FUMO50020 - Beveiligingssysteem ABUS - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis FUMO50020 ABUS in PDF-formaat.
| Producttype | Optische rookmelder |
| Merk | ABUS |
| Model | FUMO50020 |
| Categorie | Beveiligingssysteem |
| Afmetingen (diameter) | 100 mm |
| Afmetingen (hoogte) | 50 mm |
| Gewicht | 150 g (zonder batterij) |
| Voeding | 9V alkaline batterij (inbegrepen) |
| Levensduur batterij | Ongeveer 1 jaar |
| Hoofdfuncties | Rookdetectie, geluidsalarm (85 dB), LED-indicator, testknop |
| Geluidsindicator | Ingebouwde sirene ≥ 85 dB op 3 m |
| Visuele indicator | Rode knipperende LED bij alarm, groene LED voor normaal gebruik |
| Knop | Test/Stil |
| Installatie | Plafondmontage, bevestiging met meegeleverde schroeven en pluggen |
| Detectiezone | Tot 60 m² |
| Bedrijfstemperatuur | -10°C tot +40°C |
| Vochtigheid | Tot 95% zonder condensatie |
| Normen | CE, EN 14604 |
| Certificering | VdS (optioneel) |
| Onderhoud en reiniging | Stofzuigen met een stofzuiger of zachte doek elke 6 maanden |
| Maandelijkse test | Druk op de testknop tot het alarm afgaat |
| Levensduur product | 10 jaar (vervaldatum vermeld op het apparaat) |
| Reserveonderdelen | 9V batterij, montageset |
| Repareerbaarheid | Niet door gebruiker te repareren; vervang apparaat na 10 jaar |
| Garantie | 2 jaar |
Veelgestelde vragen - FUMO50020 ABUS
Gebruikersvragen over FUMO50020 ABUS
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Beveiligingssysteem in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FUMO50020 - ABUS en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FUMO50020 van het merk ABUS.
GEBRUIKSAANWIJZING FUMO50020 ABUS
2WAY Universeel te gebruiken module
Installatie-instructies (NL).... 113
2WAY Universalt anvendeligt modul
4.2 Binnenkant van het huis 116
4.3 Printplaat 117
4.4 Toetsen 118
4.5 Dipschakelaars 118
4.6 Geleiderbruggen 119
4.7 Interne piëzosignaalgever 120
- MONTAGE-INSTRUCTIES 120
5.1 Montage 120
5.2 Bedrading van de spanningsvoeding 121
5.3 Bedrading van de ingangen 121
5.4 Bedrading van de uitgangen 121
5.5 Aansluiting van de sirene 122
- PROGRAMMERING 122
6.1 Programming starten 122
6.2 Menupunten in het hoofdmenu 122
6.3 Keuze van de werking van de UVM 123
6.3.2 Draadloze uitgangsmodule 125
6.3.3 Draadloze zender/ontvanger 127
6.3.4 Draadloze sirenemodule 128
6.3.5 Draadloze sirenezender/ontvanger 129
6.3.6 Draadloze ontvangstmodule 131
6.3.7 Draadloze cilinderontvanger 136
6.4 Wissen van draadloze melders 138
6.5 Signaalsterktemeting 138
6.6 Fabrieksinstelling 139
Geachte klant, we bedanken u voor de aankoop van deze draadloze universele module voor de draadloze alarmcentrale Secvest. „Hiermee verklaart ABUS Security-Center GmbH & Co. KG, dat het apparaat met bestelnummer FUMO50020 in overeenstemming is met de essentiële eisen en overige desbetreffende bepalingen van de richtlijn 1999/5/EG. De conformiteitsverklaring kan worden aangevraagd onder het volgende adres:
Om een gebruik zonder gevaren te garanderen, moet u als gebruiker deze montage-instructies in acht nemen! Als u vragen heeft, neem dan a.u.b. contact op met uw speciaalzaak.
2. Veiligheidstips
De universele module wordt door een externe spanningsbron met 12 V gelijkspanning gevoed (niet inbegrepen in de leveromvang). De noodstroomvoorziening wordt via een 6 V/1,2A h accu gegarandeerd (niet inbegrepen in de leveromvang). De maximale stroomopname van de aangesloten componenten mag nooit meer dan 1 A bedragen.
Het apparaat werd uitsluitend voor het gebruik binnenshuis geconstrueerd. De maximale luchtvochtigheid mag niet meer dan 90% (niet condenserend) bedragen.
3. Kenmerken
De universele module biedt meerdere functies in één apparaat. Bij de installatie van het apparaat kunt u één van de volgende functies selecteren:
- Radiorepeater
• Draadloze uitgangsmodule
• Draadloze zender/ontvanger
• Draadloze sirenemodule
• Draadloze sirenezender/ontvanger
• Draadloze ontvangstmodule
• Draadloze cilinderontvanger
Een uitvoerige beschrijving van de desbetreffende functie vindt u op de volgende pagina's van deze handleiding.
Het apparaat is uitgerust met een 6 V/1,2 Ah lood-gel-accu, die in geval van uitval van de primaire 12 V spanningsvoeding de noodstroomvoorziening van de zender/ontvanger en de
processorfunctie overneemt. Aangesloten, externe verbruikers (melders) worden in geval van een stroomuitval niet van noodstroom voorzien. De LED weergavefunctie wordt in geval van accumodus ook niet ondersteund.
4. Benaming van de componenten
4.1 Display
De LED's van de universele module branden afhankelijk van de gebeurtenis. De grafiek geeft een overzicht van de weergegeven gebeurtenissen. De LED's betekenen:

Naast de betekenis van de LED-weergaven bij normaal gebruik, dienen de LED-weergaven ook tijdens de programmering voor de weergave van de gekozen functie. Neem daarvoor de opmerkingen over de desbetreffende functiebeschrijving in acht.
4.2 Binnenkant van het huis
- Bovenste printplaathouder
- Onderste printplaathouder
- Bovenste bevestigingsgat
- Opening voor kabelinvoer
- Kunststof rail voor trekontlasting
- Kabelinvoeren aan de zijkan
- Kabelinvoer op de hoek
- Accuhouder
- Onderste bevestigingsgaten
- Trekontlastings-inrichtingen

- DIP-schakelaar
- Piëzosignaalgever
- IR LED ontvanger
- Accuaansluiting
- Kick start geleiderbrugaansluiting
- Spanningsaansluiting en zone-ingangen
- RJ12 stekker voor externe sirene
- Spanningsuitgang en relaisuitgangen
- Fit Disable geleiderbrugaansluiting
- Geleiderbrugaan-sluitingen voor uitgangsconfiguratie
- Sabotagecontact
- ESC/DEL-toets
- SET-toets
- SELECT-toets
- Zender/ontvanger-eenheid
- LED-weergaven (melderkanalen)
4.4 Toetsen
De toetsen zijn voor de programmering en voor de navigatie binnen het programmeermenu nodig. De toetsen betekenen één voor één:
SELECT: Druk op deze toets om de programmering te starten of tijdens de programmering om een andere functie te kiezen.
