IR 120150D - Thermometer VOLTCRAFT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis IR 120150D VOLTCRAFT in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Thermometer in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding IR 120150D - VOLTCRAFT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. IR 120150D van het merk VOLTCRAFT.
GEBRUIKSAANWIJZING IR 120150D VOLTCRAFT
Geachte klant, Hartelijk dank voor de aankoop van dit product. Dit product voldoet aan alle wettelijke, nationale en Europese normen. Om dit zo te houden en een veilig gebruik te garanderen, dient u als gebruiker de aanwijzingen in deze gebruiksaanwijzing op te volgen. Deze gebruiksaanwijzing behoort bij dit product. Er staan belangrijke aanwijzingen in over de ingebruikname en het gebruik. Houd hier rekening mee als u dit product doorgeeft aan derden. Bewaar deze gebruiksaanwijzing daarom voor later gebruik! Bij technische vragen kunt u zich wenden tot onze helpdesk. Voor meer informative kunt u kijken op www.conrad.nl of www.conrad.be
2. Verklaring van de symbolen
Het symbool met het uitroepteken in een driehoek wijst op belangrijke tips in deze gebruiksaanwijzing die beslist opgevolgd moeten worden. Het pijl-symbool ziet u waar bijzondere tips en aanwijzingen over de bediening worden gegeven.78
3. Doelmatig gebruik
De infraroodthermometer maakt het contactloos meten van oppervlaktetemperaturen mogelijk. Hij bepaalt de temperatuur aan de hand van uitgestraalde infraroodenergie, die door elk object wordt uitgestraald. Door de contactloze meting is deze ideaal voor gevaarlijke, moeilijk toegankelijke, zich bewegende of onder elektrische spanning staande voorwerpen. Er kan niet door transparante media, zoals glas, kunststof en water, heen gemeten worden. Het temperatuurmeetbereik loopt van -50 tot +1200 °C. Een dubbele doellaserinrichting vereenvoudigt het bepalen van het meetbereik. Bovendien is een contactmeting met een thermo-element van het type K in het meetbereik van -50 tot +1370 °C afhankelijk van de gebruikte sensor mogelijk. De IR-thermometer zelf mag niet direct met het object met de te meten temperatuur in aanraking komen. Er dient voldoende veiligheidsafstand te worden gehouden en de omgevingsomstandigheden dienen te worden aangehouden. Diagnostisch gebruik voor medische doeleinden is niet toegestaan. Het emissieniveau kan aan de aanwezige oppervlaktestructuur van het meetobject worden aangepast. De IR-thermometer beschikt bovendien over een intern geheugen voor max. 30 meetwaarden. Deze waarden kunnen op het beeldscherm van het meetapparaat of via de ingebouwde USB-poort worden afgelezen. Voor de voeding is een blokbatterij van 9 V vereist. Er mag geen gebruik worden gemaakt van een andere energievoorziening. In verband met veiligheid en normering zijn geen aanpassingen en/of wijzigingen aan dit product toegestaan. Indien het product voor andere doeleinden wordt gebruikt dan de hiervoor beschreven doeleinden, kan het product worden beschadigd. Bovendien kan een onjuist gebruik letsel veroorzaken. Lees de gebruiksaanwijzing zorgvuldig door en bewaar deze goed. Geef het product alleen samen met de gebruiksaanwijzing door aan derden. Alle vermelde bedrijfs- en productnamen zijn handelsmerken van de respectievelijke eigenaren. Alle rechten voorbehouden.
4. Omvang van de levering
- Temperatuursensor type K (meetbereik -20 tot +250 °C)
- Gebruiksaanwijzing79 Actuele gebruiksaanwijzingen Download de meest recente gebruiksaanwijzing via de link www.conrad.com/downloads of scan de afgebeelde QR-Code. Volg de instructies op de website.
5. Eigenschappen en functies
- Dubbele laser voor exacte markering van de meetplek
- K-type sensor meetfunctie
- Geheugen voor 30 meetwaarden
6. Veiligheidsinstructies
Lees de gebruiksaanwijzing zorgvuldig door en let vooral op de veiligheidsinstructies. Indien u de veiligheidsinstructies en de aanwijzingen voor een juiste bediening in deze gebruiksaanwijzing niet opvolgt, kunnen wij niet aansprakelijk worden gesteld voor de daardoor ontstane schade aan personen of voorwerpen. Bovendien vervalt in dergelijke gevallen de aansprakelijkheid/garantie. a) Algemeen
- Het product is geen speelgoed. Houd het uit de buurt van kinderen en huisdieren.
- Laat verpakkingsmateriaal niet achteloos rondslingeren. Dit zou voor kinderen gevaarlijk speelgoed kunnen worden.
- Bescherm het product tegen extreme temperaturen, direct zonlicht, sterke schokken, hoge vochtigheid, vocht, ontvlambare gassen, dampen en oplosmiddelen.
- Stel het product niet bloot aan welke mechanische belasting dan ook.80
- Als het product niet langer veilig gebruikt kan worden, stel het dan buiten bedrijf en zorg ervoor dat niemand het per ongeluk kan gebruiken. Veilig gebruik kan niet langer worden gegarandeerd als het product: - zichtbaar is beschadigd, - niet meer naar behoren werkt, - tijdens een langere periode is opgeslagen onder slechte omstandigheden, of - tijdens het vervoer aan hoge belastingen onderhevig is geweest.
