IFM O1D120 - Foto-elektrische sensor

O1D120 - Foto-elektrische sensor IFM - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis O1D120 IFM in PDF-formaat.

📄 28 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag
Notice IFM O1D120 - page 1
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.

Gebruikersvragen over O1D120 IFM

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Foto-elektrische sensor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding O1D120 - IFM en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. O1D120 van het merk IFM.

GEBRUIKSAANWIJZING O1D120 IFM

CE

Bedieningsinstructies optische afstandssensor

O1D100

O1D120

IFM O1D120 - 1

Inhoud

1 Inleiding 4

1.1 Gebruikte symbolen....4
1.2 Gebruikte waarschuwingen ....4

2 Veiligheidsaanwijzingen....4

3 Gebruik volgens de voorschriften 6

3.1 Toepassingsgebieden....6

4 Functies 6

4.1 Uitgangsfunctie hysterese 6
4.2 Uitgangsfunctie venster 6
4.3 Uitgangsfunctie analoog 6
4.4 Uitschakelen van de laser 7

5 Montage....7

5.1 Montagevoorwaarden....7
5.2 Montagetoebehoren 7

6 Elektrische aansluiting....8

6.1 Gebruik met IO-Link-master 9

7 Bedienings- en weergave-elementen ....10
8 Menu....11

8.1 Menustructuur....11
8.2 Menu-uitleg....12

9 Bedrijfsmodi....14

9.1 Runmodus....14
9.2 Displaymodus....14
9.3 Objectweerspiegeling .... 14
9.4 Programmeermodus....14

10 Parametrering....15

10.1 Parametrering algemeen 15

10.1.1 Instellen van een parameterwaarde 15
10.1.2 Wissel van menuniveau 1 naar menuniveau 2....16
10.1.3 Elektronisch slot 16

10.2 Parametrering basisinstellingen .... 17

10.2.1 Weergave-eenheid kiezen....17

10.2.2 Weergave instellen....17

10.2.3 OUT1 configureren....17

10.2.4 Hysteresefunctie....18

10.2.5 Schakelpunt voor hysteresefunctie OUT1 instellen....19

10.2.6 Vensterfunctie....19

10.2.7 Schakelpunten voor vensterfunctie OUT1 instellen....20

10.2.8 OUT2 configureren....21

10.2.9 Schakelpunt voor hysteresefunctie OUT2 instellen....21

10.2.10 Schakelpunten voor vensterfunctie OUT2 instellen....21

10.2.11 Meetbereik (analoge uitgang) verschalen....21

10.3 Teach-modus 23

10.3.1 Meetfrequentie instellen 23

10.3.2 Reproduceerbaarheid instellen....23

10.3.3 Tabel reproduceerbaarheid en nauwkeurigheid ....23

10.4 Uitgebreide functies....25

10.4.1 Vertragingstijd voor schakeluitgangen instellen....25

10.4.2 Foutonderdrukkingstijd voor schakeluitgangen/analoge uitgang instellen 25

10.4.3 Alle parameters naar fabrieksinstelling terugzetten....25

10.4.4 Software versienummer weergeven 25

11 IO-Link 26

11.1 Algemene informatie 26

11.2 Apparaatspecifieke informatie....26

11.3 Parametreertools 26

11.4 Uitgebreide functies 26

11.4.1 Teach-functie....26

11.4.2 Objectweerspiegeling ......26

12 Inbedrijfstelling/Gebruik 27

12.1 Foutindicaties ....27

13 Onderhoud, reparatie, afvoer....28

14 Fabrieksinstelling....28

1 Inleiding

1.1 Gebruikte symbolen

▶ Instructie voor het uitvoeren van een handeling

▷ Reactie, resultaat

[...] Aanduiding van toetsen, knoppen of indicaties

→ Verwijzing

IFM O1D120 - Gebruikte symbolen - 1

Belangrijke aanwijzing

Als deze aanwijzingen niet in acht worden genomen, worden functies mogelijk niet goed uitgevoerd of ontstaan er storingen.

IFM O1D120 - Gebruikte symbolen - 2

Informatie

Aanvullende aanwijzing.

1.2 Gebruikte waarschuwingen

IFM O1D120 - Gebruikte waarschuwingen - 1

WAARSCHUWING

Waarschuwing voor ernstig lichamelijk letsel. Dood of ernstig blijvend letsel is mogelijk.

2 Veiligheidsaanwijzingen

  • Lees voor de inbedrijfstelling van het apparaat dit document. Verzekert u zich ervan dat het product onbeperkt geschikt is voor de betreffende applicaties.
  • Ondeskundig of onrechtmatig gebruik kan leiden tot functiestoornissen van het apparaat of tot ongewenste gevolgen in uw applicatie. Daarom mogen montage, elektrische aansluiting, inbedrijfstelling, bediening en onderhoud van het apparaat alleen worden uitgevoerd door geschoold, door de exploitant geautoriseerd vakpersoneel.
  • Wanneer het apparaat niet goed functioneert, neemt u dan contact op met de fabrikant. Ingrepen en/of veranderingen aan het apparaat resulteren in uitsluiting van elke aansprakelijkheid en garantie.

IFM O1D120 - Veiligheidsaanwijzingen - 1

WAARSCHUWING

Zichtbaar laserlicht; Laserklasse 2.

Het gebruik van andere bedieningsvoorzieningen of -instellingen kan resulteren in een gevaarlijke blootstelling aan straling. Beschadiging van het netvlies is mogelijk.

