SM4120 - Detector IFM - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SM4120 IFM in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over SM4120 IFM
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Detector in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SM4120 - IFM en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SM4120 van het merk IFM.
GEBRUIKSAANWIJZING SM4120 IFM
Gebruiksaanwijzing
Magnetisch-inductieve stromingssensor
SMxx2x
SMxx3x
Inhoudsopgave
1 Inleiding.... 4
1.1 Gebruikte symbolen 4
1.2 Waarschuwingen.... 4
2 Veiligheidsaanwijzingen 5
2.1 Cybersecurity.... 5
3 Transport, behandeling en opslag.... 6
4 Gebruik volgens de voorschriften.... 7
4.1 Toepassing 7
5 Functie 8
5.1 Keuzemogelijkheden voor uitgang OUT1 8
5.2 Keuzemogelijkheden voor uitgang OUT2 9
5.3 IO-Link 9
6 Montage.... 10
6.1 Procesaansluiting.... 10
6.2 Inbouwpositie 11
6.2.1 Aanbevolen inbouwpositie 11
6.2.2 Niet-aanbevolen inbouwpositie 12
7 Elektrische aansluiting 13
8 Bedienings- en weergave-elementen 15
9 Menu.... 16
9.1 Hoofdmenu en submenu's 16
10 Inbedrijfstelling 24
11 Parametrering 25
11.1 Parametrering via de apparaattoetsen.... 25
11.2 Parametrering via IO-Link 25
11.3 Uitgangsconfiguratie 26
11.3.1 Schakelsignaal grenswaardebewaking 26
11.3.2 Schakelsignaal flowrichting 27
11.3.3 Bewaking van de verbruikshoeveelheid (totalisatorfunctie) 28
11.3.3.1 Schakelsignaal totalisator 29
11.3.3.2 Impulssignaal totalisator 30
11.3.4 Analoog signaal.... 31
11.3.5 Frequentiesignaal 33
11.3.6 Storingsgedrag van de uitgangen 35
11.3.7 Uitgang uit 35
11.4 Applicatieconfiguratie 36
11.4.1 Standaard maateenheid 36
11.4.2 Proceswaarde voor OUT1 en OUT2 36
11.4.3 Demping 36
11.4.4 Start-overbruggingstijd 37
11.4.5 Uitgangspolariteit 38
11.4.6 Onderdrukking van sluipende hoeveelheden 38
11.4.7 Stroomrichting 39
11.4.8 Totalisator-reset 39
11.4.9 Telwijze van de totalisators.... 41
11.4.10 Vergrendelen/ontgrendelen 42
11.4.11 Apparaat resetten 42
11.5 Display-instellingen 43
11.5.1 Displaytaal 43
11.5.2 Displaylay-out 43
11.5.3 Verversingssnelheid display 43
11.5.4 Rotatie van het display 44
11.5.5 Helderheid van het display 44
11.5.6 Kleurinstelling display 44
11.6 Diagnose en servicefuncties 45
11.6.1 Apparaatinformatie.... 45
11.6.2 Simulatie 46
11.6.3 Optische lokalisatie 47
11.6.4 Totalisatorwaarden uitlezen 47
11.6.5 Geheugen 47
12 Storing verhelpen 49
12.1 Waarschuwingen.... 49
12.2 Foutmeldingen 50
13 Onderhoud, reparatie en afvoer 51
14 Fabrieksinstelling 52
1 Inleiding
Handleiding, technische gegevens, certificeringen en overige informatie via de QR-code op het apparaat/op de verpakking of op documentation.ifm.com.
1.1 Gebruikte symbolen
√ Voorwaarde
▶ Instructie voor het uitvoeren van een handeling
▷ Reactie, resultaat
vet Aanduiding van toetsen, knoppen of indicaties
Kruisverwijzing zonder link
Kruisverwijzing met link

Belangrijke aanwijzing
Bij niet-naleving van de voorschriften kunnen storingen ontstaan

Informatie
Aanvullende aanwijzing
1.2 Waarschuwingen
Waarschuwingen waarschuwen voor mogelijk persoonlijk letsel en materiële schade. Daardoor is het mogelijk veilig met het product om te gaan. Waarschuwingen worden als volgt beoordeeld:

WAARSCHUWING
Waarschuwing voor ernstig lichamelijk letsel
▷ Dodelijk en zwaar letsel is mogelijk als de waarschuwing wordt genegeerd.

VOORZICHTIG
Waarschuwing voor licht en middelzwaar persoonlijk letsel
▷ Licht tot middelzwaar letsel is mogelijk als de waarschuwing wordt genegeerd.

ATTENTIE
Waarschuwing voor materiële schade
▷ Materiële schade is mogelijk als de waarschuwing wordt genegeerd.
2 Veiligheidsaanwijzingen
- Het beschreven apparaat wordt als deelcomponent in een systeem ingebouwd.
- De veiligheid van het systeem is de verantwoordelijkheid van de bouwer.
-
De systeembouwer is verplicht een risicobeoordeling uit te voeren en van daaruit documentatie op te stellen en mee te leveren volgens de wettelijke gestandaardiseerde eisen voor de exploitant en de gebruiker van het systeem. Deze moet alle noodzakelijke informatie en veiligheidsaanwijzingen bevatten voor de exploitant, gebruiker en eventueel het door de systeembouwer geautoriseerde servicepersoneel.
-
Dit document voor inbedrijfstelling van het product lezen en tijdens de gebruiksduur opbergen.
- Het product moet onbeperkt geschikt zijn voor de betreffende applicaties en omgevingscondities.
- Het product alleen volgens de voorschriften gebruiken (→ Gebruik volgens de voorschriften).
- Het product alleen voor de toegestane media gebruiken.
- Het niet naleven van de gebruiksaanwijzingen of de technische gegevens kan tot materiële schade en/of persoonlijke ongevallen leiden.
- Voor gevolgen door wijzigingen in het product of verkeerd gebruik door de exploitant is de fabrikant niet aansprakelijk en biedt hij geen garantie.
- De montage, elektrische aansluiting, inbedrijfstelling, bediening en onderhoud van het product mogen alleen door opgeleid vakkundig personeel worden uitgevoerd dat door de exploitant is geautoriseerd.
- Apparaten en kabels op een doeltreffende manier tegen beschadiging beschermen.
2.1 Cybersecurity
Installatie
Het apparaat is geschikt voor gebruik in een veilige omgeving conform IEC 62443-1-1.
Het apparaat is ontworpen voor gebruik achter een firewall.
▶ Voer een risicobeoordeling van de installatie uit conform IEC 62443-1-1.
▶ Neem maatregelen om de fysieke veiligheid te waarborgen
Bedrijf
▶ Neem de beveiligingsfuncties in acht die in de documentatie van het apparaat staat vermeld en neem de aanbevelingen voor het gebruik in acht.
Onderhoud
▶ Beveilig de systeemconfiguratie en systeemgegevens conform de change-management-processen van de onderneming.
Ontmantelen
▶ Zorg ervoor dat er geen gevoelige informatie in onbevoegde handen valt.
▶ Voordat u het apparaat buiten gebruik stelt, moet u altijd de systeeminstellingen terugzetten naar de fabrieksinstellingen.
3 Transport, behandeling en opslag
▶ Bewaar het apparaat op in de originele verpakking.
▶ Gebruik de originele verpakking als u het apparaat weer opbergt.
▶ Indien dit niet het geval is, dient u de ongebruikte aansluitingen van een contrastekker of een beschermkap te voorzien en verpak het apparaat op een correcte manier.
▶ Bij het opslaan van het apparaat houdt dan rekening met de toegestane omgevingscondities (→ Technische gegevens).
4 Gebruik volgens de voorschriften
Het apparaat bewaakt vloeibare media.
Het apparaat registreert de procesparameters doorloopsnelheid, volumestroom (doorstroomhoeveelheid/tijd), verbruikshoeveelheid en mediumtemperatuur.
4.1 Toepassing
Vloeibare media met de volgende eigenschappen:
• Geleidbaarheid: ≥ 20 μS/cm
- Viscositeit: < 70 mm2 / s bij 40° C; < 70 cST bij 104° F

Dit is een klasse A-product. In huishoudelijke omgevingen kan dit product radiostoringen veroorzaken.
▶ Zo nodig EMC-maatregelen treffen als afscherming.

Richtlijn Drukapparatuur:
De apparaten voldoen aan de Richtlijn Drukapparatuur en zijn ontworpen en gefabriceerd voor media uit de vloeistofgroep 2 conform goede technische praktijkgewoonten. Gebruik van media uit de vloeistofgroep 1 op aanvraag.
5 Functie
- Het apparaat registreert de flow volgens het magnetisch inductieve stromingsmeetprincipe.
- Als extra proceswaarde meet het apparaat de mediatemperatuur.
- Het apparaat kan in de SIO-modus (Standard Input Output) en in de IO-Link-modus worden gebruikt.
- Het apparaat beschikt over omvangrijke mogelijkheden voor zelfdiagnose.
- Een simulatiemodus draagt bij aan een vereenvoudigde inbedrijfstelling van de sensoren.
- Het apparaat geeft de actuele proceswaarde op een display weer.
- Het apparaat creëert twee uitgangssignalen overeenkomstig de parametrering.
-
Het apparaat heeft de volgende uitgangsfuncties:
-
Schakelsignaal grenswaardebewaking ➕ 26: flow, temperatuur
– Schakelsignaal flowrichting ➞ 27 - Bewaking van de verbruikshoeveelheid (totalisatorfunctie) ⭕ 28: Schakelsignaal of impulssignaal
- Analoog signaal → 31: flow, temperatuur
- Frequentiesignaal → 33: flow, temperatuur
• Daarnaast biedt het apparaat de volgende extra functies:
- Totalisatorwaarden uitlezen ➞ 47
- Geheugen ➞ 47
- Simulatie → 46
- Optische lokalisatie ➞ 47
- Vergrendelen/ontgrendelen ➞ 42
- Apparaat resetten ➞ 42
- Display-instellingen ➞ 43
- Applicatieconfiguratie ➞ 36: bijv. standaard maateenheid, meetwaarde-demping, start-overbruggingstijd, uitgangspolariteit, uitschakeling bij lage stroming, stromingsrichting, totalisator-reset, telwijze van totalisator, foutgedrag van uitgangen.