SET: Druk op deze toets tijdens de programmering om een gekozen functie te bevestigen.
ESC/DEL: Druk op deze toets om de programmering te beëindigen of tijdens de programmering een gekozen functie te wissen.
4.5 Dipschakelaars
Sommige dipschakelaars hebben verschillende betekenissen al naar gelang de functie van de universele module. Sommige betekenissen zijn voor alle functies hetzelfde. De toetsen betekenen één voor één:
- OFF: De universele module leest draadloze zenders alleen per infrarood LED in.
ON: De universele module leest draadloze zenders alleen per radioprotocol in.
- OFF: De universele module bewaakt niet op stoorsignalen (jamming).
ON: De universele module geeft een storing bij stoorsignalen (jamming) door. In functiemodus 6 wordt relais 4 bij storing geactiveerd.
- OFF: De universele module bewaakt de melders niet op supervision.
ON: De universele module geeft een storing bij supervisionuitval en stuurt zelf een supervisionsmelding. In functiemodus 6 wordt relais 4 bij supervisionuitval geactiveerd.
- OFF: Supervisiontijd kort (20 minuten).
ON: Supervisiontijd lang (3 uur).
- OFF: De ingangen van de universele module moeten zonder weerstand worden aangesloten (NC).
ON: De ingangen van de universele module moeten met een
weerstand van 2,2 kΩ bedraad worden (EOL).
- OFF: De ingang 1 van de universele module werkt als rustcontact (NC).
ON: De ingang 1 van de universele module werkt als werkcontact (NO).
- OFF: De ingang 1 werkt als ingang voor sleutelschakelaar (imp).
ON: De ingang 1 werkt als ingang voor magneetcontacten, bewegingsmelder, blokslot.
- Neem de desbetreffende opmerkingen over de stand van de dipschakelaar in de functiebeschrijving van de verschillende functiemodi in acht.
4.6 Geleiderbruggen
De universele module bezit drie verschillende geleiderbrugaansluitingen met verschillende betekenissen. De betekenis van de aansluitingen één voor één:
Kick-start: Deze geleiderbrug bevindt zich naast de aansluiting van de accustekker.
U moet de geleiderbruggen erin steken, of de aansluiting met behulp van een schroevendraaier kortsluiten, als de universele module alleen via de accu (bijvoorbeeld voor de programmering) moet worden gebruikt.
Fit Disable: Deze geleiderbrug bevindt zich boven de LED O/P Fault.
U moet de geleiderbrug erin steken, als het sabotagecontact aan de achterkant niet gebruikt wordt.
Uitgangen: Deze geleiderbruggen bevinden zich onder het dekselsabotagecontact.
Ze regelen het uitgangsgedrag van de relais. De volgende schets toont de verschillende instellingsmogelijkheden en de betekenis ervan.

Uitgang 1 wordt +12 V indien geactiveerd
Uitgang 1 wordt 0 V indien geactiveerd
Uitgang 1 werkt als relaiscontact
Zo kunt u elke uitgang individueel instellen.
4.7 Interne piëzosignaalgever
De ingebouwde piëzo dient ter ondersteuning bij de programmering van de universele module. Neem daarvoor de opmerkingen over de desbetreffende functie in acht. Bovendien kan de piëzo ook bij ontvangst van signalen bij de melder-/functietest geactiveerd worden.
5. Montage-instructies
5.1 Montage
Ga bij de montage van de universele module als volgt te werk:
Bepaal de optimale installatieplaats. De plaats moet zo gekozen zijn dat een radiocommunicatie, die goed genoeg is, tussen de componenten gegarandeerd is. Gebruik voor het bepalen van de installatieplaats het best de draadloze testbox.
Opmerking: Kies de montageplaats van de universele module zodandig dat deze zich in het bewaakte bereik van een melder bevindt. Let er bovendien op dat u de universele module zo hoog mogelijk aanbrengt, minimaal echter 1 m boven de vloer.
Het apparaat mag niet geïnstalleerd worden:
- in beschermd of onbeschermd buitengebied
- in de buurt (1 m) van elektronische apparaten en leidingen, zoals bijv.: computers, fotokopieertoestellen, LAN en sterk-/draaistroomleidingen
Heeft u de installatieplaats bepaald, open dan het huis van de universele module en verwijder eerst de printplaat van de achterkant van het huis, door de bovenste printplaathouder voorzichtig naar boven te buigen tot de printplaat eruit genomen kan worden.
Gebruik de achterkant van het huis als sjabloon en teken de bevestigingsgaten op de muur af. Bevestig de universele module op de muur, draai de schroeven echter nog niet vast.
Voer de bedradingswerkzaamheden in de universele module, zoals op de volgende pagina's getoond, uit. Zorg voor voldoende trekontlasting van de kabels in de universele module.
Plaats de printplaat weer en draai de schroeven vast.
Voer de programmering uit (zie punt 7).
Na afloop van de geslaagde programmering piept de piëzosignaalgever van de universele module met korte tussenpozen. Nu pas plaats u het deksel van het huis en sluit u het huis.
Na ca. 5 seconden geeft de piëzosignaalgever een dubbel signaal af en bevestigt de programmering. Een opnieuw openen van het huis leidt tot een sabotagemelding aan de draadloze alarmcentrale.
5.2 Bedrading van de spanningsvoeding
De nevenstaande afbeelding toont de aansluiting van de universele module met de 12 V DC netadapter.

5.3 Bedrading van de ingangen
De nevenstaande afbeelding toont de aansluiting van externe alarmcontacten aan de universele module. (voor functie 3 en 5).

De nevenstaande afbeelding toont de aansluiting van externe alarmcontacten met eindweerstand 2,2 kΩ aan de universele module (voor functie 3 en 5).

5.4 Bedrading van de uitgangen
U beschikt over drie verschillende mogelijkheden om de uitgangen aan te sluiten.

- OP1/0 V
Uitgang OP1 wordt +12 V indien geactiveerd.
- OP2/12 V
Uitgang OP2 wordt 0 V indien geactiveerd.

- OP4/C4
Deze soort aansluiting wordt gebruikt als de uitgang als relais (NO) moet worden gebruikt.
Neem steeds de stand de geleiderbruggen in acht.
5.5 Aansluiting van de sirene
De kabel van de buitensirene wordt via de RJ12 stekker met de universele module verbonden. Hiervoor wordt de kabel in de RJ12 steekaansluiting gestoken.

