RR 2T 125 (2019) - Motorfiets Beta - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis RR 2T 125 (2019) Beta in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RR 2T 125 (2019) - Beta en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RR 2T 125 (2019) van het merk Beta.
GEBRUIKSAANWIJZING RR 2T 125 (2019) Beta
Dank u voor het gegeven vertrouwen en veel plezier. Wij willen u met dit boekje de nodige informatie geven voor een correct gebruik en een goed onderhoud van uw motor. BETAMOTOR S.p.A. behoudt zich het recht wijzigingen aan te brengen in de gegevens, de kenmerken en de weergegeven afbeeldingen in deze handleiding, evenals het bepalen van verbeteringen aan haar modellen op ieder moment en zonder een specifieke mededeling. Code 035.44.007.00.002
WAARSCHUWING Het wordt aanbevolen om na het eerste of tweede uur van gebruik op terrein alle bevestigingen te controleren, en in het bijzonder:
- controleer juiste bevestiging voetsteunen
- hendels/remklauwen/remschijven voor/achter
- controleer juiste bevestiging kunststofonderdelen
- spaken/schroefassen wielen
- kettingspanning WAARSCHUWING Richt u zich, indien er bewerkingen op het voertuig moeten wor- den uitgevoerd, tot de hulpdienst van Betamotor.INHOUD
Indicaties voor periodieke revisiewerkplaatsen .........................................845
- Het voertuig moet verplicht voorzien zijn van: nummerplaat, registratiedocument, keurmerk en verzekering.
- Wijzigingen aan de motor of andere onderdelen worden door de wet bestraft met strenge sancties, met inbegrip van de confiscatie van het voertuig.
- Rij behoedzaam om uw leven en dat van anderen te beschermen. Draag altijd een veiligheidshelm en houd altijd uw dimlichten aan.
- Blijf niet op het voertuig zitten wanneer de standaard uitgeklapt is.
- Start de motor niet in gesloten ruimten. LET OP: Wijzigingen en sabotage tijdens de garantieperiode stellen de Fabrikant vrij van alle aansprakelijkheid en laten de garantie vervallen. SYMBOLEN VEILIGHEID/AANDACHT Het niet respecteren van de aanduiding van dit symbool kan leiden tot gevaar voor de persoon.
INTEGRITEIT VAN HET VOERTUIG
Het niet respecteren van de aanduiding van dit symbool kan leiden tot serieuze schade aan het voertuig en het vervallen van de garantie.
GEVAAR BRANDBARE VLOEISTOF
Lees aandachtig de handleiding over gebruik en onderhoud.
GEBRUIK VAN BESCHERMENDE KLEDING VERPLICHT
Het gebruik van het voertuig is gebonden aan het gebruik van speciale bescher- mende kleding en veiligheidsschoenen. BESCHERMINGSHANDSCHOENEN VERPLICHT Om de beschreven handelingen uit te voeren, is het gebruik van beschermings- handschoenen verplicht
De vloeistoffen aangeduid met dit symbool zijn sterk bijtend: hanteren met zorg VERGIFTIGINGSGEVAAR6
- Respecteer de verkeersregels
- Draag altijd officieel erkende persoonlijke veiligheidsvoorzieningen
- De beschermbril altijd schoonhouden
- Niet rijden met breekbare of puntige voorwerpen in de zak
- De achteruitkijkspiegels goed afstellen
- Altijd zittend rijden, met beide handen aan het stuur en de voeten op de voetsteunen
- Niet gekoppeld aan andere voertuigen reizen
- Niet slepen of gesleept worden door andere voertuigen
- Houd altijd de veiligheidsafstanden
- Niet vertrekken met uitgeklapte standaard
- Steigeren, slalommen en schommelen is zeer gevaarlijk voor u, voor anderen en voor uw voertuig
- Gebruik op wegen vrij van grind of zand beide remmen; één alleen kan leiden tot gevaarlijk en oncontroleerbaar slippen
- Gebruik bij het remmen beide remmen om zo het voertuig met minder ruimte tot stilstand te brengen
- Rijd op natte wegen en op terrein voorzichtig en met een matige snelheid: gebruik de remmen met grotere gevoeligheid1 ALGEMENE INFORMATIE
GEGEVENS VOERTUIGINDICATIE VOERTUIG FRAMENUMMER Het framenummer A is gedrukt op het balhoofd van het stuur aan de rechterkant. MOTORIDENTIFICATIE De motoridentificatie B is gedrukt op de aangegeven plaats in de afbeelding. LEVERING De standaardkit bevat: handleiding voor gebruik en onderhoud, gereedschap set en bedradingsadapter voor aansluiting van de CAN-greep op een scan tool.
9 - Voetsteunen bestuurder
- Gegeven enkel geldig voor de versie EUROPA # WMTC cyclus gerelateerde waarden, voor de klasse L voertuigen Voeding .......................................................................... naar carburateur VersieRR 125 Europa RR 125Sproeier maximum 95 175Sproeier minimum 35 50Sproeier starter 50 85Naald N84I N0ZHPositie naald (van boven) 3° 3°Draaien luchtstroom (uit volledig gesloten) 1+1/2 2+1/41 ALGEMENE INFORMATIE
Voor een beter functioneren en een langere levensduur van het voertuig wordt aan- geraden om bij voorkeur de producten vermeld in de tabel te gebruiken: Opmerking: Voor het navullen en vervangen is het aanbevolen om de opgegeven tabel strikt na te volgen.
HOOFDELEMENTEN DOP BRANDSTOFTANK Ontkoppel de ventilatiebuis 1. Om de brandstoftank te openen, draai dop 2 tegen de klok in. Zet om de dop van de brandstoftank te sluiten deze op de sluiting en vastdraaien met de klok mee. BRANDSTOFKRAAN De brandstofkraan heeft drie standen: OFF: brandstoftoevoer gesloten. De brandstof kan niet van de tank naar de carburateur gaan. ON: brandstoftoevoer geopend. De brandstof gaat van de tank naar de carbu- rateur. De brandstoftank loopt leeg totdat het reserveniveau wordt bereikt. RES: toevoer van de reservebrandstof. De brandstof gaat van de tank naar de carburateur; de tank loopt volledig leeg.
KOPPELINGSHENDEL De koppelingshendel is gemonteerd aan de linkerkant van het stuur. STARTER De startershendel bevindt zich bij de carburateur. De starter naar boven duwen om te ac- tiveren.2
SCHAKELAAR LINKS De verlichting en bediening van de scha- kelaar bevindt zich aan de linkerkant van het stuur en is opgebouwd uit:
2 - Verlichtingsschakelaar:
verlichting en groot licht aan; verlichting en dimlicht aan;
Schakelaar richtingsverlichting: door de hendel naar links of rechts te verschuiven worden de richtingaanwijzers links of rechts geactiveerd; de hendel verplaatst zich weer terug naar het midden, om zo de richtingaanwijzers weer uit te kunnen schakelen. SCHAKELAAR RECHTS Met knop 5 wordt de motor uitgeschakeld.
HENDEL VOORREM EN GAS
De voorremhendel A en de gashendel B zijn op de rechterkant van het stuur gemonteerd.
VERSNELLINGSPOOK De versnellingspook is gemonteerd aan de linkerkant van de motor. De positie van de versnellingsbak is aangegeven in de figuur. REMPEDAAL Het rempedaal is gepositioneerd voor de rechter voetsteun. Door het pedaal naar beneden te duwen, wordt de achterrem activeert. STANDAARD Druk de standaard met de voet op de grond en laat deze de motor dragen. Zorg ervoor dat de grond stevig is en de positie stabiel. KICKSTARTPEDAAL Het kickstartpedaal is gemonteerd aan de rechterkant van de motor. Het bovenste deel is verstelbaar.
