CMOS-200 - Achteruitrijcamera KENWOOD - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis CMOS-200 KENWOOD in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over CMOS-200 KENWOOD
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Achteruitrijcamera in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding CMOS-200 - KENWOOD en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. CMOS-200 van het merk KENWOOD.
GEBRUIKSAANWIJZING CMOS-200 KENWOOD
Voor gebruik/Installatieprocedure
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om persoonlijk letsel of brand te voorkomen:
Voorkom kortsluiting en steek derhalve nooit metalen voorwerpen (zoals Munten en gereedschap) in het toestel.
- De installmentie en bedrading van dit product moet worden uitgevoerd door een deskundig person. Laat een gespecialiseerd technicus het apparatusat installeren zDat uw verilgheid Niet in gevaar komt.
▲LETOP
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om schade aan het product te voorkomen:
Zorg dat het toestel geaard is aan een negatie aansluiting van een 12-volt-gelijkstroomvoedig.
- Gebruik, bij het verzangen van een zekering, alleen een neue zekering met de voorgeschreven waarde. Als u een verkeerde zekering gebruikt, kan er möglichk een storing optreden in het apparatusaat.
- Gebruik bij het installereren uitsluitend de bijgeleverde schroeven. Gebruik uitsluitend de bij het toestel geleverde schroeven. Bij gebruik van de verkeerde schroeven, kan het apparaat beschadigd raken.
OPMERKING
- Dit product is eenchteruijtrijcamera waarmee u kunt bekijken wat zich aan de achterkant van uw auto aftspeelt.
- Een城县 is an camera.
Aansluiting op een televisione met een RCA-video-ingang is möglichk, maar controllerer erst of de televisione die u gebruikt een functie voor inschakeling bijchyteruirijden heeft. - Dit product is ontworpen om de chauffeur te ondersteunen bij hetchyteruirijden, maar de camerabeelden laten Niet alle gezaren en obstkels zien. Kijk voor de zekerheid zichter u bij hetchyteruirijden.
- Dit product is uitgerust met een groothoeklens, dus het beeel dicht bij is breed en het beeel veraf is smal, waardoor een onjuist gevoel voor afstand kan ontstaan. Kijk voor de zekerheidchter u bij hetchyateruijden.
- Laat uw auto Niet wassen in de autowasinstallatie of met water onder hoge druk aangezien dit ertoe kan leiden dat water de camera binnendringt of de camera op de grond valt.
- Controller of de camerabeugel goed is bevestigd voordat u vaat rijden.
Zitten de schroeven los?
Zit de camerabeugel stevig vast? - Als dechyteruitrijcamera losraakt terwijl u aan het rijden bent, kan deze een ongeval verroorzaken.
Voordat u het apparaat definitief installeert, sluit u eerstijdelijk de draden aan om te controleren of alles goed is bevestigend en de camera en het systeem werkken.
Bij het monteren van deze camera moet u ervoor zorgen dat er geen kabelsCUSzende camera en het omringende metaal of de aansluitingenbekneld raken. - Monteer de camera Niet in de buurt van de verwarmingsuitlaat, waar deze beschadigd kan raken door de warmte of bij de portieren, waar regenwater op de camera kan spatten. (Installerer de camera nooit op de bovengenoemde locaties vanwege het gevaar van storingen
ten gevolge van hoge temperatures.
- Controller, voordat u montagegaten gaat boren, altiijd de plek achechter de locatie waar u wilt gaan boren. Boor Niet in de brandstofleiding, remleiding, elektrische bedrading of andere belangsrijke onderdelen.
- Als de camera worden geinstalleerd in het interieur, verankert u deze stevig zodate het apparaat Niet kan losraken verwijl het voertuig in beweging is en letsel of een onceval kanveroorzaken.
- Als de camera onder een van van de voorstoelen worden gemonteerd, contrôleert u of deze stoel nog vooruit ofchteruit kan worden verplaatst. Leid alle kabels en snoeren zorgvuldig rond het schuifmechanisme zodate zich nichtbekneld kuren raken in het mechanisme en kortsluitingveroorzaken.
Verzorging en onderhoud
- Als het product vuil worden, neemt u het af met een siliconendoek of een zacht de hoek. Als het ernstig verwuiid is, verwijdert u de vlek met een doekje dat bevochtig is met een neutraal reinigingsmiddel en neemt u het reinigingsmiddel verwolgens af. Gebruik geen harde doeken en/of vluchtige vloeistof, zoals verdunner of alcohol. Deze konnen krassen, verrormingen, aantastingen en/of schadeveroorzaken.
