SRX120EWG - Warmtepomp DIMPLEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SRX120EWG DIMPLEX in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Warmtepomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SRX120EWG - DIMPLEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SRX120EWG van het merk DIMPLEX.
GEBRUIKSAANWIJZING SRX120EWG DIMPLEX
Belgique Engels Group Paardenmarkt 83 Phone 03 231 88 84 2000 Antwerpen Fax 03 231 01 74 http://www.engels.be/ Sous réserve de modifications- 13 - Beschrijving toestel Bij het model SmartRad gaat het om een ventilatorconvector voor de opwarming of koeling van woonruimtes. Het is de bedoeling dat het toestel wordt aangesloten op de centrale verwarming en het is geschikt voor gebruikt in warmtepompinstallaties. U kunt het toestel ook gebruiken in combinatie met andere verwarmingssystemen, zoals olie- of gasverbranding. Het toestel zuigt lucht aan vanaf de onderkant, die in de warmtewisselaar wordt opgewarmd of afgekoeld en naar boven wordt uitgeblazen. Het toestel zuigt lucht aan vanaf de onderkant, die in de warmtewisselaar wordt opgewarmd of afgekoeld en naar boven wordt uitgeblazen. Afbeelding 1: (a) Behuizingsafdekking (b) Bedieningspaneel (c) Luchtuitlaatrooster (d) 1 m aansluitleiding De ventilatorconvectoren mogen alleen in centrale verwarmingsinstallaties met gesloten regelcircuit gebruikt worden. De verwarmingsinstallatie moet als dubbel buissysteem uitgevoerd zijn.
Belangrijke veiligheidsinstructies Het verwarmingstoestel mag niet onmiddellijk onder of voor een vast geïnstalleerd stopcontact aangebracht worden. Dit toestel kan worden gebruikt door kinderen van 8 jaar en ouder en door personen met verminderde fysieke, zintuiglijke of mentale vermogens of gebrek aan ervaring en kennis, mits dit gebeurt onder toezicht of met instructies in verband met het veilige gebruik van het toestel en men begrijpt welke risico’s erbij zijn betrokken. Kinderen mogen niet met het toestel spelen. Reiniging en onderhoud door gebruikers mag niet zonder toezicht door kinderen worden uitgevoerd. Kinderen onder 3 jaar moeten uit de buurt worden gehouden, tenzij ze doorlopend onder toezicht staan. Kinderen in de leeftijdsgroep van 3 tot 8 jaar mogen het toestel niet op het stopcontact aansluiten, reguleren of schoonmaken of gebruikersonderhoud plegen. Kinderen mogen het toestel uitsluitend in/uitschakelen als het toestel is geplaatst of geïnstalleerd in de bedoelde normale bedrijfspositie en er toezicht op hen wordt gehouden of zij instructies hebben gekregen met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat en als zij begrijpen welke risico’s ermee gepaard gaan. Er is een waarschuwingssymbool op het verwarmingstoestel aangebracht. Dit symbool wijst erop dat het toestel niet afgedekt mag worden. LET OP: Sommige onderdelen van dit product kunnen heet worden en brandwonden veroorzaken. Hier moet met name goed op worden gelet als er kinderen en kwetsbare mensen aanwezig zijn. BELANGRIJK: Het netsnoer van het toestel moet bij schade door de fabrikant, een klantendienstfiliaal of een vergelijkbaar gekwalificeerde persoon vervangen worden. Er moet een ontkoppelingsmiddel met geschikte isolator worden opgenomen in de vaste bedrading, in overeenstemming met de bedradingsregels. Het toestel moet zo geïnstalleerd worden dat de bedieningselementen niet door een persoon, die zich in het bad of onder de douche bevindt, aangeraakt kan worden. SRX