STUURSLOT Om het stuurslot in te schakelen: - draai het stuur tegen de klok in; - druk de sleutel in en draai deze tegen de klok in; Haal vanuit deze stand de sleutel eruit. Om het stuurslot uit te schakelen: - draai de sleutel met de klok mee; - draai het stuur met de klok mee; Vanuit deze stand kan het stuur vrij bewo- gen worden en kan de sleutel eruit worden gehaald. LET OP: niet de reservesleutel bij de motor laten, maar op een veilige plaats bewaren. Wij raden aan om het serienummer dat is afgedrukt op de sleutel te noteren, om zo eventueel een duplicaat aan te kunnen vragen. SLEUTELS Het voertuig wordt geleverd met twee sleutels (één als reserve). Wanneer u met de motor op ruw terrein rijdt, kunt u de standaard met een rubberen elastiek extra vastzetten.2
Inhoud 1 Algemene informatie 2 Werkingsomstandigheden 3 Algemene kenmerken
3.2.11 Tabel knopfuncties
4 Knoopcelbatterij 1 ALGEMENE INFORMATIE Het dashboard bevat drie hoofdonderdelen: - Lcd-scherm voor het bekijken van alle nodige informatie - 2 knoppen - Knoopcelbatterij 2 WERKINGSOMSTANDIGHEDEN Voedingsspanning: van 10 tot 16V Minimale vereiste spanning zonder verlies van gegevens: 6.5V2
Het dashboard voert een activatieprocedure uit wanneer deze is ingeschakeld. Er zijn drie verschillende handelingen mogelijk die leiden tot activatie van het dashboard. De startprocedure bestaat uit het inschakelen van de controlelampjes en de lcd-achter- grondverlichting, die gedurende 2 seconden alle segmenten verlicht zal weergeven. Na de startprocedure zal het dashboard gedurende 30 seconden aanblijven, en vervolgens uitschakelen als er geen handelingen zijn verricht, zoals knoppen, signaal van de snelheidssensor of het aanzetten van de motor.
3.1.1 ACTIVERINGSHANDELINGEN
3.1.1.1 Energievoorziening van de ingeschakelde motor (draaiende motor)
Wanneer de energievoorziening van het dashboard is geactiveerd (bijv. als de motor wordt aangezet), voert het dashboard het normale activeringsproces uit en blijft de motor draaien.
3.1.1.2 Rotatie van de wielen
Als de motor een snelheidsimpuls genereert, is het dashboard ingeschakeld om het normale activeringsproces uit te voeren. Na de procedure zal het dashboard de ‘‘normale‘‘ werkingsmodus tonen en zal deze uitschakelen na 30 seconden als er geen nieuwe snelheidsimpulsen worden ontvangen.
3.1.1.3 Druk op de knoppen
Als één of beide knoppen wordt ingedrukt, zal het dashboard geactiveerd worden en zal het activeringsproces worden uitgevoerd. Na de procedure zal het dashboard de ‘‘normale‘‘ werkingsmodus tonen en zal deze uitschakelen na 30 seconden als er geen nieuwe snelheidsimpulsen worden ontvangen.
Het dashboard is uitgerust met een lcd-scherm waarop de volgende informatie verschijnt. - Snelheid - Voedingsstaat elektrische installatie - Kilometerteller (afstand of gebruikstijd) - Gedeelten TOTAL-A-B (afstand of gebruikstijd) - Klok Elk van deze informatie wordt onafhankelijk bijgewerkt, met een verschillende bij- werkfrequentie afhankelijk van het soort informatie en haar veranderlijkheid.2
Elk van de volgende informatie die wordt weergegeven op het lcd-display wordt onafhankelijk bijgewerkt, met een verschillende bijwerkfrequentie afhankelijk van het soort informatie en haar veranderlijkheid.
Het dashboard berekent en toont de snelheid van de motor op het lcd-scherm. Informatie over de snelheid wordt verkregen via: speciale digitale input voor het meten van de gemeten frequentie van de snelheids- sensor.
3.2.2.1 Configuratie van de digitale input snelheidssensor
Configuratie van parameters voor het lezen van de impulsen en het weergeven van de snelheid. Weergegeven meeteenheid: [km/u of mph] Indicatie van de minimumsnelheid: [5 km/u] Toegestane afwijking snelheidsmeter: [5 %] Wielparameters:
- De wielomtrek kan gekozen worden tussen 2 waarden:
3.2.2.2 Lcd-snelheid
De snelheid en de relatieve maateenheid (km/u of mph) zijn altijd zichtbaar. Weergegeven bereik km/u: van 0 tot 199 km/u. Weergegeven bereik mph: van 0 tot 199 mph. Elke eerste 0 wordt niet weergegeven. De afbeeldingen hieronder laten de indicatie van de weergegeven snelheid in km/u en mph zien:2
Het dashboard geeft de kilometerteller weer op het lcd-scherm. Deze optie kan worden weergegeven door te bladeren met behulp van de “MODE”- knop. De 6-cijferige indicator en het symbool “ODO” worden verlicht. Elke eventuele eerste 0 wordt weergegeven. Het bereik van de indicator loopt van 000000 tot 999999 kilometers of mijlen. Als de afgelegde afstand groter is dan 999999 km (ml), zal de indicator 999999 blijven tonen. Minimale maateenheid: 1 kilometer of mijl.
Het dashboard biedt twee gedeeltes, weergegeven op het lcd-display. Deze optie kan worden weergegeven door te bladeren met behulp van de “MODE”- knop op het dashboard. 4-cijferige indicator (3 cijfers + decimaalteken + 1 cijfer); symbool “TRIP” met een “A” verschijnt aan de rechterkant. Elke eerste 0 wordt niet weergegeven. Weergegeven bereik van 0.0 tot 999.9 km of mijl. De teller Gedeelte A telt van 0 tot 999.9, en begint vervolgens weer bij 0 om te kunnen blijven tellen. Minimale maateenheid: 0.1 km of mijl. Houd om het Gedeelte A op nul te stellen de “SET”-knop voor langer dan 2 secon- den ingedrukt. Het gedeelte A geeft de gedeeltelijke rijtijd A weer door de “SET”-knop voor minder dan 2 seconden ingedrukt te houden. De reistijd wordt weergegeven in het aantal uren in decimale notatie. Bijvoorbeeld, voor 30 minuten reistijd wordt 0.5 weerge- geven, voor 1u en 20 min. wordt 1.3 aangeduid, etc.2
Deze optie kan worden weergegeven door te bladeren met behulp van de “MODE”- knop op het dashboard. 4-cijferige indicator (3 cijfers + decimaalteken + 1 cijfer); symbool “TRIP” met een “B” verschijnt aan de Elke eerste 0 wordt niet weergegeven. Weergegeven bereik van 0.0 tot 999.9 km of mijl. De teller Gedeelte B telt van 0 tot 999.9, en begint vervolgens weer bij 0 om te kunnen blijven tellen. Minimale maateenheid: 0.1 km of mijl. Houd om het Gedeelte B op nul te stellen de “SET”-knop voor langer dan 2 secon- den ingedrukt. Door de “SET”-knop minder dan 2 seconden ingedrukt te houden, geeft het Gedeelte B de gedeeltelijke rijtijd B weer. De reistijd wordt weergegeven in het aantal uren in decimale notatie. Bijvoorbeeld, voor 30 minuten reistijd wordt 0.5 weergegeven, voor 1u en 20 min. wordt 1.3 aangeduid, etc.
Het dashboard is uitgerust met een klok, die wordt weergegeven op het lcd-display. De tijd wordt verkregen van een kwartskristal en wordt bewaard in het geheugen totdat het dashboard wordt aangesloten op de interne knoopcelbatterij. Indeling klok 24h u als de maateenheid wordt ingesteld op km 12h u als de maateenheid wordt ingesteld op mi2
Het dashboard geeft de rijtijd weer op het lcd-scherm. De tijd wordt verkregen van een kwartskristal en wordt door middel van een knop is opgeslagen. Wanneer de motor wordt aangezet, wordt de rijtijd op nul gesteld.
3.2.8 INSTELLEN MAATEENHEID
Het dashboard biedt de mogelijkheid om de meeteenheid voor het meten van afstanden te wijzigen.
