EVO 2T 200 (2017) - Motorfiets Beta - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EVO 2T 200 (2017) Beta in PDF-formaat.
Veelgestelde vragen - EVO 2T 200 (2017) Beta
Gebruikersvragen over EVO 2T 200 (2017) Beta
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EVO 2T 200 (2017) - Beta en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EVO 2T 200 (2017) van het merk Beta.
GEBRUIKSAANWIJZING EVO 2T 200 (2017) Beta
Dank u voor het gegeven vertrouwen en veel plezier. Wij wollen u met dit boekje de nodige informatie given voor een correct gebruik en een goed onderhoud van uw motor.
BETAMOTOR S.p.A. beholdt zich hetrecht wijzigingen aan te brengen in de gegevens, de kenmerken en de weergegeven afbeeldingen in deze handleiding, evenals het bepalen van verbeteringen aanhaar modellen op ieder moment en zonder een specifieke mededeling.
Code 007440300 000
WAARSCHUWING
Het wordt aanbevolen om na het eerste of tweede uur van gebruik op terrein alle bevestigingen te controleren, en in het bijzonder:
- kroonwiel
- controller juiste bevestiging yoetsteunen
- hendels/remklauwen/remschijven voor/achter
- controller juiste bevestiging kunststofonderdelen
bouten motor
bouten schokdemperschommelvork - spaken/schroefassen wielen
frameGPCter - pijpverbindingen
- kettingspanning
WAARSCHUWING
Richt u zich, indien er bewerkingen op het voertuig要去en worden uitgevoerd, tot de hulpdienst van Betamotor.
INHOUDSOPGAVE
Toelichtingen op het gebruik van het voertuig 5
Symbolen 5
Rijveilig. 6
Gegevens voertuigindicatie 8
Kennis van het voertuig. 9
Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen 16
HFDST. 2 GEBRUIK VAN HET VOERTUIG 17
Hoofdelementen 18
Instructies werking digitale snelheidsmeter 22
Controleer voor en na gebruik 26
Inrijden 26
Brandstoffoevoer 27
Starten motor 28
Uitschakelen motor 28
HFDST. 3 AFSTELLINGEN 29
Legenda symbolen 30
Koppeling 30
Gashendel 31
Gashendel 31
Afstelling positie stuur 31
Afstelling voorvork 32
Schokdemper 32
Bijstellen veringen in verhouding tot bestuurdersgewicht. 34
Afstelling van de koplamp 34
HFDST. 4 CONTROLES EN ONDERHOUD 35
Legendasymbolen 36
Versnellingsbakolie 36
Koelvloeistof 37
Luchtfilter 39
Bougie 41
Carburateur 42
Voorrem 44
Achterrem 47
Koppelingshendel 50
Besturing stuurspeling 52
Olievorken 53
Banden 56
Achterwielophangingsmechanisme 56
Ketting 57
Koplamp 59
Achterlamp 60
Richtingaanwijzers 60
Reiniging van het voertuig 61
Lange inactiviteit van het voertuig 62
Gepland onderhoud 63
Samenvatting aanhaalmomenten 64
HFDST. 5 DEMONTAGE EN MONTAGE BOVENBOUW 67
- Het voertuig moet verplicht voorzien�n van: nummerplaat, registratiedocument, keurmerk en verzekering.
Wijzigingen aan de motor of andere onderdelen worden door de wet bestraft met strenge sancties, met inbegrip van de confiscatie van het voertuig. - Blij nicht op het voertuig zitten wanneer de standarduiitgeklapt is.
- Start de motor nicht in gesloten ruimten.
LET OP:
Wijzigingen en sabotage tijdens de garantieperiode stellen de Fabrikant vrij van alle aansprakelijkheid en lately de garantie vervallen.
SYMBOLEN

VEILIGHEID/AANDACHT
Het Niet respecteren van de aanduiding van dit symbol kan leiden tot gevaar voor de persoon.

INTEGRITEIT VAN HET VOERTUIG
Het Niet respecteren van de aanduiding van dit symbool kan leiden tot serieuz schade aan het voertuig en het verwallen van de garantie.

GEVAAR BRANDBARE VLOEISTOF

Lees aandachtig de handleiding over gebruik en onderhoud.

Het gebruik van het voertuig is gebonden aan het gebruik van speciale beschermende kleding en veiligheidsschoenen.

BESCHERMINGSHANDSCHOENEN VERPLECHT
Om de beschreiben handelingen uit te voeren, is het gebruik van beschermingshandschoenen verplicht.

GEBRUK VAN OPEN VUUR OF ONGECONTROLERDE ONTSTEKINGSBRONNEN VERBODEN

ROKEN VERBODEN

GSM-GEBRUIK VERBODEN

GEVAAR BIJTENDE STOFFEN
De vloeistoffen aangeduid met dit symbolল sterk bijtend: hanteren met zorg

VERGIFTIGINGSGEVAAR
RIJ VEILIG
- Respecteer de verkeersregels
- Draag altijd officieel erkende persoonlijke veiligheidsvoorzieningen
Rijd altijd met de dimlichten aan - De beschermbril alsijd schoonhonden
- Draag kledij zonder bengelende uiteinden
- Niet rijden met breekbare of suntige voorwerpen in de zak
- De weiteruitkijkspiegels goed afstellen
- Altijd zittend rijden, met beiden handen aan het stuur en de voeten op de voetsteunen
- Niet gekoppeld aan andere voertuigen reizen
- Niet slepen of gesleegt worden door andere voertuigen
- Houd altijd de veiligheidsafstanden
- Niet vertrekken met uitgeklapte standard
- Steigeren, slalommen en schommelen is zeer gevaarlijk voor u, voor anderen en voor uw voertuig
- Gebruik op wegen vrij van grind of zand beiden remmen;=een alleen kan leiden tot gevaarlijk en onontroleerbaar slippen
- Gebruik bij het remmen beiden remmen om zo het voertuig met minder ruimte tot stilstand te brengen
- Rijd op natte wegen en op terrein voorzichtig en met een matige snugelheid: gebruik de remmen met grotere gevoeligheid
Gegevens voertuigindicatie 8
Kennis van het voertuig. 9
Hoofdonderdelen 9
Technische gegevens 10
Gewicht 10
Voertuigafmetingen 10
Banden 10
Capaciteit 10
Voorwielophanging 11
Achterwielophanging. 11
Voorrem 11
Achterrem 11
Motor. 12
Carburateur 12
Verschil 13
Elektrische structuur 14
Bedradingsschema 14
Legendabedradingsschema 15
Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen 16
1
ALGEMENE INFORMATIE


GEGEVENS VOERTUIGINDICATIE
FRAMENUMMER
Het framenummer A is gedrukt op het balhoofd van het stuur aan de rechterkant.
MOTORIDENTIFICATIE
De motoridentificatie B is gedrukt op de aangegeven plaats in de atbeelding.
LET OP: Wijziging van het identificatienummer wordt krachtens de wet streng bestraft.