Bij gebruik met fabrieksinstellingen bewaakt het apparaat het debiet via een schakelsignaal bij OUT1 en een analoog signaal bij OUT2 ➞ 52.
5.1 Keuzemogelijkheden voor uitgang OUT1
• Schakelsignaal flow
• Schakelsignaal temperatuur
• Schakelsignaal flowrichting
• Schakelsignaal totalisator
• Impulssignaal totalisator
• Frequentiesignaal flow
• Frequentiesignaal temperatuur
- IO-Link
• OFF (uitgang hoogohmig geschakeld)
5.2 Keuzemogelijkheden voor uitgang OUT2
• Schakelsignaal flow
• Schakelsignaal temperatuur
• Schakelsignaal flowrichting
• Analoog signaal flow
• Analoog signaal temperatuur
- Ingang voor externe totalisator-reset
• OFF (uitgang hoogohmig geschakeld)
5.3 IO-Link
IO-Link is een communicatieinterface voor het aansluiten van intelligente sensoren en actuatoren op automatiseringssystemen. IO-Link is gestandaardiseerd in de norm IEC 61131-9.

Algemene informatie over IO-Link op io-link.ifm

Input Output Device Description (IODD) met alle parameters, procesgegevens en gedetailleerde beschrijvingen van het apparaat op documentation.ifm.com
IO-Link biedt de volgende voordelen:
- Storingsvrije overdracht van alle gegevens en proceswaarden
- Parametrering tijdens het lopende proces of vooraf ingesteld buiten de applicatie
- Parameters voor de identificatie van de aangesloten apparaten in de installatie
• Aanvullende parameters en diagnosefuncties - Automatische back-up en herstel van parametersets als een apparaat wordt vervangen (gegevensopslag)
• Vastleggen van parametersets, proceswaarden en gebeurtenissen (events) - Bestand met apparaatbeschrijving (IODD - Input Output Device Description) voor eenvoudige project-planning
• Gestandaardiseerde elektrische aansluiting - Onderhoud op afstand
6 Montage

VOORZICHTIG
Bij mediatemperaturen van meer dan 50 °C (122 °F) kunnen sommige gedeelten van de behuizing warmer worden dan 65 °C (149 °F).
▷ Verbrandingsgevaar.
▶ Behuizing afschermen om niet in contact te komen met ontvlambare stoffen en tegen onop-zettelijk aanraken.

ATTENTIE
Ontbrekende functionele aarding bij installatie in een niet-geaard leidingsysteem (bijv. plastic leidingen).
▷ Gebrekkige werking.
▶ Apparaat aarden. Aardingsklemmen voor de M12-stekkers zijn leverbaar als accessoire, zie documentation.ifm.com.
▶ Veiligstellen dat de installatie drukvrij is.
▶ Controleren of er tijdens de montagewerkzaamheden geen media op de plaats van montage kunnen uit lopen.
▶ Voorkom afzettingen, gas- en luchtophopingen in het leidingsysteem.

Na de montage kunnen luchtbellen in het systeem de meting beïnvloeden.
▶ Het systeem na montage doorspoelen om te ontluchten.

Er zijn geen stabilisatieafstanden aan de ingangs- en uitgangszijde van de sensor vereist.
6.1 Procesaansluiting
De apparaten met G-schroefdraad kunnen met behulp van adapters worden ingebouwd in de buisleiding. Adapters kunnen afzonderlijk als toebehoren worden besteld.
- Informatie over beschikbaar montagetoebehoren op www.ifm.com.
- Correcte afdichting van het apparaat en waterdichtheid van de aansluiting zijn alleen gegarandeerd met ifm-adapters.

▶ Handleiding van het montagetoebehoren raadplegen.

▶ Aandraaimoment voor de sensor en de bevestigingselementen in acht nemen.

Afb. 1: Procesaansluiting voor apparaten met G-schroefdraad; F = stromingsrichting
1: Leidingwerk
2: Adapter
3: Afdichting
4: G-schroefdraad
▶ Smeer de schroefdraad van procesaansluiting, adapter en sensor in. Gebruik een goedgekeurde smeerpasta die geschikt is voor de toepassing.
▶ Schroef de adapters in het leidingwerk.
▶ Plaats de afdichtingen en installeer het apparaat volgens de gemarkeerde stromingsrichting.
▶ Schroef de adapters handvast op de sensorschroefdraad.
▶ Beide adapters in tegengestelde richting met gedefinieerde aandraaimoment aandraaien:
• 15 Nm voor apparaten met DN6
• 30 Nm voor apparaten met DN15... DN25
6.2 Inbouwpositie
6.2.1 Aanbevolen inbouwpositie
▶ Apparaat zo inbouwen dat de meetbuis steeds volledig is gevuld.
▶ Vóór of in stijgende leiding inbouwen.


Afb. 2: Aanbevolen inbouwposities F = stroomrichting

Het apparaat kan in elke positie worden ingebouwd als het volgende is gewaarborgd:
- Er kunnen zich geen luchtbellen in de leidingen vormen.
- Het leidingwerk is steeds volledig gevuld.

Bij horizontale inbouw: Vanwege de constructievereisten blijft er na het uitschakelen van de pomp altijd een kleine hoeveelheid medium in het meetkanaal achter.
6.2.2 Niet-aanbevolen inbouwpositie
• Direct vóór een dalende leiding.
• In een dalende leiding.
• Vlak vóór een buisuitgang.
• Aan de zuigzijde van een pomp.
- Aan het hoogste punt van het leidingstelsel.
7 Elektrische aansluiting

Het apparaat mag uitsluitend door een elektromonteur worden geïnstalleerd.
Nationale en internationale voorschriften voor de aanleg van elektrotechnische installaties dienen te worden opgevolgd.
Voeding conform SELV, PELV.
▶ Installatie spanningsvrij schakelen.
▶ Apparaat op de onderstaande wijze aansluiten:


Afb. 3: Aansluitingsschema
| Pen | Bezetting |
| 1 | L+ |
| 3 | L- |
| 4 (OUT1) | Schakelsignaal flow Schakelsignaal temperatuur Schakelsignaal flowrichting Schakelsignaal totalisator Impulssignaal totalisator Frequentiesignaal flow Frequentiesignaal temperatuurIO-LinkOFF (uitgang hoogohmig geschakeld) |
| 2 (OUT2/InD) | Schakelsignaal flow Schakelsignaal temperatuur Schakelsignaal flowrichting Analoog signaal flow Analoog signaal temperatuur Ingang voor externe totalisator-resetOFF (uitgang hoogohmig geschakeld) |
Voorbeeldschakelingen:




1: 2 x p-schakelend
2: 2 x n-schakelend
3: 1 x p-schakelend / 1 x analoog
4: 1 x n-schakelend / 1 x analoog
8 Bedienings- en weergave-elementen

Afb. 4: Bedienings- en weergave-elementen
1: Schakeltoestand-LED voor OUT1
2: Schakeltoestand-LED voor OUT2
3: TFT-display
4: Knoppen voor het wisselen van weergaven en voor de instelling van parameters

Als het apparaat een hoge interne temperatuur meet, wordt de helderheid van het display automatisch aangepast:
Interne temperatuur van het apparaat > 70 °C: helderheid wordt verlaagd tot 25 %.
Interne temperatuur van het apparaat ≥ 100 °C: display wordt uitgeschakeld.
Wisselen tussen weergaven:
Tijdens de werking is het mogelijk om te wisselen tussen verschillende weergaven van proceswaarden:
▶ Druk op de toets ▲ of ▼.
▷ Het display wisselt tussen de standaard weergave met de standaard ingestelde maateenheid en andere weergaven.
▷ Na 30 seconden schakelt het apparaat terug naar het standaarddisplay.
①

②

③
▼ ▲

1: Standaarddisplay zoals ingesteld onder diS. L, coL.x en uni.x
2: Volledig overzicht van alle proceswaarden
3: Overzicht totalisatorwaarde

De verbruikshoeveelheid wordt automatisch met de maateenheid weergegeven, die de grootst mogelijke nauwkeurigheid heeft.
9 Menu
De menu-afbeeldingen tonen de parameters die bij het apparaat kunnen worden ingesteld met behulp van de drukknoppen. Deze parameters en andere functies zijn ook beschikbaar via de IO-Link-interface.

Afb. 5: Menu-overzicht
9.1 Hoofdmenu en submenu's

De weergegeven parameters veranderen wanneer de fabrieksinstellingen worden gewijzigd. De volgende menu-afbeeldingen tonen de maximaal beschikbare parameters.

De weergave van de parameters in de configuratiesoftware kan afwijken van de weergave op het display van het apparaat.
Hoofdmenu:

| Parameters | Toelichting |
| SPx | Schakelpunt voor schakeluitgang OUTx met hysteresefunctie |
| rPx | Terugschakelpunt voor schakeluitgang OUTx met hysteresefunctie |
| FHx | Bovenste grenswaarde voor schakelsignaal OUTx met vensterfunctie |
| FLx | Onderste grenswaarde voor schakelsignaal OUTx met vensterfunctie |
| ASP2 | Analoog startpunt bij OUT2 = proceswaarde waarbij het uitgangssignaal 4 mA bedraagt. |
| AEP2 | Analoog eindpunt bij OUT2 = proceswaarde waarbij het uitgangssignaal 20 mA bedraagt. |
| ImPS1 | Impulswaarde (= debietwaarde waarbij 1 impuls wordt afgegeven) |
| ImPR1 | Totalisator-functie: Impulssignaal (ImPR1 = YES) of schakelsignaal (ImPR1 = NO) |
| FSP1 | Frequentiestartpunt voor OUT1 = laagste meetwaarde waarbij een frequentiesignaal wordt verzonden (alleen voor temperatuurmeting). |
| FEP1 | Frequentie-eindpunt voor OUT1 = bovenste meetwaarde waarbij het onder FrP1 ingestel-de frequentiesignaal wordt verzonden. |
| FrP1 | Frequentiesignaal dat bij het bereiken van de bovenste meetwaarde (MEW of FEP1) wordt verzonden. |
| DIn2 | Resetsignaal voor externe totalisator-reset |
| EF | Overgang naar het EF-submenu (geavanceerde functies) |
Menu uitgangsconfiguratie OUT1:

