EVO 300 SS (2018) - Motorfiets Beta - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis EVO 300 SS (2018) Beta in PDF-formaat.

📄 432 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag ⚙️ Specs
Notice Beta EVO 300 SS (2018) - page 378
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Español ES Italiano IT Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : Beta

Model : EVO 300 SS (2018)

Categorie : Motorfiets

SKIP

Veelgestelde vragen - EVO 300 SS (2018) Beta

Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EVO 300 SS (2018) - Beta en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EVO 300 SS (2018) van het merk Beta.

GEBRUIKSAANWIJZING EVO 300 SS (2018) Beta

PWK 28 PWK 28 PWK 28

Dank u voor het gegeven vertrouwen en veel plezier. Wij willen u met dit boekje de nodige informatie geven voor een correct gebruik en een goed onderhoud van uw motor. BETAMOTOR S.p.A. behoudt zich het recht wijzigingen aan te brengen in de gegevens, de kenmerken en de weergegeven afbeeldingen in deze handleiding, evenals het bepalen van verbeteringen aan haar modellen op ieder moment en zonder een specifieke mededeling. Code 007440380 0002

WAARSCHUWING Het wordt aanbevolen om na het eerste of tweede uur van gebruik op terrein alle bevestigingen te controleren, en in het bijzonder:

  • controleer juiste bevestiging voetsteunen
  • hendels/remklauwen/remschijven voor/achter
  • controleer juiste bevestiging kunststofonderdelen
  • spaken/schroefassen wielen
  • kettingspanning WAARSCHUWING Richt u zich, indien er bewerkingen op het voertuig moeten wor- den uitgevoerd, tot de hulpdienst van Betamotor.INHOUD

Gegevens voertuigindicatie

  • Het voertuig moet verplicht voorzien zijn van: nummerplaat, registratiedocument, keurmerk en verzekering.
  • Wijzigingen aan de motor of andere onderdelen worden door de wet bestraft met strenge sancties, met inbegrip van de confiscatie van het voertuig.
  • Blijf niet op het voertuig zitten wanneer de standaard uitgeklapt is.
  • Start de motor niet in gesloten ruimten. LET OP: Wijzigingen en sabotage tijdens de garantieperiode stellen de Fabrikant vrij van alle aansprakelijkheid en laten de garantie vervallen. SYMBOLEN VEILIGHEID/AANDACHT Het niet respecteren van de aanduiding van dit symbool kan leiden tot gevaar voor de persoon.

INTEGRITEIT VAN HET VOERTUIG

Het niet respecteren van de aanduiding van dit symbool kan leiden tot serieuze schade aan het voertuig en het vervallen van de garantie.

GEVAAR BRANDBARE VLOEISTOF

Lees aandachtig de handleiding over gebruik en onderhoud.

GEBRUIK VAN BESCHERMENDE KLEDING VERPLICHT

Het gebruik van het voertuig is gebonden aan het gebruik van speciale bescher- mende kleding en veiligheidsschoenen. BESCHERMINGSHANDSCHOENEN VERPLICHT Om de beschreven handelingen uit te voeren, is het gebruik van beschermings- handschoenen verplicht. GEBRUIK VAN OPEN VUUR OF ONGECONTROLEERDE ONTSTEKINGSBRON- NEN VERBODEN ROKEN VERBODEN GSM-GEBRUIK VERBODEN

GEVAAR BIJTENDE STOFFEN

De vloeistoffen aangeduid met dit symbool zijn sterk bijtend: hanteren met zorg VERGIFTIGINGSGEVAAR6

  • Respecteer de verkeersregels
  • Draag altijd officieel erkende persoonlijke veiligheidsvoorzieningen
  • Rijd altijd met de dimlichten aan
  • De beschermbril altijd schoonhouden
  • Draag kledij zonder bengelende uiteinden
  • Niet rijden met breekbare of puntige voorwerpen in de zak
  • De achteruitkijkspiegels goed afstellen
  • Altijd zittend rijden, met beide handen aan het stuur en de voeten op de voet- steunen
  • Niet gekoppeld aan andere voertuigen reizen
  • Niet slepen of gesleept worden door andere voertuigen
  • Houd altijd de veiligheidsafstanden
  • Niet vertrekken met uitgeklapte standaard
  • Steigeren, slalommen en schommelen is zeer gevaarlijk voor u, voor anderen en voor uw voertuig
  • Gebruik op wegen vrij van grind of zand beide remmen; één alleen kan leiden tot gevaarlijk en oncontroleerbaar slippen
  • Gebruik bij het remmen beide remmen om zo het voertuig met minder ruimte tot stilstand te brengen
  • Rijd op natte wegen en op terrein voorzichtig en met een matige snelheid: gebruik de remmen met grotere gevoeligheid1 ALGEMENE INFORMATIE

GEGEVENS VOERTUIGINDICATIE FRAMENUMMER Het framenummer A is gedrukt op het balhoofd van het stuur aan de rechterkant. MOTORIDENTIFICATIE De motoridentificatie B is gedrukt op de aangegeven plaats in de afbeelding. LET OP: Wijziging van het identificatienummer wordt krachtens de wet streng bestraft.

HOOFDONDERDELEN 1 Brandstoftank 2 Tankdop 3 Demper 4 Achterschokdemper 5 Koplamp 6 Achterlicht 7 Standaard 8 Voorvork 9 Voetsteunen bestuurder 10 Lage bumper 11 Motor 12 Voorspatbord 13 Achterspatbord 14 Kickstartpedaal 15 Versnellingspook 16 Achterrempedaal 17 Hendel voorrem 18 Koppelingshendel 19 Gashendel 20 Nummerplaat 21 Richtingaanwijzers 22 Hoorn

ACHTERWIELOPHANGING Versie EVO 125 EVO 250 EVO 300/300SS K veer 70N/mm 70N/mm 70N/mm Lengte veer in zitting [mm] 126,5 126,5 126,5 Type olie Olie titan SAF 5045 Eu 137 RED Click-in overbrenging 3,5 uit volle- dig gesloten 3,5 uit volle- dig gesloten 3,5 uit volledig gesloten VOORREM Met schijf Ø 185 mm met hydraulische aansturing ACHTERREM Met schijf Ø 160 mm met hydraulische aansturing1 ALGEMENE INFORMATIE

2 [g/km] 60 68 66 66 Brandstofverbruik [l/100km] 2,6 2,9 2,8 2,8 Voeding naar carbu- rateur zonder mixer ( 1,5% ) naar carbu- rateur zonder mixer ( 1,5% ) naar carbu- rateur zonder mixer ( 1,5% ) naar carbu- rateur zonder mixer ( 1,5% ) CARBURATEUR

