CM E1 - Multimeter BENNING - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis CM E1 BENNING in PDF-formaat.
| Producttype | Aardingsmultimetertang |
| Merk | BENNING |
| Model | CM E1 |
| Categorie | Multimeter |
| Afmetingen (L x B x H) | 276 x 100 x 47 mm |
| Gewicht | Ongeveer 750 g (met batterijen) |
| Voeding | 9 V blokbatterij (IEC 6 LR 61) |
| Tangopening | 38 mm |
| Weergave | Digitale LCD 4 cijfers (9999 punten) |
| Meetfuncties | Aardlusweerstand (0,025 Ω - 1500 Ω), wisselstroom / lekstroom (0,300 mA - 35,00 A) |
| Meetnauwkeurigheid (weerstand) | ± (1,5 % tot 20 %) afhankelijk van bereik |
| Meetnauwkeurigheid (stroom) | ± (2,0 % tot 3,0 %) afhankelijk van bereik |
| Speciale functies | Gegevensregistratie (116 waarden), alarmdrempels HI/LO, HOLD-functie, automatische uitschakeling (APO), zelfkalibratie |
| Overspanningscategorie | CAT III 300 V |
| Vervuilingsgraad | 2 |
| Beschermingsgraad | IP30 |
| Gebruikstemperatuur | 0 °C tot 50 °C (vochtigheid < 85 %) |
| Opslagtemperatuur | -20 °C tot +60 °C (vochtigheid < 75 % zonder batterijen) |
| Normen | DIN VDE 0411 Deel 1/EN 61010-1, DIN VDE 0413 Deel 5/EN 61557-5 |
| Onderhoud | Reiniging met droge doek en mild reinigingsmiddel; oplosmiddelen vermijden |
| Repareerbaarheid | Reparatie alleen door gekwalificeerd personeel; jaarlijkse kalibratie aanbevolen |
| Inhoud van de verpakking | Apparaat, transportkoffer, referentie weerstandslus, 9 V batterij, gebruiksaanwijzing |
Veelgestelde vragen - CM E1 BENNING
Gebruikersvragen over CM E1 BENNING
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding CM E1 - BENNING en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. CM E1 van het merk BENNING.
GEBRUIKSAANWIJZING CM E1 BENNING
Gebruiksaanwijzing BENNING CM E1
Aardingsmeetang om de
- weerstand van aardlussen te meten
- wisselstroom-/lekstroommeting
Inhoud
- Opmerkingen voor de gebruiker.
- Veiligheidsvoorschriften.
- Leveringsomvang.
- Beschrijving van het apparaat.
- Algemene kenmerken.
- Gebruiksomstandigheden.
- Elektrische gegevens.
- Meten met de BENNING CM E1
- Onderhoud.
- Milieu
1. Opmerkingen voor de gebruiker
Deze gebruiksaanwijziging is bedoeld voor:
- Elektriciens.
- Elektrotechnici.
De BENNING CM E1 is bedoeld voor metingen in droge ruimtes en mag niet worden gebruikt in elektrische circuits met een nominale spanning hoger dan CAT III 300 V. (zie ook pt. 6: „Gebruiksomstandigheden“).
In de gebruiksaanwijzing en op de BENNING CM E1 worden de volgende symbolen gebruikt:

Aanleggen om GEVAARLIJKE ACTIEVE geleider of demonteren van deze is toegestaan. Waarschuwing voor gevaarlijke spanning!

Verwijst naar voorschriften die in acht genomen moeten worden om gevaar voor de omgeving te vermijden. Let op de gebruiksaanwijzing!

Dit symbool geeft aan dat de aanwijzingen in de handleiding in acht genomen moeten worden om gevaar te voorkomen.

Meetcategorie III is bruikbaar voor test- en meetcircuits die op de verdeelkring van het laagspanningsnet van het gebouw aangesloten zijn.

Dit symbool geeft aan dat de BENNING CM 1-4 dubbel geïsoleerd is (bescherminingsklasse II).

Zie de gebruikershandleiding.

Dit symbool verschijnt in het scherm bij een te lage batterijspanning.

