TS 142L - Tractor HUSQVARNA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis TS 142L HUSQVARNA in PDF-formaat.

📄 260 pagina's PDF ⬇️ Nederlands NL 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs 🖨️ Afdrukken
Notice HUSQVARNA TS 142L - page 87
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Español ES Italiano IT Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : HUSQVARNA

Model : TS 142L

Categorie : Tractor

Kenmerken Details
Producttype Tuintractor
Motorisering Husqvarna motor, 500 cc
Vermogen 15,5 kW bij 3.600 t/min
Transmissie Automatische transmissie
Maaibreedte 107 cm
Maaihoogte 25 tot 75 mm, verstelbaar
Tankinhoud 6,5 liter
Voorbanden 15 x 6 inch
Achterbanden 20 x 8 inch
Gewicht 220 kg
Gebruik Ideaal voor het onderhoud van middelgrote tot grote gazons en tuinen
Onderhoud Regelmatige controle van olie- en brandstofniveaus, reiniging van het maaidek
Veiligheid Aangeraden veiligheidsuitrusting: bril, handschoenen, veiligheidsschoenen
Garantie 2 jaar, garantievoorwaarden te controleren bij aankoop

Veelgestelde vragen - TS 142L HUSQVARNA

Hoe start ik de HUSQVARNA TS 142L tractor?
Zorg ervoor dat de remhendel is ingeschakeld, zet de schakelaar op 'ON' en draai vervolgens de contactsleutel om de motor te starten.
Wat te doen als de motor niet start?
Controleer of de accu is opgeladen, de brandstoftank vol is en de remhendel goed is ingeschakeld.
Hoe stel ik de maaihoogte in?
Gebruik de verstelhendel onder de stoel om de maaihoogte op de gewenste stand in te stellen.
Hoe onderhoud ik de maaimessen?
Reinig de messen regelmatig na elk gebruik en slijp ze minstens één keer per seizoen voor betere prestaties.
Wat is de aanbevolen bandenspanning?
De bandenspanning moet tussen 1,4 en 1,7 bar worden gehouden voor optimale prestaties.
Hoe vervang ik de motorolie?
Laat de gebruikte olie weglopen via de aftapkraan, vervang het oliefilter en vul bij met verse olie volgens de specificaties in de handleiding.
Wat te doen als de tractor vermogen verliest?
Controleer het luchtfilter en het brandstoffilter, want deze kunnen verstopt zijn. Zorg er ook voor dat de messen niet vastzitten.
Hoe overwinter ik de HUSQVARNA TS 142L tractor?
Maak de tractor schoon, vervang de olie, verwijder de accu om deze op een koele en droge plaats te bewaren en zet hem in een overdekte schuur.
Waar kan ik reserveonderdelen vinden?
Reserveonderdelen kunnen worden besteld bij uw lokale HUSQVARNA dealer of via de officiële HUSQVARNA website.
Hoe los ik een motoroververhittingsprobleem op?
Controleer het koelvloeistofniveau, zorg ervoor dat de radiator niet verstopt is en dat de ventilator goed werkt.

Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding TS 142L - HUSQVARNA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. TS 142L van het merk HUSQVARNA.

GEBRUIKSAANWIJZING TS 142L HUSQVARNA

Motor: Transmissie: Productbeschrijving Dit is een zitmaaier waarbij het maaidek is aangebracht tussen de voor- en achteras. Hij is uitgerust met een viertaktbenzinemotor. Optionele accessoires:

  • Mulchplug Gebruik Deze machine mag alleen worden gebruikt voor het maaien van gras in privétuinen en op privéhellingen van maximaal 15°. De machine mag niet worden gebruikt in openbare parken, op sportvelden, in de landbouw of in de bosbouw. Gebruik het product uitsluitend met accessoires die door de fabrikant zijn goedgekeurd. Ieder ander gebruik van de machine is onjuist gebruik. Hierdoor komt uw garantie te vervallen en is de fabrikant niet verantwoordelijk voor schade aan de gebruiker of derden. Zie de plaatselijke richtlijnen voor het gebruik van gazonmaaiers. Ondersteuning/Help Als u hulp nodig hebt of vragen hebt over de toepassing, bediening, onderhoud of onderdelen van uw product:

4. Koppelingshendel van het opzetstuk

9. Hefhendel van het opzetstuk

Symbolen op het product Waarschuwing! Wees voorzichtig en gebruik het product op de juiste manier. Dit product kan ernstig of fataal letsel toebrengen aan de gebruiker of anderen. VOORZICHTIG: Onjuist gebruik kan leiden tot schade aan het product of persoonlijke eigendommen. Lees de bedieningshandleiding goed door en zorg dat u de instructies hebt begrepen voordat u dit product gaat gebruiken. Achteruit. 88 1707 - 002 - 25.02.2022Neutraal. Hoog. Laag. Startpositie voor koud weer. Snel. Langzaam. Choke. Contactschakelaar. Motor uit. Motor starten. Motor aan. Rem- en koppelingspedaal.

Parkeerrem. Parkeerrem ingeschakeld. Parkeerrem uitgeschakeld. Maaihoogte. Maaidek omhoog zetten. Reverse Operation System (ROS). Achteruit. Vooruit. Verlichting aan. Brandstof. Oliedruk. Accu. Gehoorbescherming aanbevolen. De messen zijn uitgeschakeld. 1707 - 002 - 25.02.2022 89De messen zijn ingeschakeld. Risico op koolmonoxidevergiftiging. Pas op voor wegschietende voorwerpen. Houd omstanders uit de buurt. Het symbool voor vuur duidt op een risico dat, indien niet in acht genomen, kan leiden tot overlijden, ernstig letsel en/of schade. Geluidsvermogenniveau. Het product voldoet aan de geldende EG-richtlijnen. Dit product voldoet aan de geldende VK-regelgeving. Houd handen en voeten uit de buurt van dit ge- deelte. Gebruik het product niet op hellingen van meer dan 15°. Warme oppervlakken. Niet aanraken. Wanneer u het product gebruikt, moet de af- scherming van de de- flector op het maaidek worden aangebracht. Wanneer u het pro- duct gebruikt, moet de grasopvangbak worden aangebracht. Bekneld raken van han- den. Belasting trekstang. Vrijloop (alleen modellen met automatische transmissie). Urenteller De urenteller toont hoeveel uur de motor in bedrijf is geweest. Zie Productoverzicht op pagina 88 voor de locatie van de urenteller. Elke 50 uur wordt een oliepeilsymbool gedurende 2 uur weergegeven. Zie Smeerschema op pagina 106

Om de urenteller handmatig terug te stellen, draait u de contactsleutel 5 keer naar de stand "ON" (aan) en vervolgens naar de stand "STOP". Let op: De urenteller stopt alleen wanneer de contactsleutel in de stand "STOP" staat. Zorg ervoor dat de contactsleutel in de stand "STOP" blijft staan wanneer de motor is gestopt. Productaansprakelijkheid Zoals uiteengezet in de wet voor productaansprakelijkheid zijn wij niet aansprakelijk voor schade die door ons product wordt veroorzaakt, indien:

  • het product niet goed is gerepareerd.
  • het product is gerepareerd met onderdelen die niet van de fabrikant afkomstig zijn, of onderdelen die niet zijn goedgekeurd door de fabrikant.

1707 - 002 - 25.02.2022• het product een accessoire bevat dat niet afkomstig is van de fabrikant of niet is goedgekeurd door de fabrikant.