Naald LHQ LHQ LHQ Positie naald (van boven) 3° 3° 3° Draaien luchtstroom (uit volledig gesloten)

Voor een beter functioneren en een langere levensduur van het voertuig wordt aan- geraden om bij voorkeur de producten vermeld in de tabel te gebruiken:

HOOFDELEMENTEN BRANDSTOFKRAAN De brandstofkraan heeft drie standen: OFF: brandstoftoevoer gesloten. De brandstof kan niet van de tank naar de carburateur gaan. ON: brandstoftoevoer geopend. De brandstof gaat van de tank naar de carbu- rateur. De brandstoftank loopt leeg totdat het reserveniveau wordt bereikt. RES: toevoer van de reservebrandstof. De brandstof gaat van de tank naar de carburateur; de tank loopt volledig leeg. Let op! Tijdens wedstrijdgebruik of in extreme “trial zone” is het aanbevolen om de kraan op “RES” te zetten om optimale aanzuiging in alle omstandigheden te verzekeren. STARTER De startershendel bevindt zich bij de carburateur. De starter naar boven duwen om te ac- tiveren. KOPPELINGSHENDEL De koppelingshendel 1 is gemonteerd aan de linkerkant van het stuur.

SCHAKELAAR LINKS De verlichting en bediening van de scha- kelaar bevindt zich aan de linkerkant van het stuur en is opgebouwd uit:

2 - Verlichtingsschakelaar:

verlichting en groot licht aan; verlichting en dimlicht aan;

Schakelaar richtingsverlichting: door de hendel naar links of rechts te verschuiven worden de richtingaanwijzers links of rechts geactiveerd ; zet de hendel opnieuw in het midden om de richtingaanwijzers te deactiveren. SCHAKELAAR RECHTS De omschakelaar om uit te schakelen be- vindt zich aan de linkerkant van het stuur en is opgebouwd uit: uitschakeling motor : u dient die ingedrukt te houden tot de motor uitgaat.

HENDEL VOORREM EN GAS

De voorremhendel 1 en de gashendel 2 zijn op de rechterkant van het stuur gemonteerd.

VERSNELLINGSPOOK De versnellingspook is gemonteerd aan de linkerkant van de motor. De positie van de versnellingsbak is aan- gegeven in de figuur.

REMPEDAAL Het rempedaal is gepositioneerd voor de rechter voetsteun. KICKSTARTPEDAAL Het kickstartpedaal is gemonteerd aan de linkerkant van de motor. Het bovenste deel is verstelbaar. STANDAARD Druk de standaard met de voet op de grond en laat deze de motor dragen. Zorg ervoor dat de grond stevig is en de positie stabiel. LET OP! De standaard is uitgerust met een automatisch sluitsysteem. Wanneer de belasting van het voertuig op de standaard minder wordt, dan gaat deze standaard automatisch dicht. LET OP: Niet op het voertuig stap- pen wanneer de standaard naar beneden is.2

SLEUTELS Het voertuig wordt geleverd met twee sleutels (één als reserve). BEVEILIGINGSSYSTEEM TEGEN ONGEOORLOOFD GEBRUIK Om het systeem in te schakelen:

draai het wiel tot de stift van het blok- keersysteem via een van de vensters op het kroonwiel ontbloot wordt; - steek de sleutel in het slot, draai de sleutel linksom en duw tot de stift op de eindaanslag komt. Vanuit deze positie draait u de sleutel rechtsom en haal dan de sleutel weg. Op die manier is het achterwiel geblok- keerd. Om het systeem uit te schakelen: - steek de sleutel in het slot en draai de sleutel linksom;

laat de sleutel los tot de stift in rustpositie komt. Via deze positie kan het achterwiel vrij draaien. LET OP: de reservesleutel niet bij de motor laten, maar op een veilige plaats bewa- ren. Wij raden aan om het serienummer dat u op de sleutel aantreft te noteren, om zo eventueel een duplicaat te kunnen aanvragen. LET OP! Voordat u het voertuig aanzet, moet u controleren of het systeem is uitgeschakeld.2

HOOFDONDERDELEN Controlelampjes Groot licht (blauw) richtingaanwijzer (groen) MIL-controlelampje Kilometerteller Gemeten interval: 0~99999 km (mijlen), automatisch gereset na 99999 km (mijlen). Maateenheid: 1 km (mijl). Gedeeltelijke kilometerteller Gemeten interval: 0~9999.9 km (mijlen), automatisch gereset na 999.9 km (mijlen). Maateenheid: 0.1 km (mijl). Selectieknop Druk vanuit het hoofdscherm om de selectieknop om de chronometer en de afstelling van de maximumsnelheid te selecteren. Tijd Chronometer: afstelling van de gedeeltelijke tijd op basis van de ingestelde afstand. Snelheidsregelaar: afstelling van de maximumsnelheid en gemiddelde snelheid. Knop Afstelling Druk op de knop Afstelling om te schakelen tussen Kilometerteller (ODO), Gedeeltelijke kilometerteller A/B (TRIP), Totaalteller, In het scherm Trip A/B houd de knop Afstelling 3 seconden ingedrukt om de gedeeltelijke teller B op nul te stellen CONTROLELAMPJES

1 Groot licht Het systeem activeert het licht gelijktijdig met de activering van het groot licht. 2 Knipperlichten Het systeem activeert het licht gelijktijdig met de activering van het groot licht. 3 Controlelampje Diagnose Het systeem activeert het controlelampje wanneer er een technisch probleem wordt gedetecteerd. Opmerking: de inschakeling van het instrument ge- beurt samen met de inschakeling van de motor. Onderstaande instellingen kunnen alleen worden uitgevoerd als de motor gestart is.2

INSTRUCTIES VOOR DE WERKING VAN DE KNOP AFSTELLING Vanuit het hoofdscherm drukt u eenmaal op de knop Afstelling om van de modus kilo- meterteller naar gedeeltelijke kilometerteller over te gaan. Wanneer u via het hoofdscherm de knop Afstelling 3 seconden ingedrukt houdt, kunt u de maateenheid van de snelheid instellen. Druk op de knop Afstelling om de twee gedeel- telijke kilometertellers A en B om te wisselen. Indien de gedeeltelijke teller A is geselecteerd, houdt u de knop Afstelling 3 seconden ingedrukt om de gedeeltelijke teller A op nul te stellen. Druk op de knop Afstelling om van de gedeel- telijke teller B naar de totaalteller over te gaan. Houd de knop Afstelling 3 seconden ingedrukt om de gedeeltelijke teller B op nul te stellen. Druk opnieuw op de knop Afstelling om naar het hoofdscherm terug te keren. Hoofdscherm.2

INSTRUCTIES VOOR DE WERKING VAN DE KNOP SELECTIE Druk op de knop Selectie om van de chronometer naar de afstelling van de snelheid over te gaan. Houd de knop Selectie 3 seconden inge- drukt om de chronometer op nul te stellen. Druk op de knop Selectie om van de afstel- ling van de snelheid naar het hoofdscherm terug te keren. Houd de knop Selectie 3 seconden inge- drukt om de afstelling van de snelheid op nul te stellen. OPMERKING: De gemiddelde snelheid en de maximumsnelheid worden geduren- de 3 seconden afwisselend weergegeven. Hoofdscherm.