AC: wisselspanning/-stroom

Aarding (spanning t.o.v. aarde)
2. Veiligheidsvoorschriften
Dit apparaat is vervaardigd en getest volgens de voorschriften:
DIN VDE 0411 deel 1/ EN 61010-1
DIN VDE 0411 deel 2-032/EN 61010-2-032
DIN VDE 0413 deel 5/ EN 61557-5
DIN VDE 0843-20 deel 1/ EN 61326-1
en heeft, vanuit een veiligheidstechnisch oogpunt, de fabriek verlaten in een perfecte staat. Om deze staat te handhaven en om zeker te zijn van gebruik zonder gevaar, dient de gebruiker goed te letten op de aanwijzingen en waarschuwingen zoals aangegeven in deze gebruiksaanwijzing. Een verkeerd gebruik en niet-naleving van de waarschuwingen kan ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben.

Wees extreem voorzichtig tijdens het werken met blanke draden of hoofdleidingen. Contact met spanningsvoerende leidingen kan elektrocutie veroorzaken.

Elke keer, voordat het apparaat in gebruik wordt genomen, moet het worden gecontroleerd op beschadigingen. Ook de veiligheidsmeetsnoeren moeten gecontroleerd te worden.
Bij constatering dat het apparaat niet meer zonder gevaar kan worden gebruikt, mag het dan ook niet meer worden ingezet, maar zodanig worden opgeborgen dat het, ook niet bij toeval, niet meer gebruikt kan worden.
Ga ervan uit dat gebruik van het apparaat zonder gevaar niet meer mogelijk is:
- bij zichtbare schade aan de behuizing van het apparaat
- als het apparaat niet meer (goed) werkt
- na langdurige opslag onder ongunstige omstandigheden
- na zware belasting of mogelijke schade ten gevolge van transport of onoordeelkundig gebruik, of
- het apparaat vochtig zijn.

Onderhoud:
Het apparaat niet openen, zij bevat geen onderdelen die door de gebruiker te repareren zijn. Reparatie en service alleen door gekwalificeerd personeel.

