgangsniveau van de geluidsweergave via de hoofdtelefoon. e PHONES aansluiting (bladzijde 14) Sluit hierop een hoofdtelefoon aan. Deze zetten de SOUND COLOR FX effecten aan/uit.

f USB audio-ingangssignaalindicator Licht op wanneer er geluidssignalen voor de diverse kanalen worden ontvangen van de computer. g DIGITAL, CD/LINE, PHONO, LINE, USB */* keuzeschakelaar (bladzijde 14) Kies de ingangsbron van elk kanaal voor de componenten die op dit apparaat zijn aangesloten. h TRIM instelling (bladzijde 14) Regelt het niveau van de geluidssignalen die binnenkomen via elk kanaal. i EQ/ISO (HI, MID, LOW) instellingen (bladzijde 14) Deze regelen de toonweergave van de diverse kanalen. j Kanaalniveau-aanduiding (bladzijde 14) Toont het geluidsniveau van de diverse kanalen voor ze door de kanaalfaders geleid worden. k COLOR instellingen (bladzijde 15) Deze wijzigen de SOUND COLOR FX parameters van de diverse kanalen. l Kanaal-fader (bladzijde 14) Regelt het niveau van de geluidssignalen die worden uitgestuurd via elk kanaal. m CROSS FADER ASSIGN (A, THRU, B) keuzeschakelaar (bladzijde 14) Stellen de uitgangsbestemming van elk kanaal in op [A] of [B].

Wanneer de QUANTIZE-functie is ingeschakeld voor het BEAT EFFECT, wordt het effect toegepast op het geluid zonder dat het tempo verloren wordt voor het spelende muziekstuk. (bladzijde 16). E AUTO/TAP toets (bladzijde 16) Schakelt de BPM-meetmethode om. F DELAY, ECHO, SPIRAL, REVERB, TRANS, FILTER, FLANGER, PHASER, ROBOT, MELODIC, SLIP ROLL, ROLL, REV ROLL, SND/RTN (MIDI LFO) keuzeschakelaar (bladzijde 16) Schakelt het BEAT EFFECT effecttype om. G 1, 2, 3, 4, MIC, CF.A, CF.B, MASTER keuzeschakelaar (bladzijde 16) Schakelt het kanaal om waarop het BEAT EFFECT zal worden toegepast. H TIME instelling (bladzijde 16) Regelt de tijdparameter van het BEAT EFFECT. I LEVEL/DEPTH instelling (bladzijde 16) Regelt de kwantitatieve parameter van het BEAT EFFECT. J ON/OFF toets (bladzijde 16) Zet de BEAT EFFECT functie aan/uit. Trek niet te hard aan de knoppen voor de kanaalfader en crossfader. Deze knoppen zijn niet ontworpen om verwijderd te kunnen worden. Te hard aan de knoppen trekken kan leiden tot schade aan het toestel. n Crossfader-regelaar (bladzijde 14) Voor weergave van geluidssignalen die zijn toegewezen via de crossfader-toewijzingsschakelaar, overeenkomstig de curvekarakteristiek die is gekozen met de [CROSS FADER] (crossfadercurve-keuzeschakelaar). o MASTER LEVEL instellingen (bladzijde 14) Regelt het uitgangsniveau van de geluidsweergave via het [MASTER] kanaal. Nederlands p Hoofdniveau-aanduiding (bladzijde 14) Toont het uitgangsniveau van de geluidsweergave via het [MASTER] kanaal. q BALANCE instellingen (bladzijde 15) Voor het regelen van de links/rechts balans van de geluidsweergave via de [MASTER1] aansluitingen enz. r MONO, STEREO keuzeschakelaar (bladzijde 15) Schakelt de geluidsweergave van de [MASTER1] aansluitingen enz. heen en weer tussen mono en stereo. s BOOTH MONITOR instellingen (bladzijde 15) Regelt het niveau van de geluidssignalen die worden weergegeven via de [BOOTH]-aansluiting. t EQ CURVE (ISOLATOR, EQ) keuzeschakelaar (bladzijde 14) Schakelt de functie van de [EQ/ISO (HI, MID, LOW)] instellingen om. u CH FADER (

) keuzeschakelaar (bladzijde 14) Schakelt de kanaalregelcurve-karakteristiek om. v CROSS FADER (

) keuzeschakelaar (bladzijde 14) Voor omschakelen van de crossfader-curvekarakteristiek. w ON/OFF (UTILITY) knop — ON/OFF: Zet de MIDI-functie aan/uit (bladzijde 17). — UTILITY: Toont het [USER SETUP] of [CLUB SETUP] scherm (bladzijde 23). x START/STOP toets (bladzijde 17) Verzendt de MIDI-start/MIDI-stop signalen. y LFO FORM (WAKE UP) knop — LFO FORM: Wanneer [MIDI LFO] is geselecteerd bij BEAT EFFECT, wordt de golfvorm van het MIDI-signaal omgeschakeld telkens wanneer er op de knop wordt gedrukt (bladzijde 20). — WAKE UP: Annuleert de automatische uitschakeling (automatische ruststand) (bladzijde 23). z Hoofdbeeldscherm A X-PAD (bladzijde 16) Regelt de kwantitatieve parameter van de BEAT EFFECT functie. B BEAT c, d toetsen (bladzijde 16) Bepaalt de beatfractie voor het synchroniseren van het effectgeluid. C TAP (ENTER) toets — TAP: Wanneer de BPM meetmethode is ingesteld op [TAP], moet de BPM met de hand worden ingesteld door op de toets te tikken met een vinger (bladzijde 16). — ENTER: Gebruikt om de instellingen van dit toestel te wijzigen (bladzijde 23). D QUANTIZE knop

Gebruikt om de instellingen van dit toestel te wijzigen (bladzijde 23).

Basisbediening Geluid weergeven

2 Verdraai de [DIGITAL, CD/LINE, PHONO, LINE, USB */*] keuzeschakelaar. Kies de ingangsbronnen voor de diverse kanalen uit de componenten die op dit apparaat zijn aangesloten. — [DIGITAL]: Kiest de DJ-speler die is aangesloten op de [DIGITAL]aansluitingen. — [PHONO]: Voor keuze van een analoge muziekspeler aangesloten op de [PHONO]-aansluiting. — [CD/LINE], [LINE]: Voor keuze van een cassettedeck of CD-speler die is aangesloten op de [LINE]-aansluitingen. — [USB */*]: Voor keuze van het geluid van de computer die is aangesloten op de [USB]-aansluitbus. Wanneer er nog een keer op [CUE] toets wordt gedrukt, wordt het meeluisteren geannuleerd. Controleren van het geluid van de computer

Controleer [Gebruik de “LINK MONITOR” functie van Pioneer DJ-mengpanelen.] bij [bestand] > [Voorkeuren] > [Audio] in rekordbox van tevoren. Raadpleeg ook de handleiding van de rekordbox.

Sluit een hoofdtelefoon aan op de [PHONES]-aansluiting

Sluit een computer aan waarop rekordbox is geinstalleerd. Nadere aanwijzingen voor het aansluiten vindt u onder Aansluiten van ingangsaansluitingen op bladzijde 7.

Keuze van een muziekstuk ter controle met rekordbox

Druk op de [CUE] toets voor [LINK]. Het muziekstuk dat u kiest met rekordbox wordt weergegeven via de hoofdtelefoon. ! Wanneer er nog een keer op [CUE] toets wordt gedrukt, wordt het meeluisteren geannuleerd. ! U kunt nu dezelfde procedure volgen als voor Meeluisteren via een hoofdtelefoon (stappen 3 t/m 5). Draai aan de [TRIM] instelling. Regelt het niveau van de geluidssignalen die binnenkomen via elk kanaal. Bij elk van de kanalen licht de kanaalniveau-indicator op wanneer er geluidssignalen goed doorkomen voor dat kanaal. Omschakelen van de kanaalregelcurve

Kies de kanaalregelcurve-karakteristiek. Zet de kanaal-fader in de binnenste stand Regelt het niveau van de geluidssignalen die worden uitgestuurd via elk kanaal. 5 Schakelt de [CROSS FADER ASSIGN (A, THRU, B)] keuzeschakelaar om. Schakelt de uitgangsbestemming om, voor elk kanaal. — [A]: Toewijzen aan [A] (links) van de crossfader. — [B]: Toewijzen aan [B] (rechts) van de crossfader. — [THRU]: Selecteer deze stand wanneer u de crossfader niet wilt gebruiken. (De signalen passeren niet door de crossfader.)