3.2.9 INSTELLEN WIELOMTREK
Het dashboard biedt de mogelijkheid om de wielomtrek te selecteren door te kiezen tussen twee vooraf ingestelde waarden: 2100mm (enduro) 1811mm De wielomtrek wordt opgeslagen door de knoppen “MODE” en “SET” langer dan 2 seconden ingedrukt te houden. De indicatie “Saved” verschijnt gedurende 1 seconde op het scherm.2
Het dashboard toont het spanningsniveau van het vermogen. Correlatie tussen de indicatiestreepjes en het spanningsniveau: Streepjes Spanning [V] Streepjes Spanning [V]
Het niveau wordt elke 30 seconden bijgewerkt. Iedere bijwerking geeft een stijging of daling van 1 streepje weer. LET OP: Als het opschrift “HIGH” verschijnt met de indicator die knippert, zet de motor en neem contact op met een geautori- seerde BETAMOTOR-dealer.
3.2.11 TABEL KNOPFUNCTIES
Modus Snelheid Functie Knop Tijd (sec) Handeling ODO MODE <2 TOTAL- TRIPA - TRIPB - TOTAL SET <2 Rijtijd-km - Rijtijd 0 Klokmodus MODE&SET >2 Klokmodus 0 Wielomvang MODE >10 Wielomtrekmodus 0 SET >10 Km/h - mph - Km/h TRIPA MODE <2 TRIPA - TRIPB - ODO - TRIPA SET <2 Rijtijd-km - Rijtijd SET >2 Resetten Ged. A en rijtijd 0 Klokmodus MODE&SET >2 Klokmodus TRIPB MODE <2 TRIPB - ODO - TRIPA - TRIPB SET <2 Rijtijd-km - Rijtijd SET >2 Resetten Ged. B en rijtijd 0 Klokmodus MODE&SET >2 Klokmodus2
Modus Snelheid Functie Knop Tijd (sec) Handeling CLOCK MODE 0 In input instelling klokmodus MODE <2 Verhoogt de cijfers in uren MODE >2 Verhoogt snel de cijfers in uren SET <2 Verhoogt de cijfers in mi- nuten SET >2 Verhoogt snel de cijfers in minuten MODE&SET >2 Sluit instellingsmodus van de klok en slaat de ingestelde tijd op NO ACTION >10 Sluit automatisch zonder op te slaan Modus Snelheid Functie Knop Tijd (sec) Handeling WHEEL LENGTH 0 In input instelling wielomtrek MODE <2 Verander omtrek 2100 -
MODE&SET >2 Sluit de instelling voor de wielomtrek en slaat de ingestelde waarde op NO ACTION >10 Sluit automatisch zonder op te slaan MODE SET2
Vermogen van +12V wordt alleen geleverd aan het dashboard wanneer het voertuig wordt gestart (regulerende lijn) Knipperlichten Het systeem activeert het licht gelijktijdig met de activering van de richtingaanwijzers. Groot licht Het systeem activeert het licht gelijktijdig met de activering van het groot licht. MIL-controlelampje (defect besturingssysteem motor) Geeft een defect aan in het besturingssysteem van de motor. Neem zo spoedig mogelijk contact op met een geautoriseerde Betamotor-dealer, in geval van een langdurige inschakeling. 4 KNOOPCELBATTERIJ Het dashboard bevat een knoopcelbatterij (1) om de kloktijd op te slaan in het geheugen wanneer de motor uit staat. Type batterij: CR2032.
Voor veilig rijden en een lange levensduur van het voertuig wordt aangeraden om: 1 Alle vloeistofniveaus te controleren. 2 Een correcte werking van de remmen en remblokken te controleren (pag. 60). 3 De druk, algemene conditie en dikte van de trede te controleren (pag. 68). 4 De juiste spanning van de spaken te controleren. 5 De kettingspanning te controleren (pag. 69). 6 De afstelling en de goede werking van alle flexibele besturingskabels te controleren. 7 Schroeven en bouten in het algemeen na te lopen. 8 Bij een draaiende motor de werking van de koplampen, achterlicht, remlicht, rich- tingaanwijzers, controlelampjes en de claxon te controleren. 9 Het voertuig grondig te reinigen na gebruik op terrein (pag. 72). INRDEN Het inrijden duurt ongeveer 5 uur. Gedurende deze periode wordt aangeraden om: 1 De eerste toevoer uit te voeren met een brandstofmengsel tot 3%. 2 De olie vermeld in de tabel ‘‘Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 te gebruiken. 3 Tijdens de eerste 3 uur dat de motor draait mag maar tot 70% van haar potentie worden gebruikt. Bovendien mag de snelheid niet meer dan 11000 toeren per minuut zijn. 4 In de volgende 2 uren dat de motor draait kan tot 90% van haar potentie worden gebruikt. 5 Het voertuig te gebruiken na de motor goed te hebben laten opwarmen. 6 Te voorkomen op constante snelheid te rijden (door te variëren in snelheid zullen de verschillende onderdelen zich gelijkmatiger en in een korter tijdsbestek ordenen). Deze procedures moeten telkens worden herhaald wanneer zuiger, zuigerveren, cilinderblok, krukas of motoras worden vervangen. LET OP: Na de eerste 3 uur of 15 liter gemengde brandstof de versnellingsbakolie vervangen.2
BRANDSTOFTOEVOER Zie pag. 16 voor de brandstofspecificaties. Meng de brandstof met olie, volgens de percentages aan gegeven in de tabel. De olie vermeld in de tabel ‘‘Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 10 te gebruiken. RR 125 Europa RR 125 2% 2,5% De brandstoftankinhoud is terug te vinden op pag. 10. Voor het bijvullen, verwijder de dop van de brandstoftank (pag. 18). Na het bijvullen de dop erop plaatsen en stevig sluiten. LET OP: Het bijvullen wordt uitgevoerd met de motor uit. LET OP: Brandgevaar. De brandstof is licht ontvlambaar. Voer het bijvullen van het voertuig niet uit in de buurt van open vuur of aange- stoken sigaretten en zet altijd de motor uit. Niet bijvullen gedurende het gebruik van een mobiele telefoon. Het bijvullen uitvoeren op een open en goed geventileerde plaats. Let in het bijzonder op dat de brandstof niet in contact komt met warme delen van het voertuig. Maak eventuele sporen van gemorste brandstof direct schoon. WAARSCHUWING: Vergiftigingsgevaar. De brandstof is een giftige vloeistof, schadelijk voor de gezondheid. Voorkom dat de brandstof in aanraking komt met huid, ogen en kleding. Adem de brandstofdampen niet in. In het geval van aanraking met de ogen, onmid- dellijk spoelen met water en medische hulp inschakelen. In het geval van aanraking met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebie- den reinigen. In het geval van inslikken, onmiddellijk een arts inschakelen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de brandstof. WAARSCHUWING: Milieuvervuilingsgevaar. De brandstof mag niet in watervoerende lagen, de grond of het afvoersysteem terechtkomen.2
STARTEN MOTOR Zet de brandstoftankkraan op ON of RES (pag. 18). Controleer of de versnellingsbak in neutraal staat (pag. 21). Trek aan de koppelingshendel (pag. 19). Klap de standaard in (pag. 21). MET KICKSTARTPEDAAL (pag. 21): Het pedaal intrappen om de motor te starten door met de voet een flinke slag te geven. LET OP Zodra het pedaal ingetrapt is deze onmiddellijk loslaten. Dat voorkomt terugslag voor het hele startsysteem en de voet. ALS DE MOTOR KOUD IS: Zet de starter aan (pag. 19), start de motor zoals hierboven beschreven, wacht een paar seconden, en breng de starter dan terug in beginpositie. UITSCHAKELEN MOTOR Druk om de motor uit te schakelen op de aanwezige knop in de schakelaar groep (pag. 20). OPMERKING: Met de motor uit altijd de brandstofkraan op OFF zetten (pag. 18).36 NL3 AFSTELLINGEN
KOPPELING De schroeven van regelaar 6 maken de afstelling mogelijk van de afstand van hen- del 7 van het handvat. De speling wordt automatisch terug verkregen. REMMEN VOORREM De voorrem is van het schijftype met een hydraulische hendel. De positie van de hendel van rem 2 kan worden afgesteld door de schroeven van de regelaar 1 aan te passen. ACHTERREM De basispositie van rempedaal 3 kan worden gewijzigd met behulp van de borgmoer (gevestigd onder de stofkap
4) en het afstellen van de schroeven van
regelaar 5. Draai de borgmoer los en pas de schroeven van de regelaar aan om de gewenste hoogte in te stellen. Draai de borgmoer vast aan het einde van de bewerking
LEGENDA SYMBOLEN Aanscherping aanhaalmoment Schroefdraadborgmiddel gemiddelde sterkte Smeerolie
TOERENTAL De afstelling van het toerental beïnvloed sterk het starten op de juiste manier en de reactie van het gaspedaal. Het toerental wordt geregeld met de schroef van regelaar 1 en de schroef van luchtregelaar 2. Met de schroef van regelaar 1 wordt de basispositie van de gasklep geregeld. Door de schroef met de klok mee te draaien wordt de rotatiesnel- heid verhoogd, en vice versa verminderd. Met de schroef van regelaar 2 wordt de hoeveelheid lucht gemengd met brandstof op stationair toerental geregeld. Door de schroef tegen de klok in te draaien neemt de hoeveelheid lucht toe (mager meng- sel), terwijl met de klok mee draaien de hoeveelheid lucht doet verminderen (vet mengsel). GASHENDEL De gashendel moet altijd een speling van 3-5 mm hebben. Bovendien mag bij een draaiende motor het toerental niet vari- eren wanneer naar rechts of links wordt uitgeweken. Duw de beschermingskap 1 terug. Draai de borgmoer 2 los en draai in overeen- stemming aan de schroeven van regelaar
3. Draai de borgmoer vast en controleer
de vloeiende beweging van het handvat met gashendel.
