SWL R1300 - Veegmachine Lavor - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SWL R1300 Lavor in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Veegmachine in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SWL R1300 - Lavor en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SWL R1300 van het merk Lavor.
GEBRUIKSAANWIJZING SWL R1300 Lavor
LEGENDA In deze handelingen en aangebracht op de machine worden de volgende symbolen gebruikt, alleen of onderling gecombineerd. Duidt op een waarschuwing of een opmerking inzake een uiterste belangrijke of nuttige functie. Let goed op voor tekstblokken aangegeven met dit symbool. Duidt op belangrijke of nuttige functies. Geeft aan dat de handleiding voor gebruik en onderhoud gelezen moet worden voordat er handelingen worden uitgevoerd Geeft aan dat de met het symbool gemarkeerde informatie het onderhoud betreft. Raadpleeg de specieke handleidingen van de onderdelen van de machine (bijv. motor, accu’s, enz.) voor meer symbolen die niet in dit document zijn opgenomen.256
Het bedrijf is blij u te kunnen rekenen tot de eigenaren van een veegwagen SWL R 1300. Als u de onderstaande instructies in acht neemt, zijn we er zeker van dat u de werkmogelijkheden van deze veegwagen ten volle kunt waarderen. Deze handleiding wordt verstrekt om de doeleinden en bedoelingen waarvoor de machine is gebouwd zo duidelijk mogelijk te deniëren, en om aanwijzingen te geven voor een zo veilig mogelijk gebruik van de machine. Verder worden alle kleinere handelingen vermeld die nodig zijn om de veegwagen eciënt en veilig te handhaven. Neem voor ingrepen voor buitengewoon onderhoud altijd contact op met gespecialiseerd personeel (par. 15). De handleiding bevat informatie over gevaren of restrisico’s, dat wil zeggen alle risico’s die niet geëlimineerd kunnen worden, met de voor de afzonderlijke gevallen geschikte aanwijzingen. Verder is er informatie inzake het toelaatbare en niet-toelaatbare gebruik, aanwijzingen inzake de inbedrijfstelling van de veegwagen, technische informatie en toelaatbare prestaties, aanwijzingen inzake het gebruik en het onderhoud van de veegwagen, aanwijzingen voor de buitendienststelling, de ontmanteling of de sloop.
De machine is ontworpen voor de reiniging en de verwijdering van stof en vuil in het algemeen, aanwezig op vlakke en harde ondergronden zonder overmatige oneenheden, zoals: beton, asfalt, grès, keramiek, hout, plaatijzer, marmer, rubberen matten of matten van plastic in het algemeen, met noppen of glad, synthetische en laagpolige vloerbedekking. Afbeelding 1 De veegwagen wordt bestuurd door een operator aan boord van de machine en heeft een frontale, gestuurde afvoer. De verwijdering van het grofste vuil gebeurt door middel van de werking van de roterende borstels (Pos. 1 en 2 Afbeelding 1), terwijl het jnere vuil wordt verwijderd door een afzuigsysteem (Pos. 4 Afbeelding 1), dat ook de stofvorming door de werking van de borstels voorkomt. In het bijzonder is deze machine uitgerust met een zijdelingse borstel (Pos. 1 Afbeelding 1; borstel linkerkant op aanvraag) die het vuil naar het midden van de machine verplaatst, en met een centrale cilindrische roterende borstel (Pos. 2 Afbeelding 1), dwars op de machine gemonteerd, die het vuil verwijderd en lost in de afvalbak die zich aan de voorzijde van de machine bevindt (Pos. 3 Afbeelding 1). Fijne vuildeeltjes worden daarentegen opgevangen in het ltersysteem (Pos. 5 Afbeelding 1) en vervolgens gelost in de afvalbak door de werking van de lterschudder (Pos. 6 Afbeelding 1).258 Tenslotte kan de operator dankzij een hydraulisch hefsysteem de volle afvalbak ledigen. Alle aanwezige borstels zijn instelbaar en kunnen door de operator uitgeschakeld worden met de daarvoor bestemde bedieningselementen.
3.2. AFSCHERMINGEN EN VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Zoals aangegeven in Afbeelding 2, beschikt de machine over afschermingen en veiligheidsvoorzieningen die zorgvuldig gemonteerd moeten worden en intact moeten zijn. De machine mag niet gebruikt worden als de afschermingen beschadigd zijn of ontbreken of als de veiligheidsvoorzieningen ontbreken, beschadigd zijn of niet correct functioneren. De beschrijving van de afschermingen en veiligheidsvoorzieningen wordt derhalve hieronder gegeven. Afbeelding 2 POS. Nr. BESCHRIJVING 1 Motorkap 2 Afscherming filters / ventilatoren 3 Afscherming stoel 4 Achterste afschermingen machine 5 Zijdelingse afschermingen machine 6 Beschermende flap arm
Veiligheidsmicroschakelaars dodemans-functie; veiligheidsgordel stoel 8 Afscherming zijdelingse borstel 9 Luik centrale borstel 10 Veiligheidsbalk259 3.3. ZIJDELINGSE BORSTEL De zijdelingse borstel is een de bedieningszijde geïnstalleerd Pos. 1 Afbeelding 3, en fungeert als transporteur van het stof en het vuil; de borstel is voornamelijk ontworpen voor de reiniging van randen, hoeken en proelen. Elke borstel kan door middel van het betreende bedieningselement worden uitgeschakeld. De borstel is beschikbaar in verschillende hardheden en soorten borstelharen, afhankelijk van het type te verwijderen materiaal of van de vloer. Op verzoek kan er een extra zijdelingse borstel aan de tegenovergestelde zijde geïnstalleerd worden. BELANGRIJK: Raak de zijdelingse borstel tijdens de rotatie niet aan met de handen en vermijd om vezelachtig materiaal (draden, touwen, enz.) te verwijderen Afbeelding 3 3.4. CENTRALE BORSTEL De centrale borstel Pos. 2 Afbeelding 3 is het hoofdorgaan van de machine, door middel waarvan het stof en vuil in de afvalbak wordt geladen. De borstel is beschikbaar in verschillende hardheden en soorten borstelharen, afhankelijk van het type te verwijderen materiaal of van de vloer. Deze borstel kan in geval van slijtage in hoogte worden aangepast. BELANGRIJK: Vermijd om touwen, draden, verpakkingsband, stokken, enz. te verzamelen die langer zijn dan 25 cm: deze kunnen zich rond de centrale en zijdelingse borstels wikkelen en ze beschadigen. 3.5. STOFAFDICHTINGEN De stofafdichtingen Pos. 3 Afbeelding 3 rond de centrale borstel zijn uiterst belangrijk voor de goede werking van de machine omdat ze ervoor zorgen dat het stof kan worden opgezogen; het is belangrijk de conditie ervan vaak te controleren. 3.6. ZUIGSYSTEEM Het zuigsysteem (Pos. 4 Afbeelding 1) verzorgt de verzameling van het jnste vuil en voorkomt de vorming van stof als gevolg van de werking van de borstels. 3.7. FILTERSYSTEEM Het ltersysteem bestaat uit een zakkenlter Pos. 1 Afbeelding 4 en vangt de kleinste deeltjes op die door het zuigsysteem worden aangezogen en voorkomt zo dat het stof in de externe omgeving wordt verspreid. Door middel van een schudsysteem (Pos. 2 Afbeelding 4) worden de lters gereinigd door de vuildeeltjes in de afvalbak te laten vallen. Afbeelding 4260 3.8. AFVALBAK De afvalbak (Pos. 1, Afbeelding 5) dient om al het door de centrale borstel verzamelde materiaal en het stof van de lters op te vangen. De bak wordt geactiveerd door een hydraulische actuator (Pos. 2, Afbeelding 5) door middel waarvan hij geledigd kan worden; ook is hij voorzien van een systeem voor veiligheidsvergrendeling (Pos. 3, Afbeelding 5) in de volledig geopende stand. Afbeelding 5 3.9. FLAP BAK Door middel van de ap van de bak (Pos. 4 Afbeelding 5) kan de operator de toegang van het vuil tot de afvalbak afsluiten en wordt zo het ontsnappen van vuil bij stilstaande borstels en tijdens de fase voor heen verhinderd, terwijl de lediging op het gewenste moment en op de gewenste plaats wordt bevorderd (Afbeelding 6). De ap blijft tijdens de reinigingswerkzaamheden geopend. Hij is voorzien van zijdelingse afdichtingen en een centrale afdichting die tot doel heeft de werking van de centrale borstels tijdens het verzamelen van vuil te bevorderen en een zodanig niveau van afdichting te garanderen dat het ontsnappen van vuil wordt verhinderd als de ap gesloten is. Afbeelding 6261 3.10. TECHNISCHE GEGEVENS