6. Programming
Bij de programmering van de UVM gaat u stap voor stap te werk. Eerst wordt de universele module via accu of via de 12 V netadapter van spanning voorzien. Vervolgens wordt de functie van de universele module geprogrammeerd en als laatst worden de melders in de universele module ingelezen of deze op de draadloze alarmcentrale ingelezen. Bij bepaalde functies moeten nu de individuele instellingen via de programmering op de draadloze alarmcentrale worden uitgevoerd.
6.1 Programming starten
Om de programmering te starten, gaat u als volgt te werk:
- Zorg ervoor dat het dekselcontact geopend is. De groene LED voor spanning knippert (accumodus) of brandt (netadapter). De rode LED voor storing brandt.
- Druk op de toets SELECT. Bovendien gaat LED nummer 1 blauw branden.
- U bevindt zich nu in de programmeermodus.
6.2 Menupunten in het hoofdmenu
In het hoofdmenu kunt u uit de volgende menupunten kiezen:
- Melder inlezen -> LED 1 brandt
- Melder wissen -> LED 2 brandt
- Kanaal kiezen -> LED 3 brandt
- Signaalsterkte testen -> LED 4 brandt
- Uitgangen instellen -> LED 5 brandt
- Niet in gebruik
- Functie kiezen -> LED 7 brandt
- Reset -> LED 8 brandt
In de programmeermodus drukt u op de toets SELECT om tussen de menupunten te wisselen. Bij elke druk op deze toets springt de weergave een menupunt verder en begint bij het bereiken van de laatste weergave weer van voren. De weergave van LED 6 wordt daarbij overgeslagen.
6.3 Keuze van de werking van de UVM
De universele module verenigt zeven verschillende functies waarvan u er één aan hem moet toewijzen. Om een functie uit te kiezen, gaat u als volgt te werk:
- Vanuit het hoofdmenu drukt u zo vaak op de toets SELECT tot de LED 7 brandt (functie kiezen).
- Brandt LED 7, dan drukt u één keer op de toets SET. U bevindt zich nu in het submenu van het menupunt 7 Functie kiezen. LED 1 brandt.
- Druk nu opnieuw zo vaak op de toets SELECT tot de LED van de gewenste functie brandt.
Opmerking: Als u aan een reeds geprogrammeerde UVM een nieuwe functie wilt toewijzen, worden alle tot nog toe ingelezen melders gewist.
Functie 1 / LED 1 (alleen in combinatie met de Secvest)
Als radiorepeater geeft de universele module de signalen van max. acht draadloze melders aan de Secvest door. Hij wordt in het ideale geval halverwege tussen zender en ontvanger geïnstalleerd en kan zodoende het radiobereik tussen zender en ontvanger bijna verdubbelen. De maximaal acht zenders moeten daarvoor in de universele module en in de Sevest ingelezen worden. Maximaal acht universele modules kunnen als radiorepeater met een draadloze alarmcentrale gebruikt worden.
Ga bij de programmering van de universele module als radiorepeater als volgt te werk: Eerst programmeert u de universele module als radiorepeater. Vervolgens leest u de draadloze melder in de universele module en de ontvanger in. Als laatste kunt u optioneel nog de universele module in de draadloze centrale inlezen.
- In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 7 „Functie" (LED 7 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
In het submenu het menupunt 7 „Functie“ kiest u de functie 1 met de toets SELECT. LED 1 brandt.
Bevestig dit punt met de toets SET.
LED 7 brandt weer.
Verlaat de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing
brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
-
Lees nu de draadloze melder in de radiorepeater en daarna in de ontvanger in. Ga bij het inlezen van de draadloze melders in de draadloze alarmcentrale als volgt te werk:
-
Zet de dipschakelaar 1 op ON (aan).
- In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 1 (LED 1 brandt).
- Bevestig dit punt met de toets SET.
- De LED's tonen de toestand van de ingelezen draadloze melders. Knippert er een LED, dan wijst dit erop dat dit kanaal al toegewezen is. Is de LED uit, dan kan daar nog een melder ingelezen worden.
- Activeer het sabotagecontact van de melder of zend een signaal van de melder. Werd er een signaal ontvangen, dan wijst de universele module deze melder aan een nieuw kanaal toe. De LED van dit kanaal begint te knipperen. De universele module piept twee keer, als de melder met succes ingelezen werd.
Opmerking: Neem bij het inlezen van de melders de opmerkingen in de desbetreffende installatie-instructies van de melder in acht. Magneetcontacten wijzen onder bepaalde omstandigheden twee melderkanalen (bladveercontact en extern contact) toe.
- Om bijkomende melders in te lezen, gaat u op identieke wijze te werk.
- Hebt u alle melders ingelezen, verlaat dan de programmeermodus door de toets ESC/DEL twee keer in te drukken. Alleen de LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
-
Indien het gewenst is dat de radiorepeater de ontvangst en het doorgeven van radiosignalen aan de hand van de LED van het melderkanaal optisch weergeeft, dan zet u dip-schakelaar 8 op ON (aan). De LED van het overeenkomstige kanaal gaat nu elke keer branden als een signaal door deze melder ontvangen en doorgegeven werd.
-
Optioneel kunt u nu de UVM als radiorepeater in de draadloze alarminstallatie inlezen. Dit heeft als voordeel dat een radiostoring in de melder of de radiorepeater (accu-/spanningsuitval, supervisionuitval of stoorsignalen) aan de draadloze alarmcentrale wordt doorgegeven. Er kunnen maximaal acht universele modules als radiorepeater in de
Secvest worden ingelezen.
Ga bij het inlezen van de radiorepeater in de draadloze alarmcentrale als volgt te werk:
Kies in de draadloze alarmcentrale het punt „Andere componenten toevoegen/Universele module” en volg de aanwijzingen in de installatie-instructies van de draadloze alarmcentrale op. Als u daarom gevraagd wordt, activeert u het sabotagecontact van de universele module en wacht tot de draadloze alarmcentrale het signaal van de universele module ontvangen heeft.
Zet nu de dipschakelaar 3 van de universele module op ON (aan).
6.3.2 Draadloze uitgangsmodule
Functie 2 / LED 2 (alleen in combinatie met de Secvest)
Als draadloze uitgangsmodule dient de universele module om bij de overeenkomstige programmering en overeenkomstig resultaat de vier uitgangen (relais of transistor) te activeren. Hij wordt daar geïnstalleerd waar een schakelcontact nodig is. Deze functie kan de universele module in combinatie met de draadloze alarmcentrale, de afstandsbediening (FU5150/FU5155) of met de draadloze noodoproepzender uitvoeren. Maximaal acht van de universele modules kunnen als draadloze uitgangsmodule met een draadloze alarmcentrale gebruikt worden. Ga bij het gebruik van de universele module als draadloze uitgangsmodule als volgt te werk:
- In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 7 „Functie" (LED 7 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
In het submenu van „Functie“ kiest u de functie 2 met de toets SELECT. LED 2 brandt.