Stel de crossfader in Deze handeling is niet nodig als de [CROSS FADER ASSIGN (A, THRU, B)] keuzeschakelaar in de [THRU] stand is gezet.

Schakelt de [CH FADER ( Schakelt de [CROSS FADER ( Bijregelen van de geluidskwaliteit Omschakelen van de functie van de [EQ/ISO (HI, MID, LOW)] instellingen Schakelt de [EQ CURVE (ISOLATOR, EQ)] keuzeschakelaar om. — [ISOLATOR]: Functioneert als isolator. — [EQ]: De equalizerfunctie wordt ingesteld. )] keuzeschakelaar om.

)] keuzeschakelaar om. — [ ]: Geeft een steile, stijgende curve (als de crossfader-schuifregelaar wordt weggeschoven van de [A]-kant, worden er onmiddellijk geluidssignalen uitgestuurd via de [B]-kant). — [ ]: Geeft een curve die het gemiddelde vormt van de curves hierboven en hieronder. — [ ]: Geeft een heel geleidelijk stijgende (als de crossfader-schuifregelaar wordt weggeschoven van de [A]-kant, zal het geluid aan de [B]-kant geleidelijk aanzwellen, terwijl het geluid aan de [A]-kant geleidelijk wordt afgezwakt). Draai aan de [MASTER LEVEL] instelling. Zie Specificaties op bladzijde 26 voor het bereik van het geluid dat kan worden bijgeregeld met elk van deze regelaars.

Kies de crossfadercurve-karakteristiek. Geluidssignalen worden uitgestuurd via de [MASTER1] en [MASTER2]aansluitingen. De hoofdniveau-indicator licht op. Draai aan de [EQ/ISO (HI, MID, LOW) ]-instellingen voor de diverse kanalen.

— [ ]: De curve stijgt plotseling aan het verre uiteinde. — [ ]: Er wordt een curve tussen de curves boven en onder ingesteld. — [ ]: De curve stijgt geleidelijk (het geluid zwelt geleidelijk aan wanneer u de kanaalregelaar van voren naar achteren beweegt). Start de weergave van een DJ-speler met behulp van de schuifregelaar (fader-start) Indien via LAN-kabel verbonden met een Pioneer DJ-speler, kunnen handelingen zoals het laten beginnen van de weergave op de DJ-speler worden bediend met de fader van dit toestel. Sluit vooraf dit apparaat aan op een Pioneer DJ-speler. Nadere aanwijzingen voor het aansluiten vindt u onder Aansluiten van ingangsaansluitingen op bladzijde 7. Zie Omtrent PRO DJ LINK op bladzijde 15 voor instructies omtrent het instellen van de spelernummers voor Pioneer DJ-spelers. De fader-startfunctie kan aan of uit worden gezet voor alle DJ-spelers tegelijk. Zie Instellingen aanpassen op bladzijde 23 voor de instelprocedure. Meeluisteren via een hoofdtelefoon Beginnen met afspelen met de kanaal-fader

1 Stel [CROSS FADER ASSIGN (A, THRU, B)] keuzeschakelaar in op [THRU]. Sluit een hoofdtelefoon aan op de [PHONES]-aansluiting 2 Druk op de [CUE] toets(en) voor het kanaal (de kanalen) waarmee u wilt meeluisteren.

Schakelt de [MONO SPLIT, STEREO] keuzeschakelaar om. — [MONO SPLIT]: Het geluid van de kanalen waarvoor [CUE] wordt ingedrukt, wordt weergegeven via de linker oorschelp van de hoofdtelefoon en het geluid van het [MASTER] kanaal via de rechter oorschelp. — [STEREO]: Het geluid van de kanalen waarvoor u op [CUE] drukt wordt in stereo weergegeven door de hoofdtelefoon. Draai aan de [MIXING] instelling. Hiermee kunt u de balans regelen van het meeluistervolume voor het geluid van de kanalen waarvoor de [CUE] wordt ingedrukt en het geluid van het [MASTER] kanaal.

Druk op een van de [FADER START (1, 2, 3, 4)]-toetsen. Selecteer het kanaal dat gestart moet worden met de fader-startfunctie.

Stel de cue in op de DJ-speler De DJ-speler pauzeert de weergave bij het cue-punt.

Zet de kanaal-fader in de binnenste stand Het afspelen begint op de DJ-speler. ! Wanneer u de kanaal-fader terugzet in de oorspronkelijke stand, keert de speler onmiddellijk terug naar het eerder ingestelde cue-punt, om daar de weergave te pauzeren (back-cue). Draai aan de [LEVEL] instelling voor de [HEADPHONES]. Het geluid van de kanalen waarvoor [CUE] toets is ingedrukt wordt weergegeven via de hoofdtelefoon.

Beginnen met afspelen met de crossfader Geavanceerde bedieningsfuncties 1 Stel de [CROSS FADER ASSIGN (A, THRU, B)] keuzeschakelaar in op [A] of [B].

Druk op een van de [FADER START (1, 2, 3, 4)]-toetsen. Selecteer het kanaal dat gestart moet worden met de fader-startfunctie.

Stel de crossfader in Schuif de regelaar naar de tegenovergestelde rand van het kanaal waarvoor u de fader-startfunctie wilt gebruiken.

Stel de cue in op de DJ-speler De DJ-speler pauzeert de weergave bij het cue-punt.

Stel de crossfader in Het afspelen begint op de DJ-speler. ! Wanneer u de crossfader terugzet in de oorspronkelijke stand, keert de speler onmiddellijk terug naar het eerder ingestelde cue-punt, om daar de weergave te pauzeren (back-cue). Omtrent PRO DJ LINK Wanneer een PRO DJ LINK-compatibele Pioneer DJ-speler (een CDJ-2000, CDJ900, enz.), een computer met het rekordbox-programma en dit apparaat onderling worden verbonden met LAN-kabels, kunt u de volgende PRO DJ LINK-functies gebruiken. Nadere bijzonderheden over de PRO DJ LINK-functie vindt u tevens in de gebruiksaanwijzing van de DJ-speler en de bedieningsaanwijzingen voor rekordbox. Nadere aanwijzingen voor het aansluiten vindt u onder Aansluiten van ingangsaansluitingen op bladzijde 7. ! Indien aangesloten via een switching hub kunnen er maximaal 4 DJ-spelers en 2 computers worden aangesloten. ! Gebruik een switching hub die geschikt is voor 100Base-TX-verbindingen. Het is mogelijk dat bepaalde switching hubs niet goed werken. ! Stel voor de DJ-speler hetzelfde nummer in als voor het kanaal waarmee de audiokabel is verbonden. Gebruik van een microfoon LINK MONITOR

Met deze functie kunt u rekordbox-muziekbestanden die zijn opgeslagen op de computer vlot controleren via een hoofdtelefoon. Sluit een microfoon aan op de [MIC1] of [MIC2]-aansluiting. 2 Stel de [OFF, ON, TALK OVER] keuzeschakelaar in op [ON] of [TALK OVER].

Draai aan de [MIC1 LEVEL] of [MIC2 LEVEL] instelling. STATUS INFORMATION Deze functie geeft aan de DJ-spelers de status van het aangesloten kanaal door (onair status, kanaalnummer, enz.). QUANTIZE Wanneer muziekstukken die zijn geanalyseerd met rekordbox worden gebruikt, wordt het muziekstuk op de beat gezet, ook als er op de [ON/OFF]-knop wordt gedrukt van [BEAT EFFECTS], of als het [X-PAD] ruw wordt aangeraakt. Regel het uitgangsniveau van de geluidsweergave via het [MIC] kanaal. ! Onthoud dat helemaal naar rechts draaien een enorm hard geluid oplevert. FADER START

Het afspelen op de DJ-speler kan worden gestart met de fader van dit toestel (Fader Start Play). Geef geluidssignalen door via de microfoon. Nederlands

— [ON]: De aanduiding licht op. — [TALK OVER]: De aanduiding knippert. Wanneer u instelt op [TALK OVER] zal het geluid van alle kanalen behalve dat van het [MIC] kanaal met 18 dB (standaardinstelling) worden verzwakt wanneer er een geluid van meer dan –10 dB binnenkomt via de microfoon. De [TALK OVER] verzwakking kan worden gewijzigd via [USER SETUP]. Nadere aanwijzingen voor het wijzigen hiervan vindt u onder Instellingen aanpassen op bladzijde 23. Bijregelen van de geluidskwaliteit Draai aan de [EQ (HI, LOW)] instellingen voor het [MIC] kanaal. Zie Specificaties op bladzijde 26 voor het bereik van het geluid dat kan worden bijgeregeld met elk van deze regelaars.