DE INSTELLINGSMODUS OPENEN

Werkingsinstructies Houd vanuit het hoofdscherm de toet- sencombinatie Afstelling + Selectie 3 seconden ingedrukt om de preferenties van de chronometer in te stellen. Druk op de knop Afstelling om de prefe- renties van de chronometer in te stellen.2

Instelling afstand chronometer Druk op de knop Selectie om te kiezen tussen automatische/handmatige modus van de chronometer. Als u Auto kiest, drukt u op de knop Instelling om de instelling van de chrono te verlaten. OPMERKING: Voorgedefinieerd: AUTO Van naar overgaan Druk op de knop Selectie om van het scherm voor instelling van de totale kilo- metertelling. Druk op de knop Afstelling om de instel- ling van de totale kilometerteller in te voeren. Instelling gedeeltelijke kilometerteller (ODO) Druk op de knop Afstelling om het huidige scherm ODO weer te geven. Druk op de knop Selectie om de ODO- instellingen van de gebruiker in te voeren. Druk op de knop Afstelling om de ODO- instellingen van de gebruiker in te voeren. Druk op de knop Afstelling om naar de functie afstelling ODO terug te keren. Druk op de knop Selectie om naar de weergave van de functie afstelling ODO over te gaan. In het scherm Instellingen houdt u beide knoppen Afstelling en Selectie gedurende 3 seconden ingedrukt om de instellingen te verlaten.2

Voor veilig rijden en een lange levensduur van het voertuig wordt aangeraden om:

  • Alle vloeistofniveaus te controleren.
  • Een correcte werking van de remmen en remblokken te controleren (pag. 46).
  • De druk, algemene conditie en dikte van de trede te controleren (pag. 10).
  • De juiste spanning van de spaken te controleren.
  • Schroeven en bouten in het algemeen na te lopen.
  • Bij een draaiende motor de werking van de koplampen, achterlicht, remlicht, rich- tingaanwijzers, controlelampjes en de claxon te controleren.
  • Het voertuig grondig te reinigen na gebruik op terrein (pag. 61). INRIJDEN Het inrijden duurt ongeveer 5 uur. Gedurende deze periode wordt aangeraden om:
  • Te voorkomen op constante snelheid te rijden.
  • Vermijd om de gashendel meer dan 3/4 over te draaien. LET OP: Na de eerste 5 uur de versnellingsbakolie vervangen. Deze procedures moeten telkens worden herhaald wanneer zuiger, zuigerveren, cilinderblok, krukas of motoras worden vervangen.2

BRANDSTOFTOEVOER Gebruik een mengsel van superbenzine zonder lood en synthetische olie van 1,5%. De brandstoftankinhoud is terug te vinden op pag. 10. Draai de dop van de brandstoftank tegen de klok in om te openen. Zet de dop van de brandstoftank op de zitting en schroef die met de klok mee om de dop te sluiten. LET OP: Brandgevaar. De brandstof is licht ontvlambaar. Voer het bijvullen van het voertuig niet uit in de buurt van open vuur of aange- stoken sigaretten en zet altijd de motor uit. Niet bijvullen gedurende het gebruik van een mobiele telefoon. Het bijvullen uitvoeren op een open en goed geventileerde plaats. Let in het bijzonder op dat de brandstof niet in contact komt met warme delen van het voertuig. Maak eventuele sporen van gemorste brandstof direct schoon. WAARSCHUWING: Vergiftigingsgevaar. De brandstof is een giftige vloeistof, schadelijk voor de gezondheid. Voorkom dat de brandstof in aanraking komt met huid, ogen en kleding. Adem de brandstofdampen niet in. In het geval van aanraking met de ogen, onmid- dellijk spoelen met water en medische hulp inschakelen. In het geval van aanraking met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebie- den reinigen. In het geval van inslikken, onmiddellijk een arts inschakelen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de brandstof. WAARSCHUWING: Milieuvervuilingsgevaar. De brandstof mag niet in watervoerende lagen, de grond of het afvoersysteem terechtkomen. Raadpleeg de tabel voor het type oliemengsel “Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen”. LET OP: Het bijvullen wordt uitgevoerd met de motor uit.2

STARTEN MOTOR Zet de brandstoftankkraan op ON of RES (zie pag. 18). - Controleer of de versnellingsbak in neu- traal staat (pag. 20).

Trek aan de koppelingshendel (pag. 19). MET KICKSTARTPEDAAL (pag. 20): Het pedaal intrappen om de motor te starten door met de voet een flinke slag te geven. LET OP Zodra het pedaal ingetrapt is deze onmiddellijk loslaten. Dat voorkomt terugslag voor het hele startsysteem en de voet. ALS DE MOTOR KOUD IS: Zet de starter aan (pag. 18), start de motor, wacht een paar seconden, en breng de starter dan terug in beginpositie. UITSCHAKELEN MOTOR Om de motor te stoppen: - Druk om de motor uit te schakelen op de aanwezige knop in de rechter schakelaar groep (zie pag. 19)

OPMERKING: Met de motor uit altijd de brandstofkraan op OFF zetten (pag. 18).3 AFSTELLINGEN

KOPPELING De positie van de hendel van koppeling kan worden afgesteld door de schroeven van de regelaar 1 aan te passen. Wanneer de positie van de hendel is veranderd, moet u de regelaar 2 om de correcte speling zoals in het begin te herstellen. De lege loop van de neuspartij mag niet minder dan 0,9 mm bedragen. AANDACHT: een beperkte speling leidt tot vroegtijdige slijtage van de schijven en oververhitting van de hele koppelingsgroep. 0,9 mm

LEGENDA SYMBOLEN Aanscherping aanhaalmoment Schroefdraadborgmiddel gemiddelde sterkte Vet3 AFSTELLINGEN

GASHENDEL De gashendel moet altijd een speling van 3-5 mm hebben. Bovendien mag bij een draaiende motor het toerental niet vari- eren wanneer naar rechts of links wordt uitgeweken. Handel als volgt om de speling bij te regelen: - Draai de borgmoer 1 los.