Reiniging:
Reinig de buitenkant regelmatig met een doek en reinigingsmiddel en wrijf deze aansluitend goed droog. Gebruik geen schuurof oplosmiddelen.
3. Leveringsomvang
Bij de levering van de BENNING CM E1 behoren:
3.1 Eén BENNING CM E1
3.2 Eén transportkoffer met schouderriem (10217859)
3.3 Eén referentieweerstand (10217860)
3.4 Eén batterij van 9 V
3.5 Eén gebruiksaanwijzing.
Opmerking t.a.v. aan slijtage onderhevige onderdelen:
- De BENNING CM E1 wordt gevoed door een batterij van 9 V (IEC 6 L R61).
4. Beschrijving van het apparaat
zie fig. 1: Voorzijde van het apparaat
Hieronder volgt een beschrijving van de in fig. 1 aangegeven informatie- en bedieningselementen:
① Meettang, op de aard(leiding)aansluiting te plaatsen
② HOLD-toets voor opslag in het geheugen van de weergegeven meetwaarde
③ Draaischakelaar voor functiekeuze
4 Digitale weergave (LCD)
5 REC-toets, voor het activeren van de datalogger/opslag
6 ▼-toets, om de instelwaarde te verlagen
⑦ Openingshendel om de stroomtang te openen en te sluiten
8 ▲-toets, om de instelwaarde te verhogen
⑨ FUNC-toets, functietoets voor het kiezen van de alarmdrempels, de bemonsteringssnelheid en het nummer van de geheugenlocatie
zie fig. 2: Digitaal display
De in afb. 2 aangegeven symbolen zijn de volgende:
A onderdisplay, voor de functiebrowser en het nummer van de geheugenlocatie
B digitale weergave, voor de meetwaarde, alarmdrempel, bemonsteringssnelheid
© Ω ohm, eenheid van de aardlusweerstandsmeting
D mA, eenheid van de (lek)stroommeting
E ,ardlusweerstandsmeting met akoestische alarmfunctie
F NOISE, stoorsignaal vastgesteld, meting kan beïnvloed zijn
G eettang niet correct gesloten
H : weergave van de batterijcapaciteit
① NO. nummer geheugenlocatie
J REC, datalogger actief
K AP, automatische uitschakeling actief (APO actief)
5. Functies van de aardingsmeettang
5.1 Algemene gegevens
5.1.1 De numerieke waarden zijn op een display (LCD) Ⓑ af te lezen met 4 cijfers van 11 mm hoog en een komma voor de decimalen. De grootst mogelijk af te lezen waarde is 9999.
5.1.2 De bereiksoverschrijding wordt met „OL“ of „-OL“. Let op: geen aanduiding en waarschuwing bij overbelasting.
5.1.3 De draaischakelaar ③ dient om de meetfunctie te selecteren. De keuze van het meetbereik gebeurt automatisch.
5.1.4 HOLD-toetsfunctie: Door de HOLD-toets ② te bedienen, kan het meetresultaat worden opgeslagen. Op het display ④ verschijnt tegelijk het symbool "H".
5.1.5 REC-toets: Voor het activeren van de datalogger, resp. voor het opslaan van een meetwaarde in het interne geheugen.
5.1.6 FUNC-toets: Functietoets voor het kiezen van de alarmdrempels 'HI' (high), 'LO' (low), de bemonsteringssnelheid 'SEC' (seconden) en het nummer van de geheugenlocatie 'NO.' (1-116).
5.1.7 De meetfrequentie bij cijferweergave van de BENNING CM E1 bedraagt gemiddeld 2 metingen per seconde.
5.1.8 De BENNING CM E1 wordt in- en uitgeschakeld met de draaischakelaar ③. Uitschakelstand is "OFF".
5.1.9 De BENNING CM E1 schakelt na ong. 4 tot 6 min. automatisch uit (APO, Auto-Power-Off is geactiveerd bij het verschijnen van het AP-symbol K in de weergave ④). Deze functie kan gedeactiveerd worden door de draaischakelaar ③ in de 'OFF'-stand te zetten. De automatische uitschakeling kan worden gedeactiveerd door de FUNC-toets ⑨ te bedienen en de BENNING CM E1 tegelijk vanuit de schakelaarstand "OFF" in te schakelen. Het AP-pictogram K op het display ④ verdwijnt.
5.1.10 De BENNING CM E1 wordt gevoed door een blokbatterij van 9 V (IEC 6 LR 61).
5.1.11 Indien de batterijen onder de minimaal benodigde spanning dalen, verschijnt het batterijsymbol H in het scherm 4.
5.1.12 De levensduur van de batterij is afhankelijk van de toegepaste meetfunctie en is goed voor ong. 3000 metingen.
5.1.13 De temperatuurcoëfficiënt van de gemeten waarde: 0,1 x (aangegeven nauwkeurigheid van de gemeten waarde)/ °C < 18 °C of > 28 °C, t.o.v. de waarde bij een referentietemperatuur van 23 °C
5.1.14 Afmetingen van het apparaat: L x B x H = 276 x 100 x 47 mm Gewicht: ongeveer 750 gram (incl. batterijen)
5.1.15 Maximale opening van de stroomtang: 38 mm
5.2 Alarmdrempels voor de aardlusweerstand instellen
Bij het meten van de aardlusweerstand kan een bovenste (HI) en onderste (LO) alarmdrempel ingesteld worden. Kies met draaischakelaar ③ de functie Ω en druk op de FUNC-toets ⑨ tot het HI- of LO-symbol in de onderdisplay A verschijnt. Met een druk op de ▼-toets ⑥ en ▲-toets ⑧ kan de alarmdrempel van 0 ohm tot 1510 ohm, resp. OL bijgesteld worden. Nadat u een of beide alarmdrempels hebt ingesteld, drukt
u op de FUNC-toets ⑨ tot de onderdisplay A verdwijnt.
Zodra de draaischakelaar op de + stand gezet wordt, vergelijkt de aardingsmeetang de afgelezen waarde met de bovenste en onderste alarmdrempel.
Wanneer de afgelezen waarde de bovenste alarmdrempel overschrijdt, weerklinkt een pulserend geluidssignaal en verschijnt het 'HI--'-symbool.
Wanneer de afgelezen waarde tot onder de onderste alarmdrempel zakt, weerklinkt een pulserend geluidssignaal en verschijnt het 'LO--'-symbool.

