SIME Estelle HE B4 INOX ErP - Ketel

Estelle HE B4 INOX ErP - Ketel SIME - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Estelle HE B4 INOX ErP SIME in PDF-formaat.

📄 108 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice SIME Estelle HE B4 INOX ErP - page 55

Gebruikersvragen over Estelle HE B4 INOX ErP SIME

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

L'email reste privé : il sert seulement à vous prévenir si quelqu'un répond à votre question.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Estelle HE B4 INOX ErP - SIME en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Estelle HE B4 INOX ErP van het merk SIME.

GEBRUIKSAANWIJZING Estelle HE B4 INOX ErP SIME

3 GEBRUIKSAANWIJZING EN ONDERHOUD

3.5 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN VOOR DE GEBRUIKER

NEDERLANDS CONFORMITEIT Het bedrijf verklaart dat de ketels murelle ESTELLE HE B4 INOX ErP voldoen aan de fundamentele eisen van de volgende richtlijnen: – Richtlijn Rendementseisen 92/42/EEG – Richtlijn ecologisch ontwerp 2009/125/EG – Voorschrift (UE) n. 813/2013 - 811/2013 – Richtlijn elektromagnetische compatibiliteit 2014/30/UE – Richtlijn Lage spanning 2014/35/UE De gieterij SIME SpA, met zetel in Via Garbo 27, 37045 Legnago (VR), Italië, verklaart dat de reeks toe- stellen ESTELLE HE B4 INOX ErP en de branders gemeld paragraaf 1.6.1 van de handleiding, conform is aan het gehomologeerde type en voldoet aan de eisen van het Koninklijk Besluit van 8/01/2004, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 17/07/2009 tot regeling van de stikstofoxides (NOX) en koolmonoxide (CO)- emissieniveaus voor de olie-en gasgestookte centrale verwarmingsketels en branders, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of lager dan 400 kW.54

De “Estelle HE B4 INOX ErP” gie- tijzeren condensatieketels voor verwarming en sanitaire zij wer- ken op stookolie met een perfect evenwichtige verbranding en het hoge rendement maakt een aan- zienlijke besparing in de werking- skosten mogelijk.

LEGENDE 1 Lichaam ketel 2 Waterpressostaat 3 Automatische ontluchtingsklep 4 Pomp installatie (niet meegeleverd) 5 Pomp boiler 6 Keerklep 7 Veiligheidsklep boiler 6 BAR (niet meegeleverd) 8 Magnesiumanode 9 Afvoerkraan boiler 10 Afvoerkraan ketel 11 Brander (niet meegeleverd) 12 Boiler 110 liter 13 Ontluchter 14 Veiligheidsklep ketel 3 BAR (niet meegeleverd) 15 Sanitarische expansievat 5 liter (niet meegeleverd) 16 Hydrometer (niet meegeleverd) 17 Roestvrij stalen condensor 18 Sifon condensafvoer M Toevoerleiding C.V R Retourleiding C.V. U Aftvoer S.W.W. E Aanvoer S.K.W C Terug S.W.W.

ESTELLE HE B4 INOX ErP Thermisch vermogen (80-60 °C) kW 33,0 Thermisch vermogen (50-30 °C) kW 35,5 Thermische doorstroomhoeveelheid kW 34,8 Klasse seizoensgebonden energie-efficiëntie verwarming A Seizoensgebonden energie-efficiëntie verwarming % 93 Verklaard profiel sanitair vulwater XL Energie-efficiëntie sanitair water % 67 PIN n° 1312CR193R Type B23P - C23P Elementen n° 4 Maximale bedrijfsdruk bar (kPa) 4 (392) Waterinhoud l 24,5 Belastingsverlies rookgaszijde mbar (kPa) 0,2 (0,020) Schoorsteenonderdruk mbar (kPa) 0,2 (0,020) Temperatuur rookgassen (80-60 °C) °C 73 Temperatuur rookgassen (50-30 °C) °C 30 Doorstroomhoeveelheid rookgassen m

CO2 % 12,5 Regelingsveld verwarming °C 45÷85 Sanitarisch regelingsveld °C 30÷60 Productie sanitarisch water Waterinhoud boiler l 110 Recuperatietijd EN 625 l/min 21 Recuperatietijd ∆t 30°C l/h 720 Recuperatietijd da 25°C a 55°C min 12 Maximum druk sanitarisch water bar (kPa) 7 (686) Gewicht kg 2201.5 VERBRANDINGSKAMER (Afb. 3) De verbrandingskamer is van het type met rechtstreekse doorlaat en voldoet aan de norm EN 303-3 bijla- ge E. De afmetingen staan aangege- ven op afb. 3.