- Wonneer een lensonderdeel vuil worden, neemt u deze voorlichtig af met een zachte doeck, bevochtigd met water. Niet met een droge doeck wrijven om krassen op de lens te vermijden.
Installatieprocedure
1 Voorkom kortsluiting door de sleutel uit het contactslot te halen en de accu los te koppelen.
2 Verbind de juiste in- en uitgangskabels van ieder toestel.
3 Sluit de draten in de kabelboom aan. Doe dit in de onderstaande volgorde: aarde, ontsteking, achefteruit en camera-eenheid.
4 Sluit de connector van de kabelboom aan op de voedingseenheid.
5 Installee het toestel in uw auto.
6 Sluit de accu weeer aan.
WAARSCHUWING
- Als u de ontstekingsdraad (rood) aansluit op het autochassis (aarde), kan er kortsluiting en verrolgens brand ontstaan. Sluit deze kabels altijd aan op de voedingsbron die via de zekeringkast loopt.
- Knip de zekering Niet los van de ontstekingsdraad (rood). De voeding moet via de zekering worden aangesloten op de draden.
▲LETOP
- Als het contactslot van uw auto geen ACC-stand heeft, sluit u de ontstekingsdraad aan op een voedingsbron die met de contactsleutel kan worden in- en uitgeschakeld. Als u de ontstekingsdraad aansluit op een voedingsbron met een constante spanningsbron, zoals bij accukabels, raakt de accu möglichk uitgeput.
- Als de zekering is doorgebrand, controleert u erest of de kabels elkaar Niet raken en zo een kortsluiting veroorzaken
en verrangt u vervolgens de oude zekering door een neue metdezelfde stroomsterkte.
- Isoleeer nicht-aangesloten kabels met isolatieband of ander geschikt materiaal. Voorkom kortsluiting door de kapjes op het uiteinde van de nicht-aangesloten kabels of aansluitingen Niet te verwijderen.
- Controller ne het installereren van het toestel of de remlichten, richtingaanwijzers, ruitenwissen enz. van de auto juist functioneren.
- Installeer de camera zodanig dat het zich door de achtermuit nicht worden belemmerd.
- Installeer de camera zodanig dat deze Niet aan de zichkant van de auto uitsteekt.
- Installer de camera Niet als het regent of mistig is.
- Als de luchtvochtigheid hoog is, droogt u het oppervlak af waarop de camera要去 worden bevestigd, voordat u tot installmente overgaat.
Vocht op het bevestigingsoppervlak verminderdt de kleefkracht, waardoor de camera kan loschieten. - Bevestig de camerabeugel Niet op onderdelen van de carrosserie die zich behandeld met fluorkoolstofhars of op glas.
-
Dit kan tot gevolg hebben dat de weiteruitrijcamera er af valt.
-
Giet geen water over de camera.
- Stel de camera Niet bloat aan regen.
- Ga Niet onnodig ruw om met de camera.
-
Maak de camera grondig schoon bij gebruik van tape om het apparaat vast tezetten.
-
Raadpleeg de instructiehandleiding voor nadere details over het aansluiten van andere camera's en voer verrolgens de aansluiting op correcte wijze uit.
- Bevestig de draden met kabelklemmen of kleefband. Beschemd er bedrading door er kleefband omheente wikken op plaatsen waar de bedrading metalen onderdelen raakt.
- Leid alle draden zodanig dat zij geen bewegende delen, zoals de versnellingspook, handrem of stoelrails, können raken en zet ze vast.
Leid de draden Niet landspekken die heet worden, zoals onder de verwarmingsuitlaat. Als de isolatie van de bedrading smelt of beschadig rad kaut, bestaat er het gevaar dat de bedrading kortsluiting kaakt gegen het chassis.
Zorg er bij het verzangen van de zekering voor dat u alleen zekeringen gebruikt met de waarde die staat aangegeven op de zekeringhouder. - U kunt de hoeveelheid ruis tot een minimum beperken door de kabel voor de televisioneantenne, de kabel voor de radioantenne en de RCA-kabel zo ver möglichukt elkaar teplaatsen.
- Installeer de voedingseenheid op plekken waar deze kan worden blootgesteld aan hog temperaturen of een hogluchtvochtighide, zoals:
- Plekken in de buurt van een verwarmingstoestel, ventilator of airconditioning.
- Plekken die bloodstaan aan direct zonlicht, zoals de bovenkant van het dashboard of de afdekplaat van dechterbak.
- Plekken waar regendruppellere tereach hunken komen, bijvoorbeeldicht bij de portieren.
- Leg de snoeren dusdanig aan dat gebieden met hog temperaturen worden vermeden. Gebruik ribbelbuizen voor bedrading in de motorruimte. Wonneer een draad contact maakt met een heet gedeelte van de auto, kan de mantel smelen en kortsluitingveroorzaken, wat kan leiden tot een brand of gevaar van elektrische schokken.
Toebehoren
Camera (met camerabeugel) ....1 Camera-aansluitsnoor ....1