- Behandel het product met zorg. Schokken, stoten of zelfs vallen vanaf een geringe hoogte kunnen het product beschadigen.
- Neem ook de veiligheids- en gebruiksaanwijzingen van alle andere apparaten in acht die op het product zijn aangesloten.
- Gebruik het product niet in de directe omgeving van sterke (elektro)magnetische velden of zendmasten. De gemeten waarde kan daardoor worden vertekend.
- Waterdamp, stof, rook en/of dampen kunnen de optiek beïnvloeden en tot een onjuist meetresultaat leiden!
- In commerciële instellingen dient men de ongevallenpreventievoorschriften van het Verbond van Commerciële Beroepsverenigingen voor Elektrische Installaties en Apparatuur in acht te nemen.
- In scholen en opleidingsinstellingen, hobby- en werkplaatsen moet werken met meetapparatuur gebeuren onder toezicht van daartoe opgeleid personeel.
- Zet het product nooit direct aan nadat het van een koude naar een warme ruimte is overgebracht. De condens die hierbij wordt gevormd, kan het product onder bepaalde omstandigheden onherstelbaar beschadigen. Zet het niet aan en laat het op kamertemperatuur komen.
- Raadpleeg een expert wanneer u twijfelt over het juiste gebruik, de veiligheid of het aansluiten van het product.
- Laat onderhoud, aanpassingen en reparaties alleen uitvoeren door een vakman of in een daartoe bevoegde werkplaats.
- Als u nog vragen heeft die niet door deze gebruiksaanwijzing zijn beantwoord, neem dan contact op met onze technische dienst of andere technisch specialisten. b) Laser
- Bij gebruik van de laser dient er altijd op te worden gelet dat de laserstraal zo wordt geleid dat niemand zich in het projectiebereik bevindt en dat onbedoeld gereecteerde stralen (bijv.doorreecterende voorwerpen) niet in ruimtes komen, waarin zich personen bevinden.
- Laserstralingkangevaarlijkzijnalsdelaserstraalofeenreectiedaarvanonbeschermdinuwogen komt. Informeer uzelf daarom voordat u het laserinrichting in werking stelt over de wettelijke bepalingen en voorzorgsmaatregelen betreffende de werking van een dergelijke laserapparaat.
- Kijk nooit in de laserstraal en richt deze nooit op personen of dieren. Laserstralen kunnen oogletsel tot gevolg hebben.
- Zodra uw oog wordt getroffen door een laserstraal, meteen de ogen sluiten en uw hoofd wegdraaien van de straal.81
- Als uw ogen geïrriteerd zijn door laserstraling, voer dan in geen geval meer veiligheidsrelevante werkzaamheden uit, bijvoorbeeld werken met machines, werken op grote hoogte of in de buurt van hoogspanning. Bestuur, totdat de irritaties zijn verdwenen, ook geen voertuigen meer.
- Richt de laserstraal nooit op spiegels of andere reecterende oppervlakken. Een ongeoorloofd afgebogen straal zou personen of dieren kunnen raken.
- Open het apparaat nooit. Uitsluitend een geschoolde vakman, die vertrouwd is met de gevaren, mag instel- of onderhoudswerkzaamheden uitvoeren. Ondeskundig uitgevoerd instelwerk kan gevaarlijke laserstraling tot gevolg hebben.
- Het product is voorzien van een klasse 2 laser. In de levering bevinden zich laserwaarschuwingsbordjes in verschillende talen. Indien het bordje op de laser niet in uw landstaal is, bevestig dan het juiste bordje op de laser.
- Voorzichtig - als er andere dan de in deze handleiding vermelde besturingen of methodes worden gebruikt, kan dit tot gevaarlijke blootstelling aan straling leiden. c) Batterij
- Verwijder de batterij uit het apparaat als u dat voor langere tijd niet denkt te zullen gebruiken om beschadiging door lekken te voorkomen. Lekkende of beschadigde batterijen kunnen bij contact met de huid chemische brandwonden veroorzaken. Gebruik daarom veiligheidshandschoenen om beschadigde batterijen aan te pakken.
- Bewaar batterijen buiten het bereik van kinderen. Laat batterijen niet rondslingeren omdat het gevaar bestaat dat kinderen of huisdieren ze inslikken.