TECHNISCHE KENMERKEN MEETEENHEID SWL R 1300
Voeding // Diesel Vermogen motor (KUBOTA D722-EF01) kW/tpm 14,7/3600 Breedte centrale borstel/Reinigingstraject mm 1000 x Ø330 Breedte centrale borstel + 1 zijdelingse borstel rechts (Ø475) mm 1300 Breedte centrale borstel + 2 zijdelingse borstels mm 1600 Maximale rijsnelheid km/uur 12 Maximale achteruitrijsnelheid km/uur 6 Bedrijfssnelheid km/uur 8 Maximaal reinigingsvermogen (met 2 zijdelingse borstels) m²/uur 19200 Maximale helling % 18 Aandrijving // achter Transmissie // Hydraulisch Minimale afstand voor omkering rijrichting tussen twee muren mm 3400 Filteroppervlak ( 1 zakkenlter) m² 8 Inhoud bak l 490 Maximale lengte met zijdelingse borstel mm 2250 Maximale breedte mm 1450 Hoogte standaard versie mm 1540 Gewicht
kg 950 Gewicht met cabine (indien aanwezig)
kg 1140 Gewicht met rolbeugel (indien aanwezig)
kg 1030 Gemeten geluidsvermogensniveau LwA dB 89 Gegarandeerd geluidsvermogensniveau LwA dB 92 4 Gewicht operator, accu’s, cabine (indien aanwezig), rolbeugel (indien aanwezig), ingezameld afval: niet inbegrepen. Gewicht accu’s: neem contact op met de fabrikant/dealer. 5 Gewicht operator, accu’s, ingezameld afval: niet inbegrepen. Gewicht accu’s: neem contact op met de fabrikant/ dealer. 6 Gewicht operator, accu’s, ingezameld afval: niet inbegrepen. Gewicht accu’s: neem contact op met de fabrikant/ dealer.262
De bestuurdersplaats die tijdens het gebruik van de machine moet worden ingenomen door de operator is alleen de plaats die wordt aangegeven in Afbeelding 7. Afhankelijk van de uitrusting, kan de bestuurdersplaats worden beveiligd met een rolbeugel (A, Afbeelding 7, zijdelingse afscherming ontbreekt) of met een cabine (B, Afbeelding 7, zijdelingse afschermingen aanwezig). Het bereiken van de bestuurdersplaats wordt vergemakkelijkt door een opstapje (1, Afbeelding 7). In geval van een beschermende cabine wordt de bestuurdersplaats betreden en verlaten door het portier te openen/sluiten door midden van de daarop aanwezige binnenste en buitenste handgreep (2, Afbeelding 7). Afbeelding 7 Alle handbediende bedieningselementen en pedalen voor het gebruik van de machine bevinden zich in overeenstemming met de bestuurdersstoel, zoals aangegeven in Afbeelding 8. Afbeelding 8263 BELANGRIJK: De machine wordt om veiligheidsredenen automatisch uitgeschakeld als de operator van de bestuurdersstoel opstaat. 4.2. COMFORT BESTUURDER Om tijdens het gebruik van de machine een correcte houding en het gewenste comfortniveau te garanderen, is het mogelijk om de stand van de stoel en de kanteling van de rugleuning en de armsteunen af te stellen door middel van, respectievelijk, de hendel A, de hendel B en het wieltje C onder elke armsteun, zoals aangegeven in Afbeelding 9. Afbeelding 9 Ook is het mogelijk om de kanteling van het stuur aan te passen met de daarvoor bestemde hendel (Pos. 1 Afbeelding 10). Afbeelding 10 Om, alleen voor de modellen met cabine en rolbeugel, het gewenste niveau van ventilatie te garanderen, is het mogelijk om het achterste venster te openen met de daarvoor bestemde hendel (Pos. 1 Afbeelding 11). Alleen voor modellen met cabine kan verder het zijvenster geopend worden met de betreende handgreep (Pos. 2 Afbeelding 11) en door het venster over de rails te laten schuiven.264 Afbeelding 11 4.3. BEDIENINGSELEMENTEN
4.3.1. PLAATS EN BESCHRIJVING VAN DE BEDIENINGSELEMENTEN
Zoals al aangegeven in par. 4.1, bevinden de bedieningselementen zich in overeenstemming met de bestuurdersstoel (Afbeelding 8). In Afbeelding 12 toont een beschrijving en de plaats van de bedieningselementen, gevolgd door een gedetailleerde beschrijving. Afbeelding 12265 1 Contactsleutel 2 Gashendel motor 3 Gaspedaal 4 Keuzehendel rijrichting en werklampen 5 Rempedaal 6 Parkeerrem 7 Keuzehendel beweging borstels 8 Bediening centrale borstel 9 Regelknop invalshoek centrale borstel 10 Schakelaar zijdelingse borstel 11 Hendel rotatiesnelheid zijdelingse borstel 12 Schakelaar afzuiging 13 Schakelaar lterschudder 14 Bedieningshendel afvalbak 15 Bedieningshendel ap afvalbak 16 Signaalinrichting en urenteller 17 Brandstofpeilmeter 4.4. CONTACTSLEUTEL Door middel van de contactsleutel (Pos. 1 Afbeelding 12) kan de motor gestart en gestopt worden (Afbeelding 13). De sleutel kan ook worden uitgenomen. 4.5. GASHENDEL MOTOR De gashendel van de motor (Pos. 2 Afbeelding 12) bestaat uit een hendel door middel waarvan het toerental van de motor kan worden geregeld, zoals aangegeven in Afbeelding 13. Afbeelding 13
Het gaspedaal (Pos. 3 Afbeelding 12) wordt bediend door het in te trappen en regelt de verplaatsing van de veegwagen. De rijrichting (voor- of achteruit) wordt bepaald door de stand ingesteld met de keuzeschakelaar rijrichting (Pos. 4 Afbeelding 12).
4.5.2. KEUZEHENDEL RIJRICHTING EN WERKLAMPEN
Afbeelding 14 Door middel van de keuzeschakelaar rijrichting, met 6 combinaties, (Pos. 4 Afbeelding 12), kan de rijrichting van de veegwagen worden bepaald (vooruit, achteruit, vrijstand), zoals aangegeven in Afbeelding 14. Bij modellen met werklampen, wordt met deze keuzeschakelaar ook de inschakeling (hendel omhoog) en uitschakeling266 (hendel omlaag) van de lampen bediend.
Door het rempedaal in te trappen (Pos. 5 Afbeelding 12) wordt het remsysteem van de veegwagen geactiveerd en wordt het rijden van de wagen onderbroken.
Door middel van dit bedieningselement kan de veegwagen geblokkeerd worden wanneer hij niet gebruikt wordt, door middel van een hendel onmiddellijk boven het rempedaal (Pos. 6 Afbeelding 12). De activering van de parkeerrem, bij actief elektrisch systeem, wordt begeleid door een continu akoestisch signaal.
4.5.5. KEUZEHENDEL BEWEGING BORSTELS
Door middel van de bedieningshendel (Pos. 7 Afbeelding 12) is het mogelijk om de centrale en de zijdelingse borstel wel of niet gelijktijdig te activeren. In de middelste stand blijven beide borstels inactief (Afbeelding 15). Afbeelding 15
4.5.6. BEDIENING CENTRALE BORSTEL
Door middel van de bedieningshendel (Pos. 8 Afbeelding 12) kan de centrale borstel omhoog of omlaag worden verplaatst om zo wel of niet de reinigende werking ervan te garanderen (Afbeelding 16).