1.6 VERENIGBARE BRANDERS

EN 267 Over het algemeen wordt geadvi- seerd om ervoor te zorgen dat de stookoliebrander die met de ketel gecombineerd kan worden voorzien is van inspuitstukken met sproeiers van het halfvolle type. In punt 1.6.1 welke met de ketels getest zijn. LET OP: Ketels met Pn › 70kW: Het is mogelijk branders te gebruiken die niet op de lijst staan naar die dezelfde eigen- schappen hebben, op voorwaarde dat ze voldoen aan de technische refe- rentienormen en geschikt zijn voor het werk. Ketels met Pn ‹ 70kW: Het is mogelijk branders te gebruiken die niet op de lijst staan naar die dezelfde eigen- schappen hebben, op voorwaarde dat ze voldoen aan de technische refe- rentienormen. Bij de keuze van de brander moet erop gelet worden dat het geabsor- beerd elektrisch vermogen max. 30% bedraagt van de last en in stand-by gelijk is aan of minder is dan de waar- den aangegeven in BIJLAGE AA.1.

1.6.2 Montage van de brander

(Afb. 3/a) De keteldeur is reeds voorzien voor de montage van de brander (Afb. 3/a). De branders moeten zodanig wor- den afgesteld dat de CO2 overe- enstemt met de waarde die in punt 1.3 staat aangegeven met een tolerantie van ± 5%.

Rond˜/Estelle B5 Afb. 4 OPMERKING: De drukverliezen van het diagram zijn verkregen bij t 10°C

1.6.1 Brander met permanente toevoer

LEGENDE 1 Bedieningspaneel 2 Ontluchtingsklep 3 Aansluitstomp van 1” 4 Mantel sonde 5 Lichaam ketel 6 Pomp boiler 7 Keerklep 8 Automatische ontluchtingsklep 9 Waterpressostaat 10 Boiler 110 liter58

2.1 VERWARMINGSRUIMTE

De verwarmingsruimte dient te vol- doen aan alle eisen en normen voor verwarmingsinstallaties die op vloei- bare brandstoffen werken.

2.2 AFMETINGEN VAN DE

VERWARMINGSRUIMTE Zet het verwarmingslichaam op een speciaal onderstel met een hoogte van minimaal 10 cm. De ondergron- den waarop het lichaam steunt dienen een afvoer mogelijk maken; hiervoor dienen zo mogelijk ijzeren platen te worden gebruikt. Tussen de wanden van de verwarmingsruimte en de ketel dient een ruimte vrij te worden gela- ten van ten minste 0,60 m. Tussen de bovenkant van de ketel en het plafond dient ten minste 1 m te zitten. Voor ketels met een ingebouwde boiler kan deze afstand worden verlaagd tot 0,50 m (de hoogte van de verwarmings- ruimte mag hoe dan ook niet lager zijn dan 2,5 m).

2.3 DE INSTALLATIE AANSLUI

TEN Vóór u de hydraulische leidingen aan- sluit, moet u controleren of de aanwij- zingen van fig. 1 strikt zijn opgevolgd. Aangezien deze aansluitingen gemak- kelijk moeten kunnen worden gede- monteerd gebruikt u bij voorkeur driedelige roterende koppelingen. De installatie moet van het type zijn met een dicht expansievat. OPGELET: De installatie van een by-pass of een stromingsscha- kelaar (niet meegeleverd) is ver- plicht bij installaties in systemen met thermostatische kleppen of gemotoriseerde tweewegkleppen. Het minimale debiet van het systeem, dat gegarandeerd moet zijn, mag niet lager zijn dan hieronder aangegeven. Minimaal systeemdebiet 850 (l/u) met ∆T = 35 ° C