Voedingseenheid....1 Dubbelzijdig klevende tape (groot).....1


Voedingskabel.....1

Waterdichte behuizing.1 Klemschroef camerabeugel.1


Uitsluitend CMOS-300
Schakeleenheid....1 Dubbelzijdig klevende tape (klein) .........1

Aansluitsnoer hoofdapparaat ....1

Het aansluitsnoer voor het hoofdapparaat worden gebruikt voor aansluiting op een autonavigatesystem van Kenwood e.d. die voorzien is van de camerabedieningsfunctie.
Installatie
OPGELET
- De inbouwposition van de camera kan een belemmering vormen voor de afstellingenijdens het instellen van de camera. Bouw de camera nog Niet definitief in, maar bevestig.Deze tijdelijk, tot het instellen van de camera voltooid is.
Aanbevolen inbouwpositie
Voorbeelden van een correcte camera-inbouw

De CMOS-300 moet op een hoogte van 55 cm of meer worden ingebouwd.
De camera inbouwen/de camerahoek afstellen
1 Bepaal de inbouwpositie van de camera.
2 Maak de inbouwpositie van de camera schoon.
Met behulp van een in de handel verkrijgbaar reinigingsmiddel verwijdert u vuil, vocht en olie van het oppervlak waarop de camerabeugel moet worden bevestigd.
3 Draai de bevestigingschroeven van de camerabeugel los.

Met behulp van een normale kruiskopschroevendraier draait u de twee bevestigingssschroeven los.
Voer stappen 4 en 5 alleen uit wanner ze nodig zichn.
4 Indienoodzakelijk,maakt u de camerabeugel los van de camera en past u de vorm aan het oppervlak aan waarop de beugel moet worden gemonteerd.

Camerabeugel
Pas de vom van de camerabeugel aan, zDat hij afgesteld is op de inbouwpositie van de camera.
5 Monteer de camera op de camerabeugel.
Monteer de camera dusdanig, dat het "KENWOOD"-logo aan de bovenkant zichtaar is.
6 Zet de cameraijdelijk vast met tape o.i.d.
Met behulp van een stuk plakband o.i.d. zet u de camera tijdelijk vast en stelt u de hoeken dusdanig in dat de achterkant van de auto kan worden zien.