4.5.7. REGELKNOP INVALSHOEK CENTRALE BORSTEL
De regelknop van de invalshoek van de centrale borstel (Pos. 9 Afbeelding 12) bestaat uit een knop die langs een gleuf verplaatst kan worden en die met de gekartelde knop op zijn plaats geblokkeerd kan worden (Afbeelding 16). Hiermee kan de hoogte boven de grond van de centrale borstel in de geheel lage stand (werkstand) worden aangepast door de invalshoek op het te reinigen oppervlak te regelen. Afbeelding 16
4.5.8. SCHAKELAAR ZIJDELINGSE BORSTEL
Door te drukken op de knop van de keuzeschakelaar (Pos. 10 Afbeelding 12) kan de zijdelingse borstel gecongureerd worden in de werkstand (in contact met het te reinigen oppervlak) of in de ruststand (geheven stand). Er zijn geen tussenstanden mogelijk (Afbeelding 17).267 Afbeelding 17
4.5.9. HENDEL ROTATIESNELHEID ZIJDELINGSE BORSTEL
Door middel van de bedieningshendel (Pos. 11 Afbeelding 12) kan de rotatiesnelheid van de zijdelingse borstel worden aangepast (Afbeelding 15).
4.5.10. SCHAKELAAR AFZUIGING
Door te drukken op de knop van de schakelaar van de lterschudder (Pos. 12 Afbeelding 12) kan het zuigsysteem in- en uitgeschakeld worden (Afbeelding 17).
4.5.11. SCHAKELAAR FILTERSCHUDDER
Door te drukken op de knop van de schakelaar van de lterschudder (Pos. 13 Afbeelding 12) kan het mechanisme geactiveerd worden dat ervoor zorgt dat het jne vuil en stof opgevangen in het zakkenlter in de afvalbak valt. De schakelaar heeft slechts één enkele stabiele stand (Afbeelding 17).
4.5.12. BEDIENINGSHENDEL AFVALBAK
Door te handelen op de bedieningshendel (Pos. 14 Afbeelding 12) wordt het systeem voor de stijging/daling van de afvalbak geactiveerd. Op de middelste stand is dit systeem uitgeschakeld (Afbeelding 15).
4.5.13. BEDIENINGSHENDEL FLAP AFVALBAK
Met de bedieningshendel (Pos. 15 Afbeelding 12) kan de ap van de afvalbak geopend en gesloten worden. In de middelste stand staat de ap stil (Afbeelding 15).
4.5.14. SIGNAALINRICHTING EN URENTELLER
De signaalinrichting en urenteller (Pos. 16 Afbeelding 12) omvat alle waarschuwings- en alarmlampjes die tijdens de werking van de veegwagen geactiveerd kunnen worden. Afbeelding 18 In detail, zoals in Afbeelding 18: 1: Werklampen, bevestiging inschakeling (bij bepaalde modellen) 2: Voorverwarming motor: bevestiging activering 3: Parkeerrem: bevestiging activering 4: Flap afvalbak: bevestiging/alarm gesloten stand 5: Dynamo 2 (elektrisch systeem veegwagen): alarm storing 6: Dynamo 1 (motor): alarm storing 7: Koelcircuit motor: alarm hoge temperatuur koelvloeistof motor/storing 8: Motoroliecircuit: alarm drukverlies/storing 9: Urenteller268
4.5.15. BRANDSTOFPEILMETER
De brandstofpeilmeter (Pos. 17 Afbeelding 12) geeft het peil van de brandstof in de tank aan (Afbeelding 19). Afbeelding 19
4.5.16. PLAATS EN BESCHRIJVING VAN DE BEDIENINGSELEMENTEN VOOR CABINE EN ROLBEUGEL
De bedieningselementen voor extra voorzieningen die de cabine en de rolbeugel betreen, bevinden zich aan de bovenkant van de voorruit, zoals aangegeven in Afbeelding 20, en verwijzen naar:
- Ruitenwisser (C) Afbeelding 20 Afbeelding 21 Afbeelding 22 Afbeelding 23 De led-plafondlamp in de cabine wordt in- of uitgeschakeld met de drukschakelaar aangegeven in Afbeelding 21. Boven deze schakelaar (Afbeelding 21) bevindt zich de schakelaar met één stabiele stand (Afbeelding 22) voor de activering van de ruitensproeiers. Deze worden ingeschakeld als de schakelaar wordt ingedrukt en vervolgens uitgeschakeld als de schakelaar wordt losgelaten. De ruitenwisser wordt ingeschakeld met de schakelaar met twee stabiele standen (Afbeelding 23). Op stand 1 wordt de ruitenwisser ingeschakeld, terwijl hij op stand 0 wordt uitgeschakeld.
De veiligheidsbalk (Pos. 10 Afbeelding 2) verhindert dat de afvalbak per ongeluk wordt gesloten als hij geheven is. Verwijder, na het heen van de afvalbak, de veiligheidsbalk vanuit de ruststand (Pos. 1 Afbeelding 24) en plaats hem in het onderstel (Pos. 2 e 3, Afbeelding 24). Verwijder de veiligheidsbalk door hem vanuit het onderstel op te tillen en langs de gleuf te verplaatsen, om hem vervolgens terug te plaatsen in de oorspronkelijke stand.269 CONTROLEER OF DE VEILIGHEIDSBALK IS VERWIJDERD ALVORENS DE AFVALBAK OMLAAG TE VERPLAATSEN. Afbeelding 24
4.6.2. BEVEILIGINGEN VAN DE MOTORKAP, AFSCHERMING STOEL EN AFSCHERMING FILTERS
De motorkap (Pos. 1 Afbeelding 2), de afscherming van de stoel (Pos. 3 Afbeelding 2) en de afscherming van de lters (Pos. 2 Afbeelding 2) kunnen gemakkelijk geopend worden, om zo de handelingen voor inspectie en onderhoud mogelijk te maken. Deze elementen zijn voorzien van veiligheidsvoorzieningen die een onbedoelde sluiting voorkomen. Zo zijn de motorkap en de afscherming van de stoel voorzien van veiligheidsstangen die geblokkeerd worden zoals aangegeven in Afbeelding 25. Afbeelding 25 De opening voorbij de uiterste stand van de afscherming van de lters wordt verhinderd door speciale kabels (Afbeelding 26). Op deze manier wordt het gevaar voor beschadiging van de afscherming en gevaren voor personen in de omringende omgeving voorkomen.270 Afbeelding 26
KAPITTEL 5 - TOELAATBARE EN NIET-TOELAATBARE GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
5.1. TOELAATBARE GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN De veegwagen is ontworpen voor de reiniging van bewerkingsresten, stof, vuil in het algemeen, alle vlakke, harde en niet overmatig oneen oppervlakken, zoals: beton, asfalt, grès, keramiek, hout, plaatijzer, marker, rubberen matten of matten van plastic in het algemeen, met noppen of glad, synthetische en laagpolige vloerbedekking. De toelaatbare gebruiksomstandigheden zijn als volgt. Minimale bedrijfstemperatuur: - 20 °C ( - 4 °F ) Maximale bedrijfstemperatuur: + 38 °C ( + 100,4 °F ) Maximale hellingshoek voor- en zijkant: par. 3.10 MAAK TIJDENS HET RIJDEN MET DE VEEGWAGEN ALTIJD GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDEL. Raadpleeg de handleiding van de motor voor meer informatie over de toelaatbare gebruiksomstandigheden. BELANGRIJK: Gebruik de veegwagen niet en laat hem niet geparkeerd bij temperaturen boven de + 40°C (+ 104°F). BELANGRIJK: verricht de handelingen voor de lediging, de reiniging en het onderhoud van de machine uitsluitend op vlakke en regelmatige ondergronden, waarop de machine perfect stabiel staat, voor de gehele duur van de genoemde handelingen. 5.2. NIET-TOELAATBARE GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
- De veegwagen mag niet gebruikt worden in geval van grotere dan de aangegeven hellingen.
- Hij mag niet gebruikt worden in omgevingen waar explosieve of ontvlambare materialen aanwezig zijn.
- Hij mag niet gebruikt worden op onverharde oppervlakken, met grint, of zeer oneen oppervlakken.
- De wagen mag geen olie, gif of chemische stoen in het algemeen inzamelen (voor het gebruik van de machine in chemische fabrieken moet de toestemming van de dealer of fabrikant worden gevraagd).
- Hij mag niet gebruikt worden op wegen in of buiten de stad, en over het algemeen niet op de openbare weg.
- Hij mag niet gebruikt worden in slecht verlichte omgevingen, met uitzondering van de modellen voorzien van werklampen.
- Hij mag op geen enkele wijze gesleept worden, noch op particuliere terreinen, noch op de openbare weg.