Verwarmingsvermogen (kW) bij voorlooptemperatuur 45° C 2 0,7 1,1 1,4 1,8 Temperatuurbereik voorlooptemperatuur (°C)
Maximaal toegestane voorlooptemperatuur (°C) 85 Toegestane bedrijfsoverdruk (MPa) 1,0 Drukverlies (kPa) 11,3 13,1 13,7 15,8 Luchtvolumestroom (m³/h)
Gewicht (kg) 12 15 17,5 22- 14 - De toestellen moeten voldoende gedimensioneerd worden om de warmteverliezen in de ruimte te kunnen compenseren. Aantekeningen bij de installatie Brandbare stoffen of vloeistoffen en andere licht ontvlambare voorwerpen uit de buurt van het verwarmingstoestel houden. Het verwarmingstoestel mag niet in zwaar door stof belaste ruimtes gebruikt worden. Montagevoorbereiding Verpakkingsmateriaal verwijderen. De vier bevestigingsschroeven aan de onderkant van het toestel afschroeven (zie afb. 2) om de behuizingsafdekking te kunnen verwijderen. De behuizingsafdekking zo bewaren dat beschadigingen tijdens de installatiewerkzaamheden uitgesloten zijn. Bevestiging aan de muur Bij droogbouwwanden geschikt bevestigingsmateriaal gebruiken (niet bijgeleverd). Zoals in afb. 5 getoond aan een stabiele muur vier boorgaten aftekenen en boren. Alle afmetingen zijn in mm. Pluggen inbrengen en de beide bovenste schroeven voormonteren (nog niet volledig indraaien). Het toestel in de beide bovenste schroeven inhangen. De beide onderste schroeven inzetten en vastdraaien, daarna de beide bovenste schroeven eveneens vastdraaien. Hydraulische aansluiting Om voor voldoende doorloop van verwarmingswater door de ventilatorconvectoren te zorgen, moeten de volgende punten in acht genomen worden: De toestellen zijn voor de installatie op systemen met een buis niet geschikt. De nominale aansluitbuiswijdte moet een minimale binnendiameter van 15 mm hebben. Worden de toestellen op een verwarmingsinstallatie met verschillende warmteverdeelsystemen (bijv. Vloerverwarming) geïnstalleerd, moet voor een afzonderlijk circuit gezorgd worden om voldoende waterdoorloop te garanderen. Voor een optimale werking (warmteafgifte) van de ventilatorconvectoren is een hydraulische afstelling aan de verwarmingsinstallatie vereist. Afb. 6 toont de verschillende hydraulische aansluitmogelijkheden aan het toestel. De aanbevolen voor- en terugloopaansluitingen zijn in afb. 5 weergegeven. De plaatsing van de verwarmingsbuizen naar het toestel kan in de vloer of aan de muur gebeuren. Het toestel wordt af fabriek met twee aan de warmtewisselaar gemonteerde koperbuisleidingen, diameter 15 mm, geleverd. Voor en tijdens het vullen van de verwarmingsinstallatie moeten alle buisverbindingen op dichtheid gecontroleerd worden. Tijdens het vullen moet het ontluchtingsventiel (zie afb. 5) geopend zijn, opdat de lucht in het toestel kan ontsnappen. Na de ingebruikneming (circulatiepomp loopt) eventueel opnieuw ontluchten. Elektrische aansluiting WAARSCHUWING: Het toestel moet geaard worden. WAARSCHUWING: Fasedraad (bruin) en nulleider (blauw) mogen niet verwisseld worden, omdat dit tot functiestoringen kan leiden. De elektrische aansluiting moet een voedingsspanning hebben van ~110 - 240V, 50 - 60Hz. Het toestel moet door een geautoriseerde elektrotechnicus, rekening houdende met de bestaande normen en plaatselijke installatievoorschriften, geïnstalleerd worden. Voor het uitvoeren van de installatiewerkzaamheden moet gecontroleerd worden of de spanningsvoeding uitgeschakeld is. Het toestel is met een flexibele aansluitleiding van 1 m lengte (4 x 0,75 mm