Ga om correct de werking van het toerental in te stellen te werk zoals hierna be- schreven:
- Draaitotstagnerendeschroefvanluchtregelaar2 stevig vast en draai deze vervolgens los tot de waarde die wordt beschreven in de (pag. 12).
- Laatdemotorvoorongeveer5minutenopwarmentotdatdetemperatuurvanwerking wordt bereikt.
- Draailangzaamdeschroefvanluchtregelaar2 met de klok mee, totdat het stationaire toerental begint te dalen.
- Noteerdepositie;draaivervolgenslangzaamdeschroefvandeluchtregelaar2 tegen de klok in, totdat het stationair toerental weer zakt.
- Pasdeschroefaantussendezetweepositiesophetpuntvanhoogstestationairtoerental. Indien er gedurende de afstelling zoals hierboven beschreven een aanzienlijke stijging van het aantal toeren waarneembaar is, moet het stationaire toerental terug naar normaal niveau worden verlaagd, om daarna de stappen te volgen zoals hierboven beschreven. Als na het uitvoeren van de handeling hier geen bevredigende resultaten uit zijn gekomen, dan zou dat kunnen liggen aan een niet juiste minimale sproeier. Als de schroef van de luchtregelaar volledig is vast gedraaid, maar er geen verandering in het aantal toeren waarneembaar is, is het nodig om een klein beetje gas te geven en stoom te creëren. Probeer na het vervangen van de stoom opnieuw de afstellingsprocedure uit te voeren. OPMERKING: Het juiste stationaire toerental moet zich tussen de 1700-1800 toeren/min. bevinden.
CARBURATEUR INSTELLINGEN VOLGENS DE
ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN Zie de volgende tabellen om de carburateurinstellingen aan te passen volgens de omgevingstemperatuur en de hoogte. Legende: SLM Boven zeeniveau AVA Draaien luchtstroom (uit volledig gesloten) Gm Sproeier minimum SPL Naald POS Positie naald (van boven) GM Sproeier maximum VLV Ventiel Standaardinstellingen3 AFSTELLINGEN
De kleine brug 1 kan respectievelijk wor- den geplaatst in de gaten 2, 3 of 4. Haal de schroef weg zoals aangegeven in de figuur om de positie van de brug aan te passen. Verwijder het stuur. Verwijder de schroef 5. Plaats de brug volgens uw eigen behoef- ten. Plaats aan het einde van de handeling de schroef 5 terug na schroefdraadborgmid- del te hebben gebruikt en draai op het aangegeven aanhaalmoment vast. AFSTELLING BEDIENING PERSVENTIEL LET OP! Het voertuig is uitgerust met een afvoerklep waarvan de ontwikkeling is getest bij de laatste keuring van de motor. Pas in geen geval de positie van de schroef van regelaar 1 aan 1. Neem contact op met een geautoriseerde Betamotor-dealer voor een mogelijke aanpassing.
25Nm Plaats het stuur. Plaats de grote brug. Plaats de schroef 6 terug. Draai op het aangegeven aanhaalmoment vast.
AFSTELLING POSITIE STUUR
Het stuur kan worden aangepast door het heen en weer draaien. Draai schroef 1 los om het stuur aan te passen. Plaats het stuur volgens uw eigen behoef- ten. Draai op het aangegeven aanhaalmoment vast. AFSTELLING VOORVORK AFSTELLING TERUGVERINGSDEMPER De groep hydraulische terugveringsdemper bepaalt de werking van de voorvork tij- dens terugvering, en kan worden geregeld via de knop A. Door de schroef met de klok mee te draaien (richting de +) wordt de werking van de terugveringsdemper vergroot, terwijl tegen de klok in draaien (richting de -) de werking van de terugve- ringsdemper vermindert. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11.3 AFSTELLINGEN
AFSTELLING SCHOKDEMPER AFSTELLING HYDRAULISCHE TERUGVERINGSDEMPER Draai aan de schroef A om de hydrauli- sche terugveringsdemper af te stellen. Tegen de klok in draaien (losdraaien) vermindert de remming. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11. AFSTELLING COMPRESSIEDEMPER De groep hydraulische compressiedemper bepaalt de werking van de voorvork tij- dens compressie, en kan worden geregeld via de knop C bij het kleine uiteinde van de leest van de voorvork. Door met de klok mee te draaien (richting de +) wordt de werking van de compressiedemper vergroot, terwijl tegen de klok in draaien (richting de -) deze werking vermindert. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag.
AFSTELLING VEERVOORSPANNING Ringmoer B stelt de veervoorspanning in. Draai met de klok mee om de veervo- orspanning te vergroten, draai tegen de klok in om de veervoorspanning te verminderen. Voorspanning varieert met 1mm bij elke volledige omwenteling. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11.3 AFSTELLINGEN
AFSTELLING VEERVOORSPANNING Draai de borgmoer E los en draai de moer F met de klok mee om de veer- voorspanning te vergroten (en dus van de schokdemper); draai tegen de klok in om de veervoorspanning te verminderen. Draai na het verkrijgen van de gewenste voorspanning de borgmoer E tot stagneren vast op de moer van afstelling F. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11. Opmerking: gebruik voor het draaien van de bout de speciale moersleutel, meege- leverd in de gereedschapskit aangegeven in de afbeelding.
LAGE SNELHEID) Afstelling voor compressie bij lage snelheid:
Draai met behulp van een schroevendraaier schroef C met de klok mee los om de hy- draulische compressiedemper te vergroten. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11. Afstelling voor compressie bij hoge snelheid:
- Draai de knop D tegen de klok in om de hydraulische compressiedemper te verminderen. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11. LET OP: Door vanuit de standaardpositie de knop tegen de klok in te draaien (en zo te sluiten), zal de centrale schroef zal een eensgezinde beweging maken, derhalve deze gelijk aan de knop draait. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11.
CONTROLE COMPRESSIE STATISCHE DRUK Voor het controleren van de statische com- pressie van de schokdemper is het nodig:
De motor op de middenbok plaatsen.
De verticale afstand tussen de as van het achterwiel en een gekozen geschikt refe- rentiepunt in de achteropbouw te meten. - De hoogte H
te noteren. - De standaard in te klappen.