- Hij mag niet gebruikt worden voor het opvegen van sneeuw of voor het wassen en ontvetten van oppervlakken in het algemeen, natte of zeer vochtige oppervlakken.
- Hij mag niet functioneren in aanwezigheid van draden of draadvormig materiaal, aangezien de aard van het te verzamelen materiaal niet compatibel is met de rotatie van de borstels.
- Hij kan op geen enkele manier gebruikt worden als steunoppervlak voor voorwerpen of als verhoging voor voorwerpen en personen.271
- Laat nooit personen het actiebereik van de machine betreden.
- Breng geen enkel type wijziging aan, tenzij goedgekeurd door de fabrikant. Raadpleeg verder de handleiding van de motor voor meer informatie over niet-toelaatbare gebruiksomstandigheden. KAPITTEL 6 - VOORBEREIDING (UITPAKKEN) De veegwagen wordt verpakt geleverd, geplaatst op een pallet, en met gedemonteerde zijdelingse borstel(s). Na de verwijdering van de uitwendige verpakking moet de machine vanaf de pallet worden verwijderd: Door middel van hefmiddelen met een draagvermogen dat geschikt is voor het gewicht van de machine (aangegeven op het typeplaatje), met behulp van de bijgeleverde hijsogen (Afbeelding 27); Door middel van het gebruik van geschikte hefplatforms. Afbeelding 27 Na het uitpakken moeten de hijsogen gedemonteerd en bewaard worden en moet(en) de zijdelingse borstel(s) gemonteerd worden zoals aangegeven in paragraaf 14.5. BELANGRIJK: Al het afval van het verpakkingsmateriaal moet door de gebruiker worden afgevoerd in overeenstemming met de specieke geldende normen voor afvalverwerking. CONTROLEER OF DE AFSCHERMINGEN PERFECT INTACT EN GOED GEMONTEERD ZIJN; IN GEVAL VAN AFWIJKINGEN OF ONTBREKENDE AFSCHERMINGEN MAG DE MACHINE NIET IN BEDRIJF WORDEN GESTELD EN MOET ONMIDDELLIJK CONTACT WORDEN OPGENOMEN MET DE DEALER OF DE FABRIKANT.272
De veegwagen is bij de levering reeds klaar voor de eerste start door de gebruiker. Afstellingen, inspecties en functionele tests worden reeds door de fabrikant verricht. Controleer, voorzichtigheidshalve, het peil van de hydraulische olie in de betreende tank (Afbeelding 28). Afbeelding 28 Lees aandachtig de gebruiksaanwijzing van de motor, maar, in ieder geval:
1. Controleer het motoroliepeil en vul bij als het peil laag is.
2. Controleer het peil van het water in de radiateur.
3. Controleer het brandstofpeil, vul bij als het peil laag is.
Al deze handelingen moeten bij afgezette en afgekoelde motor worden uitgevoerd.
7.2. OPLEIDING VAN DE OPERATORS
De operator behoeft, naast de informatie van deze handleiding en van die van de motor, geen verdere specieke opleiding met betrekking tot de eerste start van de veegwagen. 7.3. EERSTE START De eerste start van de veegwagen moet gebeuren op dezelfde manier zoals beschreven in paragraaf 8.3.
MAAK TIJDENS HET RIJDEN MET DE VEEGWAGEN ALTIJD GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDEL. RAAK DE ZIJDELINGSE BORSTEL TIJDENS DE ROTATIE NOOIT AAN MET DE HANDEN273 CONTROLEER DAT ER TIJDENS DE HANDELINGEN VOOR DE LEDIGING VAN DE AFVALBAK GEEN PERSONEN AANWEZIG ZIJN OP MINDER DAN 2 METER TOT DE VEEGWAGEN. CONTROLEER VERDER DAT ER VOLDOENDE RUIMTE BESCHIKBAAR IS OM BOTSINGEN, DIE DE VEEGWAGEN KUNNEN BESCHADIGEN EN DE WERKING ERVAN KUNNEN AANTASTEN, TE VOORKOMEN (PARAGRAAF 10.3.2). BELANGRIJK: Controleer, voorafgaand aan het begin van de werkzaamheden, of er op het oppervlak touwen, plastic of metalen draden, lange doeken, stokken, stroomdraden, enz. aanwezig zijn; deze zijn gevaarlijk en zouden de stofafdichtingen en de borstels kunnen beschadigen. Dergelijk materiaal moet dus verwijderd worden alvorens met de machine te beginnen te werken. BELANGRIJK: De machine wordt om veiligheidsredenen automatisch uitgeschakeld als de operator van de bestuurdersstoel opstaat. Het is niet mogelijk de machine te starten als u niet op de bestuurdersstoel zit.
- Wees uiterst voorzichtig bij het rijden over spoorrails of rails van poorten, enz. Deze zijn de grootste bron van beschadigingen van de stofafdichtingen. Rijd, indien nodig, zeer langzaam over deze rails.
- Schakel het ltersysteem uit wanneer met de functionerende machine over natte of zeer vochtige oppervlakken wordt gereden, om de bevochtiging en dus de aantasting van het lter te voorkomen. Vermijd om door plassen te rijden.
- Als het te reinigen oppervlak zeer vuil is vanwege de hoeveelheid of de aard van het te verzamelen materiaal of stof, wordt aangeraden een eerste “voorlopige” passage te verrichten, zonder te veel aandacht te besteden aan het resultaat; herhaal vervolgens de passages, bij geledigde afvalbak en schoon geschudde lters, om het gewenste resultaat te behalen.
- De zijdelingse borstel moet alleen gebruikt worden voor de reiniging van randen, proelen, hoeken, enz., en moet onmiddellijk daarna omhoog worden geplaatst (worden uitgeschakeld) om het onnodig opstuiven van stof te voorkomen en ook omdat het resultaat verkregen met de zijdelingse borstel altijd lager is dan met het gebruik van de centrale borstel.
- Voor een goed resultaat moet de bak vaak geledigd worden en moeten de lters schoongeschud worden.