2.3.1 Aanbevolen accessoires

(Afb. 2) Teneinde een juiste werking van de ketel te garanderen is het noodza- kelijk plaatsen een voor 3 bar geijkte veiligheidsklep (14) en een waterme- ter voor de controle van de druk van de installatie (16). Daarnaast dient een voor 6 bar geijkte veiligheidsklep (7) te worden geïnstalleerd op de koud water-aftvoer van de boiler ter voor- koming van het risico van breuk ten- gevolge van een incidenteel verhoogde overdruk. Voor het geval de veilig- heidsklep opengaat, wordt meesta- laangeraden om in het warm water- circuit een expansievat (15) van 5 liter te plaatsen met een maximale druk van 8 bar. Het expansievat dient te zijn voorzien van een rubberen wand zoals voor voedingswaren wordt gebruikt. De verwarmingspomp (4) kan in plaats van de aansluitstomp van 1” geïnstal- leerd worden pos. 3 fig. 4/a. OPGEPAST: Het is verplicht een by- pass of debietregelaar (niet mee- geleverd) te monteren in geval van installaties met thermostaatkleppen of gemotoriseerd tweewegskleppen.

2.3.2 De installatie vullen

Alvorens de ketel aan te sluiten is het goed om water door de leidingen van de installatie te laten stromen om eventuele spaanresten en andere afvalresten, die de goede werking van de installatie kunnen hinderen, te verwijderen. Het vullen van de installatie moet langzaam gebeuren, zodat de lucht kan ontsnappen. Bij de installaties met een gesloten circuit mag de voor- druk van het expansievat niet min- der dan de statisch manometrische hoogte van de installatie bedragen (bijv. voor 5 m waterhoogte mag de voordruk van het expansievat en de laaddruk van de koude installatie niet minder dan de minimumdruk van 0,5 bar bedragen).

2.3.3 Productie van warm water

In de warm water-stand blijft de laad- pomp van de boiler in werking totdat het warme water de met de aquastaat van de boiler ingestelde temperatuur heeft bereikt. Wanneer de pomp van de boiler is gestopt, kan de pomp van de verwarmingsinstallatie wor- den aangezet (deze is overigens niet meegeleverd), op voorwaarde dat de zomer/winter schakelaar op de WINTER stand staat en dat de kamer- thermostaat warmte vraagt. De ketel kan de gewenste hoeveel- heid warm water alleen produceren als alle lucht in de slang is afgevoerd wanneer hij voor het eerst wordt aangezet. Om deze handeling te ver- eenvoudigen dient men de terugslag- klep (6 fig. 2) open te zetten door de schroef in horizontale stand te zet- ten. Zet de schroef in de oorspronke- lijke stand terug wanneer het afvoe- ren is voltooid. De bereiding van het sanitaire warme water wordt gewaarborgd door een boiler van ROESTVAST STAAL AISI 316L, met een speciale spiraalvormige warmtewisselaar van roestvast staal, die voorzien is van een magnesium- anode ter bescherming van de boiler en een inspectieflens voor de controle en de reiniging.

2.3.4 Kenmerken van het

ketelvoedingswater Om de vorming van ketelsteen ten gevolge van kalkafzetting en bescha- digingen aan de warmtewisselaar van het sanitaire water te voorkomen mag het leidingwater geen hogere hardheidsgraad hebben dan 20°F. In ieder geval is het verstandig om de kenmerken van het water dat gebruikt wordt te controleren en deugdelijke waterontharders te installeren. Om de vorming van ketelste- en of kalkafzetting in de primaire warmtewisselaar te voorkomen moet ook het leidingwater dat voor de verwarmingsinstallatie gebruikt wordt in overeenstemming met de norm UNI-CTI 8065 onthard worden. Het is absoluut noodzakelijk behandeld wa- ter te gebruiken in de verwarmingsin- stallatie in de volgende gevallen: – Grote installaties (grote waterin- houd). – Frequente watertoevoer, integratie van installaties. – Als de installatie geheel of gedeel- telijk moet worden geleegd.