De motor in verticale positie te behouden en de nieuwe afstand tussen de wielas en het eerder gekozen referentiepunt te meten. - De hoogte H
te noteren. Controleer of de waarde van de statische compressie X = H
het gerapporteerde op pag. 11. Als dat niet het geval is, voer dan de afstelling van veervoorspan- ning uit zoals hierboven beschreven.
Hier worden de elastische coëfficiënten K van de veringen (voorvork en schokdem- per) gerapporteerd die indicatief zijn voor de verhouding tot het gewicht van de bestuurder. Raadpleeg voor de codes de Betamotor accessoirecatalogus. Voorvork Gewicht bestuurder [kg] K (elastische coëfficiënt vering)
VERSNELLINGSBAKOLIE NIVEAU CONTROLEREN Breng het voertuig in een verticale positie ten opzichte van de grond. Parkeer de motor op een vlakke en stabiele bodem. Verwijder de inspectiedop 1. Het oliepeil moet de onderste rand van de spindelcentrering bereiken. Als dit niet het geval is, ga dan over tot het bijvullen via de vuldop 2. LET OP: de inspectiedop dient ALLEEN om het ni- veau te controleren. Voor oliedrainage zie de paragraaf “Vervanging” op pag. 50. De olie vermeld in de tabel ‘‘Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. Om de handeling vlotter te laten verlo- pen, wordt aangeraden de veer 3 te verwijderen. LEGENDA SYMBOLEN Aanscherping aanhaalmoment Schroefdraadborgmiddel gemiddelde sterkte Smeerolie
Duw de remtang in het voertuig. Op die manier wordt de schroef 1 vrij- gegeven. Na de handeling, draai de schroef 1vast aan 10Nm en breng de veer 3 weer aan. LET OP! Na de handeling wordt de rempedaal herhaaldelijk ingetrapt om de achterste rem weer te kunnen gebruiken.
VERVANGING Voer altijd de vervanging uit als de motor warm is: - Parkeer de motor op een vlakke en sta- biele bodem. - Verwijder de motorbescherming door de schroeven los te draaien zoals aangege- ven in de figuur. - Plaats een vat onder de motor. LET OP: Hete olie kan ernstige brandwonden veroorzaken! - Draai de tapdoppen 1 en 2 los. - Laat de carter volledig leeglopen. - Plaats de dop 2 en sluit zoals aangege- ven. Vul met de hoeveelheid vloeistof aangege- ven op pag. 10. De olie vermeld in de tabel ‘‘Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. Sluit de tapdop 1. WAARSCHUWING: Gooi gebruikte olie weg overeenkomstig met de van kracht zijnde verordeningen.
KOELVLOEISTOF NIVEAU CONTROLEREN Breng het voertuig in een verticale positie ten opzichte van de grond. Het controleren van het niveau moet wor- den uitgevoerd als de motor koud is op de volgende manier: - Schroef de dop 1 los en zorg ervoor dat de vloeistof zichtbaar is in het onderste deel van de toevoerbuis. - In het geval de vloeistof niet zichtbaar is, draai de ontluchtingsplug 2 los en ga over tot bijvullen.
Plaats na de handeling te hebben uitgevoerd weer de tapdop en de ontluchtingsplug. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen“ gebruiken. LET OP: Draai nooit de tapdop van de radiator los als de motor warm is. Brandwondengevaar! LET OP: Draag geschikte beschermende kleding en beschermende hand- schoenen. Koelvloeistof buiten het bereik van kinderen houden. Laat de koelvloeistof niet in aanra- king komen met huid, ogen of kle- ding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de koelvloeistof. Ga in geval van inname van de koelvloei- stof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.
VERVANGING Parkeer de motor op een vlakke en stabiele bodem. De vervanging van de koelvloeistof moet worden uitgevoerd als de motor koud is. - Draai de dop 1 los. - Plaats een vat onder de schroef 2. - Draai de schroef 2 los. - Laat de vloeistof wegstromen. - Draai de schroef 2 vast door de speciale sluitring te plaatsen. - Draai de reinigingsschroef 3 los. - Ga over tot het vullen. Wanneer het vullen is voltooid, spoelt u de motorgroep door de schroef 4. Controleer het vloeistofniveau na het spoelen en vul indien nodig bij. - Herplaats de tapdop en de reinigings- schroef. De hoeveelheid vloeistof staat aangegeven op pag. 11.
De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: Draai nooit de tapdop van de radiator los als de motor warm is. Brandwon- dengevaar! LET OP: Draag geschikte beschermende kleding en beschermende hand- schoenen. Koelvloeistof buiten het bereik van kinderen houden. Laat de koelvloeistof niet in aanra- king komen met huid, ogen of kle- ding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de koelvloeistof. Ga in geval van inname van de koelvloei- stof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4
LET OP: Zet nooit de motor aan zonder luchtfilter. De infiltratie van stof en vuil kan leiden tot schade en aanzienlijke slijtage. LET OP: Controleer na iedere keer of er binnenin het filter geen enkel object is ach- tergebleven. Ga over tot het weer in elkaar zetten, door de handeling in omgekeerde volgorde uit te voeren. LUCHTFILTER Het is raadzaam om na iedere rit te con- troleren.
ONTKOPPELING EN MONTAGE
LUCHTFILTER Om toegang te krijgen tot het filter is het nodig:
- Het zadel te verwijderen (pag. 78).
- Maak de filterafdekking los (pag. 79).
- Maak de schroefbevestiging van filter 1 los
- Verwijder het luchtfilter 2 LET OP: Controleer na iedere keer of er bin- nenin het filter geen enkel object is achtergebleven. OPMERKING: Als het filter is beschadigd, ga dan direct over tot vervangen. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service-center.
BOUGIE Het behouden van de bougie in goede conditie draagt bij aan het verminderen van het verbruik van de motor en het optimaal functioneren. Voor toegang tot de bougie is het noodzakelijk om de volle brandstoftank van het luchtfilter te demonteren (pag. 79). Om de controle uit te voeren is het voldoende de dop van de bougie te halen en de bougie los te draaien, door de bijgeleverde sleutel te gebruiken. Maak grondig de elektroden schoon met behulp van een staalborstel. Blaas de bougie uit met perslucht om te voorkomen dat eventueel residu in de motor terecht kan komen. Controleer ook dat er zich geen scheuren bevinden op het isolatiemateriaal of de gecorrodeerde elektroden; in die gevallen onmiddellijk overgaan tot vervanging. Smeer de draad van de bougie in en draai (als de motor koud is) met vaste hand tot stagneren dicht, om daarna te vergrendelen met de sleutel. LET OP: Voer de controle niet uit als de motor warm is 0,5÷0,7 Onderzoek met een diktemeter de afstand tussen de elektroden, die tussen de 0,5- 0,7 mm zal moeten zijn. In het geval er niet aan deze waarde wordt voldaan, is het mogelijk deze te corrigeren door de aardelektrode te buigen. De bougie kan er als volgt uitzien: in het zwart met ‘‘vette‘‘ brandstof in het hazelnootbruin met gemengde brandstof in het wit met ‘‘magere‘‘ brandstof
REINIGING LUCHTFILTER - RR 125 EUROPA
Blaas het filter uit met perslucht.
REINIGING LUCHTFILTER - RR 125
- Was de filter zorgvuldig met water en zeep.
- Laat de filter drogen.
- Bevochtig de filter met specifieke olie en verwijder daarna de overtollige olie, zodat die niet druppelt.4
Wanneer het nodig is om de bak van de carburateur te legen, ga dan te werk zoals hieronder beschreven. Verwijder de kettingbescherming 1, sluit de brandstofkraan en plaats een doek onder de carburateur om de brandstof die eruit lekt te kunnen opvangen. Open de afvoerschroef 2 om de brand- stof te lozen. Sluit de afvoerschroef weer. Plaats de kettingbescherming weer en draai de schroef dicht op 10 nm. LET OP: Voer de handeling uit met een koude motor. LET OP: Brandgevaar! De brandstof is licht ontvlambaar. Voer de handeling niet uit in de buurt van open vuur of aangestoken sigaretten en zet altijd de motor uit. Het bijvullen uitvoeren op een open en goed geventileerde plaats. Maak eventuele sporen van ge- morste brandstof direct schoon.