▶ Niet in de laserstraal kijken!
▶ De meegeleverde sticker (waarschuwingsinstructies laser) in de directe omgeving van het apparaat aanbrengen.
▶ Let op de voorzichtigheids- en waarschuwingsinstructies op het productlabel in acht nemen.
▶ Het meegeleverde label voor de voedingskabel gebruiken.
▶ EN/IEC 60825-1: 2007 en EN/IEC 60825-1: 2014
Voldoet aan de 21 CFR 1040.10 met uitzondering van de conformiteit IEC 60825-1 Ed.3, zoals in de Laser Notice No. 56 van 8 mei 2019 beschreven staat.

Label voor voedingskabel

ATTACH TO CABLE
IFM O1D120 - Veiligheidsaanwijzingen - 2
ifm electronic gmbh

WARNING:

CLASS 2 LASER PRODUCT

DO NOT STARE INTO BEAM

- AVOID EXPOSURE

- UNPLUG CONNECTOR TO

EXTINGUISH LASER BEAM

D-45127 ESSEN

Productlabel

IFM O1D120 - Veiligheidsaanwijzingen - 3

AVOID EXPOSURE

LASER LIGHT EMITTED

FROM THIS APERTURE

IFM O1D120 - Veiligheidsaanwijzingen - 4

IFM O1D120 - Veiligheidsaanwijzingen - 5

CAUTION

AVERTISSEMENT

LASER LIGHT

LUMIÈRE LASER

IFM O1D120 - Veiligheidsaanwijzingen - 6

DO NOT STARE INTO

BEAM

NE PAS REGARDER LE

FAISCEAU

POWER / PUISSANCE

max. ≤ 4,0 mW

λ = 650 nm

PULSE/IMPULSION

≤ 1,3 ns

CLASS 2 LASER PRODUCT

APPAREIL LASER DE

CLASS 2

21 CFR PART 1040

IEC 60825-1:2014

3 Gebruik volgens de voorschriften

Het apparaat wordt toegepast als optische afstandssensor.

3.1 Toepassingsgebieden

  • De optische afstandssensor meet afstanden van 0,2...10 m.
  • Hij beschikt over een achtergrondonderdrukking > 10...19 m.
  • De meetwaarde wordt weergegeven in een 10-segments-display.
  • 2 uitgangssignalen (overeenkomstig de ingestelde uitgangsfunctie).
    • O1D100 / O1D120: Certificering 21 CFR Part 1040

IFM O1D120 - Toepassingsgebieden - 1

De afstand tussen sensor en achtergrond moet worden beperkt tot max. 19 m. Anders kunnen de meetwaarden verschillend worden geïnterpreteerd. → 5.1

Als alternatief kan het artikel O1D105 worden gebruikt (afstand tussen sensor en achtergrond max. 100 m).

4 Functies

4.1 Uitgangsfunctie hysterese

De hysterese houdt de schakeltoestand van de uitgang stabiel, wanneer de meetwaarde rond de schakelpuntinstelling schommelt. Beide uitgangen (OUT1 en OUT2) kunnen als hysteresefunctie worden ingesteld. → 10.2.4 Hysteresefunctie

4.2 Uitgangsfunctie venster

Met de vensterfunctie is de bewaking van een gedefinieerd gebied mogelijk. Beide uitgangen (OUT1 en OUT2) kunnen als vensterfunctie worden ingesteld. → 10.2.6

4.3 Uitgangsfunctie analoog

Bij uitgang 2 kan een afstand proportioneel analoog signaal (OUT2) worden gekozen. → 10.2.11 Meetbereik (analoge uitgang) verschalen

4.4 Uitschakelen van de laser

Voor veiligheids- en onderhoudsdoeleinden kan via de ingang bij pin 5 de laser van het apparaat tijdelijk worden uitgeschakeld.

Ingangssignaal bij pin 5Laser
Low / niet bezetIn
HighUit

5 Montage

5.1 Montagevoorwaarden

▶ Apparaat dusdanig monteren dat het te detecteren object zich in het meetbereik van 0,2...10 m bevindt.

Het eenduidige bereik van de sensor is vastgelegd op 19,2 m. Objecten die zich in het bereik > 10...19,2 m bevinden, worden eruit gefilterd.

IFM O1D120 - Montagevoorwaarden - 1

Reflecterende objecten in de directe lichtstraal van de sensor – ook binnen het bereik > 19,2 m – moeten door de klant worden vermeden. Anders kunnen de meetwaarden op meerdere manieren worden geïnterpreteerd.

5.2 Montagetoebehoren

Het apparaat wordt zonder montagetobehoren geleverd.

Voorbeelden voor montagetoebehorenArtikelnr.
Afdekplaat O1DE21133
Montageset E2D101 + E20938 + E20951E21079
Montageset O1D (voor rondprofiel ∅ 12 mm)E2D101
Rondprofiel recht ∅ 12 mm / M10E20938
Montageset O1D (voor rondprofiel ∅ 14 mm)E2D111
Rondprofiel recht ∅ 14 mm / M12E20939
Montage- en fijnafstellingseenheid voor laserapparaten O1D (voor rondprofiel of oppervlak; afhankelijk van klemcilinder)E1D100

IFM O1D120 - Montagetoebehoren - 1

Montagevoorbeeld:

1: Montageset voor ronde cilinder ∅ 12 mm Art.-nr. E2D101
2: Rondprofiel recht ∅ 12 mm / M10 Art.-nr. E20938

6 Elektrische aansluiting

IFM O1D120 - Elektrische aansluiting - 1

Het apparaat mag uitsluitend door een elektromonteur worden geïnstalleerd.