| Parameters | Toelichting |
| OUT1 | Overgang naar submenu OUT1 (uitgangsconfiguratie voor uitgang 1) |
| SEL1 | Proceswaarde voor uitgang OUT1 |
| ou1 | Uitgangsfunctie voor uitgang OUT1:Hno/Fno/Hnc/Fnc = schakelsignaal/hysterese/venster, sluiter/openerImP = totalisator-functie (impulssignaal of schakelsignaal preselect-teller)FRQ = frequentiesignaaldir. F = schakelsignaal stromingsrichtingOFF = uitgang uit |
| SP1 | Schakelpunt voor schakeluitgang OUT1 met hysteresefunctie |
| rP1 | Terugschakelpunt voor schakeluitgang OUT1 met hysteresefunctie |
| FH1 | Bovenste grenswaarde voor schakelsignaal OUT1 met vensterfunctie |
| FL1 | Onderste grenswaarde voor schakelsignaal OUT1 met vensterfunctie |
| ImPS1 | Impulswaarde (= debietwaarde waarbij 1 impuls wordt afgegeven) |
| ImPR1 | Totalisator-functie: Impulssignaal (ImPR1 = YES) of schakelsignaal (ImPR1 = NO) |
| FSP1 | Frequentiestartpunt voor OUT1 = laagste meetwaarde waarbij een frequentiesignaal wordt verzonden (alleen voor temperatuurmeting). |
| FEP1 | Frequentie-eindpunt voor OUT1 = bovenste meetwaarde waarbij het onder FrP1 ingestel-de frequentiesignaal wordt verzonden. |
| FrP1 | Frequentiesignaal dat bij het bereiken van de bovenste meetwaarde (MEW of FEP1) wordt verzonden. |
| FOU1 | Gedrag van de uitgang OUT1 bij een storing |
Menu uitgangsconfiguratie OUT2:

Afb. 6: Menu OUT2 [SM klein]
| Parameters | Toelichting |
| OUT2 | Overgang naar submenu OUT2 (uitgangsconfiguratie voor uitgang 2) |
| SEL2 | Proceswaarde voor uitgang OUT2 |
| ou2 | Uitgangsfunctie voor uitgang OUT2:Analoog signaal 4...20 mAHno/Fno/Hnc/Fnc = schakelsignaal/hysterese/venster, sluiter/openerIn. D = totalisator-reset door extern signaaldir. F = schakelsignaal stromingsrichtingOFF = uitgang uit |
| ASP2 | Analoog startpunt bij OUT2 = proceswaarde waarbij het uitgangssignaal 4 mA bedraagt. |
| AEP2 | Analoog eindpunt bij OUT2 = proceswaarde waarbij het uitgangssignaal 20 mA bedraagt. |
| SP2 | Schakelpunt voor schakeluitgang OUT2 met hysteresefunctie |
| rP2 | Terugschakelpunt voor schakeluitgang OUT2 met hysteresefunctie |
| FH2 | Bovenste grenswaarde voor schakelsignaal OUT2 met vensterfunctie |
| FL2 | Onderste grenswaarde voor schakelsignaal OUT2 met vensterfunctie |
| DIn2 | Resetsignaal voor externe totalisator-reset |
| FOU2 | Gedrag van de uitgang OUT2 bij een storing |
Menu basisinstellingen CFG en totalisator TOTL:

* SM4; **SM6/SM7/SM8
| Parameters | Toelichting |
| CFG | Overgang naar het CFG-submenu (basisinstellingen) |
| TOTL | Overgang naar het TOTL-submenu (basisinstellingen) |
| uni. F | Standaard maateenheid voor flow |
| uni. T | Standaard maateenheid voor temperatuur |
| dAP | Dempingsconstante in seconden (63% stijgingstijd τ ). |
| dSt | Start-overbruggingstijd voor debietbewaking (startup delay) |
| P-n | Uitgangspolariteit van de schakeluitgangen |
| LFC | Onderdrukking van sluipende hoeveelheden |
| Fdir | Stroomrichting |
| rTox | Instelling voor het resetten van de totalisator (handmatig of tijdgestuurd) |
| FProx | Telwijze van de totalisator: gebaseerd op de stromingsrichting |
| Vol.x | Huidige tellerstand voor totalisator Vol.x |
| Vol. L | Huidige tellerstand voor totalisator Vol. L over de gehele looptijd |
Menu geheugen MEM en display DIS:

| Parameters | Toelichting |
| MEM | Overgang naar het MEM-submenu (geheugen) |
| DIS | Overgang naar het DIS-submenu (display). |
| Lo. F | Laagst gemeten debietwaarde |
| Hi. F | Hoogst gemeten debietwaarde |
| Lo. T | Laagst gemeten temperatuurwaarde |
| Hi. T | Hoogst gemeten temperatuurwaarde |
| LanG | Taalselectie voor het display |
| diS. L | Displaylay-out |
| diS. U | Actualisatiefrequentie van de displayweergave |
| diS. R | Oriëntatie van de displayweergave |
| diS. B | Helderheid van de displayweergave |
Menu kleurinstellingen COLR en simulatie SIM:

| Parameters | Toelichting |
| COLR | Overgang naar het COLR-submenu (kleurinstellingen) |
| SIM | Overgang naar het SIM-submenu (simulatie) |
| coL. F | Tekstkleur voor flow |
| coL. T | Tekstkleur voor temperatuur |
| coL. V | Tekstkleur voor totalisator-weergave |
| cFH. F | Bovenste grenswaarde voor kleurenwisseling (flow) |
| cFL. F | Onderste grenswaarde voor kleurenwisseling (flow) |
| cFH. T | Bovenste grenswaarde voor kleurenwisseling (temperatuur) |
| cFL. T | Onderste grenswaarde voor kleurenwisseling (temperatuur) |
| S. FLW | Gesimuleerde debietwaarde in simulatiemodus |
| S. TMP | Gesimuleerde temperatuurwaarde in simulatiemodus |
| S. Tim | Duur van de simulatie in minuten |
| S. On | Simulatiemodus starten |
10 Inbedrijfstelling
Na inschakelen van de voedingsspanning schakelt het apparaat na afloop van de inschakelvertragingstijd over naar de normale bedrijfsmodus. Het voert meet- en analysefuncties uit en geeft uitgangssignalen overeenkomstig de ingestelde parameters.
Tijdens de inschakelvertragingstijd bevinden de uitgangen zich volgens de parametrering in de volgende toestand:
• AAN bij maakcontact (Hno / Fno)
• UIT bij verbreekcontact (Hnc / Fnc)
• AAN bij richtingsherkenning (dir. F)
• UIT bij frequentie-uitgang (FRQ)
- UIT bij bewaking van de verbruikshoeveelheid (ImP)
• 20 mA bij stroomuitgang (I)

Wanneer een IO-link-master is aangesloten, schakelt het apparaat automatisch over van de SIO-modus (Standard Input Output) naar de IO-link-modus, mits de masterpoort is ingesteld op de IO-link-modus.
11 Parametrering
De parametrering kan worden uitgevoerd via de IO-Link-interface of via de bedieningselementen op het apparaat.
Parameters kunnen voor inbouw en inbedrijfstelling van het apparaat of tijdens het actieve bedrijf worden ingesteld.

Wijzigt u de parameters tijdens het bedrijf, dan wordt de werking van de installatie beïnvloed.
▶ Controleren of er geen storingen ontstaan in de installatie.
Tijdens het parametreren blijft het apparaat in de bedrijfsmodus. Het voert zijn bewakingsfuncties met de bestaande parameters verder uit tot de parametrering is voltooid.

Afhankelijk van de parameterinstelling kunnen de parameters veranderen die beschikbaar zijn in het menu.
11.1 Parametrering via de apparaattoetsen

VOORZICHTIG
Bij mediatemperaturen van meer dan 50 °C (122 °F) kunnen sommige gedeelten van de behuizing warmer worden dan 65 °C (149 °F).
▷ Risico op brandwonden
▶ Apparaat niet met de hand aanraken.
▶ Hulpmiddel voor instellingen op het apparaat gebruiken (bijv. balpen).
Parametrering algemeen:
| Doel | Actie |
| Overschakelen van het weergavedisplay van de proceswaarden naar het hoofdmenu | ● |
| Overschakelen naar het submenu | Met ▼ naar het submenu (bijv. EF) gaan en vervolgens ● |
| Selectie van de gewenste parameters | ▲ of ▼ |
| Overschakelen naar instelmodus | ● |
| Wijzigen van de parameterwaarde | ▲ of ▼ > 1 s |
| Overname van de ingestelde parameter | ● |
| Parameterinstelling verlaten zonder op te slaan | ▲ + ▼ |
| Terugkeer naar het volgende hogere menu (meerdere malen herhalen om het proceswaardedisplay te bereiken) | ▲ + ▼ |
| Terugkeren naar het weergavedisplay van de weergave | > 30 seconden (timeout) |

Als wordt weergegeven bij een poging om een parameterwaarde te wijzigen, zijn de knoppen van het apparaat vergrendeld → Vergrendelen/ontgrendelen.
11.2 Parametrering via IO-Link
Het apparaat kan op de volgende wijze via de IO-Link-interface worden geparametreerd:
- Parametrering met geschikte parametreersoftware, bijv. ifm moneo|configure
• Parametrering via een PLC
• Parametrering via een IIoT-applicatie
Voorwaarden voor de parametrering via de IO-Link-interface:
√ De Input Output Device Description (IODD) voor het apparaat, indien geparametreerd via een parame-treersoftware, zie documentation.ifm.com
√ De beschrijving van de IO-Link-interface (PDF) voor het apparaat bij parametrering via een PLC of een IIoT-applicatie, zie documentation.ifm.com
√ Een IO-Link-master
▶ Verbind de IO-Link-master met de parametreersoftware, de PLC of de IIoT-applicatie.
▶ Sluit het apparaat aan op een geschikte vrije poort van de IO-Link-master.
▶ Stel de poort van de IO-Link-master in op de IO-Link-modus.
▷ Het apparaat schakelt over naar de IO-Link-modus.
▶ Parameterinstellingen in de software wijzigen.
▶ Parameterinstellingen naar het apparaat schrijven.