Draai de regelaar 2 ten opzichte van de bekleding 3.

20Nm GASHENDEL MINIMUM TOERENTAL Om deze handeling correct uit te voeren, is het aanbevolen om dit uit te voeren terwijl de motor warm is, en een elektronische toerenteller op de kabel van de bougie aan te sluiten. Daarna draait u met een schroevendraaier aan de stelschroef A om het minimum op 900÷1.000 rpm af te stellen.

AFSTELLING POSITIE STUUR

Het stuur kan worden afgesteld door het heen en weer draaien. - Draai schroef 1 los om het stuur af te stel- len. - Plaats het stuur volgens uw eigen behoef- ten. - Draai op het aangegeven aanhaalmo- ment vast.3 AFSTELLINGEN

AFSTELLING VOORVORK AFSTELLING TERUGVERINGSDEMPER De groep hydraulische terugveringsdemper bepaalt de werking van de voorvork tijdens terugvering, en kan worden geregeld via de schroef

Door de schroef met de klok mee te draaien wordt de werking van de terugveringsdemper vergroot, terwijl tegen de klok in draaienì de werking van de terugveringsdemper vermindert. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11.

SCHOKDEMPER AFSTELLING TERUGVERINGSDEMPER De groep hydraulische terugveringsdemper bepaalt de werking van de schokdemper tijdens terugvering, en kan worden gere- geld via de schroef

Door de schroef met de klok mee te draaien wordt de werking van de terugveringsdemper vergroot, ter- wijl tegen de klok in draaien de werking van de terugveringsdemper vermindert

Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11. Opmerking

De afstelling kan gemakkelijk worden uit- gevoerd met een scharnierende pijpsleutel.

AFSTELLING VEERVOORSPANNING De veervoorspanning wordt met behulp van de schroef 2 afgesteld. Als u rechtsom draait, neemt de voorspanning toe; als u linksom draait, neemt de voorspanning af. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11.

AFSTELLING VEERVOORSPANNING Volgt te werk om de veervoorspanning te passen: Draai de borgmoer 1 los en draai de moer 2 met de klok mee om de veer- voorspanning te vergroten (en dus van de schokdemper); draai tegen de klok in om de veervoorspanning te verminderen. Draai na het verkrijgen van de gewenste voorspanning de borgmoer 1 tot stagneren vast op de moer van afstelling 2. Raadpleeg voor het standaard bijstellen pag. 11

Opmerking: gebruik een specifieke sector- sleutel met vierkante neus voor de verplaat- sing van de bouten. LET OP! De schroef 3 mag om geen enkele reden worden verplaatst.

BESTUURDERSGEWICHT Hier worden de elastische coëfficiënten K van de veringen (voorvork en schokdemper) gerapporteerd die indicatief zijn voor de verhouding tot het gewicht van de bestuurder. LET OP! Toegestane max. voorbelasting schokdemper = +6 toeren p < 70 Kg 70 Kg < p < 80 Kg 80 Kg < p Regeling Regeling Regeling Voorvork Schokdemper Voorvork Schokdemper Voorvork Schokdemper Standaard Standaard + 5 slagen vorspanning + 1,5 slagen vorspanning + 10 slagen vorspanning + 3 slagen vorspanning

De afstelling van de lichtstraal vindt plaats door de inclinatie van de optische groep aan te passen via de schroef 1 en de moer 2.

  • Plaatshetvoertuig(vlak,maarnietopde standaard) op 10 m van een verticale wand.
  • Meetdehoogtevanafhetmiddenvan de schijnwerper op de grond en breng die met een kruisje aan op de muur op 9-/10 van de hoogte van de koplamp.
  • Terwijlenkelhetgrootlichtaanis,gaat u op de motor neerzitten en controleert u of de lichtstraal die op de muur wordt geprojecteerd net onder het kruisje op de muur valt. Als dit niet het geval is, moet u een afstelling uitvoeren.
  • Hetrichtenvandelichtstraalmoetregel- matig gecontroleerd worden. De afstel- ling gebeurt enkel verticaal. Op het einde van de afstelling moet u con- troleren of de moer 2 goed is aangehaald op de steun van het instrument.

VERSNELLINGSBAKOLIE NIVEAU CONTROLEREN Breng het voertuig in een verticale positie ten opzichte van de grond. Wanneer de motor koud is, moet u via het kijkgat 1 controleren of er olie aanwezig is. Het oliepeil moet altijd via het kijkgat zichtbaar zijn. Als dit niet het geval is, moet u bijvullen via de vuldop 2. De olie vermeld in de tabel ‘‘Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. VERVANGING Voer altijd de vervanging uit als de motor warm is: - Parkeer de motor op een vlakke en sta- biele bodem. - Plaats een vat onder de motor - Draai de tapdoppen 1 en 2 los - Laat de carter volledig leeglopen - Plaats de dop 2 - Vul met de hoeveelheid vloeistof aange- geven op pag. 10. De olie vermeld in de tabel ‘‘Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken - Sluit de tapdop 1. LET OP: Hete olie kan ernstige brandwonden veroorzaken!

LEGENDA SYMBOLEN Aanscherping aanhaalmoment Schroefdraadborgmiddel gemiddelde sterkte Vet4

KOELVLOEISTOF NIVEAU CONTROLEREN Breng het voertuig in een verticale positie ten opzichte van de grond. Het controleren van het niveau moet wor- den uitgevoerd als de motor koud is op de volgende manier: - Schroef de dop 1 los en zorg ervoor dat de vloeistof zichtbaar is in het onderste deel van de toevoerbuis. - In het geval de vloeistof niet zichtbaar is, plaats het voertuig volgens figuur los en ga over tot bijvullen.

Plaats na de handeling te hebben uitge- voerd weer de tapdop

LET OP: Draai nooit de tapdop van de radiator los als de motor warm is. Brandwon- dengevaar! LET OP: Draag geschikte beschermende kleding en beschermende hand- schoenen. Koelvloeistof buiten het bereik van kinderen houden. Laat de koelvloeistof niet in aanra- king komen met huid, ogen of kle- ding. In geval van aanraking:

- met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de koelvloeistof. Ga in geval van inname van de koelvloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4

VERVANGING Parkeer de motor op een vlakke en stabiele bodem. De vervanging van de koelvloeistof moet worden uitgevoerd als de motor koud is.