▶ Houdt u zich aan de nationale en internationale voorschriften voor het opzetten van elektrotechnische installaties.
▶ Voeding conform EN 50178, SELV, PELV garanderen. O1D100 / O1D120: cULus, Supply Class 2

▶ Installatie spanningsvrij schakelen.

▶ Apparaat als volgt aansluiten:

O1D100 / O1D120 PNP

IFM O1D120 - Elektrische aansluiting - 2

IFM O1D120 - Elektrische aansluiting - 3

IFM O1D120 - Elektrische aansluiting - 4

Aderkleuren bij ifm-contrastekkers:

1 = BN (bruin), 2 = WH (wit), 3 = BU (blauw), 4 = BK (zwart), 5 = GR (grijs).

Het apparaat is compatibel met IO-Link-masterpoort-klasse A (type A).

IFM O1D120 - Gebruik met IO-Link-master - 1

Bij gebruik met IO-Link-masterpoort-klasse B (type B) het volgende in acht nemen:

Het apparaat is standaard niet compatibel met masterpoort-klasse B (type B). Pin 2 (OU2) en pin 5 (IN1) worden gebruikt voor fabrikantspecifieke functies. Daardoor kan de hoofdvoeding van het apparaat en de hulpspanning (masterpoort-klasse B bij pin 2/5) niet galvanisch worden gescheiden.

Met de volgende configuraties kan het apparaat worden gebruikt met de masterpoort-klasse B:

  • Apparaat en IO-Link-master via 3-aderig aansluitkabel aansluiten: Pin 1, 3 en 4 van het apparaat verbinden met de IO-Link-master (pin 2 en 5 niet verbinden).
  • Apparaat en IO-Link-master via een 4-aderig aansluitkabel aansluiten: Pin 2 (OU2) via IO-Link deactiveren (instelling OU2 = “off”) en pin 1, 2, 3 en 4 van het apparaat verbinden met de IO-Link-master (pin 5 niet verbinden).

7 Bedienings- en weergave-elementen

IFM O1D120 - Bedienings- en weergave-elementen - 1

1: 4 x led groenBrandende led = voeding en ingestelde weergave-eenheid (mm, m, inch)
2: 4 x led geel (twee niet bezet)Weergave van de schakeltoestand; brandt wanneer de betreffende uitgang doorgeschakeld is.
3: Alfanumerieke weergave met 4 tekensWeergave van de gemeten afstand, de parameters en de parameterwaarden.
4: Functietoets [SET]Instellen van de parameterwaarden (continu door permanent indrukken; stapsgewijs door één keer indrukken).
5: Functietoets [MODE/ENTER]Selectie van de parameters en bevestigen van de parameterwaarden.

8 Menu

8.1 Menustructuur

IFM O1D120 - Menustructuur - 1

8.2 Menu-uitleg

De fabrieksinstellingen bevinden zich aan het einde van de handleiding ( → 14 Fabrieksinstelling).

OU1Configuratie voor uitgang 1Er kunnen 4 schakelfuncties worden ingesteld:[Hno], [Hnc], [Fno], [Fnc] → 10.2.3 OUT1 configureren
SP1Schakelpunt voor hysteresefunctie OUT1
Grenswaarde waarbij de uitgang in de hysteresefunctie zijn schakeltoestand verandert (object dichterbij/verder weg dan ingestelde afstand). [SP1] is alleen actief wanneer [OU1] = [Hno] of [Hnc]. → 10.2.5 Schakelpunt voor hysteresefunctie OUT1 instellen
nSP1FSP1Schakelpunten voor vensterfunctie OUT1
Grenswaarden waarbij de uitgang in de vensterfunctie zijn schakeltoestand verandert (object tussen afstand “dichtbij” en afstand “ver weg” aanwezig/niet aanwezig). [nSP1] = schakelpunt "dichtbij" / [FSP1] = schakelpunt “ver weg”. [nSP1] / [FSP1] zijn alleen actief wanneer [OU1] = [Fno] of [Fnc]. → 10.2.7 Schakelpunten voor vensterfunctie OUT1 instellen
OU2Configuratie voor uitgang 2Er zijn 4 schakelfuncties en 2 analoge signalen instelbaar:[Hno], [Hnc], [Fno], [Fnc], [I], [U] → 10.2.8 OUT2 configureren
SP2Schakelpunt voor hysteresefunctie OUT2
Grenswaarde waarbij de uitgang in de hysteresefunctie zijn schakeltoestand verandert (object dichterbij/verder weg dan ingestelde afstand). [SP2] is alleen actief wanneer [OU2] = [Hno] of [Hnc]. → 10.2.9 Schakelpunt voor hysteresefunctie OUT2 instellen
nSP2FSP2Schakelpunten voor vensterfunctie OUT2
Grenswaarden waarbij de uitgang in de vensterfunctie zijn schakeltoestand verandert (object tussen afstand “dichtbij” en afstand “ver weg” aanwezig/niet aanwezig). [nSP2] = schakelpunt "dichtbij" / [FSP2] = schakelpunt “ver weg”. [nSP2] / [FSP2] zijn alleen actief wanneer [OU2] = [Fno] of [Fnc]. → 10.2.10 Schakelpunten voor vensterfunctie OUT2 instellen
ASPAnaloog startpunt
Meetwaarde, waarbij 4 mA / 0 V wordt uitgevoerd. [ASP] is alleen actief wanneer [OU2] = [I] of [U]. → 10.2.11 Meetbereik (analoge uitgang) verschalen
AEPAnaloog eindpunt
Meetwaarde, waarbij 20 mA / 10 V wordt uitgevoerd. [AEP] is alleen actief wanneer [OU2] = [I] of [U]. → 10.2.11 Meetbereik (analoge uitgang) verschalen
TEACTeach-modus
Voorselectie “Uitvoersnelheid” of “Reproduceerbaarheid”→ 10.3 Teach-modus
EFUitgebreide functies
Door op [SET] te drukken, wordt het submenu “Uitgebreide functies” geopend→ 10.4 Uitgebreide functies
dS1dr1dS2dr2Vertragingstijd voor de schakeluitgangen[dSx] = Inschakelvertraging; [drx] = Uitschakelvertraging. De uitgang verandert zijn schakeltoestand niet meteen als de schakelgebeurtenis zich voordoet, maar pas na afloop van de vertragingstijd. Bestaat de schakelgebeurtenis niet meer als de vertragingstijd is afgelopen, verandert de schakeltoestand van de uitgang niet. [dS2] en [dr2] zijn niet actief wanneer [OU2] = [I] of [U]. → 10.4.1 Vertragingstijd voor schakeluitgangen instellen
dFoInstelling van de foutonderdrukkingstijd voor schakeluitgangen/analoge uitgang
Met deze functie kunnen kortstondige verzadigingen van het meetelement worden onderdrukt (dergelijke verzadigingen kunnen ontstaan door directe weerspiegeling of krachtige schommelingen in de helderheid). Tijdens de ingestelde tijd wordt de laatste geldige meetwaarde weergegeven, de uitgangssignalen blijven ongewijzigd. → 10.4.2 Foutonderdrukkingstijd voor schakeluitgangen/analoge uitgang instellen
d15Instelling van de weergaveEr is keuze uit 7 instellingen:[d1], [d2], [d3], [rd1], [rd2], [rd3], [OFF]→ 10.2.2 Weergave instellen
UrnInstelling van de weergave-eenheid
Selectie van de maateenheid voor [SP1], [SP2], [ASP], [AEP]
Keuzemogelijkheden:[mm] [m] [Inch]→ 10.2.1 Weergave-eenheid kiezen
r-ESLeveringstoestand herstellen→ 10.4.3 Alle parameters naar fabrieksinstelling terugzetten