Bevestig dit punt met de toets SET.
De LED 7 brandt opnieuw. Zet de dipschakelaar 3 van de universele module op ON (aan).
Verlaat de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
- Kies in de draadloze alarmcentrale het punt „Andere componenten toevoegen/Universele module” en volg de aanwijzingen in de installatie-instructies van de draadloze alarmcentrale op. Als u daarom gevraagd wordt, activeert u het sabotagecontact van de universele module en wacht tot de
draadloze alarmcentrale het signaal van de universele module ontvangen heeft.
De universele module is nu als draadloze uitgangsmodule ingelezen. Voor het stand-alonebedrijf is deze stap niet nodig.
Verwijder alle geleiderbruggen voor de besturing van de uitgangen. Om de relaiscontacten te programmeren, volgt u de aanwijzingen in de handleiding van de draadloze alarminstallatie in het punt „Programmeren van uitgangen”.
- U kunt de relaisuitgangen ook afzonderlijk omprogrammeren, zodat deze in plaats van NO als NC werken. Het omprogrammeren van de relaisuitgangen heeft invloed op alle functiemodi. Voor het omprogrammeren van de relaisuitgangen gaat u als volgt te werk:
In het hoofdmenu van het programmeermenu kiest u punt 5 (LED 5 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
De LED 1 voor de weergave van de uitgang 1 brandt of knippert.
U bevindt zich nu in het submenu van punt 5. Kies de uitgang waarvan de polariteit veranderd moet worden. Voor het kiezen van de uitgang drukt u op de toets SELECT.
Bevestig de keuze van de uitgang door op de toets SET te drukken.
De LED van de gekozen uitgang knippert of brandt.
Om de polariteit van de uitgang te veranderen, drukt u op de toets SELECT.
Een permanent brandende LED betekent dat deze uitgang als NO geprogrammeerd is. Een knipperende LED betekent dat deze uitgang als NC geprogrammeerd is.
Hebt u de polariteit van de uitgang ingesteld, bevestigt u de selectie met de toets SET. U bevindt zich opnieuw in het menu voor de selectie van de uitgangen.
Heeft u de instellingen voor de uitgangen verricht, dan verlaat u de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
- Sluit nu de uitgangen met uw schakelcontacten overeenkomstig aan. Let er daarbij op dat het schakelvermogen van de relais bij 12 V DC steeds max. 500 mA bedraagt! In de fabrieksinstelling werken de relaiscontacten als werkcontact (NO).
Heeft u de bedradingswerkzaamheden afgesloten, dan sluit u de universele module weer.
Als een uitgang geactiveerd wordt, dan gaat de LED van de
uitgang overeenkomstig branden zolang de uitgang geactiveerd is. Deze functie werkt alleen zolang de universele module van 12 V gelijkspanning wordt voorzien.
6.3.3 Draadloze zender/ontvanger
Functie 3 / LED 3 (alleen in combinatie met de Secvest)
Als draadloze zender/ontvanger beschikt de universele module over vier relaisuitgangen en over twee alarmingangen. Alarmingang 1 dient voor de aansluiting van een alarmcontact voor externe melders, de alarmingang 2 voor de aansluiting van de sabotagelijk. Deze functie kan de universele module alleen in combinatie met de draadloze alarmcentrale uitvoeren. Maximaal acht universele modules kunnen als draadloze zender/ontvanger met de Secvest gebruikt worden.
Deze functie werkt zoals de eerder beschreven functie 2 – Draadloze uitgangsmodule, maar hier zijn bovendien nog de beide ingangen op de universele module actief. Ga bij het gebruik van de universele module als draadloze zender/ontvanger als volgt te werk:
- In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 7 „Functie" (LED 7 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
In het submenu van het menupunt 7 „Functie“ kiest u de functie 3 met de toets SELECT. LED 3 brandt.
Bevestig dit punt met de toets SET. LED 7 brandt weer.
Zet dip-schakelaar 3 van de universele module op ON (aan).
Verlaat de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
- Kies in de draadloze alarmcentrale het punt „Andere componenten toevoegen/Universele module” en volg de aanwijzingen in de installatie-instructies van de draadloze alarmcentrale op. Als u daarom gevraagd wordt, activeert u het sabotagecontact van de universele module en wacht tot de draadloze alarmcentrale het signaal van de universele module ontvangen heeft.
De universele module is nu als draadloze zender/ontvanger ingelezen.
De uitgangen gedragen zich zoals bij de draadloze uitgangsmodule (zie 7.3.2).
Sluit nu de ingangen op de universele module aan. Ingang 1 dient hierbij voor het aansluiten van de melder-alarmcontacten, ingang twee voor het aansluiten van de melder-sabotagelijk.
Stel dip-schakelaar 5, 6 en 7 overeenkomstig hun
ingangsbedrading in en sluit het huis van de universele module.
Programmeer nu de uitgangen in uw draadloze alarmcentrale (zie handleiding draadloze alarminstallatie).
6.3.4 Draadloze sirenemodule
Functie 4 / LED 4 (alleen in combinatie met de Secvest)
Als draadloze sirenemodule dient de universele module voor de aansturing van een externe signaalgever. Deze functie wordt alleen ondersteund, als de universele module met de draadloze alarmcentrale gecombineerd werd. De signaalgever wordt met een 6-polige kabel op de universele module aangesloten (bij de signaalgever bijgevoegd).
Ga bij het gebruik van de universele module als draadloze sirenemodule als volgt te werk:
- In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 7 „Functie" (LED 7 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
In het submenu van het menpunt 7 „Functie“ kiest u de functie 4 met de toets SELECT. LED 4 brandt.
Bevestig dit punt met de toets SET.
LED 7 brandt weer.
Zet dip-schakelaar 3 van de universele module op ON (aan).
Verlaat de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
Alleen de LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
- Kies in de draadloze alarmcentrale het punt „Andere componenten toevoegen/Universele module” en volg de aanwijzingen in de installatie-instructies van de draadloze alarmcentrale op. Als u daarom gevraagd wordt, activeert u het sabotagecontact van de universele module en wacht tot de draadloze alarmcentrale het signaal van de universele module ontvangen heeft.
De universele module is nu als draadloze sirenemodule ingelezen. Een verdere programmering is niet nodig.
Sluit nu de kabel van de sirene op de RJ12 stekker van de universele module aan. Of volg de onderstaande aanwijzingen voor het aansluiten van een conventionele sirene.
Opmerking: Bij gebruik van de sireneaansluiting via de RJ12 stekker op de universele module moeten de geleiderbruggen 1 en 2 als volgt erin gestoken zijn:

Dipschakelaar 8 moet op OFF (uit) gezet zijn.