2.4 AANSLUITING OP HET

ROOKKANAAL Het rookkanaal is van groot belang voor de goede werking van de installatie. Wanneer dit niet volgens de juiste cri- teria is uitgevoerd kunnen er namelijk storingen in de werking van de bran- der optreden, kan de geluidsoverlast toenemen en kunnen er roet, condens en afzettingen worden gevormd. Het rookkanaal moet beantwoorden aan de onderstaande vereisten; hij dient in het bijzonder: – van luchtdicht materiaal te zijn gemaakt en bestand te zijn tegen de temperatuur van rook en condens;

voldoende mechanische weerstand te kunnen bieden en een gering warm- tegeleidingsvermogen te hebben; – volledig dicht te zijn om te voorko- men dat het rookkanaal afkoelt; – zo veel mogelijk een verticaal verloop te hebben en aan het uiteinde dient een statische afzuiger te zijn voorzien die voor een efficiënte en constante afvoer van de verbrandingsproducten 2 INSTALLATIE59 zorgt; – de diameter van het rookkanaal dient niet kleiner te zijn dan die van de ketelaansluiting;

moet de correcte afmetingen heb- ben om te voldoen aan de vereisten voor de trek/verwijdering van de rookgassen, wat nodig is voor de reguliere werking van het product (EN13384-1); - er dient in het lage deel van de schoorsteen gezorgd te worden voor een specifiek systeem voor de condensafvoer; - voor de aansluiting op de schoorste- en is het verplicht gebruik te maken van onbuigzame leidingen, die bestand zijn tegen de temperatuur, condens, mechanische krachten, die afgedicht en geïsoleerd zijn. Gebruik materialen die geschikt zijn voor het doel, zoals bijvoorbeeld roestvrij staal.

2.5 Aansluiting van de

condensaatafvoer (Afb. 5) Om het condensaat op te vangen moet de lekbak, die van een hevel voorzien is, op de afvoer in de woning aangeslo- ten worden waarbij een pijp gebruikt (ø 25) moet worden met een minimum afschot van 5 mm per meter. Alleen plastic pijpen voor normale woningafvoeren zijn geschikt om het condensaat naar de afvoer in de woning te leiden.

2.6 ELEKTRISCHE AANSLUITING

(Afb. 5/a) De ketel is voorzien van een stroom- snoer en dient te worden gevoed met een eenfasige spanning van 230V - 50Hz met behulp van een door zeke- ringen beveiligde hoofdschakelaar. De kamerthermostaat (die niet wordt meegeleverd) die noodzakelijk is voor het verkrijgen van een betere tem- peratuurregeling, dient te worden aangesloten zoals aangeduid op de schema’s (Afb. 5) en nadat de oor- spronkelijke brug is verwijderd. Sluit vervolgens de bijgeleverde voedings- kabel van de brander en van de circu- latiepomp van de installatie aan. OPMERKINGEN: Het toestel moet op een deugdelijk geaard stopcontact aangesloten worden. De fabrikant wijst alle aansprakelijkheid af voor ongevallen die het gevolg zijn van het niet aarden van de ketel. Alvorens welke werkzaamheden dan ook aan het elektrische schakelpaneel uit te voeren moet eerst de elektrische stroomtoevoer uitgeschakeld wor- den. Afb. 5/a

TS Beveiligingsthermostaat EI Zomer/winter-schakelaar TA Kamerthermostaat TB Boilerthermostaat TC Verwarmingsthermostaat TL Begrenzingsthermostaat IG Hoofdschakelaar PB Pomp boiler PI Pomp CV B1 Brander met permanente toevoer SIME (optie) B2 Brander met rechtstreekse toevoer (niet meegeleverd) R/R2 Relais SA Controlelampje aanwezigheid spanning SPA Controlelampje waterpressostaat PA Waterpressostaat OP Programmeerklok (optie) TM Minimum thermostaat OPMERKINGEN: Verwijder bij het aansluiten van de kamerthermostaat (TA) de brug tussen de klemmen 20-21. Verwijder bij het aansluiten van de programmeerk- lok (OP) de brug tussen de klemmen 30-31. LEGENDE 1 Afvoerslang 2 Sifon Afb. 5

Indien met de ketel voor de eerste maal opstart raden wij aan volgende punten na te kijken: – is er water in de installatie en is deze goed ontlucht; – zijn de kranen open; – is de afvoerleiding van de verbran- dingsgassen vrij; – zijn de elektrische aansluitingen op de aarding correct uitgevoerd; – bevinden er zich geen brandbare vloeistoffen of materialen in de nabijheid van de ketel; – Nagaan dat de circulatiepomp niet geblokkerd is.

3.2.1 Inbedrijfstelling

van de ketel (Afb. 6) Ga als volgt te werk om de ketel in werking te stellen: – de ketel onder spanning zetten door gebruik te maken van de hoofdschakelaar (1). Als de groe- ne LED aangaat betekent dat dat het apparaat (3) van stroom wordt voorzien. De brander gaat aan; – zet de aquastaat van de boiler (7) op de gewenste temperatuur. De laadpomp blijft net zo lang draaien totdat het warme water de gewenste temperatuur heeft bereikt. Tijdens de productie van warm water wordt de temperatuur van de ketel automatisch op 80° C gehouden door de aquastaat- begrenzer die in het instrumen- tenbord is ingebouwd. – wanneer de productie van warm water is voltooid en de schakelaar (2) op de ZOMER stand staat, gaan de brander en de laadpomp uit. De brander wordt door de

3 GEBRUIKSAANWIJZING EN ONDERHOUD

Afb. 6 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN

Wanneer het toestel defect is en/of niet goed werkt, moet men het uitschake- len en niet proberen om te repareren of een rechtstreekse interventie uit te voeren. Wendt u uitsluitend tot gekwalificeerd technisch personeel. – Om veiligheidsredenen kan de gebruiker geen toegang krijgen tot de interne on- derdelen van het apparaat. Alle handelingen die de verwijdering van beschermin- gen beogen, of hoe dan ook toegang tot gevaarlijke onderdelen van het apparaat, moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. – Het apparaat kan gebruikt worden door kinderen die ouder zijn dan 8 jaar en door mensen met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke capaciteiten, of zonder ervaring of de benodigde kennis, op voorwaarde dat zij onder toezicht staan of instructies ontvangen hebben over het veilige gebruik van het apparaat en de daaraan inherente gevaren begrijpen. Kinderen mogen niet met het appa- raat spelen. De reiniging en het onderhoud dat door de gebruiker uitgevoerd moet worden, mag niet door kinderen zonder toezicht uitgevoerd worden.61 aquastaat van de ketel op de gewenste temperatuur gehou- den; met de schakelaar (2) in de WINTER stand zal de start van de laadpomp van de installatie wor- den aangestuurd door de kamer- thermostaat. In dit geval zal de brander onder controle van de thermostaat van de verwarmings- ketel (8) functioneren op de door de gebruiker ingestelde tempera- tuur; – om een optimale functionering van de verwarmingsketel te garande- ren en eventuele condensvorming te voorkomen, wordt aangeraden de knop van de thermostaat van de verwarmingsketel (8) op een temperatuur van tenminste 60°C te zetten. De ingestelde temperatuurwaarde kan aan de hand van de thermo- meter (5) worden gecontroleerd.

3.2.2 Veiligheidsaquastaat (Afb. 6)

Zodra de temperatuur in de ketel boven de 95°C stijgt schakelt de vei- ligheidsaquastaat, die een handma- tige resetfunctie heeft (4), in waar- door de brander onmiddellijk dooft. Om de ketel weer in werking te stel- len moet u het zwarte kapje eraf schroeven en moet u op het knopje dat zich daaronder bevindt drukken. Als dit verschijnsel zich vaak voor- doet dan moet u een erkende vak- man inschakelen om de ketel na te laten kijken.

3.2.3 De installatie vullen (Afb. 6)

Als het oranje lampje (9) vanwege in- schakeling van de waterpressostaat gaat branden waardoor de werking van de brander geblokkeerd wordt moet de werking hersteld worden door de druk van de installatie weer op 1-1,2 bar terug te brengen. De druk van de installatie wordt op de watermeter die op de toevoerpijp van de verwarming gemonteerd is gecontroleerd (16 Afb. 2).

3.2.4 De ketel uitschakelen

(Afb. 6) Om de ketel uit te schakelen moet u de stroomtoevoer uitschakelen door op de hoofdschakelaar (1) te druk- ken. Draai de brandstofkranen en de waterkraan van de verwarmingsin- stallatie dicht als de ketel geruime tijd niet gebruikt wordt.

3.3 SEIZOENREINIGING

Het onderhoud aan de generator moet één keer per jaar uitgevoerd worden, waarbij een beroep gedaan moet worden op de erkende techni- sche dienst. Alvorens met de reini- gings- of onderhoudswerkzaamhe- den te beginnen moet het apparaat eerst losgekoppeld worden van het elektriciteitsnet.

van de ketel (Afb. 7) Om de rookgasdoorvoeren te rei- nigen moeten de schroeven waar- mee de deur aan het ketellichaam bevestigd is verwijderd worden en moeten de binnen-oppervlakken en de rookgasafvoerpijp met een spe- RONDO' 3/4 OF ESTELLE 3/4 OF RONDO' 5/6 OF ESTELLE 5/6 OF Afb. 7 Afb. 862 ciale borstel goed gereinigd worden en moeten alle resten verwijderd worden. Na het onderhoud moeten de ver- wijderde rookgasdoorvoeren weer op de originele plaats teruggebracht worden.

3.3.2 Beschermingsanode

van de boiler (Afb. 8) Magnesiumanode dient vaak te worden gecontroleerd en zo nodig te worden vervangen. Om bij de anode te kunnen komen moet de inspectieflens voor de con- trole en de reiniging verwijderd wor- den.

3.3.3 Demontage van de mantel

(Afb. 9) Om de ketel makkelijk te kunnen onderhouden kan de mantel volledig gedemonteerd worden waarbij u de numerieke volgorde die op afb. 9.

3.3.4 Storingen in de werking

Hieronder worden enkele oorza- ken en de mogelijke oplossingen opgesomd van een aantal storingen die eventueel kunnen optreden en die aanleiding kunnen geven tot het niet of niet goed functioneren van de ketel. Een storing in de wer- king zorgt er in de meeste gevallen voor dat het waarschuwingslamp- je van de besturings- en contro- leautomaat dat op een blokkering duidt, gaat branden. Als dit waar- schuwingslampje gaat branden, kan de brander pas weer functioneren nadat de ontgrendelknop volledig ingedrukt is; als u dit gedaan heeft en de normale ontsteking weer plaatsvindt, kan de blokkering van de brander aan een onschuldige sto- ring van voorbijgaande aard worden toegeschreven. Als de blokkering daarentegen voortduurt dan moet de oorzaak van de storing vastgesteld worden en de hieronder vermelde oplossingen toegepast worden: De brander gaat niet branden. – Controleer de elektrische aanslui- tingen. – Controleer of de brandstof goed wordt toegevoerd, of de filters en het inspuitstuk schoon zijn en of de leiding is ontlucht. – Controleer of de ontstekingsvon- ken goed gevormd worden en of de branderautomaat goed functi- oneert. De brander gaat goed branden maar gaat meteen daarna uit. – Controleer de waarneming van de vlam, de instelling van de lucht en de werking van de branderauto- maat. De brander is moeilijk te regelen en/of levert geen rendement. – Controleer of de brandstof goed wordt toegevoerd, of de ketel schoon is, of de rookgasafvoerlei- ding niet verstopt is, het werkelij- ke door de brander geleverde ver- mogen en of de brander schoon is (stof). De ketel wordt gauw vuil. – Controleer de afstelling van de brander (analyse van de rookgas- sen), de kwaliteit van de brand- stof, de mate van verstopping van de schoorsteen en of de lucht- doorlaat van de brander schoon is (stof). De ketel komt niet op temperatuur. – Controleer of het ketellichaam schoon is, controleer de combi- natie, de afstelling, de prestaties van de brander, de van te voren afgestelde temperatuur, de goede werking en de plaats van de regel- thermostaat. – Verzeker u ervan dat het vermo- gen van de ketel voldoende is met het oog op de installatie. Er is een geur van onverbrande gas- sen. – Controleer of het ketellichaam en de rookgasafvoer schoon zijn en of de ketel en de afvoerlei- dingen (deurtje, verbrandingska- mer, rookgasleiding, rookkanaal, afdichtingen) hermetisch afgeslo- ten zijn.

Controleer of de verbranding goed is. De veiligheidsklep van de ketel schakelt vaak in. – Controleer of er lucht in de instal- latie zit en controleer de werking van de circulatiepomp(en). – Controleer de voorlaaddruk van de installatie, de efficiëntie van het expansievat/de expansievaten en de inregeling van de klep zelf.

In geval van vorst moet u zich ervan vergewissen dat de verwarmingsin- stallatie in werking blijft en dat de vertrekken alsmede de plaats waar de ketel geïnstalleerd is voldoende verwarmd zijn; als dit niet het geval is moeten zowel de ketel als de installatie volledig geleegd worden. Om de ketel en de installatie volledig te legen moet ook de inhoud van de boiler en de verwarmingsspiraal van de boiler afgevoerd worden.

AANWIJZINGEN VOOR DE GEBRUIKER Het is verplicht dat de speciale voe- dingskabel alleen wordt vervangen door een reservekabel die is besteld en aangesloten door professioneel gekwalificeerd personeel. OPGEPAST: Vooraleer interventies op de ketel uit te voeren, moet men controleren of de ketel en haar onderdelen afgekoeld zijn om gevaar van brandwonden te wijten aan de hoge temperaturen te voor- komen.

(2012/19/UE) Alshetapparaathetein- devanzijnlevensduur- heeftbereikt, DIENT

WORDEN VERNIETIGD volgens de geldende wettelijke voorschriften. ETMAGNIETWORDEN VERNIETIGD samenmethuishoudelijkafval. Hetkaningeleverdwordenbijeen- puntvoorge-scheidenafvalverwer- king of bij een hande-laar die derge- lijke diensten levert. Gescheidenvernietigingvoorkomte- ventueleschadeaanhetmilieuo- fuwgezondheid. Boven-dienkunnen- zomaterialenwordengerecy-cleerd, wat leidt tot een aanzienlijke bespa- ring van grondstoffen en energie.

3.7 POMP BOILER (Afb. 10)

Druk kort (circa 1 seconde) op toets (4) om de werkmodus van de pomp te selecteren. De betreffende leds geven iedere keer de afstelmodus (2) en de ingestelde karakteristieke curven (3) aan. Bij punt 3.7.4 staan de mogelijke combinaties en de betekenis daar- van. Wanneer LED (1) een defect aangeeft, stopt de pomp en pro- beert herstartcyclussen uit te voe- ren. Als de storing verholpen is, gaat de pomp automatisch opnieuw van start.

3.7.1 Ontluchting van de pomp

De ontluchtingsfunctie van de pomp wordt actief door lang (3 seconden) op toets (4) te drukken waarna de ontluchting automatisch plaatsvindt.

3.7.2 Fabrieksinstellingen

De fabrieksinstelling wordt geacti- veerd door op toets (4) te drukken en die ingedrukt te houden en de pomp te deactiveren. Door de pomp te herstarten, zal hij werken met de fabrieksinstellingen (leverstatus).

3.7.3 Handmatige herstart

Wanneer een blokkering gedetec- teerd wordt, probeert de pomp auto- matisch te herstarten. Als de pomp niet herstart wordt, activeer dan de handmatige herstart door lang (5 seconden) op toets (4) te drukken en die vervolgens los te laten. De her- startfunctie zal maximaal 10 minu- ten geactiveerd zijn. Na de herstart toont de aanduiding van de leds de eerder ingestelde waarden. Als de storing niet wordt verholpen, moet de pomp vervangen worden.