  • het product niet is gerepareerd door een erkend servicepunt of door een erkende autoriteit. Euro V-emissies WAARSCHUWING: De EU- typegoedkeuring van dit product vervalt als ongeoorloofde wijzigingen aan de motor aangebracht worden. Veiligheid Veiligheidsdefinities Waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en opmerkingen worden gebruikt om te wijzen op belangrijke delen van de handleiding. WAARSCHUWING: Wordt gebruikt om te wijzen op de kans op ernstig of fataal letsel voor de gebruiker of omstanders wanneer de instructies in de handleiding niet worden gevolgd. OPGELET: Wordt gebruikt indien er een risico bestaat op schade aan het product en andere eigendommen of aan de omgeving wanneer de instructies in de handleiding niet worden gevolgd. Let op: Geven verdere informatie die nodig is in een bepaalde situatie. Veilige bedieningspraktijken voor maaiers met meerijdende bediener WAARSCHUWING: Dit product kan handen en voeten amputeren en voorwerpen wegslingeren. Het niet naleven van de volgende veiligheidsinstructies kan leiden tot ernstige ongelukken of de dood. WAARSCHUWING: Haal altijd de bougiekabel los en leg de kabel op een plek waar deze niet in contact kan komen met de bougie. Doe dit om het per ongeluk starten van de motor te voorkomen tijdens instel-, aanpassings- of reparatiewerkzaamheden of tijdens het vervoer. WAARSCHUWING: Rijd niet in de neutrale stand een helling af; u kunt de controle over de tractor verliezen. WAARSCHUWING: Trek alleen opzetstukken die worden aanbevolen door en voldoen aan de specificaties van de fabrikant van uw tractor. Gebruik uw gezonde verstand bij het trekken. Werk op hellingen alleen met het laagst mogelijke toerental. Als u een te zware last trekt op een helling kan dit gevaar opleveren. Banden kunnen dan de grip op de grond verliezen, waardoor u de controle over uw tractor verliest. WAARSCHUWING: De uitlaatgassen van de motor, sommige bestanddelen daarin en bepaalde voertuigonderdelen kunnen chemicaliën bevatten of uitstoten waarvan door de Staat van Californië wordt aangenomen dat ze kanker, geboorteafwijkingen en andere beschadigingen van het voortplantingssysteem veroorzaken.

DEZE APPARATUUR. De American Academy of Pediatrics adviseert dat kinderen minimaal 12 jaar moeten zijn voordat ze een lopend bediende gazonmaaier mogen gebruiken en minimaal 16 jaar moeten zijn voordat ze een rijdende gazonmaaier mogen gebruiken. WAARSCHUWING: KINDEREN

APPARATUUR. Lees de onderstaande veiligheidsinstructies zorgvuldig en volg deze op. Er kunnen zich tragische ongevallen voordoen als de gebruiker niet op de aanwezigheid van kinderen let. Kinderen vinden de machine en maaien vaak interessant. Nooit mag u ervan uitgaan dat kinderen op de plek blijven waar u ze voor het laatst hebt gezien.

  • Houd kinderen uit het maaigebied en onder toezicht van een verantwoordelijke volwassene (niet de gebruiker zelf).
  • Wees alert en schakel de machine uit als kinderen het (maai)gebied betreden. 1707 - 002 - 25.02.2022 91• Kijk achter u en omlaag of er kleine kinderen in de buurt zijn vóór en tijdens het achteruitrijden.
  • Vervoer nooit kinderen op de machine, ook niet als de bladen zijn uitgeschakeld. Ze kunnen eraf vallen en ernstig gewond raken of de veilige werking van de machine verstoren. Kinderen die in het verleden op de machine hebben meegereden kunnen plotseling in het maaigebied opduiken omdat ze nog een keer willen meerijden en onder de machine terechtkomen bij achteruitrijden.
  • Laat de machine nooit door kinderen bedienen.
  • Wees extra voorzichtig als u een blinde hoek, struiken, bomen of andere voorwerpen nadert die het zicht op kinderen kunnen belemmeren.

II. ALGEMENE BEDIENING

  • Zorg dat u alle instructies op de machine en in de handleiding hebt gelezen, begrepen en opgevolgd.
  • Plaats uw handen of voeten niet bij draaiende delen of onder de machine. Blijf altijd uit de buurt van de afvoeropening.
  • De machine mag alleen worden gebruikt door verantwoordelijke volwassenen die bekend zijn met de instructies.
  • Haal voorwerpen, zoals stenen, speelgoed en draad, uit de buurt, omdat deze door de bladen kunnen worden opgepakt en gelanceerd.
  • Zorg dat er geen omstanders in het gebied aanwezig zijn voordat u begint. Stop de machine als iemand dichterbij komt.
  • Vervoer nooit passagiers op de machine.
  • Maai niet achteruit, tenzij het absoluut nodig is. Kijk altijd omlaag en achter u vóór en tijdens het achteruitrijden.
  • Richt afgevoerd materiaal nooit op personen. Voer materiaal niet af tegen een muur of obstakel. Materiaal kan terug naar de gebruiker worden gelanceerd. Stop de bladen als u over stukken met grind rijdt.
  • Bedien de machine niet zonder de volledige grasopvangbak, uitworptrechter of zonder dat andere veiligheidsinrichtingen op hun plaats zitten en werken.
  • Ga langzamer rijden voordat u een bocht neemt.
  • Laat de machine nooit onbeheerd achter terwijl de motor draait. Schakel altijd de messen uit, schakel de parkeerrem in en zet de motor uit voordat u van de machine stapt.
  • Schakel de bladen uit als er niet wordt gemaaid. Schakel de motor uit en wacht tot alle onderdelen volledig stilstaan voordat u de machine schoon maakt, de grasopvangbak verwijdert of de uitworptrechter schoon maakt.
  • Bedien de machine alleen bij daglicht of voldoende kunstmatig licht.
  • Bedien de machine niet wanneer u onder invloed van alcohol of drugs bent.
  • Let op het verkeer als u nabij wegen rijdt of deze kruist.
  • Wees extra voorzichtig als u de machine op een aanhanger of vrachtwagen laadt of lost.
  • Draag altijd oogbescherming bij het bedienen van de machine.
  • Gebruik gehoorbescherming om een gehoorbeschadiging te voorkomen.
  • Statistieken geven aan dat bedieners die 60 jaar en ouder zijn, vaker betrokken zijn bij maaimachinegerelateerde ongelukken. Deze gebruikers moeten beoordelen of ze beschikken over voldoende vermogen om de zitmaaier veilig genoeg te bedienen, om henzelf en anderen tegen ernstig letsel te beschermen.
  • Volg de aanbevelingen van de fabrikant voor wielverzwaarders of contragewichten.
  • Houd de machine vrij van gras, bladeren of ander vuil dat zich kan ophopen en de hete uitlaat of motoronderdelen kan raken en vlam kan vatten. Ploeg niet door bladeren of ander vuil om deze ophoping te voorkomen. Verwijder gemorste olie of brandstof voordat u de machine bedient of opslaat. Laat de machine afkoelen voordat u hem opslaat. Veiligheidsinstructies voor bediening Persoonlijke beschermingsmiddelen WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Draag tijdens het gebruik van het product altijd goedgekeurde persoonlijke beschermingsmiddelen. Persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen niet alle risico’s uitsluiten maar kunnen de ernst van eventueel letsel helpen beperken. Vraag uw dealer u te helpen bij het kiezen van de juiste beschermingsmiddelen.
  • Gebruik altijd goedgekeurde gehoorbescherming. Langdurige blootstelling aan lawaai kan leiden tot permanente gehoorbeschadiging.
  • Draag altijd veiligheidsschoenen of veiligheidslaarzen. Stalen neuzen worden aanbevolen. Gebruik het product niet met blote voeten.
  • Draag indien nodig handschoenen, bijvoorbeeld bij het monteren, inspecteren of reinigen van de snijuitrusting.

1707 - 002 - 25.02.2022• Draag geen loszittende kleding, sieraden of andere voorwerpen die vast kunnen komen te zitten in bewegende delen.

  • Houd een EHBO/doos en brandblusser binnen handbereik. Veiligheidsvoorzieningen op het product WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Gebruik het product nooit wanneer de veiligheidsvoorzieningen defect zijn. Controleer de veiligheidsvoorzieningen regelmatig op een juiste werking. Als de veiligheidsvoorzieningen defect zijn, neem dan contact op met uw Husqvarna servicewerkplaats.
  • Voer geen veranderingen uit aan de veiligheidsvoorzieningen. U mag het product niet gebruiken als beschermingsplaten, afschermingen, veiligheidsschakelaars of andere veiligheidsvoorzieningen ontbreken of defect zijn. De dodemanshandgreep (OPC) controleren WAARSCHUWING: Gebruik het product niet als de dodemanshandgreep (Operator Presence Control, OPC) defect is. Als de OPC defect is, repareer deze dan onmiddellijk. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats.
  • Controleer of de motor pas kan starten als het rempedaal volledig is ingetrapt en het maaidek is ontkoppeld.
  • Controleer of de motor stopt wanneer de gebruiker opstaat uit de stoel als de parkeerrem is ingeschakeld.
  • Controleer of de motor stopt wanneer de gebruiker opstaat uit de stoel wanneer het maaidek is ingeschakeld.
  • Controleer of de koppelingshendel voor het maaidek niet kan werken wanneer de bestuurder niet op de stoel zit. Het Reverse Operating System (ROS) controleren Als het Reverse Operating System (ROS) niet correct werkt, repareer dan het product onmiddellijk. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats.

1. Start het product. Zie

2. Schakel het maaidek in. Zie

Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina 103

achteruit te rijden met de contactsleutel in de stand "ON" (aan) (A).

4. Start het product en schakel het maaidek

5. Draai de contactschakelaar met ROS

geactiveerd naar stand (B).

6. Controleer of de motor niet stopt wanneer

u achteruit rijdt en de contactsleutel is ingeschakeld met ROS geactiveerd. Controleer de remmen WAARSCHUWING: Onderhoud aan de remmen is noodzakelijk als de machine bij de hoogste snelheid in de hoogste versnelling op een vlakke, droge ondergrond meer dan 1,5 m (5 ft) nodig heeft om te stoppen.

1. Parkeer de machine op een vlakke, droge

betonnen of bestrate ondergrond. Trap het rempedaal volledig in en schakel de parkeerrem in.

2. Zet de vrijloopregeling in de stand "Transmissie

uitgeschakeld" om de transmissie uit te schakelen.

3. De achterwielen moeten blokkeren en slippen

als u de machine handmatig vooruit probeert te duwen. Als de achterwielen ronddraaien, moet er onderhoud aan de remmen worden uitgevoerd.

4. Neem contact op met een erkend

servicecentrum. Parkeerrem WAARSCHUWING: Als de parkeerrem niet werkt, kan het product beginnen te bewegen en daardoor letsel of schade veroorzaken. Inspecteer de parkeerrem regelmatig en stel deze af indien nodig. Zie Controleer de remmen op pagina 93

1707 - 002 - 25.02.2022 93Geluiddemper De uitlaatdemper is bedoeld om het geluidsniveau zo laag mogelijk te houden en om de uitlaatgassen weg te voeren van de gebruiker. Gebruik het product niet als de demper ontbreekt of beschadigd is. Bij een defecte uitlaatdemper stijgt het geluidsniveau en neemt het risico op brand toe. WAARSCHUWING: De uitlaatdemper wordt erg heet tijdens en na gebruik en wanneer de motor draait bij stationair toerental. Wees voorzichtig in de buurt van brandbare materialen en/of dampen om brand te voorkomen. Geluiddemper controleren