Tip:
- Voor het deactiveren van de alarmdrempels kunt u de bovenste alarmdrempel (HI) op 'OL' en de onderste alarmdrempel (LO) op '0' zetten.
- De bovenste alarmdrempel (HI) kan niet lager zijn dan de onderste alarmdrempel (LO), en de onderste alarmdrempel (LO) kan niet hoger zijn dan de bovenste alarmdrempel (HI).
- Bij een actieve datalogger is de akoestische alarmfunctie gedeactiveerd.
- De ingestelde alarmdrempels blijven van toepassing tot de volgende aanpassing.
5.3 Datalogfunctie
Dankzij de datalogfunctie kunnen een reeks metingen (Funktion Ω/ Ω), mA/ A) met een vooraf gedefini- eerd meetinterval (bemonsteringssnelheid) automatisch en manueel bewaard worden. Het is mogelijk om tot 116 meetwaarden op te slaan. Het meetinterval ligt tussen 1 s en 255 s. De meetwaarden kunnen op een later tijdstip worden afgelezen van de display ④.
5.3.1 Bemonsteringssnelheid afstellen
Druk meermaals op de FUNC-toets ⑨ tot het 'SEC'-symbool in de onderdisplay A verschijnt. In de digitale weergave B wordt de bemonsteringssnelheid in seconden weergegeven. Met een druk op de ▼-toets ⑥ en ▲-toets ⑧ kan de bemonsteringssnelheid bijgesteld worden, van 1 s tot 255 s. Met een lange druk op de knop kunt u het instellen versnellen. Druk vervolgens meermaals op de FUNC-toets ⑨ tot de onder-display A verdwijnt.
Tip:
Om slechts één meetwaarde te bewaren, kiest u voor een bemonsteringssnelheid van 0 s. Bij iedere druk op de REC-toets ⑤ wordt de opeenvolgende meetwaarde in het interne geheugen getoond en verschijnt het nummer van de geheugenlocatie kortstondig in de onderdisplay A.

text_image
SET 00015.3.2 Start en stop de datalogger
Met een druk op de REC-toets ⑤ activeert u de datalogger en verschijnt gelijktijdig het REC-symbool ① in de digitale weergave ④. De meetwaarden worden rekening houdend met de ingestelde bemonsterings-snelheid opgeslagen in het interne geheugen.
De Datalogger wordt door het indrukken van de REC-toets ⑤ gestopt en stopt automatisch wanneer het meetwaardegeheugen vol is. Het REC-symbool ① in de digitale weergave ④ verdwijnt.
5.3.3 Meetwaarden laden
Druk meermaals op de FUNC-toets ⑨ tot het 'NO.'-symbool ① in de onderdisplay ④ verschijnt. Met een druk op de ▼-toets ⑥ en ▲-toets ⑧ verschijnt het nummer van de geheugenlocatie op de onderdisplay ⑨ met de daarbij horende meetwaarde in de digitale weergave ⑩.

Het volledige meetwaardegeheugen kan gewist worden met een druk op de REC-toets ⑤ terwijl u de draai-schakelaar van de BENNING CM E1 uit de 'OFF'-stand zet. Wanneer het 'CL'-symbool in de weergave ④ verschijnt, is het meetwaardegeheugen gewist.