Deze effecten veranderen in overeenstemming met de [COLOR]-regelaars voor de verschillende kanalen.

Overschakelen tussen mono- en stereo-geluid Hiermee wordt de weergave via de [MASTER1], [MASTER2], [BOOTH], [REC OUT], [PHONES], [DIGITAL MASTER OUT] en [USB]-aansluitingen omgeschakeld tussen mono en stereo. ! Om het via de [USB]-aansluitingen geproduceerde geluidssignaal in te stellen, moet u [REC OUT] selecteren bij [Mixer Audio Output] in het instelhulpprogramma. Druk op een van de [SOUND COLOR FX]-toetsen. Hiermee kiest u het soort effect. De ingedrukte toets gaat knipperen. ! Een overzicht van de soorten effecten vindt u op Soorten SOUND COLOR FX effecten op bladzijde 18. ! Het zelfde effect wordt ingesteld voor [CH1] tot [CH4].

Draai aan de [COLOR] instelling. Het effect wordt toegepast op elk kanaal waarvoor de knop werd ingedrukt. Schakelt de [MONO, STEREO] keuzeschakelaar om. — [MONO]: Voor weergave van mono-geluid. — [STEREO]: Voor weergave van stereo-geluid. De links/rechts-balans van het geluid regelen De links/rechts-balans van het geluid dat wordt weergegeven via de [MASTER1], [MASTER2], [BOOTH], [REC OUT], [PHONES], [DIGITAL MASTER OUT] en [USB]aansluitingen kan worden bijgeregeld. ! Om het via de [USB]-aansluitingen geproduceerde geluidssignaal in te stellen, moet u [REC OUT] selecteren bij [Mixer Audio Output] in het instelhulpprogramma.

Draai aan de [BALANCE] instelling. De links/rechts balans van de geluidsweergave verandert, al naar gelang de richting waarin u de [BALANCE] instelling draait en hoe ver. ! Door draaien naar de uiterste rechterkant wordt alleen het rechter kanaal van stereo-geluid weergegeven. Door draaien naar de uiterste linkerkant wordt alleen het linker kanaal van stereo-geluid weergegeven. Het geluid wordt weergegeven via de [BOOTH]-aansluiting. Draai aan de [BOOTH MONITOR] instelling. Regelt het niveau van de geluidssignalen die worden weergegeven via de [BOOTH]aansluiting.

Met deze functie kunt u onmiddellijk diverse effecten instellen volgens het tempo (BPM = beats per minuut) van het op dat moment weergegeven muziekstuk.

Effect-schermdeel De naam van het geselecteerde effect wordt weergegeven.

Kanaalkeuze-schermdeel De naam van het kanaal waarop het effect wordt toegepast wordt weergegeven.

AUTO (TAP) [AUTO] licht op wanneer de BPM-meting staat ingesteld op automatische werking. [TAP] licht op bij gebruik van de handmatige invoerstand. Aanduiding van de BPMwaarde (3 cijfers) In de automatische stand wordt hier de automatisch gemeten BPM-waarde aangegeven. Wanneer de BPM-waarde niet gemeten kan worden, knippert hier de laatst waargenomen BPM-waarde. In de handmatige invoerstand wordt hier de handmatig ingevoerde BPM-waarde getoond. GRID Wanneer er muziekstukken worden afgespeeld die zijn geanalyseerd met rekordbox, zal dit oplichten wanneer de QUANTIZE-functie gebruikt kan worden in combinatie met de DJ-speler. Dit knippert of blijft uit als de QUANTIZEfunctie niet kan worden gebruikt.

Druk op de [ON/OFF] toets voor [BEAT EFFECTS]. Het effect wordt toegepast op het geluid. De tijdparameter van het effect is instelbaar door te draaien aan de [TIME]instelling. De kwantitatieve parameter van het effect is instelbaar door te draaien aan de [LEVEL/DEPTH]-instelling. De [ON/OFF] toets knippert wanneer het effect wordt ingeschakeld. ! Wanneer er opnieuw op de [ON/OFF] toets wordt gedrukt, wordt het effect uitgeschakeld. Handmatig invoeren van het aantal BPM

Druk op de [BEAT c, d] toets. Bepaalt de beatfractie voor het synchroniseren van het effectgeluid. De effecttijd die overeenkomt met de beat-fractie wordt automatisch ingesteld.

Deze handeling is niet nodig wanneer [MIDI LFO] is geselecteerd. BPM Deze blijft steeds verlicht. Parameter-schermdeel Hier worden de parameters weergegeven die zijn opgegeven voor de individuele effecten. Wanneer [BEAT c, d] wordt ingedrukt, wordt de corresponderende beatfractie 1 seconde lang getoond. Wanneer er een waarde buiten het parameterbereik wordt opgegeven met de [BEAT c, d] toets, verandert de waarde niet en gaat het display knipperen.

% (ms) Deze lichten op volgens de eenheden voor de verschillende effecten.

Beat-schermdeel Dit licht op aan de hand van de geselecteerde beatnummerpositie.

Aanraak-schermdeel Dit licht op wanneer het [X-PAD] wordt aangeraakt. Tik minstens 2 keer op [TAP] toets op de maat van de beat (in kwart noten) van de weergegeven muziek. De gemiddelde waarde van de tussenpozen waarmee de [TAP]-toets werd aangetikt, wordt ingesteld als het BPM-tempo. ! Wanneer het BPM-tempo is ingesteld met de [TAP]-toets, wordt de beatfractie ingesteld op [1/1] en dan wordt de tijd van een enkele beat (kwart noot) ingesteld als de effecttijd. ! Het BPM-tempo is handmatig instelbaar door een de [TIME]-instelling te draaien terwijl u de [TAP]-toets indrukt. ! De BPM kan worden ingesteld in stappen van 0,1 door op [AUTO/TAP] te drukken terwijl [TAP] ingedrukt wordt gehouden en [TIME] wordt verdraaid terwijl de twee toetsen ingedrukt worden gehouden. Gebruik van een externe effectgenerator

Sluit dit apparaat aan op een externe effectgenerator. Nadere aanwijzingen voor het aansluiten vindt u onder Aansluiten van uitgangsaansluitingen op bladzijde 7. 2 Verdraai de [DELAY, ECHO, SPIRAL, REVERB, TRANS, FILTER, FLANGER, PHASER, ROBOT, MELODIC, SLIP ROLL, ROLL, REV ROLL, SND/RTN (MIDI LFO)] keuzeschakelaar. Selecteer [SND/RTN (MIDI LFO)]. 3 Verdraai de [1, 2, 3, 4, MIC, CF.A, CF.B, MASTER] keuzeschakelaar. Hiermee kiest u het kanaal om het effect op toe te passen.