Programmeer het gedrag van deze sirene in de draadloze alarmcentrale onder het punt:
- Deelgebieden voor de bevestigingsfunctie
• UVM bewerken voor de alarmeringsfunctie
3. Aansluiting van een conventionele sirene
Voor zover u de universele module in functie 4, draadloze sirenemodule gebruikt en een conventionele sirene (zonder eigen stroomvoorziening) wilt gebruiken, moet u de universele module als volgt met sirene de verbinden:

6.3.5 Draadloze sirenezender/ontvanger
Functie 5 / LED 5
Als draadloze sirenezender/-ontvanger kan via de universele module een draadloze sirene met elke willekeurig bedrade centrale gebruikt worden. De ingangen van de universele module worden daarbij met de relaisuitgangen van de alarmcentrale verbonden, die voor de aansturing van de flits en van de sirene dienen, de uitgangen van deze universele module met de sabotage-ingang van de alarmcentrale. Een tweede universele module wordt met een willekeurige signaalgever verbonden. Flits en sirene kunnen via een radioverbinding nu onafhankelijk van elkaar aangestuurd worden.
Ga bij het gebruik van de universele module als draadloze sirenezender/ontvanger als volgt te werk:
Programmeer eerst de universe module die met een sirene
verbonden is als draadloze sirenemodule (functie 4, zie 7.3.4).
Opmerking: In plaats van het inlezen van de universele module in de draadloze alarmcentrale vindt hier het inlezen in de tweede universele module plaats.
Programmeer dan pas de tweede met de alarmcentrale verbonden universele module als volgt.
- In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 7 „Functie" (LED 7 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
In het submenu van het menupunt 7 „Functie“ kiest u de functie 5 met de toets SELECT. LED 5 brandt.
Bevestig dit punt met de toets SET.
LED 7 brandt weer.
- Kies nu in het hoofdmenu van de universele module het punt 1 Melder inlezen (LED 1 brandt).
Activeer op de universele module, die als draadloze sirenemodule werkt en met de sirene verbonden is, het sabotagecontact.
Heeft de universele module, dat als draadloze sirenezender/-ontvangermodule werkt, het signaal ontvangen, dan knipperen de blauwe LED's 1-3 aan deze universele module.
Verlaat de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
De universele module werkt nu als draadloze sirenezender/ontvanger. Bij het sluiten van ingang 1(2) wordt uitgang 1(2) op de andere universele module (verbonden met de sirene) geactiveerd.
- Sluit nu de universele module zoals afgebeeld op de alarmcentrale aan.

TR is de sabotage-ingang van de alarmcentrale.
Programmeer aan de alarminstallatie de uitgang 1 als sirene volgend (NO) en uitgang 2 als flits volgend (NO).
De geleiderbrugbezetting is hierbij zoals hiernaast afgebeeld:

6.3.6 Draadloze ontvangstmodule
Functie 6 / LED 6
Als draadloze ontvangstmodule kan via de universele module een bedrade installatie met max. acht draadloze componenten per universele module uitgebreid worden. Daarbij dient de universele module als draadloze ontvanger voor deze acht draadloze melders. De relaisuitgangen worden met de zone-ingangen van de snoergebonden centrale verbonden. Naast de alarmen worden ook sabotages en melderstoringen (accu, supervisionuitval, stoorsignalen) doorgegeven. Steeds vier draadloze melders activeren een relaisuitgang. Alle sabotagemeldingen activeren de derde relaisuitgang, de storingsmeldingen activeren de vierde relaisuitgang.
Ga bij het gebruik van de universele module als draadloze ontvangstmodule als volgt te werk:
- Kies de schakelaarstand voor de dipschakelaars 2, 3 en 4 (zie punt 5.5).
In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 7 „Functie” (LED 7 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
In het submenu van het menpunt 7 „Functie” kiest u de functie 6 met de toets SELECT. LED 6 brandt.
Bevestig dit punt met de toets SET.
LED 7 brandt weer.
Verlaat de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
- Lees nu de draadloze melder in de UVM in.
Ga daarbij als volgt te werk:
- Zet de dipschakelaar 1 op ON (aan).
- In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 1 (LED 1 brandt).
- Bevestig dit punt met de toets SET.
- De LED's tonen de toestand van de ingelezen draadloze melders. Knippert er een LED, dan wijst dit erop dat dit kanaal al toegewezen is. Is de LED uit, dan kan daar nog een melder ingelezen worden.
- Activeer het sabotagecontact van de melder of zend een signaal van de melder. Werd er een signaal ontvangen, dan wijst de universele module deze melder aan een nieuw kanaal toe. De LED van dit kanaal begint te knipperen. De universele module piept twee keer, als de melder met succes ingelezen werd.
Opmerking: Neem bij het inlezen van de melders de opmerkingen in de desbetreffende installatie-instructies van de melder in acht. Magneetcontacten wijzen onder bepaalde omstandigheden twee melderkanalen (bladveercontact en extern contact) toe.
- Om bijkomende melders in te lezen, gaat u op identieke wijze te werk.
- Hebt u alle melders ingelezen, verlaat dan de programmeermodus door de toets ESC/DEL twee keer in te drukken. Alleen de LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
- Verwijder alle geleiderbruggen voor de besturing van de uitgangen en sluit de universele module op uw alarmcentrale aan zoals in het volgende aansluitvoorbeeld beschreven.
De relaisuitgangen worden geactiveerd, als een melder activeert. De meldertoewijzing kunt u in de onderstaande tabel terugvinden. Er zijn steeds vier melders aan een relaisuitgang toegewezen. Deze relaisuitgang wordt geactiveerd zodra een
melder geactiveerd is.
Heeft u een afstandsbediening (FU5150/FU5155) ingelezen, dan is op de afstandsbediening uitsluitend toets 4 (gemarkeerd met een vierkantje) actief en kan een relaisuitgang sturen. Om een afstandsbediening voor het activeren/deactiveren te gebruiken, dient deze op een eigen uitgang geprogrammeerd te zijn.
| Uitgang1 | Draadlozemelder 1 | Draadlozemelder 2 | Draadlozemelder 3 | Draadlozemelder 4 |
| Uitgang2 | Draadlozemelder 5 | Draadlozemelder 6 | Draadlozemelder 7 | Draadlozemelder 8 |
| Uitgang3 | Sabotagemelding van alle ingelezen draadloze melders | |||
| Uitgang4 | Storingsmelding van alle ingelezen draadloze melders(accuverlies, stoorsignalen, supervisionuitval) | |||
| Ingang 1 | Eerste-melderherkenning (ingang sluiten om functie te activeren) | |||
| Ingang 2 | Looptestfunctie (ingang sluiten om functie te activeren) | |||
Aansluitvoorbeeld van de universele module op een snoergebonden alarmcentrale, bijv.: Terxon S Gelieve ervoor te zorgen dat de geleiderbruggen allemaal aangetrokken zijn en de uitgangen als relais (NC) werken.