Hulp bij systeemintegratie en voor de parametrering via IO-Link:
→ Handleiding van de parametreersoftware (bijv. moneo)
Toelichtingen en "startpakketten" op ifm.com/cnt/io-link-system-integration.
11.3 Uitgangsconfiguratie
Dit hoofdstuk beschrijft de keuzemogelijkheden voor de uitgangssignalen op OUT1 en OUT2.
11.3.1 Schakelsignaal grenswaardebewaking
Voor de bewaking van de proceswaarden kan een schakelsignaal worden uitgevoerd. OUTx wijzigt zijn schakeltoestand bij het over- of onderschrijden van de ingestelde schakelgrenswaarden. Daarbij kan worden gekozen tussen hysterese- en vensterfunctie.
Hysteresefunctie:

Afb. 7: Hysteresefunctie
| 1: | Proceswaarde |
| t: | Tijd |
| SP: | Schakelpunt |
| rP: | Terugschakelpunt |
| HY: | Hysterese |
| Hno: | Hysteresefunctie maakcontact (normally open) |
| Hnc: | Hysteresefunctie verbreekcontact (normally closed) |

Wanneer ingesteld op de hysterese-functie worden het schakelpunt SP en het terugschakelpunt rP vastgesteld. rP moet een lagere waarde hebben dan SP. Wordt nu het schakelpunt gewijzigd, dan wordt het terugschakelpunt met de huidige ingestelde afstand meegenomen.
Vensterfunctie:

1: Proceswaarde
t: Tijd
FH: Bovenste grenswaarde
FL: Onderste grenswaarde
HY: Hysterese
FE: Vensterbereik
Fno: Vensterfunctie maakcontact (normally open)
Fnc: Vensterfunctie verbreekcontact (normally closed)
Afb. 8: Vensterfunctie

Bij instelling op de vensterfunctie wordt de bovenste grenswaarde FH en de onderste grenswaarde FL vastgelegd. FH en FL hebben een vast ingestelde hysterese van 0,25 % van de eindwaarde van het meetbereik. Dat houdt de schakeltoestand van de uitgang stabiel bij zeer geringe stromingsschommelingen.
11.3.1.1 Parametrering via apparaat toetsen: Schakelsignaal
√ De standaard maateenheid is geselecteerd: EF > CFG > uni.x.
√ De proceswaarde is geselecteerd: EF > OUTx > SELx.
▶ Open het menu EF > OUTx voor de configuratie van de uitgang OUTx.
Hysteresefunctie:
- ▶ oux selecteren en schakelsignaal instellen: Hno of Hnc.
▶ SPx selecteren en meetwaarde instellen, waarbij de uitgang schakelt.
▶ rPx selecteren en meetwaarde instellen waarbij de uitgang terugschakelt.
Vensterfunctie:
- ▶ oux selecteren en schakelsignaal instellen: Fno of Fnc.
▶ FHx selecteren en bovenste grenswaarde van het venster instellen.
▶ FLx kiezen en onderste grenswaarde van het venster instellen.

De parameterinstellingen voor SP, rP, FH en FL kunnen achteraf rechtstreeks in het hoofdmenu worden gewijzigd.
11.3.2 Schakelsignaal flowrichting
Een wijziging van de stromingsrichting kan door de output van een schakelsignaal worden bewaakt.
De uitgang is ingeschakeld tot de ingestelde minimale doorstroomhoeveelheid voor het eerst in negatieve stromingsrichting (- LFC) wordt onderschreden (1).
Daarna geldt:
- De uitgang schakelt IN wanneer + LFC wordt overschreden (2).
- De uitgang schakelt UIT wanneer - LFC wordt onderschreden (3).

LFC = Low flow cut-off: Onderdrukking van sluipende hoeveelheden ➞ 38. De eenheid van de minimale doorstroomhoeveelheid komt overeen met de selectie onder uni. F.

Afb. 9: Bewaking van de stromingsrichting door schakelsignalen
+Q: flow in positieve stroomrichting
-Q: flow in negatieve stroomrichting
+LFC: minimale flow in positieve stromingsrichting
-LFC: minimale flow in negatieve stromingsrichting
De positieve stroomrichting is op het apparaat gemarkeerd met een pijl met het opschrift "flow direction".
De richting van de stromingsmeting kan worden omgekeerd met behulp van parameter Fdir.
→ Stroomrichting → 39.
11.3.2.1 Parametrering via apparaat toetsen: Schakelsignaal flowrichting
▶ Open het menu EF > OUTx.
▶ Selecteer SELx en stel de proceswaarde in: FLOW.
▶ Selecteer oux en stel dir. F in.
▶ Controleer of wijzig indien nodig de ingestelde stromingsrichting → 39.
11.3.3 Bewaking van de verbruikshoeveelheid (totalisatorfunctie)
Het apparaat heeft 3 interne totalisatoren (totalisatoren Vol.1, Vol.2 en Vol. L). De totalisatoren tellen continu de verbruikshoeveelheid en maken deze proceswaarde beschikbaar voor het display en de IO-link-interface.
| Totalisator | Proceswaarde | Leestoegang via IO-Link |
| Vol.1 | Verbruikshoeveelheid 1 (deze waarde wordt gebruikt voor bewaking van de verbruikshoeveelheid via schakel- of impulssignalen) | cyclisch |
| Vol.2 | Verbruikshoeveelheid 2 | acyclisch |
| Vol. L | Verbruikshoeveelheid gedurende de gehele levensduur (Life Time Totalisator) | acyclisch |
- De totalisatoren Vol.1 en Vol.2 kunnen worden gereset. De totalisator Vol. L kan niet worden gereset.
→ Totalisator-reset → 39. -
De totalisatoren Vol.1 en Vol.2 houden bij het optellen van de verbruikshoeveelheid rekening met de volgende parameterinstellingen:
-
Stroomrichting ➞ 39.
-
Telwijze van de totalisators ➞ 41.
-
Onderdrukking van sluipende hoeveelheden ➞ 38.
-
De Life Time Totalisator Vol. L telt de doorstroomhoeveelheden op, ongeacht de stromingsrichting en de telwijze.
- Bij overschrijding van het detectiebereik (cr. OL) gebruiken de totalisatoren de laatste geldige flowwaarde (eindwaarde van het meetbereik) en tellen ze verder vanaf deze waarde.
- Naast de huidige verbruikshoeveelheid wordt ook de waarde vóór de laatste reset opgeslagen. Ook de waarde en de tijd sinds de laatste reset kunnen worden weergegeven.
→ Totalisatorwaarden uitlezen → 47.

De totalisator slaat regelmatig de getelde doorstroomhoeveelheid op. Na een spanningsonderbreking is die waarde beschikbaar als actuele tellerstand. Is een tijdsgestuurde reset ingesteld, dan wordt ook de verstreken tijd van het ingestelde reset-interval opgeslagen. Het mogelijke dataverlies kan dus maximaal enkele seconden bedragen.
- De nauwkeurigheid van de verbruikshoeveelheidsmeting is afhankelijk van de nauwkeurigheid van de stromingsmeting.
- Een schakelsignaal of impulsignalen kunnen worden afgegeven voor de bewaking van de verbruikshoeveelheid.
→ Schakelsignaal totalisator → 29.
→ Impulssignaal totalisator → 30.
11.3.3.1 Schakelsignaal totalisator
Een schakelsignaal kan worden afgegeven om de verbruikshoeveelheid te bewaken.
De uitgang geeft een schakelsignaal af wanneer de totalisator Vol.1 de onder ImPS ingestelde debiet (impulswaarde) heeft opgeteld.
Bij het optellen van de doorstroomhoeveelheid wordt rekening gehouden met de stromingsrichting → 41.
De uitgang blijft geschakeld tot de totalisator wordt gereset. Na resetten van de totalisator begint de telling opnieuw.
De totalisator-reset wordt automatisch of handmatig uitgevoerd.
De voorwaarden voor de totalisator-reset en het schakelsignaal kunnen worden ingesteld met de parameter rTo:
- rTo = OFF:
- De totalisator wordt alleen gereset na een handmatige reset of na een overschrijding.
- De uitgang wordt geschakeld wanneer de totalisator de flowhoeveelheid ImPS heeft bereikt.
- rTo = ...h / d / w (uren / dagen / weken):
- ▷ De totalisator wordt automatisch gereset na de ingestelde tijd.
- De uitgang wordt alleen geschakeld wanneer de totalisator de flowhoeveelheid ImPS bij de ingestelde tijd heeft bereikt.

De totalisator kan op elk moment handmatig worden gereset met de parameter rTox. Totalisator Vol.1 kan ook worden gereset via een extern signaal op pin 2.
→ Totalisator-reset → 39.
11.3.3.1.1 Parametrering via apparaat toetsen: Schakelsignaal totalisator
√ De standaard maateenheid is geselecteerd: EF > CFG > uni. F.
√ De proceswaarde is geselecteerd: EF > OUT1 > SEL1 = FLOW.
▶ Open het menu EF > OUT1 voor de configuratie van de uitgang OUT1.
▶ Selecteer ou1 en stel ImP in.
▶ Selecteer ImPS1 en stel de doorstroomhoeveelheid in waarbij de uitgang schakelt.
- Selecteer met ▲ of ▼ het instelbereik.
- Druk • kort in om het instelbereik te bevestigen.
- Stel met ▲ of ▼ de gewenste numerieke waarde in.
- Druk • kort in om de waarde over te nemen.
Het instelbereik is afhankelijk van de onder uni. F geselecteerde stromingseenheid:
| uni. F | Instelbereik ImPS |
| L/min of m3/u of m/s | L...m3...103m3 |
| gal/min of gal/u | 10-3gal...gal...103gal...106gal |
| fl oz/min of ft/s | fl oz... 103fl oz... 106fl oz |
▶ Selecteer ImPR1 en stel Nee in.

De parameterinstellingen voor ImPS en ImPR kunnen achteraf rechtstreeks in het hoofdmenu worden gewijzigd.
▶ De totalisator-reset instellen ➕ 39.
11.3.3.2 Impulssignaal totalisator
Impulsignalen kunnen worden afgegeven voor de bewaking van de verbruikshoeveelheid.