Druk op de [ON/OFF] toets voor [BEAT EFFECTS]. Het geluid dat door de externe effectgenerator is gegaan wordt uitgestuurd via de [MASTER]-kanaal. ! Wanneer er opnieuw op de [ON/OFF] toets wordt gedrukt, wordt het effect uitgeschakeld. Gebruik van de QUANTIZE-functie

Druk op de [AUTO/TAP]-toets. Kies de BPM-metingsstand. — [AUTO]: Het BPM-tempo van het binnenkomende geluidssignaal wordt automatisch gemeten. De [AUTO]-functie wordt ingesteld wanneer dit apparaat wordt ingeschakeld. — [TAP]: De BPM-waarde wordt handmatig gekozen door met een vinger te tikken op [TAP] toets. ! Het BPM-meetbereik in de [AUTO]-stand loopt van 70 tot 180 BPM. Voor sommige muziekstukken is het mogelijk dat het BPM-tempo niet correct bepaald kan worden. Als het BPM-tempo niet gemeten kan worden, knippert de BPM-waarde op het scherm. In dergelijke gevallen voert u de BPM-waarde handmatig in met de [TAP]-toets. 2 Verdraai de [DELAY, ECHO, SPIRAL, REVERB, TRANS, FILTER, FLANGER, PHASER, ROBOT, MELODIC, SLIP ROLL, ROLL, REV ROLL, SND/RTN (MIDI LFO)] keuzeschakelaar. Hiermee kiest u het soort effect. ! Een overzicht van de soorten effecten vindt u op Soorten BEAT EFFECT op bladzijde 18. ! Om [SND/RTN] te gebruiken, zie Gebruik van een externe effectgenerator hieronder. ! Om [MIDI LFO] te gebruiken, zie Gebruiken van MIDI LFO op bladzijde 17 hieronder. 3 Verdraai de [1, 2, 3, 4, MIC, CF.A, CF.B, MASTER] keuzeschakelaar. Hiermee kiest u het kanaal om het effect op toe te passen. — [1] – [4]: Het effect wordt toegepast op het geluid van het corresponderende kanaal. — [MIC]: Het effect wordt toegepast op het geluid van het [MIC]-kanaal. — [CF.A], [CF.B]: Het effect wordt toegepast op het geluid van de crossfader’s [A] (linker)- of [B] (rechterkant). — [MASTER]: Het effect wordt toegepast op het geluid van het [MASTER]kanaal.

Op basis van de GRID-informatie van muziekstukken die al geanalyseerd zijn met rekordbox, kunnen effecten worden toegevoegd aan het geluid zonder het tempo van het spelende muziekstuk te verliezen. Sluit van tevoren dit apparaat aan op een PRO DJ LINK-geschikte Pioneer DJ-speler. Nadere aanwijzingen voor het aansluiten vindt u onder Aansluiten van ingangsaansluitingen op bladzijde 7. Muziekbestanden moeten van tevoren worden geanalyseerd met rekordbox om de QUANTIZE-functie te kunnen gebruiken. Voor instructies betreffende het analyseren van muziekbestanden met rekordbox verwijzen we u ook naar de handleiding van rekordbox. ! De QUANTIZE-functie kan niet worden gebruikt wanneer [REVERB], [ROBOT], [MELODIC] of [SND/RTN(MIDI LFO)] is geselecteerd. ! Om te gebruiken in combinatie met de CDJ-2000 of CDJ-900, moet eerst de firmware worden bijgewerkt tot versie 4.0 of nieuwer. (Vanaf februari 2011)

Druk op de [QUANTIZE] knop. De QUANTIZE-functie wordt ingeschakeld. [GRID] zal oplichten op het hoofddisplay van dit toestel wanneer de GRID-informatie correct ontvangen is van de DJ-speler en om aan te geven dat de QUANTIZEfunctie kan worden gebruikt. [GRID] knippert als de GRID-informatie niet correct is ontvangen. ! Afhankelijk van de status van de DJ-speler (off-air, scratchen, achteruit spelen enz.), is het wellicht niet mogelijk om de GRID-informatie te ontvangen.

Druk op [ON/OFF] of [BEAT EFFECTS], of raak het [X-PAD] aan. Het effect wordt toegevoegd aan het geluid in het tempo van het weergegeven fragment. ! Wanneer er opnieuw op [QUANTIZE] wordt gedrukt, wordt het QUANTIZE-effect uitgeschakeld. Bediening van [X-PAD] Bedieningsprocedure [ON/OFF] knop status van X-PAD [BEAT EFFECTS]

Uit (brandt) Aan (knippert) Effect Loslaten n aanraken Aan n Uit Loslaten n aanraken Aan n Aan

Voer stappen 1 t/m 4 van de BEAT EFFECT-procedure uit.

Raak het [X-PAD] aan. Het [X-PAD] zet het effect aan en uit en wijzigt de kwantitatieve parameter. ! Wanneer uw vinger los komt van het [X-PAD], gaat het effect uit. ! Om het effect aan te laten wanneer uw vinger los komt van het [X-PAD], moet u terwijl u het [X-PAD] aanraakt op de [ON/OFF] knop van [BEAT EFFECTS] drukken voor u uw het [X-PAD] loslaat. Bedieningsprocedure 2

Voer stappen 1 t/m 5 van de BEAT EFFECT-procedure uit.

Raak het [X-PAD] aan. Het [X-PAD] wijzigt de kwantitatieve parameter van het effect. Bedienen van DJ-software met de MIDI-functie Dit toestel geeft ook informatie door over de stand van knoppen en schuifregelaars via het universele MIDI-protocol. Indien aangesloten via een USB-kabel op een computer met MIDI-compatibele DJ-software, kan de DJ-software vanaf dit toestel worden bediend. Installeer van tevoren de DJ-software op uw computer. Maak bovendien de nodige audio- en MIDI-instellingen voor de DJ-software. ! Aanwijzingen voor het instellen van de MIDI-kanalen vindt u op Instellingen aanpassen op bladzijde 23. ! Zie voor de berichten die dit toestel doorgeeft Lijst van MIDI-berichten op bladzijde 21. 1 Verbind de [USB]-aansluiting van dit apparaat met de computer. Zie Aansluiten op het bedieningspaneel op bladzijde 8 voor nadere details over de aansluitingen. Start de DJ-software.

Druk op de [ON/OFF (UTILITY)] knop. Schakel de MIDI-functie in. De verzending van MIDI-berichten begint. ! Wanneer een fader of andere regelaar wordt verplaatst, zal er een bericht worden verstuurd dat de nieuwe positie doorgeeft. ! Wanneer de [START/STOP] toets wordt ingedrukt en meer dan 2 seconden ingedrukt wordt gehouden, wordt er een set MIDI-meldingen die corresponderen met de toets, fader of de posities van de instellingen verstuurd (Snapshot). ! Wanneer er nog eens op [ON/OFF (UTILITY)] wordt gedrukt, wordt het versturen van MIDI-meldingen gestopt. ! De MIDI-tijdklok (met BPM-informatie) wordt altijd verzonden, ongeacht de status van de [ON/OFF/UTILITY] knop. Voorbereidingen voor het gebruiken van de MIDI LFOfunctie De MIDI-compatibele software, apparatuur enz. (hieronder de “MIDI-ontvangstkant” genoemd) moet worden voorbereid (“geleerd”) voor de MIDI LFO-functie gebruikt kan worden. Voer de juiste handelingen voor het “leren” uit aan de MIDI-ontvangstkant. ! Zie voor de berichten die dit toestel doorgeeft Lijst van MIDI-berichten op bladzijde 21.

Druk op de [ON/OFF (UTILITY)] knop. Schakel de MIDI-functie in. 2 Verdraai de [DELAY, ECHO, SPIRAL, REVERB, TRANS, FILTER, FLANGER, PHASER, ROBOT, MELODIC, SLIP ROLL, ROLL, REV ROLL, SND/RTN (MIDI LFO)] keuzeschakelaar. Selecteer [SND/RTN (MIDI LFO)]. [S/RhLFO] knippert op het effectgedeelte van het display, waarna [SND/RTN] zal verschijnen.

Druk op de [ON/OFF] toets voor [BEAT EFFECTS]. Gebruiken van MIDI LFO Maak van tevoren de voorbereidingen volgens de procedure onder Voorbereidingen voor het gebruiken van de MIDI LFO-functie. 1 Verdraai de [DELAY, ECHO, SPIRAL, REVERB, TRANS, FILTER, FLANGER, PHASER, ROBOT, MELODIC, SLIP ROLL, ROLL, REV ROLL, SND/RTN (MIDI LFO)] keuzeschakelaar. Selecteer [SND/RTN (MIDI LFO)]. [S/RhLFO] knippert op het effectgedeelte van het display, waarna [SND/RTN] zal verschijnen.

Druk op de [LFO FORM (WAKE UP)] knop. De verzending van MIDI-signalen begint. Het golfvormpatroon van het MIDI-signaal verandert telkens wanneer er op [LFO FORM (WAKE UP)] wordt gedrukt. [SND/RTN] [7/7

Druk op de [BEAT c, d] toets. Stel de uitvoertijd voor de golfvorm van het MIDI-signaal in.