KENNIS VAN HET VOERTUIG

HOOFDONDERDELEN
1 Brandstoffank
2Tankdop
3 Demper
4 Achterschokdempers
5 Koplamp
6 Achterlicht
7 Standard
8 Voorvork
9 Voetsteunen bestuurder
10Lage bumper
1 1 Motor
12Voorspatbord
13 Achterspatbord
14 Kickstartpedaal
15Versnellingspook
16 Achterrempedaal
17Hendelvoorrem
18Koppelingshende
19 Gashendel
20 Nummerplaat
21 Richtingaanwijzers
22 Hoorn
TECHNISCHE GEGEVENS
GEWICHT
| Versie EVO 125 EVO | O 250 EVO | 300/300S$ | |
| Droog gewicht [kg] 76 | 77 77 | ||
| Voorkant [kg] 38 38,5 | 38,5 | ||
| Achterkant [kg] 38 38,5 | 5 38,5 |
VOERTUIGAFMETINGEN
maximale lengte 2020 mm
maximale bredte 850 mm
wielbasis. 1305 mm
maximalehoogte vanaf de grond 1115mm
bodemvrijheid 310 mm
zadelhoogte 660 mm
BANDEN
| Afmetingen | Druk [Bar] | ||
| Voorband | Achterband | Voorband | Achterband |
| 2,75 - 21 | 4,00 - 18 | 0,4 ÷ 0,5 | 0,3 ÷ 0,4 |
CAPACITEIT
brandstoftank 2,8 liter
waarvan reserve. 0,5 liter
koelcircuit:
| Versie EVO 125 EVO 2 | 50 EVO | 300/300SS | |
| Met droog circuit [ml] | 630 | 530 | 530 |
| Met leeggemaakt circuit [ml] | 530 | 420 | 420 |
versnellingsbakolie 550 ml
VOORWIELOPHANGING
| Versie EVO 125 EVO 250 EVO 300/300SS | ||||||
| Amplitude wieI [mm] | 166 166 166 | |||||
| Rechter vorkpoot | Linker vorkpoot | Rechter vorkpoot | Linker vorkpoot | Rechter vorkpoot | Linker vorkpoot | |
| K veer [N/mm] | X7,65 X7,65 X | 7,65 | ||||
| Type olie Shell Tellus S2 V32 SAE 6,1 | ||||||
| Oliepeil [mm] (in buisje met samenge- drukte voorvork) | 65 | 125 | 65 | 125 | 65 | 125 |
| Basisinstelling veervoorspan- ning | X | Volledig open | X | Volledig open | X | Volledig open |
| Click-in over- brenging | Volledig open | X | Volledig open | X | Volledig open | X |
ACHTERWIELOPHANGING
| Versie | EVO 125 | EVO 250 | EVO 300/300SS |
| K veer | 70N/mm | 70N/mm | 70N/mm |
| Lente veer in zitting [mm] | 126,5 126,5 | 126,5 | |
| Type olie | Olie titan SAF 5045 Eu 137 RED | ||
| Click-in overbrenng | 3,5 uit volle-dig gesloten | 3,5 uit volle-dig gesloten | 3,5 uit volledig gesloten |
VOORREM
Met schijf 185 mm met hydraulische aansturing
ACHTERREM
Met schijf 160mm met hydraulische aansturing
MOTOR
| Versie EVO 125 | EVO 250 EVO 300 EVO | 300SS | |
| Type | Eencilinder, 2T | Eencilinder, 2T | Eencilinder, 2T |
| Boring x slag 54 x | 54,5 72,5 x 60,5 79 x 60,5 | 79 x 60,5 | |
| Cylinderinhoud [cm3] | 124,8 249,7 296,5 296,5 | ||
| Compressieverhou-ding | 15,9:1 9:1 | 10,17:1 9,96:1 | |
| CO2 [g/km] 60 68 | 66 66 | ||
| Brandstofverbruik [l/100km] | 2,6 2,9 2,8 2,8 | ||
| Voeding | haar carbu-rateur zonder mixer ( 1,5%) | haar carbu-rateur zonder mixer ( 1,5%) | haar carbu-rateur zonder mixer ( 1,5%) |
CARBURATEUR
| EVO 125 EVO 250 EVO | 300/300SS | |
| Type carburateur | PWK 28 PWK 28 PWK 28 | 75 |
| Sproeier maximum | 85 | 80 |
| Sproeier minimum | 42 | 38 |
| Sproeier starter | 60 | 60 |
| Naald | LHQ | LHQ |
| Positie naald (van boven) | 3° | 3° |
| Draaien luchtstroom (uit volledig gesloten) | 2 | 2 |
Koeling... met vloeistof; geforceerd vloeistofcircuit met pomp Bougie. NGK IR GR7CI-8 Koppeling. meerdere geoliede schijven
VERSCHIL
| Versie EVO 1 | 25 EVO 250 | EVO 300/300SS |
| Primaire aan-drijving | 20/71 22/69 22/69 | |
| Verband totverandering 1° | 12/34 12/34 12/34 | |
| Verband totverandering 2° | 14/32 14/32 14/32 | |
| Verband totverandering 3° | 15/29 15/29 15/29 | |
| Verband totverandering 4° | 18/27 18/27 18/27 | |
| Verband totverandering 5° | 24/22 24/22 24/22 | |
| Verband totverandering 6° | 28/18 28/18 28/18 | |
| Secundaire aan-drijving | 43/9 42/1 42/11 |
Ontsteking.elektronische Hidria 12V-110W
1
Voor een better functioneren en een langere levensduur van het voertuig worden aan geraden om bij voorkeur de producten vermeld in de tabel te gebruiken:
| PRODUCTTYPE TECHNISCHE SPECIFICATIONS | |
| GEMENGDE OLIETANK LIQUI MOLY RACING SYNTH 2T | |
| OLIE VERSNELLINGSBAK EN KOPPELING | LIQUI MOLY RACING 4T 10W-30 |
| REMOLIE LIQUI MOLY BRAKE FLUID | DOT4 |
| OLIE BESTURING KOPPELING LIQUI | MOLY BRAKE FLUID DOT4 |
| OLIE VORKEN SHELL TELLUS S2 V32 | - SAE 6.1 |
| SMEEROLIE KOPPELING LIQUI MOLY | SCHMIERFIXIX |
| KOELVLOEISTOF | LIQUI MOLY COOLANT READY MIX RAF12 PLUS |
HFDST. 2 GEBRUIK VAN HET VOERTUIG
INHOUD THEMA'S
Hoofdelementen 18
Brandstofkraan 18
Starter. 18
Koppelingshendel 18
Schakelaar links 19
Schakelaar rechts 19
Hendel voorrem en gas 19
Versnellingspook 20
Rempedaal 20
Kickstartpedaal 20
Standaard 20
Sleutels 21
Het voertuig worden geleverd met twee sleutels (eén als reserve). 21
Beveiligingsystem gegen ongeoorloofd gebruik 21
Instructies Werking digitale snelheidsmeter 22
Hoofdonderdelen 22
Controleampies 22
Instructies voor de werking van de knop afstelling 23
Instructies voor de werking van de knop selectie. 24
De instellingsmodus openen 24
Controleer voor en na gebruik 26
Inrijden 26
Brandstoffevoer 27
Starten motor 28
Uitschakelen motor 28




HOOFDELEMENTEN BRANDSTOFKRAAN
De brandstofkraan heeft drie standen:
OFF: brandstoffoevoer gesloten. De brandstof kan nicht van de tank maar de carburateur gaan.
ON: brandstoftoevoer geopend. De brandstof gaat van de tank waar de carburateur. De brandstoftank loopt leeg totdat het reserveniveau worden bereikt.
RES: toevoer van de reservebrandstof. De brandstof gaat van de tank maar de carburateur; de tank loopt volledig leeg.
Let op!
Tijdens wedstrijdgebruik of in extreme "trial zone" is het aanbevolen om de kraan op "RES" te zieten om optimale aanzuiging in alle omstandigheden te verzekeren.
STARTER
De startershendel bevindt zich bij de carburateur.
De starter waar boven duwen om te activeren.
KOPPELINGSHENDEL
De koppelingshende! is gemonteerd aan de linkerkant van het stuur.
SCHAKELAAR LINKS
De verlichting en bediening van de schakelaar bevindt zich aan de linkerkant van het stuur en is opgebouwd UIT:
1 - Claxonknop;
2 - Verlichtingsschakelaar:

verlichting en grootlicht aan;

verlichting en dimlicht aan;
3-Flashgrootlicht;
4-Schakelaar richtingsverlichting: door de hendel aan links of rechts te verschuiven worden de richtingaanwijzers links of rechts geactiveerd; zet de hendel opnieuw in het midden om de richtingaanwijzers te deactiveren.

SCHAKELAAR RECHTS
De omschakelaar om uit te schakelen bevindt zich aan de linkerkant van het stuuren is opgebouwd uit:
uitschakeling motor: u dient die ingedrukt te houden tot de motor uitgaat.

De voorremhendel 1 en de gashendel 2 waar op de rechterkant van het stuur gemonteerd.





VERSNELLINGSPOOK
De versnellingspook is gemonteerd aan de linkerkant van de motor.
De positie van de versnellingsbak is aangegeven in de figuur.
REMPEDAAL
Het rempedaal is gespositioneerd voor de rechter voetsteun.
KICKSTARTPEDAAL
Het kickstartpedaal is gemonteerd aan de linkerkont van de motor.
Het bovenste deel is verstelbaar.
STANDAARD
Druk de standard met de voet op de grond en LAST deze de motor dragen. Zorg ervoor dat de grond stevig is en de positie stabel.

LET OP! De standard is uitgerust met een automatisch sluitsystem.
Wanneer de belasting van het voertuig op de standard minder worden, dan gaat deze standard automatisch damit.