- Batterijen mogen niet uit elkaar gehaald, kortgesloten of verbrand worden. Probeer nooit niet-oplaadbare batterijen op te laden. Er bestaat explosiegevaar!82
7. Bedieningselementen
a) IR-thermometer 1 Aansluiting type-K-thermosensor en USB-bus 2 Statiefschroefdraad 3 Batterijvakdeksel 4 Batterijvak 5 Meettoets 6 Toetsen F1, F2, F3 en MODE 7 Display 8 Laser-uitgangsopening 9 IR-sensor 10 Ontgrendelingsknop voor deksel batterijvak83 b) Display A Functies van de toetsen F1, F2 en F3 B Hoofdindicatie C Emissiegraad D Bedrijfsindicatie (SCAN = meting, HOLD = stand-by) E Lasersymbool voor geactiveerde richtlaser F Tijd G Batterijlading H USB-weergave voor actieve poort I Weergave van de meeteenheid °Celsius/°Fahrenheit J Staafgraek
8. Productbeschrijving
a) Werkwijze Infraroodthermometers meten de temperatuur van het oppervlak van een object. De sensor van het product registreert deuitgestraalde, gereecteerdeen doorgelatenwarmtestraling vanhet objecten zetdeze informatieom ineen temperatuurwaarde. De emissiegraad is een waarde die gebruikt wordt om de karakteristiek van de energie-uitstraling van een materiaal te beschrijven. Hoe hoger deze waarde is, des te hoger is de capaciteit van het materiaal om straling uit te zenden. Veel organische materialen en oppervlakken hebben een emissiegraad van ongeveer 0,95. Metalen oppervlakken of glanzende materialen hebben een laag emissieniveau. Dat leidt tot een onjuiste meting. Daarom moet bij metaalglanzendeoppervlakkeneenmatzwarteveraagofmatplakbandwordenopgebracht.84 b) IR-meetoptiek - Verhouding meetafstand-meetoppervlak (D:S = Distance:spot = afstand:meetvlek) Om precieze meetresultaten te verkrijgen moet het meetobject groter zijn dan de IR-meetvlek. De berekende temperatuur is de gemiddelde temperatuur van de meetvlek. Hoe kleiner het meetobject, des te dichter moet de infraroodthermometer bij het meetobject zijn. De precieze meetplekgrootte staat in het volgende diagram Dit is tevens op het apparaat vermeld. Voor nauwkeurige metingen moet het te meten object minstens tweemaal zo groot zijn als de IR-meetvlek. De kleinste diameter van de meetvlek wordt op een afstand van 90 cm bereikt. De diameter van de meetvlek bedraagt dan 18 mm. Houd echter voldoende afstand aan om een foute meting door opwarming van de thermometer te vermijden. Voorbeeld: Bij een afstand van 2 m bedraagt de diameter van de meetvlek 40 mm. c) Doellaser De vizierlaser wordt afhankelijk van de voorinstelling actief bij de meting. Op het beeldscherm verschijnt, als de laser actief is, een waarschuwingssymbool (E). Kijk tijdens het meten nooit in de laseropening (8). De doellaser is dubbel uitgevoerd en markeert bij benadering het binnenste randbereik van het meetoppervlak (ca. 90%). Als beide laserpunten elkaar treffen, is het meetoppervlak minimaal. De minimale diameter bedraagt 18 mm. Bij grotere afstanden gaan de beide laserpunten analoog ten opzichte van het meetoppervlak uit elkaar.85
Voordat u het meetapparaat kunt gebruiken, moet eerst de meegeleverde batterij worden geplaatst. Plaats de batterij zoals beschreven in het hoofdstuk "Onderhoud en reiniging". Het IR-thermometer maakt individuele systeeminstellingen voor het meten mogelijk die u na de eerste ingebruikname moet uitvoeren. a) Systeeminstellingen Om naar de instelmodus “SET” te gaan, drukt u kort op de meettoets (5). Het meetapparaat schakelt zich zelf in. Onderaan op het beeldscherm verschijnt het hoofdmenu voor de drie functietoetsen “F1”, “F2” en “F3”. Met de toets “MODE” wordt naar het volgende hoofdmenu omgeschakeld resp. wordt een bepaalde gekozen functie beëindigd. Druk drie keer op de toets “MODE” tot de functieaanduiding “SET” verschijnt. Druk om de functie “SET” te kiezen op toets “F2”. De volgende menupunten kunt na elkaar worden gekozen: Het instelmenu kan op elk moment worden beëindigd door op de meettoets (5) te drukken. Het instellen van getallen kan door het ingedrukt houden van de toetsen “F1” en “F3” worden versneld.86 b) Tijdinstelling Kies met de functietoetsen “F1” of “F3” de functie “Time”. De gekozen functie wordt met een balk aangegeven. Druk op toets “F2” om uw keuze te bevestigen. In het volgende menu kan de tijd in het formaat “hh:mm” worden ingesteld. Met de toetsen “F1” en “F3” kan het uur worden ingesteld. Door te drukken op toets “F2” wordt overgeschakeld naar het instellen van de minuten. Instellen gebeurt weer met de toetsen “F1” en “F3”. Bevestig na het instellen de juiste tijd met toets “F2” (OK). Het beeldscherm schakelt terug naar het hoofdmenu. c) Datuminstelling Kies met de functietoetsen “F1” of “F3” de functie “Date”. De gekozen functie wordt met een balk aangegeven. Druk op toets “F2” om uw keuze te bevestigen. In het volgende menu kan de datum in het formaat “jaar:maand:dag” worden ingesteld. Met de toetsen “F1” en “F3” kan de jaaraanduiding worden veranderd. Toets “F2” schakelt u door naar het volgende instelpunt. Herhaal deze instelstappen voor maand en dag. Bevestig het instellen van de juiste datum met toets “F2” (OK). Het beeldscherm schakelt terug naar het hoofdmenu. d) Verlichting beeldscherm instellen Kies met de functietoetsen “F1” of “F3” de functie “Backlight”. De gekozen functie wordt met een balk aangegeven. Druk op toets “F2” om uw keuze te bevestigen. In het volgende menu kan de verlichting van het beeldscherm in 7 stappen worden ingesteld. Het lichtsterkte wordt met een staafdiagram weergegeven. Met de toetsen “F1” en “F3” kan de lichtsterkte worden veranderd. Bevestig de door u gekozen instelling met toets “F2” (OK). Het beeldscherm schakelt terug naar het hoofdmenu. e) Signaaltoon instellen Kies met de functietoetsen “F1” of “F3” de functie “Buzzer”. De gekozen functie wordt met een balk aangegeven. Druk op toets “F2” om uw keuze te bevestigen. In het volgende menu kan de signaaltoon voor het drukken op knoppen en het alarm worden ingesteld. Met de toetsen “F1” en “F3” kiest u voor toetstoon (Button) en alarmtoon (Alarm). Met de toets “F2” kan de functie worden in- en uitgeschakeld (On = aan, Off = uit). Druk op de toets 'MODE'. Het beeldscherm schakelt terug naar het hoofdmenu. f) Contrast beeldscherm instellen Kies met de functietoetsen “F1” of “F3” de functie “Contrast”. De gekozen functie wordt met een balk aangegeven. Drukoptoets“F2”omuwkeuzetebevestigen.Inhetvolgendemenukandebeeldschermcontrastvan30tot99% worden ingesteld. Met de toetsen “F1” en “F3” kan het contrast worden veranderd. Bevestig de door u gekozen instelling met toets “F2” (OK). Het beeldscherm schakelt terug naar het hoofdmenu.87 g) Tijd voor het automatische uitschakelen instellen Kies met de functietoetsen “F1” of “F3” de functie “APO Time”. De gekozen functie wordt met een balk aangegeven. Druk op toets “F2” om uw keuze te bevestigen. In het volgende menu kan een tijd tot het automatisch uitschakelen van 7 tot 60 seconden worden ingesteld. Met de toetsen “F1” en “F3” kan de tijd worden veranderd. Bevestig de door u gekozen instelling met toets “F2” (OK). Het beeldscherm schakelt terug naar het hoofdmenu. De tijd voor de automatische uitschakeling begint te lopen zodra geen toets wordt ingedrukt is. De automatische uitschakelfunctie is bij continu meten niet actief. Na het uitschakelen gaan alle automatisch geregistreerde gegevens (actuele meetwaarde/Min/Max/Avg/ Dif) verloren. De vooraf ingestelde systeem- en alarminstellingen en de geheugenplaatsen (1 - 30) blijven behouden. h) Gegevensoverdracht voor de poort instellen Kies met de functietoetsen “F1” of “F3” de functie “Send Data”. De gekozen functie wordt met een balk aangegeven. Druk op toets “F2” om uw keuze te bevestigen. In het volgende menu kan de overdrachtsmodus voor real-time gegevensoverdracht of overdracht uit het geheugen worden ingesteld. Met de toetsen “F1” en “F3” wordt gekozen voor real-time gegevensoverdracht (Real-time) of gegevensoverdracht van het interne geheugen (Memory). Met de toets “F2” kan de functie worden in- en uitgeschakeld (aanduiding “On” = aan, aanduiding “Off” = uit). De geactiveerde poort voor real-time gegevensoverdracht wordt door het USB-symbool (7H) op het beeldscherm weergegeven. Druk op de toets 'MODE'. Het beeldscherm schakelt terug naar het hoofdmenu. Bij de real-time gegevensoverdracht moet de continumeetfunctie worden geactiveerd, omdat anders de automatische uitschakeling tijdens meetpauzes geactiveerd wordt.
Om de juiste meetwaarde te verkrijgen moet de infraroodthermometer aangepast zijn aan de omgevingstemperatuur. Laat het apparaat bij een plaatswijziging op de nieuwe omgevingstemperatuur komen. Langere metingen van hoge temperaturen bij een geringe meetafstand leiden tot verwarming van het meetapparaat zelf en daarmee tot foutieve metingen. Om exacte meetwaarden te bereiken geldt de vuistregel: hoe hoger de temperatuur, des te groter de meetafstand en des te korter de meetduur dient te zijn. Glanzende oppervlakten leiden bij IR-metingen tot onjuiste meetresultaten. Ter compensatie kan het oppervlak van glanzende voorwerpen met kleefband of matzwarte verf afgedekt worden. De thermometer kan niet door transparante oppervlakken, zoals glas, heen meten. Het apparaat zal in plaats daarvan de oppervlaktetemperatuur van het glas meten.88 a) IR-meting Richt de meetopening (9) loodrecht op het meetobject. Let erop, dat het meetobject niet kleiner is dan het IR-meetoppervlak van het apparaat. Druk op de meettoets (5) en houd deze ingedrukt. De gemeten waarde (B) wordt weergegeven op het beeldscherm. De weergegeven meetwaarde komt overeen met de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van het IR-meetoppervlak. Tijdens de meting staat “SCAN” (D) op het scherm. Indien het meetbereik van de temperatuur overschreden wordt, verschijnt „----“ in de display. Na het loslaten van de meettoets (5) wordt de laatste meetwaarde om beter afgelezen te kunnen worden nog tot automatische uitschakeling weergegeven op het beeldscherm. Tevens verschijnt de aanduiding “HOLD” (D). Het apparaat schakelt na het loslaten van de meettoets (5) na de ingestelde tijd zichzelf automatisch uit. Om de warmste/koudste plek van het te meten object te bepalen beweegt u de meetopening met ingedrukte meettoets (5) over het gehele oppervlak van het object. Extra functies maken het mogelijk de maximale waarde “Max”, de minimale waarde “Min” of gemiddelde waarde “Avg” en verschilwaarde “Dif” automatisch weer te geven. Deze waarden worden boven en onder de hoofdmeetwaarde weergegeven. De extra functies “Min” en “DIF” zijn niet beschikbaar wanneer een contactsensor is aangesloten. Op heet beeldscherm wordt in dit geval de sensortemperatuur “TK” weergegeven. b) Contactmeting Contacttemperatuurmeting is alleen toegestaan bij niet draaiende en niet onder elektrische spanning staande objecten. Contacttemperaturen zijn alleen tot de toegestane temperatuur van de sensor mogelijk. Het toegestane temperatuurbereik van de meegeleverde draad-sensor bedraagt -20 tot +250 °C. Om het volledige meetbereik van het meetapparaat te gebruiken, hebt u een optioneel verkrijgbare draadsensor met een hogere maximumtemperatuur nodig. Naast de contactloze IR-meting kan ook een thermo-element contactsensor van het type-K worden aangesloten. Contactmetingmaakthetmetenvandetemperatuuronafhankelijkvanhetmateriaalenvandeemissiecoefciënt van het object mogelijk. Behalve de meegeleverde draadtemperatuursensor kunnen ook alle gewone type-K thermo- elementen met miniatuurstekker op het apparaat worden aangesloten. Sensoraansluiting Open de zijklep (1) van het meetapparaat. Steek de stekker van thermo-elementen van de sensor met de juiste polariteit in de sensorbus. Let hierbij op de markering ‘+’ op de stekker en op de bus. De stekker past slechts op één manier in de bus. Zodra een thermosensor op het meetapparaat aangesloten is, verschijnt in de meetmodus de aanduiding “TK” met de temperatuur van de sensor onder de IR-meetwaarde. Verwijder na het meten de sensor en sluit de afdekking om het binnendringen van vuil te voorkomen. De extra functies “Min”, “Max”, “Avg” en “Dif” zijn voor contactmeting niet bruikbaar. De aanduidingen zijn alleen geldig voor IR-metingen.89 c) Extra functies Het meetapparaat beschikt over diverse extra functies die apart kunnen worden gebruikt. Deze extra functies worden met de functietoetsen “F1”, “F2” en “F3” gekozen en ingesteld. U kunt tussen menuregels omschakelen met toets “MODE”. De overeenkomstige functies worden afhankelijk van het menu afzonderlijk voor de functietoetsen weergegeven. De extra functies “MnMx”, “Save”, “Avg”, “mem” “E”, “Hi” en “Lo” zijn voor contactmeting niet bruikbaar. De aanduidingen zijn alleen geldig voor IR-metingen. Min-, max-, gemiddelde en differentiële meetfunctie De meetwaarden voor “Min”, “Max”, “Avg” en “Dif” worden tijdens de meting (aanduiding “SCAN”) onafhankelijk van de meetfunctie die op dat moment wordt weergegeven, opgeslagen en bewaard tot het meetapparaatzichzelfuitschakelt.Omhetaezengemakkelijktemakenkandetijdtothetproductzichzelf uitschakelt, ingesteld worden op 7 tot 60 seconden. Deze waarden kunnen in de meetpauze (aanduiding “HOLD”) omgeschakeld en afgelezen worden. Tijdens de meting kan niet worden omgeschakeld tussen de functies “MnMx” en “Avg”. De keuze voor de soort weergave kan alleen vooraf of op ieder moment na de meting plaatsvinden. Zet het meetinstrument aan door de meettoets (5) even in te drukken. Kies de gewenste weergave “MnMx/Avg” met de toets “F1” of “F3” en voer de meting uit. Laat na het meten de meetknop “MEAS” los. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu “MnMx/Save/Avg”. Druk voor weergave van de minimum- en maximumwaarden op toets “F1”. Druk voor weergave van de gemiddelde- en verschilwaarden op toets “F3”. De gemiddelde waarde “Avg” wordt voor de laatste meetduur bepaald. De differentiaalwaarde “Dif” geeft de gemeten verschil tussen minimale en maximale waarde aan. Meetwaarden opslaan “Save” Met de functie “Save” kunnen maximaal 30 infraroodmeetwaarden in het product worden opgeslagen. De opgeslagen gegevens kunnen op het apparaat met behulp van de functie “Mem” worden afgelezen of via een USB-poort naar een computer worden doorgezonden. De opslag van de meetgegevens is alleen tijdens de meetpauze (aanduiding “HOLD”) mogelijk voordat het meetapparaat automatisch uitschakelt. Om opslaan in het geheugen gemakkelijk te maken kan de tijd tot automatisch uitschakelen worden ingesteld tussen 7 en 60 seconden. Zet het meetinstrument aan door even op de meettoets (5) te drukken. Laat, zodra de gewenste meetwaarde wordt weergegeven, de meettoets los. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu “MnMx/Save/Avg”. Druk om de meetwaarden op te slaan op de toets “F2”.90 Kies de functie “Yes” om de meetwaarde op te slaan. Op het beeldscherm worden tijdens het opslaan gedurende ca. 2 seconden alle parameters zoals geheugenplaatsnummer, meetwaarde, tijd en datum weergegeven. Het beeldscherm schakelt daarna naar het startmenu terug. Daarna kan een andere meetwaarde geregistreerd en opgeslagen worden. Om het opslaan te annuleren kiest u de functie “Esc”. Bij een onderbreking keert u terug naar het startmenu. Toekenning van opslagruimte gebeurt automatisch op volgorde tot alle 30 posities bezet zijn. Is er geen vrij geheugen meer beschikbaar, dan verschijnt er een foutmelding (“ERR”). Om nieuwe meetgegevens op te kunnen slaan, moeten afzonderlijke plaatsen of het totale geheugen gewist worden of moeten de meetgegevens naar een computer worden doorgestuurd. Het uitlezen en wissen van de geheugenplaatsen wordt beschreven in de volgende paragraaf. Meetwaardegeheugen uitlezen en wissen Met de functie “Mem” kunnen de bezette geheugenposities op het beeldscherm worden uitgelezen en gewist. Zet het meetinstrument aan door even op de meettoets (5) te drukken. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu “Unit/Mem/E”. Door op toets “F2” te drukken gaat u naar het geheugen voor de meetwaarden. Gegevens uitlezen Kies voor het uitlezen met de toetsen “F1” of “F3” de gewenste geheugenplaats. De gegevens worden met het geheugennummer en het aantal bezette interne geheugen weergegeven (voorbeeld: plaats 02 van 26 bezette geheugenplaatsen). Door op de toets “MODE” te drukken gaat u terug naar het instelmenu.91 Gegevens wissen Zoek met de toetsen “F1” of “F3” de gewenste geheugenplaats. Om te wissen moet u met toets “F2” het menupunt “Del” kiezen. Afzonderlijke geheugenplaatsen wist u door met toets “F1” de functie “Yes” te kiezen. Het gehele geheugen wist u door met toets “F2” de functie “All” te kiezen. Het wismenu kan via de functie “Esc” of met toets “MODE” worden beëindigd. Temperatuurschaal instellen Met de functie “Unit” kan de weergegeven temperatuurschaal worden ingesteld. Schakel het meetinstrument in door de meettoets (5) even in te drukken. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu “Unit/Mem/E”. Het instelmenu “Unit” bereikt u door toets “F1” in te drukken. Kies de schaal waarin de meetwaarden moeten worden weergegeven. °C = graden Celsius °F = graden Fahrenheit Door op de toets “MODE” te drukken gaat u terug naar het instelmenu. Door de omschakeling wordt de schaal van alle meetwaarden veranderd. De opgeslagen gegevens worden door de verandering ook op de geselecteerde schaal weergegeven.92 Emissiecoëfciënt instellen Deemissiecoefciëntkanindividueelvan0,10tot1,00ofdooreengeïntegreerdemateriaaltabelmetgebruikelijke metalen oppervlakken worden ingesteld. Daardoor kunnen bij verschillende materialen en oppervlakken nauwkeurige meetwaarden bereikt worden. Schakel het meetinstrument in door de meettoets (5) even in te drukken. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu “Unit/Mem/E”. Het instelmenu “E” bereikt door toets “F3” in te drukken. Emissiecoefciëntindividueelinstellen Deemissiecoefciëntkanmetdefunctietoetsen“F1”en“F3”inhetbereik0,10tot1,00metstappenvan0,01worden ingesteld. Bevestig de invoer met de meettoets (5) of druk op de toets “MODE”. Emissiecoefciëntmetdoelwaardetabelleninstellen Deemissiecoefciëntkanmeteengeïntegreerdemateriaaltabelvoorgebruikelijkemetalenoppervlakkenworden ingesteld. Kies de functie “Tab” door toets “F2” in te drukken. Een materialentabel wordt weergegeven. Met de functietoetsen “F1” en “F3” kan het betreffende materiaal worden gekozen. Het gekozen materiaal wordt met eenbalkaangegeven.Deemissiecoefciëntverandertdienovereenkomstig. Default Emissiecoefciëntenvandemeestematerialen(0,95) Ox Aluminum Aluminium, geoxideerd (0,30) Ox Brass Messing, geoxideerd (0,50) Ox Copper Koper, geoxideerd (0,60) Paint Geverfd oppervlak (0,93)93 Bevestig uw keuze met de toets “OK” (toets “F2”). Om het instellen te beëindigen drukt u op de meettoets (5) of op de toets “MODE”. Naastdetechnischegegevensvindtueentabelmetdetypischematerialenenhunemissiecoefciënt. Veelorganischematerialenhebbeneenemissiecoëfciëntvan0,95.Daaromishetemissiecoefciëntaf fabriek ingesteld 0,95. Continu meten Het meetinstrument heeft een continumeetfunctie voor langdurig meten. Schakel het meetinstrument in door de meettoets (5) even in te drukken. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu . Continu meten wordt met de functietoets “F1” in- en uitgeschakeld. Iedere keer als u op de toets drukt, schakelt u de functie in of uit.