Omkeren van de relaisuitgangen
U kunt de relaisuitgangen ook afzonderlijk omprogrammeren, zodat deze in plaats van NO als NC werken. Het omprogrammeren van de relaisuitgangen heeft invloed op alle functiemodi. Voor het omprogrammeren van de relaisuitgangen gaat u als volgt te werk:
In het hoofdmenu van het programmeermenu kiest u punt 5 (LED 5 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET. De LED 1 voor de weergave van de uitgang 1 brandt of knippert.
U bevindt zich nu in het submenu van punt 5. Kies de uitgang waarvan de polariteit veranderd moet worden. Voor het kiezen van de uitgang drukt u op de toets SELECT.
Bevestig de keuze van de uitgang door op de toets SET te drukken.
De LED van de gekozen uitgang knippert of brandt.
Om de polariteit van de uitgang te veranderen, drukt u op de
toets SELECT.
Een permanent brandende LED betekent dat deze uitgang als NO geprogrammeerd is. Een knipperende LED betekent dat deze uitgang als NC geprogrammeerd is.
Heeft u de polariteit van de uitgang ingesteld, dan bevestigt u de keuze met de toets SET. U bevindt zich weer in het menu voor de keuze van de uitgangen.
Heeft u de instellingen voor alle uitgangen verricht, dan verlaat u de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
In het getoonde voorbeeld staan de dip-schakelaars 2, 3 en 4 van de universele module op ON (aan). Stoorsignalen en accustoring en supervisionuitval activeren uitgang 4 van de UVM.
Eerste-melderherkenning:
Uitgang 1 van de alarmcentrale is met ingang 1 van de universe module verbonden. Wordt de alarmcentrale geactiveerd, dan schakelt deze uitgang op massa (0 V) en blijft op massa geschakeld, tot de centrale weer gedeactiveerd wordt.
Nadat de alarmcentrale gedeactiveerd werd, knippert de LED van het melderkanaal op de universele module, dat als eerste geactiveerd is. LED's van de melderkanalen die ook geactiveerd zijn, branden op de universele module permanent.
Looptest:
Uitgang 2 van de alarmcentrale is met ingang 2 van de universele module verbonden. Moet er een looptest uitgevoerd worden, dan schakelt uitgang 2 de alarmcentrale op massa (0 V). Activeer nu na elkaar de draadloze melders. Heeft de universele module het signaal ontvangen, dan wordt de ontvangst met een akoestisch signaal bevestigd. De LED van het melderkanaal op de universele module gaat permanent branden. Heeft u alle melders getest, dan deactiveert u uitgang 2 van de alarmcentrale en de LED's gaan uit.

Speciale functie van de melderkanalen in de functiemodus 6
Deze functie heeft alleen invloed op de functie van ingelezen afstandsbedieningen (FU5150/FU5155) in functiemodus 6. In alle andere functiemodi wordt er geen rekening gehouden met de hier verrichte instelling. De instelling beïnvloedt de melderkanalen in hun aanstuurfunctie voor de daaraan toegewezen relaisuitgangen als doorlopend contact of impulscontact. Voor het omprogrammeren van de melderkanalen gaat u als volgt te werk:
In het hoofdmenu van het programmeermenu kiest u punt 3 (LED 3 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET. LED 1 voor de weergave van uitgang 1 brandt of knippert.
U bevindt zich nu in het submenu van menupunt 3. Kies het melderkanaal waarvan de eigenschap veranderd moet worden. Voor het kiezen van het melderkanaal drukt u op de toets SELECT.
Opmerking: Melderkanalen 1-4 beïnvloeden de functie van relaisuitgang 1, melderkanalen 5-8 de functie van relaisuitgang 2.
Bevestig de keuze van het melderkanaal door op de toets SET te drukken. De LED van het gekozen melderkanaal knippert of brandt.
Om de eigenschap van het melderkanaal te veranderen, drukt u op de toets SELECT. Een permanent brandende LED betekent dat deze uitgang als doorlopend contact geprogrammeerd is. Een knipperende LED betekent dat deze uitgang als impulscontact geprogrammeerd is.
Heeft u de eigenschap van het melderkanaal ingesteld, dan bevestigt u de keuze met de toets SET. U bevindt zich weer in het menu voor de keuze van de melderkanalen.
Heeft u de instellingen voor de melderkanalen verricht, dan verlaat u de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
Werd het kanaal als doorlopend kanaal geprogrammeerd, dan activeert u de uitgang door indrukken van toets 4 (vierkantje) en deactiveer deze door indrukken van toets 3 (ruitje). Hebt u meer dan één afstandsbediening ingelezen, dan moet van elke afstandsbediening het bevel om te deactiveren komen, zodat de uitgang opnieuw gedeactiveerd wordt.
6.3.7 Draadloze cilinderontvanger
Functie 7 / LED 7
Als draadloze cilinderontvanger kan via de universele module een bedrade installatie ook met de draadloze cilinder geactiveerd/gedeactiveerd worden. De universele module werkt hierbij als blokslot. Hierbij zijn er twee modi. In modus een sturen telkens twee cilinders een relais. In modus twee sturen vier cilinders een relais.
Ga bij het gebruik van de universele module als draadloze cilinderontvanger als volgt te werk:
- Kies als schakelaarstand voor dipschakelaar 1 ON, voor alle andere dipschakelaars OFF. Meer aanwijzingen voor de schakelaarstand van de dipschakelaar 8 krijgt u hierna.
In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 7 „Functie” (LED 7 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
In het submenu van het menpunt 7 „Functie“ kiest u de functie 7 met de toets SELECT. LED 7 brandt.
Bevestig dit punt met de toets SET.
LED 7 brandt weer.
Verlaat de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
Opmerking: Om de draadloze cilinder in de universele module in te lezen moet dip-schakelaar 1 op ON (aan) worden gezet.
- Ga bij het inlezen van de draadloze cilinder in de draadloze alarmcentrale als volgt te werk:
Zet dip-schakelaar 1 op ON (aan).
In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 1 (LED 1 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
De LED's tonen de toestand van de ingelezen draadloze melders. Knippert er een LED, dan wijst dit erop dat dit kanaal al toegewezen is. Is de LED uit, dan kan daar nog een melder ingelezen worden.
Zend een signaal van de cilinder. Werd er een signaal ontvangen, dan wijst de universele module deze melder aan een nieuw kanaal toe. De LED van dit kanaal begint te knipperen. De universele module piept twee keer, als het signaal met succes ingelezen werd.
Om een bijkomende cilinder in te lezen, herhaalt u de hierboven genoemde stappen.
Heeft u alle melders ingelezen, dan verlaat u de programmeermodus door twee keer op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
- Verwijder alle geleiderbruggen voor de besturing van de uitgangen en sluit de universele module op uw alarmcentrale aan zoals in punt 7.3.6 beschreven.
De relaisuitgangen worden geopend als de draadloze cilinder in de sluitrichting gedraaid wordt en de alarminstallatie wordt gactiveerd. De relaisuitgangen worden gesloten als de draadloze cilinder in de openingsrichting gedraaid wordt en de alarminstallatie wordt gedeactiveerd.
Opmerking: De uitgangen keert u om, zoals in punt 7.3.6 beschreven.
De uitgangen schakelen stabiel, d.w.z. dat de zone van de centrale als blokslot geprogrammeerd moet zijn.
In de modus 1, dipschakelaar 8 op OFF, zijn de melderkanalen
telkens per paar aan een uitgang toegewezen, d.w.z. kanalen 1&2 sturen uitgang 1, 3&4 sturen uitgang 2, enz.
In de modus 2, dipschakelaar 8 op ON, zijn telkens vier melderkanalen aan een uitgang toegewezen, d.w.z. kanaal 1, 2, 3 & 4 sturen uitgang 1 en kanaal 5, 6, 7, & 8 sturen uitgang 2. De andere uitgangen hebben geen functie.
6.4 Wissen van draadloze melders
Draadloze melders kunnen afzonderlijk uit de universele module gewist worden. Ga bij het wissen van de draadloze melders van de universele module als volgt te werk:
In het hoofdmenu van de programmeermodus kiest u punt 2 (LED 2 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
De LED's tonen de toestand van de ingelezen draadloze melders. Knippert er een LED, dan wijst dit erop dat op dit kanaal een draadloze melder ingelezen is.
Met de toets SELECT kunt u nu tussen de kanalen kiezen.
Om een draadloze melder te wissen, kiest u het overeenkomstige kanaal en drukt u vervolgens op de toets ESC/DEL. Houd de toets ingedrukt, tot de universele module twee keer piept.
LED 2 voor de weergave, dat u zich in punt 2 van de programmeermodus bevindt, brandt.
Om nog een draadloze melder te wissen, drukt u opnieuw op de toets SET. Opnieuw knippert de LED van een toegewezen kanaal.
Herhaal stap 5. Werden alle melders gewist, dan kan punt 2 van het hoofdmenu niet meer betreden worden, in plaats daarvan geeft de universele module een dubbel signaal af.
Heeft u de gewenste melders gewist, dan verlaat u de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
Alleen de LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
6.5 Signaalsterktemeting
De universele module is in staat de signaalsterkte van de ingelezen draadloze melders te meten en via LED's weer te geven. Voor het meten van de signaalsterkte ingelezen draadloze melders gaat u als volgt te werk:
In het hoofdmenu van het programmeermenu kiest u punt 4 (LED 4 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
Opmerking: U kunt alleen een meldertest uitvoeren, als ook
minimaal één draadloze melder ingelezen is. Als er geen melder ingelezen is, dan klinkt er een dubbel signaal.
Activeer een melder. Nadat het signaal ontvangen werd, kunt u aan de hand van het aantal blauwe LED's de signaalsterkte aflezen. Voor een radiocommunicatie die sterk genoeg is, moeten minimaal drie blauwe LED's branden.
Heeft u de gewenste melders getest, dan verlaat u de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
Alleen de LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
6.6 Fabrieksinstelling
Om alle instellingen in de universele module en alle melders te wissen, gaat u als volgt te werk:
In het hoofdmenu van het programmeermenu kiest u punt 8 (LED 8 brandt).
Bevestig dit punt met de toets SET.
Alle LED's knipperen.
Druk op de toets ESC/DEL en houd deze ingedrukt tot de universele module een dubbel signaal ter bevestiging afgeeft en LED 8 brandt. De programmering en alle ingelezen draadloze melders werden gewist.
Opmerking: Om menupunt 8 zonder fabrieksreset te verlaten, drukt u maar kort op de toets ESC/DEL.
Heeft u de fabrieksinstelling weer hersteld, dan verlaat u de programmeermodus door op de toets ESC/DEL te drukken.
De LED voor spanning brandt/knippert en de LED voor storing brandt. De universele module piept met korte tussenpozen.
Sluit beide sabotagecontacten van de UVM en wacht tot deze een dubbel signaal heeft afgegeven.
Spanningsvoeding: 12 V DC
90 mA met geactiveerd relais
240 mA met geactiveerd relais en acculading
Noodstroomvoorziening: 6 V DC, 1,2 Ah
Aantal kanalen: 8
Weergave: 10 LED's
Uitgangen: 4 x transistorrelais (NO/NC)
Max. schakelvermogen 500 mA,
24 V DC, R=2 Ω
1 x RJ12 voor de aansturing van de sirene
Ingangen: 2
Compatibiliteit: Secvest
Terxon LX
Terxon MX
Terxon SX
Draadloze rookmelder
Draadloze bewegingsmelder
Draadloos magneetcontact
Draadloze trillingsmelder
Draadloze glasbreukmelder
Draadloze afstandsbediening
(FU5150/FU5155)
Draadloze cilinder (SecvestKey)
Draadloze noodoproepknop
(med./overval)
Draadloze buitensirene
Afmetingen:
220 x 135 x 42 mm (HxBxD)
Gewicht:
330 g (zonder accu)
„Hiermee verklaart ABUS Security-Center GmbH & Co. KG, dat het apparaat met bestelnummer FUMO50020 in overeenstemming is met de essentiële eisen en overige desbetreffende bepalingen van de richtlijn 1999/5/EG. De conformiteitsverklaring kan worden aangevraagd onder het volgende adres:
De functie van de draadloze universele module is uitgebreid. Het gaat hier om de versterker module, daadloze uitgangsmodule, sirenemodule en de draadloze ontvangstmodule.
Versterkermodule
In functie 1 kan de module de volgende zenders versterken:
• FU59xx/FUSK5xxxxx 2WAY Secvest Key
• FU8100/FUBE50000 2WAY afstandsbediening
• FU8110/FUBE50011/12 2WAY draadloos bedieningspaneel
• FU8165/FUBE50060draadloze sleutelschakelaar
• FU8200/FUMO50030 Infomodule (ook FU5200)
• FU822X/FUSG50000 draadloze buitensirene
• FU8230/FUSG50010 draadloze binnensirene
• FU8130/FU8140/FUFT50010/20 Draadloos extra deurslot
De compatibiliteit van de reeds bestaande apparaten blijft gehandhaafd.