9 Bedrijfsmodi

9.1 Runmodus

De runmodus komt overeen met de normale bedrijfsmodus.

Na het inschakelen van de voedingsspanning bevindt het apparaat zich in de runmodus. Het voert zijn bewakingsfunctie uit en genereert uitgangssignalen op basis van de ingestelde parameters.

Het display toont de actuele afstand, de gele leds signaleren de schakeltoestand van de uitgangen.

9.2 Displaymodus

Weergave van de parameters en de ingestelde parameterwaarden.

▶ [MODE/ENTER] kort indrukken.

▷ Apparaat schakelt over naar de displaymodus. Intern blijft de bedrijfsmodus actief. De ingestelde parameterwaarden kunnen worden afgelezen:
▶ Om door de parameters te bladeren, kort op [MODE/ENTER] drukken.
- ▶ Om de bijbehorende parameterwaarde weer te laten geven, kort op [SET] drukken.
▷ Na 15 sec schakelt het apparaat terug naar de runmodus.

9.3 Objectweerspiegeling

Weergave van de objectweerspiegeling (oude benaming: align-modus).

▶ In de runmodus op [SET] drukken.

▷ Apparaat toont een oriëntatiewaarde voor de objectweerspiegeling (bijv. +100 komt overeen met een wit object, +020 komt overeen met een grijs object).

9.4 Programmeermodus

Instellen van de parameterwaarden → 10.1 Parametrering algemeen.

10 Parametrering

Het apparaat blijft tijdens de parametrering intern in de bedrijfsmodus. Het voert zijn bewakingsfuncties met de bestaande parameters verder uit tot de verandering is afgesloten.

10.1 Parametrering algemeen

10.1.1 Instellen van een parameterwaarde

IFM O1D120 - Instellen van een parameterwaarde - 1

Weergave-eenheid [Uni] instellen, voordat de waarden voor de parameters worden vastgelegd. Bij verandering achteraf van de weergave-eenheid kunnen afrondingsfouten bij de interne omrekening de ingestelde waarden vervalsen. → 10.2.1 Weergave-eenheid kiezen

1Parameter selecteren
▶ [MODE/ENTER] indrukken, tot de gewenste parameter in het display verschijnt.
IFM O1D120 - Instellen van een parameterwaarde - 2IFM O1D120 - Instellen van een parameterwaarde - 3
2Parameterwaarde instellen
▶ Op [SET] drukken en ingedrukt houden. ▷ De actuele parameterwaarde wordt 5 sec lang knipperend weergegeven.
▶ Instelwaarde stapsgewijs verhogen door afzonderlijk indrukken of continu door ingedrukt te houden.
IFM O1D120 - Instellen van een parameterwaarde - 4IFM O1D120 - Instellen van een parameterwaarde - 5IFM O1D120 - Instellen van een parameterwaarde - 6
Waarde verlagen: Weergave tot aan de maximale instelwaarde laten lopen. Daarna begint het doorlopen opnieuw bij de minimale instelwaarde.
3parameterwaarde bevestigen
▶ Kort op [MODE/ENTER] drukken.> De parameter wordt opnieuw weergegeven; de nieuwe parameterwaarde is actief.
IFM O1D120 - Instellen van een parameterwaarde - 7IFM O1D120 - Instellen van een parameterwaarde - 8
4Bijkomende parameters instellen
▶ Weer met stap 1 beginnen.
5Parametrering beëindigen
▶ 15 sec wachten of [MODE/ENTER] indrukken. ▷ De actuele meetwaarde verschijnt.