WAARSCHUWING: Vergiftigingsgevaar! De brandstof is een giftige vloeistof, schadelijk voor de gezondheid. Draag geschikte beschermende kle- ding en beschermende handschoenen. Voorkom dat de brandstof in aanraking komt met huid, ogen en kleding. Adem de brandstofdampen niet in. In het geval van aanraking met de ogen, onmiddellijk spoelen met water en medische hulp in- schakelen. In het geval van aanraking met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. In het geval van inslikken, onmiddellijk een arts inschakelen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de brandstof. WAARSCHUWING: Milieuvervuilingsgevaar! De brandstof mag niet in watervoerende lagen, de grond of het afvoersysteem terechtkomen.
NIVEAU DRVER CONTROLEREN
Verwijder de carburateur van het voertuig na de procedure van het lozen van de bak van de carburateur te hebben gevolgd (pag. 56) Verwijder de bak van de carburateur. Houd de carburateur op ongeveer 60°, zo- dat de drijver het naaldventiel raakt zonder te hard te drukken. In deze positie zou de punt van de drijver ongeveer parallel moeten zijn aan de oppervlakteafdichting van de bak van de carburateur (zie illustratie). Als de hoogte van de drijver niet voldoet aan de nominale waarde, controleer dan het naaldventiel van de drijver en vervang deze indien nodig. Als het naaldventiel van de drijver in orde is, kan de hoogte van de drijver worden aangepast door de hendel van de drijver 1 om te buigen. Plaats de bak van de carburateur en de carburateur zelf en controleer het stationaire toerental. 60°
VOORREM VLOEISTOFNIVEAU VOORREM CONTROLEREN Controleer via het niveaulampje A de aan- wezigheid van remvloeistof. Het minimumni- veau van de vloeistof mag nooit minder zijn dan de verkregen referentie op het lampje. VLOEISTOF VOORREM BVULLEN Ga over tot bijvullen om het niveau weer te herstellen, door de twee schroeven 1 los te draaien, de deksel 2 op te heffen, en de remvloeistof tot 5 mm onder de bovenrand van het reservoir bij te vullen. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 60 gebruiken. LET OP: De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze hande- ling is het noodzakelijk bescher- mende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinde- ren houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.
VOORREM REINIGEN Ga voor een luchtreiniging van het voor- remcircuit als volgt te werk:
- Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
- Open de dop van het oliereservoir.
- Steek het ene uiteinde van een transpa- rant buisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
- Pomp 2/3 keer en houd de hendel ingedrukt.
- Schroef het ventiel los en laat de olie uit het buisje lopen.
Als in het buisje luchtbellen zichtbaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling tot- dat er geen continu lekken van olie meer is.
- Sluit het ventiel en laat de hendel los. OPMERKING: Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
- Verwijder het buisje.
- Herplaats de rubberen dop.
- Sluit de dop van het oliereservoir. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze handeling is het noodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.
2mm REMBLOKKEN VOORREM CONTROLEREN Om de slijtagestaat van de voorrem te controleren, is het genoeg om de knijper aan de onderkant te bekijken, waar het mogelijk is zicht te hebben op het uiteinde van de twee remblokken, die een remvoe- ringsdikte van ten minste 2 mm moeten tonen. In het geval de laag dunner is, onmiddellijk overgaan tot hun vervanging. Opmerking: De controle uitvoeren volgens de aange- geven tijden in de tabel op pag. 74. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center.
SCHFDIKTE REM CONTROLEREN
Controleert regelmatig de staat van de schijf. In het geval er tekenen van schade, strepen of vervormingen te zien zijn, overgaan tot vervanging. Controleer de schijfdikte. De minimale dikte is ingesne- den in de schijf. Overgaan tot vervanging van de remschijf als de limiet nabij of bereikt is. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center. MIN TH X,Ymm4
ACHTERREM VLOEISTOFNIVEAU ACHTERREM CONTROLEREN Controleer via het niveaulampje A de aanwezigheid van remvloeistof. Het mi- nimumniveau van de vloeistof mag nooit minder zijn dan de verkregen referentie op het lampje. VLOEISTOF ACHTERREM BVULLEN Om het niveau te herstellen, overgaan tot bijvullen via de tapdop 1. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze hande- ling is het noodzakelijk bescher- mende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinde- ren houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4
ACHTERREM REINIGEN Ga voor een luchtreiniging van het achter- remcircuit als volgt te werk:
- Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
- Open de dop van het oliereservoir.
- Steek het ene uiteinde van een transpa- rant buisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
- Pomp 2/3 keer en houd het pedaal ingedrukt.
- Schroef het ventiel los en laat de olie uit het buisje lopen.
- Als in het buisje luchtbellen zichtbaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling totdat er geen continu lekken van olie meer is.
- Sluit het ventiel en laat het pedaal los. OPMERKING: Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
- Verwijder het buisje.
- Herplaats de rubberen dop.
- Sluit de dop van het oliereservoir. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken.
LET OP: De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze handeling is het noodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4
REMBLOKKEN ACHTERREM CONTROLEREN Om de slijtagestaat van de achterrem te controleren, is het genoeg om de knijper aan de bovenkant te bekijken, waar het mogelijk is zicht te hebben op het uiteinde van de twee remblokken, die een remvoe- ringsdikte van ten minste 2 mm moeten tonen. In het geval de laag dunner is, onmiddellijk overgaan tot hun vervanging. Opmerking: De controle uitvoeren volgens de aange- geven tijden in de tabel op pag. 74. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center.
SCHFDIKTE REM CONTROLEREN
Controleert regelmatig de staat van de schijf. In het geval er tekenen van schade, strepen of vervormingen te zien zijn, overgaan tot vervanging. Controleer de schijfdikte. De minimale dikte is ingesne- den in de schijf. Overgaan tot vervanging van de remschijf als de limiet nabij of bereikt is. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center. 2mm MIN TH X,Ymm4
KOPPELINGSHENDEL NIVEAU CONTROLEREN Voor het controleren van het oliepeil van de koppelingspomp is het nodig de deksel 2 te verwijderen. Verwijder de twee schroeven 1 en haal de deksel 2 tegelijk met de rubberen blaasbalg weg. Met de koppelingspomp in horizontale positie zou het oliepeil zich op 5 mm boven de bovenrand moeten bevinden. Overgaan tot bijvullen in het geval het ni- veau lager zou zijn dan hier aangegeven. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: De koppelingsvloeistof is zeer cor- rosief, let daarom op geen enkele druppel te laten vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig.. Voor het uitvoeren van deze hande- ling is het noodzakelijk bescher- mende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinde- ren houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.
REINIGEN Ga voor een luchtreiniging van het kop- pelingscircuit als volgt te werk:
- Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
- Open de dop van het oliereservoir.
- Steek het ene uiteinde van een transpa- rant buisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
- Pomp 2/3 keer en houd de hendel ingedrukt.
- Schroef het ventiel los en laat de olie uit het buisje lopen.
Als in het buisje luchtbellen zichtbaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling tot- dat er geen continu lekken van olie meer is.
- Sluit het ventiel en laat de hendel los. OPMERKING: Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
- Verwijder het buisje.
- Herplaats de rubberen dop. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: De koppelingsvloeistof is zeer corrosief, let daarom op geen enkele druppel te laten vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze handeling is het noodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.
STUURSPELING Controleer regelmatig de speling van het stuurbalhoofd door de vork heen en weer te bewegen, zoals afgebeeld in de figuur. Voer in het geval u speling waarneemt de handeling op de volgende wijze uit: - Draai de schroeven 1 los - Draai de schroef 2 los - Verhelp de werkende speling met de moer 3 Draai de schroeven vast zoals aangege- ven. LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleu- tel stabiel op het aanhaalmoment te plaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabiel is.