Impulssignalen zijn niet beschikbaar via de IO-Link-interface.
De uitgang genereert een impulssignaal telkens wanneer de totalisator Vol.1 de onder ImPS ingestelde doorstroomhoeveelheid (impulswaarde) heeft opgeteld.
Bij het optellen van de doorstroomhoeveelheid wordt rekening gehouden met de stromingsrichting → 41.
Het impulssignaal bestaat uit een kort in- en uitschakeling van de uitgang.
De schakeltoestand-LED's geven niet het schakelproces aan.
11.3.3.2.1 Parametrering via apparaat toetsen: Impulssignaal totalisator
√ De standaard maateenheid is geselecteerd: EF > CFG > uni. F.
√ De proceswaarde is geselecteerd: EF > OUT1 > SEL1 = FLOW.
▶ Open het menu EF > OUT1 voor de configuratie van de uitgang OUT1.
▶ Selecteer ou1 en stel ImP in.
▶ Selecteer ImPS1 en stel het debiet in waarbij 1 impuls wordt afgegeven (impulswaarde).
- Selecteer met ▲ of ▼ het instelbereik.
- Druk • kort in om het instelbereik te bevestigen.
- Stel met ▲ of ▼ de gewenste numerieke waarde in.
- Druk • kort in om de waarde over te nemen.
Het instelbereik is afhankelijk van de onder uni. F geselecteerde stromingseenheid:
| uni. F | Instelbereik ImPS |
| L/min of m3/u of m/s | L...m3...103m3 |
| gal/min of gal/u | 10-3gal...gal...103gal...106gal |
| fl oz/min of ft/s | fl oz... 103fl oz... 106fl oz |
▶ Selecteer ImPR1 en stel Ja in.

De parameterinstellingen voor ImPS en ImPR kunnen achteraf rechtstreeks in het hoofdmenu worden gewijzigd.
11.3.4 Analoog signaal
Het apparaat geeft een analoog signaal af, dat proportioneel is aan de proceswaarde.
Binnen het meetbereik ligt het analoge signaal bij 4...20 mA.
- ASP2 bepaalt bij welke meetwaarde het uitgangssignaal 4 mA bedraagt.
- AEP2 bepaalt bij welke meetwaarde het uitgangssignaal 20 mA bedraagt.

Minimale afstand tussen ASP2 en AEP2 = 20 % van het meetbereik.
Ligt de meetwaarde buiten het meetbereik of is er een interne fout, dan wordt het stroomsignaal verzonden dat in de volgende afbeelding staat aangegeven.
Bij meetwaarden buiten het weergavebereik of in geval van een storing verschijnen meldingen in het display (cr. UL, UL, OL, cr. OL, Err).

Afb. 10: Uitgangskarakteristiek analoge uitgang volgens norm IEC 60947-5-7
| 1: | Analoog signaal | MAW: | Meetbereikbeginwaarde |
| 2: | Meetwaarde (FLOW of TEMP) | MEW: | Eindwaarde meetbereik |
| 3: | Detectiebereik | ASP: | Analoog startpunt |
| 4: | Weergavebereik | AEP: | Analoog eindpunt |
| 5: | Meetbereik | UL: | Weergavebereik onderschreden |
| 6: | Schaalbaar meetbereik | cr. UL: | Detectiebereik onderschreden |
| OL: | Weergavebereik overschreden | ||
| cr. OL: | Detectiebereik overschreden |

Een negatieve stromingswaarde is een stroming die niet overeenkomt met de onder Fdir ingestelde stromingsrichting ➞ 39.

Het analoge signaal in geval van een storing kan worden aangepast met parameter FOU: Storingsgedrag van de uitgangen ➞ 35.
Parametrering via apparaat toetsen: Analoog signaal
√ Standaard maateenheid is geselecteerd: EF > CFG > uni.x.
▶ Open het menu EF > OUT2 voor de configuratie van de uitgang OUT2.
▶ Selecteer SEL2 en stel de proceswaarde in: FLOW of TEMP.
▶ ou2 selecteren en functie instellen: I (analoog signaal 4... 20 mA).
▶ ASP2 selecteren en meetwaarde instellen waarbij het uitgangssignaal 4 mA bedraagt.
▶ AEP2 selecteren en meetwaarde instellen waarbij het uitgangssignaal 20 mA bedraagt.

De parameterinstellingen ASP en AEP kunnen achteraf rechtstreeks in het hoofdmenu worden gewijzigd.
11.3.5 Frequentiesignaal
Het apparaat geeft een frequentiesignaal af, dat proportioneel is aan de proceswaarde.
Het frequentiesignaal is instelbaar:
- FrP1 bepaalt hoeveel Hz het frequentiesignaal is wanneer de bovenste meetwaarde wordt bereikt. Instelbereik: 1 Hz ...10 kHz.
Het meetbereik is schaalbaar:
- FSP1 bepaalt de onderste meetwaarde, van waaraf een frequentiesignaal wordt verzonden.
- FEP1 bepaalt de hoogste meetwaarde waarbij het uitgangssignaal de frequentie bedraagt die onder FrP1 is ingesteld.

FSP1 is alleen beschikbaar voor de temperatuurmeting. Minimale afstand tussen FSP1 en FEP1 = 20 % van het meetbereik.
Ligt de meetwaarde buiten het meetbereik of is er een interne fout, dan wordt het frequentiesignaal verzonden dat in de volgende afbeelding staat aangegeven.
Bij meetwaarden buiten het weergavebereik of in het geval van een storing verschijnen meldingen in het display (UL, OL, Err).
Frequentiesignaal flow:

Afb. 11: Uitgangskarakteristiek frequentie-uitgang, debiet
1: Frequentiesignaal
MAW: Meetbereikbeginwaarde
2: Meetwaarde debiet
MEW: Eindwaarde meetbereik
3: Weergavebereik
FEPx: Frequentie eindpunt
4: Meetbereik
FrPx: Frequentiesignaal (Hz) voor bovenste meetwaarde
5: Schaalbaar meetbereik
OL: Weergavebereik overschreden
Err: Fout
cr. OL: Kritieke overschrijding weergavebereik
Frequentiesignaal temperatuur:

Afb. 12: Uitgangskarakteristiek frequentie-uitgang, temperatuur
1: Frequentiesignaal
MAW: Meetbereikbeginwaarde
2: Meetwaarde temperatuur
MEW: Eindwaarde meetbereik
3: Weergavebereik
FSPx: Frequentiestartpunt
4: Meetbereik
FEPx: Frequentie eindpunt
5: Schaalbaar meetbereik
FrPx: Frequentiesignaal (Hz) voor bovenste meetwaarde
Err: Fout
cr. OL: Kritieke overschrijding weergavebereik
UL: Weergavebereik onderschreden
cr. UL: Kritieke onderschrijding weergavebereik
Parametrering via apparaat toetsen: Frequentiesignaal
√ Standaard maateenheid is geselecteerd: EF > CFG > uni.x.
▶ Open het menu EF > OUT1 voor de configuratie van de uitgang OUT1.
▶ Selecteer SEL1 en stel de proceswaarde in: FLOW of TEMP.
▶ Selecteer ou1 en stel FRQ in.
▶ Selecteer FSP1 en stel de onderste temperatuurwaarde in waarbij 0 Hz wordt verzonden.

FSP1 is alleen beschikbaar voor de temperatuurmeting.
▶ Selecteer FEP1 en stel de bovenste meetwaarde in waarop de frequentie wordt uitgevoerd die onder FrP1 (= 100 %) is ingesteld.
▶ Selecteer FrP1 en stel de frequentie in voor de bovenste meetwaarde in Hz.

De parameterinstellingen voor FSP, FEP en FrP kunnen achteraf rechtstreeks in het hoofdmenu worden gewijzigd.
11.3.6 Storingsgedrag van de uitgangen
Via de parameter FOUx kan het gedrag van de uitgang OUTx bij een storing worden ingesteld. Afhankelijk van de geselecteerde uitgangsfunctie worden bij een storing de volgende signalen afgegeven:
- Schakelsignaal:
- On: De uitgang schakelt in geval van storing IN.
– OFF: De uitgang schakelt in geval van storing UIT. - OU: De uitgang schakelt onafhankelijk van de storing zoals in de parameters is vastgelegd.
• Analoog signaal ➞ 31:
- On: Het analoge signaal gaat naar de bovenste grenswaarde.
- OFF: Het analoge signaal gaat naar de onderste grenswaarde.
- OU: Het analoge signaal blijft overeenkomen met de meetwaarde.
• Frequentiesignaal → 33:
- On: Het frequentiesignaal gaat naar 130 % van FrP1.
– OFF: Het frequentiesignaal gaat naar 0 Hz. - OU: Het frequentiesignaal blijft overeenkomen met de meetwaarde.

FOUx is niet beschikbaar voor bewaking van de verbruikshoeveelheden: zelfs bij een storing wordt een schakel- of impulssignaal afgegeven wanneer de ingestelde doorstroomhoeveelheid wordt bereikt.
Parametrering via apparaat toetsen: Storingsgedrag van de uitgangen
▶ Open het menu EF > OUTx.
▶ FOUx selecteren en storingsgedrag voor OUTx instellen: On, OFF, OU.
11.3.7 Uitgang uit
Het uitgangssignaal kan worden uitgeschakeld met de parameter oux = OFF. De uitgang krijgt dan geen hoge impedantie.
De communicatie via de IO-link-interface op OUT1 blijft actief.
11.3.7.1 Parametrering via apparaat toetsen: Uitgang uit
▶ Open het menu EF > OUTx.
▶ Selecteer oux en stel OFF in.
11.4 Applicatieconfiguratie
11.4.1 Standaard maateenheid
Er kan een meeteenheid worden geselecteerd voor de proceswaarde die standaard op het digitale display wordt weergegeven. Alle verdere parameterinstellingen zijn gebaseerd op deze eenheid.
Het wijzigen van de eenheid heeft geen invloed op de overdracht van de IO-link-proceswaarde. Deze waarde wordt altijd verzonden in de SI-eenheid.
Selecteerbare waarden:
- Flow uni. F:
- SM4: mm/s; ml/min; l/h; gal/h; floz/min; ft/s.
- SM6/SM7/SM8: m/s; l/min; m3/h; gal/min; gal/h; floz/min; ft/s.
• Temperatuur uni. T: °C of °F.
▶ Selecteer de maateenheid voordat u verdere parameters voor OUTx configureert.
11.4.1.1 Parametrering via apparaat toetsen: Standaard maateenheid
▶ Menu EF > CFG openen.
▶ Selecteer uni.x en stel de maateenheid in.
11.4.2 Proceswaarde voor OUT1 en OUT2
Voor beide uitgangen kunt u selecteren welke proceswaarde u wilt bewaken. Alle verdere parameterinstellingen zijn gebaseerd op deze selectie.
Selecteerbare waarden:
- FLOW: Flow
• TEMP: Temperatuur
Parametrering via apparaat toetsen: Proceswaarde OUT1 en OUT2
▶ Open het menu EF > OUTx.
▶ Selecteer SELx en stel de proceswaarde voor uitgang OUTx in.
11.4.3 Demping
De ingestelde dempingsconstante zorgt voor een stabilisatie van de uitgangssignalen. Sprongen in fysische proceswaardeveranderingen worden afgevlakt.
Dit betreft de uitgangen, het display en de overdracht van proceswaarden via de IO-Link-interface.
De dempingsconstante dAP bepaalt het aantal seconden waarna het uitgangssignaal bij een plotselinge verandering in de meetwaarde 63 % van de eindwaarde bereikt.
De dempingsconstante wordt opgeteld bij de reactietijd van de sensor(→ Technische gegevens).
De signalen UL, cr. UL, OL en cr. OL worden bepaald met inachtneming van de dempingsconstante.