Bevestig de camera in het midden van de
achterkant van de auto waar bij moet worden
voorkomen dat de kentekenplaat worden afgedekt.
Zorg ervoor dat de camerarecht maar de achterkant
van de bewegingsrichting van de auto is gericht.
Voorkom dat de camera in de andere richtingen
van de auto enz. worden gebogen.
7 Voer alle noodzakelijk aansluitingen uit.
8 Geef het videobeeld van de camera waar.
Sommige videomonitoren schakelen automatisch over maar de externe video-ingangsfungtie. Voor meer informatatie raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van uw videomonitor.
9 Zet de transmissiehendel in de R-stand (achteruit) om het beeld aan de achterkant van de auto te lately weergeven.
Voordat u de camera gaat bekijken, trekt u de handrem aan en blokkeert u de wielen, zodat de auto Niet kan bewegen. Anders kan er een onverwacht ongeluk gebeuren.
10 Pas de camerahoek zodenig aan dat dechterzijde van de auto of de bumper onder aan het monitorschem zichtbaar is.

Achterkant of hinterbumper van de auto
Tijdens het afstellen van de camerahoek要去 u voorzichtigelijk om het camerasnoer Niet UIT terekken.
11 Na het afstellen van de camerahoek draait u de bevestigingsschroeven stevig vast.
Controleer de bevestigingschroeven periodiek. Als ze loszitten, draait u ze stevig vast.
12 Voer de handelingen uit in "Camera instellen" (pagina 50). (uitsluitend CMOS-300)
Wonneer een afstelling in het huidige, beschikbare bereik Niet möglichk is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert.
13 Zet de camera stevig vast op+zijnplaats.
Verwijder de papieren beschemstrook van de dubbelzijdig klevende tape op de camerabeugel en bevestig hem. Na bevestiging drukt u de camerabeugel met uw vingers aan zodate een goede heching is gegandeerd. Raak het lijmoppervlak Niet met uw handen aan en trek de bevestigde tape Niet los en bevestig deze wee, waar dat hierdoor de hechtkracht worden verminder en de camerabeugel los kan raken. Indien nooodzakelijk, bevestigt u de beugel op de carrosserie met behulp van de klemschroef voor de camerabeugel.

De voedingseenheid inbouwen
1 Bevestig de dubbelzijdig klevende tape op de voedingseenheid en bevestig deze verrolgens onder de vloerbedekking aan de Kant van de Voorpassagier.

Bevestig de voedingseenheid Niet op de volgende plaatsen.
- Plek die wichtig is.
- Onstabelioppervlak.
- Plek die het autorijden belemmert.
- Plek met een hoge temperatuur.
De schakeleenheid inbouwen (uitsluitend CMOS-300)
1 Maak het inbouwoppervlak van de schakeleenheid schoon.
Met behulp van een in de handel verkrijgbaar reinigingsmiddel verwijdert u vuil, vocht en olie van het oppervlak waarop de schakeleenheid moet worden bevestigd.
2 Bevestig dubbelzijdig klevende tape aan de onderkant van de schakeleenheid en bevestig die cervolgens op een gemakkelijk te bedierenplaats, bijv. vlakbij het dashboard aan bestuurderszijde.

Aansluitingen
Basisaansluitingen


OPGELET
- Wonneer het contactslot van uw auto geen ACC-stand kent, takt u de draad af die van spanning worden voorzien runawayer het contactslot in de stand ON staat en sluit u deze aan op de accessirevoedingsdraad.
- Voordat u verdergaat, contrôleert u of de contactsleutel Niet in het contactslot is gestoken en koppelt u de massakabel () los bij de accu om kortsluitingen te vermijden.
Aansluiten op het systeme (uitsluitend CMOS-300)
- Wanner de camera wordt aangesloten op een Kenwoord-navigatiesystem (hoofdapparaat) dat uitergerust is met een camerabedieningsfunctie, gebruikt u het meegeleverde aansluitsnoer voor het hoofdapparaat. Daarmee kan het hoofdapparaat het beeld op het display schakelen en tevens de camera verstellen.
- Wonneer twee CMOS-300-camera's worden gebruikt (voor de voor- en dechterkant), moet er een identificatie worden ingesteld voor de camera aan de voorkant. Voor meer informatie raadpleegt u "Camera-identificatie instellen" (pagea 55).
- Sluit de voeding aan op bezelfde manier als in "Basisaansluitingen". Dechteruitdetectedraad (paars/wit) kan zo nodig worden aangesloten.
- De meegeleverde schakeleenheid worden nicht gebruikt voor aansluiting op het systeme.

