GEBRUIKSAANWIJZING FXSQ15A2VEB DAIKIN
Installatiehandleiding en gebruiksaanwijzing VRV-airconditioningsysteme
Vooraleer te monteren. 1
Belangrijke informatie over het gebruekte koelmiddel 2
Installatieplaats selecteren 3
De installmentie voorbereiden 3
Installatie binnenunit 4
De leiding monteren 4
De koelledingen aansluten. 5
Het aanleggen van de afvoerleidingen 6
Elektrische bedrading aanleggen 7
Voorbeeld bedrading en het instellen van de afstandsbediening .... 8
Voorbeeld bedrading 9
Lokale instelling. 9
Het sierpaneel monteren 11
Proefdraaien 12
Onderhoud. 12
Vereisten voor verwijdering 13
Bedradingsschema. 14

LEES DEZE INSTRUCTIES ZORGVULDIG VOOR DE INSTALLATIE. BEWAAR DEZE HANDLEIDING OP EEN PLAATS WAAR U ZE KUNT TERUGVINDEN VOOR LATERE NASLAG.
EEN VERKEERDE INSTALLATIE OF BEVESTIGING VAN APPARATUUR OF TOEBEHOREN KAN EEN ELEKTRISCHE SCHOK, KORTSLUITING, LEKKEN, BRAND OF ANDERE SCHADE AAN DE APPARATUUR VEROORZAKEN. LAAT DAAROM UI TSLUITEND DAIKIN-TOEBEHOREN DIE SPECIAAL ONTWORPEN ZIJN VOOR GEBRUIK MET DE APPARATUUR MONTEREN DOOR EEN VAKMAN.
RAADPLEEG BIJ TWIJFEL OVER DE INSTALLATIEPROCEDURES OF HET GEBRUIK ALTIJD UW DAIKINVERDELER VOOR ADVIES EN INFORMATIE.
De Engelse tekst is de oorspronkelijke versie. Andere talen zich vertalingen van de oorspronkelijke instructies.

De montage moet door een erkende technicusuitgevoerd worden.
Gebruik de juiste materialen en voer de installmente uit overeenkomstig de geldende landelijk en internationale voorschriften.
Vooraleer te monteren
Laat de unit in zich verpakking tot u de installmentieplaats hebt bereikt. Als uitpakken onvermijdelijk is, gebruik dan een stuk zacht materiaal of beschermende platen in combinatie met een touw bij het opheffen om Beschadiging van of krassen op de unit te voorkomen.
Bij het uitpakken van de unit of bij het verplaatsen van de unit na het uitpakken, moet u de unit opheffen aan de ophangbeugel zonder drukuit te oefenen op andere delen, met name niet op de koelmiddelledingen, afvoerleidingen en andere harsonderden.
Zie de installmentehandelieiding van de buitenunit voor items die nicht in deze handleiding beschreiben worden.
Voorichtig met koelmiddel van reeks R410A:
De aansluitbare buitenunits要去en uitsluitend voor R410A zijn ontworpen.
Plaats geen voorwerpen in de directe nabijheid van de buitenunit en zorg er voor dat bladeren of andere overblijfselen zich Niet rond het apparaat ophopen.
Bladeren trekken keine dieren aan die in de unit kunden binnendringen. In de unit kunden dergelijke dieren storingen, rook of brand veroorzaken wonneer ze in contact komen met elektrische onderdelen.
Voorzorgsmaatregelen
■ Installee en gelebruik de unit nicht in ruimten die in het onderstaande worden beschreiben.
- Plaatsen waar minerale olie, oliedamp of een olienevel aanwezig is, zoals in keukens. (Daardoor hunnen kunststof onderdelen aangetast worden.)
- Waar agressieve gassen, zoals zwaveldamp, aanwezig zich. (Daardoor+kopenkoperlenleidingen en soldeerverbindingen corroderen.)
-Ruimtenaarinontbrandbaregassenwordengebruikt,zoals verfverdunneren benzine.
- Waar machines staan die elektromagnetische golvenereren. (Het besturingsystem kan verstoord worden.)
- Wonneer de lucht een hoog zoutgehalte heeft, bijvoorbeeld vlakbij zee, en wonneer er grote spanningswisselingen zijn, zoals in een fabriek. Hetzelfde geldt voor voertuigen en schepen.
■ Installee accessoires nicht rechtsstreeks op de behuizing. Boorgaten in de behuizing{kunnen elektrische draden beschadigen en dientengevolge brand peroorzaken.
Dit toestel is nicht bedoeld voor gebruik door Personen, inclusief kinderen, met verminderde fysiexe, zintuiglijke of mentale möglichkheden, of met een gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij onderricht zich in het gebruik van het toestel door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veilighheid.
Zie erop toe dat kinderen nicht met het apparatus spelien.
Dit apparatusaat is bedoeld om in werkplaatsen, in de lichte industrien en in boerderijen door deskundige of geschoolde gebruikers gebruikt te worden of, in de handel, door nicht gespecialiseerde Personen.
Het geluidsdrukniveau is minder dan 70 dB(A).
Accessoires
Controleer of de volgende accessoires bij uw unit+zijn inbegrepen.
| Metalen klem
1 stuk | Afvoerslang
1 stuk | Pakkingring voor
ophangbeugel
8 stuks | 1 2
Afsluitplaat
middelgroot
2 stucks |
| Grote afluitplaat
1 stuk | Fittingisolatie
voor waterleidingen
1 stuk
aar
gasleidingen
1 stuk | Lange afdichting
2 stucks | Installatie-
handlelding en
gebruiksaanwijzing |
| Schroeven voor leidingflenzen
1 setje
40 stucks. | 4 draadbinders |
Schroeven voor het vastzetten van panelen zijn bevestigd aan het luchtinlaatpaneel.
Optionele accessoires
Er zich twee soorten afstandsbedieningen: met draad en draadloos. Selecteer een afstandsbediening na overleg met de klant en installer de afstandsbediening op een geschikte plaats. Raadpleeg catalogi en technische documentatie om een geschikte afstandsbediening te selecteren.
■ Wanner u de onderaanzuiig ingalleert: luchtinlaatpaneel en doekaansluiting voor het luchtinlaatpaneel.
Besteedijdens installmente extra aandacht aan de volgende punten en inspecteer na het voltooien van de installmente
| Vink √
aan na
controle | |
| ■ | Is de binnenunit slevig gemonteerd?
Als de apparaten loskomen, können ze trillingen of lawaai
veroorzaken. |
| ■ | Is de gaslektest goed uitgevoerd?
Er kan onvoldoende gekoeld of verwarmd worden. |
| ■ | Is de unit volledig geisoleerd en gecontroleerd op luchtlekken?
Er kan condenswater gaan druppen. |
| ■ | Stroomt de afvoer goed door?
Er kan condenswater gaan druppen. |
| ■ | Komt de voedingsspanning overeen met de spanning die op de
kenplaat staat?
Er kunnen storingen optreden of componenten+kunnen
doorbranden. |
| ■ | Zijn de bedrading en de buizen goed aangelegd?
Er kunnen storingen optreden of componenten+kunnen
doorbranden. |
| ■ | Is de unit goed geaard?
Gevaar op elektrische schrokken. |
| ■ | Voldoet de bedrading aan de specificaties?
Er kunnen storingen optreden of componenten+kunnen
doorbranden. |
| ■ | Worden de luchtinlaat de de luchtuitlaat van de binnen- of
buitenunit Niet geblokkeerd?
Er kan onvoldoende gekoeld of verwarmd worden. |
| ■ | Is de lengte van de koelleidingen en de lading van het
aanvullende koelmiddel genoteerd?
De lading van het koelmiddel in het systeme kan maybeijk
niet goed worden bepaald. |
| ■ | Zijn de luchtfilters goed bevestigd (bij installmentie met leiding
achteraan)?
Onderhoud van de luchtfilters kan onmogelijk+zijn. |
| ■ | Is de exter steatische druk ingesteld?
Er kan onvoldoende gekoeld of verwarmd worden. |
Opmerkingen voor de installmenteur
Lees deze handleiding zorgvuldig door om een correcte installation te waarborgen. Vergeet Niet de klant te tonen hoe hij of zij het system op de juiste manier kan bedieren door hem of haar de meegeleverde gebruksaanwijzing van de binnenunit te tonen.
Leg de klant uit welk system op locatie is geinstalleer. Zorg ervoor de juiste installmentespecificaties in te vullen in het hoofdstuk "Wat te doeen voor het gebruik" in de gebruiksanawijzing van de buitenunit.
Dit product bevat fluorhoudende broeikasgassen die onder het Kyoto-protocol vallen.
Koelmiddeltype: R410A
GWP(1)waarde: 1975
(1) GWP = Global Warming Potential (globaal opwarmingspotentieel)
Afhankelijk van de Europese of lokale wetgeving kuren periodieke inspecties voor koelmiddellekken zijn vereist. Neem voor meer informatie contact op met uw lokale leverancier.
Installatieplaats selecteren
(Zie afbeelding 1 en afbeelding 2)
1 Selecteer een plaatsvoor de montage die aan de volgende voorwaarden voldoet en die tevens de goedkeuring van uw klant draagt.
- Waar de lucht optimaal kan circuleren.
- Waar doorgang van de lucht Niet geblokkeerd worden.
- Waar condensatewater gemakkelijk kan worden afgevoerd.
- Waar het systeemplafond geen merkBare helling heeft.
- Waar voldoende ruimte voor onderhoud en service kan worden gewaarborgd.
- Waar geen gevaar voor lekkage van ontvlambare gassen bestaat.
- De apparatuur is nicht bedoeld voor gebruik in een omgeving waar ontploffingsgevaar is.
- Waar het buizenwerk tussen de binnen- en butenunits binnen de voorgeschreven limiet blijft. (Raadpleeg de montagehandleiding van de butenunit.)
- Houd de binnenunit, buitenunit, voedingskabels en de besturingsbedrading op tenminste 1 meter afstand van televisionietoestellen en radio's. Dit is om beeldstoring en bijgeluiden in deze elektrische apparaten te voorkomen. (Een afstand van 1 meter kan afhankelijk van de omstandigheden waarbij de elektrische golf worden geprodueer, onvoldoende zichn om storing te voorkomen.)
- Wonneer de draadloze afstandsbedieningskit worden geinstalleerd, kan de afstand+tussen de draadloze afstandsbediening en de binnenunit minder zich als er TL-lampen zich die in de kamer elektrisch worden gestart. De binnenunit moet zo ver möglichk uit de buurt van TL-lampen worden geinstalleerd.
- Plaats geen voorwerpen die gevoelig zijn voor vocht, direct onder de binnen- of buitenunits. Onder bepaalde omstandigheden kan condensvorming op de hoofdunit of de koelmiddelseidingen, vuil in het luchtfilter of een verstopte afvoer waterlekkage verroorzaken, waardoor het betreffende voorwerp verruild of defect kan raken.
2 Monteer een beveiligingsrooster voor de luchtzaanzuiging en de luchtuitlaat om te voorkomen dat iemand de ventilatorschoopen of de warmtewisselaar zou aanraken.
De bescherming moet voldoen aan de Europese en nationale voorschriften ter zake.
3 Gebruik ophangbauten voor de montage. Controller of het plafond sterk genoeg is om het gewicht van de binnenunit te kuren dragen. Als er een risico is, verstevig dan het plafond alvorens de unit te monteren.
1 Ruimte voor onderhoud
2 Afvoerleiding
3 Opening bedrading elektrische voeding
4 Opening transmissiebedrading
5 Onderhoudsaflaatuiitlaat
6 Gasleiding
7 Vloeistofleiding
De installmentie voorbereiden
1 Verband:tussen deplafondopening en de unit en deplaats van de ophangbout. (Zie afbeelding 5)
| Model A (mm) B (mm) |
| 15~32 550 588 |
| 40~50 700 738 |
| 63~80 1000 1038 |
| 100~125 1400 1438 |
1 Binnerunit
2 Leiding
3 Afmelingen plaats ophangbout (x4)
4 Afstand plaats ophangbout
Kies voor de installmentie een van de onderstaande möglichkheden.
Standaard achteraanzuiging (Zie afbeelding 6a)
1 Plafondoppervlaik
2 Plafondopening
3 Onderhoudstoegangspaneel (optionel accessoire)
4 Luchtfilter
5 Luchtinaatleiding
6 Opening leidingonderhoud
7 Verwisselbareplaat
Installatie met leiding anschter en leidingonderhoudsopening (Zie afbeelding 6b)
Installatie met leiding anschter zonder ledingonderhoudsopening (Zie afbeelding 6c)
OPMERKING

Voor de installmentie van de unit (in geval van installmentie met leiding, maar zonder leidingonderhoudsopening): wijzig de positie van de luchtfilters.
1 Verwijder de luchtfilter(s) aan de buitenzijde van de unit
2 Verwijder de verwisselbare plaat
3 Installee de luchtfilter(s) aan de binnenzijde van de unit
4 Plaats de verwisselbare plaat terug

OPMERKING

Selecteer bevestigingschroeven die maximaal 5 mmuitsteken aan de binnenkant van de flens wanner ueen luchtlinaatleiding installeet, om schade aan deluchtfilter tijdens onderhoud te voorkomen.
1 Luchtinlaatleiding
2 Binnenzijde van de flens
3 Bevestigingschroef

Het luchtinlaatpaneel monteren met een stoffen aansluiting (Zie afbeeling 7a)
Het luchtinaatpaneelrechtstreeks monteren (Zie afbeelding 7b)
1 Plafondoppervlak
2 Plafondopening
3 Luchtinaatpaneel (optioneel accessoire)
4 Binnenunit (achterzijde)
5 Stoffen aansluiting voor luchtinlaatpaneel (optioneel accessoire)
Model A (mm)
15~32610
40~50760
63~80 1060
100~125 1460
Bodemaanzuiging (Zie afbeelding 7c)
OPMERKING

De unit kan worden gebruikt met bodemaanzuiging door de verwisselbare plaat te verrangen door deluchtfilterhouserplaat.
1 Luchtfilterhouserplaat met luchtfilter(s)
2 Verwisselbareplaat
OPMERKING

Voor een andere installment dan de standardinstallatie, neemt u contact op met uw Daikin-dealer voor bijzonderheden.
2 De
ventilatorsnelheid
voor
deze
binnenunit
is
voorgeprogrammeerd om standarde externe staatische druk te leveren.
3 Monteer de ophangbouten.
(Gebruik een maat bout van M10 voor de ophangbout.) Gebruik verankeringen voor bestaande plafonds en een verzonken inzetstuk, verzonken verankeringen of andere nicht meegeleverde onderdelen voor weitere plafonds ter versteviging van het plafond om het gewicht van de unit te konnen dragen.
Installatievoorbeeld
(Zie afbeelding 3)
1 Verankering
2 Plafondtegel
3 Lange moer of wartel
4 Ophangbout
5 Binnenunit
OPMERKING

Alle boV
ermelde onderdelen
worden
niet
meegeleverd.
Voor
andere installation
dan
de
standaardinstallatie, neemt u contact op met uw dealer voor bijzonderheden.
Installatie binnenunit
Wonneer optionele accessoires worden geinstalleerd (behalte het luchtinlaatpaneel), lees dan ook de montagehandleiding van de optionele accessoires. Naargelang de omstandigheden ter plaatse, kan het eenvoudiger zich om de optionele accessoires te installereren voordat de binnenunit zich worden geinstalleerd.
1 Monteer de binnenunit voorlopig.
- Bevestig de ophangbeugel aan de ophangbout. Zorg dat deze stevig worden vastgehecht door middel van een moer en pakkingring aan de boven- en onderzijde van de ophangbeugel. (Zie afbeelding 4)
1 Moer (niet meegeleverd)
2 Sluitring voor ophangbeugel (meegeleverd met de unit)
3 Draai vast (dubbele moer)
2 Controller of de unit horizontal waterpas staat.
- Installee de unit Niet gekanteld. De binnenunit is uitergerust met een ingebouwde afvoerpomp en vlotterschakelaar. (Als de unit gegen de richting van de condenswaterstroom in gekanteld staat, kan de werking van de vlotterschakelaar verstoord raken en er water beginnen telekken.)
- Controller of de unit waterpas staat aan alle vier hoeken met een waterpas of een vinylbuis bevuld met water, zoals op afbeelding 9 worden getoond.
1 Waterpas
2 Vinylbuis
3 Draai de bovenste moer vast.
De leiding monteren
Sluit de meegeleverde leiding aan.
Luchtinlaatzijde
- Bevestig de leiding en de flens aan inlaatzijde (terplaatse te voorzien).
-Sluit de flens aan op de hoofdunit met de accessoireschroeven (7).
- Wikkel de flens aan inlaatzijde en het leidingaansluitingsgedeelte in met aluminiumtape of ieits dergelijks om te voorkomen dat er lucht ontsnapt.

Wanner u een leiding bevestigt aan de inlaatzijde, moet u een luchtfilter plaatsen in de luchtdoorgang aan de inlaatzijde. (Gebruik een luchtfilter met een stofopvangeefficiente van minstens 50% in een gravimetrische techniek.)
De aanwezigefilterwordnietgebruiktwanner de inlaatleidingbevestigd is.

Luchtuitlaatzijde
- Sluit de leiding aan in overeenstemming met de lucht in de flens aan uitlaatzijde.
- Wikkel de flens aan uitlaatzijde en het leidingaansluitingsgedeelte in met aluminiumtape of iets dergelijks om te voorkomen dat er lucht ontsnapt.

- Isoleer de leiding om condensatievorming te voorkomen. (Material: glaswof of polyethyleenschuim, 25 mm dik)
- Gebruik elektrische isolatie:tussen de leiding en de muur wanner u metalen ledingen gebruikt om metalen latten van het net of hek of metalen platen in houten gebouwen door te steken.
- Leg zeker aan uw klant uit hoe hij het ter plaatse voorziene materiaal (luchtfilter, rooster (zowel het luchtuiilaat- als het aanzuigrooster) enz.) moet onderhonden.
De koelleidingen aansluiten
Voor het koelmiddelseidingwerk van de buitenunit dient u de montagehandleiding te raadplegen die bij de buitenunit is geleverd.
Controleer, voordat de leidingen worden aangelegd, welk type koelmiddel worden gebruikt.

De montage要去 door een erkende koelmiddelinstallateur uitgevoerd worden; de keuze van het materiaal en de montage dieren te voldoen aan de toepasselijkke nationale en internationale voorschriften. In Europa dient norm EN378 gehanteerd te worden.
- Gebruik een pijpsnjider en tromp die geschikt is voor het gebruekte koelmiddel.
Knijp de leiding zicht of plank denen af met tape om te voorkomen dat vuil, vloeistof andere vreemde stoffen de leiding konnen binnendringen.
Gebruik alleen naadloze ledingen van koperlegering (ISO 1337).
De buitenunit is gemuld met koelmiddel.
■ Breng aan beiden zijden van zowel de gas- als de vloeistofleidingen het thermische isolatiematerialiaal aan om waterlekkage te voorkomen. Gebruik isolatiematerialiaal dat voldoende warmtebestendig is, waar dat bij gebruik van een warmtepomp de temperatuur van de gasleiding kan oplopen tot onceveer 120^
Gebruik bij het aansluiten of losmaken van de leidingen aan/van het toestel.altijd een moersleutel en een momentsleutel.
1 Momentsleutel
2 Moersleutel
3 Verbinding van de leidingen
4 Voor verbrede uiteinden bedoelde moer

■ Meng alleen het vermelde koelmiddel in het koelmiddelcircuit en niets anders, dus geen lucht enz.
Gebruik alleen uitgegoed materiaaal voor trompverbindingen.
Raadpleeg Tabel 1 voor de afmetingen van de optrompbout en het geschikte draaimoment. (Overmatig aanspannen kan de wartel beschadigen en lekken veroorzaken.)
Tabel 1
| Leiding-diameter(mm) | Aanhaalmoment(N·m) | Flare-afmetingA(mm) | Flarevorm |
| Ø6,4 15~ | 17 8,7~9,1 | | 90°±2 |
| Ø9,5 33~ | 39 12,8~13,2 | |
| Ø12,7 50~ | -60 16,2~16,6 | |
| Ø15,9 63~ | -75 19,3~19,7 | |
Wanneer u de flareemoer bevestigt, smeert u eerst de binnenkant van de flare in met ether- of esterolie en draait u ze cervolgens met de hand 3 of 4 slagen vast, voordat u ze stevig vastschroeft.

Ventileer de omgeving als er koelgas lektijdens het werk. Als koelgas aan vuur worden blootgesteld, ontstaat er een giftig gas.
Zorg ervoor dat er geen koelgas lekt. Er kan giftig gas vrijkomen doordat het koelgas binnenschuis lekt en aan de vlammen van een kamerverwarming, fornuis enz. worden blotgesteld.
■ Isoleer ten slotte zoals getoond in de onderstaande afbeeldingen.
Procedure voor het isoleren van leidingen


1 Isolatiematerialiaal leidingwerk (niet meegeleverd)
2 Flensmoererverbinding
3 Isolatie voor fitting (meegeleverd met de unit)
4 Isolatematerialiaal leidingwerk (hoofdunit)
5 Hoofdunit
6 Klem (levering door opdrachtgeber)
7 Midden 1 aflsuitplaten voor gasleidingwerk (met de unit meegeleverd) Midden 2 aflsuitplaten voor vloeistofleidingwerk (met de unit meegeleverd)
A Draai naden omhoog
B Beveslig aan de ondergrond
C Haal het onderdeel aan, behalve het isolatiematerialial van het leidingwerk
D Sla om vanaf de ondergrond van de unit waar de bovenkant van de flensmoerverbinding

Isoeleer ter plaatse de gemonteerde leidingen helemaal tot aan de leidingkoppelingen binnenin de unit.
Bloottiggend leidingwerk kan condensatie of brandwondenveroorzaken, wanner het wordt aangeraakt.
Waarschuwingen bij solderen
Zorg ervoor dat u bij het solderen met stikkstof blaast.
Solderen zonder gebruik van stiktof of stiktof in het leidingwerk vrijgeven veroorzaakt aan de binnenzijde van de leidingen groe hoeveelheden geoxideerde film die de kleppen en compressoren in het koelsystem negatif beinvloeden een normale werking belemmeren.
Bij het solderen, verwij stikstof in het leidingwerk worden vrijgeveven, moet de stikstof op 0,02 MPa worden ingesteld via een drukreduceerafsluiter (= net voldoende zDat het op de huid kan worden gevoeld).

1 Koelm middleleidingen
2 Te solderen deel
3 Kleefband
4 Handbediend ventiel
5 Drukregelaar
6 Stikstof
Het aanleggen van de afvoerleidingen
Installatie afvoerleidingen
Monteer het afvoerleidingwerk zoals op de afbeeling worden getoond en neem maatregelen gegen condensatie. Verkeerd aangelegd leidingwerk kan leiden tot lekkage en eventueel native meubels en eigendommen.

1 Ophangstaaf
Installer de afvoerleidingen.
- Houd de leidingen zo kort möglichk en LAST Zaar beneden afllopen met een helling van minstens 1/100 zodat er geen luckt in de leidingen kan blijven vastzitten.
- Houd het leidingformaat gelijk aan of groter dan de verbindingsleiding (vinylbuis met een nominale diameter van 25 mm en buitendiameter van 32 mm).
- Duw de meegeleverde afvoerslang zo ver möglichk over de afvoermof.

1 Afvoermof (bevestigd aan de unit)
2 Afvoerslang (meegeleverd met de unit)
- Span de metalen klem aan tot de schroefkop minder dan 4 mm van het metalen klemonderdeel is verwijderd, zoals getoond in de afbeelding.

1 Afvoermof (bevestigd aan de unit)
2 Afvoerslang (meegeleverd met de unit)
3 Metalen klem (meegeleverd met de unit)
4 Grote afslutplaat (meegeleverd met de unit)
5 Afvoerleidingen (niet meegeleverd)
- Wikkel de meegeleverde, große afluitplaat om de metalen klem en afvoerslang om deze te isoleren en bevestigdezemet klemmen.
- Isoeleer het volledige afvoerleidingwerk in het gebouw (niet meegeleverd).
- Als de afvoerslang Niet voldoende kan afhellen, bevestig dan een verhogende afvoerleiding op de slang (niet meegeleverd).
Hoe afvoerleidingwerk installeren
(Zie afbeelding 10)
1 Plafondtegel
2 Ophangbeugel
3 Verstelbaar bereik
4 Verhogende afvoerleiding
5 Afvoerslang (meegeleverd met de unit)
6 Metalen klem (meegeleverd met de unit)
1 Sluit de afvoerslang aan op de verhogende afvoerleidingen en isoleer.Deze.
2 Sluit de afvoerslang aan op de afvoeruitgang op de binnenunit en bevestig deze met de klem.
| Installatie A (mm) |
| Installatie achteraanzüging 231 |
| Wanner stoffen leiding is geinstalleerd 350-530 |
| Wanner luchtinlaatpaneel rechtstreeks is geinstalleerd | 231 |
Voorzorgsmaatregelen
- Installer de verhogende afvoerleidingen op een hoogte van ); minder dan 625 mm.
- Installer de verhogende afvoerleidingen in een rechte hoekten opzichte van de binnenunit en op Niet meer dan 300mm van de unit vandaan.
- Installer de afvoerslang waterpas of Licht omhoog gekanteld (≤ 75mm) om luchtbellen te voorkomen.
- De afvoerpomp die in deze unit is gemonteerd, heeft een hoge opvoerhoogte. Het kenmerk van deze pomp is dat hoe hoger de pomp is, des te lager het afvoergeluid worden. Om die reden worden een afvoerpomphoogte van 300 mm geadviseerd.
OPMERKING

De helling van de bevestigde afvoerslang dient 75~mm of minder te zich, zodate de afvoermof geen extra kracht dient te weerstaan.
Monteer ophangbeugels elke 1 tot 1,5 m om een afwaartse helling van 1:100 te verzekeren.
Bij het bundelen van meerde afvoerleidingen要去en de leidingen worden geinstalleerd, zoals afgebeeld in afbeelding 11. Selecteer samenlopende afvoerleidingen waarvan het kaliber geschikt is voor de bedrijfscapaciteit van de unit.
1 Samenlopende afvoerleidingen met T-verbinding
Afvoerleidingen testen
Controleer nadat het leidingwerk is voltooid, of het afvoeren vlot verloopt.
Voeg langzaam ongeveer 1 | water toe via de uitblaasopening. Controller op waterlekkages.
Methode om water toe te voegen. Zie afbeelding 8.
1 Waterinlaat
2 Draagbare pomp
3 Afdekking van waterinlaat
4 Emmer (water toevoegen via waterinlaat)
5Aflaatuitlaat voor onderhoud (met rubber aflaatplug)
6 Koelmiddelbuizen

Waarschuwing voor afvoermof
Verwijder de afaatleidingplug Niet. Er kan water lekken.
De aflaatuitlaat worden alleen gebruik om water af te voeren als de afvoerpomp Niet worden gebruikt of voor onderhoud. Plaats en verwijderd de aflaatplug voorzichtig. Te veel kracht kan de afvoermof van de lekbak verrormen.
De plug uittrekken

1Aflaatplug
Beweeg de plug Niet op en neer
De plug induwen

Plaats de plug en duw ze met behulp van een kruisschroevendraier
Voer eerst het elektrische bedrangsdwerk uit zoals voorgeschreven in "Elektrische bedrading aanleggen" op pagina 7 en de instelling van de afstandsbediening zoals uitgelegd in "Voorbeeld bedrading en het instellen van de afstandsbediening" op pagina 8.
Indien het elektrisch bedrangsdwerk is voltooid
Controleer afvoerstroomijdens het KOELEN, uitgelegd in "Proefdraaien" op pagina 12.
Indien het elektrisch bedrangswerk Niet is voltooid
Verwijder de het deksel van de schakelkast en sluit de enkelfasige voeding en de afstandsbediening aan op de klemmen. (Raadpleeg "Elektrische bedrading aanleggen" op pagina 7 voor het bevestigen/losmaken van de schakelkast.) (Zie afbeelding 12 en afbeelding 14)
1 Deksel van schakelkast
2 Opening transmissiebedrading
3 Opening bedrading elektrische voeding
4 Bedradingsschema
5 Schakelkast
6 Plastic klem
7 Bedrading voor afstandsbediening
8 Aansluitingenbord voor transmissiebedrading van de unit
9 Bedrading voeding
10 Printplaat 1 binnen
11 Aansluiingenbord elektrische voeding
12 Transmissiebedrading tussen units
13 Printplaat 2 binnen
14 Lange aldichting
15 Bedrading
Druk verwolgens op de toets inspectie/testbedrijf TEST OP de afstandsbediening. De unit zal de testfunctie starten. Druk op de toets selectie bedrijfsmodus selecteer de stand fan (ventilator).
Druk daarna op de aan/uit-toets de ventilator van de binnenunit en de afvoerpomp zullen worden opgestart. Controller of het water uit de unit is afgevoerd. Druk op om terug maar de eerste modus te gaan.
Elektrische bedrading aanleggen
- De bedrading terplaatse en de montage van de componenten要去en worden uitgevoerd door een erkend elektricien en in overeenstemming� met de geldende Europese en nationale reglementeringen.
Gebruik alleen koperdraad.
Volg het "Bedrangsschema" dat aan de unit is bevestigd om de buitenunit, binnenunits en de afstandsbediening te bedragen. Raadpleeg de "Montagehandleiding van de afstandsbediening" voor bijzonderheden over het koppelen van de afstandsbediening.
Laat de aanleg van de elektrische bedrading uitsluitend door erkende elektriciens uitvoeren.
Plaats de aardlekschakelaar en de zekering op de voedingslijn.
Een hoofschakelaar of een andere manier om te onderbreken, met een contactscheiding in alle polen, moet voorzien zijn in de vaste bedrading in overeenstemming met de toepasselijkke lokale en nationale wetgeving.
Let erop dat de werkung automatisch opnieuw start, als de hoofdvoeding worden uitgeschakeld en daarna weeer wordt ingeschakeld.
Raadpleeg de installmenthandleiding van de buitenunit voor informatie over de draaddijke van de stroomkabel maar de buitenunit, de capaciteit van de aardlekschakelaar en de zekering, en instructies voor het aanleggen van de bedrading.
Vergeetietomdeairconditionertearden.
Sluit de aardleiding nicht aan op:
- gasleidingen: dit leidt möglichk tot ontploffingen of brand als er gas lekt.
- aardingsleidingen van telefoons of bliksemafleiders: dit kan een abnormaal hoog elektrisch potentieel in de aarding veroorzakenijdens onweer.
- waterleidingen: geen aardingseffect als harde vinyleidingen worden gezrukt.
Zorg dat de aardkabel:tussen de trekontspanning en de klem langer is dan de andere draden.
Zorg ervoor dat de vorm van de stroomkabel en elke andere kabel eruit ziet zoals op deze afbeelding worden getoond, voordat deze in de unit worden binnengegaan.
Alle kabels die de unit binnenkomen要去en worden vastgemaakt met draadbinders (accessoire).
- Gebruike lange aufdichting (accessoire) om de ingang van des schakelkast te blokkeren zoals getoond in afbeelding 12.

Elektrische eigenschappen
| Model Hz Volt | Spannings-bereik | Elektrische voeding MCA MFA |
| 15 | 50/60 220-240/220 ±10% | | | 0,4 16 A |
| 20 0,4 | |
| 25 0,4 | |
| 32 0,4 | |
| 40 0,8 | |
| 50 0,8 | |
| 63 0,9 | |
| 80 1,0 | |
| 100 1,5 | |
| 125 2,0 | |
MCA: min. circuit amp (A)
MFA: max. zekering amp (A)
OPMERKING

Raadpleeg vooreer informatie het hoofdstuk
"Elektrische gegevens" in de technische specificaties.
Specifications voor op locatie aanwezige zekeringen en draden
| Bedrading voeding |
| Model | Lokale zekeringen | Draad Maat |
| 15~125 | 16 A | H05VV-U3G Lokale voorschriften |
| Model | Draad | Maat |
| 15~125 | Ommantelde draad (2) | 0,75-1,25 mm² |
OPMERKING

Voor informatatie, zie "Voorbeeld bedrading" op
pagina 9.
Toegelaten lengte transmissiebedradingCUSSENbinnen- en buitenunits en tousen de binnenuit en de afstandsbediening is als volgt:
- Buitenunit - binnenunit: max. 1000 m (length complete) bedrading: 2000 m)
- Binnenunit - afstandsbediening: max. 500 m
Voorbeeld bedrading en het instellen van de afstandsbediening
De bedrading aansluiten
Verwijder het deksel van de schakelkast zoals getoond in afbeelding 12 en kaak de aansluitingen.
1 Deksel van schakelkast
2 Bedrading voor lage spanningen in de schakelkast
3 Bedrading voor hoge spanningen in de schakelkast
4 Bedradingsschema
5 Schakelkast
Voorzorgsmaatregelen
-
Houd onderstaande richtlijnen aan bij het aansluiten van bedrading aan het aansluitingenbord van de elektrische voeding.
-
Gebruik een krimpachtige aansluitklem om de mof te isoleren voor aansluiting op de klemmenstrook voor het bedraden van de units. Volg onderstaande instructies, wanner er geen beschikbaar�.

1 Ronde sparklem
2 Bevestig de isolatiemof
3 Bedrading
- Sluit geen draden met een verschillende dikte aan op bezelfde voedingsklem. (Loszittende aansluitingen können oververhitting veroorzaken.)
- Sluit draden metdezelfde dikte aan volgens de afbeelding.



Gebruik de voorgeschreveen draad. Sluit de draad veilig aan op de terminal. Schroef de draad vast zonder overdreven krachtuit te oefenen op de terminal. Gebruik aanhaalmomenten volgens onderstaande tabel.
| Aanhaalmoment (N·m) |
| Klemmenstrook voor afstandsbedieling | 0,79~0,97 |
| Klemmenstrook voor voeding | 1,18~1,44 |
Zorg dat u geen draden beknelt bij het bevestigen van het deksel van de stuurkast.
- Als alle bedrading is aangesloten, vul dan de gaten in de bedradsingsopeningen van de behuizing op met stopverf of isolatiematerialiaal (meegeleverd met de unit) om te voorkomen dat Klein ongedierte of vuil van buitenaf in de unit terechtkomt en kortsluitingen in de stuurkast veroorzaakt.
- Sluit geen draden met een verschillende ditke aan opdezelfde aardingsklem. Een losse aansluiting kan de beschemming verzwakken.
- Afstandsbedieningskabels en verbindingsbekabeling:tussen de units moeten op een afstand van tenminste 50~mm van de bedrading elektrische voeding geplaatst worden. Wanner deze richtlijn Niet wordt opgevolgd, kan dit defecten veroorzaken als gevolg van elektrische storing.
- Voor de bedrading van de afstandsbediening, raadpleeg de "Installatiehandleiding van de afstandsbediening" die is meegeleverd met de afstandsbediening.
OPMERKING

De klant kan de thermistor van de afstandsbediening
selecteren.
- Sluit de voedingsbedrading nooit erder op het aansluitingenbord aan dan de transmissiebedrading. Doordezefout kan het complete system beschadigd raken.
- Gebruik alleen gespecifieerde draden en bevestig de draden stevig aan de aansluitklemmen. Wees waar bij voorzichtig dat de draden geen extra kracht op de aansluitklemmen uitoefenen. Leid de draden netjes en voorkom dat de draden in de weg zitten van andere apparatuur, bijvoorbeeld dat het deksel van de schakelkast Nieteer kan worden geopend. Zorg dat het deksel stevig sluit. Slechte aansluitingen hunnen oververhitting veroorzaken en, in het ergste geval, elektrische schok of brand.
Houd de totale stroom van kuisende bedrading tussen de binnenunits op minder dan 12 A. Tak de leiding buiten de klemmenstrook van de unit af in overeenstemming met de nomen voor elektrische apparatuur, wanner u twee stroomdraden gebruikt met een kaliber groter dan 2mm^2 (Ø1,6).
De aansluiting moet worden beschermd om een gelijke of hogere mate van isolatie te creeren als/dan de voedingsbedrading zich.
Voorbeeld bedrading
Bevestig de voedingsbedrading van elke unit met een schakelaar en zekering, zoals op afbeelding 16 worden getoond.
1 Elektrische voeding
2 Hoofdschakelaar
3 Bedrading voeding
4 Transmissiebedrading
5 Schakelaar
6 Zekering
7 BS unit allee REYQ
8 Binnenunit
9 Afstandsbediening
Voorbeeld compleet system (3 systemen)
Bij gelebruik van 1 afstandsbediening voor 1 binnenunit (Normaal bedrijf) (Zie afbeelding 15)
Voor groepsbediening of gebruik met 2 afstandsbedieningen (Zie afbeeling 17)
Bij het integregeren van een BS-unit (Zie afbeelding 13)
1 Buitenunit
2 Binnenunit
3 Afstandsbediening (optionele accessoires)
4 Meest stroomafwaartse binnenunit
5 Voor gebruik met 2 afstandsbedieningen
6 BS-unit
OPMERKING

Het is nicht nodig om een binnenunitadres toe te wijzen bij gebruik van de groepsbediening. Het adres worden automatisch ingesteld wanner de stroom worden aangezet.
Voorzorgsmaatregelen
- Er kan een enkele schakelaar worden gebruikt voor het voeden van de units op hetzelfde system. Schakelaars en stroomverbrekers voor aftakkingen要去en echter zorgvuldig worden geselecteerd.
- Gebruik bij een groepsbediening de afstandsbediening voor de binnenunit met de meeste möglichkheden.
- Alle transmissieleidingen met uitzondering van die van de afstandsbediening zijn gepolariseerd en要去en overeenkomen met het symbol op het klemmenbord.
- Sluit in het geval van groepsbediening de bedrading van de afstandsbediening aan op de hoofdunit wonneer de verschillende apparaten in de broep gelijktijdig moeten werken (bedrading van de hulpunit is Nietoodzakelijk).
- Sluit bij de bediening van het simultaan werkend systeme met 2 afstandsbedieningen, de bedrading aan op de hoofdunit (bedrading van de hulpunit is Nietoodzakelijk).
- Zorg ervoor dat u de bedrading aansluit op de hoofdunit bij combinatie met een simultaan werkend multimodel met groepsbediening.
- Sluit de aardingsdraad Niet aan op gas- of waterleidingen, bliksemafleiders of de aardedraad van een telefooinstallatie. Verkeerde aarding kan een elektrische schok tot geolg hebben.
Lokale instelling
De veldinstelling moet op afstandsbediening worden gedaan in functie van de installmentomstandigheden.
■ Instellingen können worden uitgevoerd door "Modusnr.", "Eerste codenr." en "Tweede codenr." te wijzigen.
Zie "Veldinstellenen" in de montagehandleiding van de afstandsbediening voor details over de instelling en werkig.
| Modus-nr.(opmer-king 1) | Eerste code-nr. | Beschrijving van instelling | Tweede codenr. (opmerking 2) |
| 01 02 03 04 | | |
| 10(20) | 0 | Filtervervuiling - em-stiglicht = instelling om deijd te definiè- renussen 2 dis- playaanduidingen voor filterreiniging.(Wanneer de vervui- ling ernstig is, kan de instelling maar de helt het van deijd wor- den gewijzigd tus- sen de 2 displaayaanduidin-gen voor filtrein- reining.) | Filter met extra lange levens- duur | Licht | ±10000 uren | Zoort 2500 uren | - | - |
| Filter met lange levens- duur | ±2500 uren | 300 uren |
| Staand daard filter | ±200 uren ± 00 | uren |
| 2 | Selectie thermostaatsensor | Gebruik zowel de unitisensor (of de externe sensor, indien gemonteerd) ALS de sensor van de afstands- bedielening. (Zie opmerdingen 5+6) | Gebruik alleen de unitisensor (of externe senor, indien gemonteerd). (Zie opmerdingen 5+6) | - |
| 3 | Instelling om deijd werk te givenussen 2 displayaandui- dingen voor filtreinreining | Schem Niet weergven — — | | |
| 6 | Thermostatensensor in de groepsbediening | Gebruik alleen de unitisensor (of externe sensor, indien gemonteerd). (Zie opmerding 6) | Gebruik zowel de unitisensor (of de externe senor, indien gemonteerd) ALS de sensor van de afstands- bedielening. (Zie opmerdingen 4+5+6) | - |
| 12(22) | 0 | Uitgangssignaal X1-X2 van de optonnele KRP1B printplaatkit | Thermostat- aan + compres-sor werkelt | - Bodioning Storing | |
| 1 | AANUIT-invoer vanaf buten (T1/T2-input) = Instelling wan- neer gedwongen AANUIT vanaf buten wordgetbrukt. | Gedwondenuit | AANUIT bedienling | - |
| 3 | Ventilatorinstelling tijds Ther-mostaat UIT bij verwarmings- bedrif | LL | Ingesteide snel-heid | UIT (Zie opmerding 3) | - |
| 4 | Differential automatische omschakeling | 0°C 1°C 2°C | | | 3°C (Zie opmer-king 7) |
| 5 | Automatisch opnieuw opstarten na stroomstoring | Uitgeschakenl | Ingeschakenl | - | |
| 9 | Vaste master koelen/verwarmen | Uitgeschakenl | Ingeschakenl | - | |
| 15(25) | 3 | Werking van afvoorpomp + bevochtigvergrendeling | Uitgerust | Niet uiterust | - | |
Opmerking 1: Instellung worden utgevoed in de groepismodus. Als het modusnummerussen te daaikjes worden geseleedt, kunnen binnenuits ook individuelen worden ingesteld.
Opmerking 2: Fabrieksinstellungen van de Tweede codern. hebben een grijze achtergrond.
Opmerking 3: Gebruik deze allein in combinatie met een opionele, externe sensor, of warneer instelling 10-2-03 word gezubliet.
Opmerking 4: Als de groepsbedenig is geselecterd en de sensor in de afstandsbedeniing dient te worden gebruikt, stel dan 10-6-02 & 10-2-03 in.
Opmerking 5: Als installing 10-6-02 + 10-2-01 to 10-2-02 of 10-2-03 tegelijkkortijd worden ingeseld, hebigtinstalling 10-2-01, 10-2-02 of 10-2-03 voorrang.
Opmerking 6: Als installing 10-6-01 + 10-2-01 of 10-2-02 of 10-2-03 tegelijktjcd worden ingesteld, dan heeft de installing voor de groepsverbinding, 10-6-01, voormang en voor individuèle aansluiting heb 10-2-01, 10-2-02 of 10-2-03 voorrang.
Opmerking 7 : Meer instellingen voor Differential automatische omschakeling van temperaturen zijn:
Tweede 0009.
05
06
07
6^ C
08 7°C
De instelling voor externe staatische druk kan op 2 manieren gebeuren:
Met behulp van de automatische luchtstroomaanpassingsfunctie
De automatische luchtstroomaanpassing betreft het volume vanuitblaaslucht dat automatisch is aangepast op de nominalehoeveelheid.
1 Zorg dat het proefdraaien gebeurt met een droge spoel.
Als de spelot Niet droog is,That de unit dan 2 uur alleen met de ventilator draaien om de spelot te drogen.
2 Controller of de voedingsbedrading maar de airconditioner en de installment van de leiding is voltooid.
Als een sluitdempo op de airconditioner is geinstalleerd, zorg dan dat alles open staat.
Controleer ook of de luchtfilter goed is bevestigd in de luchtdoorgang aan de luchtaanzuigzijde van de airconditioner.
3 Als er meer dan een luchtinlaat en -uitlaat is, pas de dampers dan zo aan dat het luchtdebiet van elke luchtinlaat en -uitlaat overeenstemt met het nominale luchtdebiet.
Zorg dat de airconditioner in ventilatormodus staat. Druk op knop voor aanpassing van de luchtstroom op de afstandsbediening om het luchtdebiet te veranderen maar H of L.
4 De automatische luchtstroomaanpassing instellen.
Wanner de airconditioner draait in ventilatormodus, voert u de volgende stappen UIT:
- stop de airconditioner,
- gaaar de lokale instellingsmodus,
- selecteer modusn. 21 (of 11 in geval van groepinstalling),
- stel het eerste codenr. in op "7",
- stel het tweeede codenr. in op "03"
Ga terug maar de normale bedieningsmodus na deze instellenen en druk op de AAN/UIT-knop. Het bedrijsflampje要去 branden en de airconditioner start de ventilatormodus voor automatische luchtstroomaanpassing.

Pas de dampers Niet aan verwijl de ventilator in bedrijf is voor automatische luchtstroomaanpassing.
Na 1 tot 8 minuten stopt de airconditioner automatisch wanneer de ventilatormodus voor automatische luchtstroomaanpassing is uitgevoerd en het bedrijsflampje gaat UIT.
| Modusnr. | Eerste codenr. | Tweede codenr. | Inhoud van de instellenen |
| 11 (21)7 | | 01 | Luchtstroomaanpassing is UIT |
| 02 | Voltooijng van luchtstroomaanpassing |
| 03 | Start van luchtstroomaanpassing |
5 Wanner de airconditioner is gestopt, controller dan op een binnenunit of het tweede codenr. van modusnr. 21 is ingesteld op "02".
Als de airconditioner Niet stopt met werken of het tweeede codenr. is Niet "02", herhaal stap 4.
Als de buitenunit Niet is ingeschakeld, geeft het display op de afstandsbediening "UH" of "UH" weeer (zie "Proefdraien" op pagina 12). U kunt deze functieECHter blijven instellen omdat deze berachten alleen van toepassing zichn op buitenunits.
Na het instellen van deze functie mag u niet vergeten de buitenunit in te schakelen voordat u de buitenunit LAST proefdraien.
Als er een andere foulmeling op het display van de afstandsbediening verschijnt, raadpleeg dan "Proefdraaien" op pagina 12 en de bedieningshandleiding van de buitenunit. Controller het defecte sunt.

■ Als de externe statische druk hoger is dan 100 Pa, dan mag de functie automatische luchtstroomaan-passing Niet worden gebrukt.
■ Als er niets verandert na luchtstroomaanpassing in de ventilatiebanen, moet u de instelling van de automatische luchtstroomaanpassing opnieuw uitvoeren.
Neem contact op met uw dealer als er niets verandert na het uitvoeren van de luchtstroomaanpassing in de ventilatiebanen, na het proofdraaien van de buitenunit of wanner de airconditioner maar een andere locatie worden verplaatst.
■ Als er boosterventilatoren, een buitenluchtverwerkingsunit of HRV via leiding worden gebruikt, mag de automatische luchtstroomaanpassing nicht worden bediend met een afstandsbediening.
■ Als de ventilatiebanen gewijzigd zijn, voer dan de instelling van de automatische luchtstroomaanpassing opnieuwuit zoals hierboven beschreiben vanaf stap 3.
Deafstandsbediening gebruiken
Controleer op een binnenunit of de tweede code van modusnr. 21 is ingesteld op "01" (= fabrieksinstelling). Wijzig de tweede code volgens de exterste statische druk van de leiding die moet worden aangesloten zoals getoond in tabel 2.
OPMERKING Het tweede codenr. is standard ingesteld op "01".

Tabel 2
| Modus nr. | 1e codenr. | 2e codenr. | Externe statische druk (Pa) |
| FXSQ |
| 15 | 20 | 25 | 32 | 40 | 50 | 63 | 80 | 100 | 125 |
| 13(23) | 6 | 01 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 40 | 40 | 50 | |
| 02 | - | - | - | - | - | - | - | - | - | - |
| 03 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | -- | | | |
| 04 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | - | | |
| 05 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | | |
| 06 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | | |
| 07 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | | |
| 08 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | | |
| 09 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | | |
| 10 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | |
| 11 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| 12 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | | |
| 13 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | |
| 14 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | |
| 15 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | |
Besturing met 2 afstandsbedieningen (besturing van 1 binnenunit met 2 afstandsbedieningen)
Bij Gebruik van 2 afstandsbedieningen dient een afstandsbediening te worden ingesteld op "HOOFD" en de andere op "HULP".
HOOFD/HULP-OMSCHAKELING
Steek een puntige schroevendraier op 2plaatsen in de sleuf tussen het onderste en het bovenste deel van de afstandsbediening en haal zo het bovenste deel van de afstandsbediening los. (Zie afbeelding 18) (De printplaat is in het bovenste gedeelte van de afstandsbediening bevestigd.)
Zet de hoofd-/hulpomschakelaar op de computerprintplaten van een van de afstandsbedieningen op "S". (Zie afbeelding 19) (Laat de schakelaar van de andere afstandsbediening op "M" staan.)
1 Computerprintplaat afstandsbediening
2 Fabrieksinstelling
3 Slechts een afstandsbediening moel worden gewijzigd
Computergesturde regeling (gedwonden UIT en AAN/ UIT-bediening)
1 Bedradingsspecificaties en het aanleggen van de bedrading
- Sluit de ingang van buitenaf aan op aansluitklemmen T1 en T2 van het aansluitbord (afstandsbediening maar transmissiebedrading).
| Bedradingsspecificatie | Ommantelde vinyldraad of kabel (2-draads) |
| Dikte | 0,75–1,25 mm² |
| Lengte | Max. 100 m |
| Exterme terminal | Contact dat de minimale toepasselijk belasting van 15 V DC, 10 mA kan garanderen |