1) Draai de dop 1 los.

2) Plaats een vat onder de schroef 2.

3) Draai de schroef 2 los.

4) Laat de vloeistof wegstromen.

5) Draai de schroef 2 vast door de spe-

ciale sluitring te plaatsen.

6) Draai de ontluchtingsschroef 3 los en

vul tot er vloeistof uit de schroef begint te komen.

7) Draai de schroef 3.

8) Plaats het voertuig volgens figuur los

en ga over tot bijvullen.

9) Herplaats de tapdop 1.

De hoeveelheid vloeistof staat aangegeven op pag. 10. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: Draai nooit de tapdop van de radiator los als de motor warm is. Brandwon- dengevaar! LET OP: Draag geschikte beschermende kleding en beschermende hand- schoenen. Koelvloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

RADIATORROOSTER Handel als volgt wanneer het rooster verstopt is: Verwijder het rooster door het voertuig naar voren te trekken. Schud het rooster en spoel. Breng het rooster opnieuw aan door die naar de radiator te duwen. LUCHTFILTER Het is raadzaam om na iedere rit te con- troleren.

ONTKOPPELING EN MONTAGE

LUCHTFILTER Om toegang te krijgen tot het filter is het nodig: - Draai de bevestigingsschroef 1 van de afdekking achteraan los.

Laat de koelvloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de koelvloeistof. Ga in geval van inname van de koelvloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4

REINIGING LUCHTFILTER - Was de filter zorgvuldig met water en zeep. - Laat de filter drogen. - Bevochtig de filter met specifieke olie en verwijder daarna de overtollige olie, zodat die niet druppelt. - Indien nodig de filterdoos ook vanbinnen reinigen. LET OP: De filter niet met benzine of aardolie reinigen. OPMERKING: Als het filter is beschadigd, ga dan direct over tot vervangen. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service-center.

- Verwijder het raamwerk van de filter en de filter door de schroef 2 los te draaien. LET OP: Controleer na iedere keer of er bin- nenin het filter geen enkel object is achtergebleven. Ga over tot het weer in elkaar zetten, door de handeling in omgekeerde volgorde uit te voeren.4

BOUGIE Het behouden van de bougie in goede conditie draagt bij aan het verminderen van het verbruik van de motor en het opti- maal functioneren. Om de controle uit te voeren is het vol- doende de dop van de bougie te halen en de bougie los te draaien. Onderzoek met een diktemeter de afstand tussen de elektroden, die tussen de 0,7- 0,8 mm zal moeten zijn. In het geval er niet aan deze waarde wordt voldaan, is het mogelijk deze te corrigeren door de aardelektrode te buigen. 0,7÷0,8 mm Controleer de staat van de pakkingen op de ondoorlaatbaarheid van de luchtfilter- kast, opgesteld zoals op de foto is te zien. Vervang ze wanneer ze versleten zijn. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center. LET OP: Zet nooit de motor aan zonder lucht- filter. De infiltratie van stof en vuil kan leiden tot schade en aanzienlijke slijtage. LET OP: Controleer na iedere keer of er bin- nenin het filter geen enkel object is achtergebleven. Controleer ook dat er zich geen scheuren bevinden op het isolatiemateriaal of de gecorrodeerde elektroden; in die gevallen onmiddellijk overgaan tot vervanging. Om de bougie te monteren, is het aanbevolen om de bougie handmatig tot tegen de aanslag aan te schroeven en daarna met de sleutel te blokkeren. LET OP: Voer de controle niet uit als de motor warm is.4

Wanneer het nodig is om de bak van de carburateur te legen, ga dan te werk zoals hieronder beschreven. Stel de brandstofkraan op OFF (zie pag. 18). Leg een vod onder de carburator zodat die de brandstof kan opnemen die eruit loopt. Draai de schroef 1 los en laat de brandstof wegstromen tot het bakje volledig leeg is. Draai de schroef 1. LET OP: Voer de handeling uit met een koude motor. LET OP: Brandgevaar! De brandstof is licht ontvlambaar. Voer de handeling niet uit in de buurt van open vuur of aangestoken sigaretten en zet altijd de motor uit. Het bijvullen uitvoeren op een open en goed geventileerde plaats. Maak eventuele sporen van ge- morste brandstof direct schoon. WAARSCHUWING: Vergiftigingsgevaar! De brandstof is een giftige vloeistof, schadelijk voor de gezondheid. Draag geschikte beschermende kle- ding en beschermende handschoenen.4

Verwijder de carburateur van het voertuig na de procedure van het lozen van de bak van de carburateur te hebben gevolgd

Verwijder het bakje en plaats de carbu- rator terug zoals in de afbeelding wordt voorgesteld. Draai de carburator linksom en stop zodra de vlotter de naald van de benzine-inlaat begint te sluiten. Het correcte peil is wanneer het vlakke oppervlak van de vlotters parallel is met het verdeelvlak van het bakje. Zie de 2 rode lijnen in de afbeelding. LET OP: de carburator niet verder dan deze positie draaien, anders drukt het gewicht van de vlotter de veer in de sluitnaald samen, waardoor een positie van de vlotter ver- schijnt die op het eerste zicht verkeerd lijkt. In de afbeelding is een carburator te zien met correct peil op verkeerde manier gepositioneerd. Plaats het bakje terug op de carburator. Monteer de carburator opnieuw op het voertuig, let erop dat u de metalen banden op de moffen goed vastzet. LET OP: voordat u het voertuig start, moet u con- troleren of er speling op de gashendel is (pag. 31). Voorkom dat de brandstof in aanraking komt met huid, ogen en kleding. Adem de brandstofdampen niet in. In het geval van aanraking met de ogen, onmiddellijk spoelen met water en medische hulp inschakelen. In het geval van aanraking met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. In het geval van inslikken, onmiddellijk een arts inschakelen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de brandstof. WAARSCHUWING: Milieuvervuilingsgevaar! De brandstof mag niet in watervoerende lagen, de grond of het afvoersysteem terechtkomen.4

VOORREM VLOEISTOFNIVEAU VOORREM CONTROLEREN Controleer via het niveaulampje A de aan- wezigheid van remvloeistof. Het minimumni- veau van de vloeistof mag nooit minder zijn dan de verkregen referentie op het lampje. VLOEISTOF VOORREM BIJVULLEN Ga over tot bijvullen om het niveau weer te herstellen, door de twee schroeven 1 los te draaien, de deksel 2 op te heffen, en de remvloeistof tot 5 mm onder de bovenrand van het reservoir bij te vullen. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze hande- ling is het noodzakelijk bescher- mende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinde- ren houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.