Camera instellen (uitsluitend CMOS-300)
Bediening schakeleenheid
De schakeleenheid kan worden gebruikt om de beeldweergavemodus te schakelen, de weergave van de begeleidingslijnen te tonen/verbergen en de camera te verstellen.
Weergavetoets
- Schakelt:tussen de beeldweergavemodi.
- Selecteert een item in de instellingsmodus.
- Ingedrukt houden om de begeleidingslijnen wee ter geven of te verbergen.

Beweegt langs de items van de instellingsmodus of stelt een afstellingswaarde in.
Voorbereiding voor het instellen van de camera
1 Breng de auto tot stilstand.
In een parkeervak met witte lijnen en wielblokkeringen parkeert u de auto in het midden van het wit omlijnde kader.
2 Rij de auto waar voren.
Rij de auto waar voren tot het volledig parkeervak in het camerabeeld zichtaar is.
Zorg ervoor dat de handrem aangetrokken is en trap het rempedaal in zodat de auto volledig stilstaat. Voer de instelling uit op een plek waar dit geen overlast voor andere mensen vormt.

Camera-installingsprocedure
1 Voer vooraf alleoodzakelijk aansluitingenuit.
2 Geef het videobeeld van de camera weeR.
Sommige videomonitoren schakelen automatisch over maar de externe video-ingangsfungtie. Voor meer informatie raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van uw videomonitor.
3 Houd de weergave- en de + toets van de schakeleenheid tegelijkkertijd ingedrukt om de camera-installingsmodus te activeren.
4 Selecteer eerst de positionering van de camera.

Gebruik de + of - toets om een item te selecteren en druk op de weergavetoets om de selectie in te voeren.
- Wanner de camera als weiteruitrijcamera worden gebruikt, drukt u op [OK].
- Wanner de camera als vooruitcamera worden gebruikt, selecteert u [Switch to Normal Image Display] en selecteert uervoVGens [OK].
- Door [Reset All] te selecteren, worden alle camerainstellungen teruggezet maar de standardwaarden.
5 Selecteer een camera-insteltem en stel het in.
De volgende items zijn beschikbaar voor het instellen van de camera.
- Beeldafstellingen bovenaanzicht (centreren, linker- en rechterhoek, hoek omhoog en omlaag)
- Aanpassingen begeleidingslijnen groothoekbeeld (grootte, horizontale richting, verticale richting, instelling rode-lijnpositie)
- Aanpassingen begeleidingslijnen bovenaanzicht (grootte, horizontale richting, verticale richting, instelling rode-lijnpositie)
Een item selecteren:
Druk op de + of - toets om een item te selecteren en druk op de weergavetoets om de selectie in te voeren. Wanner een item voor aanpassing
geselecteerd is, verandert het kader van diens pictogram van blauw in rood.
Het item aanpassen:
Nadat een item is geseleerd, drukt u op de + of - toets om het aan te passen en drukt u op de weergavetoets om de aangepaste waarde in te voeren.
6 Sluit de instelling af.
Beeldafstelling bovenaanzicht (centreren)
Met dit item stelt u het midden van de inbouwposition van de camera af.
1 Selecteer "OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (CENTERING)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid, tot de twee witte lijnen op de positie verschijnen die overeenkomt met de middenlijk van de auto.