8.2. OPLEIDING VAN DE OPERATORS
De operator behoeft voor het gebruik van de veegwagen geen specieke opleiding naast de informatie van deze handleiding en van de handleiding van de motor. 8.3. OPERATIONELE START Voor het starten van de machine: Draai de contactsleutel (Pos. 1 Afbeelding 12) naar de stand “ON”, bij de eerste klik (Afbeelding 29). wordt ook het elektrische systeem van de veegwagen geactiveerd; Draai de sleutel verder naar de stand “GL”, naar de tweede klik, om de voorverwarming van de bougies van de motor te activeren. Het betreende lampje op de signaalinrichting (Pos. 16 Afbeelding 12) gaat branden (nr. 2 Afbeelding 18). Wacht tot het lampje van de voorverwarming uit gaat; Draai de sleutel naar de stand “ST”, de derde klik. De motor begint te starten; Laat bij gestarte motor de sleutel los; de sleutel keert terug naar de stand “GL”. Breng, na de start, de gashendel van de motor (Pos. 2 Afbeelding 12) geleidelijk naar ⅓ van de slag en laat de motor gedurende enkele minuten opwarmen. Plaats de hendel op ten minste ½ ÷ ¾ van de slag voor optimale prestaties.274 Afbeelding 29 8.4. VOORUIT RIJDEN Om vooruit te rijden: Deactiveer de parkeerrem (Pos. 6 Afbeelding 12), indien actief (continu geluidssignaal). Verplaats de keuzehendel rijrichting (Pos. 4 Afbeelding 12) zoals aangegeven in Afbeelding 30. Trap met de voet het gaspedaal geleidelijk in (Pos. 3 Afbeelding 12). Voor het bereiken van de maximale rijsnelheid moeten de gashendel van de motor (Pos. 2 Afbeelding 12) naar einde slag worden verplaatst (geheel laag) en het gaspedaal volledig worden ingetrapt. Verwijder de voet van het pedaal om de aandrijving van de motor te onderbreken en trap geleidelijk het rempedaal in (Pos. 5 Afbeelding 12) om de beweging van de veegwagen te stoppen. Breng de keuzehendel van de rijrichting terug naar de middelste stand (vrijstand) zoals aangegeven in Afbeelding
Afbeelding 30 Activeer, indien van toepassing, de werklampen door de hendel omhoog te verplaatsen (alleen bij modellen uitgerust met werklampen). Bij ingeschakelde lampen gaat het betreende lampje (nr. 1 Afbeelding 18) op de signaalinrichting branden. 8.5. ACHTERUIT RIJDEN Voor achteruit rijden: Deactiveer de parkeerrem (Pos. 6 Afbeelding 12), indien actief (continu geluidssignaal). Plaats de keuzehendel van de rijrichting achteruit (Pos. 4 Afbeelding 12) zoals aangegeven in Afbeelding 31. Trap met de voet het gaspedaal geleidelijk in (Pos. 3 Afbeelding 12). Voor het bereiken van de maximale rijsnelheid moeten de gashendel van de motor (Pos. 2 Afbeelding 12) naar einde slag worden verplaatst (geheel laag) en het gaspedaal volledig worden ingetrapt. Verwijder de voet van het pedaal om de aandrijving van de motor te onderbreken en trap geleidelijk het rempedaal in (Pos. 5 Afbeelding 12) om de achteruitverplaatsing van de veegwagen te stoppen. Breng de keuzehendel van de rijrichting terug naar de middelste stand (vrijstand) zoals aangegeven in Afbeelding
Afbeelding 31275 OPMERKING 1: De snelheid bij achteruit rijden is lager dan die van vooruit rijden. OPMERKING 2: de ingeschakelde achteruitversnelling van de veegwagen wordt gesignaleerd met een intermitterend geluidssignaal. 8.6. OPERATIONELE STOP Om de motor te stoppen, moet de gashendel van de motor (Pos. 2 Afbeelding 12) naar de minimale stand (geheel hoog) worden verplaatst en moet de contactsleutel (Pos. 1 Afbeelding 12) linksom naar de stand “OFF” worden gedraaid. In geval van een langdurige stilstand moet de parkeerrem (Pos. 6 Afbeelding 12) geactiveerd worden zoals beschreven in paragraaf 8.7. OPMERKING: het remsysteem functioneert ook bij uitgeschakelde machine. Het is raadzaam om bij afgezette motor, gedurende de handelingen voor onderhoud, inspectie en afstelling, de contactsleutel te verwijderen om onbedoeld of per ongeluk starten door niet bij de werkzaamheden betrokken personeel te voorkomen 8.7. PARKEREN Om in geval van langdurige stilstand de stabiliteit van de machine te garanderen, moet de parkeerrem (Pos. 6 Afbeelding 12) geactiveerd worden zoals hieronder beschreven (Afbeelding 32): Trap het rempedaal in (Pos. 5 Afbeelding 12) Verplaats de hendel van de parkeerrem (Pos. 6 Afbeelding 12) omlaag. Afbeelding 32 Voor de deactivering van de parkeerrem moet het rempedaal worden ingetrapt (Pos. 5 Afbeelding 12). De hendel keert automatisch terug naar de oorspronkelijke stand. OPMERKING: als het elektrische systeem actief is, wort de inschakeling van de parkeerrem gesignaleerd door een continu geluidssignaal. 8.8. NOODSTOP In geval van een noodstop: moet de contactsleutel (Pos. 1 Afbeelding 12) linksom naar de stand “OFF” worden gedraaid. Activeer de parkeerrem zoals beschreven in paragraaf 8.7. 8.9. CENTRALE BORSTEL Voor het starten van de reiniging met de veegwagen moet de centrale borstel altijd worden ingeschakeld. Bij gestarte motor: Handel op de keuzehendel van de beweging van de borstels (Pos. 7 Afbeelding 12) en breng de hendel naar de enkele conguratie (alleen centrale borstel actief, hendel omlaag) of de gecombineerde conguratie (alle borstels actief, hendel omhoog), zoals aangegeven in Afbeelding 33, pos. A. Schakel de centrale borstel in door de bedieningshendel van de borstel vooruit te duwen (Pos. 8 Afbeelding
12) zoals aangegeven in Afbeelding 33, pos. B. De borstel verplaatst zich omlaag en begint de reiniging.
Gebruik de vooruitversnelling van de veegwagen (par. 8.4) om de te reinigen gebieden te bereiken. Om de borstel uit te schakelen: Trek de bedieningshendel van de borstel achteruit (Pos. 8 Afbeelding 12) zoals aangegeven in Afbeelding 33, pos. C. De borstel stijgt vanaf het oppervlak. Handel op de keuzehendel van de beweging van de borstels (Pos. 7 Afbeelding 12) en verplaats hem naar de middelste stand (borstels uitgeschakeld), zoals aangegeven in Afbeelding 33, pos. D.276 Afbeelding 33 8.10. ZIJDELINGSE BORSTEL Om bij gestarte motor de zijdelingse borstel te activeren: Handel op de keuzehendel van de beweging van de borstels (Pos. 7 Afbeelding 12) en breng hem naar de stand van de gecombineerde conguratie (alle borstels actief, hendel omhoog), zoals aangegeven in Afbeelding 34, pos. A. Schakel de zijdelingse borstel in met de schakelaar van de zijdelingse borstel (Pos. 10 Afbeelding 12) zoals aangegeven in Afbeelding 34, pos. B. De borstel beweegt omlaag naar het oppervlak. Regel eventueel de rotatiesnelheid door middel van de hendel van de rotatiesnelheid (Pos. 11 Afbeelding
12) ; verplaats de hendel omlaag voor een hogere rotatiesnelheid en omhoog voor een lagere rotatiesnelheid
(Afbeelding 34, pos. C). Om de borstel uit te schakelen: Schakel de zijdelingse borstel uit door middel van de schakelaar (Part. 10 Afbeelding 12) zoals aangegeven in Afbeelding 34, pos. D. De borstel verplaatst zich omhoog. Verminder de rotatiesnelheid eventueel met de hendel van de rotatiesnelheid (Pos. 11 Afbeelding 12) door deze omhoog te verplaatsen (Afbeelding 34, pos. E). Handel op de keuzehendel van de beweging van de borstels (Pos. 7 Afbeelding 12) en breng hem naar de middelste stand (alle borstels uitgeschakeld), zoals aangegeven in Afbeelding 34, pos. F. Afbeelding 34 8.11. OPZUIGEN Om, bij gestarte motor of bij alleen actief elektrische systeem, de functie zuigen in- of uit te schakelen, moet gehandeld worden op de betreende schakelaar (Pos. 12 Afbeelding 12, en Afbeelding 35). Afbeelding 35 8.12. FILTERSCHUDDER Om, bij gestarte motor of bij alleen actief elektrische systeem, de lterschudder te activeren, moet gehandeld worden op de betreende schakelaar (Pos. 13 Afbeelding 12) door deze gedurende de gewenste tijd naar de instabiele stand te drukken en hem vervolgens los te laten om de schudder uit te schakelen (Afbeelding 36). Afbeelding 36277 8.13. LEDIGING AFVALBAK Om bij gestarte motor de afvalbak te ledigen: Sluit de ap van de bak met de betreende bedieningshendel (Pos. 15 Afbeelding 12), zoals aangegeven in venster A in Afbeelding 37. Het lampje op de signaalinrichting (nr. 4 Afbeelding 18) gaat branden om de handeling te bevestigen. Verplaats de afvalbak omhoog door de bedieningshendel (Pos. 14 Afbeelding 12) omlaag te verplaatsen en in deze stand te houden tot de bak de gewenste positie bereikt (B, Afbeelding 37). Open de ap van de bak door de hendel omhoog te verplaatsen zodat het afval op de gewenste plaat wordt vrijgegeven (C, Afbeelding 37). Het lampje op de signaalinrichting (nr. 4 Afbeelding 18) gaat uit. Afbeelding 37 Om na de lediging terug te keren naar de oorspronkelijke conguratie, volstaat het om de bedieningshendel van de bak omhoog te verplaatsen (Afbeelding 38). De ap van de bak bevindt zich zo in de geopende stand, voor het starten van de reinigingswerkzaamheden. Afbeelding 38 BELANGRIJK: zorg ervoor dat de ap gesloten is tijdens de stijging van de bak en tijdens het rijden zonder reiniging, om te voorkomen dat er afval uit de bak ontsnapt. Zorg er ook voor dat de ap tijdens de reinigingswerkzaamheden open is, zodat het afval in de bak kan worden verzameld.
De operator behoeft, naast de informatie van deze handleiding, geen verdere specieke opleiding met betrekking tot de verschillende fasen voor de afstelling van de veegwagen.