VOORREM REINIGEN Ga voor een luchtreiniging van het voor- remcircuit als volgt te werk:

  • Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
  • Open de dop van het oliereservoir.
  • Steek het ene uiteinde van een transpa- rant buisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
  • Pomp 2/3 keer en houd de hendel ingedrukt.
  • Schroef het ventiel los en laat de olie uit het buisje lopen.

Als in het buisje luchtbellen zichtbaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling tot- dat er geen continu lekken van olie meer is.

  • Sluit het ventiel en laat de hendel los. OPMERKING: Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
  • Verwijder het buisje.
  • Herplaats de rubberen dop. Sluit de dop van het oliereservoir. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken

LET OP: De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze handeling is het noodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.

2 mm REMBLOKKEN VOORREM CONTROLEREN Om de slijtagestaat van de voorrem te controleren, is het genoeg om de knijper aan de onderkant te bekijken, waar het mogelijk is zicht te hebben op het uiteinde van de twee remblokken, die een remvoe- ringsdikte van ten minste 2 mm moeten tonen. In het geval de laag dunner is, onmiddellijk overgaan tot hun vervanging. Opmerking: De controle uitvoeren volgens de aange- geven tijden in de tabel op pag. 63. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center.

SCHIJFDIKTE REM CONTROLEREN

Controleert regelmatig de staat van de schijf. In het geval er tekenen van schade, strepen of vervormingen te zien zijn, overgaan tot vervanging. Controleer de schijfdikte. De minimale dikte is ingesne- den in de schijf. Overgaan tot vervanging van de remschijf als de limiet nabij of bereikt is. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center.4

ACHTERREM VLOEISTOFNIVEAU ACHTERREM CONTROLEREN Controleer via het niveaulampje A de aanwezigheid van remvloeistof. Het mi- nimumniveau van de vloeistof mag nooit minder zijn dan de verkregen referentie op het lampje. VLOEISTOF ACHTERREM BIJVULLEN Om het peil bij te villen, draait u de twee schroeven 1 los, breng de dop 2 omhoog en vul remvloeistof bij tot 5 mm onder de bovenrand van de tank. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken

LET OP: De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze hande- ling is het noodzakelijk bescher- mende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinde- ren houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4

ACHTERREM REINIGEN Ga voor een luchtreiniging van het achter- remcircuit als volgt te werk:

  • Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
  • Open de dop van het oliereservoir.
  • Steek het ene uiteinde van een transpa- rant buisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
  • Pomp 2/3 keer en houd het pedaal ingedrukt.
  • Schroef het ventiel los en laat de olie uit het buisje lopen.
  • Als in het buisje luchtbellen zichtbaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling totdat er geen continu lekken van olie meer is.
  • Sluit het ventiel en laat het pedaal los. OPMERKING: Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
  • Verwijder het buisje.
  • Herplaats de rubberen dop.
  • Sluit de dop van het oliereservoir. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken.

LET OP: De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze handeling is het noodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4

2 mm REMBLOKKEN ACHTERREM CONTROLEREN Om de slijtagestaat van de achterrem te controleren, is het genoeg om de knijper aan de bovenkant te bekijken, waar het mogelijk is zicht te hebben op het uiteinde van de twee remblokken, die een remvoe- ringsdikte van ten minste 2 mm moeten tonen. In het geval de laag dunner is, onmiddellijk overgaan tot hun vervanging. Opmerking: De controle uitvoeren volgens de aange- geven tijden in de tabel op pag. 63. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center

Controleert regelmatig de staat van de schijf. In het geval er tekenen van schade, strepen of vervormingen te zien zijn, overgaan tot vervanging. Controleer de schijfdikte. De minimale dikte is ingesne- den in de schijf. Overgaan tot vervanging van de remschijf als de limiet nabij of bereikt is. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center.4

KOPPELINGSHENDEL NIVEAU CONTROLEREN Voor het controleren van het oliepeil van de koppelingspomp is het nodig de deksel 1 te verwijderen. Verwijder de twee schroeven 2 en haal de deksel 1 tegelijk met de rubberen blaasbalg weg. Met de koppelingspomp in horizontale positie zou het oliepeil zich op 5 mm boven de bovenrand moeten bevinden. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbe- volen smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: De koppelingsvloeistof is zeer cor- rosief, let daarom op geen enkele druppel te laten vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig.. Voor het uitvoeren van deze hande- ling is het noodzakelijk bescher- mende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinde- ren houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4

  • Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
  • Open de dop van het oliereservoir.
  • Steek het ene uiteinde van een transpa- rant buisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
  • Pomp 2/3 keer en houd de hendel ingedrukt.
  • Schroef het ventiel los en laat de olie uit het buisje lopen.

Als in het buisje luchtbellen zichtbaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling tot- dat er geen continu lekken van olie meer is.

  • Sluit het ventiel en laat de hendel los. OPMERKING: Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
  • Verwijder het buisje.
  • Herplaats de rubberen dop. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbevo- len smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag. 16 gebruiken. LET OP: De koppelingsvloeistof is zeer corrosief, let daarom op geen enkele druppel te laten vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig. Voor het uitvoeren van deze handeling is het noodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken. Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden. LET OP: Laat de vloeistof niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking: - met de ogen, onmiddellijk met water spoelen en een arts raadplegen; - met de huid, onmiddellijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof. Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel mogelijk over tot de interventie van een arts.4

BESTURING STUURSPELING Controleer regelmatig de speling van het stuurbalhoofd door de vork heen en weer te bewegen, zoals afgebeeld in de figuur. Voer in het geval u speling waarneemt de handeling op de volgende wijze uit: Draai de schroeven 1 los. Draai de schroef 2 los. Verhelp de werkende speling met de moer 3. Draai de schroeven vast zoals aangege- ven. 10Nm

OLIE VORKEN De beschrijving met betrekking tot het vervangen van de olie in de vorken wordt enkel verstrekt voor informatiedoelein- den. In feite wordt aangeraden contact op te nemen met een geautoriseerde BETAMOTOR-dealer om deze handeling uit te voeren. BRUGGEN VERWIJDEREN Ga voor de vervanging als volgt te werk: Plaats het voertuig op een middenbok. Verwijder de voorwiel. Verwijder het spatbord, de remklauw en de schijf terug. Draai de afdichtingsschroeven 1 los van de staven en haal ze eruit.