text_image
115.4 Werkingsprincipe van de aardlusweerstandsmeting
De aardlusweerstandsmeting wordt gebruikt om de aardweerstand te meten en heeft het voordeel dat er geen extra sondes / hulpaardingen nodig zijn en de aarding zelf niet gesplitst hoeft te worden. Deze meting wordt gebruikt voor elektrische installaties met meerdere parallelle aardaansluitingen, zoals bijvoorbeeld bij bovengrondse hoogspanningsleidingen met mastaarding en bliksembeveiligings- en straatverlichtings-systemen.
De BENNING CM E1 beschikt over een speciaal afgeschermde meettang ① met geïntegreerde bekrachtigings- en sensorwikkeling. De bekrachtigingswikkeling induceert een stroom tegen een bepaalde wisselspanning E in de omsloten aard(leiding)aansluiting. Via de sensorwikkeling wordt de stroom I gemeten. De BENNING CM E1 berekent en toont de weerstand van alle aardlussen Rs samen.
$$ R s = E / I \quad \text { waarbij geldt dat: } \quad R s = R x + (R 1 \text { II } R 2 \dots \text { II } R N) + R b + R I $$
$$ \text { met } (R 1 \text { II } R 2 \dots \text { II } R n) < < R x \text { en } (R b + R l) < R x \quad \text { daaruit volgt dat } R s \approx R x $$
Dit betekent dat de door de BENNING CM E1 gemeten aardlusweerstand Rs steeds groter is dan de gezochte aardingsweerstand Rx. Hoe hoger het aantal parallelle aardingen, hoe preciezer de benadering tussen de afgelezen waarde Rs en de gezochte aardingsweerstand Rx. Wanneer de aangegeven weerstandswaarde te hoog is, moet de aardaansluiting gecontroleerd worden.
R1 ... RN: Parallelle aardingen, verwaarloosbaar hoe hoger het aantal
Rb: Weerstand van de aardbodem, gewoonlijk < 1 Ω
RI: Weerstand van de aardleidingen, gewoonlijk < 1 Ω
zie fig. 3: Aardlusweerstandsmeting
6. Gebruiksomstandigheden
- De BENNING CM E1 is bedoeld om gebruikt te worden voor metingen in droge ruimtes
- Barometrische hoogte bij metingen: 2000 m. maximaal
- Categorie van overbelasting/installatie IEC 60664/ IEC 61010 → 300 V categorie III
- Beschermingsgraad stofindringing: 2 volgens EN 61010-1
- Beschermingsgraad: IP 30 (DIN VDE 0470-1 IEC/ EN 60529)
- Betekenis IP 30: Het eerste cijfer (3); Bescherming tegen binnendringen van stof en vuil > 2,5 mm in doorsnede, (eerste cijfer is bescherming tegen stof/ vuil). Het tweede cijfer (0); Niet beschermd tegen water, (tweede cijfer is waterdichtheid).
- Werktemperatuur en relatieve vochtigheid:
Bij bedrijfstemperatuur van 0 °C tot 50 °C: relatieve luchtvochtigheid kleiner dan 85 %, nietcondense-rend.
- Bewaartemperatuur: De BENNING CM E1 kan zonder batterijen worden bewaard bij temperaturen van - 20 °C tot + 60 °C, relatieve luchtvochtigheid kleiner dan 75 %.
Opmerking: De nauwkeurigheid van de meting wordt aangegeven als som van:
- een relatief deel van de meetwaarde
- een aantal digits.
Deze nauwkeurigheid geldt bij temperaturen van 23 °C ± 5 °C bij een relatieve vochtigheid van de lucht < 80 %.
^*1 geldig voor een zuivere ohmse weerstand, een extern magnetisch veld < 30 A/m, een extern elektrisch veld < 1 V/m
Meetfrequentie: 3,333 kHz
Nauwkeurigheid van de referentieweerstand: ong. ± 1%
| Alarmdrempels | Bereik | Resolutie |
| Bovenste alarmdrempel (HI) | 0 - 1510 Ω | 1 Ω |
| Onderste alarmdrempel (LO) | 0 - 1510 Ω | 1 Ω |
7.2 Wisselstroom-/lekstroommeting
De meetwaarde wordt als echte effectieve waarde (TRUE RMS, AC-koppeling) verkregen en weergegeven. De kalibratie is afgestemd op een sinusvormige golfvorm. Bij afwijkingen van deze golfvorm wordt de aangegeven waarde onnauwkeuriger. Crest-factor < 3,5.
| Meetbereik Resolutie | Nauwkeurigheid v.d. meting bij 50 Hz < f < 60 Hz | |
| 0,300 mA - 1,000 mA | 0,001 mA | ± (2,0 % ± 0,05 mA) |
| 1,00 mA - 10,00 mA | 0,01 mA | ± (2,0 % ± 0,03 mA) |
| 10,0 mA - 100,0 mA | 0,1 mA | ± (2,0 % ± 0,3 mA) |
| 100 mA - 1000 mA | 1 mA | ± (2,0 % ± 3 mA) |
| 0,200 A - 4,000 A | 0,001 A | ± (2,0 % ± 0,03 A) |
| 4,00 A - 35,00 A | 0,01 A | ± (3,0 % ± 0,03 A) |
Beveiliging tegen overbelasting: 100 A
8. Meten met de BENNING CM E1
8.1 Voorbereiden van de metingen
Gebruik en bewaar de uitsluitend bij de aangegeven werk- en opslagtemperaturen. Niet blootstellen aan direct zonlicht.
- Storingsbronnen in de omgeving van de BENNING CM E1 kunnen leiden tot instabiele aanduiding en/of meetfouten.
8.2 Aardlusweerstandsmeting