De meetwaardedemping is alleen van invloed op de proceswaarde flow.
11.4.3.1 Parametrering via apparaat toetsen: Demping
▶ Menu EF > CFG openen.
▶ dAP selecteren en de dempingstijd in seconden instellen (τ-waarde 63%).
11.4.4 Start-overbruggingstijd
De start-overbruggingstijd [dSt] beïnvloedt de schakeluitgangen van de debietbewaking.
Als de start-overbruggingstijd actief is (dSt > 0) dan geldt: zodra de doorstroomhoeveelheid de LFC-Wert overschrijdt, vinden de volgende processen plaats:
- De start-overbruggingstijd wordt gestart.
- De uitgangen schakelen volgens de programmering: AAN bij maakcontactfunctie, UIT bij verbreekcontactfunctie.
Na het starten van de start-overbruggingstijd zijn 3 gevallen mogelijk:
| Voorwaarde | Reactie | |
| 1: | Doorstroomhoeveelheid stijgt snel en bereikt schakelpunt/goed bereik binnen dSt. | De uitgangen blijven actief. |
| 2: | Doorstroomhoeveelheid stijgt langzaam en bereikt schakelpunt/goed bereik niet binnen dSt. | De uitgangen worden gereset. |
| 3: | Doorstroomhoeveelheid daalt binnen dSt onder LFC. | De uitgangen worden onmiddellijk gereset; dSt wordt gestopt. |
Voorbeeld: Debietbewaking met hysteresefunctie

| Voorwaarde | Reactie | |
| 1: | Doorstroomhoeveelheid Q bereikt LFC | dSt start, uitgang wordt actief |
| 2: | dSt afgelopen, Q heeft SP bereikt | Uitgang blijft actief |
| 3: | Q daalt onder SP, maar blijft boven rP | Uitgang blijft actief |
| 4: | Q daalt onder rP | Uitgang wordt gereset |
| 5: | Q bereikt opnieuw LFC | dSt start, uitgang wordt actief |
| 6: | dSt afgelopen, Q heeft SP niet bereikt | Uitgang wordt gereset |
| 7: | Q bereikt SP | Uitgang wordt actief |
Voorbeeld: Debietbewaking met vensterfunctie

| Voorwaarde | Reactie | |
| 1: | Doorstroomhoeveelheid Q bereikt LFC | dSt start, uitgang wordt actief |
| 2: | dSt afgelopen, Q heeft goed bereik bereikt | Uitgang blijft actief |
| 3: | Q stijgt boven FH (verlaat goed bereik) | Uitgang wordt gereset |
| 4: | Q daalt weer onder FH | Uitgang wordt actief |
| 5: | Q daalt onder FL (verlaat goed bereik) | Uitgang wordt gereset |
| 6: | Q bereikt opnieuw LFC | dSt start, uitgang wordt actief |
| 7: | dSt afgelopen, Q heeft goed bereik niet bereikt | Uitgang wordt gereset |
| 8: | Q bereikt goed bereik | Uitgang wordt actief |
11.4.4.1 Parametrering via apparaat toetsen: Start-overbruggingstijd
▶ Menu EF > CFG openen.
▶ Selecteer dSt en stel de start-overbruggingstijd in seconden in.
11.4.5 Uitgangspolariteit
Met parameter P-n kan de uitgangspolariteit worden ingesteld.
Deze instelling is van toepassing op beide schakeluitgangen.
- PnP: De schakeluitgang wordt aangestuurd als een positieve schakeluitgang.
- nPn: De schakeluitgang wordt aangestuurd als een negatieve schakeluitgang.
Parametrering via apparaat toetsen: Uitgangspolariteit
▶ Menu EF > CFG openen.
▶ P-n selecteren en PnP of nPn instellen.
11.4.6 Onderdrukking van sluipende hoeveelheden
Lage doorstroomhoeveelheden kunnen met de parameter LFC (Low flow cut-off) worden onderdrukt. Flow onder de LFC-waarde worden door de sensor als stilstand (Q = 0) beoordeeld.
De LFC-waarde heeft invloed op:
- De weergave van de proceswaarde voor de flow op het display
• Het schakelsignaal voor flow
• Het analoge signaal voor flow
• Het frequentiesignaal voor flow - De bewaking van de verbruikshoeveelheid (schakel- of impulssignaal voor flow)
- De optelling van de verbruikshoeveelheid door de totalisator.
- De opgeslagen waarden voor de minimale en maximale flow
Parametrering via apparaat toetsen: Onderdrukking van sluipende hoeveelheden
▶ Menu EF > CFG openen.
▶ Selecteer LFC en stel de grenswaarde in waaronder een flow als stilstand wordt beoordeeld.
11.4.7 Stroomrichting
De positieve stromingsrichting kan door de gebruiker worden gedefinieerd. Deze instelling heeft invloed op de volgende functies:
→ Bewaking van de verbruikshoeveelheid (totalisatorfunctie) → 28
→ Schakelsignaal flowrichting → 27
De positieve stromingsrichting is op het apparaat gemarkeerd met een pijl met het opschrift "flow direction" (fabrieksinstelling). De richting van de stromingsmeting kan worden omgekeerd met behulp van parameter Fdir:
| Fdir | Stroomrichting |
| + | Stromingsrichting bij fabrieksinstellingen |
| - | Stromingsrichting die niet overeenkomt met de fabrieksinstellingen |
Parametrering via apparaat toetsen: Stroomrichting
▶ Menu EF > CFG openen.
▶ Selecteer Fdir en stel de stromingsrichting in.
11.4.8 Totalisator-reset
De totalisators Vol.1 en Vol.2 kunnen op verschillende manieren worden gereset:
| Resettype | Parameters | |
| 1. | Handmatige reset | • rTox = rES. T |
| 2. | Tijdgestuurde reset | • rTox = - ... h = uren - ... d = dagen - ... w = weken |
| 3. | Reset door extern signaal | ou2 = In. DDIn2:+EDG = reset bij stijgende flank-EDG = reset bij dalende flankHIGH = reset bij High-signaalLOW = reset bij Low-signaal |
| 4. | Reset door overschrijding(Bereiken van het maximale weergavebereik) | rTox = OFF |
De totalisator Vol. L kan niet worden gereset.
Wanneer de totalisator Vol. 1 op een van de genoemde manieren wordt gereset, wordt de uitgang ook gereset bij bewaking van de verbruikshoeveelheid.
→ Schakelsignaal totalisator → 29.
11.4.8.1 Parametrering via apparaat toetsen: Totalisator-reset
1. Handmatige reset:
▶ Open menu EF > TOTL.
▶ Selecteer rTo en stel rES. T in.
▷ De totalisator wordt gereset.
2. Tijdgestuurde reset:
▶ Open menu EF > TOTL.
▶ Selecteer rTox en stel vervolgens de tijd in weken (w), dagen (d) of uren (h) in.
De totalisator wordt automatisch gereset na de ingestelde tijd.
3. Reset door extern signaal:
▶ Open menu EF > OUT2.
▶ Selecteer ou2 en stel de digitale ingang in: In. D.
▶ Selecteer DIn2 en stel het resetsignaal in:
• HIGH: reset bij High-signaal
- LOW: reset bij Low-signaal
• +EDG: reset bij stijgende flank
- -EDG: reset bij dalende flank
De totalisator Vol.1 wordt gereset na ontvangst van het resetssignaal via pin 2.

Een externe reset is alleen mogelijk voor totalisator Vol.1.

De parameterinstelling voor DIn2 kan achteraf rechtstreeks in het hoofdmenu worden gewijzigd.
4. Reset door overschrijding:
▶ Open menu EF > TOTL.
▶ Selecteer rTox en stel OFF in.
▷ De totalisator wordt pas gereset wanneer het maximale weergavebereik van het display worden overschreden.
11.4.9 Telwijze van de totalisators
De totalisators Vol.1 en Vol.2 houden bij het optellen van de verbruikshoeveelheid rekening met de stromingsrichting. Met parameter FProx kunnen de volgende telmethoden worden gedefinieerd:
| FProx | Telwijze |
| 0+ | Met negatieve stromingswaarden (in strijd met de gemarkeerde stromingsrichting) wordt bij het optellen geen rekening gehouden |
| -+ | Negatieve stromingswaarden worden van de verbruikshoeveelheid afgetrokken. |
| ++ | Alle stromingswaarden worden los van de stromingsrichting opgeteld. |
Tab. 1: Telwijze van de totalisators
De telwijze van Vol. L kan niet worden ingesteld. De Life Time Totalisator telt alle doorstroomhoeveelheden op, ongeacht de stromingsrichting.
De telmethode heeft invloed op de uitgangssignalen voor de bewaking van de verbruikshoeveelheid.
→ Bewaking van de verbruikshoeveelheid (totalisatorfunctie) → 28.