OLIE VERVANGEN RECHTER STANG

Draai de bovenste dop 2 los. Schroef de contramoer voor bevestiging van de dop los en verwijder de dop. Draai de schroef los voor bevestiging van het patroon dat onder de beenkap zit en verwijder het patroon.

Maak het been en het patroon daarna leeg door de olie te laten wegstromen. Monteer het patroon opnieuw in het been en haal de bevestigingsschroef aan, daarna doet u opnieuw olie erin om het patroon te vullen. Nieuwe olie ingieten met de hoeveelheid beschreven in pag. 11. De vloeistof vermeld in de tabel ‘‘Aanbevo- len smeermiddelen en vloeistoffen“ op pag.

Monteer de dop opnieuw op de stang, haal de contramoer aan schroef de dop op de stang met het been volledig uitge- schoven.

OLIE VERVANGEN LINKER STANG

Draai de bovenste dop 3 los. Neem de veer weg en laat alle olie vol- ledig wegstromen. Nieuwe olie ingieten met de hoeveelheid beschreven in pag. 11 Strek het been en monteer de veer op- nieuw. Plaat de dop 3 en zet vast.

MONTEREN Plaats de bruggen aan het voertuig, door de afdichting van de schroeven 1 aan het aangegeven aanhaalmoment te koppelen. LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleutel stabiel op het aanhaalmoment te plaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaal- moment stabiel is. Vet de wielas. Plaats wiel en wielas. Plaats de remklauw, schijf terug en spat- bord. Draai op het aangegeven aanhaalmoment vast. LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleu- tel stabiel op het aanhaalmoment te plaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabiel is. Plaats het voertuig op de grond. De vork 3-4 keer dichtknijpen en loslaten. Draai de wielas en de schroeven voor de steunvoet vast. LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleu- tel stabiel op het aanhaalmoment te plaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabiel is.

ACHTERWIELOPHANGINGS- MECHANISME Om een goede werking en een lange levensduur van de achtervering van het achterwielophangingsmechanisme te ga- randeren, is het raadzaam om regelmatig de correcte sluiting van de moeren en bouten te controleren. Controleer dat de moeren en bouten van het mechanisme bij het aangegeven aan- haalmoment vastgedraaid zijn. Verwijder de hele spatbordgroep om naar de bevestiging bovenaan te gaan (pag. 68). OPMERKING: Het is aanbevolen om de zone van de stangen niet met waterstralen onder druk af te spoelen. De controle uitvoeren volgens de aange- geven tijden in de tabel op pag. 63. Neem contact op met een erkend Beta- motor service-center voor de controle van het mechanisme. 45Nm 30Nm 45Nm BANDEN Plaats alleen banden die zijn goedgekeurd door BETAMOTOR. Andere banden kunnen het functioneren van de motor op straat nadelig beïnvloeden.

  • Om uw veiligheidte garanderen, moeten beschadigde banden onmiddellijk vervangen worden.
  • Gladdebandenbeïnvloedenopnegatievewijzehetfunctionerenvandemotor, vooral op gladde wegen en op terrein.
  • Onvoldoendedrukveroorzaaktabnormaleslijtageenoververhittingvandeband.
  • Hetvoor-enachterwielmoetenwordenuitgerustmetbandenvanhetzelfdeproel.
  • Controleerdedrukalleenwanneerdebandenkoudzijn.

KETTING Voor een langere levensduur van de ket- tingaandrijving, is het aan te raden om regelmatig de spanning te controleren. Altijd vrijhouden van vastzittend vuil en insmeren. Zorg ervoor dat het smeermiddel in geen enkel geval de achterband of de remschijf bereikt, anders zouden de grip van de band op de weg en het functioneren van de achterrem aanzienlijk worden vermin- derd en zou gemakkelijk de controle over de motor kunnen worden verloren. KETTINGSPANNING

CONTROLEREN EN AANPASSEN

Plaats het voertuig op een middenbok. Voer een afstelling uit als de afstand tussen ketting en achterbrug minder dan 20 mm bedraagt. Draai de pin 1 los. 20mm

Los de contramoer 2 (een per zijde) en manoeuvreer de regelaar 3 tot u de ge- wenste spanning verkrijgt. Meet de afstand X tussen de nummerplaat- houder 4 en het contrast 5. Manoeuvreer de regelaar 6 om dezelfde maat X tussen steun 7 en contrast 8 te verkrijgen. Controleer of de afstand tussen ketting en achterbrug met de voorgeschreven afstand overeenkomt. Als de afstand tussen de ketting en de achterbrug niet met de voorgeschreven afstand overeenstemt, moet u de afstelling opnieuw uitvoeren. Op het einde van de afstelling houdt u de regelaar 3 geblokkeerd en haalt u de contramoer 2 (aan elke zijde) met het aangegeven koppel aan. Draai de pin vast bij het aangegeven aanhaalmoment.

KOPLAMP Houd het glas van de projector altijd schoon (pag. 61). VERVANGEN KOPLAMPEN Demonteer het koplamphuis door de twee bevestigingsschroeven 1 aangeduid in de afbeelding te verwijderen. Handel als volgt om de lamp van het groot licht/dimlicht te vervangen: breng de rubberen kap 2 omhoog. Draai de hele lamphouder 3 tegen de klok in en haal de lamphouder daarna uit het koplamphuis. Draai de lamp tegen de wijzers in ten opzichte van de lamphouder. Voer de vervanging uit. Handel in omgekeerde zin in vergelijking met het demonteren om de lamp en de lamphouder opnieuw te monteren.

ACHTERLAMP Houd het glas van de projector altijd schoon (zie pag. 61). De achterlamp is verzegeld en voorzien van led-verlichting. Als één of meer leds doorgebrand zijn, is het noodzakelijk de hele groep te vervangen. Neem voor de vervanging contact op met een geautoriseerd Betamotor service- center. Handel als volgt om de daglamp te ver- vangen: Trek aan de hele lamphouder 4. Neem de lamp vast en trek eraan ten opzichte van de lamphouder. Voer de vervanging uit. Handel in omgekeerde zin in vergelijking met het demonteren om de lamp en de lamphouder opnieuw te monteren. Voer bovenstaande beschrijving in omge- keerde zin uit om de lampgroep opnieuw te monteren, let daarbij op voor de beves- tigingen van het instrument en van de steun van de regelaar. RICHTINGAANWIJZERS Verwijder het glas door de schroef 1 los te draaien om bij de lamp te komen. Haal de lamp uit de lamphouder en voer de vervanging uit.