Afstelling is met een stap waar links of maar rechts mogelijk. Wonneer de afstelling in het huidige, beschikbare bereik Niet mogelijk is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert.
- Selecteer [Back] om terug te gaan maar het vorige insteltem.
- Selecteer [Next] om maar het volgende insteltem te gaan.
- Door [Reset] binnen een afzonderlijk insteltem te selecteren, worden de camera-instelling van dat item teruggezet maar de standardwaarde.
- Selecteer [om het pictogram ondersteboven te draaien.
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Hiermee gaat u verder maar Beeldafstelling bovenaanzicht (linker- en rechterhoek)/ "OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Right-and-Left ANGLE)."
Beeldafstelling bovenaanzicht (linker- en rechterhoek)
Met dit item stelt u de horizontally hoek (in een draaiende beweging) af van de inbouwpositie van de camera.
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid tot het midden van het parkeervak verticaal worden weergegeven.
Aftelling is met een stap waar links of maar rechts mogelijk. Wanner de afstelling in het huidige, beschikbare bereik Niet mogelijk is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert.
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Hiermee gaat u verder maar Beeldafstelling bovenaanzicht (hoek omhoog en omlaag)/ "OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Up-and-Down ANGLE)".
Camera instellen (uitsluitend CMOS-300)
Beeldafstelling bovenaanzicht (hoek omhoog en omlaag)
Met dit item stelt u de verticale hoek (nijging) van de inbouwpositie van de camera af.
1 Selecteer "OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Up-and-Down ANGLE)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid tot de lijnen die de bredte van de auto aangeven, vertical toen werden weergegeven.

Afstelling is met een stap maar boven of maar beneden möglich. Wanneer de afstelling in het huidige, beschikbare bereik Niet möglich is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert.
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
4 Selecteer [Next].
Hiermee gaat u verder maar Afstelling begeleidingslijn grothoekbeeld (grootte)/ "WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)".
Voor afstellen van begeleidingslijnen
- De hierna volgende afstellingen stellen de afmetingen, lengtes en positives van de begeleidingslijnen af die in het groothoekbeeld en het bovenaanzicht worden getoond. Standaard worden de drie hieronder afgebeelde begeleidingslijnen (groen, geel en rood) weergegeven, ervanuitgaande dat de inbouwhoogte van de camera 80~cm is en de afstand:tussen de linker-en de rechterlijn van het parkeervak 2,2 meter is. Door de begeleidingslijnen van het groothoekbeeld of het bovenaanzicht af te stellen, verandert de interval:tussen de bijbehorende begeleidingslijnen. Omdat de interval:tussen elk stel begeleidingslijnen affankelijk is van de inbouwhoogte van de camera, dient u de feitelijke instelleningen te controeren nadat alle onderstaande afstellingen zijn uitgevoerd.
Zodra de interval tussen begeleidingslijnen is afgesteld op basis van uw parkeervak, geven de weergegeven begeleidingslijnen Niet langer de bredte van de auto aan.
Houd er rekening mee dat de afmetingen van parkeervakken sterk hunnen verschillen en controllerer de werkelijkde afmeting van elk parkeervak voordat u probeert erin te parkeren.
- De oranje lijn duidt de positie aan van het bovenaanzicht (gebied aan deze Kant van de oranje lijn) en van het groothoekbeeld (gebied achechter de oranje lijn) in de PinPweergave (pagina 56). Wanner de oranje lijn die in het grothoekbeeld worden得益on, groter is dan de parkeerlijn, remt u de auto af en rijdt u tot de rode lijn (parkeerposition) door deze te controlleren in het bovenaanzicht.
- De rode lijn worden gebruikt om de parkeerpositie aan te Geven en kan onafhankelijk van de andere begeleidingslijnen worden ingesteld.

Afstelling begeleidingslijn groothoekbeeld (grootte)
Met dit item kan de globale grootte worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.
1 Selecteer "WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de grootte af te stellen.

3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Hiermee gaat u verder maar Aanpassing begeleidingslijn grothoekbeeld (horizontale richting)/ "WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)".
Aanpassing begeleidingslijngroothoekbeeld (horizontale richting)
Met dit item kan de positionering links-rechts worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.
1 Selecteer "WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de positiOnering links-rechts af te stellen.

3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Hiermee gaat u verder maar Afstelling begeleidingslijn grothoekbeeld (verticale richting)/ "WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical direction)".
Afstelling begeleidingslijn groothoekbeeld (verticale richting)
Met dit item kan de lenghte worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.
1 Selecteer "WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical direction)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de lenghte af te stellen.

