CMOS-310 - Achteruitrijcamera KENWOOD - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis CMOS-310 KENWOOD in PDF-formaat.

Page 44
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : KENWOOD

Model : CMOS-310

Categorie : Achteruitrijcamera

Download de handleiding voor uw Achteruitrijcamera in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding CMOS-310 - KENWOOD en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. CMOS-310 van het merk KENWOOD.

GEBRUIKSAANWIJZING CMOS-310 KENWOOD

Voor gebruik/Installatieprocedure WAARSCHUWING Voorkom persoonlijk letsel en/of brand en neem derhalve de volgende voorzorgsmaatregelen: • Voorkom kortsluiting en steek derhalve nooit metalen voorwerpen (zoals munten en gereedschap) in het toestel. • De installatie en bedrading van dit product moet worden uitgevoerd door een deskundig persoon. Laat een gespecialiseerd technicus het apparaat installeren zodat uw veiligheid niet in gevaar komt.

OPGELET Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om schade aan het product te voorkomen: • Zorg dat het toestel op een negatieve 12V-gelijkstroomvoeding is geaard. • Gebruik, bij het vervangen van een zekering, alleen een nieuwe zekering met de voorgeschreven waarde. Als u een verkeerde zekering gebruikt, kan er mogelijk een storing optreden in het apparaat. • Gebruik bij het installeren uitsluitend de bijgeleverde schroeven. Gebruik uitsluitend de bij het toestel geleverde schroeven. Het toestel wordt mogelijk beschadigd door gebruik van andere schroeven.

OPMERKING • Dit product is een achteruitrijcamera waarmee u kunt bekijken wat zich aan de achterkant van uw auto afspeelt. • Een achteruitrijcamera is een camera die symmetrische beelden levert op dezelfde wijze als achteruitkijk- en zijspiegels. • Aansluiting op een televisie met een RCA-video-ingang is mogelijk, maar controleer eerst of de televisie die u gebruikt een functie voor inschakeling bij achteruitrijden heeft. • Dit product is ontworpen om de chauffeur te ondersteunen bij het achteruitrijden, maar de camerabeelden laten niet alle gevaren en obstakels zien. Kijk voor de zekerheid achter u bij het achteruitrijden. • Dit product is uitgerust met een groothoeklens, dus het beeld dichtbij is breed en het beeld veraf is smal, waardoor een onjuist gevoel voor afstand kan ontstaan. Kijk voor de zekerheid achter u bij het achteruitrijden. • Laat uw auto niet wassen in de autowasinstallatie of met water onder hoge druk aangezien dit ertoe kan leiden dat water de camera binnendringt of de camera op de grond valt. • Controleer of de camerabeugel goed is bevestigd voordat u gaat rijden. Zitten de schroeven los? - Zit de camerabeugel stevig vast? - Wanneer de achteruitrijcamera losraakt tijdens het rijden kan hij een ongeval veroorzaken. • Voordat u het apparaat definitief installeert, sluit u eerst tijdelijk de draden aan om te controleren of alles goed is bevestigd en of de camera en het systeem werken.

• Bij het monteren van deze camera moet u ervoor zorgen dat er geen kabels tussen de camera en het omringende metaal of de aansluitingen bekneld raken. • Monteer de camera niet in de buurt van de verwarmingsuitlaat, waar deze beschadigd kan raken door de warmte of bij de portieren, waar regenwater op de camera kan spatten. (Installeer de camera nooit op de bovengenoemde locaties vanwege het gevaar van storingen ten gevolge van hoge temperaturen.) • Controleer, voordat u montagegaten gaat boren, altijd de plek achter de locatie waar u wilt gaan boren. Boor niet in de brandstofleiding, remleiding, elektrische bedrading of andere belangrijke onderdelen. • Als de camera wordt geïnstalleerd in het interieur, verankert u deze stevig zodat het apparaat niet kan losraken terwijl het voertuig in beweging is en letsel of een ongeval kan veroorzaken. • Als de camera onder een van de voorstoelen wordt gemonteerd, controleert u of deze stoel nog vooruit of achteruit kan worden verplaatst. Leid alle kabels en snoeren zorgvuldig rond het schuifmechanisme zodat zij niet bekneld kunnen raken in het mechanisme en kortsluiting veroorzaken.

Verzorging en onderhoud • Als het product vuil wordt, neemt u het af met een siliconendoek of een zachte doek. Als het ernstig vervuild is, verwijdert u de vlek met een doekje dat bevochtigd is met een neutraal reinigingsmiddel en neemt u het reinigingsmiddel vervolgens af. Gebruik geen harde doeken en/of vluchtige vloeistof, zoals verdunner of alcohol. Deze kunnen krassen, vervormingen, aantastingen en/of schade veroorzaken. • Wanneer een lensonderdeel vuil wordt, neemt u deze voorzichtig af met een zachte doek, bevochtigd met water. Niet met een droge doek wrijven om krassen op de lens te vermijden.

Installatieprocedure

1 Voorkom kortsluiting door de sleutel uit het

contactslot te halen en de - accu los te koppelen.

2 Verbind de juiste in- en uitgangskabels van elk toestel.

3 Sluit de draden in de kabelboom aan. Doe dit in 4 5

de onderstaande volgorde: massa, ontsteking en cameratoestel. Installeer het toestel in uw auto. Sluit de - accu weer aan. WAARSCHUWING

• Als u de ontstekingsdraad (rood) aansluit op het autochassis (aarde), kan er kortsluiting en vervolgens brand ontstaan. Sluit deze kabels altijd aan op de voedingsbron die door de zekeringkast loopt. • Knip de zekering niet los van de ontstekingsdraad (rood). De voeding moet via de zekering worden aangesloten op de draden.

• Als het contactslot van uw auto geen ACC-stand heeft, sluit u de ontstekingsdraad aan op een voedingsbron die met de contactsleutel kan worden in- en uitgeschakeld. Als u de ontstekingsdraad aansluit op een voedingsbron met een constante spanningsbron, zoals bij accukabels, raakt de accu mogelijk uitgeput. • Als de zekering is doorgebrand, controleert u eerst of de kabels elkaar niet raken en zo een kortsluiting veroorzaken en vervangt u vervolgens de oude zekering door een nieuwe met dezelfde stroomsterkte. • Isoleer niet-aangesloten kabels met isolatieband of ander geschikt materiaal. Voorkom kortsluiting door de kapjes op de uiteinden van de niet-aangesloten kabels of aansluitingen niet te verwijderen. • Controleer na het installeren van het toestel of de remlichten, richtingaanwijzers, ruitenwissers enz. van de auto juist functioneren. • Installeer de camera zodanig dat het zicht door de achterruit niet wordt belemmerd. • Installeer de camera zodanig dat deze niet aan de zijkant van de auto uitsteekt. • Installeer de camera niet als het regent of mistig is. • Als de luchtvochtigheid hoog is, droogt u het oppervlak af waarop de camera moet worden bevestigd, voordat u tot installatie overgaat. • Vocht op het bevestigingsoppervlak vermindert de kleefkracht, waardoor de camera kan losschieten. • Bevestig de camerabeugel niet op onderdelen van de carrosserie die zijn behandeld met fluorkoolstofhars of op glas. • Dit kan tot gevolg hebben dat de achteruitrijcamera er af valt. - Giet geen water over de camera. - Stel de camera niet bloot aan regen. - Ga niet onnodig ruw om met de camera. - Maak de camera grondig schoon bij gebruik van tape om het apparaat vast te zetten. • Raadpleeg de instructiehandleiding voor nadere details over het aansluiten van andere camera's en voer vervolgens de aansluiting op correcte wijze uit. • Bevestig de draden met kabelklemmen of kleefband. Bescherm de bedrading door er kleefband omheen te wikkelen op plaatsen waar de bedrading metalen onderdelen raakt. • Leid alle draden zodanig dat zij geen bewegende delen, zoals de versnellingspook, handrem of stoelrails, kunnen raken en zet ze vast. • Leid de draden niet langs plekken die heet worden, zoals onder de verwarmingsuitlaat. Als de isolatie van de bedrading smelt of beschadigd raakt, bestaat er het gevaar dat de bedrading kortsluiting maakt tegen het chassis. • Zorg er bij het vervangen van de zekering voor dat u alleen zekeringen gebruikt met de waarde die staat aangegeven op de zekeringhouder. • U kunt de hoeveelheid ruis tot een minimum beperken door de kabel voor de televisieantenne, de kabel voor de radioantenne en de RCA-kabel zo ver mogelijk uit elkaar te plaatsen. • Bouw de voedingseenheid niet in op plaatsen waar het kan worden blootgesteld aan hoge temperaturen of vochtigheid, zoals: - Plekken in de buurt van een verwarmingstoestel, ventilator of airconditioning.

- Plekken die blootstaan aan direct zonlicht, zoals de bovenkant van het dashboard of de afdekplaat van de achterbak. - Plekken waar regendruppels terecht kunnen komen, bijvoorbeeld dicht bij de portieren. • Leg de snoeren dusdanig aan dat gebieden met hoge temperaturen worden vermeden. Gebruik ribbelbuizen voor bedrading in de motorruimte. Wanneer een draad contact maakt met een heet gedeelte van de auto, kan de mantel smelten en kortsluiting veroorzaken, wat kan leiden tot een brand of gevaar van elektrische schokken.

Accessoires Camera (met camerabeugel) 1

CMOS-310 uitsluitend Schakeleenheid1 Dubbelzijdig plakband 1

OPGELET • De inbouwpositie van de camera kan een belemmering vormen voor de afstellingen tijdens het instellen van de camera. Bouw de camera nog niet definitief in, maar bevestig deze tijdelijk, tot het instellen van de camera voltooid is.

Indien noodzakelijk, maakt u de camerabeugel los van de camera en past u de vorm aan het oppervlak aan waarop de beugel moet worden gemonteerd. Buigen

Aanbevolen inbouwpositie

Voorbeelden van een correcte camera-inbouw

Pas de vorm van de camerabeugel aan, zodat hij afgesteld is op de inbouwpositie van de camera.

Monteer de camera op de camerabeugel. Monteer de camera dusdanig, dat het "KENWOOD”-logo aan de bovenkant zichtbaar is.

Zet de camera tijdelijk vast met tape o.i.d. Met behulp van een stuk plakband o.i.d. zet u de camera tijdelijk vast en stelt u de hoeken dusdanig in dat de achterkant van de auto kan worden zien.

12345 Monteer de camera dusdanig, dat het "KENWOOD”-logo aan de bovenkant zichtbaar is. De CMOS-310 moet worden geïnstalleerd op een hoogte van 55 cm of meer. Bevestig de camera in het midden van de achterkant van de auto waarbij moet worden voorkomen dat de kentekenplaat wordt afgedekt. Zorg ervoor dat de camera recht naar de achterkant van de bewegingsrichting van de auto is gericht. Voorkom dat de camera in de andere richtingen van de auto enz. wordt gebogen.

De camera inbouwen/de camerahoek afstellen

Bepaal de inbouwpositie van de camera. Maak de inbouwpositie van de camera schoon. Met behulp van een in de handel verkrijgbaar reinigingsmiddel verwijdert u vuil, vocht en olie van het oppervlak waarop de camerabeugel moet worden bevestigd.

Draai de bevestigingsschroeven van de camerabeugel los. Met behulp van een normale kruiskopschroevendraaier draait u de twee bevestigingsschroeven los.

Voer alle noodzakelijke aansluitingen uit. Geef het videobeeld van de camera weer. Sommige videomonitoren schakelen automatisch over naar de externe video-ingangsfunctie. Voor meer informatie raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van uw videomonitor.

Zet de transmissiehendel in de R-stand (achteruit) om het beeld aan de achterkant van de auto te laten weergeven. Voordat u de camera gaat bekijken, trekt u de handrem aan en blokkeert u de wielen, zodat de auto niet kan bewegen. Anders kan er een onverwacht ongeluk gebeuren.

Voer stappen 4 en 5 alleen uit wanneer ze nodig zijn.

10 Pas de camerahoek zodanig aan dat de achterzijde van de auto of de bumper onder aan het monitorscherm zichtbaar is.

De schakeleenheid inbouwen (uitsluitend CMOS-310)

Maak het inbouwoppervlak van de schakeleenheid schoon. Met behulp van een in de handel verkrijgbaar reinigingsmiddel verwijdert u vuil, vocht en olie van het oppervlak waarop de schakeleenheid moet worden bevestigd.

2 Achterkant of achterbumper van de auto Tijdens het afstellen van de camerahoek moet u voorzichtig zijn om het camerasnoer niet uit te rekken.

Bevestig dubbelzijdig klevende tape aan de onderkant van de schakeleenheid en bevestig die vervolgens op een gemakkelijk te bedienen plaats, bijv. vlakbij het dashboard aan bestuurderszijde.

11 Na het afstellen van de camerahoek draait u de NEDERLANDS

bevestigingsschroeven stevig vast. Controleer de bevestigingsschroeven periodiek. Als ze loszitten, draait u ze stevig vast.

12 Voer de handelingen uit in “Camera instellen” (pagina 50). (uitsluitend CMOS-310) Wanneer een afstelling in het huidige, beschikbare bereik niet mogelijk is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert.

13 Zet de camera stevig vast op zijn plaats. Verwijder de papieren beschermstrook van de dubbelzijdig klevende tape op de camerabeugel en bevestig hem. Na bevestiging drukt u de camerabeugel met uw vingers aan zodat een goede hechting is gegarandeerd. Raak het lijmoppervlak niet met uw handen aan en trek de bevestigde tape niet los en bevestig deze weer, omdat hierdoor de hechtkracht wordt verminderd en de camerabeugel los kan raken. Indien noodzakelijk, bevestigt u de beugel op de carrosserie met behulp van de klemschroef voor de camerabeugel. Klemschroef camerabeugel (M3 x 8 mm)

Aansluitingen Basisaansluitingen

Aansluiten op de video-ingang van de achteruitrijcamera of de externe video-ingang van de videomonitor.

Videosnoer Navigatiesysteem/videomonitor (afzonderlijk leverbaar) Voedingskabel Sluit de camera aan op het camera-aansluitsnoer. Camera Lengte camerakabel: 1,5 m, voedingskabel: 7,5 m

Schakeleenheid (uitsluitend CMOS-310): 1 m CAM+ (groen/rood)

Zekering ( 2A ) Accessoirevoeding (ACC) Accessoirekabel (rood) Aansluiten op de IN/UIT-schakelbare voeding. Niet aansluiten op een permanent ingeschakelde voeding.

Hoofdzekering Massakabel (zwart) Accu

Aansluiten op een metalen deel van de auto (een onderdeel van het chassis dat aangesloten is op de negatieve zijde van de voeding).

MASSA OPGELET • Wanneer het contactslot van uw auto geen ACC-stand kent, takt u de draad af die van spanning wordt voorzien wanneer het contactslot in de stand ON staat en sluit u deze aan op de accessoirevoedingsdraad. • Voordat u verdergaat, controleert u of de contactsleutel niet in het contactslot is gestoken en koppelt u de massakabel (-) los bij de accu om kortsluitingen te vermijden.

Aansluiten op het systeem (uitsluitend CMOS-310) • Tijdens het aansluiten van de camera op een Kenwood-navigatiesysteem enz. (bedieningstoestel) uitgerust met de camerabedieningsfunctie, gebruikt u de meegeleverde verbindingskabel voor het bedieningstoestel. Hiermee kan het bedieningstoestel de displayweergave schakelen en tevens de camera verstellen door het aanraken van het scherm van het bedieningstoestel. • Wanneer twee CMOS-310-camera’s worden gebruikt (voor de voor- en de achterkant), moet er een identificatie worden ingesteld voor de camera aan de voorkant. Voor de details raadpleegt u “Camera-identificatie instellen” (pagina 55). • Sluit de voeding op dezelfde wijze aan als in “Basisaansluitingen”. • De meegeleverde schakeleenheid wordt niet gebruikt voor aansluiting op het systeem.

Aansluiten van 2 camera’s Videosnoer

Aansluiten op de speciale video-ingang voor de achteruitrijcamera.

NEDERLANDS Voedingskabel

Camera 1 (gebruikt als achteruitrijcamera) (ID1: standaard) CAM+ (groen/rood) Aansluiten op de camerabedieningsaansluitingen van het bedieningstoestel.

Camera 2 (gebruikt als vooruitcamera)(Verander identificatie in ID2.)

Aansluiten op de externe video-ingang. Selecteer de externe video-ingang om het camerabeeld te controleren.

Videosnoer Naar de voeding

Camera instellen (uitsluitend CMOS-310) Bediening schakeleenheid

Camera-instellingsprocedure

De schakeleenheid kan worden gebruikt om de beeldweergavemodus te schakelen, de weergave van de begeleidingslijnen te tonen/verbergen en de camera te verstellen.

Weergavetoets • Schakelt tussen de beeldweergavemodi. • Selecteert een item in de instellingsmodus. • Ingedrukt houden om de begeleidingslijnen weer te geven of te verbergen.

Voer vooraf alle noodzakelijke aansluitingen uit. Geef het videobeeld van de camera weer. Sommige videomonitoren schakelen automatisch over naar de externe video-ingangsfunctie. Voor meer informatie raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van uw videomonitor.

Houd de weergave- en de + toets van de schakeleenheid tegelijkertijd ingedrukt om de camera-instellingsmodus te activeren. Selecteer eerst de positionering van de camera.

+/− toets Beweegt langs de items van de instellingsmodus of stelt een afstellingswaarde in.

Voorbereiding voor het instellen van de camera

Breng de auto tot stilstand.

Gebruik de + of - toets om een item te selecteren en druk op de weergavetoets om de selectie in te voeren. • Wanneer de camera als achteruitrijcamera wordt gebruikt, drukt u op [OK]. • Wanneer de camera als vooruitcamera wordt gebruikt, selecteert u [Switch to Normal Image Display] en selecteert u vervolgens [OK]. • Door [Reset All] te selecteren, worden alle camerainstellingen teruggezet naar de standaardwaarden.

In een parkeervak met witte lijnen en wielblokkeringen parkeert u de auto in het midden van het wit omlijnde kader.

Rij de auto naar voren. • Rij de auto naar voren tot het volledig parkeervak in het camerabeeld zichtbaar is. • Zorg ervoor dat de handrem aangetrokken is en trap het rempedaal in zodat de auto volledig stilstaat. Voer de instelling uit op een plek waar dit geen overlast voor andere mensen vormt.

Selecteer een camera-instelitem en stel het in. De volgende items zijn beschikbaar voor het instellen van de camera. 1. Beeldafstellingen bovenaanzicht (centreren, linker- en rechterhoek, hoek omhoog en omlaag) 2. Afstellingen begeleidingslijn groothoekbeeld (grootte, horizontale richting, verticale richting, positieinstelling rode lijn) Een item selecteren: Druk op de + of - toets om een item te selecteren en druk op de weergavetoets om de selectie in te voeren. Wanneer een item voor aanpassing geselecteerd is, verandert het kader van diens pictogram van blauw in rood.

Het item aanpassen: Nadat een item is geselecteerd, drukt u op de + of - toets om het aan te passen en drukt u op de weergavetoets om de aangepaste waarde in te voeren.

Sluit de instelling af.

Beeldafstelling bovenaanzicht (centreren)

Beeldafstelling bovenaanzicht (linker- en rechterhoek) Met dit item stelt u de horizontale hoek (in een draaiende beweging) af van de inbouwpositie van de camera.

Selecteer “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Right-and-Left ANGLE)”.

Druk op de + of - toets van de schakeleenheid tot het midden van het parkeervak verticaal wordt weergegeven.

Selecteer “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (CENTERING)”. Druk op de + of - toets van de schakeleenheid, tot de twee witte lijnen op de positie verschijnen die overeenkomt met de middenlijn van de auto.

NEDERLANDS Met dit item stelt u het midden van de inbouwpositie van de camera af.

Afstelling is met een stap naar links of naar rechts mogelijk. Wanneer de afstelling in het huidige, beschikbare bereik niet mogelijk is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert.

3 Afstelling is met een stap naar links of naar rechts mogelijk. Wanneer de afstelling in het huidige, beschikbare bereik niet mogelijk is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert. • Selecteer [Back] om terug te gaan naar het vorige instelitem. • Selecteer [Next] om naar het volgende instelitem te gaan. • Door [Reset] binnen een afzonderlijk instelitem te selecteren, wordt de camera-instelling van dat item teruggezet naar de standaardwaarde. • Selecteer [ ] om het pictogram ondersteboven te draaien.

Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets. Hiermee gaat u verder naar “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Up-and-Down ANGLE)”.

Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets. Hiermee gaat u verder naar “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Right-and-Left ANGLE)”. CMOS-310/CMOS-210 |

Camera instellen (uitsluitend CMOS-310) Beeldafstelling bovenaanzicht (hoek omhoog en omlaag) Met dit item stelt u de verticale hoek (nijging) van de inbouwpositie van de camera af.

Selecteer “OVERHEAD VIEW IMAGE ADJUSTMENT (Up-and-Down ANGLE)”. Druk op de + of - toets van de schakeleenheid tot de lijnen die de breedte van de auto aangeven, verticaal worden weergegeven.

Afstelling is met een stap naar boven of naar beneden mogelijk. Wanneer de afstelling in het huidige, beschikbare bereik niet mogelijk is, verandert u de camerapositie voordat u het opnieuw probeert.

Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets. Selecteer [Next]. Hiermee gaat u verder naar “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)”.

Voor afstellen van begeleidingslijnen • De hierna volgende afstellingen stellen de afmetingen, lengtes en posities van de begeleidingslijnen af die in het groothoekbeeld en het bovenaanzicht worden getoond. Standaard worden de drie hieronder getoonde begeleidingslijnen (groen, geel en rood) weergegeven, ervan uitgaande dat de camera-installatiehoogte 80 cm is en dat de afstand tussen de linker- en rechterlijn van het parkeervak 2,2 meter is. Door de begeleidingslijnen van het groothoekbeeld of het bovenaanzicht af te stellen, verandert de interval tussen de bijbehorende begeleidingslijnen. Omdat de interval tussen elk stel begeleidingslijnen afhankelijk is van de inbouwhoogte van de camera, dient u de feitelijke instellingen te controleren nadat alle onderstaande afstellingen zijn uitgevoerd. • Zodra de interval tussen begeleidingslijnen is afgesteld op basis van uw parkeervak, geven de weergegeven begeleidingslijnen niet langer de breedte van de auto aan. Houd er rekening mee dat de afmetingen van parkeervakken sterk kunnen verschillen en controleer de werkelijke afmeting van elk parkeervak voordat u probeert erin te parkeren. • De oranje lijn geeft de positie van het bovenaanzicht weer (gebied aan de binnenkant van de oranje lijn) en van het groothoekbeeld (gebied buiten de oranje lijn) in de PinP-weergave (pagina 56). Wanneer de oranje lijn die in het groothoekbeeld wordt getoond, groter is dan de parkeerlijn, remt u de auto af en rijdt u tot de rode lijn (parkeerpositie) door deze te controleren in het bovenaanzicht. • De rode lijn wordt gebruikt om de parkeerpositie aan te geven en kan onafhankelijk van de andere begeleidingslijnen worden ingesteld. 2,2 m Groen

Afstelling begeleidingslijn groothoekbeeld (grootte)

Aanpassing begeleidingslijn groothoekbeeld (horizontale richting)

Met dit item kan de globale grootte worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.

Met dit item kan de positionering links-rechts worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.

Selecteer “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Size)”. Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de grootte af te stellen.

Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets. Hiermee gaat u verder naar “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Horizontal direction)”.

Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets. Hiermee gaat u verder naar “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical direction)”.

Camera instellen (uitsluitend CMOS-310) Afstelling begeleidingslijn groothoekbeeld (verticale richting)

Afstelling begeleidingslijn groothoekbeeld (Positie-instelling rode lijn)

Met dit item kan de lengte worden afgesteld van de begeleidingslijnen die in het groothoekbeeld worden weergegeven.

Met dit item kan de positie worden afgesteld van de rode lijn die in het groothoekbeeld wordt weergegeven. De rode lijn kan onafhankelijk worden gebruikt om de referentielijn in te stellen voor de parkeerpositie van de auto.

Selecteer “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Vertical direction)”. Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de lengte af te stellen.

Selecteer “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)”. Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de positie van de rode lijn af te stellen. Standaard valt de rode lijn samen met de gele lijn die zich het dichtst bij de auto bevindt. Beweeg de rode lijn tot aan de rand van de bumper van uw auto.

Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets. Hiermee gaat u verder naar “WIDE VIEW GUIDELINE ADJUSTMENT (Red Line Position Setting)”.

Na het voltooien van de afstelling drukt u op de weergavetoets. Selecteer [Next]. Hiermee gaat u verder naar “SETTING COMPLETE”.

Het instellen van de camera voltooien

Camera-identificatie instellen Wanneer twee CMOS-310-camera’s worden aangesloten op een Kenwood-navigatiesysteem dat uitgerust is met een camerabedieningsfunctie, moeten verschillende camera-identificaties worden toegewezen aan de 2 camera’s. De camera-identificaties van beide camera’s zijn af fabriek ingesteld op ID1.

Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om [Finish] te selecteren en druk op de weergavetoets.

Houd de + toets van de schakeleenheid gedurende meer dan 2 seconden ingedrukt en druk vervolgens de - toets gedurende meer dan 2 seconden in. Druk op de + of - toets van de schakeleenheid om de camera-identificatie te selecteren en druk op de weergavetoets.

Na het instellen drukt u op de + of - toets van de schakeleenheid om [Finish] te selecteren en drukt u op de weergavetoets.

Displayweergave schakelen (uitsluitend CMOS-310) Displayweergave schakelen Het CMOS-310-camerasysteem kan 5 verschillende camerabeelden weergeven.

Terwijl een beeld wordt weergegeven op de monitor, drukt u op de weergavetoets van de schakeleenheid.

PinP-weergave Het bovenaanzicht wordt weergegeven op de bovenste helft van het scherm, terwijl het groothoekbeeld wordt weergegeven op de onderste helft. Het bovenaanzicht in de bovenste helft van het scherm toont het gebied aan deze zijde van de oranje lijn die in het groothoekbeeld in de onderste helft wordt getoond.

Met elke druk op de weergavetoets wordt de beeldweergavemodi in de onderstaande volgorde geschakeld. Supergroothoekbeeld Groothoekbeeld met een horizontale hoek van ongeveer 190°.

Hoekweergave De beelden gezien vanaf de twee hoeken van de auto worden weergegeven op de linker- en de rechterhelft van het scherm.

Groothoekbeeld Camerabeeld met een horizontale hoek van ongeveer 135°.

Bovenaanzicht Beeld gezien vanuit een standpunt recht boven de auto.

Voor het aansluiten van de camera op een Kenwoodnavigatiesysteem enz. (bedieningstoestel) uitgerust met de camerabedieningsfunctie, gebruikt u de meegeleverde verbindingskabel voor het bedieningstoestel. Hiermee kan het bedieningstoestel tevens de displayweergave schakelen door het aanraken van het scherm van het bedieningstoestel (pagina 49).

Technische gegevens Uitvoervideo : Gespiegeld groothoekbeeld (voor achteruitbeeld)/ normaal groothoekbeeld (voor vooruitbeeld) Sensor: 1/4”-kleuren-CMOS-sensor Aantal pixels: Ongev. 310.000 pixels Lens : Groothoek, brandpuntsafstand f = 0,82 mm, F-waarde 2,4 Gezichtshoeken : Horizontaal: Ongev. 190° : Verticaal: Ongev. 151° Video-uitgang: 1,0 Vp-p/ 75 Ω Verlichtingsbereik: Ongev. 0,9 tot 100.000 lux Irissysteem: Elektronische iris Scansysteem: Interlace Synchronisatiesysteem: Interne synchronisatie Afmetingen (bxhxd): 24 x 24 x 24,9 mm Gewicht:Ongev. 36 g (zonder kabel)

Camera-eenheidCMOS-210) Uitvoervideo : Gespiegeld groothoekbeeld (voor achteruitbeeld) Sensor:1/4”-kleuren-CMOS-sensor Aantal pixels: Ongev. 310.000 pixels Lens : groothoek, brandpuntsafstand f = 1,41 mm, F-waarde 2,3 Gezichtshoeken : Horizontaal: Ongev. 130° : Verticaal: Ongev. 101° Video-uitgang: 1,0 Vp-p/ 75 Ω Verlichtingsbereik: Ongev. 0,9 tot 100.000 lux Irissysteem: Elektronische iris Scansysteem: Interlace Synchronisatiesysteem: Interne synchronisatie Afmetingen (bxhxd): 24 x 24 x 24,9 mm Gewicht:Ongev. 34 g (zonder kabel)

Schakeleenheid (uitsluitend CMOS-310) Afmetingen (bxhxd): 27,5 x 32,8 x 12 mm Gewicht:Ongev. 10 g (zonder kabel)

Algemeen Werkspanning: 14,4 V (9,0 V — 16,0 V) Max. stroomverbruik (CMOS-310): 80 mA Max. stroomverbruik (CMOS-210): 60 mA • Gespiegeld beeld houdt in dat het videobeeld links en rechts omdraait, net zoals het beeld dat gezien wordt in een achteruitkijk- of een zijspiegel. • Technische gegevens zijn zonder voorafgaande kennisgeving wijzigbaar. Dit product wordt niet geïnstalleerd door de fabrikant van een voertuig op de productielijn, noch door de professionele invoerder van een voertuig in EU-lidstaten.

Informatie over het weggooien van elektrische en elektronische apparatuur en batterijen (particulieren) Dit symbool geeft aan dat gebruikte elektrische, elektronische producten en batterijen niet bij het normale huishoudelijke afval mogen. Lever deze producten in bij de aangewezen inzamelingspunten, waar ze gratis worden geaccepteerd en op de juiste manier worden verwerkt, teruggewonnen en hergebruikt. Voor inleveradressen zie www.nvmp.nl, www. ictmilieu.nl, www.stibat.nl. Wanneer u dit product op de juiste manier als afval inlevert, spaart u waardevolle hulpbronnen en voorkomt u potentiële negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu, die anders kunnen ontstaan door een onjuiste verwerking van afval. Opgelet: Het teken “Pb” onder het teken van de batterijen geeft aan dat deze batterij lood bevat.

Nederlands Conformiteitsverklaring met betrekking tot de EMCrichtlijn van de Europese Unie (2004/108/EC) Fabrikant: JVC KENWOOD Corporation 3-12 Moriya-cho, Kanagawa-ku, Yokohama-shi, Kanagawa, 221-0022, Japan EU-vertegenwoordiger: Kenwood Electronics Europe BV Amsterdamseweg 37, 1422 AC UITHOORN, Nederland