ALGEMENE VOORZORGSMAATREGELEN LET OP: reinig het voertuig nooit met apparatuur met een krachtige waterstraal onder hoge druk. Overmatige druk kan elektrische onderdelen, connectoren, flexibele kabels, lagers, etc. bereiken en ze beschadigen of vernietigen. LET OP: was regelmatig met koud water de voertuigen die in de buurt van de zee (zout water) en op wegen waar met zout wordt gestrooid in de winter worden gebruikt. Bedek met een dun laagje olie of siliconenspray de niet gelakte onderdelen en die het meest worden blootgesteld, zoals velgen, voorvork en achterbrug. Bewerk de rubberen onderdelen en de remmen niet. Sluit de uitlaat om te voorkomen dat er water lekt. Vermijd bij het reinigen directe blootstelling aan het zonlicht. Vermijd een directe waterstraal op de filterafdekking en de carburateur. WASWIJZE Gebruik een waterstraal om het vuil en modder op de gelakte oppervlakken zacht te maken. Eenmaal zacht, worden vuil en modder verwijderd met een zachte car- rosseriespons doordrenkt van water en ‘‘shampoo‘‘. Vervolgens grondig met water afspoelen, en drogen met het blazen van lucht en een doek of suède. Schoonmaakmiddelen verontreinigen het grondwater. Daarom moet het wassen van het voertuig plaatsvinden in een zone die uitgerust is voor de verzameling en zuivering van wasvloeistoffen door het wassen zelf.

Overgaan tot het lozen van de filterbus door het daarvoor bestemde luchtgat en het drogen. Na het schoonmaken een klein stukje rijden, zodat de motor op temperatuur komt. LET OP: met natte remmen wordt het remeffect verminderd. Voorzichtig de remmen gebruiken om ze te laten drogen. Duw de stuurbescherming naar binnen, zodat het binnengedrongen water kan verdampen. Wanneer de motor volledig gedroogd en afgekoeld is, alle afvoer- en werkings- punten insmeren. Behandel alle kunststof- en gelakte onderdelen met niet-agressieve reinigingsmiddelen of producten, speciaal bedoeld voor de verzorging van het voertuig.4

Bij verwachting van een lange periode van inactiviteit van het voertuig, bijvoorbeeld gedurende het winterseizoen, is het noodzakelijk enkele eenvoudige voorzorgsmaat- regelen te nemen om te zorgen voor een goed onderhoud:

  • Voer een grondige reiniging van alle onderdelen van het voertuig uit.
  • Verminder de bandenspanning met ongeveer 30%, om zo de banden misschien van de grond te houden.
  • Verwijder de bougie en breng enkele druppels motorolie erin via het gat. Laat de motor enkele toeren draaien door de pedaalstarthendel te bedienen. Schroef de bougie opnieuw aan.
  • Bestrijk met een dun laagje olie of siliconenspray de niet- gelakte onderdelen, met uitzondering van de rubberen delen en de remmen.
  • Bedek tegen stofbescherming het voertuig met een doek.
  • Maak het bakje van de carburator leeg zoals beschreven op pag. 42.
  • Controleer alle schroeven van enig mechanisch belang op spanning. Om problemen met het elektrische gedeelte te voorkomen, moet u de elektrische contacten en schakelaars met een spray voor elektrische contacten behandelen. LET OP: eventuele oxidatie van de elektrische contacten kan ernstige storingen op het voedingssysteem veroorzaken.4

SAMENVATTING AANHAALMOMENTEN Hieronder wordt de aanscherping van alle aandraaimomenten beschreven die in het bijzonder onderworpen zijn aan afstelling of onderhoud: Voorstel Aanscherping aandraaimoment [Nm] Schroefdraad- borgmiddel Wielas 50 Poten - wielas 10* Stuurinrichting onder - bruggen vork 25 M Stuurinrichting onder - bruggen vork 10* Stuurinrichting boven - bruggen vork

Steelpin op stuurinrichting boven vork

Stuurbrug boven 20 Achteras Aanscherping aandraaimoment [Nm] Schroefdraadborgmiddel Wielas

Wipschakelaar - frame

Wipschakelaar - barbell

Motor Aanscherping aandraaimoment [Nm] Schroefdraad- borgmiddel Dop afvoer versnellingsbakolie 10 Ontluchtingsschroef koelinstallatie 10 Motor - Frame Aanscherping aandraaimoment [Nm] Vet Voorspatbord 10 Achterspatbord 2,5 G4

M Schroefdraadborgmiddel gemiddelde sterkte

  • LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de mo- mentsleutel stabiel op het aanhaalmoment te plaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabiel is.66

ACHTERSPATBORD Verwijder de schroef 1 en 2 (twee aan iedere kant). Verwijder het spatbord. Plaats aan het einde van de handeling de schroef 1 en 2 terug. Draai op het aangegeven aanhaalmoment vast. 2,5Nm

PROBLEEM OORZAAK OPLOSSING De motor draait maar start nietBrandstofkraan in de stand OFFPositie van de kraan ofwel op ON of RESStraalpijpen van de carburator vuil Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerBougie zwart of vochtig gewor- den Maak de bougie schoon en laat die drogen, eventueel vervangenBougie met ongelijke afstand elektrodenHerstel de juiste afstand tussen de elektroden (pag. 41) Defect in het ontstekingssysteem Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerDe motor geeft onvol-doende vermogen afOntluchting van de tank is verstoptControleer de ontluchting van de tankVoedingsinstallatie is vuil Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerLuchtfilter vuil Reinig de luchtfilterDefecte ontstekingssysteem Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerDe motor valt stil of sputtertGeen brandstof Zet de brzndstofkraan op RESTank bijOnvoldoende dichting op de carburatorControleer of de mof tussen de carburator en de motor intact isConnector of ontstekingsspoel los of verroestControleer de connector. Reinig en behandel met een specifieke sprayDe motor raakt oververhit (er komt vloeistof/stoom uit de ontluchting van de radiator)Radiatorrooster verstopt Verwijder en reinig het rooster (pag. 39) Radiator (luchtzijde) verstopt Maak de radiator schoonGeen geforceerde ventilatie Controleer of de koelventilator cor-rect werktGedeeltelijk geblokkeerde uitlaat Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerVerstuiving te mager Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerRemmen voor onder-maatsVersleten remblokken Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerAanwezigheid van lucht of vocht in het hydraulisch circuitNeem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerRemmen achter onder-maatsVersleten remblokken Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealerAanwezigheid van lucht of vocht in het hydraulisch circuitNeem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer