CMOS-200 - Achteruitrijcamera KENWOOD - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis CMOS-200 KENWOOD in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Achteruitrijcamera in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding CMOS-200 - KENWOOD en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. CMOS-200 van het merk KENWOOD.
GEBRUIKSAANWIJZING CMOS-200 KENWOOD
Voor gebruik/Installatieprocedure
AWAARSCHUWING Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om
persoonlijk letsel of brand te voorkomen:
+ Voorkom kortsluiting en steek derhalve nooit metalen voorwerpen (zoals munten en gereedschap) in het toestel.
+ De installatie en bedrading van dit product moet worden uitgevoerd door een deskundig person. Laat een gespecialiseerd technicus het apparaat installeren zodat uw veiligheid niet in gevaar komt
ALET OP Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om
schade aan het product te voorkomen:
+ Zorg dat het toestel geaard is aan een negatieve aansluiting van een 12-volt-geljkstroomvoeding
+ Gebruik, bij het vervangen van een zekering, alleen een nieuwe zekering met de voorgeschreven waarde. Als u een verkeerde zekering gebruikt, kan er mogelik een storing optreden in het apparaat
+ Gebruik bi het installeren uitsluitend de bijgeleverde schroeven. Gebruik uitsluitend de bij het toestel geleverde schroeven. Bij gebruik van de verkeerde schroeven, kan het apparaat beschadigd raken
+ Dit product is een achteruitrijcamera waarmee u kunt bekijken wat zich aan de achterkant van uwr auto afspeelt.
+ Een achteruitricamera is een camera die symmetrische beelden levert op dezelfde wijze als achteruitkik- en zispiegels.
+ Aansluiting op een televisie met een RCA-video-ingang is mogelijk, maar controler eerst of de televisie die u gebruikt een functie voor inschakeling bij achteruitrijden heeft.
+ Dit product is ontworpen om de chauffeur te andersteunen bij het achteruitrijden, maar de camerabeelden laten niet alle gevaren en obstakels zien. Kik voor de zekerheid achter u bij het achteruitriden
+ Dit product is uitgerust met een groothoeklens, dus het beeld dichtbij is breed en het beeld veraf is smal, waardoor een onjuist gevoel voor afstand kan ontstaan. Kijk voor de zekerheid achter u bij het achteruitrijden.
+ Laët uw auto niet wassen in de autowasinstallatie of met water onder hoge druk aangezien dit ertoe kan leiden dat water de camera binnendringt of de camera op de grond vatt
+ Controleer of de camerabeugel goed is bevestigd voordat u gaat riden.
Zitten de schroeven los? Zit de camerabeugel stevig vast? Als de achteruitrjcamera losraakt terwijl u aan het riden bent, kan deze een ongeval veroorzaken.
+ Voordat u het apparaat definitief installeert, sluit u eerst tidelik de draden aan om te controleren of alles goed is bevestigd en of de camera en het systeem werken
+ Bij het monteren van deze camera moet u ervoor zorgen dat er geen kabels tussen de camera en het omringende metaal of de aansluitingen bekneld raken.
+ Monteer de camera niet in de buurt van de verwarmingsuitlaat, waar deze beschadigd kan raken door de warmte of bij de partieren, waar regenwater op de camera kan spatten.(Installeer de camera nooit op de bovengenoemde locaties vanwege het gevaar van storingen
44 | CMOS-300/CMOS-200
B64-4576-18_Ol.indb 44
ten gevolge van hoge temperaturen.)
Controleer, voordat u montagegaten gaat boren,altijd de plek achter de locatie waar u wi gaan boren. Boor niet in de brandstofleiding, remleiding, elektrische bedrading of andere belangrike onderdelen.
Al de camera wordt geinstalleerd in het interieur, verankert u deze stevig zodat het apparaat niet kan losraken terwi] het voertuig in beweging is en letsel of een ongeval kan veroorzaken.
As de camera onder een van de voorstoelen wordt gemonteerd, controleert u of deze stoel nog vooruit of achteruit kan worden verplaatst. Leid alle kabels en snoeren zorgvuldig rond het schuifmechanisme zodat zij niet bekneld kunnen raken in het mechanisme en kortsluiting veroorzaken.