  • Inspecteer de uitlaatdemper regelmatig om te verifiëren of die goed vastzit en niet beschadigd is. Gras maaien op hellingen WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Maaien op een helling verhoogt het risico dat u de controle over het product verliest en dat het product kantelt. Dit kan ernstig of dodelijk letsel veroorzaken. Bij maaien op een helling is het van groot belang voorzichtig te werk te gaan. Als u niet achteruit tegen een helling op kunt rijden of als u zich daar niet prettig bij voelt, maai de helling dan niet.
  • Verwijder stenen, takken en andere obstakels.
  • Maai verticaal tegen de helling (omhoog en omlaag), niet horizontaal (van links naar rechts of omgekeerd).
  • Rijd niet een helling af met opgeheven maaidek.
  • Gebruik het product niet op een helling van meer dan 15°. >15°
  • Start of stop niet op een helling.
  • Rijd op hellingen gelijkmatig en langzaam.
  • Vermijd abrupte veranderingen in snelheid en richting.
  • Draai niet meer dan noodzakelijk. Draai langzaam en geleidelijk wanneer u een helling afrijdt. Rijd met lage snelheid. Draai voorzichtig aan het stuurwiel.
  • Kijk uit voor en rijd niet over voren, kuilen en hobbels. Er bestaat een grotere kans dat het product kantelt op een ondergrond die niet vlak is. Obstakels kunnen moeilijk te zien zijn door hoog gras.
  • Maai niet in de buurt van randen, greppels of hellingen. Het product kan plotseling kantelen als een van de wielen over de randen van een steile helling of greppel komt, of als een berm inzakt.
  • Niet gebruiken voor het maaien van nat gras. Nat gras is glad en de banden kunnen hun grip verliezen waardoor het product slipt.
  • Zet uw voet niet op de grond om te proberen het product te stabiliseren.
  • Ga zeer voorzichtig te werk als er een accessoire of ander object aan het product is bevestigd waardoor het minder stabiel is. Brandstofveiligheid WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Brandstof is brandbaar en de dampen zijn explosief. Wees voorzichtig met brandstof om letsel, brand en explosies te voorkomen.
  • Adem geen brandstofdampen in. De brandstofdampen zijn giftig en kunnen letsel veroorzaken. Zorg voor voldoende ventilatie.
  • Verwijder de brandstoftankdop niet en vul de tank niet bij wanneer de motor draait.
  • Laat de motor afkoelen voordat u brandstof bijvult.
  • Vul binnenshuis geen brandstof bij. Onvoldoende ventilatie kan leiden tot ernstig letsel of de dood door verstikking of het inademen van koolmonoxide.
  • Rook niet in de buurt van de brandstof of de motor.
  • Plaats geen warme voorwerpen in de buurt van de brandstof of de motor.
  • Vul geen brandstof bij in de nabijheid van vonken of open vuur.
  • Draai de tankdop langzaam open en laat de druk voorzichtig ontsnappen voordat u brandstof bijvult.
  • Brandstof op uw huid kan letsel veroorzaken. Als er brandstof op uw huid terecht komt, verwijder deze dan met water en zeep.
  • Als u brandstof op uw kleding morst, trek dan direct andere kleding aan.
  • Vul de brandstoftank niet volledig. Door hitte zet de brandstof uit. Zorg ervoor dat er ruimte overblijft aan de bovenkant van de brandstoftank.
  • Draai de tankdop volledig aan. Als de tankdop niet volledig is aangedraaid, bestaat een risico op brand.

1707 - 002 - 25.02.2022• Voordat u het product start, moet u het product verplaatsen naar een afstand van minimaal 3 m vanaf het punt waar u hebt getankt.