10.1.2 Wissel van menuniveau 1 naar menuniveau 2

▶ [MODE/ENTER] zo vaak indrukken, tot [EF] weergegeven wordt.IFM O1D120 - Wissel van menuniveau 1 naar menuniveau 2 - 1IFM O1D120 - Wissel van menuniveau 1 naar menuniveau 2 - 2
▶ Kort op [SET] drukken. ▷ De eerste parameter van het submenu wordt weergegeven (hier: [dr1]).IFM O1D120 - Wissel van menuniveau 1 naar menuniveau 2 - 3IFM O1D120 - Wissel van menuniveau 1 naar menuniveau 2 - 4

10.1.3 Elektronisch slot

Om onopzettelijke, verkeerde invoergegevens te voorkomen, kan het apparaat elektronisch worden vergrendeld. In de leveringstoestand is het apparaat niet vergrendeld.

Vergrendelen
▶ Controleren of het apparaat in de normale bedrijfsmodus is.
▶ [MODE/ENTER] + [SET] ingedrukt houden, tot [Loc] wordt weergegeven. ▷ Het apparaat is vergrendeld.
IFM O1D120 - Elektronisch slot - 1 , IFM O1D120 - Elektronisch slot - 2
De weergave [Loc] wordt even weergegeven, wanneer geprobeerd wordt om tijdens bedrijf de parameterwaarden bij het vergrendelde apparaat te veranderen.
Ontgrendelen
▶ [MODE/ENTER] + [SET] ingedrukt houden tot [uLoc] weergegeven wordt. ▷ Het apparaat is ontgrendeld.
IFM O1D120 - Elektronisch slot - 3 IFM O1D120 - Elektronisch slot - 4

Timeout

IFM O1D120 - Elektronisch slot - 5

Wordt tijdens het instelproces 15 sec lang op geen enkele toets gedrukt, dan schakelt het apparaat met onveranderde waarden weer terug naar de runmodus.

10.2 Parametrering basisinstellingen

10.2.1 Weergave-eenheid kiezen

[Uni] instellen, voordat de waarden voor de parameters [SPx], [nSPx], [FSPx], [ASP], [AEP] worden vastgelegd. Bij verandering achteraf van de weergave-eenheid kunnen afrondingsfouten bij de interne omrekening de ingestelde waarden vervalsen.
▶ Overschakelen naar [EF].
▶ [Uni] kiezen en een maateenheid instellen. Keuze van de maateenheid:[mm], [m], [Inch]
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen. ▷ Gekozen eenheid wordt in het display aangegeven met een groene led.
Uni

10.2.2 Weergave instellen

▶ Overschakelen naar [EF].
▶ [diS] kiezen en instellingen uitvoeren. Er is keuze uit 7 instellingen:·[d1] = meetwaardevernieuwing elke 50 ms.·[d2] - meetwaardevernieuwing elke 200 ms.·[d3] = meetwaardevernieuwing elke 600 ms.·[rd1], [rd2], [rd3] = weergave als [d1], [d2], [d3] 180 gedraaid. De meetwaardevernieuwing betreft alleen de weergave. Die is niet van invloed op de uitgangen.·[OFF] = meetwaardeweergave is in de runmodus uitgeschakeld. Door op een toets te drukken, wordt 15 sec lang de actuele meetwaarde weergegeven.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen. De leds blijven ook bij uitgeschakelde weergave actief.
d, 5

10.2.3 OUT1 configureren

▶ [OU1] kiezen en schakelfuncties instellen. Schakelfuncties:[Hno] = hysteresefunctie / normally open (maakcontact)[Hnc] = hysteresefunctie / normally closed (verbreekcontact)[Fno] = vensterfunctie / normally open (maakcontact)[Fnc] = vensterfunctie / normally closed (verbreekcontact)▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.OU1

10.2.4 Hysteresefunctie

De hysterese houdt de schakeltoestand van de uitgang stabiel, wanneer de meetwaarde rond de schakelafstand schommelt. Het in- en het terugschakelpunt zijn in beide gevallen symmetrisch om het gekozen schakelpunt [Spx] ingedeeld. De afstand tussen het in- en terugschakelpunt is de hysterese; deze wordt berekend uit de reproduceerbaarheid met een veiligheidsfactor van 1,5. Voor de berekening wordt uitgegaan van de reproduceerbaarheid voor max. 40 klx. → 10.3.3 Tabel reproduceerbaarheid en nauwkeurigheid

Voorbeeld Hno

  1. Bij de uitgangsfunctie [Hno] wordt bij het benaderen van het object de uitgang bij het bereiken van het inschakelpunt (A) ingeschakeld.
  2. Verwijdert het object zich weer, schakelt de uitgang pas weer terug, wanneer het terugschakelpunt (B) wordt overschreden. Het terugschakelpunt (B) is groter dan het inschakelpunt (A).

IFM O1D120 - Hysteresefunctie - 1

IFM O1D120 - Hysteresefunctie - 2

Wanneer de uitgangsfunctie [Hnc] is gekozen, zijn inschakelpunt en terugschakelpunt omgekeerd. De uitgang schakelt uit bij nadering van het object. Verwijdert het object zich weer, schakelt de uitgang in.