Verzorging en onderhoud
Als het product vuil wordt, neemt u het af met een Siliconendoek of een zachte doëk. AÎs het ernstig vervuild is, verwijdert u de vlek met een doekje dat bevochtigd
is met een neutraal reinigingsmiddel en neert u het reinigingsmiddel vervolgens af. Gebruik geen harde doeken en/of vluchtige vloeistof zoals verdunner of alcohol. Deze kunnen krassen, vervormingen, aantastingen en/of schade veroorzaken.
Wanneer een lensonderdeel vuil wordt, neemt u deze voorzichtig af met een zachte doëk, bevochtigd met water. Niet met een droge doek wrijven om krassen op de lens te vermiden.
Installatieprocedure
À Voorkom kortsluiting door de sleutel uit het
2 Verbind de juiste in- en uitgangskabels van ieder
3 Sluit de draden in de kabelboom aan. Doe dit in de
onderstaande volgorde: aarde, ontsteking, achteruit en camera-eenheid
4 Sluit de connector van de kabelboom aan op de
5 Installeer het toestel in uw auto.
6 Sluit de © accu weer aan
As ü de ontstekingsdraad (rood) aansluit op het autochassis arde), kan er kortsluiting en vervolgens brand ontstaan Sluit deze kabelsaltijd aan op de voedingsbron die via de zekeringkast loopt.
Knip de zekering niet los van de ontstekingsdraad (rood). De voeding moet via de zekering worden aangesloten op de draden.
As het contactslot van uw auto geen ACCstand heeft, sluit u de ontstekingsdraad aan op een voedingsbran die met de contactsleutel kan worden in- en uitgeschakeld. Als u de ontstekingsdraad aansluit op een voedingsbron met een constante spanningsbron, zoals bij accukabels, raakt de accu mogelik uitgeput
Als de zekering is doorgebrand, controleert u eerst of de kabels elkaar niet raken en z0 een kortsluiting veroorzaken
en vervangt u vervolgens de oude zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte.
- Isoleer niet-aangesloten kabels met isolatieband of ander geschikt materiaal. Voorkom kortsluiting door de kapjes op het uiteinde van de niet-aangesloten kabels of aansluitingen niet te verwijderen.
+ Controleer na het installeren van het toestel of de remlichten, richtingaanwijzers, ruitenwissers en. van de auto juist functioneren
+ Installer de camera zodanig dat het zicht door de achterruit niet wordt belemmerd
+ Installer de camera zodanig dat deze niet aan de zijkant van de auto uitsteekt
- Installer de camera niet als het regent of mistig is.
+ Als de luchtvochtigheid hoog is, drongt u het opperviak af waarop de camera moet worden bevestigd, voordat u tot installatie overgaat
+ Vocht op het bevestigingsoppervlak vermindert de Kleefkracht, waardoor de camera kan losschieten.
+ Bevestig de camerabeugel niet op onderdelen van de carrosserie die zin behandeld met fluorkaolstofhars of ap glas.
+ Dit kan tot gevolg hebben dat de achteruitrijcamera er af valt
Giet geen water over de camera
Stel de camera niet bloot aan regen.
Ga niet onnodig ruw om met de camera.
Maak de camera grondig schoon bij gebruik van tape om het apparaat vast te zetten.
+ Raadpleeg de instructiehandleiding voor nadere details over het aansluiten van andere cameras en voer vervolgens de aansluiting op correcte wijze uit.
+ Bevestig de draden met kabelklemmen of kleefband Bescherm de bedrading door er kleefband omheen te wikkelen op plaatsen waar de bedrading metalen onderdelen raakt
+ Leid alle draden zodanig dat zij geen bewegende delen, zoals de versnellingspook, handrem of stoelrails, kunnen raken en zet ze vast.
+ Leid de draden niet langs plekken die heet worden, zoals onder de verwarmingsuitiaat. Als de isolatie van de bedrading smelt of beschadigd raakt, bestaat er het gevaar dat de bedrading kortsluiting maakt tegen het chassis.
+ Zorg er bij het vervangen van de zekering voor dat u alleen zekeringen gebruikt met de waarde die staat aangegeven op de zekeringhouder.
+ Ukunt de hoeveelheïd ruis tot een minimum beperken door de kabel voar de televisieantenne, de kabel voor de radioantenne en de RCA-kabel zo ver mogelik uit elkaar te plaatsen.