Let op de maximale spanning t.o.v. aarde. Gevaarlijke spanning!
- Open de meettang en controleer of de metalen contactoppervlakken langs de binnenkant vrij zijn van stof- en vuildeeltjes.
- Laat de uiteinden van de meettang meermaals op elkaar klemmen (openen en sluiten), om zeker te zijn van een veilig contact.
- Zet de draaischakelaar ③ op de functie Ω (aardlusweerstand) of Ω+))) (aardlusweerstand met alarm). Wacht tot het einde van de zelfkalibratie (CAL 7, CAL 6, ..., CAL 2, CAL 1) wordt aangegeven met een geluidssignaal en het symbool '.OL' in de digitale weergave ⑧.
- Open de meettang en klem deze rond de aard(leiding)aansluiting die onderzocht moet worden. De uiteinden van de meettang moeten opnieuw meermaals op elkaar geklemd worden.
- De meetwaarde van de aardlusweerstand kan in de digitale weergave Ⓑ afgelezen worden.
Tip:
- Tijdens de zelfkalibratie mag de meettang ① niet op een leiding geklemd worden of geopend worden.
- Wanneer er geen einde komt aan de zelfkalibratie moet u de metalen contactoppervlakken langs de binnenkant controleren op stof- en vuildeeltjes.
- Wanneer tijdens de meting stoorsignalen (stroom > 3 A, spanning > 30 V) vastgesteld worden, verschijnt in de digitale weergave ④ het 'NOISE'-symbool F waarna de meting beïnvloed kan worden.
- Indien de meettang tijdens de meting niet correct gesloten werd, zal in de digitale weergave ④ het C-symbool G verschijnen.
zie fig. 3: Aardlusweerstandsmeting
8.3 Wisselstroom-/lekstroommeting

Let op de maximale spanning t.o.v. aarde. Gevaarlijke spanning!
- Zet de draaischakelaar ③ van de BENNING CM E1 in de gewenste stand: mA of A.
- Open de meettang ① en klem deze rond de aard(leiding)aansluiting die onderzocht moet worden.
- De meetwaarde van de lekstroom kan in de digitale weergave Ⓑ afgelezen worden.
zie fig. 4: Wisselstroom-/lekstroommeting
9. Onderhoud

De BENNING CM E1 mag nooit onder spanning staan als het apparaat geopend wordt! Gevaarlijke spanning!
9.1 Veiligheidsborging van het apparaat
Onder bepaalde omstandigheden kan de veiligheid tijdens het werken met de BENNING CM E1 niet meer worden gegarandeerd, bijvoorbeeld in geval van:
- zichtbare schade aan de behuizing
- meetfouten
- waarneembare gevolgen van langdurige opslag onder verkeerde omstandigheden
- transportschade
In dergelijke gevallen dient de BENNING CM E1 direct te worden uitgeschakeld en niet opnieuw elders worden gebruikt.
9.2 Reiniging
Reinig de behuizing aan de buitenzijde met een schone, droge doek. (speciale reinigingsdoeken uitgezonderd). Gebruik geen oplos- en/ of schuurmiddelen om de BENNING CM E1 schoon te maken. Let er in het bijzonder op dat het batterijvak en de batterijcontacten niet vervuilen door uitlopende batterijen. Indien toch verontreiniging ontstaat door elektrolyt of zich zout afzet bij de batterij en/ of in het huis, dit eveneens verwijderen met een droge, schone doek.
9.3 Het wisselen van de batterij

Voor het openen van de BENNING CM E1 moet het apparaat spanningsvrij zijn! Gevaarlijke spanning!
De BENNING CM E1 wordt gevoed door een batterij van 9 V (IEC 6 LR 61).
Als het batterijsymbool op het display 4 verschijnt, moeten de batterijen worden vervangen (zie fig.
5). Bij inschakeling van de BENNING CM E1 gebeurt een batterijtest.
De batterij word als volgt verwisseld:
- Schakel de BENNING CM E1 uit.
- Leg de BENNING CM E1 op de frontzijde en draai de schroeven van de behuizing los.
- Verwijder de behuizing van het front.
- Neem de lege batterij uit het batterijvak en demonteer de aansluitdraden van de batterij.
- Monteer de aansluitdraden op de juiste manier aan de nieuwe batterij en leg de bedrading zo terug dat het niet beklemd raakt in de behuizing. Plaats de nieuwe batterij op de hiervoor voorziene plek in het front.
- Plaats de behuizing op het front en draai de schroeven vast.
zie fig.5: vervanging van de batterij

Gooi lege batterijen niet weg met het gewone husvuil, maar lever ze in op de bekende inza- melpunten. Zo levert u opnieuw een bijdrage voor een schoner milieu.
9.4 IJking
BENNING waarborgt de naleving van de in de gebruiksaanwijzing vermelde technische gegevens en nauwkeurigheidsinformatie gedurende het 1ste jaar na de leveringsdatum.
Op de nauwkeurigheid van de metingen te waarborgen, is het aan te bevelen het apparaat jaarlijks door onze servicedienst te laten kalibreren.
Wij raden u aan het apparaat aan het einde van zijn nuttige levensduur, niet bij het gewone huisafval te deponeren, maar op de daarvoor bestemde adressen.