3.7.5 Eventuele storingen, oorzaken en mogelijke oplossingen van de pomp

  • Door 9 keer op de toets te drukken, wordt de basisinstelling hersteld (constant toerental / karakteristiekcurve III). LED-aanduiding Regelmodus Karakteristie- kcurve

III Variabeldrukverschil Δp-v(I, II, III)Aanbevolen in geval van verwarmingssystemen met dubbele aanvoer met radiatoren, voor de beperking van de stromingsgeluiden op de thermostatische kleppen.De pomp halveert de opvoerhoogte in geval van afname van het debiet in het leidingennet.Er wordt energie bespaard dankzij de aanpassing van de opvoerhoogte op grond van het afgenomen benodigde debiet en de stromingssnelheid.Drie voorgeprogrammeerde karakteristiekcurven (I, II, III) waaruit gekozen kan worden. Variabeldrukverschil Δp-c(I, II, III)Aanbevolen in geval van stralingspanelen of leidingen van grote afmetingen en voor alle toepassingen die geen variabele karakteristiekcurven van de installatie hebben(zoals bijv. laadpompen boilers) en verwarmingsinstallaties met enkele aanvoer met radiatoren.De afstelling handhaaft de ingestelde opvoerhoogte onafhankelijk van het verplaatste debiet.Drie voorgeprogrammeerde karakteristiekcurven (I, II, III) waaruit gekozen kan worden. Constant toerental (I, II, III)Aanbevolen voor de installaties met stabiele weerstand die een constant debiet vereisen.De pomp werkt in drie stadia die met vaste, voorgeprogrammeerde toerentallen overeenkomen (I, II, III).

3.7.4 Instelling van de werkmodus van de pomp

Kleur LED Eventuele storing Oorzaak Mogelijke oplossing Rood-Groen knipperend Werking turbine Het hydraulische systeem van de pomp wordt gevoed maar de pomp heeft geen netspanning - Controleer de netspanning Droge werking Lucht in de pomp - Controleer de afwezigheid van lekken in de installatie Overbelasting De motor draait moeizaam. Het aantal toeren is lager ten opzichte van de gewone werking - Controleer de netspanning - Controleer het debiet/de druk van de installatie - Controleer de kenmerken van het water van de installatie; reinig de installatie door puin weg te nemen Rood knipperend Onder-/overbelasting Te lage/hoge voedingsspanning - Controleer de netspanning Overmatige temperatuur Overmatige temperatuur binnenin de pomp - Controleer het temperatuurniveau van het water in verhouding tot het niveau van de omgevingstemperatuur. - Controleer de netspanning - Controleer de omgevingsvoorwaarden voor de werking Kortsluiting Stroom van de motor te hoog - Controleer de netspanning Rood brandt permanent Stilstand wegens “permanente blokkering” Rotor geblokkeerd - Activeer de handmatige herstart

Defect van de elektronische kaart en/of de motor

0,002 kW 0,188 kWh 93 % 88,9 % 98,4 % 0,038kW 0kW --mg/kWh 67 % 30,424kWh Informatie die meegedeeld moet worden voor ruimteverwarming en gemengde ketels :nelledoM Ketel met rookgascondensor: Ketel met lage temperatuur: Ketel van het type B11: Warmtekrachtkoppelingstoestel voor ruimteverwarming:

Uitgerust met een bijkomend verwamingstoestel:

Energie-efficiëntie ruimteverwarming

Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels: bruikbaar thermisch vermogen Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels: bruikbare efficiëntie Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime

Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime (*)

Bij 30% van het nominaal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime

Bij 30% van het nominaal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime (*)

ngitsaleb ellov teM max Warmteverlies tijdens stand-by Met gedeeltelijke belasting el min Energieverbruik van de ontstekingsbrander Pign xONtootstiu-xoN BSPyb-dnats nI Voor gemengde verwarmingstoestellen: Verklaard capaciteitsprofiel

Energie-efficiëntie waterverwarming

Dagelijks energieverbruik snevegegtcatnoC a. Hoge-temperatuurregime: terugkeertemperatuur van 60°C aan de ingang en een gebruikstemperatuur van 80°C aan de uitgang van het toestel. b. Lage temperatuur: terugkeertemperatuur (aan de ingang van de ketel) voor ketels met rookgascondensor 30°C, voor lage-temperatuurketels 37°C en voor de andere ketels 50°C. (*) De gegevens met betrekking tot het rendement wordt berekent met verbrandingswaarde Hs.

30,424 kWh Qfuel Dagelijks brandstofverbruik Qelec ESTELLE HE B4 INOX ErP Yes

Handleidingassistent
Powered by Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : SIME

Model : Estelle HE B4 INOX ErP

Categorie : Ketel