3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Hiermee gaat u verder maar Afstelling begeleidingslijn groothoekbeeld (instelling rode-lijnpositie)/ "WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)".
Afstelling begeleidingslijn groothoekbeeld (instelling rode-lijnpositie)
Met dit item kan de positie worden afgesteld van de rode lijn die in het groothoekbeeld worden weergegeven. De rode lijn kan onafhankelijk worden gebruikt om de referentielijn in te stellen voor de parkeerpositie van de auto.
1 Selecteer "WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de positie van de rode lijn af te stellen. Standaard valt de rode lijn samen met de gele lijn die zich het dichtst bij de auto bevindt. Beweeg de rode lijn tot aan de rand van de bumper van uw auto.

Volgende pagina
Camera instellen (uitsluitend CMOS-300)
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
4 Selecteer [Next].
Hiermee gaat u verderaar Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (grootte)/ "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)".
Afstelling begeleidingslijk bovenaanzicht (grootte)
Met dit item kan de globale groote worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het bovenaanzicht worden weergegeven.
1 Selecteer "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT(Size)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de grootte af te stellen.

3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Hiermee gaat u verder maar Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (horizontalerichting)/ "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)".
Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (horizontalerrichting)
Met dit item kan de positionering links-rechts worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het bovenaanzicht worden weergegeven.
1 Selecteer "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de positiOnering links-rechts af te stellen.

3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Hiermee gaat u verder maar Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (verticalerrichting)/ "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical direction)".
Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (verticalerrichting)
Met dit item kan de globale lenghte worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het bovenaanzicht worden weergegeven.
1 Selecteer "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical direction)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de lengte af te stellen.

3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Hiermee gaat u verder maar Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (instelling rode-lijnpositie)/ "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)".
Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (instelling rode-lijnpositie)
Met dit item kan de positie worden afgesteld van de rode lijn die in het bovenaanzicht worden weergegeven. De rode lijn kan onafhankelijk worden gebruikt om de referentielijn in te stellen voor de parkeerpositie van de auto.
1 Selecteer "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de positie van de rode lijn af te stellen.
Standaard valt de rode lijn samen met de gele lijn die zich het dichtst bij de auto bevindt. Beweeg de rode lijn tot aan de rand van de bumper van uw auto.

3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
4 Selecteer [Next].
Hiermee gaat u verder maar Het instellen van de camera voltooien "SETTING COMPLETE".
Het instellen van de camera voltooien

1 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om [Finish] te selecteren en druk op de weergavetoets.
Camera-identificatie instellen
Wanner twee CMOS-300-camera's worden aangesloten op een Kenwood-navigationsystem dat uitgerust is met een camerabedieningsfunctie,要去en verschillende camera-identificaties worden toegewezen aan de 2 camera's. De cameridentificaties van beiden camera's zijn af fabriek ingesteld op ID1.
1 Houd de + toets van de schakeleenheid gedurende meer dan 2 seconden ingedrukt en drukervolgens de -toets gedurende meer dan 2 seconden in.
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de camera-identificatie te selecteren en druk op de weergavetoets.

3 Na het instellen drukt u op de + of - toets van de schakeleenheid om [Finish] te selecteren en drukt u op de weergavetoets.
Displayweergave schakelen (uitsluitend CMOS-300)
Displayweergave schakelen
Het CMOS-300-camerasystem kan 5 verschillende camerabeelden weergeven.
1 Terwijl een beeld worden weergegeven op de monitor, drukt u op de weergavetoets van de schakeleenheid.
Met elke druk op de weergavetoets worden de beeldweergavemodi in de onderstaande volgorde geschakeld.
Supergroothoekbeeld
Groothoekbeeld met een horizontale hoek van ongeveer 190^

Groothoekbeeld
Camerabeeld met een horizontale hoek van ongeveer 135^

Bovenaanzicht
Beeld gezien vanuit een standpuntrecht boven de auto.