Continu meten uit Continu meten aan Bij een geactiveerde continue meetfunctie zijn de meettoets (5), de toets “MODE” en de automatische uitschakeling buiten bedrijf. Beeldschermverlichting (snelinstelling) De beeldschermverlichting kan ook met behulp van het directe menu worden ingesteld. Schakel het meetinstrument in door de meettoets (5) even in te drukken. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu . De beeldschermverlichting wordt met behulp van de functie “Lit” met de toets “F2” ingesteld. Ieder keer als u op deze toets drukt, wordt de verlichting een stap sterker en begint na de grootste lichtintensiteit weer van voren af aan.94 Laserfunctie in- en uitschakelen De doellaser kan worden in- en uitgeschakeld. De laser moet worden uitgeschakeld als sterk glanzende of reecterendeoppervlakkenmoetenwordengemetenomzoeenongecontroleerdestralenreectietevoorkomen. Zet het meetinstrument aan door even op de meettoets (5) te drukken. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu . De doellaser wordt met behulp van de functie “Laser” met de toets “F3” in- en uitgeschakeld. Iedere keer als u op de toets drukt, schakelt u de functie in of uit. Een actieve laserfunctie wordt door het lasersymbool (E) op het beeldscherm aangegeven. Kijk nooit in openingen waar de laserstralen door worden uitgestraald. Neem te allen tijde de eerder in deze gebruiksaanwijzing genoemde veiligheidsinstructies in acht. Alarmfunctie “Hi/Lo” Het meetapparaat is uitgerust met een optische en akoestische alarmfunctie. Het alarm kan apart voor te hoge (“Hi”) en te lage temperaturen (“Lo”) worden ingesteld en geactiveerd. Bij het over-/onderschrijden van de ingestelde temperaturen hoort u een alarmtoon. Het symbool (Hi/Lo) begint te knipperen en het beeldscherm licht rood op. Het alarm wordt geactiveerd wanneer de onderste alarmwaarde “Lo” onderschreden of de bovenste alarmwaarde “Hi” overschreden wordt. Schakel het meetinstrument in door de meettoets (5) even in te drukken. Kies nu binnen de vooraf ingestelde uitschakeltijd met de toets “MODE” het instelmenu “Hi/Set/Lo”. Het alarm instellen Kies met de functietoets “F1” de instelling voor de bovenste alarmwaarde “Hi” of met de toets “F3” de instelling voor de onderste alarmwaarde “Lo”. Alarmwaarden worden met de beide functietoetsen “F1” en “F3” ingesteld. Houd de toets ingedrukt. Hierdoor wordt na korte tijd de decimaal gewisseld om sneller grotere waarden in te stellen. De kleinste instelstap gebeurt tot 999,9 in stappen van 0,1 en vanaf 1000 in stappen van 1. De alarmfunctie wordt met de toets “F2” geactiveerd resp. gedeactiveerd. De menufunctie voor toets “F2” geeft steeds de actuele toestand van deze functie aan. Iedere keer dat u op de knop drukt, verandert de actuele status: Off = gedeactiveerd On = geactiveerd Daarnaast wordt de overeenkomstige alarmfunctie met het symbool “Hi” of “Lo” op het beeldscherm aangegeven. Bevestig de invoer met de toets “MODE” of druk op de meettoets (5). De instellingen worden opgeslagen.95 Tijdens de meting klinkt bij het overschrijden van het betreffende alarmniveau een alarmgeluid, het beeldscherm licht rood op en het symbool “Hi” dan wel “Lo” begint te knipperen. De laatst ingestelde alarmwaarde blijft na het uitschakelen behouden. Gegevensoverdracht via USB-aansluiting Het meetapparaat is uitgerust met een USB-aansluiting om de meetwaarden naar een computer over te dragen en daarin op te slaan. Om de infraroodthermometer aan te sluiten op uw computer, gaat u als volgt te werk: Start uw computer met Windows
2000 of hoger. Plaats de meegeleverde software-cd in een cd-station en volg de aanwijzingen op het scherm. Mocht automatische installatie van het programma niet starten, selecteer dan in Explorer het CD-station en start het installatieprogramma “setup.exe” handmatig. Volg de aanwijzingen op het beeldscherm. Na succesvolle installatie van het programma kunt u de USB-besturingssoftware ook handmatig installeren. Kies hiervoor in Explorer het CD-station en open de map “USB Driver”. Start het installatieprogramma “cp210xVCPInstaller. exe” handmatig. Volg de aanwijzingen op het beeldscherm. Activeer in het meetapparaat de USB-interface in het systeem-instelmenu “Set” onder het punt “Send Data”. Activeer indien nodig de continumeetfunctie om de automatische uitschakeling tijdens mogelijke meet pauzes te voorkomen. De gegevensoverdracht gebeurt alleen als het meetapparaat aangezet is. Open de zijklep (1) van het meetapparaat. Steek de meegeleverde USB-kabel in de mini-USB-bus aan de zijkant en sluit het andere uiteinde van de kabel aan op een vrije USB-poort van uw computer. De computer herkent automatisch een nieuw apparaat. Na succesvolle installatie kunt u de meetsoftware starten. Zodra de gegevensverbinding is gelegd, verschijnt “Connected” op het beeldscherm. De programma-instellingen en bediening kunt u terugvinden in het hulpmenu (Help) van de software. Hierbij worden zowel de infraroodmeetwaarden als de gemeten contacttemperaturen doorgestuurd naar een computer. Schakel na beëindiging van de gegevensoverdracht de continumeetfunctie en de aansluiting van het meetapparaat uit.96