), uitgerust, waarmee het verwarmingstoestel direct via een geschikte wandaansluitdoos op de elektrische voeding aangesloten kan worden. Er moet een ontkoppelingsmiddel met geschikte isolator worden opgenomen in de vaste bedrading, in overeenstemming met de bedradingsregels. De isolator moet een contactopeningsbreedte van minimaal 3 mm op elke pool hebben en moet volledige ontkoppeling bieden in omstandigheden met overspanning in categorie III. Aderbezetting van de aansluitleiding: Bruin: “L” – fasedraad voedingsspanning Blauw: “N” – nulleider voedingsspanning Groen/geel: “PE” - aarddraad Zwart: stuurdraad (verlaging; aan/uit) Schakelbeeld zie afb. 8. Waakvlam Met activering van de zwarte waakvlambedrading (stuurdraad) kunt u de ondergrens voor de temperatuur op het toestel instellen met behulp van een externe timer of schakelaar. Eventuele temperatuurverlagingen worden via de stuurdraad ook doorgegeven aan nageschakelde toestellen. Als er een programmeercassette op de hoofdeenheid van het toestel wordt aangesloten en is geactiveerd, worden de stuursignalen ook via de stuurdraad doorgegeven aan eventuele nageschakelde toestellen. Zie afbeelding 8 voor meer informatie. Bij buitenbedrijfstelling, bijv. voor onderhoudswerkzaamheden, moet ervoor gezorgd worden dat naast de netvoeding ook de stuurdraad spanningsvrij geschakeld is, omdat deze eventueel vreemde spanning kan voeren (via een schakelklokcontact of piloottoestel met programmeercassette). WAARSCHUWING: Bij het overschakelen op gestuurd bedrijf is aan deze kabel netspanning voorhanden! WAARSCHUWING: Stuurdraad niet aarden.- 15 - Aansluiting op externe toestellen De EC SmartRad kan worden aangesloten op een aantal externe toestellen die de energiebesparende werking ervan kunnen verbeteren. Dit gebeurt door middel van een relais op de printplaat (zie afbeelding 7 voor details). De basisfunctie van het relais is dat als er energievraag is, het relais in werking zal treden. Bij aansluiting op een gebouwbeheersysteem kan het relais worden geconfigureerd als “spanningsvrij” contactpunt, te gebruiken voor het versturen van een signaal naar een geschikt regelsysteem (zie afbeelding 7 “A”). Bij aansluiting op een pomp/ventiel kan de SmartRad een externe pomp en een extern ventiel via de eigen stroomtoevoer van energie voorzien. Een standaard solenoïdeklep of springveerklep (zie afbeelding 7 “B”) of een standaard circulatiepomp (zie afbeelding 7 “C”) kunnen worden bedraad zoals weergegeven. NO = Normaal Open, waarbij het ventiel/de pomp worden bediend. N = Neutraal voor het ventiel/de pomp. LET OP: het ventiel en de pomp moeten worden geclassificeerd met de correcte spanning. LET OP: de stroomvereisten mogen niet hoger zijn dan 3 Amps bij 250 VAC. Bij aansluiting op een gemotoriseerd ventiel kan de SmartRad een standaard gemotoriseerd ventiel met de eigen stroomvoorziening in- en uitschakelen. NO = Normaal Open, waarbij het ventiel wordt geopend. NG = Normaal Gesloten, waarbij het ventiel wordt gesloten. N = Neutraal voor het ventiel. SmartRad-softwarefuncties De EC SmartRad beschikt over een aantal softwarefuncties die bijdragen aan de gebruiksvriendelijkheid van het toestel. Deze verschillende functies zijn toegankelijk met behulp van de tuimelschakelaars op de hoofdprintplaat en moeten worden geselecteerd tijdens de installatie van het toestel. Slaapkamerstand, voor geruisloze werking kan een aantal lage motorsnelheden worden geselecteerd. Deze functie is zeer handig in ruimten met weinig geluid, zoals slaapkamers. Voor deze functie zet u tuimelschakelaar 1 aan. Merk op dat de prestaties van de SmartRad tijdens de geruisloze werking verminderen en het toestel dus qua grootte op de ruimte moet worden afgestemd. Hoge temperatuurstand, voor gebruik met warmte- generatoren die hoge temperaturen produceren, zoals olie- of gasverbranding. In deze stand wordt de ondergrens van de watertemperatuur verhoogd naar 45°C. Voor deze functie zet u tuimelschakelaar 2 aan. Terugstellingsstand, voor gebruik bij toepassingen met een waakvlam. Als in deze stand een terugstellingssignaal (lager instelpunt) wordt ontvangen, reduceert de SmartRad het instelpunt op een variabele schaal, zodat er een bepaalde hoeveelheid warmte in de ruimte aanwezig blijft. Als deze stand wordt uitgezet, gaat het toestel bij een terugstellings- signaal over op een stand voor vorstbescherming. Dit heeft geen gevolgen voor de normale comfortstand. Bedrijfsstand, op dit toestel is zowel een verwarmingsstand als een afkoelstand beschikbaar. Tuimelschakelaar 4 moet altijd aan zijn om de afkoeling te activeren. Relaisstand, waarbij de relais wordt geactiveerd in overeenstemming met de bedrijfsomstandigheden. Voor deze functie zet u tuimelschakelaar 6 aan. Sleutelbediening, Deze stand is handig voor openbare ruimten zoals scholen of kantoren. De bedieningselementen op het toestel worden in deze stand uitgeschakeld. Voor activering houdt u de toets langer dan 15 seconden ingedrukt. De toetsen , en de thermostaatknop worden dan uitgeschakeld. Als u het toestel opnieuw wilt activeren, houdt u de toets langer dan 15 seconden ingedrukt. Afmontage Na de installatiewerkzaamheden de behuizingsafdekking plaatsen. Hiervoor de vier bevestigingsschroeven aan de onderkant van het toestel inschroeven. Bediening Het bedieningspaneel wordt in afbeelding 3 weergegeven. De verschillende elementen hebben de volgende betekenis: A – Toetsstand B – Indicatie aan/uit C – Indicatie handmatig bedrijf D – Indicatie automatisch bedrijf E – Toets ventilatorstand F – Indicatie lage ventilatorstand G – Indicatie middelste ventilatorstand H – Indicatie hoge ventilatorstand J – Instelwiel thermostaat K – Afdekking voor steekplaats programmeercassette Zorg altijd dat het toestel goed werkt. De luchtinlaat- en uitlaatroosters mogen niet afgedekt of afgesloten worden. Handmatig bedrijf Druk toets een keer of meerdere keren in totdat de gele -indicator brandt. Druk de toets één keer of meerdere keren in om de maximale gewenste ventilatorstand (ventilatortoerental) te kiezen. De ingestelde ventilatorstand wordt via de rode indicatie (1, 2, 3) gesignaleerd. Met de draaiknop de gewenste ruimtetemperatuur instellen. De ingestelde ventilatorstand wordt afhankelijk van de ruimtetemperatuur in- en uitgeschakeld.- 16 - Automatisch bedrijf (eco) Toets een keer of meermaals indrukken tot de rode indicatie eco brandt. Met de draaiknop de gewenste ruimtetemperatuur instellen. Afhankelijk van de actuele ruimtetemperatuur en de aan de thermostaat ingestelde gewenste temperatuur bepaalt de elektronica een van de drie mogelijke ventilatorstanden (ventilatortoerental). Afhankelijk van het verschil tussen actuele ruimte- en gewenste temperatuur kiest de elektronica de vereiste ventilatorstand. Indien nodig kan het aantal mogelijke ventilatorstanden verlaagd worden. Als u bijvoorbeeld de ventilatorstanden wilt beperken tot een maximum van 2, drukt u één keer op de toets of meerdere keren totdat de tweede indicator brandt. Het gebruik met een programmeercassette of een schakelklok kan alleen in het automatische bedrijf (eco) gebeuren. Een stuursignaal duidt aan dat het toestel het instelpunt heeft bereikt. Het groene eco-lampje zal dan gaan branden. Storingsindicatie Bij een te geringe watertemperatuur wordt het gebruik van het toestel onderbroken en knippert de rode indicatie. In dit geval moet de correcte werking van de verwarming- sinstallatie of van de circulatiepomp gecontroleerd worden. Bijkomende aanwijzingen vindt u in het hoofdstuk “Foutdiagnose”. Ingebruikneming met lucht/waterwarmtepompen Bij de ingebruikneming van een lucht/waterwarmtepomp, vooral bij lage buitentemperaturen, moet de buffer- accumulator van de warmtepomp een temperatuur van minstens 14°C hebben opdat het ontdooien van de warmtepompverdamper mogelijk is. Daarom voor het openen van de ventielen van het verwarmingscircuit ervoor zorgen dat een eventueel vereiste ontdooiing uitgevoerd werd. Foutdiagnose De volgende problemen kunnen ertoe leiden dat de ventilatorconvector onvoldoende warmte produceert en de rode -indicatie mogelijk knippert. Mogelijke oorzaken hiervan zijn: Ingesloten lucht in de warmtewisselaar — toestel spanningsvrij schakelen, behuizing afnemen en warmtewisselaar ontluchten. Positie van de ontluchtingsschroef zie afb. 5. Watertemperatuur te laag — stel de aanvoertemperatuur hoger op het verwarmingssysteem. Onvoldoende wateraanvoersnelheid via het toestel — pas de aanvoersnelheid (hydraulische evenwicht) aan. Hiervoor de thermostaatkranen aan de andere radiatoren dichtdraaien. Vuil op de warmtewisselaar — reinig de warmtewisselaar. Zie hiervoor het hoofdstuk “Onderhoud”. Buitenvlakken reinigen Om te reinigen moet het verwarmingstoestel uitgeschakeld en afgekoeld zijn. De oppervlakken van het verwarming- stoestel kunnen door het afvegen met een zachte, vochtige doek gereinigd en dan gedroogd worden. Om te reinigen geen schuurpoeder of meubelpoetsmiddel gebruiken omdat deze het oppervlak kunnen beschadigen. Tijdens installatie van het toestel is een handig idee om de plastic verpakking en de doos te gebruiken om het toestel na installatie af te dekken. Dit voorkomt dat bouwmaterialen zoals pleisterwerk of verf op het toestel terecht komen tijdens andere renovatiewerkzaamheden aan de ruimte. Onderhoud – door de vakman uit te voeren Het toestel moet voor het uitvoeren van onderhoud- swerkzaamheden spanningsvrij geschakeld worden. Stof of pluizen die zich binnenin het verwarmingstoestel afzetten, moeten regelmatig verwijderd worden. Hiervoor het toestel spanningsvrij schakelen, de 4 bevestigingsschroeven aan de onderkant van het toestel losdraaien en de behuizing- safdekking voorzichtig afnemen. Met een zachte borstel of een stofzuiger de vuilafzettingen verwijderen. Ingesloten lucht in de warmtewisselaar kan door het openen van het ontluchtingsventiel (afbeelding 5) verwijderd worden. Er kan ook een luchtfilter worden aangebracht op de luchtinlaat van het toestel. Neem contact op met Dimplex voor meer informatie. De gebruiksaanwijzing behoort bij het toestel en moet goed bewaard worden. Bij verandering van eigenaar moet de gebruiksaanwijzing aan de nieuwe eigenaar doorgegeven worden. Garantie Voor dit toestel geven we twee jaar garantie conform onze garantiebepalingen.
SimpelGids