Schakeltoestand van de uitgangen

UitgangsfunctieObjectafstand (D)Schakeltoestand
[Hno]D < [SPx]gesloten
D > [SPx]geopend
[Hnc]D < [SPx]geopend
D > [SPx]gesloten

Voorbeeld voor uitgangsfunctie [Hno]

Meetfrequentie 50 Hz, afstand tot het object 1200 mm, grijswaarde (18 % remissie):

Hysterese = ± 10 mm (reproduceerbaarheid → 10.3.3 tabel) x factor 1,5 = 15 mm

  • Terugschakelpunt 1200 mm + (15 mm) = 1215 mm
  • Eindschakelpunt 1200 mm - (15 mm) = 1185 mm

10.2.5 Schakelpunt voor hysteresefunctie OUT1 instellen

▶ Onder [OU1] de uitgangsfunctie [Hno] of [Hnc] kiezen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
▶ [SP1] kiezen en schakelpunt instellen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.

0U 1

SP1

10.2.6 Vensterfunctie

Voor elk van de beide uitgangen (OUT1/OUT2) bestaat de mogelijkheid om een venster voor de objectherkenning te definiëren.

Schakelt uit wanneer het object herkend wordt
IFM O1D120 - Vensterfunctie - 1

[nSPx] = Schakelpunt "dichtbij"; [FSPx] = Schakelpunt "ver weg"; FE = venster

Beweegt de meetwaarde zich tussen schakelpunt “dichtbij” [nSPx] en schakelpunt “ver weg” [FSPx], dan is de uitgang geopend (wanneer [OUx] = [Fnc]).

Schakelt wanneer het object wordt herkend

IFM O1D120 - Vensterfunctie - 2

[nSPx] = Schakelpunt "dichtbij"; [FSPx] = Schakelpunt "ver weg"; FE = venster

Beweegt de meetwaarde zich tussen schakelpunt “dichtbij” [nSPx] en schakelpunt “ver weg” [FSPx], dan is de uitgang gesloten (wanneer [OUx] = [Fno]).

Schakeltoestand van de uitgangen

UitgangsfunctieObjectafstand (D)Schakeltoestand
[Fno]D < [nSPx]geopend
D > [FSPx]
[nSPx] < D < [FSPx]gesloten
[Fnc]D < [nSPx]gesloten
D > [FSPx]
[nSPx] < D < [FSPx]geopend
Beide venstergrenzen ([nSPx] en [FSPx]) werken met een schakelhysterese → 10.2.4 Hysteresefunctie / voorbeeld voor uitgangsfunctie [Hno].

10.2.7 Schakelpunten voor vensterfunctie OUT1 instellen

▶ Onder [OU1] de uitgangsfunctie [Fno] of [Fnc] kiezen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
▶ [nSP1] kiezen en schakelpunt “dichtbij” instellen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
▶ [FSP1] kiezen en schakelpunt “ver weg” instellen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
OU 1nSP 1FSP 1

10.2.8 OUT2 configureren

▶ [OU2] selecteren. ▶ Schakelfuncties of analoge signalen instellen:• [Hno] = Hysteresefunctie / normally open (maakcontact)• [Hnc] = Hysteresefunctie / normally closed (verbreekcontact)• [Fno] = Vensterfunctie / normally open (maakcontact)• [Fnc] = Vensterfunctie / normally closed (verbreekcontact)• [I] = Stroomsignaal analoog 4...20 mA• [U] = Spanningsuitgang analoog 0...10 V▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.OU2

10.2.9 Schakelpunt voor hysteresefunctie OUT2 instellen

▶ Onder [OU2] [Hno] of [Hnc] kiezen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
▶ [SP2] kiezen en schakelpunt instellen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen. → 10.2.4 Hysteresefunctie
OU2SP2

10.2.10 Schakelpunten voor vensterfunctie OUT2 instellen

▶ Onder [OU2] [Fno] of [Fnc] kiezen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
▶ [nSP2] kiezen en schakelpunt “dichtbij” instellen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
▶ [FSP2] kiezen en schakelpunt “ver weg” instellen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen. → 10.2.6 Vensterfunctie
OU2nSP2FSP2

10.2.11 Meetbereik (analoge uitgang) verschalen

▶ Onder [OU2] [I] of [U] kiezen.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
▶ [ASP] kiezen en "analoog startpunt" instellen. Met [ASP] wordt vastgelegd bij welke meetwaarde het uitgangssignaal 4 mA/0 V begint.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
▶ [AEP] kiezen en “analoog eindpunt” instellen
Met [AEP] wordt vastgelegd bij welke meetwaarde het uitgangssignaal 20 mA/10 V eindigt. Het kan ook dusdanig worden gekozen, dat het voor de [ASP] ligt. Daarmee kan een dalende flank worden gerealiseerd.
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.
OU2ASPAEP
Minimumafstand tussen [ASP] en [AEP]: 100 mmWordt de minimumafstand overschreden, verschijnt de foutmelding "SIZE".

Stroomuitgang 4...20 mA

IFM O1D120 - Meetbereik (analoge uitgang) verschalen - 1
MEW = eindwaarde meetbereik
In het ingestelde meetbereik ligt het uitgangssignaal tussen 4 en 20 mA.
Verder worden storingen gesignaleerd:
Te veel licht of object te dichtbij: 3,5 mA bij stijgende flank ([ASP] < [AEP]), 20,5 mA bij dalende flank ([ASP] > [AEP]).
Object te ver weg of geen object aanwezig:20,5 mA bij stijgende flank;3,5 mA bij dalende flank.