11. Reiniging en onderhoud
a) Algemeen Afgezien van een incidentele reinigingsbeurt en het vervangen van batterijen is de infraroodthermometer onderhoudsvrij. Houd de hand aan onderstaande veiligheidstips voordat u het apparaat schoonmaakt: b) Reiniging van de lens Verwijder losse deeltjes met schone perslucht en veeg de dan nog overblijvende aanslag weg met een jne lenzenborstel. Maak het oppervlak schoon met een lenzenschoonmaakdoekje of met een schoon, zacht en pluisvrij doekje. Voor het verwijderen van vingerafdrukken en andere vetsporen kan het doekje met water of een lenzenschoonmaakvloeistof bevochtigd worden. Gebruik geen zuur- of alcoholhoudende of andere oplosmiddelen en geen ruwe, pluizige doek om de lens te reinigen. Druk bij de reiniging niet te hard op de lens. c) Reiniging van de behuizing Gebruik voor het schoonmaken geen schurende, chemische of agressieve schoonmaakmiddelen zoals benzine, alcohol e.d. Deze middelen kunnen het oppervlak van het product beschadigen. De dampen zijn bovendien schadelijk en explosief. Gebruik voor de reiniging ook geen scherp gereedschap zoals schroevendraaiers of staalborstels e.d. Voor reiniging van het instrument resp. het beeldscherm moet u een schoon, pluisvrij, antistatisch en licht vochtig schoonmaakdoekje gebruiken. d) Plaatsen en vervangen van de batterij Bij de eerste ingebruikname dient eerst de meegeleverde batterij te worden geplaatst. Druk voor het openen van het deksel van het batterijvak de ontgrendelknop (10) aan de onderkant van het apparaat in. Het batterijvakdeksel wordt ontgrendeld. Klap het deksel van het batterijvak (3) naar voren. Sluit de batterij aan. Verwijder bij het vervangen van de batterij de verbruikte batterij uit de batterijclip en sluit een nieuwe batterij van hetzelfde type met de juiste polariteit op de batterijclip aan. De batterijclip is zo uitgevoerd, dat de batterij alleen met de juiste polariteit kan worden aangesloten. Gebruik geen geweld bij het plaatsen van de batterij. Sluit het batterijvak weer door het deksel van het batterijvak (3) weer dicht te klappen. Let erop dat de kabel niet bekneld raakt en dat de vergrendeling vastklikt. Vervang de batterij wanneer het batterijsymbool (G) op het beeldscherm minder dan twee ladingsstreepjes laat zien. Vol Leeg Laat geen lege batterijen in het meetapparaat zitten, aangezien zelfs batterijen die tegen lekken zijn beveiligd, kunnen corroderen, waardoor chemicaliën vrij kunnen komen die schadelijk zijn voor uw gezondheid of schade veroorzaken aan het apparaat.97
12. Verhelpen van storingen
Met deze IR-thermometer heeft u een product aangeschaft dat naar de laatste stand van de techniek gebouwd en bedrijfszeker is. Er kunnen zich echter problemen of storingen voordoen. Hieronder vindt u enkele maatregelen om eventuele storingen eenvoudig zelf te verhelpen. Neem absoluut de veiligheidsinstructies in acht! Storing Mogelijke oorzaak Het meetapparaat werkt niet. Is de batterij leeg? Verkeerde meetwaardeweergave. Isdeverkeerdeemissiecoefciëntingesteld? Is de lens vuil? Wordt de het meetoppervlak door glas afgedekt? Werd de toegestane bedrijfstemperatuur over- of onderschreden?
a) Product Elektronische apparaten zijn recyclebare stoffen en horen niet bij het huisvuil. Voer het product aan het einde van zijn levensduur volgens de geldende wettelijke bepalingen af. Verwijder batterijen/accu's die mogelijk in het apparaat zitten en gooi ze afzonderlijk van het product weg. b) Batterijen/accu’s U bent als eindverbruiker volgens de KCA-voorschriften wettelijk verplicht alle lege batterijen en accu’s in televeren;verwijderingviahethuisvuilisniettoegestaan. Batterijen/accu’s die schadelijke stoffen bevatten, zijn gemarkeerd met nevenstaand symbool. Deze mogen niet met het huisvuil worden afgevoerd. De aanduidingen voor de zware metalen die het betreft zijn: Cd = cadmium, Hg = kwik, Pb = lood (de aanduiding staat op de batterijen/accu’s bijv. onder het links afgebeelde vuilnisbaksymbool). Ukuntverbruiktebatterijen/accu’sgratisafgevenbijhetKCA,onzelialenofoveralwaarbatterijen/accu’sworden verkocht. U voldoet daarmee aan de wettelijke verplichtingen en draagt bij aan de bescherming van het milieu.98
Notice-Facile