VORKE Neem contact op met een erkend Beta- motor service-center voor het onderhoud. Raadpleeg de aanwijzingen in de afbeel- ding voor de controle van de aanhaalmo- menten. LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleu- tel stabiel op het aanhaalmoment te plaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabiel is. VOORWIEL KLEMMEN Na het demonteren van het wiel: De vork 3-4 keer dichtknijpen en loslaten. Draai de wielas en de schroeven voor de steunvoetjes vast bij het aangegeven aanhaalmoment. LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleu- tel stabiel op het aanhaalmoment te plaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabiel is. 17Nm 12Nm 10Nm 50Nm4
BANDEN Plaats alleen banden die zijn goedgekeurd door BETAMOTOR. Andere banden kunnen het functioneren van de motor op straat nadelig beïnvloeden.
- Om uw veiligheid te garanderen, moeten beschadigde banden onmiddellijk vervangen worden.
- Gladdebandenbeïnvloedenopnegatievewijzehetfunctionerenvandemotor, vooral op gladde wegen en op terrein.
- Onvoldoendedrukveroorzaaktabnormaleslijtageenoververhittingvandeband.
- Hetvoor-enachterwielmoetenwordenuitgerustmetbandenvanhetzelfdeproel.
- Controleerdedrukalleenwanneerdebandenkoudzijn.
- Houddebandendrukbinnendeaangegevengrenzen. ACHTERWIELOPHANGINGS- MECHANISME Om een goede werking en een lange levensduur van de achtervering van het achterwielophangingsmechanisme te ga- randeren, is het raadzaam om regelmatig de correcte sluiting van de moeren en bouten te controleren. Controleer dat de moeren en bouten van het mechanisme bij het aangegeven aan- haalmoment vastgedraaid zijn. 90Nm 50Nm 90Nm 70Nm4
KETTING Voor een langere levensduur van de ket- tingaandrijving, is het aan te raden om regelmatig de spanning te controleren. Altijd vrijhouden van vastzittend vuil en insmeren. Zorg ervoor dat het smeermiddel in geen enkel geval de achterband of de remschijf bereikt, anders zouden de grip van de band op de weg en het functioneren van de achterrem aanzienlijk worden vermin- derd en zou gemakkelijk de controle over de motor kunnen worden verloren. KETTINGSPANNING
CONTROLEREN EN AANPASSEN
Parkeer de motor op een vlakke en stabiele bodem. Span de ketting aan als deze meer dan 20 mm speling heeft.
KETTINGSLTAGE CONTROLEREN laats de versnellingsbak in neutraal, en trek het bovenste deel van de ketting omhoog met een kracht van 10-15 kilogram (zie de afbeelding). Meet nu de afstand van 18 stappen op het onderste deel van de ket- ting. Vervang de ketting als de vastgestelde hoogte ≥ 272 mm is. Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, en om deze reden moet het meten op verschillende punten van de ketting herhaald worden. Wanneer een nieuwe ketting is geplaatst, wordt het aangeraden ook de rondsel en het kroonwiel te vervangen. Een nieuwe ketting zal sneller slijten op oude en versle- ten rondsels. Pas de spanning in het geval van vervanging aan zoals beschreven op pag. 69. 10 -15 Kg OK < 272 18 steps
- Draai de borgmoeren A los bij beide achterbruggen.
- Gebruik de beide zijden van de schroe- ven van regelaar B om de gewenste kettingspanning te bereiken
- Draai de borgmoeren A vast bij beide achterbruggen.
- Draai de pin 1 vast bij het aangegeven aanhaalmoment.
KOPLAMP Houd het glas van de projector altijd schoon (pag. 72). Controleer regelmatig de correcte richting van de lichtstraal. VERVANGEN KOPLAMPEN Verwijder de bevestigingsschroeven en verplaats het koplamphuis naar voren. Verwijder voorzichtig de lamp van positie 1, compleet met lamphouder. Til voor de vervanging van het grote licht/dimlicht de rubberen kap 2 op, haal het verbindings- stuk los, druk op de spiraal 3, verwijder de lamphouder, en vervang de lamp door een nieuwe te plaatsen. Zorg ervoor niet de bol aan te raken, omdat dit de werking vermindert. Ga voor het herplaatsen in omgekeerde volgorde te werk van wat hierboven be- schreven wordt. Sluit het koplamphuis aan op de steun- aansluitingen en maak het vast met twee elastieken.
ACHTERLAMP Houd het glas van de projector altijd schoon (pag. 72). De achterlamp is verzegeld en voorzien van led-verlichting. Als één of meer leds doorgebrand zijn, is het noodzakelijk de hele groep te vervangen. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center.4
ALGEMENE VOORZORGSMAATREGELEN LET OP: reinig het voertuig nooit met apparatuur met een krachtige waterstraal onder hoge druk. Overmatige druk kan elektrische onderdelen, connectoren, flexibele kabels, lagers, etc. bereiken en ze beschadigen of vernietigen. LET OP: was regelmatig met koud water de voertuigen die in de buurt van de zee (zout water) en op wegen waar met zout wordt gestrooid in de winter worden gebruikt. Bedek met een dun laagje olie of siliconenspray de niet gelakte onderdelen en die het meest worden blootgesteld, zoals velgen, voorvork en achterbrug. Bewerk de rubberen onderdelen en de remmen niet. Sluit de uitlaat om te voorkomen dat er water lekt. Vermijd bij het reinigen directe blootstelling aan het zonlicht. Vermijd een directe waterstraal op de filterafdekking en de carburateur. WASWZE Gebruik een waterstraal om het vuil en modder op de gelakte oppervlakken zacht te maken. Eenmaal zacht, worden vuil en modder verwijderd met een zachte car- rosseriespons doordrenkt van water en ‘‘shampoo‘‘. Vervolgens grondig met water afspoelen, en drogen met het blazen van lucht en een doek of suède. Schoonmaakmiddelen verontreinigen het grondwater. Daarom moet het wassen van het voertuig plaatsvinden in een zone die uitgerust is voor de verzameling en zuivering van wasvloeistoffen door het wassen zelf.
Overgaan tot het lozen van de filterbus door het daarvoor bestemde luchtgat en het drogen. Na het schoonmaken een klein stukje rijden, zodat de motor op temperatuur komt. LET OP: met natte remmen wordt het remeffect verminderd. Voorzichtig de remmen gebruiken om ze te laten drogen. Duw de stuurbescherming naar binnen, zodat het binnengedrongen water kan verdampen. Wanneer de motor volledig gedroogd en afgekoeld is, alle afvoer- en werkings- punten insmeren. Behandel alle kunststof- en gelakte onderdelen met niet-agressieve reinigingsmiddelen of producten, speciaal bedoeld voor de verzorging van het voertuig.4
Bij verwachting van een lange periode van inactiviteit van het voertuig, bijvoorbeeld gedurende het winterseizoen, is het noodzakelijk enkele eenvoudige voorzorgsmaat- regelen te nemen om te zorgen voor een goed onderhoud:
- Voer een grondige reiniging van alle onderdelen van het voertuig uit.
- Verminder de bandenspanning met ongeveer 30%, om zo de banden misschien van de grond te houden.
- Bestrijk met een dun laagje olie of siliconenspray de niet- gelakte onderdelen, met uitzondering van de rubberen delen en de remmen.
- Bedek tegen stofbescherming het voertuig met een doek.