Druk op [ON/OFF] of [BEAT EFFECTS], of raak het [X-PAD] aan. De MIDI-melding voor het inschakelen van het effect wordt verstuurd. ! Wanneer de [LFO FORM (WAKE UP)]-toets wordt ingedrukt en een instelling van [1/7 ] – [7/7 ] wordt geselecteerd, kan de MIDI-melding voor de onderstaande toetsen en bedieningsorganen ook worden verzonden wanneer de MIDI-stand is uitgeschakeld. — [X-PAD] (Aanraken n loslaten) — [CUE]-toets voor het [BEAT EFFECTS] — [1, 2, 3, 4, MIC, CF.A, CF.B, MASTER] keuzeschakelaar — [LEVEL/DEPTH] instelling — [ON/OFF]-toets voor het [BEAT EFFECTS] ! Wanneer de [LFO FORM (WAKE UP)]-toets wordt ingedrukt om te schakelen tussen [SND/RTN] en [MIDI LFO], zal BEAT EFFECT automatisch worden uitgeschakeld. ! Het is niet mogelijk te schakelen te schakelen tussen [SND/RTN] en [MIDI LFO] terwijl het [X-PAD] wordt aangeraakt. Verzenden van de berichten voor MIDI-start en MIDI-stop Druk op de [START/STOP] toets voor [MIDI].

De berichten voor MIDI-start en MIDI-stop worden beurtelings verzonden, telkens wanneer u op de [START/STOP]-toets drukt, ongeacht of de MIDI-functie aan of uit staat. Bediening van een externe MIDI-sequencer Dit toestel geeft ook informatie door over de stand van knoppen en schuifregelaars via het universele MIDI-protocol. Dit apparaat geeft het tempo van de weergegeven geluidsbron (de BPM-informatie) door als de MIDI-tijdklok. Dit kan worden gebruikt voor het synchroniseren van een externe MIDI-sequencer met het tempo van de geluidsbron. ! Zie voor de berichten die dit toestel doorgeeft Lijst van MIDI-berichten op bladzijde 21. ! Externe MIDI-sequencers die niet geschikt zijn voor de MIDI-tijdklok kunnen niet worden gesynchroniseerd. ! Externe MIDI-sequencers kunnen niet worden gesynchroniseerd voor geluidsbronnen waarvan het BPM-tempo niet betrouwbaar kan worden gemeten. ! MIDI-tijdkloksignalen worden ook doorgegeven bij BPM-waarden die handmatig zijn ingevoerd door het aantikken van de [TAP]-toets met een vinger. Het bereik van de MIDI-tijdklok loopt van 40 BPM tot 250 BPM. Laat de MIDI-ontvangstkant de MIDI-melding van de [ON/OFF]-toets met betrekking tot het [BEAT EFFECTS] leren. ! De MIDI-melding die door de [ON/OFF]-toets wordt verstuurd met betrekking tot het [BEAT EFFECTS] verschilt wanneer [SND/RTN (MIDI LFO)] is geselecteerd en wanneer iets anders dan [SND/RTN (MIDI LFO)] is geselecteerd. De MIDI-melding van de [ON/OFF]-toets met betrekking tot het [BEAT EFFECTS] wanneer [SND/RTN (MIDI LFO)] is geselecteerd, wordt alleen verzonden wanneer de handeling wordt uitgevoerd volgens deze procedure. 1 Verbind de [MIDI OUT]-aansluiting met de MIDI IN-aansluiting van de externe MIDI-sequencer met een in de handel verkrijgbare MIDI-kabel.

Het MIDI-startbericht wordt verzonden. Druk op de [LFO FORM (WAKE UP)] knop. Laat de MIDI-ontvangstkant de MIDI-melding van de [LFO FORM (WAKE UP)]-toets leren. [1/7 ] en [1/7 LFO] verschijnen om en om op het effectgedeelte van het display. ! Stel indien nodig de MIDI-mapping in voor andere toetsen en bedieningsorganen. Nederlands

Omdat de MIDI-melding van de [LFO FORM (WAKE UP)]-toets als een reeks instructies wordt verzonden, kan het zijn dat, mede afhankelijk van de instellingen aan de MIDI-ontvangstkant, de MIDI-melding niet “geleerd” kan worden. Druk op de [LFO FORM(WAKE UP)]-toets en schakel over naar [SND/RTN] om de MIDI-mapping voor andere toetsen en bedieningsorganen in te stellen. 2 Stel de synchronisatiefunctie van de externe MIDI-sequencer in op “Slave”.

Druk op de [START/STOP] toets voor [MIDI]. Druk op [ON/OFF] in het [MIDI]-gedeelte. De verzending van MIDI-berichten begint.

Soorten effecten Inkomend geluid weggedraaid Soorten SOUND COLOR FX effecten Effectnaam Beschrijving COLOR instelling SPACE Voegt een nagalmeffect toe aan het oorspronkelijke geluid. Tegen de klok in draaien: Voegt het nagalmeffect toe aan de midden- en lage tonen. Met de klok mee draaien: Voegt het nagalmeffect toe aan de midden- en hoge tonen. DUB ECHO Voegt een echo-effect toe, waarbij het geluid een korte tijd na het oorspronkelijke geluid herhaaldelijk wordt weergegeven en wegsterft. Tegen de klok in draaien: Voegt het echoeffect alleen toe aan de middentonen. Met de klok mee draaien: Voegt het echoeffect alleen toe aan de hoge tonen. GATE/COMP Verandert de textuur van het algehele geluid. Tegen de klok in draaien: Een gate-effect maakt het geluid strakker, met een verminderd gevoel van volume. Met de klok mee draaien: Een compressoreffect maakt het geluid vetter, met een verhoogd gevoel van volume. NOISE Witte ruis geproduceerd binnenin dit apparaat wordt samengemengd met het geluid van het kanaal via een filter en dan weergegeven. ! Het volume kan worden aangepast door de [TRIM]-instellingen voor de respectievelijke kanalen te verdraaien. De geluidskwaliteit kan worden ingesteld door de [EQ/ISO (HI, MID, LOW)]-instellingen te verdraaien. Tegen de klok in draaien: De grensfrequentie voor het filter waardoor de witte ruis passeert wordt geleidelijk lager. Met de klok mee draaien: De grensfrequentie voor het filter waardoor de witte ruis passeert wordt geleidelijk hoger. Comprimeert het oorspronkelijke geluid voor weergave. Tegen de klok in draaien: Vergroot de vervorming van het geluid. Met de klok mee draaien: Het geluid wordt gecomprimeerd voor het door het hoogdoorlaatfilter passeert. Produceert geluid dat door een filter is gegaan. Tegen de klok in draaien: Vermindert de afsnijfrequentie van het laagdoorlaatfilter geleidelijk. Met de klok mee draaien: Verhoogt de afsnijfrequentie van het hoogdoorlaatfilter geleidelijk. CRUSH FILTER Uitfaden Tijd 1 beat BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een vertraging in te stellen van 1/8 – 16/1 in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de vertragingstijd in te stellen. 1 tot 4000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Gebruik deze om de balans te regelen van het oorspronkelijke geluid en het echogeluid. X-PAD (parameter 4) Gebruik deze om de vertragingstijd in te stellen. SPIRAL1 2 Deze functie voegt een nagalmeffect toe aan het inkomend geluid. Wanneer de vertraging wordt gewijzigd, verandert tegelijkertijd de toonhoogte. Inkomend geluid weggedraaid Uitfaden Tijd 1 beat BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een vertraging in te stellen van 1/8 – 16/1 in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de vertragingstijd in te stellen. 10 tot 4000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Gebruik dit om de balans te regelen van het oorspronkelijke geluid en het effectgeluid en om de kwantitatieve parameter in te stellen. X-PAD (parameter 4) Gebruik deze om de vertragingstijd in te stellen. REVERB1 2 Deze functie voegt een nagalmeffect toe aan het inkomend geluid. Direct geluid Niveau Soorten BEAT EFFECT DELAY1 Vroege weerkaatsingen Nagalm

Tijd 100% Een vertraagd geluid wordt één keer geproduceerd overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. Wanneer een 1/2 beat vertraagd geluid wordt toegevoegd, worden 4 beats nu 8 beats. Origineel (4 beats) 1/2-beat vertraging (8 beats) BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een vertraging in te stellen van 1/8 – 16/1 in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de vertragingstijd in te stellen. 1 tot 4000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Gebruik deze om de balans te regelen van het oorspronkelijke geluid en het vertraagde geluid. X-PAD (parameter 4) Gebruik deze om de vertragingstijd in te stellen. BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om de hoeveelheid nagalmeffect in te stellen, van 1 – 100 %. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de hoeveelheid nagalmeffect te regelen. 1 – 100 (%) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Regelt de balans tussen het oorspronkelijke geluid en het effectgeluid. X-PAD (parameter 4) Bepaalt de grensfrequentie voor het filter. TRANS1 Het geluid wordt afgesneden overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. Gekapt 1/1 beat