LET OP: Niet op het voertuig stappen wonneer de standardaar naarbeneden is.
SLEUTELS
Het voertuig wordt geleverd met twee sleutels (eén als reserve).
BEVEILIGINGSSYSTEEM TEGEN ONGEOORLOOFD GEBRUIK
Om het systeem in te schakelen:
draai het wiei tot de stift van het blokeersystem via een van de vensters op het kroonwiel ontbloot wordt;
steek de sleutel in het slot, draai de sleutel linksom en duw tot de stift op de eindaanslag komt. Vanuit deze positie draait u de sleutel rechtsom en haal dan de sleutel weg.
Op die manier is het anschterwiel geblokkeerd.
Om het systemeuit te schakelen:
steek de sleutel in het slot en draai de sleutel linksom:
- laat de sleutel los tot de stift in rustpositie kommt. Viaudeau positie kan het awhile vrij draaien.
LET OP: de réservesleutel nicht bij de motor laten, maar op een veilige plaats bewaren. Wij raden aan om het serienummer dat u op de sleutel aantreft te noteren, om zo eventueel een duplicateat te konnen aanvragen.

LET OP! Voordat u het voertuig aanzet, moet u controleren of het system isuitgeschakeld.



Chronometer: afstelling van de gedeeltelijkeijd op basis van de ingestelde afstand.
Snelheidsregelaar: afstelling van de maximumsnelheid en gemiddelde snelheid.
Snelheidsmeter
Gemeten interval: 0 360km / h (0~225 MPH)
Maateenheid: km/h o MPH
Controleampjes
Grootlicht(blauw) Richtingaanwijzer (groen) MIL-controlelampie
Selectieknop
Druk vanuit het hoofschem om de selectieknop om de chronometer en de afstelling van de maximumsnelheid te selecteren.
Opmerking:
de inschakeling van het instrument gebeurt samen met de inschakeling van de motor. Onderstaande instellingen können alleen worden uitgevoerd als de motor gestart is.
Knop Afstelling
Druk op de knop Afstelling
om te schakelen fussen Kilometerteller (ODO),
Gedeeltelijke kilometerteller A/B (TRIP), Totaalteller, et scherm Trip A/B houd de knop Afstelling 3 seconden ingedrukt om de geedeeltelijke teller B op nul te stellen
Kilometerteller
Gemeten interval: 0 99999 km (mijlen),
automatisch gereset na 99999 km (mijlen).
Maateenheid: 1 km (mijl).
Gedeeltelijke kilometerteller
Gemeten interval: 0 9999.9 km (mijlen),
automatisch gereset na 999.9 km (mijlen).
Maateenheid: 0.1 km (mijl).
CONTROLELAMPJES

1 Grootlicht
Het systemd activeert het Licht gelijktijdig met de activering van het grootlicht.
2 Knipperlichten
Het systemeert het Licht gelijktijdig met de activering van het grootlicht.
3 Controleampje Diagnose
Het systeme activiert het contrôlelampje wannes er een technisch probleem wordt gedetecteerd.
INSTRUCTIES VOOR DE WERKING VAN DE KNOP AFSTELLING

INSTRUCTIES VOOR DE WERKING VAN DE KNOP SELECTIE

DE INSTELLINGSMODUS OPENEN
Werkingsinstructies

Installing afstand chronometer

Druk op de knop Selectie om te kiezen tessen automatische/handmatige modus van de chronometer.
Als u Auto kiest, drukt u op de knop
Installing om de instelling van de chrono
te verlaten.

OPMERKING: Voorgedefinieerd: AUTO

Van a i naar a 2 overgaan
Druk op de knop Selectie om van het scherm voor instelling van de totale kilometertelling.

Druk op de knop Afstelling om de insteling van de totale kilometerteller in te voeren.

Installing gedeeltelijke kilometerteller (ODO)

Druk op de knop Afstelling om het huidige scherm ODO wee te gehen.
Druk op de knop Selectie om de ODOinstelligen van de gebruiker in te voeren.

Druk op de knop Afstelling om de ODOinstelligen van de gebruiker in te voeren.

Druk op de knop Afstelling om maar de functie afstelling ODO terug te keren. Druk op de knop Selectie om maar de weergave van de functie afstelling ODO over te gaan.

In het scherm Instellingen houdt u beiden knoppen Afstelling en Selectie gedurende 3 seconden ingedrukt om de instellingen te verlaten.
CONTROLER VOOR EN NA GEBRUIK
Voor veilig rijden en een lange levensduur van het voertuig wordt aangeraden om:

Alle vloeistofniveauaus te controleren.

- Een correcte werkig van de remmen en remblokken te controlleren (pag. 46).

-
De druk, algemene conditie en dikte van de trede te controlleren (pag. 10).
-
De juiste spanning van de spaken te controleren.
- De kettingspanning te controlleren (pag. 57).

- De afstelling en de goede werkig van alle flexibele besturingskabels te controeren.

Schroeven en boute n in het algemeen na te lopen.
- Bij een draaiende motor de werkung van de koplampen, achechterlicht, remlicht, richtingaanwijzers, controelampjes en de claxon te controleren.
- Het voertuig grondig te reinigen na gebruik op terrein (pag. 61).
INRIJDEN
Het inrijden duurt ongeveer 5 uu. Gedurende deze periode wordt aangeraden om:
- Te voorkomen op constante snugelid te rijden.
Vermijd om de gashendel meer dan 3/4 over te draaien.
LET OP:
Na de eerste 5 uur de versnellingsbakolie verrangen.
Deze procedures moeten telkens worden herhaald wonneer zuiger, zuigerveren, cylinderblok, krukas of motoras worden verrangen.
BRANDSTOFTOEVOER
Gebruik een meldsel van superbenzine zonder loed en synthetische olie van 1,5%.
De brandstoftankinhoud is terug te vinden op pag. 10.
Draai de dop van de brandstoftank segen de klok in om te openen.
Zet de dop van de brandstoftank op de zitting en schroef die met de klok mee om de dop te sluiten.

Raadpleeg de tabel voor het type oliemengsel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen".

LET OP:
Het bijvullen wordt uitgevoerd met de motoruit.

LET OP:
Brandgevaar. De brandstof is Licht ontvlambaar.

Voer het bijvullen van het voertuig Niet uit in de buurt van open vuur of aangestoken sigaretten en zet.altijd de motor uit.

Niet bijvullen gedurende het gebruik van een mobiele telefoon.
Het bijvullen uittvoeren op een open en goed geventileerde plaats.
Let in het bijzonder op dat de brandstof Niet in contact komt met warme delen van het voertuig. Maak eventuele sporen van gemorste brandstof direct schoon.

WAARSCHUWING: Vergiftigingsgevaar.
De brandstof is een giftige vloeistof, schadelijk voor de gezondheid.

Voorkom dat de brandstof in aanraking komt met huid, ogen en kleding. Adem de brandstofdampen Niet in. In het geval van aanraking met de ogen, onmiddelijk spoelen met water en medische hulp inschakelen. In het geval van aanraking met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. In het geval van inslikken, onmiddelijk een arts inschakelen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de brandstof.
WAARSCHUWING: Milieuvervilingsgevaar.
De brandstof mag nicht in watervoerendelagen, de grond of het afvoersystemterechtkommen.
STARTEN MOTOR
Zet de brandstoftankkraan op ON of RES (zie pag. 18).
- Controller of de versnellingsbak in neutraal staat (pag. 20).
-Trek aan de koppelingshendel (pag. 19).
MET KICKSTARTPEDAAL (pag. 20):
Het pedaal intrappen om de motor te starten door met de voet een flinke slag te gehen.


LET OP
Zodra het pedaal ingetrapt is\ deze onmiddelijk loslaten. Dat\ voorkomt terugslag voor het\ hele startsysteme en de voet.
ALS DE MOTOR Koud IS:
Zet de starter aan (pag. 18), start de motor, wacht eenaar seconden, en breng de starter dan terug in beginpositie.
UITSCHAKELEN MOTOR
Omdemotorstoptppen:
- Druk om de motor uit te schakelen op de aanwezigne knop de rechter schakelaar groep (zie pag. 19).
OPMERKING:
Met de motor uit altijd de brandstofkraan op OFF zetten (pag. 18).
HFDST. 3 AFSTALLINGEN
INHOUD THEMA'S
Legendasymbolen 30
Koppeling 30
Gashendel 31
Gashendel 31
Minimum toerental 31
Afstelling positie stuur 31
Afstelling voorvork 32
Afstelling terugveringsdemper 32
Afstelling veervoorspanning 32
Schokdemper 32
Afstelling terugveringsdemper 32
Afstelling veervoorspanning 33
Bijstellen veringen in verhouding tot bestuurdersgewicht. 34
Afstelling van de koplamp 34
LEGENDA SYMBOLEN

scherping aanhaalmoment

Schroefdraadborgmiddel
gemiddelde sterkte

Vet


KOPPELING
De positie van de hendel van koppeling kan worden afgesteld door de schroeven van de regelaar 1 aan te passen.
Wanneer de positie van de hendel is verandered, moet u de regelaar 2 om de correcte speling zoals in het begin te herstellen.
De lege loop van de neuspartij mag nicht minder dan 0,9 mm bedragen.