PinP-weergave
Het bovenaanzicht worden weergegeven op de bovenste helft van het scherm, verwijl het groothoekbeeld worden weergegeven op de onderste helft. Het bovenaanzicht in de bovenste helft van het scherm toont het gebied aan deze zijde van de oranjelijke in het groothoekbeeld in de onderste helft worden getoond.

Hoekweergave
De beelden gezien vanaf de twee hoeken van de auto worden weergegeven op de linker- en de rechterhelft van het scherm.

Camera-eenheid (CMOS-300)
Uitvoervideo
:Gespiegeld groothoekbeeld (voor awhileuitbeeld)/normaal groothoekbeeld (voor vooruitbeeld)
Sensor: 1/4'' -kleuren-CMOS-sensor
Aantal pixels: Ca. 310.000 pixels
Lens
: Groothoek, brandpuntsafstand f=0,82 mm, F-waarde 2,6
Geichtshoeken
: Horizontaal: Ca. 190^
: Vertical: Ca. 158°
Verlichtingsbereik
: Ca. 0,9 tot 100.000 lux
Gewicht: Ca. 30 g (zonder kabel)
Camera-eenheid (CMOS-200)
Uitvoervideo
:Gespiegeld groothoekbeeld (voar achechteruitbeeld)
Sensor: 1/4'' -kleuren-CMOS-sensor
Aantal pixels: Ca. 310.000 pixels
Lens
: Groothoek, brandpuntsafstand f = 1,6mm F-waarde 2,3
Geichtshoeken
: Horizontaal: Ca. 135^
: Vertical: Ca. 105^
Verlichtingsbereik
: Ca. 0,9 tot 100.000 lux
Gewicht: Ca. 29 g (zonder kabel)
Schakeleenheid (uitsluitend CMOS-300)
Afmetingen (bxhxd): 27,5 × 32,8 × 12 mm
Gewicht: Ca. 10 g (zonder kabel)
Voedingseenheid
Bedrijfsspanning
: 14,4 V (11 V - 16 V)
Max. stroomgebruik (CMOS-300)
:150mA
Max. stroomgebruik (CMOS-200)
: 100 mA
Afmetingen (bxhxd): 54 × 23 × 22 ~mm
Gewicht: Ca. 32 g
Gespiegeld beeld houdt in dat het videobeeld links en rechts omdraait, net zoals het beeld dat gezien worden in een achteruitkijk- of een zijspiegel.
- Specificaties können zonder kennisgeving worden gewijzigd.

Dit merkteken geeft aan dat Kenwood bij de productie van dit product heeft geprobeerd het milieu zo weinig möglich te belasten.
Dit product wordtietne geinstalleerdloor de fabrikant van een voertuig op de productielijn,noch door de professionele invoerder van een voertuig in EU-lidstaten.
Informatie over het weggooien van elektrische en elektronische apparatuur en batterijen (particulieren)

Dit symbolism geeft aan dat gebruikte elektrische, elektronische producten en batterijen nicht bij het normale huishoudelijkke afval mogen.

Lever deze producten in bij de aangewezen inzamelingspunten, waar ze%Xtigt worden geaczepteerd en op de juiste manier worden verwerkt, teruggewonnen en hergebruikt. Voor inleveradressen zie www.nvmp.nl, www. ictmilieu.nl, www.stibat.nl. Wanner u dit product op de juiste manier als afval inlevert, spaart u waardevolle hulpbronnen en voorkomt u potentielle negatieve gevolgen voor de volks gezondheid en het milieu, die anders kuren ontstaan door een onjuiste verwerking van afval.
Opgelet: Het teken "Pb" onder het teken van de batterijen geeft aan dat deze batterij lood bevat.
Conformiteitsverklaring met betrekking tot de EMC-richtlijn van de Europese Unie (2004/108/EC)
Fabrikant:
Kenwood Corporation
2967-3 Ishikawa-machi, Hachioji-shi, Tokio, 192-8525 Japan
EU-vertegenwoordiger:
Kenwood Electronics Europe BV
Amsterdamseweg 37, 1422 AC UITHOORN, Nederland