Afb. 13: Bij optelling van de verbruikshoeveelheid wordt rekening gehouden met de stroomrichting
+Q: debiet in positieve richting
-Q: debiet in negatieve richting
V: debiet absoluut (= som van negatieve en positieve flow)
1: Flow verandert in negatieve richting
2: Flow verandert in positieve richting
3: Flow waarmee de optelling rekening houdt
Bij verandering van de stroomrichting wordt rekening gehouden met een minimale flow LFC.
→ Afbeelding Schakelsignaal flowrichting → 28.
Parametrering via apparaat toetsen: Telwijze van de totalisators
▶ Open menu EF > TOTL.
▶ Selecteer FPro1 en stel de telmethode voor totalisator Vol.1 in.
▶ Selecteer FPro2 en stel de telmethode voor totalisator Vol.2 in.
11.4.10 Vergrendelen/ontgrendelen
Om een foutieve invoer te voorkomen, kan het apparaat elektronisch worden vergrendeld.
Deze vergrendeling voorkomt dat de apparaatinstellingen met de knoppen op het apparaat kunnen worden gewijzigd.
Fabrieksinstelling: Niet vergrendeld.

Wanneer het apparaat via de IO-link-interface is vergrendeld, kan deze vergrendeling alleen via IO-link worden opgeheven.
11.4.10.1 Parametrering via apparaat toetsen: Vergrendelen/ontgrendelen
Vergrendelen:
▶ Controleren of het apparaat in de normale bedrijfsmodus is.
▶ Druk ▲ en ▼ 10 seconden gelijktijdig in tot de voortgangsbalk in de titelbalk is doorlopen.
▷ De instelling van apparaatparameters met apparaatknoppen is vergrendeld. Wanneer u een parame- terwaarde probeert te wijzigen, verschijnt het symbool op het display.

De vergrendeling kan alleen worden ontgrendeld met de knoppen van het apparaat. De parameterinstellingen kunnen nog steeds worden gewijzigd via de IO-link-interface.
Ontgrendelen:
▶ Controleren of het apparaat in de normale bedrijfsmodus is.
▶ Druk ▲ en ▼ 10 seconden gelijktijdig in tot de voortgangsbalk in de titelbalk is doorlopen.
▷ De knoppen van het apparaat zijn ontgrendeld.
11.4.11 Apparaat resetten
Het apparaat kan worden teruggezet naar de uitleveringstoestand.

Het is zinvol om voor het uitvoeren van de functie de eigen instellingen in het hoofdstuk Fabrieksinstellingen te noteren.
11.4.11.1 Parametrering via apparaat toetsen: Apparaat resetten
▶ Open menu EF.
▶ Selecteer rES.
▶ Houd ▲ of ▼ ingedrukt.
▷ ---- wordt weergegeven.
▶ Druk kort op ●.
▷ Het apparaat voert een herstart uit.
11.5 Display-instellingen
De weergave op het display kan met verschillende parameters worden aangepast. De hieronder beschreven parameters worden als volgt ingesteld:
▶ Menu EF > DIS openen.
Kleurinstelling:
▶ Open het menu EF > COLR.
11.5.1 Displaytaal
De taal van het display kan worden ingesteld met behulp van de parameter LanG.
Selecteerbare talen:
• DE: NL
• EN: Engels
• FR: Frans
11.5.2 Displaylay-out
Net de parameter diS. L kunt u selecteren welke proceswaarden standaard op het display worden weergegeven.
Selecteerbare waarden:
• L1: actuele proceswaarde voor flow
• L2. Temp: actuele proceswaarde voor flow en temperatuur
• L2. Totl: actuele proceswaarde voor flow en totalisator Vol.1
• L3: huidige proceswaarde voor flow, temperatuur en totalisator Vol.1
L1

L2. Temp

L2. Totl

L3

Afb. 14: Displaylay-out
11.5.3 Verversingssnelheid display
Met de parameter diS. U kunt u instellen hoe vaak het display moet worden bijgewerkt.
Selecteerbare waarden:
• d1: snel
• d2: gemiddeld
• d3: langzaam
11.5.4 Rotatie van het display
Met de parameter diS. R kan het lettertype in het display met de klok worden meegedraaid voor een betere leesbaarheid.
Selecteerbare waarden:
• 0° (niet gedraaid)
• 90°
• 180°
• 270°
11.5.5 Helderheid van het display
De helderheid van het display kan worden aangepast met behulp van de parameter diS. B.
Selecteerbare waarden:
• 25%
- 50%
• 75%
• 100 %
• OFF: Energiebesparingsmodus. De weergave is in de bedrijfsmodus uitgeschakeld.
- De instelling wordt van kracht na een vertraging van 30 seconden.
- Druk op een willekeurige knop om het display te activeren. Het display schakelt uit na 30 seconden inactiviteit.

Bij waarschuwingen of foutmeldingen of tijdens optische lokalisatie schakelt het display opnieuw in, zelfs wanneer de instelling op OFF staat.

Als het apparaat een hoge interne temperatuur meet, wordt de helderheid van het display automatisch aangepast:
Interne temperatuur van het apparaat > 70 °C: helderheid wordt verlaagd tot 25 %.
Interne temperatuur van het apparaat ≥ 100 °C: display wordt uitgeschakeld.
11.5.6 Kleurinstelling display
De tekstkleur op het display kan met behulp van parameter coL.x worden geselecteerd:
• coL. F: Tekstkleur voor flow
• coL. T: Tekstkleur voor temperatuur
• coL. V: Tekstkleur voor totalisator Vol.1
11.5.6.1 Permanente kleurselectie
De tekstkleur is permanent ingesteld op één kleur:
• coL.x = bk/wh: tekstkleur wit
• coL.x = red: tekstkleur rood
• coL.x = green: tekstkleur groen
• coL.x = yellow: tekstkleur geel
L1

L2. Temp

L2. Totl

L3

Afb. 15: Permanente kleurinstelling. Voorbeeld: coL. F = bk/wh; coL. T = green; coL. V = yellow, Weergave van alle displaylay-outs → 43
11.5.6.2 Kleurwisseling is afhankelijk van vrij definieerbare limieten
Wanneer de meetwaarde binnen de limieten cFL.x...cFH.x ligt, geldt het volgende afhankelijk van de parameterselectie:
• coL.x = r-cF: tekstkleur rood
• coL.x = G-cF: tekstkleur groen

Afb. 16: Kleurwisseling. Voorbeeld: coL. F = r-cF; coL. T = G-cF; huidige meetwaarden tussen de limietwaarden.

De kleur van de totalisatorweergave kan niet worden veranderd.
De limietwaarden van het vensterbereik zijn vrij te selecteren binnen het meetbereik en zijn onafhankelijk van de uitgangsfunctie:
- Flow: cFL. F = onderste grenswaarde; cFH. F = bovenste grenswaarde
- Temperatuur: cFL. T = onderste grenswaarde; cFH. T = bovenste grenswaarde

De parameters cFL.x en cFH.x worden alleen weergegeven in het menu als voor coL.x de instelling r-cF of G-cF is geselecteerd.
11.6 Diagnose en servicefuncties
11.6.1 Apparaatinformatie
Er is een aantal onveranderlijke apparaatgegevens op het apparaat opgeslagen. Hiertoe behoren:
- Productnaam
- Product-id
- Serienummer
- Hardware-revisie
- Softwarerevisie
Bovendien kunnen via de IO-link-interface met behulp van geschikte parametersoftware aanvullende identificatiegegevens aan het apparaat worden toegewezen. Deze identificatiegegevens zijn vrij definieerbaar en mogen maximaal 32 tekens lang zijn. Hiertoe behoren:
• Applicatiespecifieke kenmerken
• Installatieaanduiding
- Locatieaanduiding
11.6.1.1 Uitlezen via de apparaatknoppen: Apparaatinformatie
▶ Open het menu EF > Info.
▶ Apparaatinformatie uitlezen.
11.6.2 Simulatie
Met deze functie worden proceswaarden of fouten gesimuleerd en wordt het resulterende sensorgedrag gecontroleerd.
De duur van de simulatie is instelbaar: 1...60 minuten.
De volgende waarden kunnen worden gesimuleerd:
- Proceswaarden voor flow en temperatuur
- Proceswaarden buiten het meetbereik (cr. UL, UL, OL, cr. OL)
- De verbruikshoeveelheid van de totalisator Vol.1, rekening houdend met de ingestelde telmethode
Tijdens de simulatie geldt:
- De titelbalk van het display geeft aan dat de simulatie actief is.
- Het display geeft de gesimuleerde waarden weer:
- Gesimuleerde proceswaarden of gebeurtenissen (bijv. UL) voor flow en temperatuur.
- Gesimuleerde totalisator Vol.1. De totalisator start bij 0.
- De schakeltoestand-LED's lichten op volgens de gesimuleerde waarden en de ingestelde uitgangsconfiguratie.
- De simulatie verhoogt niet de actueel geldende proceswaarden. De uitgangen gedragen zich zoals eerder ingesteld.
- De oorspronkelijke totalisatorwaarden worden ongewijzigd opgeslagen. De werkelijke flow tijden de simulatie wordt niet geteld.
- Het display toont geen waarschuwingen of foutmeldingen van de huidige werkelijke toepassing.

Wordt de simulatie via IO-link gestart, kan deze alleen via IO-link weer worden beëindigd. Tijdens een poging om de simulatie via de apparaatknoppen te beëindigen, wordt ☐ weergegeven.
11.6.2.1 Parametrering via apparaat toetsen: Simulatie
▶ Open het menu EF > SIM.
▶ Selecteer S. FLW of S. TMP en stel de te simuleren proceswaarde in:
- Druk op ▲ of ▼ tot de gewenste proceswaarde is bereikt.
- De waarschuwings-/foutweergaven OL, crOL, UL en crUL worden weergegeven wanneer het meetbereik wordt overschreden of onderschreden.
▶ Selecteer S. Tim en stel de duur van de simulatie in minuten in.
▶ Selecteer S. On en stel de functie:
- On: De simulatie start. De waarden worden gesimuleerd voor de onder S. Tim ingestelde duur. Annuleer door op een willekeurige knop te drukken.
• OFF: Simulatie niet actief.
11.6.3 Optische lokalisatie
De sensor kan via de IO-link-interface op afstand in het systeem worden gelokaliseerd.