2 Besturing
- De volgende tabel toont "Gedwongen uit" en "Aan/uitwerkingen" in reactie op invoer A.
| Gedwongen uit | Aan/uit-werking |
| Invoer "aan" stopt de werking | Invoer uit → aan: schakelt de unit in (onmogelijk met afstandsbedieningen) |
| Invoer "uit" activeert bediening | Invoer aan → uit: schakelt de unit uit (via afstandsbediening) |
3 Het selecteren van Gedwonden uit en Aan/uit- Werking
- Zet de stroom aan en selecteer verwolgens de bedrijfsmodus met de afstandsbediening.
- Stel de afstandsbediening in op de veldinstelling-modus. Zie voor bijzonderheden het hoofdstuk "Instellen in het veld" in de handleiding van de afstandsbediening.
- Wanner u in de veldinstellingsmodus bent, selecteer dan modusnr. 12. Stel verwolgens het eerste codenr. in op "1". Stel daarna het tweede codenr. (positie) in op "01" voor gedwonden uitschakenen en op "02" voor aan/uit-werking. (gedwonden uit bij fabrieksinstelling.) (Zie afbeeling 20)
1 Tweede codenr.
2 Modusnr.
3 Eerste codenr.
4 Lokale instelstand
Gecentraliseerde regeling
Het is voor gecentraliseerde regeling nodig om het groepsnr. toe te wijzen. Zie voor bijzonderheden de handleiding voor elke optionele regelaar voor gecentraliseerde regeling.
Het sierpaneel monteren
Raadpleeg de montagehandleiding op het sierpaneel.
Zorg er na montage van het sierpaneel voor dat er geen ruimte zitCUSen het unitlichaaam en het sierpaneel.
Proefdraien
Raadpleeg de montagehandleiding van de buitenunit.
De werkingsindicator op de afstandsbediening knippert, wanner er een fout optreedt. Controller de foultcode op het LCD om het probleem op te sporen.
| Storingscode | Betekenis |
| R&Storing | in stroomtoevoer maar binnenunit |
| C1 | TransmissiefoutCUSen printplaataansturingventilator enprintplaatbedieningbinnenunit |
| C6 | Onjuiste combinatie printplaataansturingventilator van debinnenunitof instellingsfoutin type printplaatbediening |
| U3Testbedrijf van de binnenunitis nicht voltooid |
Als een van de items in de volgende tabel op de afstandsbediening verschijnt, is er möglichk een probleem met de bedrading of stroomtoevoer. Controller in dat geval opnieuw de bedrading.
| Storingscode | Betekenis |
| A | Er is een kortsluiting bij de klemmen voor gedwongen uitschakeling (T1, T2) |
| U4 of U3 | - De stroom op de buitenunit staat uit
- De buitenuniterd word net bedraad voor stroomtoevoer
- Foutieve transmissiebedrading of bedrading gedwongenuitschakeling |
| geen aanduiding | - De stroom op de binnenunit staat uit
- De binnenuniterd word net bedraad voor stroomtoevoer
- Foutieve transmissiebedrading, bedrading gedwongenuitschakeling of bedrading van de afstandsbedieling |
Onderhoud

Voorzichtig
Het onderhoud mag alleen worden uitgevoerd door bevoegd servicepersoneel.
Alle voedingscircuits要去en zich onderbroken voordat u aan de klemmen begint te werken.
Gebruik geen water of lucht van 50^ ofmeer om deluchtfilters en buitenpanelen schoon te make.
Vergeet voor het schoonmaken van de warmtewisselaar Niet om de schakelkast, ventilatormotor, elektrische back-upverwarming en afvoerpomp te verwijdenen. De isolatie van de elektronische componenten kan door water of schoonmaakmiddel worden aangetast, waardoor deze componenten+knen dooordenbranden.
■ Als de hoofdvoedingijdens de werkung wordenuitgeschakeld za de unit automatisch herstarten nadat de voeding terug is ingeschakeld.
Schoonmaken van het luchtfilter
Reinig de luchtfilter als "TIJD OM de luchtfilter TE REINIGEN) op het scherm verschijnt.
Reinig de luchtfilter vaker als de unit is gemonteerd in een ruimte waar de lucht sterk verruild is.
Indien het vuil Nieteerereinigd kan worden,moet het luchtfilter worden verrangen. (Vervangfilters zich als optie verkrijngbaar).
1 Open het aanzuigrooster. (Alleen voor bodemaanzuiging).
Schuif bevde knoppen gelijktijdig zoals weergegeven en trek ze verzervolgens aan beneden.

Als er kettingen zijn, haak deze dan los.

2 Verwijder de luchtfilters.
Verwijder de luchtfilters door hun doek omhoog (achteraanzuiging) ofaar acheer (bodemaanzuiging) te trekken.


3 Maak de luchtfilter schoon.
Gebruik een stofzuiger (A) of was het luchtfilter met water (B).
(A) Reinigen met een stofzuiger
(B) Wasser met water


Gebruik een zachte borstel en een neutraal schoonmaakmiddel als de luchtfilter sterk verontreinigd is.
Schud het water af en laat het rooster drogen in de schaduw.
4 De luchtfilter vastmaken.

Lijn de twee ophangbeugels UIT en duw de twee klemmen op hun plaats (trek aan het doeik indien nodig).
Controller of de vier hangers vastzitten.
5 Sluit het luchtinlaatrooster. (Alleen voor bodemaanzuiging).
Ziepunt1.
6 Druk na het inschakenen van de voeding de TERUGSTELTOETS VOOR FILTERREINIGING in.
Het display "TIJD OM LUCHTFILTER TE REINIGEN" verdwijnt.
Schoonmaken van de luchtuitblaas en de buitenpanelen
Reinig ze met een zachte doek.
■ Als sommige vlekken moeilijk te verwijderen zich, gebruik dan water of een neutraal schoonmaakmiddel.
Reinig het luchtinaatrooster wonneer het gesloten is.
OPMERKING

Gebruik geen benzine, benzeen, verdunner, schuurpoeder of vloeijaar insecticide. Deze producten können de onderdelen verkleuren of verrormen.
Zorg ervoor dat de binnenunit Niet nat raakt. Zo Niet kan dit een elektrische schok of een brandveroorzaken.
Opstarten na een langeperiode van inactiviteit
Controleer de volgende punten:
■ Controller of de luchtinlaat en -uitlaat Niet+zijn geblokkeerd. Verwijder eventuele belemmeringen.
- Controller of de aarde is aangesloten.
Reinig het luchtfilter en de buitenpanelen.
Vergeetiet helt luchtfilter na het reinigen te bevestigen.
Zet de hoofdschakelaar aan.
Het scherm op de afstandsbediening worden getoond wanner de stroom worden aangezet.
■ Ter bescherming van de unit moet de hoofdschakelaar ten minste 6aar voordat het systeem in gebruik worden genommen worden aangezet.
Wat te doeen als het systeem voor langeijd stopt
Zet VENTILATOR een halve dag aan en LAST de unit drogen.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de buitenunit.
Zet de stroom UIT.
■ Wanner de hoofdschakelaar worden aangezet, worden er eenkleine hoeveelheid elektricitieit gebruikt, ook al is het systemeniet in bedrivf.
Het display op de afstandsbediening wordenuitgeschakeld wanner de hoofdvoedingssschakelaar wordenuitgeschakeld.
Vereisten voor verwijdering
Het ontmantelen van de unit, behandelen van het koelmiddel, olie en andere onderdelen moet gebeuren in overeenstemming met de relevante lokale en nationale wetgeving.
Bedradingsschema
:TER PLAATSE TE VOORZIENE BEDRADING BLK:ZWART PNK:ROZE
:CONNECTORBLU:BLAUWRED:ROOD
SWITCH BOX (INDOOR) Schakelkast (binnen)
TRANSMISSION WIRING Transmissiebedrading
CENTRAL REMOTE CONTROLLER Centrale afstandsbediening
INPUT FROM OUTSIDE Invoer van buitenaf
COMMON POWER SUPPLY Gemeenschappelijkke voeding
Epyaiee nAekpiKuv ouvoeuw 7
NapadeyuKa kalwioiogs KaipoTocpuBIOngs Tou TnExepiOtnpiou 8