AANDACHT: een beperkte spelimg leidt tot vroegtijdige slijtage van de schijven en oververhitting van de hele koppelingsgroep.
GASHENDEL
De gashendel moet alkijd een speling van 3-5 mm hebben. Bovendien mag bij een draaiende motor het toerental Niet varieren wonneer maar rechts of links wordenuitgeweken. Handel als volgt om de speling bij te regelen:
- Draai de borgmoer 1 los.
- Draai de regelaar 2 ten opzichte van de bekleding 3.
- Zet de borgmoer 2 vast.

GASHENDEL
MINIMUM TOERENTAL
Om deze handeling correct uit te voeren, is het aanbevolen om dit uit te voeren terwijl de motor warm is, en een elektronische toerenteller op de kabel van de bougie aan te sluiten.
Daarna draait u met een schroevendraaier aan de stelschroef A om het minimum op 900÷ 1.000 rpm af te stellen.
AFSTELLING POSITIE STUUR
Het stuur kan worden afgesteld door hetbeen en weeer draaien.
- Draai schroef 1 los om het stuur af te stellen.
- Plaats het stuur volgens uw eigengehoften
- Draai op het aangegeven aanhaalmoment vast.





AFSTELLING VOORWORK
AFSTELLING TERUGVERINGSDEMPER
De groep hydraulische terugveringsdempers bepaalt de werking van de voorvork tijdens terugvering, en kan worden geregeld via de schroef 1. Door de schroef met de klok mee te draaien wordt de werking van deterugveringsdempers vergroot, terwijl tegen de klok in draaieni de werking van deterugveringsdempers vermindert.
Raadpleeg voor het standard bijstellen pag. 11.
AFSTELLING VEERVOORSPANNING
De veervoorspanning wordt met behulp van de schroef 2 afgesteld. Als u rechtsom draait, neemt de voorspanning toe; als u linksom draait, neemt de voorspanning af.
Raadpleeg voor het standard bijstellen pag. 11.
SCHOKDEMPER
AFSTELLING TERUGVERINGSDEMPER
De groep hydraulische terugveringsdempersbepaalt de werking van de schokdempertijdens terugvering, en kan worden gere-geld via de schroef 1. Door de schroef met de klok mee te draaien wordt de werking van de terugveringsdempers vergroot, terwijl gegen de klok in draaien de werking van de terugveringsdempers vermindert. Raadpleeg voor het standard bijstellen pag. 11.
Opmerking:
De afstelling kan gemakkelijk worden uitgevoerd met een scharnierende pijpsleutel.
AFSTELLING VEERVOORSPANNING
Volgt te werk om de veervoorspanning te passen:
Draai de borgmoer 1 los en draai de moer 2 met de klok mee om de veervoorspanning te vergroten (en dus van de schokdemper); draai gegen de klok in om de veervoorspanning te verminderen. Draai na het verkrijgen van de gewenste voorspanning de borgmoer 1 tot stagneren vast op de moer van afstelling 2.
Raadpleeg voor het standard bijstellen pag. 11.
Opmerking: gebruik een specifieke sector-sleutel met vierkante neus voor de verplaatsing van de bouten.
LET OPI! De schroef 3 mag om geen enkele reden worden verplaatst.



3
BIJSTEMLEN VERINGEN IN VERHOUDING TOT BESTUURDERSGEWICHT
Hier worden de elastische coëfficienten K van de veringen (voorvork en schokdempo) gerapporteer die indicatief zijn voor de verhouding tot het gewicht van de bestuurdere.
| p < 70 Kg 70 Kg | < p < 80 Kg 80 Kg | < p | |||
| Regeling Regeling | Regeling | ||||
| Voorvork | Schokdemper | Voorvork | Schokdemper | Voorvork | Schokdemper |
| Standaard | Standaard | + 5 slagen vorspanning | + 1,5 slagen vorspanning | + 10 slagen vorspanning | + 3 slagen vorspanning |
LET OPI Toegestane max. voorbelasting schokdempo = +6 toeren
AFSTELLING VAN DEKOPLAMP
- De afstelling van de Lichtstraal vindtplaats door de inclinatie van de optische groep aan te passen via de schroef 1 en de moer 2.
- Plaats het voertuig (vlak, maar nicht op de standard) op 10 m van een verticale wand.
- Meet de hoogte vanaf het midden van de schijnwerper op de grond en breng die met een kruisje aan op de muur op 9-/10 van de hoogte van de koplamp.
- Terwijl enkel het grootlicht aan is, gaat u op de motor neerzitten en controleert u of de lichtstraal die op de muur worden geprojeeteerd net onder het kruisje op de muur valt. Als dit Niet het geval is,要去 u een afstelling uithvoeren.
- Hetrichten van de lichtstraal moet regelmatig gecontroleerd worden. De afsteling gebeurt enkel verticaal.


Op het einde van de afstelling moet u contraleren of de moer 2 goed is aangehaald op de steun van het instrument.
HFDST. 4 CONTROLES EN ONDERHOUD
INHOUD THEMA'S
Legenda symbolen 36
Versnellingsbakolie 36
Niveau controlleren 36
Vervanging 36
Koelvloeistof 37
Niveau controlleren 37
Vervanging 38
Radiatorrooster 39
Luchtfilter 39
Ontkoppeling en montage luchtfilter 39
Reiniging luchtfilter 40
Afvoerbakcarburateur 42
Niveau drijver controleren 43
Voorrem 44
Vloeistofiveau voorrem controlleren 44
Vloeistof voorrem bijvullen 44
Voorrem reinigen 45
Remblokken voorrem controeren 46
Schijfdikte rem controleren 46
Achterrem 47
Vloeistofiveau achterrem controleren 47
Vloeistof ache terrem bijvullen 47
Achterrem reinigen 48
Remblokken acheterrem controleren 49
Schijfdikte rem controleren 49
Koppelingshendel 50
Niveau controlleren 50
Reinigen koppelingscircuit 51
Besturing stuurspeling 52
Olievorken 53
Bruggen verwijderen 53
Olie vervangen rechter stang 53
Olie verrangen linker stang 54
Bruggen en details monteren 55
Banden 56
Achterwielophangingsmechanisme 56
Ketting 57
Kettingspanning controlleren en aanpassen 57
Koplamp 59
Vervangen koplampen 59
Achterlamp 60
Richtingaanwijzers 60
Reiniging van het voertuig 61
Algemene voorzorgsmaatregelen 61
Lange inactiviteit van het voertuig 62
Gepland onderhoud 63
Samenvatting aanhaalmomenten 64
4
CONTROLES EN ONDERHOUD




LEGENDA SYMBOLEN

scherping aanhaalmoment

Schroefdraadborgmiddel
gemiddelde sterkte

Vet
VERSNELLINGSBAKOLIE
NIVEAU CONTROLEREN
Breng het voertuig in een verticale positie ten opzichte van de grond.
Wanneer de motor koud is, moet u via het kijkgat 1 controlleren of er olie aanwezig is. Het oliepeil moet altijd via het kijkgat zichbaarijken. Als dit Niet het geval is, moet u bijvullen via de vuldop 2.
De olie vermeld in de tabel "Aanbevolensmeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.
VERVANGING
Voer altijd de verranginguit als de motor warm is:
- Parkeer de motor op een vlakke en stabiele bodem.
- Plaats een vat onder de motor
- Draai de tapdoppen 1 en 2 los
- Laat de carter volledig leeglopen
- Plaats de dop 2
Vul met de hoeveelheid vloeistof aangegeven op pag. 10. De olie vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken - Sluit de tapdop 1.