+ Installeer de voedingseenheid op plekken waar deze kan worden blootgesteld aan hoge temperaturen of een hoge luchtvochtigheid, zoals:
Plekken in de buurt van een verwarmingstoestel, ventilator of airconditioning,
Plekken die blootstaan aan direct zonlicht, zoals de bovenkant van het dashboard of de afdekplaat van de achterbak
Plekken waar regendruppels terecht kunnen komen, bivoorbeeld dicht bij de partieren:
+ Leg de snoeren dusdanig aan dat gebieden met hoge temperaturen worden vermeden. Gebruik ribbelbuizen voor bedrading in de motorruimte. Wanneer een draad contact maakt met een heet gedeelte van de auto, kan de mantel smelten en kortsluiting veroorzaken, wat kan leiden tot een brand of gevaar van elektrische schokken.
B64-4576-18_Ol.indb 45
Camera (met camerabeugel) Camera-aansluitsnoer
Voedingseenheid. Dubbelzijdig klevende tape (groot)
Waterdichte behuizing, Klemschroef camerabeugel
— Uitsluitend CMOS-300
Schakeleenheid. 1 Dubbelzidig klevende tape (klein)
Aansluitsnoer hoofdapparaat .
Het aansluitsnoer voor het hoofdapparaat wordt gebruikt voor aansluiting op een autonavigatiesysteem van Kenwood e.d. die voorzien is van de camerabedieningsfunctie.
+ De inbouwpositie van de camera kan een belemmering vormen voor de afstellingen tijdens het instellen van de camera. Bouw de camera nog niet definitief in, maar bevestig deze tidelik, tot het instellen van de camera voltooid is.
Aanbevolen inbouwpo:
Voorbeelden van een correcte camera-inbouw Inbouwpositie
Monteer de camera dusdanig,
dat het "KENWOOD'-logo aan de bovenkant zichtbaar is.
De CMOS-300 moet op een hoogte van 55 cm of meer worden ingebouwd
De camera inbouwen/de camerahoek afstellen
1 Bepaal de inbouwpositie van de camera.
2 Maak de inbouwpositie van de camera schoon. Met behulp van een in de handel verkrijgbaar reinigingsmiddel verwijdert u vuil, vocht en olie van het opperviak waarop de camerabeugel moet worden bevestigd
3 Draai de bevestigii camerabeugel los.
Met behulp van een normale kruiskopschroevendraaier dreait u de twee
Voer stappen 4 en 5 alleen uit wanneer ze nodig zijn.
46 | CMOS-300/CMOS-200
B64-4576-18_Ol.indb 46
4° Indien noodzakelijk, maakt u de camerabeugel los van de camera en past u de vorm aan het oppervlak aan waarop de beugel moet worden gemonteerd.
Pas de vorm van de camerabeugel aan, zodat hij afgesteld is op Buigen de inbouwpositie van Camerabeugel de camera.
Monteer de camera op de camerabeugel. Monteer de camera dusdanig, dat het "KENWOOD"- logo aan de bovenkant zichtbaar is
6 Zet de camera tijdelijk vast met tape o.i.d.
Met behulp van een stuk plakband o.id. zet u de camera tijdelijk vast en stelt u de hoeken dusdanig in dat de achterkant van de auto kan worden zien:
Bevestig de camera in het midden van de achterkant van de auto waarbij moet worden voorkomen dat de kentekenplaat wordt afgedekt. Zorg ervoor dat de camera recht naar de achterkant van de bewegingsrichting van de auto is gericht. Voorkom dat de camera in de andere richtingen van de auto enz. wordt gebogen.
7° Voer alle noodzakelijke aansluitingen uit.
8 Geef het videobeeld van de camera weer. Sommige videomonitoren schakelen automatisch over naar de externe video-ingangsfunctie.
Voor meer informatie raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van uw videomonitor.
9 Zet de transmissiehendel in de R-stand
{achteruit) om het beeld aan de achterkant van de auto te laten weergeven. Voordat u de camera gaat bekijken, trekt u de handrem aan en blokkeert u de wielen, zodat de auto niet kan bewegen. Anders kan er een onvenwacht ongeluk gebeuren.
I B64-4576-18_Ol.indb 47
10 Pas de camerahoek zodanig aan dat de achterzijde van de auto of de bumper onder aan het monitorscherm zichtbaar is.
Achterkant of achterbumper van de auto
Tijdens het afstellen van de camerahoek moet u voorzichtig zijn om het camerasnoer niet uit te rekken
11 Na het afstellen van de camerahoek draait u de bevestigingsschroeven stevig vast.
Controleer de bevestigingsschroeven periodiek. Als ze loszitten, draait u ze stevig vast.
12 Voer de handelingen uit in “Camera instellen” (pagina 50). (uitsluitend CMOS-300)
Wanneer een afstelling in het huidige, beschikbare bereik niet mogelijk is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert.
13 Zet de camera stevig vast op zijn plaats. Verwider de papieren beschermstrook van de dubbelzïdig klevende tape op de camerabeugel en bevestig hem. Na bevestiging drukt u de camerabeugel met uw vingers aan zodat een goede hechting is gegarandeerd Raak het ljmopperviak niet met uw handen aan en trek de bevestigde tape niet los en bevestig deze weer, omdat hierdoor de hechtkracht wordt verminderd en de camerabeugel los kan raken. Indien noodzakelik, bevestigt u de beugel op de carrosserie met behulp van de klemschroef voor de camerabeugel
Klemschroef camerabeugel
De voedingseenheid inbouwen
1 Bevestig de dubbelzijdig klevende tape op de voedingseenheid en bevestig deze vervolgens onder de vloerbedekking aan de kant van de voorpassagier.
Bevestig de voedingseenheid niet op de volgende pleatsen.
- Plek die vochtig is.
- Onstabiel opperviak
- Plek die het autorijden belemmert
- Plek met een hoge temperatuur.
De schakeleenheid inbouwen (uitsluitend CMOS-300)
1 Maak het inbouwoppervlak van de schakeleenheïd schoon. Met behulp van een in de handel verkrijgbaar reinigingsmiddel verwijdert u vuil, vocht en olie van het opperviak waarop de schakeleenheid moet worden bevestigdi
2 Bevestig dubbelzijdig klevende tape aan de onderkant van de schakeleenheid en bevestig die vervolgens op een gemakkelik te bedienen plaats, bijv. vlakbij het dashboard aan bestuurderszijde.
Aansluiten op de video-ingang van de
achteruitrijcamera of de externe video-ingang van . de videomonitor. Voedingseenheid
Navigatiesysteem/videomonitor ï 5 {afzonderlijk leverbaar) Camera-aansluitsnoer — Camera _ Sluit de camera aan op het camera-aansluitsnoer. VA IQ PME + f 5 CAMERA engte camerasnoer. 5 m, lengte camera-aansluitsnoer: 3 m 9 tes: g 2m ||: 1 Voedingskabel ï ' Achteruitdetectiedraad (paars/wit): 10 cm Wanneer de monitor geen ingang heeft _ +12V- CTI voor de achteruitrijcamera en de ingang + REVERSE schakelt op basis van detectie, verbinden Wordt niet gebruikt wanneer de camera wordt met de bedradingsbundel van de aangesloten op een navigatiesysteem of een achteruitrilamp van de auto wanneer. monitor met een speciale video-ingang voor de
+ CE Accessoiredraad (rood): 1 m
Aansluiten op de IN/UIT-schakelbare voeding. Niet aansluiten op een permanent ingeschakelde voeding.
TU FT Massadraad (zwart): 1 m
74 Aansluiten op een metalen deel van de auto (een onderdeel van het chassis dat aangesloten is op de negatieve zijde van de voeding).
+ Wanneer het contactslot van uwr auto geen ACC-stand kent, takt u de draad af die van spanning wordt voorzien wanneer het contactslot in de stand ON staat en sluit u deze aan op de accessoirevoedingsdraad.
+ Voordat u verdergaat, controleert u of de contactsleutel niet in het contactslo! massakabel (©) los bij de accu om kortsluitingen te vermijden.
48 | CMOs-300/CMOS-200
Aansluiten op het systeem (uitsluitend CMOS-300)
-Wanneer de camera wordt aangesloten op een Kenwoord-navigatiesysteem (hoofdapparaat) dat uitgerust is met een camerabedieningsfunctie, gebruikt u het meegeleverde aansluitsnoer voor het hoofdapparaat. Daarmee kan het hoofdapparaat het beeld op het display schakelen en tevens de camera verstellen.
+Wanneer tee CMOS-300-cameras worden gebruikt (voor de voor- en de achterkant), moet er een identificatie worden ingesteld voor de camera aan de voorkant. Voor meer informatie raadpleegt u "Camera-identificatie instellen” (pagina 55).
: Sluit de voeding aan op dezelfde manier als in “Basisaansluitingen” De achteruitdetectiedraad (paars/wit) kan zo nodig worden aangesloten.
+ De meegeleverde schakeleenheid wordt niet gebruikt voor aansluiting op het system.
ni Videosnoer Aansluiten op de speciale videoingang = IE
voor de achteruitrijcamera.
Aansluiten van 2 camera's
Camera-aansluitsnoer
Camera 1 (gebruikt als achteruitrijcamera) (ID1: standard) CAM+ (groen/rood)| CAM+
Aansluiten op de | camerabedieningsaansuitingen van het hoofdapparaat.
Voedingseenheid Aansluitsnoer hoofdapparaat: ()
Camera 2 (gebruikt als vooruitcamera) {Verander identificatie in ID2.) Camera-aansluitsnoer
Aansluiten op de externe video-ingang. = Selecteer de externe video-ingang om het camerabeeld te controleren.
B64-4576-18_Ol.indb 49 Ÿ 100209 953
Camera instellen (uitsluitend CMOS-300)
De schakeleenheid kan worden gebruikt om de beeldweergavemodus te schakelen, de weergave van de begeleidingslinen te tonen/verbergen en de camera te verstellen.
Weergavetoets - Schakelt tussen de beeldweergavemodi. - Selecteert een item in de instellingsmodus.
- Ingedrukt houden om de begeleidingslinen weer te geven of te verbergen.
Beweegt langs de items van de instellingsmodus of stelt een afstellingswaarde in.
Voorbereiding voor het instellen van de camera
1 Breng de auto tot stilstand. In een parkeervak met witte lijnen en wielblokkeringen parkeert u de auto in het midden van het wit omlijnde kader. 2 Rij de auto naar voren. - Rij de auto naar voren tot het volledig parkeervak in het camerabeeld zichtbaar is. + Zorg ervoor dat de handrem aangetrokken is en trap het rempedaal in zodat de auto volledig stilstaat. Voer de instelling uit op een plek waar dit geen overlast voor andere mensen vormit.
50 | CMOs-300/CMOS-200
Voer vooraf alle noodzakelijke aansluitingen uit.
Geef het videobeeld van de camera weer. Sommige videomonitoren schakelen automatisch over naar de externe video-ingangsfunctie
Voor meer informatie raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van uw videomonitor.
Houd de weergave- en de + toets van de schakeleenheid tegelijkertijd ingedrukt om de camera-instellingsmodus te activeren. Selecteer eerst de positionering van de camera.
Gebruik de + of - toets om een item te selecteren
en druk op de weergavetoets om de selectie in te
+ Wanneer de camera als achteruitrijcamera wordt gebruikt, drukt u op [OKI
+ Wanneer de camera als vooruitcamera wordt gebruikt, selecteert u [Switch to Normal Image Display] en selecteert u vervolgens [OK]
+ Door [Reset All] te selecteren, worden alle camera- instellingen teruggezet naar de standaardwearden
Selecteer een camera-instelitem en stel het in. De volgende items zijn beschikbaar voor het instellen van de camera
1. Beeldafstellingen bovenaanzicht (centreren, linker- en rechterhoek, hoek omhoog en omlaag)
2. Aanpassingen begeleidingslijnen groothoekbeeld (grootte, horizontale richting, verticale richting, instelling rode-lijnpositie)
3. Aanpassingen begeleidingslijnen bovenaanzicht (grootte, horizontale richting, verticale richting, instelling rode-linpositie)
Een item selecteren:
Druk op de + of - toets om een item te selecteren
en druk op de weergavetoets om de selectie in
te voeren. Wanneer een item voor aanpassing
geselecteerd is, verandert het kader van diens pictogram van blauw in rood
Nadet een item is geselecteerd, drukt u op de + of- toets om het aan te passen en drukt u op de weergavetoets om de aangepaste waarde in te voeren.
6 Sluit de instelling af.
Beeldafstelling bovenaanzicht {centreren)
Met dit item stelt u het midden van de inbouwpositie van de camera af.
1 Selecteer “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (CENTERING)". Druk op de + of - toets van de schakeleenheid, tot de twee witte lijnen op de positie jnen die overeenkomt met de
Afstelling is met een stap naar links of naar rechts
mogelik. Wanneer de afstelling in het huidige,
beschikbare bereik niet mogelik is, verandert u de
camerapositie voordat u het opnieuw probeert.
- Selecteer [Back] om terug te gaan naar het vorige instelitem,
« Selecteer [Next] om naar het volgende instelitem te gaan
+ Door [Reset] binnen een afzonderlik instelitem te selecteren, wordt de camera-instelling van dat item teruggezet naar de standaardwaarde
+ Selecteer [RM] om het pictogram ondersteboven te draaïen
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Ÿ Hiermee gaat u verder naar Beeldafsteling bovenaanzicht (linker- en rechterhoek)/ “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Right- and-Left ANGLE)"
B64-4576-18_O1.incb 51
Beeldafstel rechterhoek)
g bovenaanzicht (linker- en
Met dit item stelt u de horizontale hoek (in een draaiende beweging) af van de inbouwpositie van de camera.
1 Selecteer “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Right-and-Left ANGLE)”. (OVERHEAD VIEW IMAGE ADIUSTMENT (Right-and-Left ANGLE). 3/13
Druk op de + of- toets van de schakeleenheid tot het midden van het parkeervak verticaal wordt weergegeven.
Afsteling is met een stap naar links of naar rechts mogelik. Wanneer de afstelling in het huidige, beschikbare bereik niet mogelik is, verandert u de camerapositie voordet u het opnieuw probeert.
Na het voltooien van de afstelling drukt u op de
Ÿ Hermes gaat u verder naar Beeldafstelling bovenaanzicht (hoek omhoog en omlaag)/
Camera instellen (uitsluitend CMOS-300)
Beeldafstelling bovenaanzicht (hoek omhoog en omlaag)
Met dit item stelt u de verticale hoek (nijging) van de inbouwpositie van de camera af.
1 Selecteer “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Up-and-Down ANGLE)".
Druk op de + of - toets van de schakeleenheid
tot de lijnen die de breedte van de auto
aangeven, verticaal worden weergegeven.
OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Up-and-Dow ANGLE). A3
Afstelling is met een stap naar boven of naar beneden mogelik. Wanneer de afstelling in het huidige, beschikbare bereik niet mogelik is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
ÿ fisrmee gaat u verder naar Afsteling begeleidingslijn groothoekbeeld (grootte)/ “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)”.
- De hierna volgende afstellingen stellen de afmetingen, lengtes en posities van de begeleïdingslinen af die in het gronthoekbeeld en het bovenaanzicht worden getoond. Standaard worden de drie hieronder afgebeelde begeleidingslinen (groen, geel en rood) weergegeven, ervan uitgaande dat de inbauwhoogte van de camera 80 cm is en de afstand tussen de linker- en de rechteriin van het parkeervak 2,2 meter is. Door de begeleidingslinen van het groothoekbeeld of het bovenaanzicht af te stellen, verandert de interval tussen de bibehorende begeleidingslinen. Omdat de interval tussen elk stel begeleidingslinen afhankelijk is van de inbouwhoogte van de camera, dient u de feitelijke instellingen te controleren nadet alle onderstaande afstellingen zin uitgevoerd
+ Zodra de interval tussen begeleidingslinen is afgesteld op basis van uw parkeervak, geven de weergegeven begeleidingslinen niet langer de breedte van de auto aan.
52 | CMOs-300/CMOS-200
B64-4576-18_Ol.indb 52
Houd er rekening mee dat de afmetingen van parkeervakken Sterk kunnen verschillen en controleer de werkeljke afmeting van ek parkeervak voordat u probeert erin te parkeren.
- De oranje lin duidt de positie aan van het bovenaanzicht (gebied aan deze kant van de oranje lin) en van het groothoekbeeld (gebied achter de oranje lin) in de PinP. weergave (pagina 56). Wanneer de oranje lin die in het groothoekbeeld wordt getoand, groter is dan de parkeerlin, remt ü de auto af en rijdt u tot de rode lin (parkeerpositie) door deze te controleren in het bovenaanzicht
- De rod lin wordt gebruikt om de parkeerpositie aan te geven en kan onafhankelik van de andere begeleidingslinen worden ingesteld
Joranje _ÎlGee | 05 m]|Rood
Afst groothoekbeeld (grootte)
Met dit item kan de globale grootte worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.
1 Selecteer “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)”.
2 Druk op de + of- toets van de schakeleenheid om de grootte af te stellen. WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical din weergavetoets.
Ÿ Hiermee gaat u verder naar Aanpassing begeleidingslijn groothoekbeeld (horizontale richting)/ “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)”.
Aanpassing begeleidingslijn groothoekbeeld (horizontale richting)
Met dit item kan de positionering links-rechts worden afgesteld van de begeleidingslinen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.
1 Selecteer “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)”.
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de positionering links-rechts af te stellen.
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Ÿ Hiermee gaat u verder naar Afsteling begeleidingslijn groothoekbeeld (instelling rode-lijnpositie)/ “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)"”.
groothoekbeeld (instelling rode- jnpositie)
Met dit item kan de positie worden afgesteld van de rode lin die in het groothoekbeeld wordt weergegeven. De rode lin kan onafhankelijk worden gebruikt om de referentielin in te stellen voor de parkeerpositie van de auto.
1 Selecteer “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de (Red Line Position Setting)”.
weergavetoets. 2 Druk op de + of -toets van de schakeleenheid ÿy Hermes gaat u verder naar Aftelng om de positie van de rode lijn af te stellen. begeleidingsliin groothoekbeeld (verticale Standaard valt de rode lin samen met de gele lin richting}/ “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT die zich het dichtst bij de auto bevindt. Beweeg de (Vertical direction)”. rode lin tot aan de rand van de bumper van uw auto
Afstelling begel g; groothoekbeeld (verticale richting)
Met dit item kan de lengte worden afgesteld van de begeleidingslinen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.
1 Selecteer “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT {Vertical direction)”.
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de lengte afte stellen.
Camera instellen (uitsluitend CMOS-300)
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Ÿ Hiermee gaat u verder naar Afsteling begeleidingslijn bovenaanzicht (grootte)/ “OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT
bovenaanzicht (grootte)
Met dit item kan de globale grootte worden afgesteld van de begeleidingslinen die in het bovenaanzicht worden weergegeven.
T Selecteer “OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)”.
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de grootte af te stellen. (OVERHARD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Se)
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Ÿ Hiermee gaat u verder naar Afsteling begeleidingslijn bovenaanzicht (horizontale richting}/ “OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)".
Afstelling b. ing; bovenaanzicht (horizontale richting)
Met dit item kan de positionering links-rechts worden
afgesteld van de begeleidingslinen die in het
bovenaanzicht worden weergegeven.
1 Selecteer “OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)".
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Ÿ Hiermee gaat u verder naar Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (verticale richting}/ “OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical direction)”.
Afstelling be: gslij bovenaanzicht (verticale richting)
Met dit item kan de globale lengte worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het bovenaanzicht worden weergegeven.
1 Selecteer "OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical direction)".
2 Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de lengte af te stellen.
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Ÿ Hiermee gaat u verder naar Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (instelling rode-lijnpositie)/ “OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)".
100209 9:54 L Afstelling begeleidingslijn bovenaanzicht (instelling rode- nposi
Met dit item kan de positie worden afgesteld
van de rode lijn die in het bovenaanzicht wordt weergegeven. De rode lijn kan onafhankelik worden gebruikt om de referentieli in te stellen voor de parkeerpositie van de auto.
1 Selecteer “OVERHEAD VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)".
2 Druk op de + of- toets van de schakeleenheid om de positie van de rode lijn af te stellen. Standaard valt de rode lin samen met de gele lin die zich het dichtst bij de auto bevindt. Beweeg de rode lin tot aan de rand van de bumper van uw auto.
3 Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets.
Ÿ Hiermee gaat u verder naar Het instellen van de camera voltooien “SETTING COMPLETE".
B64-4576-18_Ol.indb 55
Het instellen van de camera voltooien
À make sure check behind and arot
1 Druk op de + of- toets van de schakeleenheid om [Finish] te selecteren en druk op de weergavetoets.
Wanneer twee CMOS-300-camera's worden aangesloten op een Kenwood-navigatiesysteem dat uitgerust is met een camerabedieningsfunctie, moeten verschillende camera-identificaties worden toegewezen aan de 2 camera. De camera- identificaties van beide camera's zijn af fabriek ingesteld op ID1.
1° Houd de + toets van de schakeleenheid gedurende meer dan 2 seconden ingedrukt en druk vervolgens de - toets gedurende meer dan 2 seconden in.
2 Druk op de + of- toets van de schakeleenheid om de camera-identificatie te selecteren en druk op de weergavetoets.
3 Na het instellen drukt u op de + of-toets van de schakeleenheid om [Finish] te selecteren en drukt u op de weergavetoets.