GEPLAND ONDERHOUD Legenda C Controle (reiniging, afstelling, smering, vervanging indien nodig) S Vervanging R Afstelling P Reiniging T Aanscherping Einde inrijden - 3 uur Tussenmoment 1 - 30 uur Tussenmoment 2 - 60 uur Tussenmoment 3 - 90 uur Tussenmoment 4 - 120 uur Tussenmoment 5 - 150 uur Tussenmoment 6 - 180 uur Motor Olie versnellingsbak en koppeling S S S S S S S Bougie C S S S Inbusbouten
Bouten bevestiging motor * C C C C C C C Bouten kickstartpedaal en versnellingspook C C C C C C C Bougiedop P P P P P P P Wrijvingsschijven geleidende en aangedreven C S C S C S Koppelingsplaten C C S C C S Koppelingssysteem - klok C C C C C C Drijfwerklagers (primaire as) S S Cilinder C C C Zuigers en zuigeronderdelen S om de 40 uur Krukstang S S S Krukaslagers motor en afdichtringen S S S Oppervlaktebeeld versnellingsbak C C Waterpompafdichtingen S S Afvoerklep C/P C/P Membraanklep C C C Carburateur Weerstand C C C C C C C Afstelling toerental C C C C C C C Tankbuis C C C C C C C Ontluchtingspijpen C C C C C C C Montage- groepen Geïnstalleerd niveau en weerstand van koelsysteem C C C C C C C Weerstand uitlaat C C C C C C C Vloeiend zijn en afstelling controlekabels C C C C C C C Vloeistofniveau koppelingspomp C C C C C C C Filterdoos en luchtfilter P P P P P P P Laatste aandrijving C C C C C C C4
Bevestiging kogelkop- peling voor M8x16 M 35 Bevestiging kogelkop- peling achter M8x60 35 Kogelkoppeling op motor M8x16 M 35 WAARSCHUWING: In het geval er bewerkingen moeten worden uitgevoerd op de motor, neem contact op met een geauto- riseerde Betamotor-dealer. Einde inrijden - 3 uur Tussenmoment 1 - 30 uur Tussenmoment 2 - 60 uur Tussenmoment 3 - 90 uur Tussenmoment 4 - 120 uur Tussenmoment 5 - 150 uur Tussenmoment 6 - 180 uur Remmen Niveau vloeistof en dikte blokken
Dikte schijven C C C C C C C Weerstand pijpen C C C C C C C Vrije slag en soepelheid besturing C C
SAMENVATTING AANHAALMOMENTEN Hieronder wordt de aanscherping van alle aandraaimomenten beschreven die in het bijzonder onderworpen zijn aan afstelling of onderhoud: Voorstel Aanscherping aandraaimoment [Nm] Schroefdraad- borgmiddel Wielas 50 Poten - wielas 10* Remklauw - vork 35 M Linker brugsteel 1,5 Stuurinrichting onder - bruggen vork 12* Stuurinrichting boven - bruggen vork 17* Steelpin op stuurinrichting boven vork 20 Stuurbrug onder - stuurinrichting vork 40 M Stuurbrug boven - stuurbrug onder 25 Achteras Aanscherping aandraaimoment [Nm] Schroefdraadborgmiddel Wielas 130 Schokdemper - frame 70 M Schokdemper - barbell 50 Wipschakelaar - frame 90 Wipschakelaar - barbell 90 Barbell - achterbrug 90 Motor Aanscherping aandraaimoment [Nm] Schroefdraadborg- middel Dop afvoer versnellingsbakolie 15 Motor - Frame Aanscherping aandraaimoment [Nm] Schroefdraad- borgmiddel Pinnen motor - frame 45 Kogelkoppeling - frame (bevestiging voor) 35 M Kogelkoppeling - frame (bevestiging achter)
Kogelkoppeling - motor 35 M M Schroefdraadborgmiddel gemiddelde sterkte
- LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de mo- mentsleutel stabiel op het aanhaalmoment te plaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabiel is.DEMONTAGE EN MONTAGE BOVENBOUW
ZADEL Druk op knop 1. Trek het zadel naar het achterste van de motor. Voor het herplaatsen, plaats de holte 1 van het zadel op de drager 2. Druk het zadel in het midden naar beneden en duw het op hetzelfde moment naar voren tot de kogelkoppeling op de eigen plaats vastklikt.
LET OP: Controleer of de kogelkoppeling goed 3 is gekoppeld aan de knoopsluiting.
DEMONTAGE EN MONTAGE
FILTERAFDEKKING Het zadel te verwijderen (pag. 78). Pak de filterafdekking van de voorzijde en trek naar buiten. Plaats voor de hermontage de klepjes 1 op de specifieke plekken. Duw de filterafdekking richting het voertuig.
COMPLETE BRANDSTOFTANK Ontkoppel de tankventilatiebuis. Plaats de brandstofkraan op OFF (pag.
18) en ontkoppel de brandstofbuis van
de kraan. LET OP: Voer de handeling uit met een koude motor. LET OP: Brandgevaar! De brandstof is licht ontvlambaar. Voer de handeling niet uit in de buurt van open vuur of aangestoken sigaretten en zet altijd de motor uit. Het bijvullen uitvoeren op een open en goed geventileerde plaats. Maak eventuele sporen van gemorste brandstof direct schoon.5
Verwijder de luchtfilterafdekking (pag. 79). Verwijder de twee bevestigingsschroeven 1 van de tank op het frame en de beves- tigingsschroef 2 (één per kant) van de afdekking op de radiator. Til de tank compleet op van de zij- afdekking. Voer voor het weer in elkaar zetten de hierboven beschreven handeling in omge- keerde volgorde uit. Draai de tankschroe- ven vast bij de aanhaalmomenten.
DEFECT OPSPOREN PROBLEEM OORZAAK OPLOSSING De motor start niet - Verstopt brandstofsysteem (buizen, brand- stoftank, kraan) Neem contact op met een geautori- seerde BETAMOTOR-dealer - Luchtfilter buitensporig vies Controleer het luchtfilter - De bougie ontvangt geen stroom Reinig of vervang de bougie. Neem als het probleem aanhoudt contact op met een geautoriseerde BETAMOTOR-dealer - Verzopen motor De elektrische startknop respectievelijk 2 keer per 5 seconden indrukken. Als dit geen resultaat oplevert, is het nodig de bougie te demonteren en te drogen
Buitensporige afstand tussen de elektroden Controleer de afstand tussen de elektroden - Verbindingsstuk of staafbobine los of verroest Reinig met spray voor elektrisch contact en sluit
Aanwezigheid van water in de carburateur Verwijder de bak van de carburateur De motor wordt gestart, maar het MIL- lampje brandt - Probleem met het motorbesturings- systeem Neem contact op met een geautoriseerde BETAMOTOR-dealer Op het instrument verschijnt het opschrift “High Voltage” - Overmatige lading Schakel de motor uit en n eem contact op met een geautoriseerde BETAMOTOR- dealer De motor slaat over
Bougie met ongelijke afstand elektroden Herstel de juiste afstand tussen de elektroden - Vuile bougie Reinig of vervang de bougie De motor heeft geen minimum toerental - Stationaire sproeier verstopt Neem contact op met een geautori- seerde BETAMOTOR-dealer - Schroeven regelaar slecht afgesteld De aanpassing uitvoeren - Defecte bougie Bougie vervangen - Defecte ontstekingssysteem Controleer de bobine en de bougie De motor raakt over- verhit en verliest stroom - Gedeeltelijk geblokkeerde uitlaat Neem contact op met een geautori- seerde BETAMOTOR-dealer - Membraanklep beschadigd - Defect in het ontstekingssysteem Buitensporige rook - Eventuele storing suspensiemengin- stallatie Neem contact op met een geautori- seerde BETAMOTOR-dealer Remmen voor onder- maats - Versleten remblokken Neem contact op met een geautori- seerde BETAMOTOR-dealer - Aanwezigheid van lucht of vocht in het hydraulisch circuit Handel zoals beschreven op pag.
Remmen achter on- dermaats - Versleten remblokken Neem contact op met een geautori- seerde BETAMOTOR-dealer - Aanwezigheid van lucht of vocht in het hydraulisch circuit Handel zoals beschreven op pag.
Indicaties voor periodieke revisiewerkplaatsen, in overeenstemming met EU-veror- dening 2019/621.
2.2.2. Stuurwiel/kruiskoppelingen
en vorken en stuurdempers
4.1.2. Uitlijning NIET AANWEZIG
(incl. brandstoftanks en -leidingen voor verwarming) HFDST. 1 - ALGEMENE INFORMATIE;
Notice-Facile