Deze functie is alleen beschikbaar via de IO-link-interface.
Wanneer de opdracht via de IO-link-interface wordt uitgevoerd, gaan de schakeltoestand-LED's knipperen en knippert de weergave 🔺 "IO-link" op het display.
▶ Deactiveer de functie via IO-link of door op een willekeurige knop op het apparaat te drukken.
11.6.4 Totalisatorwaarden uitlezen
De volgende waarden kunnen op elk moment van de totalisators worden uitgelezen:
Totalisatorwaarden Vol.1 en Vol.2
- Huidige doorstroomhoeveelheid (= verbruikshoeveelheid sinds de laatste reset van de totalisator)
• Waarde vóór de laatste reset van de totalisator
• Tijd sinds de laatste reset van de totalisator
Levensduur van de totalisator (over de gehele bedrijfsperiode)
- Doorstroomhoeveelheid in voorkeursrichting (= positieve stromingsrichting)
- Doorstroomhoeveelheid in niet-voorkeursrichting (= negatieve stromingsrichting)
- Totale doorstroomhoeveelheid (onafhankelijk van de stromingsrichting)
Uitlezen via de apparaatknoppen: Totalisatorwaarden
▶ Open menu EF > TOTL.
▶ Selecteer Vol.x en lees de verbruikswaarden uit.
11.6.5 Geheugen
Het apparaat slaat de hoogste en laagste gemeten proceswaarden op.
De huidige waarde kan op het apparaat of via de IO-Link-interface worden afgelezen.
Selecteerbare waarden:
• Lo. F: Minimumwaardegeheugen voor flow
• Hi. F: Maximumwaardegeheugen voor flow
• Lo. T: Minimum waarde geheugen voor temperatuur
• Hi. T: Maximum waarde geheugen voor temperatuur

De opgeslagen waarden kunnen alleen worden gereset via IO-Link interface.

Het is zinvol om het geheugen te wissen zodra het apparaat voor de eerste keer onder normale bedrijfsomstandigheden werkt.
11.6.5.1 Parametrering via apparaat toetsen: Geheugen
Geheugen weergeven:
▶ Menu EF > MEM openen.
▶ Lo.x of Hi.x selecteren om telkens de laagst of hoogst gemeten proceswaarde weer te geven.
Geheugen wissen:
▶ Menu EF > MEM openen.
▶ Selecteer Lo.x of Hi.x.
▶ Houd ▲ of ▼ ingedrukt.
▷ ---- wordt weergegeven.
▶ Druk kort op ●.
12 Storing verhelpen
Het apparaat beschikt over omvangrijke mogelijkheden voor zelfdiagnose. Hij bewaakt zichzelf zelfstandig tijdens het bedrijf.
Waarschuwingen en storingstoestanden worden in het display weergegeven, ook bij uitgeschakeld display. Tevens zijn storingsweergaven via IO-Link beschikbaar.
De statusignalen zijn geclassificeerd volgens de Namur-aanbeveling NE107.
Als er meerdere diagnostische gebeurtenissen tegelijkertijd optreden, wordt alleen de diagnosemelding van de gebeurtenis met de hoogste prioriteit weergegeven.
Bij uitval van de temperatuurmeerwaarde blijft de proceswaarde van de flow beschikbaar.

Via IO-Link zijn aanvullende diagnosefuncties beschikbaar ➞ IO-Link interfacebeschrijving op documentation.ifm.com.
12.1 Waarschuwingen
| Indicatie | Probleem/Oplossing |
| • Short circuit OUT1• Schakeltoestand-led voor OUT1 knippert | Kortsluiting uitgang 1.► Controleer OUT1 op kortsluiting of overstroom. |
| • Short circuit OUT2• Schakeltoestand-led voor OUT2 knippert | Kortsluiting uitgang 2.► Controleer OUT2 op kortsluiting of overstroom. |
| • Short circuit OUT1 / OUT2• Schakeltoestand-leds voor OUT1 en OUT2 knipperen | Kortsluiting in beide uitgangen.► Controleer OUT1 en OUT2 op kortsluiting of overstroom. |
| • Over limit (OL) | Weergavebereik overschreden.► ▶ Controleer het meetbereik. |
| • Under limit (UL) | Weergavebereik onderschreden.► ▶ Controleer het meetbereik. |
| • ☐(Bij een wijzigingspoging van de parameterinstelling) | De instelling van parameters via de knoppen is vergrendeld.► ▶ Ontgrendel het apparaat met de knoppen.- of -► ▶ Sluit de parametrering via IO-link-communicatie af.- of -► Ontgrendel het apparaat via IO-link. |
| • Display gedimd | Interne apparaattemperatuur te hoog (→ Bedienings- en weergave-elementen).► ▶ Laat het apparaat afkoelen. |
| • IO-Link (knipperend)• Schakeltoestand-leds voor OUT1 en OUT2 knipperen snel | De IO-link-functie voor optische identificatie van het apparaat is actief.► IO-Link-functies deactiveren. |

Bij waarschuwingen gedragen de uitgangen zich in overeenstemming met de instelling FOU = OU. Uitzondering: Kortsluiting.
12.2 Foutmeldingen
| Indicatie | Probleem/Oplossing |
| ERROR | Apparaat defect / functiestoring.► ▶ Apparaat vervangen. |
| Display uit. | Apparaattemperatuur te hoog (→ Bedienings- en weergave-elementen).► ▶ Laat het apparaat afkoelen.- of -Het display is uit.► ▶ Maak de selectie onder diS. B van de instelling OFF ongedaan.- of -Voedingsspanning te laag.► ▶ Voedingsspanning controleren. |
| Parameter Error (PARA) | Parametrering buiten het geldige bereik.► ▶ Parameterinstelling controleren. |
| Flow Error (ERROR) | Fout stromingsmeting.► ▶ Stromingsmeting controleren.► ▶ Apparaat vervangen. |
| Temp Error (ERROR) | Fout temperatuurmeting.► ▶ Temperatuurmeting controleren.► ▶ Apparaat vervangen. |
| Critical over limit (cr. OL) | Detectiebereik overschreden.► ▶ Controleer het meetbereik. |
| Critical under limit (cr. UL) | Registratiebereik voor temperatuur is onderschreden.► ▶ Controleer het temperatuurbereik. |

Bij fouten gedragen de uitgangen zich zoals ingesteld onder FOU.
13 Onderhoud, reparatie en afvoer
Onderhoud:
▶ Regelmatige kalibratie-intervallen volgens de proceseisen vastleggen. Aanbeveling: om de 12 maanden.
▶ Reinig het display als het erg vuil is.
Bij gebruik van media die de neiging hebben afzettingen te veroorzaken:
▶ Controleer regelmatig de meetbuis en reinig deze indien nodig.
Reparatie:
Het apparaat mag alleen door de fabrikant worden gerepareerd.
▶ Neem bij storingen contact op met ifm.
Afvalverwerking:
▶ Apparaat na gebruik milieuvriendelijk afvoeren conform de geldende nationale voorschriften.
14 Fabrieksinstelling
| Parameters | SM4020 SM4120 | SM6020 SM6120 SM6420 | SM6621 | SM7020 SM7120 SM7420 | SM7621 | SM8020 SM8120 SM8420 | SM8621 | SM8030 SM8130 |
| SEL1 | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW |
| ou1 | Hno | Hno | Hno | Hno | Hno | Hno | Hno | Hno |
| SP1 / FH1 | 600 ml/min | 5,00 l/min | 1,32 gal/min | 10,0 l/min | 2,64 gal/min | 20 l/min | 5,28 gal/min | 33,3 l/min |
| rP1 / FL1 | 548 ml/min | 4,64 l/min | 1,22 gal/min | 9,2 l/min | 2,44 gal/min | 18,4 l/min | 4,87 gal/min | 30,7 l/min |
| FSP1 | -20 °C | -20 °C | -4 °F | -20 °C | -4 °F | -20 °C | -4 °F | -20 °C |
| FEP1 | 3000 ml/min 80 °C | 25 l/min 80 °C | 6,6 gal/min 176 °F | 50 l/min 80 °C | 13,21 gal/min 176 °F | 100 l/min 80 °C | 26,42 gal/min 176 °F | 166,7 l/min 80 °C |
| FrP1 | 1000 Hz | 1000 Hz | 1000 Hz | 1000 Hz | 1000 Hz | 1000 Hz | 1000 Hz | 1000 Hz |
| ImPS | 0,001 | 0,001 | 0,0002 | 0,01 | 0,002 | 0,01 | 0,002 | 0,01 |
| ImPR | Yes | Yes | Yes | Yes | Yes | Yes | Yes | Yes |
| FOU1 | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF |
| SEL2 | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW | FLOW |
| ou2 | I | I | I | I | I | I | I | I |
| ASP2 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| AEP2 | 3000 ml/min | 25 l/min | 6,6 gal/min | 50 l/min | 13,21 gal/min | 100 l/min | 26,42 gal/min | 250 l/min |
| SP2 / FH2 | 1200 ml/min | 10 l/min | 2,64 gal/min | 20 l/min | 5,28 gal/min | 40 l/min | 10,57 gal/min | 66,7 l/min |
| rP2 / FL2 | 1148 ml/min | 9,63 l/min | 2,54 gal/min | 19,2 l/min | 5,07 gal/min | 38,4 l/min | 10,15 gal/min | 64 l/min |
| DIn2 | +EDG | +EDG | +EDG | +EDG | +EDG | +EDG | +EDG | +EDG |
| FOU2 | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF |
| uni. F | ml/min | l/min | gal/min | l/min | gal/min | l/min | gal/min | l/min |
| uni. T | °C | °C | °F | °C | °F | °C | °F | °C |
| dAP | 0,6 | 0,6 | 0,6 | 0,6 | 0,6 | 0,6 | 0,6 | 0,6 |
| dST | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| P-n | PnP | PnP | PnP | PnP | PnP | PnP | PnP | PnP |
| LFC | 5,0 ml | 0,05 /min | 0,01 gal/min | 0,01 l/min | 0,03 gal/min | 0,2 l/min | 0,05 gal/min | 0,2 l/min |
| Fdir | + | + | + | + | + | + | + | + |
| rTo1 | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF |
| rTo2 | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF | OFF |
| FPro1 | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ |
| FPro2 | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ | 0+ |
| LanG | EN | EN | EN | EN | EN | EN | EN | EN |
| diS. L | L3 | L3 | L3 | L3 | L3 | L3 | L3 | L3 |
| diS. U | d3 | d3 | d3 | d3 | d3 | d3 | d3 | d3 |
| diS. B | 75% | 75% | 75% | 75% | 75% | 75% | 75% | 75% |
| col. F | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh |
| col. T | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh |
| col. V | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh | bk/wh |