Displayweergave schakelen (uitsluitend CMOS-300)
Displayweergave schakelen
Het CMOS-300-camerasysteem kan 5 verschillende camerabeelden weergeven.
1 Terwijl een beeld wordt weergegeven op de monitor, drukt u op de weergavetoets van de schakeleenheid.
Met elke druk op de weergavetoets wordt de beeldweergavemodi in de onderstaande volgorde geschakeld
Supergroothoekbeeld Groothoekbeeld met een horizontale hoek van ongeveer 190°
Groothoekbeeld Camerabeeld met een horizontale hoek van ongeveer 135°
Bovenaanzicht Beeld gezien vanuit een standpunt recht boven de auto.
56 | CMOs-300/CMOS-200
Het bovenaanzicht wordt weergegeven op
de bovenste helft van het scherm, terwi]l het groothoekbeeld wordt weergegeven op de onderste helft. Het bovenaanzicht in de bovenste helft van het scherm toont het gebied aan deze zijde van de oranje lin die in het groothoekbeeld in de onderste helft wordt getoond
De beelden gezien vanaf de twee hoeken van de auto worden weergegeven op de linker- en de rechterhelft van het scherm.
Uitvoervideo Gespiegeld groothoekbeeld (voor achteruitbeeld)/normaal groothoekbeeld (voor vooruitbeeld)
Sensor: 1/4'-kleuren-CMOS-sensor Aantal pixels: Ca. 310.000 pixels
Lens Groothoëk, brandpuntsafstand f=0,82 mm, Fwaarde 26
Gezichtshoeken Horizontaal: Ca. 190° Vertical: Ca. 158°
Verlichtingsbereik Ca. 0,9 tot 100.000 lux
Bedrifsspanning 144V(11V-16V)
Max. stroomgebruik (CMOS-300)
150 mA Max. stroomgebruik (CMOS-200)
100 mA Afmetingen (bxhxd): 54 x 23 x 22 mm Gewicht: Ca. 32 g
+ Gespiegeld beeld houdt in dat het videobeeld links en
- Specificaties kunnen zonder kennisgeving worden gewijzigd
rechts omdraait, net zoals het beeld dat gezien wordt in een achteruitkik- of een zispiegel
Uitvoervideo Gespiegeld groothoekbeeld (voor achteruitbeeld)
Sensor: 1/4'-kleuren-CMOS-sensor Aantal pixels: Ca. 310.000 pixels
Lens Groothoëk, brandpuntsafstand f=1,6 mm, Fwaarde 23
Gezichtshoeken Horizontaal: Ca. 135° Vertical: Ca. 105°
Verlichtingsbereik Ca. 0,9 tot 100.000 lux
Schakeleenheid (uitsluitend CMOS-300)
Afmetingen (bxhxd): 27,5 x 32,8 x 12 mm Gewricht: Ca. 10 g (zonder kabel)
B64-4576-18_Ol.indb 57
Dit merkteken geeft aan dat Kenwood bij de productie van dit product heeft
eco geprobeerd het milieu zo weinig mogelik te belasten:
Dit product wordt niet geinstalleerd door de fabrikant van een voertuig op de productielin, noch door
de professionele invoerder van een voertuig in EUHlidstaten.
Informatie over het weggooien van elekti batterijen (particulieren)
che en elektronische apparatuur en
Dit symbool geeft aan dat gebruikte elektrische, elektronische producten en batterijen niet bi het normale huishoudelike afval mogen em Lever deze producten in bij de aangewezen inzamelingspunten, waar ze gratis worden geaccepteerd en op de juiste manier worden verwerkt, teruggewonnen en hergebruikt. Voor inleveradressen zie wwwnvmp.ni, www. ictmilieu.nl, wwwstibat.nl. Wanneer u dit Pb product op de juiste manier als afval inlevert, spaart u waardevolle hulpbronnen en voorkomt u potentiële negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu, die anders kunnen ontstaan door een onjuiste verwerking van afval. Opgelet: Het teken “Pb"onder het teken van de batterijen geeft aan dat deze batteri lood bevat
Conformiteitsverklaring met betrekking
tot de EMC-richtlijn van de Europese Unie (2004/108/EC) Fabrikant:
Kenwood Corporation 2967-3 Ishikawa-machi, Hachioj-shi, Tokio, 192-8525 Japan EU-vertegenwoordiger:
Notice-Facile