9.2. REGELING INVALSHOEK CENTRALE BORSTEL
Wanneer de centrale borstel (Pos. 1 Afbeelding 39) slijt en dientengevolge minder eciënt is, kan de hoogte ervan worden aangepast door de knop (Pos. 9 Afbeelding 12) los te draaien en vooruit te verplaatsen om de borstel te laten zakken en de invalshoek ervan op het te reinigen oppervlak te verhogen (2, Afbeelding 39). Pas aan tot de functionerende borstel in de lage stand een streep van 3-5 cm op de vloer achterlaat (Afbeelding 40). Nadat de gewenste invalshoek wordt bereikt, moet de knop worden vastgedraaid om hem te blokkeren. Afbeelding 39 Om te controleren of de centrale borstel correct is afgesteld, moet als volgt het “traject” ervan gemeten worden:
1. Activeer de centrale borstel, na de afstellingen, en laat hem gedurende ten minste 10/15 seconden
functioneren op hetzelfde punt, zonder voor- of achteruit te rijden. Verplaats de centrale borstel omhoog en verplaats de veegwagen, tot op de vloer het spoor van de draaiende centrale borstel zichtbaar is, zoals aangegeven in Afbeelding 40. Afbeelding 40
9.3. REGELING INVALSHOEK ZIJDELINGSE BORSTEL
HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ AFGEZETTE MOTOR EN UITGESCHAKELD ELEKTRISCH SYSTEEM. Als de zijdelingse borstel slijt of als de invalshoek ervan op het oppervlak moet worden aangepast: Handel op de schroef (Pos. 1 Afbeelding 41) om de hoogte van de borstel aan te passen. Hoe lager de schroef, hoe lager de borstel. Na het bereiken van de gewenste hoogte moet de positie geblokkeerd worden door de ringmoer vast te draaien (Pos. 2 Afbeelding 41)279 Afbeelding 41 OPMERKING: verwijder, indien nodig, de afscherming van de zijdelingse borstel (Pos. 3 Afbeelding 41) en plaats haar terug aan het einde van de afstelling.
DEFINITIE: De niet-elimineerbare restrisico’s zijn de risico’s die om verschillende redenen niet kunnen worden weggenomen. Voor elk van deze risico’s vermelden we hier de aanwijzingen om maximaal veilig te kunnen werken.
- Risico op verwonding van de handen, het lichaam en de ogen, als de machine wordt gebruikt zonder dat alle veiligheidsafschermingen correct gemonteerd en intact zijn.
- Risico op verwonding van de handen als om enige reden de zijdelingse of de centrale borstel tijdens de rotatie wordt aangeraakt. De borstels mogen alleen bij afgezette motor worden aangeraakt en met gebruik van beschermende handschoenen, om verwonding door eventueel in de borstelharen aanwezige scherpe splinters van puin te voorkomen.
- Risico op inademing van schadelijke stoen, schuurwonden van de handen, als de lediging van de afvalbak wordt verricht zonder gebruik van beschermende handschoenen en een masker ter bescherming van de luchtwegen. Risico op verlies van controle over de machine als deze wordt gebruikt op oppervlakken met een grotere hellingshoek dan staat aangegeven in de paragrafen 3.10 en 5.1, of als ze niet geblokkeerd wordt in de geparkeerde stand. Risico op explosies of brand als getankt wordt bij draaiende motor of afgezette, maar niet volledig afgekoelde motor. Risico op ernstige brandwonden als er onderhoud wordt verricht bij draaiende motor of afgezette, maar niet volledig afgekoelde motor. Risico op inademing van uitlaatgassen in geval van gebruik in een onvoldoende geventileerde omgeving. 10.2. ALGEMENE RISICO’S VAN DE LOODZUURACCU’S
- Controleer, alvorens de accu’s op te laden, of de omgeving goed geventileerd is of laad anders op in ruimten die voor dat doel zijn uitgerust.
- Rook niet, benader geen open vuur, gebruik geen slijp- of lasapparaten; vermijd in ieder geval de aanwezigheid van vonken in de buurt van de accu’s.
- Vermijd om stroom te onttrekken aan de accu door middel van tanken, stopcontacten en tijdelijke contacten.
- Zorg ervoor dat alle aansluitingen (kabelschoenen, stopcontacten, stekkers, enz.) altijd goed zijn aangescherpt en in goede staat verkeren.
- Plaats geen metalen gereedschappen op de accu.
- Houd de accu schoon en droog, bij voorkeur met behulp van antistatische doeken.
- Vul de accu bij met gedestilleerd water als het elektrolytpeil naar 5 - 10 mm boven het spatscherm daalt.
- Vermijd overmatig te laden en handhaaf de temperatuur van de accu onder de 45°C.
- Handhaaf de eventuele systemen voor gecentraliseerd bijvullen altijd perfect eciënt door periodiek280 onderhoud te verrichten.
- Risico op elektrocutie en kortsluiting; om veiligheidsredenen moeten de +/- klemmen van de polen van de accu worden losgekoppeld voordat er handelingen voor onderhoud of reparatie aan de accu (of de machine) worden verricht.
- Risico op explosie tijdens het opladen; dit kan gebeuren als er wordt opgeladen met een niet-geschikte acculader (gebaseerd op de ampèrewaarde van de accu).
- Tijdens het opladen van de accu’s, of in ieder geval wanneer de stekker van de acculader is aangesloten, is het verboden om de machine in te schakelen of te verplaatsen (ook met de hand).
- In geval er per ongeluk om enige reden vloeistof uit de accu’s wordt gemorst, moet de gemorste vloeistof worden opgenomen met absorberend materiaal, met gebruik van zuurbestendige handschoenen en kleding, een veiligheidsbril en beschermingsmiddelen van de luchtwegen; raadpleeg de handleiding van de accu. 10.3. BESCHERMINGSMAATREGELEN
10.3.1. PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN (PBM)
Om veilig te kunnen handelen tijdens de werkzaamheden voor onderhoud, afstelling, inspectie en reiniging van de veegwagen, moet, naast de vermeldingen van de vorige paragrafen, gebruik worden gemaakt van de persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) die geschikt zijn voor het type risico dat zich kan voordoen. Zo zijn, met name voor de in deze handleiding beschreven onderhoudswerkzaamheden, noodzakelijk:
- Beveiligingsmiddelen van de luchtwegen. In geval de vloeistof van de accu per ongeluk wordt gemorst of als er per ongeluk gevaarlijk materiaal is verzameld, zijn noodzakelijk:
- FFP3-gezichtsmasker of van een hogere klasse;
- Tegen chemische risico’s beschermende kleding. Voor de werkzaamheden voor de reiniging van de veegwagen is verder geschikte werkkleding nodig, die aan het einde van de werkzaamheden gereinigd moet worden. Raadpleeg de handleiding van de motor voor verdere preventieve en beschermende maatregelen.
10.3.2. BESCHERMENDE MAATREGELEN VOOR DE LEDIGING VAN DE AFVALBAK
Tijdens de lediging van de afvalbak moet een voldoende veiligheidsafstand in acht worden genomen, afhankelijk van de afmetingen van de bak (Afbeelding 42). Afbeelding 42281 CONTROLEER DAT ER TIJDENS DE HANDELINGEN VOOR DE LEDIGING VAN DE AFVALBAK GEEN PERSONEN AANWEZIG ZIJN OP MINDER DAN 2 METER TOT DE VEEGWAGEN. CONTROLEER VERDER DAT ER VOLDOENDE RUIMTE BESCHIKBAAR IS OM BOTSINGEN, DIE DE VEEGWAGEN KUNNEN BESCHADIGEN EN DE WERKING ERVAN KUNNEN AANTASTEN, TE VOORKOMEN. INSTALLEER ALTIJD DE VEILIGHEIDSBALK, ZOALS AANGEGEVEN IN PARAGRAAF 4.4.1. OM DE ONBEDOELDE SLUITING VAN DE GEHEVEN AFVALBAK TE VOORKOMEN.