LET OP:
Hete olie kan ernstige brandwondenveroorzaken!
KOELVLOEISTOF
NIVEAU CONTROLEREN
Breng het voertuig in een verticale positie ten opzichte van de grond.
Het controleren van het niveau moet worden uitgevoerd als de motor koud is op de volgende manier:
-
Schroef de dop 1 los en zorg ervoor dat de vloeistof zichtaar is in het onderste deel van de toevoerbuis.
-
In het geval de vloeistof zichtbaar is,plaats het voertuig volgens figuur los en ga over tot bijvullen.
- Plaats na de handeling te hebben uitgevoerd wee de tapdop.
De olie vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.

LET OP:
Draai nooit de tapdop van de radiator los als de motor warm is. Brandwon-dengevaar!

LET OP:
Draag geschickt beschemende kleding en beschemende handsohenen.

Koelvloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

Laat de koelvloeistof Niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking:
- met de ogen, onmiddelijk met water spoelen en een arts raadplegen;
- met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen.
Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de koelvloeistof.
Ga in geval van inname van de koelvloeistof zo snel möglichk over tot de interventie van een arts.


4




VERVANGING
Parkeer de motor op een vlakke en stabiele bodem.
De verwanging van de koelvloeistof moet worden uitgevoerd als de motor koud is.
1) Draai de dop 1 los.
2) Plaats een vat onder de schroef 2.
3) Draai de schroef 2 los.
4) Laat de vloeistof wegstromen.
5) Draai de schroef 2 vast door de spe-ciale sluitring te plaatsen.
6) Draai de ontluchtingsschroef 3 los en vul tot er vloeistof uif de schroef begint te komen.
7) Draai de schroef 3.
8) Plaats het voertuig volgens figuur los en ga over tot bijvullen.
9) Herplaats de tapdop 1.
De hoeveelheid vloeistof staat aangegeven op pag. 10.
De vloeistof vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.

LET OP:
Draai nooit de tapdop van de radiator los als de motor warm is. Brandwon-dengevaar!

LET OP:
Draag geschikte beschemende kleding en beschemende handsohen.

Koelvloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

Laat de koelvloeistof Niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking:
- met de ogen, onmiddelijk met water spoelen en een arts raadplegen;
- met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de koelvloeistof.
Ga in geval van inname van de koelvloeistof zo snel möglichk over tot de interventie van een arts.
RADIATORROOSTER
Handel als volgt wonneer het rooster verzstopt is:
Verwijder het rooster door het voertuig waar voren te trekken.
Schud het rooster en spoel.
Breng het rooster opnieuw aan door die\ aar de radiator te duwen.

LUCHTFILTER
Het is raadzaam om na iedere rit te controleren.
ONTKOPPELING EN MONTAGE LUCHTFILTER
Om toegang te krijgen tot het filter is het nodig:
- Draai de bevestigingschroef 1 van de afdekking achteraan los.

4

- Verwijder het raamwerk van de filter en de filter door de schroef 2 los te draaien.

LET OP:
Controleer na iedere keer of er binnenin het filter geen enkel object is achtergebleven.
Ga over tot het werk in elkaar zetten, door de handeling in omgekeerde volgorde uit te voeren.
REINIGING LUCHTFILTER
-
Was de filter zorgvuldig met water en zoep.
-
Laat de filter drogen.
-
Bevochtig de filter met specifieke olie en verwijder daarna de overtollige olie, zodate die nicht druppelt.
-
Indien nodig de filterdoos ook vanbinnen reinigen.

LET OP:
De filter nicht met benzine of aardolie reinigen.

OPMERKING:
Als het filter is beschadigd, ga dan direct over tot verrangen. Neem voor de verranging contact op met een geauthoriseerd Betamotor service-center.
Controleer de staat van de pakkingen op de ondoorlaatbaarheid van de luchtfilterkast, opgesteld zoals op de Foto is te zien. Vervang ze wanner ze versleten zich.
Neem voor de verwangng contact op met een geauthoriseerd Betamotor servicecenter.

LET OP:
Zet nooit de motor aan zonder luchtfilter. De infiltratie van stof en vuil kan leiden tot schade en aanzienlijke slijtage.

LET OP:
Controleer na iedere keer of er binnenin het filter geen enkel object is achtergebleven.
BOUGIE
Het behouden van de bougie in goede conditie draagt bij aan het verminderen van het verbruik van de motor en het optimaal functioneren.
Om de contrôle uit te voeren is het voldoende de dop van de bougie te halen en de bougie los te draaien.
Onderzoek met een diktemeter de afstand tussen de elektroden, die tussen de 0,7-0,8 mm za要去en zich. In het geval er niet aan deze waarde wordt voldaan, is het möglichneste te corrigeren door de aardelektrode te buigen.


Controller ook dat er zich geen scheuren bevinden op het isolatiematerialial of de gecorrodeerde elektroden; in die gevalen onmiddelijk overgaan tot verwangng.
Om de bougie te monteren, is het aanbevolen om de bougie handmatig tot segen de aanslag aan te schroeven en daarna met de sleutel te blokkeren.

LET OP:
Wanneer het nodig is om de bak van de carburateur te legen, ga dan te werk zoals hieronder beschreiben.
Stel de brandstofkraan op OFF (zie pag. 18).
Leg een vod onder de carburator zodate die de brandstof kan opnemen die eruit loopt.
Draai de schroef 1 los en LAST de brandstof
wegstromen tot het bakje volledig leeg is.
Draai de schroef 1.

LET OP:
Voer de handeling uit met een koude motor.

LET OP:
Brandgevaar! De brandstof islicht ontvlambaar.

Voer de handeling Niet uit in de buurt van open vuur of aangestoken sigaretten en zet altijd de motor uit.
Het bijvullen uitvoeren op een open en goed geventileerde plaats.

Maak eventuele sporen van gemorste brandstof direct schoon.

WAARSCHUWING:
Vergiftigingsgevaar!
De brandstof is een giftige vloeistof, schadelijk voor de gezondheid.

Draag geschikte beschemende kleding en beschemende handschoenen.
Voorkom dat de brandstof in aanraking komt met huid, ogen en kleding. Adem de brandstofdampen Niet in. In het geval van aanraking met de ogen, onmiddelijk spoelen met water en medische hulp inschakelen. In het geval van aanraking met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. In het geval van inslikken, onmiddelijk een arts inschakelen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de brandstof.
WAARSCHUWING:
Milieuervuiligsgevaar!
De brandstof mag nicht in watervoerende lagen, de grond of het afvoersystemterechtkommen.
NIVEAU DRIJVER CONTROLEREN
Verwijder de carburateur van het voertuig na de procedure van het lozen van de bak van de carburateur te hebben gevolgd.
Verwijder het bakje enplaats de carburator terug zoals in de afbeelding worden voorgesteld.
Draai de carburator linksom en stop zodra de vlotter de naald van de benzine-inlaat begint te sluiten.
Het correcte peel is wanner het vlakke oppervlak van de vloppers parallel is met het verdeelvlak van het bakje. Zie de 2 rode lijnen in de afbeelding.
LET OP:
de carburator nicht verder dan deze positie draaien, anders drukt het gewicht van de vlotter de veer in de sluitnaald samen, waardoor een positie van de vlotter verschijnt die op het eerste zich verkeerd lijkt. In de afbeelding is een carburator te zien met correct peil op verkeerde manier gespositioneerd.
Plaats het bakje terug op de carburator.
Monteer de carburator opniew op het voertuig, let erop dat u de metalen banden op de moffen goed vastzet.
LET OP:
voordat u het voertuig start, moet u controlen of er speling op de gashendel is (pag. 31).



4


VOORREM
VLOEISTOFNIVEAU VOORREM CONTROLEREN
Controleer via het niveaulampje A de aanwezigheid van remvloeistof. Het minimumniveau van de vloeistof mag nooit minder zichdan de verkreten referentie op het lampje.
VLOEISTOF VOORREM BIJVULLEN
Ga over tot bijvullen om het niveau waar te herstellen, door de twee schroeven 1 los te draaien, de deksel 2 op te heffen, en de remvloeistof tot 5mm onder de bovenrand van het reservoir bij te vullen.
De vloeistof vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.

LET OP:
De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig.

Voor het uitvoeren van deze handeling is hetoodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken.

Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

LET OP: Laat de vloeistof nicht in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking:
- met de ogen, onmiddelijk met water spoelen en een arts raadplegen;
- met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof.
Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel möglichk over tot de interventie van een arts.
VOORREM REINIGEN
Ga voor een luchtreiniging van het voorremcircuit als volgt te werk:
- Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
- Open de dop van het oliereservoir.
- Steek het ene uiteinde van een transparantuisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
Pomp 2/3 keer en houd de hendel ingedrukt. - Schroef het ventiel los en LAST de olie uithet buisje lopen.
- Als in hetuisje luchtbellen zichtaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling tot dat er geen continu lekken van olie meer is.
- Sluit het ventiel en LAST de hendel los.
OPMERKING:
Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
-Verwijder hetuisje.
Herplaats de rubberen dop.
Sluit de dop van het oliereservoir. De vloeistof vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.

LET OP:
De remyloeistof is zeer corrosief, gaat geen enkele druppel vallen op de gelakte
onderdelen van het voertuig.

Voor het uitvoeren van deze handeling is hetoodzakelijk beschermende
handschoenen te gebruiken.

Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

LET OP: Laat de vloeistof Niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding.
In geval van aanraking:
- met de ogen, onmiddelijk met water spelelen en een arts raadplegen;
- met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen.
Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof.
Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel möglichk over tot de interventie van een arts.

REMBLOKKEN VOORREM CONTROLEREN
Om de slijtagestaat van de voorrem te controlleren, is het genoeg om de knijper aan de onderkant te bekijken, waar het mogelijk is zich te hebben op het uiteinde van de twee remblokken, die een remvoeringsdikte van ten minste 2 mm要去tonen. In het geval de laag dunner is, onmiddelijk overgaan tot hun verranging.
Opmerking:
De controle uitvoeren volgens de aangegeven tijden in de babel op pag. 63.
Neem voor de verwangng contact op met een geautoriseerd Betamotor servicecenter.

SCHIJFDIKTE REM CONTROLEREN
Controleert regelmatig de staat van des schijf. In het geval er tekenen van schade, strepen of verrormingen te zien zijn, overgaan tot verranging. Controleer des schijfdikte. De minimale dikte is ingesneden in de schijf.
Overgaan tot verwanging van de remschijf als de limiet nabij of bereikt is.
Neem voor de verwangng contact op met een geauthoriseerd Betamotor servicecenter.
ACHTERREM
VLOEISTOFNIVEAU ACHTERREM CONTROLLEREN
Controleer via het niveaulampje A de aanwezigheid van remvloeistof. Het minimumniveau van de vloeistof mag nooit minder zichn dan de verkregen referentie op het lampje.
VLOEISTOF ACHTERREM BIJVULLEN
Om het peil bij te villen, draait u de twees schroeven 1 los, breng de dop 2 omhoog en vul remvloeistof bij tot 5mm onder de bovenrand van de tank.
De vloeistof vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.

LET OP:
De remvloeistof is zeer corrosief, laat geen enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig.

Voor het uitvoeren van deze handeling is hetoodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken.

Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

LET OP: Laat de vloeistof Niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking:

- met de ogen, onmiddelijk met water spoelen en een arts raadplegen;
- met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen.
Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof.
Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel möglichk over tot de interventie van een arts.
4


ACHTERREM REINIGEN
Ga voor een luchtreiniging van het achterremcircuit als volgt te werk:
- Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
- Open de dop van het oliereservoir.
Steek het ene uiteinde van een transparentuisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
Pomp 2/3 keer en houd het pedaal ingedrukt. - Schroef het ventiel los en LAST de olie uithet buisje lopen.
- Als in hetuisje luchtbellen zichtaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling totdat er geen continu lekken van oliémeer is.
- Sluit het ventiel en LAST het pedaal los.
OPMERKING:
Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
-Verwijder het buisje.
Herplaats de rubberen dop.
- Sluit de dop van het oliereservoir.
De vloeistof vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.

LET OP:
De remvloeistof is zeer corrosief, LASTG enkele druppel vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig.

Voor het uitvoeren van deze handeling is hetoodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken.

Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

LET OP: Laat de vloeistof nicht in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking:
- met de ogen, onmiddelijk met water spelelen en een arts raadplegen;
- met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen.
Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof.
Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel möglichk over tot de interventie van een arts.
REMBLOKKEN ACHTERREM CONTROLEREN
Om de slijtagestaat van de achterrem te controlleren, is het genoeg om de knijper aan de bovenkant te bekijken, waar het mogelijk is zich te hebben op het uiteinde van de twee remblokken, die een remvoeringsdikte van ten minste 2 mm要去tonen. In het geval de laag dunner is, onmiddelijk overgaan tot hun verranging.
Opmerking:
De controle uittvoeren volgens de aangegeven tijden in de tabel op pag. 63.
Neem voor de verwangng contact op met een geautoriseerd Betamotor servicecenter.

SCHIJFDIKTE REM CONTROLLEREN
Controleert regelmatig de staat van deschijf. In het geval er tekenen van schade, strepen of verrormingen te zien zijn, overgaan tot verranging. Controleer deschijfdikte. De minimale dikte is ingesneden in de schijf.
Overgaan tot verwanging van de remschijf als de limiet nabij of bereikt is.
Neem voor de verranging contact op met een geautoriseerd Betamotor servicecenter.

4

KOPPELINGSHENDEL NIVEAU CONTROLEREN
Voor het controlleren van het oliepeil van de koppelingspomp is het nodig de deksel 1 te verwijderen.
Verwijder de twee schroeven 2 en haal de deeksel 1 tegelijk met de rubberen blaasbalg weg. Met de koppelingspomp in horizontale positie zou het oliepeil zich op 5mm boven de bovenrand要去en bevinden.
De vloeistof vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.

LET OP:
De koppelingsvloeistof is zeer corrosief, letkaarom op geen enkele druppel te lien vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig..

Voor het uitvoeren van deze handeling is hetoodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken.

Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

LET OP: Laat de vloeistof nicht in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking:
-
met de ogen, onmiddelijk met water spoelen en een arts raadplegen;
-
met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen. Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof.
Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel möglichk over tot de interventie van een arts.
REINIGEN KOPPELINGSCIRCUIT
- Verwijder de rubberen dop 1 van het ventiel 2.
- Open de dop van het oliereservoir.
- Steek het ene uiteinde van een transparentuisje in ventiel 2, en het andere uiteinde in een vat.
Pomp 2/3 keer en houd de hendel ingedrukt. - Schroef het ventiel los en LAST de olie uithet buisje lopen.
- Als in het buisje luchtbellen zichtaar zijn, herhaal dan de voorgaande handeling tot dat er geen continu lekken van olie meer is.
- Sluit het ventiel en LAST de hendel los.
OPMERKING:
Bij deze handeling is het belangrijk om constant het reservoir te blijven bijvullen om het lekken van olie te compenseren.
-Verwijder hetuisje.
Herplaats de rubberen dop.
De vloeistof vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.

LET OP:
De koppelingsvloeistof is zeer corrosief, let daarom op geen enkele druppel te latent vallen op de gelakte onderdelen van het voertuig.

Voor het uitvoeren van deze handeling is hetoodzakelijk beschermende handschoenen te gebruiken.

Vloeistof buiten het bereik van kinderen houden.

LET OP: Laat de vloeistof Niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding. In geval van aanraking:
- met de ogen, onmiddelijk met water spoelen en een arts raadplegen;
- met de huid, onmiddelijk met zeep en water de betreffende gebieden reinigen.
Vervang de kleding die in aanraking is gekomen met de vloeistof.
Ga in geval van inname van de vloeistof zo snel möglichk over tot de interventie van een arts.
4
CONTROLES EN ONDERHOUD



BESTURING STUURSPELING
Controleer regelmatig de spelimg van het stuurbalhoofd door de vork heen en weerte bewegen, zoals afgebeeld in de figuur. Voer in het geval u spelimg waarneemt dehandeling op de volgende wijze UIT:
Draai de schroeven 1 los.
Draai de schroef 2 los.
Verhelp de werkende spelimg met demoer 3.
Draai de schroeven vast zoals aangegeven.
OLIE VORKEN
De beschrijving met betrekking tot het verwangen van de olie in de vorken worden enkel verstrecht voor informatiedoeleinden. In feite worden aangeraden contact op te nemen met een geauthoriseerde BETAMOTOR-dealer om deze handelinguit te voeren.
BRUGGEN VERWIJDEREN
Ga voor de verwanging als volgt te werk:
Plaats het voertuig op een middenbok.
Verwijder de voorwiel.
Verwijder het spatbord, de remklaww en de schijf terug.
Draai de afdichtingsschroeven 1 los van de staven en haal ze eruit.

Schroef de contramoer voor bevestiging van de dop los en verwijder de dop.
Draai de schroef los voor bevestiging van het patroon dat onder de beenkap zit en verwijdert het patroon.


Maak het been en het patroon daarna leeg door de olie te lately wegstromen.
Monteer het patroon opnieuw in het been en haal de bevestigingsschroef aan, daarna doet u opnieuw olie erin om het patroon te vullen.
Nieuwe olie ingieten met de hoeveelheid beschreiben in pag. 11.
De vloeistof vermeld in de tabel "Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen" op pag. 16 gebruiken.
Monteer de dop opniew op de stang, haal de contramoer aan schroef de dop op de stang met het been volledig uitgeschoven.
OLIE VERVANGEN LINKER STANG
Draai de bovenste dop 3 los.
Neem de veer weg en LAST alle olie volledig wegstromen.
Nieuwe olie ingieten met de hoeveelheid beschreiben in pag. 11
Strek het been en monteer de veer op-nieuw.
Plaat de dop 3 en zet vast.
BRUGGEN EN DETAILS MONTEREN
Plaats de bruggen aan het voertuig, door de afdichting van de schroeven 1 aan het aangegeven aanhaalmoment te koppelen.
LET OP:
Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleutel stabel op het aanhaalmoment teplaatsen en herhaald dicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabel is.
Vet de wielas.
Plaats wieI en wielas.
Plaats de remklaww, schijf terug en spat-bord.
Draai op het aangegeven aanhaalmoment vast.

LET OP:
Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleutel stabel op het aanhaalmoment teplaatsen en herhaald zicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabel is.
Plaats het voertuig op de grond.
De vork 3-4 keer zichtnijpen en loslaten.
Draai de wielas en de schroeven voor de steunvoet vast.

LET OP:
Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleutel stabel op het aanhaalmoment teplaatsen en herhaald zicht te draaien, tot het aanhaalmoment stabel is.



4

ACHTERWIELOPHANGINGS-MECHANISME
Om een goede werkung en een lange levensduur van de Achtervering van het中断wielophangingsmechanisme te garanderen, is het raadzaam om regelmatifie de correcte sluiting van de moeren en bouteu te controeren.
Controleer dat de moeren en bouteen van het mechanismisme bij het aangegeven aanhaalmoment vastgedraaid zich.
Verwijder de hele spatbordgroep om maar de bevestiging bovenaan te gaan (pag. 68).
OPMERKING: Het is aanbevolen om de zone van de stangen nicht met waterstralen onder druk af te spoelen.
De controle uitvoeren volgens de aangegeven tiiden in de tabel op pag. 63.
Neem contact op met een erkend Betamotor service-center voor de contrôle van het mechanisme.
BANDEN
Plaats alleen banden die zich goedgekeurd door BETAMOTOR.
Andere banden können het functioneren van de motor op staat nadelig beinvloeden.
- Om uw veiligheid te garanderen,要去en beschadigde banden onmiddellij verzangen worden.
- Gladde banden beinvloeden op negatieve wijze het functioneren van de motor, vooral op gladde wegen en op terrein.
- Onvoldoende druk veroorzaakt abnormale slijtage en oververhitting van de band.
- Het voor- en blijweriel moeten worden uitgerust met banden van hetzelfde profiel.
- Controller de druk alleen wanner de banden koud+zijn.
- Houd de bandendruk binnen de aangegeven grenzen.
KETTING
Voor een langere levensduur van de kettingaandrijving, is het aan te raden om regelmatig de spanning te controeren. Altijd vrijhonden van vastzittend vuil en insmeren.
Zorg ervoor dat het smeermiddel in geen enkel geval dechterband of de remschijf bereikt, anders zouden de grip van de band op de weg en het functioneren van dechyterrem aanzienlijk worden verminderd en zou gemakkelijk de controle over de motor hunnen worden verloren.

KETTINGSPANNING CONTROLEREN EN AANPASSEN
Plaats het voertuig op een middenbok.
Voer een afstelling uit als de afstandussen ketting en achefterbrug minder dan 20mm bedraagt.

Draai de pin 1 los.

4

Los de contramoer 2 (een per zichde) en manoeuvreer de regelaar 3 tot u de gewenste spanning verkrijgt.

Meet de afstand X tussen de nummerplaath- houser 4 en het contrast 5.

Manoeuvreer de regelaar 6 omdezelfdemaat ±bx tussen steun 7 en contrast 8 teverkrijgen.

Controleer of de afstand tussen ketting en awhilebrug met de voorgeschreveen afstand overeenkomt.
Als de afstand:tussen de ketting en de awhilebrug nicht met de voorgeschreveen afstand overeenstemt, moet u de afstelling opniewuithvoeren.
Op het einde van de afstelling houdt u de regelaar 3 geblokkeerd en haalt u de contramoer 2 (aan elke zijde) met het aangegeven koppel aan.
Draai de pin vast bij het aangegeven aanhaalmoment.
KOPLAMP
Houd het glas van de projector altijd schoon (pag. 61).
VERVANGENKOPLAMPEN
Demonteer het koplamphuis door de tweet bevestigingschroeven 1 aangeduid in de afbeelding te verwijderen.

Handel als volgt om de lamp van het grootlicht/dimlicht te verrangen:
breng de rubberen kap 2 omhoog.

Draai de hele lamphouder 3 gegen de klok in en haal de lamphouder daarna uit het koplamphuis.
Draai de lamp gegen de wijzers in ten opzichte van de lamphouder. Voer de verwanginguit.
Handel in omgeekerde zin in vergelijk ing met het demoneren om de lamp en de lamphouder opnieuw te monteren.

4

CONTROLES EN ONDERHOUD



Handel als volgt om de daglamp te vervangen:
Trek aan de hele lamphouder 4.
Neem de lamp vast en trek eraan ten opzichte van de lamphouder.
Voer de verwanging UIT.
Handel in omgeekerde zin in vergelijkking met het demonteren om de lamp en de lamphouder opnieuw te monteren.
Voer bovenstaande beschrijving in omgekeerde zinuitom de lampgroep opnieuw te monteren, let.daar bij op voor de bevestigingen van het instrument en van de steun van de regelaar.
ACHTERLAMP
Houd het glas van de projector altijd schoon (zie pag. 61).
De hinterlamp is verzegeld en voorzien van led-verlichting. Als een of meer leds doorgebrand zich, is hetoodzakelijk de hele groep te verrangen.
Neem voor de verranging contact op met een geauthoriseerd Betamotor servicecenter.
RICHTINGAANWIJZERS
Verwijder het glas door de schroef 1 los te draaien om bij de lamp te komen.
Haal de lamp uit de lamphouder en voer de verranging uit.
REINIGING VAN HET VOERTUIG ALGEMENE VOORZORGSGMAATREGELEN

LET OP: reinig het voertuig nooit met apparatuur met een krachtige waterstraal onder hoge druk. Overmatige druk kan elektrische onderdelen, connectoren, flexibele kabels, lagers, etc. bereiken en ze beschadigen of vernietigen.

LET OP: was regelmatig met koud water de voertuigen die in de buurt van de zee (zout water) en op wegen waar met zout worden gastrooid in de winter worden gebruikt. Bedek met een dun laagje olie of siliconenspray de nicht gelakte onderdelen en die het meest worden bloatgesteld, zoals velgen, voorvork en achechterbrug. Bewerk de rubberen onderdelen en de remmen Niet.
Sluit de uitlaat om te voorkomen dat er water lekt.
Vermijd bij het reinigen directe bloatstelling aan het zonlicht.

Vermijd een directe waterstraal op de filterafdekking en de carburateur.
WASWIJZE
Gebruik een waterstraal om het vuil en modder op de gelakte oppervlakken zich te makeen. Eenmaal zich, worden vuil en modder verwijderd met een zichte carrosseriespons doordrenkt van water en "shampoo". Vervolgens grondig met water afspoelen, en drogen met het blazen van lucht en een doek of suède.
Schoonmaakmiddelen verontreinigen het grondwater. Daarom要去 het wassen van het voertuigplaatsvinden in een zone die uitgerust is voor de verzameling en zuivering van wasvloeistoffen door het wassen zich.
NA HET WASSEN
Overgaan tot het lozen van de filterbus door het waarvoor bestemde luchtgat en het drogen.
Na het schoonmaken eenklein stukje rijden, zodat de motor op temperatuur komt.