Draadloze uitbreidingsmodule
In functie 2 kunnen nu meer kanalen (4 stuks) gebruikt worden. De ondersteunende apparaten vindt u terug in de onderstaande lijst.
| IR | Draadloos | ||
| FU5140 | Nee | Nee | |
| FU5150, FU5155, FU8150Gebruikt kanaal 1 - 4, er kan verder niets meer ingeleerd worden OP1-driehoek, OP2-ruit, OP3-cirkel, OP4-vierkant | Ja | Ja | |
| FU56xxGebruikt kanaal 1 - 4, er kan niets meer ingeleerd worden OP2-uitgeschakeld (ruit), OP4-ingeschakeld (driehoek)OP1 en 3 zonder functie. | Nee | Ja | |
| FU59xx/FUSK5xxxxx 2WAY Secvest KeyFU8130/FU8140/FUFT50010/20 Draadloos extra | Nee | Nee | |
| FU8100/FUBE50000, FU8110/FUBE50011/12 | Nee | Nee | |
| FU8165/FU5165/FUBE50060 | Nee | Nee | |
| FU8200/FUMO50030, FU5200 | Nee | Nee | |
| FU8220, FU8230/FUSG50010 | Nee | Nee | |
| FU8300/FUAT50010, FU8310/FUAT50020Gebruikt 2 kanalen | Ja | Ja | ||
| FU8305Gebruikt 1 kanaal | Ja | Ja | ||
| FU8320 / 21 / 25, FU8430/35/FUFT50040Gebruikt 2 kanalen (Reed contact+sabotage behuizing of alarm+sabotage extern contact)OP1=alarm, OP2=sabotage of OP3=alarm, OP4=sabotage. Kan ook 2+3 zijn | Ja | Ja | ||
| FU8330/FUWM50000Gebruikt 2 kanalen, OP1=alarm, OP2=sabotage of OP3=alarm, OP4=sabotage. Kan ook 2+3 zijn | Ja | Ja | ||
| FU8340/FURM50000Gebruikt 2 kanalen. Alleen alarmkanaal reageert, sabotage bestaat niet op RM.OP is permanent geschakeld, moet anders hersteld worden,bijvoorbeeld door het handmatig schakelen van de uitgang in het gebruikersmenu!!! | Ja | Ja | ||
| FU8350/FUBW50000, FU8370/FUGB50000, FU8380/FUEM50000, FU5110Gebruikt 2 kanalen. OP1=alarm, OP2=sabotage | Ja | Ja | ||
| FU8390/FUAT50000Gebuikt 1 kanaal | Ja | Ja | ||
| FU84xx FTSE 96, FU8420 / FU8421 / FU8422FU8130/FU8140/FUFT50010/20Gebruikt 2 kanalen. OP1=alarm, OP2=sabotage of OP3=alarm, OP4=sabotage. Kan ook 2+3 zijnGeen verschil bij glasbreuk of het openen mar het alarm wordt telkens verstuurd. | Ja | Ja | ||
| SirenenmoduleIn functie 4 met een bekabelde sirene. Kijk hiervoor op bladzijde 21 van de handleiding.De tabel op bladzijde 19 van de handleiding kan analoog gebruikt worden.Let op: De LED’s lichten niet meer op wanneer een melding wordt ontvangen.Draadloze ontvangstmoduleIn functie 6 kunnen nu overige componenten gebruikt worden. De LED’s lichten niet meer op als een melding ontvangen wordt.Voor de verhouding van de uitgangen in combinatie met de verschillende componenten kunt u gebruik maken van de onderstaande lijst. | ||||
| IR | Draadloos | |||
| FU5150, FU5155, FU8150Gebruikt 1 kanaalMet menu 3 bepaalde melderkanaal → impulso Vierkant schakelt OP1 of OP2, wegens de impuls schakelt OP dan terugo Ruit heeft geen functieMet menu 3 bepaalde melderkanaal → continuo Vierkant schakelt OP1 of OP2o Ruit schakelt terugo Opmerking: Hoofdstuk 12 (Menu 3) is juist, wanneer er op meerdere draadloze afstandsbedieningen d.m.v. het vierkant toets uitgangen geactiveerd zijn, moeten deze op de alle afstandsbedieningen d.m.v. de ruit toets gedeactiveerd worden. | Ja | Ja | ||
| FU56xx Secvest Key oud (werkt zoals FU5155) Toets 1 (analoog driehoek)=ingeschakeldToets 4 (analoog ruit)=uitgeschakeld | Nee | Ja | ||
| FU8220, FU8230/FUSG50010, FU8230/FUSG50000 (- FU8230) | n/a | n/a | ||
| FU8300/FUAT50010, FU8310/FUAT50020, FU8320/21/25, FU8330/FUWM50000/35, FU8350/FUBW50000, FU5110, FU8430OP1 of OP2=alarmOP3=sabotage | Ja | Ja | ||
| FU8305OP1 of OP2=alarmOP4=batterijstoring, jamming, supervisie | Ja | Ja | ||
| FU8340/FURM50000OP1 of OP2=alarmUitgang schakelt alleen terug wanneer menu 3 (hoofdstuk 12) het melderkanaal op impuls is gezet. Herstel van de melder wordt niet gestuurdOP4=batterijstoring, jamming, supervisie | Ja | Ja | ||
| FU8370/FUGB50000OP1 of OP2=alarmUitgang schakelt alleen terug wanneer menu 3(hoofdstuk 12) het melderkanaal op impuls is gezet. Herstel van de melder wordt niet gestuurdOP1 of OP2=alarmUitgang schakelt alleen terug wanneer menu 3 (hoofdstuk 12) het melderkanaal op impuls is gezet. Herstel van de melder wordt niet gestuurd | Ja | Ja | ||
| OP1 of OP2=alarmUitgang schakelt alleen terug wanneer menu 3 (hoofdstuk 12) het melderkanaal op impuls is gezet. Herstel van de melder wordt niet gestuurdOP1 of OP2=alarmUitgang schakelt alleen terug wanneer menu 3 (hoofdstuk 12) het melderkanaal op impuls is gezet. Herstel van de melder wordt niet gestuurdOP4=batterijstoring, jamming, supervisie | Ja | Ja | ||
| FU8390/FUAT50000OP1 of OP2=alarmOP4=batterijstoring, jamming, supervisie | Ja | Ja | ||
| FU84xx FTSE 96, FU8420 / FU8421 / FU8422 FU8130/FU8140/FUFT50010/20OP1 of OP2=alarmOP3=sabotageOP4=batterijfout, jamming, supervisieGeen verschil bij glasbreuk of het openen mar het alarm wordt telkens verstuurd. | Ja | Ja | ||
Indholdsfortegnelse
-
FORORD 142
-
SIKKERHEDSANVISNINGER 142
-
SÄERLIGE KENDETEGN 142
-
KOMPONENTERNES BETEGNELSER 143
4.1 Display 143