De stabiliteit van de machine tijdens het rijden en de reinigingswerkzaamheden wordt hoofdzakelijk gegarandeerd door de naleving van de maximale hellingswaarden (par. 3.10 en 5.1) en door de controle van het draagvermogen van het werkoppervlak dat in staat moet zijn het gewicht van de veegwagen, aangegeven op het typeplaatje, te dragen. De handeling voor lediging van de afvalbak en alle fasen voor onderhoud, afstelling, reiniging en inspectie moeten gebeuren op een vlakke en niet-hellende ondergrond die in staat is het gewicht van de veegwagen, aangegeven op het typeplaatje, te dragen. Om de noodzakelijke stabiliteit tijdens het parkeren van de machine te garanderen, moet de parkeerrem geactiveerd worden, zoals aangegeven in par. 8.7. In geval de machine niet op een vlakke ondergrond geparkeerd kan worden, moet gebruik worden gemaakt van wielkeggen. De stabiliteit bij geheven afvalbak, voor de handelingen voor inspectie, reiniging en onderhoud, wordt gegarandeerd door de veiligheidsbalk te plaatsen, zoals aangegeven in par. 4.4.1.
11.2. STABILITEIT TIJDENS HET TRANSPORT
Bij het transport en de verplaatsing van de veegwagen moet rekening worden gehouden met het gewicht dat staat aangegeven op het typeplaatje. Het heen van de veegwagen moet gebeuren zoals aangegeven in par. 6, terwijl de machine voor het transport verankerd moet worden. Daarvoor is het mogelijk om de voorziene bevestigingsgleuven te gebruiken (Afbeelding 43). Na de plaatsing moet de parkeerrem geactiveerd worden zoals aangegeven in par. 8.7, waarnaast eventueel ook gebruik kan worden gemaakt van geschikte wielkeggen. Afbeelding 43282
KAPITTEL 12 - TRANSPORT, VERPLAATSING EN BUITENDIENSTSTELLING
12.1. BUITENDIENSTSTELLING HANDELIND DIE MOETEN WORDEN VERRICHT BIJ AFGEZETTE EN AFGEKOELDE MOTOR. De buitendienststelling van de veegwagen moet worden verricht volgens de volgende stappen:
- Verwijder de accu uit zijn houder en bewaar hem op een droge en goed geventileerde plaats. Voor een goede levensduur moet de accu om de 30/40 dagen worden opgeladen en eventueel worden bijgevuld met gedestilleerd water (zuuraccu’s).
- Reinig de stolters en de afvalbak.
- Sluit de kraan van de brandstoftank. Raadpleeg de handleiding van de motor voor meer informatie over de buitendienststelling van de motor.
12.2. VERPAKKING, HEFFEN EN TRANSPORT
In geval de machine verpakt moet worden, moet(en) de zijdelingse borstel(s) gedemonteerd worden zoals beschreven in paragraaf 14.5 Hef de veegwagen vervolgens en plaats hem op een geschikte pallet, met gebruik van hefmiddelen die geschikt zijn voor het gewicht van de veegwagen zoals aangegeven op het typeplaatje, of met gebruik van hefplatforms. Gebruik voor het heen de hijsogen (par 6, Afbeelding 27). Neem de aanwijzingen van paragraaf 6 in acht, voor wat betreft het heen van de machine, en van paragraaf
11.2 voor het transport ervan.
KAPITTEL 13 - NOODSITUATIES
13.1. NOODSITUATIES In noodsituaties die zich kunnen voordoen, zoals bijvoorbeeld:
- er is per ongeluk met de functionerende machine over stroomkabels op de vloer gereden, die zich vervolgens om de centrale of zijdelingse borstel hebben gewikkeld,
- er wordt een ongewoon geluid waargenomen afkomstig uit de machine of de motor,
- er zijn gloeiende materialen of ontvlambare vloeistoen, chemische stoen in het algemeen, gis, enz. verzameld. moet als volgt gehandeld worden: Als de motor draait, verricht dan de noodstop zoals beschreven in paragraaf 8.8. Activeer de parkeerrem zoals beschreven in paragraaf 8.7 Ga weg van de machine Roep onmiddellijk hulp in als er andere personen bij betrokken zijn. Raadpleeg de handleiding van de motor voor meer informatie over de procedures die in noodgevallen moeten worden toegepast.
13.2. START NA EEN NOODSITUATIE
Voordat de machine na een verholpen noodsituatie opnieuw wordt gebruikt, moeten alle onderdelen van de machine gecontroleerd worden (par. 3), met bijzondere aandacht voor de afschermingen en veiligheidsvoorzieningen. Het normale gebruik van de veegwagen mag alleen worden hervat als deze controles een positief resultaat hebben gehad (alle onderdelen intact en functionerend). Er zijn geen resetprocedures voorzien. Raadpleeg de handleiding van de motor voor meer informatie over de start van de motor na een noodsituatie.283
De operator behoeft, naast de informatie van deze handleiding en van die van de motor, geen verdere specieke opleiding met betrekking tot het onderhoud en de reiniging van de veegwagen. 14.3. STOFAFDICHTINGEN HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ AFGEZETTE EN AFGEKOELDE MOTOR EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN. Controleer om de 70/100 bedrijfsuren de conditie van de stofafdichtingen Pos. 1-7 Afbeelding 44 en vervang ze, indien nodig. Voor de vervanging van de stofafdichtingen: Draai de schroeven van de bevestigingsplaat van de afdichting los Pos. 1-7 Afbeelding 44; Verwijder de versleten afdichting en vervang haar door een nieuw exemplaar; Draai de schroeven van de bevestigingsplaat van de afdichting weer vast Pos. 1-7 Afbeelding 44. Afbeelding 44284 14.4. CENTRALE BORSTEL HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ AFGEZETTE EN AFGEKOELDE MOTOR EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN. VERRICHT DE INSPECTIE PAS NA DE VEILIGHEIDSBALK TE HEBBEN AANGEBRACHT (PAR. 4.4.1). Controleer om de 50/80 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, de goede staat van de centrale borstel (Pos. 2 Afbeelding 3 par.3.4), en met name als vermoed wordt dat de borstel touwen, draden, enz. heeft aangeraakt. Voor de inspectie van de centrale borstel:
1. verplaats de afvalbak omhoog en schakel vervolgens de motor en het elektrische systeem uit.
installeer de veiligheidsbalk (par. 4.4.1) verricht de inspectie. Afbeelding 45 In geval de centrale borstel vervangen moet worden: Open het zijdelingse luik aan de rechterkant (Pos. 1 Afbeelding 45) Demonteer de stop van de ap aan de rechterkant (Pos. 2 Afbeelding 45) Verplaats de ap (Pos. 3 Afbeelding 45) Verwijder de schroef (Pos. 4 Afbeelding 45) Verwijder de draagarm (Pos. 5 Afbeelding 45) Verwijder de oude borstel (Pos. 6 Afbeelding 45) Om de montage te voltooien, moeten de beschreven handelingen in omgekeerde volgorde worden uitgevoerd, waarbij moet worden opgelet dat de borstel correct wordt ingeklemd (Afbeelding 46). Verricht de hoogteregeling van de nieuwe borstel, zoals beschreven in paragraaf 9.2. Afbeelding 46285 CONTROLEER OF DE VEILIGHEIDSBALK IS VERWIJDERD ALVORENS DE AFVALBAK OMLAAG TE VERPLAATSEN. 14.5. ZIJDELINGSE BORSTEL HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ AFGEZETTE EN AFGEKOELDE MOTOR EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN. Controleer om de 50/80 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, de goede staat van de zijdelingse borstel (Pos. 1 Afbeelding 3 par.3.3), en met name als vermoed wordt dat de borstel touwen, draden, enz. heeft aangeraakt. In geval de borstel vervangen moet worden: Verplaats de zijdelingse borstel omhoog (par. 8.10) Draai de ringmoer los Pos. 1 Afbeelding 47 om de zijdelingse borstel te kunnen verwijderen Pos. 2 Afbeelding 47 van de plastic ens Vervang de versleten borstel door een nieuwe borstel die op de ens geplaatst moet worden; draai de ringmoer vast om de borstel te blokkeren en pas de hoogte ervan aan zoals beschreven in par. 9.3 Afbeelding 47
14.6. SPECIFIEK ONDERHOUD VOOR VERBRANDINGSMOTOREN
Raadpleeg de handleiding van de motor voor meer informatie over het onderhoud van de motor en de betreende veiligheidsmaatregelen die tijdens de handeling moeten worden toegepast. Lees aandachtig de handleiding van de motor, en:
1. Controleer het motoroliepeil om de 20 bedrijfsuren van de machine;
2. De eerste olieverversing moet na 50 bedrijfsuren gebeuren: vul bij met de hoeveelheid aangegeven in
de handleiding van de motor. De olie aanbevolen voor gematigde klimaten is 10W-30 multi-grade voor benzine- en dieselmotoren. Wanneer er gewerkt wordt in gebieden die geen gematigd klimaat hebben, moet het geschikte type olie gecontroleerd worden in de handleiding van de motor. Gebruik voor de olieverversing de daarvoor bestemde aftapplug onder het carter.