Gekapt Tijd ECHO1 2 BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een afsnijtijd in te stellen van 1/16 – 16/1 in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. Een vertraagd geluid wordt verschillende keren geleidelijk verzwakt geproduceerd overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. Met 1/1 beat-echo’s zullen de vertraagde geluiden wegsterven volgens het tempo van het muziekstuk, ook nadat het inkomend geluid al is afgekapt. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de effecttijd in te stellen. 10 tot 16000 (ms)

LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Regelt de balans tussen het oorspronkelijke geluid en het effectgeluid. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de hoeveelheid effectgeluid te regelen. -100–100 (%) X-PAD (parameter 4) Deze regelt de afsnijtijd. LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Regelt de balans tussen het oorspronkelijke geluid en het effectgeluid. X-PAD (parameter 4) Dit verandert de hoeveelheid effectgeluid. FILTER1 De afsnijfrequentie van het filter wordt gewijzigd overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. MELODIC1 2 Het middenbereik van het geluid dat binnenkomt op het punt waar de [ON/OFF]toets wordt ingedrukt zal worden opgenomen en het opgenomen geluid wordt gereproduceerd aan de hand van het niveau van het binnenkomende geluid. Frequentie BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om de cyclus in te stellen voor het verplaatsen van de afsnijfrequentie als tijd, 1/4 – 64/1, in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de plaats in te stellen waar de grensfrequentie verplaatst wordt. 10 tot 32000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Hoe verder u de regelknop naar rechts draait, des te geprononceerder klinkt het effect. X-PAD (parameter 4) De cyclus waarmee de grensfrequentie fluctueert, verandert met kleine beetjes. FLANGER1 Een flangereffect van 1-cyclus lang wordt geproduceerd overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. BEAT c, d toetsen (parameter 1) Dit stelt de manier in waarop het opgenomen geluid wordt afgespeeld. TIME instelling (parameter 2) Dit stelt de manier in waarop het opgenomen geluid wordt afgespeeld. LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Dit regelt de balans tussen het oorspronkelijke geluid en het opgenomen geluid. X-PAD (parameter 4) Dit stelt de manier in waarop het opgenomen geluid wordt afgespeeld. SLIP ROLL1 2 Het geluid dat wordt ingevoerd op het punt waar er op [ON/OFF] wordt gedrukt wordt opgenomen en het opgenomen geluid wordt herhaaldelijk gereproduceerd overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. Wanneer de effecttijd verandert, wordt het inkomend geluid opnieuw opgenomen. Origineel Korte vertraging Gewijzigd van 1/2 naar 1/1 Effect ingeschakeld Nederlands Tijd Herhaling Cyclus 1/2 herhaling BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een effecttijd in te stellen van 1/4 – 64/1 in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik dit om de cyclus in te stellen waarmee het flangereffect wordt verplaatst. 10 tot 32000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Hoe verder u de regelknop naar rechts draait, des te geprononceerder klinkt het effect. Wanneer u de knop geheel naar links draait, wordt alleen het oorspronkelijk geluid weergegeven. X-PAD (parameter 4) De cyclus waarmee het flangereffect fluctueert, verandert met kleine beetjes. 1/1 herhaling BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een effecttijd in te stellen van 1/16 – 16/1 in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de effecttijd in te stellen. 10 tot 4000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Gebruik deze om de balans te regelen van het oorspronkelijke geluid en de ROLL. X-PAD (parameter 4) Gebruik deze om de effecttijd in te stellen. ROLL1 2 PHASER1 Het phasereffect wordt gewijzigd overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. Het geluid dat wordt ingevoerd op het punt waar er op [ON/OFF] wordt gedrukt wordt opgenomen en het opgenomen geluid wordt herhaaldelijk gereproduceerd overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. Origineel Faseverschuiving Tijd Cyclus Effect ingeschakeld 1/1 herhaling BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om de cyclus in te stellen voor het verplaatsen van phasereffect als tijd, 1/4 – 64/1, in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Deze bepaalt de cyclus waarmee het phaser-effect wordt verplaatst. 10 tot 32000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Hoe verder u de regelknop naar rechts draait, des te geprononceerder klinkt het effect. Wanneer u de knop geheel naar links draait, wordt alleen het oorspronkelijk geluid weergegeven. X-PAD (parameter 4) De cyclus waarmee het phasereffect fluctueert, verandert met kleine beetjes. Herhaald BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een effecttijd in te stellen van 1/16 – 16/1 in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de effecttijd in te stellen. 10 tot 4000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Gebruik deze om de balans te regelen van het oorspronkelijke geluid en de ROLL. X-PAD (parameter 4) Gebruik deze om de effecttijd in te stellen. REV ROLL1 2 ROBOT1 Het oorspronkelijke geluid wordt veranderd in een geluid als van een robot. BEAT c, d toetsen (parameter 1) Het geluid dat wordt ingevoerd op het punt waar er op [ON/OFF] wordt gedrukt wordt opgenomen en het opgenomen geluid wordt omgekeerd en dan herhaaldelijk gereproduceerd overeenkomstig de beatfractie die is ingesteld met de [BEAT c, d] toetsen. Gebruik deze om de hoeveelheid effectgeluid in te stellen, van -100 – 100 %.

Origineel Effect ingeschakeld 1/1 omkeerherhaling Omgekeerd en herhaald BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een effecttijd in te stellen van 1/16 – 16/1 in verhouding tot de tijd voor één beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de effecttijd in te stellen. 10 tot 4000 (ms) LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3) Gebruik deze om de balans te regelen van het oorspronkelijke geluid en de ROLL. X-PAD (parameter 4) Gebruik deze om de effecttijd in te stellen. SND/RTN (MIDI LFO) Hierop kunt u een externe effectgenerator, enz. aansluiten. Door op de [LFO FORM (WAKE UP)]-toets te drukken, kunnen MIDI-compatibele software en apparatuur worden aangestuurd via MIDI-signalen. SND/RTN1 Hierop kunt u een externe effectgenerator, enz. aansluiten. SEND RETURN

MIDI LFO Het MIDI-signaal (0 – 127) golfvorm wordt gewijzigd overeenkomstig het tempo van het fragment. Het golfvormpatroon van het MIDI-signaal verandert telkens wanneer er op [LFO FORM (WAKE UP)] wordt gedrukt. BEAT c, d toetsen (parameter 1) Gebruik deze om een uitvoertijd voor de golfvorm in te stellen van 1/4 – 64/1 ten opzichte van 1 beat van de BPM. TIME instelling (parameter 2) Gebruik deze om de uitvoertijd voor de golfvorm in te stellen. LEVEL/DEPTH instelling (parameter 3)

X-PAD (parameter 4) Dit wijzigt het golfvormpatroon van het MIDI-signaal.

Wanneer [MIDI LFO] is geselecteerd, wordt het geluid van de externe effectgenerator die is verbonden met de [RETURN]-aansluiting niet ontvangen. 1 Als het geluid voor het kanaal waarmee u wilt meeluisteren niet wordt weergegeven via het [MASTER] kanaal wanneer [CF.A], [CF.B] of [MASTER] is geselecteerd met de [1, 2, 3, 4, MIC, CF.A, CF.B, MASTER] keuzeschakelaar, kan er niet worden meegeluisterd, ook niet door op de [CUE] toets te drukken voor [BEAT EFFECTS]. 2 Als het effect uit is, kan er niet worden meegeluisterd, ook niet als er op de [CUE] toets voor [BEAT EFFECTS] wordt gedrukt.