Spanningsuitgang 0...10 V

IFM O1D120 - Meetbereik (analoge uitgang) verschalen - 2
MEW = eindwaarde meetbereik

10.3 Teach-modus

10.3.1 Meetfrequentie instellen

De meetfrequentie geeft de tijdsduur aan waarna uiteindelijk een nieuw meetresultaat beschikbaar is en de uitgangen geactualiseerd worden. De schakelfrequentie bedraagt gewoonlijk ca. 1/3 van de meetfrequentie.
▶ [TEAC] kiezen, dan [SET] indrukken en ingedrukt houden, tot [WAIT] verschijnt. ▷ [rATE] en [rEPr] worden afwisselend weergegeven.
▶ Wanneer de weergave [RATE] verschijnt: [SET] indrukken, tot de vooraf ingestelde meetfrequentiewaarde knippert.
▶ Stapsgewijs de waarde invoeren door het afzonderlijk indrukken van [SET].
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen. ▷ [WAIT] verschijnt, terwijl de reproduceerbaarheid [rEPr] wordt berekend.> Meetfrequentie [RATE] en reproduceerbaarheid [rEPr] worden afwisselend weergegeven.
TEACr-ATE

10.3.2 Reproduceerbaarheid instellen

▶ [TEAC] kiezen, dan [SET] indrukken en ingedrukt houden, tot [WAIT] verschijnt.➢ ▷ [rATE] en [rEPr] worden afwisselend weergegeven.
▶ Wanneer de weergave [rEPr] verschijnt: [SET] indrukken tot de vooraf ingestelde reproduceerbaarheidswaarde knippert.
▶ Waarde stapsgewijs invoeren door het afzonderlijk indrukken van [SET].
▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.➢ ▷ [WAIT] verschijnt, terwijl de meetfrequentie [RATE] wordt berekend.➢ Meetfrequentie [RATE] en reproduceerbaarheid [rEPr] worden afwisselend weergegeven.
TEACr-EPr-

10.3.3 Tabel reproduceerbaarheid en nauwkeurigheid

Waarde voor de meetfrequentie 50 Hz, vreemd licht max. 40 klx*

Afstandin [mm]ReproduceerbaarheidNauwkeurigheid
wit90% remissiegrijs18% remissiewit90% remissiegrijs18% remissie
200...1000± 5,0 mm± 7,5 mm± 15,0 mm± 18,0 mm
1000...2000± 5,5 mm± 10,0 mm± 15,0 mm± 20,0 mm
2000...4000± 17,5 mm± 22,5 mm± 25,0 mm± 32,0 mm
4000...6000±27,5 mm±40,0 mm±35,0 mm±50,0 mm
6000...10000±60,0 mm±70,0 mm

Waarde voor de meetfrequentie 50 Hz, vreemd licht 40...100 klx*

Afstandin [mm]ReproduceerbaarheidNauwkeurigheid
wit90% remissiegrijs18% remissiewit90% remissiegrijs18% remissie
200...1000± 16,5 mm± 16,5 mm± 26,5 mm± 26,5 mm
1000...2000± 16,5 mm± 16,5 mm± 26,5 mm± 26,5 mm
2000...4000± 30,0 mm± 37,0 mm± 40,0 mm± 47,0 mm
4000...6000± 37,0 mm± 57,0 mm± 47,0 mm± 67,0 mm
6000...10000± 75,0 mm± 85,0 mm

Waarde voor de meetfrequentie 1 Hz, vreemd licht max. 40 klx*

Afstand in [mm]ReproduceerbaarheidNauwkeurigheid
wit90% remissiegrijs18% remissiewit90% remissiegrijs18% remissie
200...1000± 4,0 mm± 4,5 mm± 14,0 mm± 15,0 mm
1000...2000± 4,5 mm± 6,0 mm± 14,5 mm± 16,0 mm
2000...4000± 13,5 mm± 14,5 mm± 23,5 mm± 24,0 mm
4000...6000± 19,0 mm± 21,0 mm± 29,0 mm± 31,0 mm
6000...10000± 37,0 mm± 47,0 mm

Waarde voor de meetfrequentie 1 Hz, vreemd licht 40...100 klx*

Afstandin [mm]ReproduceerbaarheidNauwkeurigheid
wit90% remissiegrijs18% remissiewit90% remissiegrijs18% remissie
200...1000± 10,0 mm± 10,0 mm± 20,0 mm± 20,0 mm
1000...2000± 10,0 mm± 10,0 mm± 20,0 mm± 20,0 mm
2000...4000± 17,0 mm± 18,0 mm± 27,0 mm± 28,0 mm
4000...6000± 22,0 mm± 25,0 mm± 32,0 mm± 35,0 mm
6000...10000± 37,0 mm± 47,0 mm

*Tastbereik op zwart (6% remissie) ≤ 4000 mm.
De waarden gelden voor:
- constante omgevingsomstandigheden (23 C / 960 hPa)
- min. inschakelduur van 10 minuten.

10.4 Uitgebreide functies

10.4.1 Vertragingstijd voor schakeluitgangen instellen

▶ [EF] kiezen. ▶ [SET] indrukken om over te schakelen naar het menu [EF]. ▶ Met [MODE/ENTER] parameter kiezen:[dSx] = Inschakelvertraging; [drx] = Uitschakelvertraging▶ Met [SET] parameterwaarde instellen:Instelbereik [s]: 0 / 0,1...5 s in stappen van 0,1 s(0 = vertragingstijd is niet actief)▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.EFd51dr1d52dr2

10.4.2 Foutonderdrukkingstijd voor schakeluitgangen/analoge uitgang instellen

▶ [EF] kiezen. ▶ [SET] indrukken om over te schakelen naar het menu [EF]. ▶ [dFo] kiezen (oude benaming: [dAP]). ▶ Met [SET] parameterwaarde instellen:Instelbereik [s]:0,0...0,1...0,2...0,5...1...2...5. ▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen.EFdFo

IFM O1D120 - Foutonderdrukkingstijd voor schakeluitgangen/analoge uitgang instellen - 1

Met [dFo] worden de storingstyles "te veel licht" en "te weinig licht" onderdrukt ( → 12.1 Foutindicaties).