LET OP: met natte remmen worden het remeffect verminderd. Voorzichtig de remmen gebruiken om ze te latent drogen.
Duw de stuurbescherming maar binnen, zodat het binnengedrongen water kan verdampen.
Wanneer de motor volledig gedroogd en afgekoeld is, alle afvoer- en werkingspunten insmeren.
Behandel alle kunststof- en gelakte onderdelen met nicht-agressieve reinigingsmiddelen of producten, special bedoeld voor de verzorging van het voertuig.
Om problemen met het elektrische gedeelte te voorkomen,要去 de elektrische contacten en schakelaars met een spray voor elektrische contacten behandelen.

LET OP: eventuale oxidatie van de elektrische contacten kan ernstige storingen op het voedingsystem verroorzaken.
LANGE INACTIVITEIT VAN HET VOERTUIG
Bij verwachting van een langeperiode van inactiviteit van het voertuig, bijvoorbeeld gedurende het winterseizoen, is hetoodzakelijk enkele eenvoudige voorzorgsmaatregelen te nemen om te zorgen voor een goed onderhoud:
- Voer een grondige reiniging van alle onderdelen van het voertuiguit.
- Verminder de bandenspanning met ongeveer 30% , om zo de banden misschien van de grond te houden.
- Verwijder de bougie en breng enkele druppels motorolie erin via het gat. Laat de motor enkele toeren draaien door de pedaalstarthendel te bedieren. Schroef de bougie opnieuw aan.
- Bestrijk met een dun laagje olie of siliconenspray de nicht-gelakte onderdelen, met uitzondering van de rubberen delen en de remmen.
- Bedek gegen stofbescherming het voertuig met een doek.
Maak het bakje van de carburator leeg zoals beschreiben op pag. 42.
NA EEN LANGE PERIODE VAN INACTIVITEIT
Herstel de bandenspanning.
- Controller alle schroeven van enig mechanisch belang op spanning.
GEPLAND ONDERHOUD
Einde inrijden 5 uur
Tussenmoment 1 40 ur of 1.000 Km
Tussenmoment 2 80 ur of 2.000 Km
Tussenmoment 3 120 ur of 3.000 Km
Tussenmoment 4 160 ur of 4.000 Km
Tussenmoment 5 200 ur of 5.000 Km
Tussenmoment 6 240 ur of 6.000 Km
Tussenmoment 7 280 ur of 7.000 Km
Tussenmoment 8 320 ur of 8.000 Km
Tussenmoment 9 360 ur of 9.000 Km
Hieronder worden de aanscherping van alle aandraaimomenten beschreiben die in het bijzonder onderworpen zijn aan afstelling of onderhoud:
| Voorstel | ||
| Aanscherping aandraaimoment [Nm] | Schroefdraad-borgmiddel | |
| Wielas 50 | ||
| Poten - wielas | 10* | |
| Stuurinrichting onder - bruggen vork | 25 | M |
| Stuurinrichting onder - bruggen vork | 10* | |
| Stuurinrichting boven - bruggen vork | 10 | |
| Steelpin op stuurinrichting boven vork | 10 | |
| Stuurbrug boven 20 | ||
| Achteras | ||
| Aanscherping aandraaimoment [Nm] | Schroefdraadborgmiddel | |
| Wielas | 80 | |
| Schokdemper - frame | 45 | |
| Schokdemper - barbell | 45 | |
| Wipschakelaar - frame | 30 | |
| Wipschakelaar - barbell | 45 | |
| Barbell - achefterbrug | 45 | |
| Motor | ||
| Aanscherping aandraaimoment [Nm] | Schroefdraad-borgmiddel | |
| Dop afvoer versnellingsbakolie 10 | ||
| Ontluchtingsschroef koelinstallatie 10° | ||
| Motor - Frame | ||
| Aanscherping aandraaimoment [Nm] Vet | ||
| Voorspatbord 10 | ||
| Achterspatbord 2,5 G | ||
| Lichten | ||
| Aanscherping aandraaimoment [Nm] | Schroefdraadborgmiddel | |
| Bescherming koplamp | 1 | |
M Schroefdraadborgmiddel gemiddelde sterkte

LET OP: Het dichtdraaien van de schroeven moet gebeuren door de momentsleutel stabel op het aanhaalmoment teplaatsen en herhaald zich te draaien, tot het aanhaalmoment stabel is.
HFDST. 5 DEMONTAGE EN MONTAGE BOVENBOUW
INHOUD THEMA'S
Verwijder de schroef 1 en 2 (twee aan iedere kant). Verwijder het spatbord.
Plaats aan het einde van de handeling deschroef 1 en 2 terug.
Draai op het aangegeven aanhaalmoment vast.
HFDST. 6 WAT TE DOEN IN EEN NOODSITUATIE
INHOUD THEMA'S
Defect opsporen. 70
Alfabetische index 67
DEFECT OPSPOREN
| PROBLEM | OORZAAK OPLOSSING | |
| De motor draait maar start nicht | Brandstofkraan in de stand OFF | Positie van de kraan ofwel op ON of RES |
| Straalpijpen van de carburator vuil | Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer | |
| Bougie zwart of vochtig gewor-den | Maak de bougie schoon en LAST die drogen, eventuele verrangen | |
| Bougie met ontelijke afstand elektroden | Herstel de juiste afstandussen de elektroden (pag. 41) | |
| Defect in het ontstekingssystem Neem | em contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer | |
| De motor geeft onvol-doende vermogen af | Ontluchting van de tank is verstopt | Controler de ontluchting van de tank |
| Voedingsinstallatie is vuil Neem coa | ontact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer | |
| Luchtfilter vuil Reinig de luchtfilter | ||
| Defecte ontstekingssystem Neem | ontact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer | |
| De motor valt stil of sputtert | Geen brandstof Zet de brNZstofkraan | an op RES |
| Tank bij | ||
| Onvoldoende zichting op de carburator | Controler of de mofussen de carburator en de motor intact is | |
| Connector of ontstekingsspoel los of verroest | Controler de connector. Reinig en behandel met een specifieke spray | |
| De motor raakt oververhit (er komt vloeistof/stoomuit de ontluchting van de radiator) | Radiatorrooster verstopt Verwijder en | reinig het rooster (pag. 39) |
| Radiator (luchtzijde) verstopt Maak | de radiator schoon | |
| Geen geforceerde ventilatie Contral | ler of de koelventilator cor-rect werkt | |
| Gedeeltelijk geblokkeerde uitaat N | eem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer | |
| Verstuving te mager Neem contact | op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer | |
| Remmen voor onder-maats | Versleten remblokken Neem contact | op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer |
| Aanwezigheid van lust of vocht in het hydraulisch circuit | Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer | |
| Remmen achefter onder-maats | Versleten remblokken Neem contact | op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer |
| Aanwezigheid van lust of vocht in het hydraulisch circuit | Neem contact op met een geautori-seerde BETAMOTOR-dealer | |
ALFABETISCHE INDEX
Aanbevolen smeermiddelen en vloeistoffen 16
Achterlamp 60
Achterrem 47
Achterwielophangingsmechanisme. 56
Afstelling positie stuur 31
Afstelling van de koplamp 34
Afstelling voorvork 32
Banden 56
Besturing stuurspeling 52
Bijstellen veringen in verhouding tot bestuurdersgewicht. 34
Bougie 41
Brandstoffoevoer 27
Carburateur 42
Controleer voor en na gebruik 26
Defect opsporen. 70
Demontage en montage zadel en achterspatbord 68
Elektrische structuur 14
Gashendel 31
Gashendel 31
Gegevens voertuigindicatie 8
Gepland onderhoud 63
Hoofdelementen 18
Inrijden 26
Instructies working digitale snelheidsmeter 22
Kennis van het voertuig. 9
Ketting 57
Koelvloeistof 37
Koplamp 59
Koppeling 30
Koppelingshendel 50
Lange inactiviteit van het voertuig 62
Legendasymbolen 30
Legendasymbolen 36
Luchtfilter 39
Olievorken 53
Reiniging van het voertuig 61
Richtingaanwijzers 60
Rijveilig. 6
Samenvatting aanhaalmomenten 64
Schokdemper 32
Starten motor 28
Symbolen 5
Toelichtingen op het gebruik van het voertuig 5
Uitschakelen motor 28
Versnellingsbakolie 36
Voorrem 44