UIT=0, AN=127 BEAT EFFECTS EFFECT SELECT Nederlands CH4 SW-naam

TIME waarde (Wanneer FLANGER, PHASER of FILTER is geselecteerd, wordt de waarde gehalveerd. Wanneer een negatieve waarde is geselecteerd, wordt deze ingesteld op een positieve waarde.) LEVEL/DEPTH

Verstuurt de [X-PAD] positieinformatie. ON/OFF X-PAD (aanraken) ! Wanneer er een ander effect dan [SND/RTN (MIDI LFO)] is geselecteerd bij BEAT EFFECT BTN

UIT=0, AN=127 ON/OFF X-PAD (aanraken) ! Wanneer [SND/RTN (MIDI LFO)] is geselecteerd bij BEAT EFFECT BTN

1 Wanneer het inschakelen van een toets de stand van een andere toets omschakelt van aan naar uit, worden de MIDI aan- en uit-signalen van de beide toetsen doorgegeven. Wanneer er geen toets is die wordt uitgeschakeld, wordt alleen het MIDI aan-signaal van de ingedrukte toets doorgegeven. 2 Bij omschakelen van de ene stand naar de andere, worden de MIDI ON en OFF signalen verstuurd voor de respectievelijke standen. ! Wanneer de [START/STOP]-toets meer dan 1 seconde ingedrukt wordt gehouden, worden MIDI-meldingen die corresponderen met de standen van de toetsen, faders en bedieningsorganen gebundeld verstuurd (Snapshot). Het MIDI Snapshot verstuurt alle MIDI-meldingen behalve MIDI Start en MIDI Stop.

Instellingen aanpassen

Houd [ON/OFF (UTILITY)] tenminste 1 seconde ingedrukt. Het [USER SETUP]-instelscherm verschijnt. ! Om het [CLUB SETUP]-instelscherm te openen, moet u dit toestel eerst uitschakelen, waarna u [POWER] weer indrukt terwijl u [ON/OFF (UTILITY)] ingedrukt houdt.

Druk op de [BEAT c, d] toets. Kies het in te stellen item.

Druk op de [TAP] toets. Het scherm schakelt over naar het instelscherm voor de waarde van het item in kwestie.

Druk op de [BEAT c, d] toets. Verander de ingestelde waarde.

Druk op de [TAP] toets. Voer de ingestelde waarde in. Het vorige scherm verschijnt weer. ! Druk op [QUANTIZE] om terug te keren naar het vorige scherm zonder de instellingen te veranderen.

Druk op de [ON/OFF (UTILITY)] knop. Sluit het [USER SETUP]-instelscherm. ! Om het [CLUB SETUP]-instelscherm te sluiten, drukt u op de [POWER]-toets om dit toestel uit te schakelen. Omtrent de automatische ruststandfunctie Wanneer [Auto Standby] staat ingesteld op [ON], wordt het toestel automatisch uit (standby) gezet als er meer dan 4 uur verstrijken en aan al de onderstaande voorwaarden is voldaan. — Als geen van de bedieningsknoppen of regelaars wordt bediend. — Als er geen geluidssignalen van –10 dB of meer binnenkomen via de ingangsaansluitingen van dit apparaat. — Als er geen PRO DJ LINK-aansluitingen worden gemaakt. ! Wanneer [LFO FORM (WAKE UP)] wordt ingedrukt, wordt de paraatstand geannuleerd. ! Bij aflevering van dit apparaat staat de energiebesparingsfunctie ingeschakeld. Als u de energiebesparingsfunctie niet wilt gebruiken, zet u [Auto Standby] op [OFF]. Over de talk-over functie (inspreekniveau) De talk-over functie (inspreekniveau) heeft de twee hieronder beschreven standen. — [ADV] (Geavanceerd inspreekniveau (talk-over)): Alleen de middentonen van het geluid van de kanalen anders dan het [MIC] kanaal worden verzwakt overeenkomstig de ingestelde [Talk Over LEVEL] waarde en de weergave.

Nederlands Frequentie — [NOR] (normaal inspreekniveau (talk-over)): Het geluid van de kanalen anders dan het [MIC] kanaal wordt verzwakt overeenkomstig de ingestelde [Talk Over LEVEL] waarde en de weergave.

Frequentie Voorkeurinstellingen maken *: Instellingen bij aanschaf Functie USER SETUP CLUB SETUP Optionele instellingen Schermweergave Ingestelde waarde Beschrijving Fader Start F.S. ON, OFF* Zet de fader-startfunctie aan en uit voor alle DJ-spelers die zijn verbonden met de [LINK]aansluitingen. MIDI CH MIDI CH 1* tot 16 Voor instellen van het MIDI-kanaal. MIDI Button Type MIDI BT TGL*, TRG Selecteert de MIDI-signaalverzendmethode, [TGL (TOGGLE)] of [TRG (TRIGGER)]. Talk Over Mode TLK MOD ADV*, NOR Selecteert de stand van de talk-over functie (inspreekniveau), [ADV(ADVANCED)] of [NOR(NORMAL)]. Talk Over LEVEL TLK LVL –6 dB, -12 dB, -18 dB*, -24 dB Stelt het verzwakkingsniveau in voor de talk-over functie (inspreekniveau). Digital Master Out Level DOUT LV –19 dB*、–15 dB、–10 dB、–5 dB Stelt het maximum niveau in van het geluid dat wordt weergegeven via de [DIGITAL MAS1 TER OUT]-aansluitingen. Digital Master Out Sampling Rate DOUT FS 48 kHz, 96 kHz* Stelt de digitale signaalbemonsteringswaarde in. MASTER ATT. MST ATT –6 dB, –3 dB, 0 dB* Stelt het verzwakkingsniveau in van het geluid dat wordt weergegeven via de [MASTER1] en [MASTER2]-aansluitingen. Auto Standby AUTOSTB ON*, OFF Activeert en deactiveert de automatische ruststandfunctie. Mic Output To Booth Monitor MIC BTH ON*, OFF Bepaalt of er wel of geen microfoongeluiden worden uitgestuurd via de [BOOTH]-aansluitingen. PC UTILITY PC UTLY ON*, OFF Stelt in of het instelhulpprogramma van de computer automatisch moet worden opgestart wanneer er een USB-kabel wordt aangesloten. Factory Reset INITIAL YES, NO* Alle instellingen in de beginstand terugzetten. 1: Let op, want het weergegeven geluid kan ook vervormd raken wanneer de masterniveau-indicator niet helemaal tot boven toe oplicht.

Aanvullende informatie Verhelpen van storingen

Verkeerde bediening kan vaak de oorzaak zijn van een schijnbare storing of foutieve werking. Wanneer u denkt dat er iets mis is met dit apparaat, controleert u eerst de onderstaande punten. Soms ligt de oorzaak van het probleem bij een ander apparaat. Controleer daarom ook de andere componenten en elektrische apparatuur die gebruikt wordt. Als u het probleem aan de hand van de onderstaande controlepunten niet kunt verhelpen, verzoekt u dan uw dichtstbijzijnde officiële Pioneer onderhoudsdienst of uw vakhandelaar om het apparaat te laten repareren. De disc-speler kan soms niet goed werken vanwege statische elektriciteit of andere externe invloeden. In dergelijke gevallen kunt u de normale werking herstellen door de stekker even uit het stopcontact te trekken en die even later weer in te steken. Probleem Controle De stroom wordt niet ingeschakeld. Er klinkt niet of nauwelijks geluid. Is het netsnoer naar behoren aangesloten? Staat de [DIGITAL, CD/LINE, PHONO, LINE, USB */*] keuzeschakelaar in de juiste stand? Zijn de aansluitsnoeren goed aangesloten? Zijn de aansluitbussen en de stekkers vuil? Oplossing Steek de netsnoerstekker in het stopcontact. Draai de [DIGITAL, CD/LINE, PHONO, LINE, USB */*] keuzeschakelaar naar de ingangsbron voor het kanaal. (bladzijde 14) Zorg dat de aansluitsnoeren juist zijn aangesloten. (bladzijde 7) Maak de aansluitbussen en de stekkers schoon voordat u aasluitingen gaat maken. Staat [MASTER ATT.] ingesteld op [–6 dB], enz.? Ga naar het [USER SETUP] scherm en wijzig [MASTER ATT.]. (bladzijde 23) Er wordt geen digitaal geluid weergegeven. Is de bemonsteringsfrequentie (fs) voor de digitale audioIn het [CLUB SETUP]-scherm stelt u [Digital Master Out Sampling Rate] in uitgang wel geschikt voor het aangesloten apparaat? volgens de specificaties van de aangesloten apparatuur. (bladzijde 23) Vervorming in het geluid. Is het uitgangsniveau van de geluidsweergave via het [MAS- Verstel de [MASTER LEVEL]-instelling zodanig dat de hoofdkanaalniveau-indicaTER] kanaal correct ingesteld? tor oplicht tot ongeveer [0 dB] bij het pieksignaalniveau. (bladzijde 14) Stel [MASTER ATT.] in op [–3 dB] of [–6 dB]. (bladzijde 23) Is het niveau van het inkomend geluid voor elk kanaal goed Verstel de [TRIM]-instelling zodanig dat de kanaalniveau-indicator oplicht tot ingesteld? ongeveer [0 dB] bij het pieksignaalniveau. (bladzijde 14) De crossfader werkt niet. Zijn de CROSS FADER ASSIGN (A, THRU, B) keuzeschakeStel de [CROSS FADER ASSIGN (A, THRU, B)] keuzeschakelaar correct in voor laars correct ingesteld? de diverse kanalen. (bladzijde 14) Het starten van de DJ-spaler via de fader lukt niet. Staat [FADER START] ingesteld op [OFF]? Ga naar het [USER SETUP] scherm en stel [FADER START] in op [ON]. (bladzijde 23) Is de DJ-speler juist aangesloten op de [LINK]-aansluiting? Zorg dat de DJ-speler juist is aangesloten op de [LINK]-aansluiting via een LANkabel. (bladzijde 7) Zijn de audiosnoeren goed aangesloten? Sluit de audio-ingangsaansluitingen van dit apparaat met een audiosnoer aan op de audio-uitgangsaansluitingen van de DJ-speler. (bladzijde 7) Is het nummer van de DJ-speler correct ingesteld? Stel voor de DJ-speler hetzelfde nummer in als voor het kanaal waarmee de audiokabel is verbonden. De [BEAT EFFECTS] werkt niet. Is de [1, 2, 3, 4, MIC, CF.A, CF.B, MASTER] keuzeschakelaar Draai de [1, 2, 3, 4, MIC, CF.A, CF.B, MASTER] keuzeschakelaar en selecteer het correct ingesteld? kanaal waarop u het effect wilt toepassen. [SOUND COLOR FX] werkt niet. Staat de [COLOR]-instelling in een geschikte stand? Draai de [COLOR]-instelling met de klok mee of er tegenin. (bladzijde 15) De externe effectgenerator is niet te gebruiken. Is de [ON/OFF] toets voor [BEAT EFFECTS] ingesteld op [ON]? Druk op de [ON/OFF] toets voor [BEAT EFFECTS] om [SND/RTN] in te stellen op [ON]. (bladzijde 16) Is de externe effectgenerator juist aangesloten op de [SEND] Sluit een externe effectgenerator aan op de [SEND] en de [RETURN]-aansluitinof [RETURN]-aansluiting? gen. (bladzijde 7) Vervorming in het geluid van een externe effectgenerator. Is het audio-uitgangsniveau van de externe effectgenerator Verstel het audio-uitgangsniveau van de externe effectgenerator. wel juist ingesteld? Het tempo (BPM) is niet meetbaar of de gemeten waarde Staat het audio-ingangsniveau te hoog of te laag ingesteld? Verstel de [TRIM]-instelling zodanig dat de kanaalniveau-indicator oplicht tot van het tempo (BPM) is onwaarschijnlijk. ongeveer [0 dB] bij het pieksignaalniveau. (bladzijde 14) Bij sommige muziekstukken kan het niet goed mogelijk zijn om het tempo (BPM) te meten. Gebruik de [TAP] toets om het tempo met de hand in te voeren. (bladzijde 16) Het gemeten tempo (BPM) verschilt van het tempo dat De waarden kunnen wel eens ietwat verschillen, vanwege de verschillende staat aangegeven op de CD. meetmethoden voor het BPM. Wellicht is het niet nodig correcties te maken. De MIDI-sequencer laat zich niet synchroniseren. Is de synchronisatiefunctie van de MIDI-sequencer ingesteld Stel de synchronisatiefunctie van de MIDI-sequencer in op “Slave”. op “Slave”? Is de MIDI-sequencer die u gebruikt wel geschikt voor de MIDI-sequencers die niet geschikt zijn voor de MIDI-tijdklok kunnen niet worden MIDI-tijdklok? gesynchroniseerd. De MIDI-bedieningsfunctie werkt niet. Staat het MIDI-kanaal wel ingeschakeld? Druk op de [ON/OFF] toets voor [MIDI]. (Bedienen van DJ-software met de MIDIfunctie op bladzijde 17) Zijn alle MIDI-instellingen naar behoren gemaakt? Voor het gebruik van DJ-programma’s met dit apparaat moeten de MIDIberichten worden toegewezen aan het DJ-programma dat u gebruikt. Zie voor nadere aanwijzingen voor het toewijzen van berichten de handleiding van uw DJ-software. Dit apparaat wordt niet herkend nadat het is aangesloten Is het stuurprogramma wel goed geïnstalleerd op uw comInstalleer het stuurprogramma. Als het reeds geïnstalleerd is, moet u het op een computer. puter? opnieuw installeren. (bladzijde 8) USB-indicator is uit of knippert. Het geluid van een computer wordt niet weergegeven Zijn dit apparaat en de computer wel juist aangesloten? Sluit dit apparaat aan op uw computer met een USB-kabel. (bladzijde 8) door dit apparaat. Zijn de instellingen voor de geluidsweergave-apparatuur naar Stel in op dit apparaat onder de instellingen voor de geluidsweergave-apparabehoren gemaakt? tuur. Zie voor nadere aanwijzingen over de instellingen voor uw applicatie de gebruiksaanwijzing voor uw applicatie. Staat de [DIGITAL, CD/LINE, PHONO, LINE, USB */*] keuze- Stel de [DIGITAL, CD/LINE, PHONO, LINE, USB */*] keuzeschakelaar in op de schakelaar in de juiste stand? [USB */*] stand. (bladzijde 14) Er kan niet worden meegeluisterd met effectgeluid, ook Het circuit dat de echo voor de [ECHO], [REVERB], [ROLL], [SLIP ROLL] en [REV niet wanneer er op de [CUE] toets voor [BEAT EFFECTS] ROLL]-effectgeluiden genereert, bevindt zich achter het effectcircuit, dus het wordt gedrukt. effectgeluid kan niet worden gecontroleerd. Dit is geen storing. Het geluid zal worden vervormd wanneer een analoge Heeft u een analoge speler aangesloten met een ingebouwde Voor analoge spelers met ingebouwde phono-equalizers moet u de speler speler wordt verbonden met de [PHONO] aansluitingen phono-equalizer? aansluiten op de [CD/LINE] of [LINE]-aansluitingen. (bladzijde 7) van dit toestel. Als de analoge speler met ingebouwde phono-equalizer een PHONO/LINE Het is ook mogelijk dat de indicator voor het kanaalniveau keuzeschakelaar heeft, moet u deze op PHONO zetten. niet veranderd, ook niet wanneer er aan [TRIM] wordt Is er een audio-interface voor computers aangesloten tussen Als de audio-interface voor computers een uitgang op lijnniveau heeft, moet u gedraaid. de analoge speler en dit toestel? deze aansluiten op de [CD/LINE] of [LINE]-aansluiting. (bladzijde 7) Als de analoge speler een PHONO/LINE keuzeschakelaar heeft, moet u deze op PHONO zetten.

Beperkte aansprakelijkheid

  • Pioneer en rekordbox zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Pioneer Corporation. ! Microsoft®, Windows Vista® en Windows® zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/of andere landen. ! Apple, Macintosh en Mac OS zijn handelsmerken van Apple Inc., geregistreerd in de V.S. en andere landen. ! ASIO is een handelsmerk van Steinberg Media Technologies GmbH. De hierin vermelde namen van bedrijven en hun producten zijn de handelsmerken van hun respectieve eigenaars. Specificaties DIGITAL MASTER OUT coaxiale uitgangsaansluiting Tulpstekkerbussen p. 1
  • set MIDI OUT-aansluiting 5-polige DIN p. 1
  • stk. PHONES-uitgangsaansluiting Stereo-klinkstekkerbus (Ø 6,3 mm) p. 1
  • st. USB-aansluiting B type p. 1
  • set LINK-aansluiting LAN-aansluiting (100Base-TX) stk. p. 1

De technische gegevens en het ontwerp van dit product kunnen vanwege voortgaande verbetering zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.