3. Ververs de olie om de 90/100 bedrijfsuren.
4. Reinig het luchtlter om de 25 bedrijfsuren, of eerder indien noodzakelijk, en vervang het wanneer
1. Voor een lange levensduur van de accu’s, of ze nu platte of buisvormige platen bevatten, mogen ze nooit
volledig ontladen raken. VOLLEDIG ONTLADEN ACCU’S (OOK NIEUWE EXEMPLAREN) KUNNEN NIET MEER OPGELADEN WORDEN.
2. Controleer regelmatig het peil van de vloeistof in de accu en vul eventueel bij met gedestilleerd water.
3. Vermijd om de oplaadcyclus te onderbreken.
4. GEBRUIKTE ACCU’S MOETEN WORDEN AFGEVOERD IN OVEREENSTEMMING MET DE TOEPASSELIJKE
GELDENDE NORMEN. Raadpleeg de documentatie van de fabrikant van de accu’s voor meer informatie over hun onderhoud en de betreende veiligheidsmaatregelen die tijdens de handeling moeten worden toegepast.
14.8. REINIGING VAN DE MACHINE
De uitwendige delen van de machine moeten gereinigd worden met zachte en vochtige doeken of borstels. HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ AFGEZETTE EN AFGEKOELDE MOTOR EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN. HET IS NIET TOEGESTAAN OM ALLE UITWENDIGE DELEN VAN DE MACHINE MET EEN DIRECTE WATERSTRAAL TE REINIGEN. MAAK GEEN GEBRUK VAN AGRESSIEVE REINIGINGSMIDDELEN OF CHEMISCHE STOFFEN IN HET ALGEMEEN, SCHUREND POEDER EN DERGELIJKE VOOR DE REINGING VAN HET BEDIENINGSPANEEL EN DE GEBIEDEN MET ETIKETTEN OF BEDRUKTE DELEN, OM TE VOORKOMEN DAT ZE ONLEESBAAR WORDEN. 14.9. REINGING FILTERS HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ AFGEZETTE EN AFGEKOELDE MOTOR EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN. Controleer om de 200/300 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, het stolter (Pos. 1 par. 3.7). Voor een grondige reiniging moet het als volgt uit zijn zitting worden verwijderd: Open het deksel van het lter Pos. 1 Afbeelding 48; koppel de stekkers van de motoren voor afzuiging los Pos. 2 Afbeelding 48; til de steun van de motoren voor afzuiging op Pos. 3 Afbeelding 48; demonteer de kooi van de schudder Pos. 4 Afbeelding 48; demonteer het frame van het lter Pos. 5 Afbeelding 48; demonteer het lter Pos. 6 Afbeelding 48. til het lter op met een heftruck en zorg ervoor dat de afstand tussen de vorken overeenkomt met de afmeting van het lter (stel de vorken in op de correcte onderlinge afstand en blokkeer ze in deze stand) of met de hand, met minimaal 2 personen. Houd het lter vervolgens boven de grond geheven met behulp van een heftruck.287 Voor de reiniging moet het eerst geschud worden (niet te krachtig). Gebruik vervolgens voor de grondige reiniging een luchtpistool of iets dergelijks en blaas van buiten naar binnen, zoals aangegeven in Pos. 7 Afbeelding 48. Zorg er bij de hermontage voor dat de zwarte afdichting altijd goed geplaatst en gecentreerd wordt. Hermonteer het lter na de reiniging door de beschreven handelingen in omgekeerde volgorde uit te voeren. Controleer of het lter altijd in optimale staat verkeert en vervang het wanneer nodig. Afbeelding 48
14.10. REINIGING VAN DE AFVALBAK
HANDELING DIE MOET WORDEN VERRICHT BIJ AFGEZETTE EN AFGEKOELDE MOTOR EN MET GEBRUIK VAN HANDSCHOENEN, VEILIGHEIDSBRIL EN BESCHERMING VAN DE LUCHTWEGEN. ZORG ERVOOR DAT NIET BIJ DE HANDELINGEN BETROKKEN PERSONEN GEEN TOEGANG HEBBEN. Om de 200/300 bedrijfsuren, of wanneer dat nodig is, moet de afvalbak gereinigd worden. Aangeraden wordt om deze handeling gelijktijdig met de reiniging van de lters uit te voeren (par. 14.9). Ga als volgt te werk: Verplaats de afvalbak omlaag en open de ap. Schakel de veegwagen vervolgens uit (par. 8.6) Verwijder de lters zoals beschreven in paragraaf 14.9. Verwijder het eventueel in de bak aanwezige afval. Hermonteer de lters, na het voltooien van de handeling, zoals beschreven in paragraaf 14.9. BELANGRIJK: We raden ten strengste aan om de afvalbak zonder gebruik van water te reinigen. In geval het gebruik van water noodzakelijk is, moet de veegwagen volledig drogen alvorens de reinigingswerkzaamheden worden hervat.288
Voor de vervanging van onderdelen van de machine wordt verwezen naar de door de fabrikant verstrekte lijst van de reserveonderdelen.
In feite kunnen er twee soorten defecten optreden:
- de machine produceert stof tijdens het gebruik,
- de machine laat het bewerkte oppervlak vuil. Er zijn vele mogelijke oorzaken, die echter met een aandachtig gebruik en een goed gewoon onderhoud kunnen worden vermeden. De meest voorkomende problemen worden aangegeven in de onderstaande tabel.
DEFECTEN OORZAKEN OPLOSSINGEN
De machine produceert stof. Afzuiging gesloten. Activeer de afzuiging (par. 8.11) Filter verstopt. Reinig het filter, “schud” het met de daarvoor bestemde instrumenten of neem het uit en reinig het grondig, indien nodig. Filter beschadigd Vervang het filter. Onjuist geplaatst filter. Monteer het filter met de voorziene afdichting en controleer de correcte en strakke plaatsing met de daarvoor bestemde stops. Continu gebruik van de zijdelingse borstel. Gebruik de zijdelingse borstel alleen voor de reiniging van randen, profielen en hoeken. Zijdelingse afdichtingen beschadigd. Stel ze af of vervang ze. De machine laat het bewerkte oppervlak vuil. De centrale borstel is niet goed afgesteld of is versleten. Stel de centrale borstel af en controleer het “traject”. Er zijn draden, touwen, enz. om de borstel gewikkeld. Verwijder ze. Zijdelingse afdichtingen beschadigd. Vervang ze. Volle afvalbak. Ledig hem. De dieselmotor heeft geen optimale prestaties. Luchtfilter motor vuil. Reinig of vervang het (zie onderhoudshandleiding motor) Filterelement brandstof vuil. Vervang het (zie onderhoudshandleiding motor) De motor start niet of heeft de neiging uit te gaan De veiligheidsschakelaars van de stoel of de afschermingen zijn niet goed gesloten of functioneren niet. Sluit goed of vervang de schakelaar. Lege accu (ledlampje accu gaat niet branden bij de eerste klik van de contactsleutel) Vervang de accu of laad hem op. De dynamo laadt de accu niet op (ledlampje accu brandst bij draaiende motor; nr. 5, 6, Afbeelding 18, par.
Vervang/repareer de dynamo (zie onderhoudshandleiding motor) Controleer het motoroliepeil, dat altijd maximaal moet zijn Vul olie bij (zie onderhoudshandleiding motor) Controleer of de tank brandstof bevat Tank
KAPITTEL 19 - GARANTIE
Deze machine wordt gedurende 12 maanden na de datum van verkoop gegarandeerd tegen productie- of montagedefecten. De garantie omvat alleen en uitsluitend de vervanging of reparatie van de als defect herkende onderdelen. Elk ander type verzoek wordt niet aanvaard. De garantie omvat geen schade veroorzaakt door: normale slijtage, een gebruik in strijd met de beschrijvingen van deze handleiding, onjuiste afstellingen, onjuiste technische ingrepen, vandalisme.290291292
Notice-Facile