10.4.3 Alle parameters naar fabrieksinstelling terugzetten

▶ [EF] kiezen. ▶ [SET] indrukken om over te schakelen naar het menu [EF]. ▶ [rES] kiezen, dan [SET] indrukken en ingedrukt houden, tot [----] verschijnt. ▶ Met [MODE/ENTER] bevestigen. ▷ Het apparaat schakelt over naar de runmodus.EFr-ES

10.4.4 Software versienummer weergeven

▶ [EF] kiezen. ▶ [SET] indrukken om over te schakelen naar het menu [EF]. ▶ [SW] kiezen, dan [SET] indrukken. ▷ Software versienummer verschijnt. ▶ [MODE/ENTER] indrukken om terug te keren naar het menu [EF].EFSW

11.1 Algemene informatie

Dit apparaat beschikt over een IO-Link-communicatie-interface, dat noodzakelijk is voor het gebruik met een IO-Link-compatibele deelnemer (IO-Link-master). De IO-Link-interface maakt de directe toegang mogelijk tot sensorwaarden en parameters en biedt de mogelijkheid om het apparaat tijdens lopend bedrijf te parametreren. Verder is de communicatie via een punt-tot-punt-verbinding mogelijk met een USB-adapterkabel.

Meer informatie over IO-Link vindt u op www.ifm.com.

11.2 Apparaatspecifieke informatie

De IODD's die voor de configuratie van het IO-Link-apparaat nodig zijn, evenals gedetailleerde informatie over sensorwaarden, diagnose-informatie en parameters vindt u in tabellenoverzicht onder www.ifm.com.

11.3 Parametreertools

Alle noodzakelijke informatie over de benodigde IO-Link-hardware en -software vindt u op www.ifm.com.

11.4 Uitgebreide functies

Met IO-Link beschikt u over uitgebreide functies en meetgegevens.

11.4.1 Teach-functie

De volgende Teach-functies zijn beschikbaar:

- Achtergrond teaches

- Tweepunts teach

De Teach-functies worden uitvoerig beschreven in de IODD.

11.4.2 Objectweerspiegeling

De objectweerspiegeling kan via het display en als procesgegevenswaarde (PDV) worden opgeroepen.

IFM O1D120 - Objectweerspiegeling - 1

De objectweerspiegeling kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor het herkennen van de sensorvervuiling.

12 Inbedrijfstelling/Gebruik

▶ Na montage, elektrische aansluiting en programmering controleren of het apparaat op betrouwbare wijze functioneert.

▷ Bij correcte inbedrijfstelling wordt de afstand tot het object getoond.

IFM O1D120 - Inbedrijfstelling/Gebruik - 1

Levensduur van een laserdiode: 50.000 uur

12.1 Foutindicaties

IndicatieMogelijke oorzaakSchakeluitgangStroomuitgang / SpanningsuitgangIO-Link-proceswaarde Afstand3)IO-Link-Proceswaarde Objectweerspiegeling3)
[Hno][Hnc][Fno][Fnc][ASP] < [AEP][ASP] > [AEP]
[++]te veel licht, bijv. spiegelend oppervlakONOFFOFFON3,5 mA / 0 V20,5 mA / 10 VNoDataOL
[- -]te weinig licht, geen objectOFFONOFFON20,5 mA / 10 V3,5 mA / 0 VNoDataUL
[nEAr]Meetobject buiten het meetbereik < 0,2 mONOFFOFFON3,5 mA / 0 V20,5 mA / 10 VULNoData
[FAr]Meetobject buiten het meetbereik > 10 mOFFONOFFON20,5 mA / 10 V3,5 mA / 0 VOLNoData
[Errp]Waarschijn-lijkheid (bijv. object te snel) X1) X1) X1) X1) X1) X1) X1) X1)
[LoFF]Laser uitgeschakeldOFFONOFFON20,5 mA / 10 V3,5 mA / 0 VNoDataNoData
[SC1]Kortsluiting in schakeluitgang 12)2)n.v.t.n.v.t.
[SC2]Kortsluiting in schakeluitgang 22)2) X1) X1)
[SC]Kortsluiting in alle schakeluitgangenn.v.t.n.v.t.

1) Ongewijzigd

2) [SC1] of [SC] alleen actief wanneer uitgang 2 als schakeluitgang is geconfigureerd.

3) Zie IODD van het apparaat

13 Onderhoud, reparatie, afvoer

Reparatie van defecte sensoren mag uitsluitend worden gedaan door de fabrikant.

▶ De voorzijde optiek van het apparaat vrijhouden van vervuiling.
▶ Het apparaat na gebruik milieuvriendelijk afvoeren volgens de geldige nationale voorschriften.

14 Fabrieksinstelling

ParametersInstelbereikFabrieksinstellingEigen instelling
Unimm, m, inchmm
OU1Hno, Hnc, Fno, FncHno
SP1200...99991000
nSP1200...9999800
FSP1200...99991200
OU2Hno, Hnc, Fno, Fnc, I, UI
SP2200...99992000
nSP2200...99991800
FSP2200...99992200
ASP0...99990
AEP0...99999999
rATE1...5050 Hz
dS10...0,1...50 s
dr10...0,1...50 s
dS20...0,1...50 s
dr20...0,1...50 s
dFo0...0,1...0,2...0,5...1...2...50 s
diSd1...3; rd1...3; OFFd3

Technische gegevens en meer informatie op www.ifm.com

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : IFM

Model : O1D120

Categorie : Foto-elektrische sensor