  • Start het product niet als er brandstof of motorolie op het product aanwezig is. Verwijder de ongewenste brandstof en motorolie en laat het product drogen voordat u de motor start.
  • Controleer de motor regelmatig op lekkage. Bij lekkage in het brandstofsysteem mag u de motor niet starten zolang de lekken niet gerepareerd zijn.
  • Gebruik uw vingers niet om de motor op lekkage te controleren.
  • Bewaar brandstof in goedgekeurde containers.
  • Wanneer het product en de brandstof worden opgeslagen, moet u ervoor zorgen dat brandstof en brandstofdampen geen schade kunnen veroorzaken.
  • Tap brandstof af in een daarvoor goedgekeurde container, en doe dat buiten en niet in de nabijheid van vonken en open vuur. Veiligheid bij accu's WAARSCHUWING: Een beschadigde accu kan exploderen en letsel veroorzaken. Als de accu vervormd of beschadigd is, neem dan contact op met een erkende Husqvarna servicewerkplaats. WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Draag een veiligheidsbril wanneer u zich in de buurt van accu's begeeft.
  • Draag geen horloges, sieraden of andere metalen voorwerpen in de buurt van de accu.
  • Houd de accu buiten het bereik van kinderen.
  • Laad de batterij op in een goed geventileerde ruimte.
  • Houd ontvlambare materialen op een minimumafstand van 1 m wanneer u de batterij oplaadt.
  • Voer vervangen accu´s af. Zie Afvoeren op pagina 123
  • Er kunnen explosieve gassen uit de accu vrijkomen. Rook niet in de buurt van de accu. Houd de accu uit de buurt van open vuur en vonken. Transportveiligheid
  • Gebruik een goedgekeurd transportvoertuig om het product te vervoeren.
  • De nationale of lokale wetgeving van een markt kan het transport van dit product mogelijk beperken.
  • De gebruiker van het transportvoertuig is verantwoordelijk voor het veilig vastzetten van het product tijdens het transport. Zie Transport op pagina 121

Veiligheidsinstructies voor onderhoud WAARSCHUWING: Het product is zwaar en kan letsel of schade aan eigendommen of de omgeving veroorzaken. Voer geen onderhoud uit aan de motor of het maaidek zonder aan deze voorwaarden te voldoen:

  • De motor is uitgeschakeld.
  • Het product is op een vlakke ondergrond geparkeerd.
  • De parkeerrem is ingeschakeld.
  • De contactsleutel is verwijderd.
  • Het maaidek is ontkoppeld.
  • De bougiekabels zijn van de bougies losgenomen. WAARSCHUWING: Uitlaatgassen van de motor bevatten koolmonoxide, een geurloos, giftig en uiterst gevaarlijk gas. Gebruik het product niet in gesloten ruimten of ruimten met onvoldoende luchtstroming. WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u onderhoud aan het product gaat uitvoeren.
  • Voor optimale prestaties en veiligheid adviseren wij u het product te onderhouden volgens het onderhoudsschema. Zie Onderhoudsschema op pagina 105
  • Een elektrische schok kan letsel veroorzaken. Raak geen kabels aan als de motor draait. Voer een functietest van het ontstekingssysteem niet met uw vingers uit.
  • Start de motor niet als de beschermkappen zijn verwijderd. Er bestaat dan groot risico op letsel door bewegende of hete delen.
  • Laat het product afkoelen voordat u onderhoudswerkzaamheden in de buurt van de motor uitvoert.
  • De messen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken. Voorzie de messen van bescherming of draag beschermende handschoenen wanneer u aan de messen werkt.
  • Plaats het maaidek altijd in de onderhoudsstand om het te reinigen. Parkeer het product niet dicht bij de rand van een greppel of helling om toegang te krijgen tot het maaidek. 1707 - 002 - 25.02.2022 95OPGELET: Lees de volgende veiligheidsinstructies voordat u het product gaat gebruiken.
  • Laat de motor niet draaien als de bougie of ontstekingskabel is verwijderd.
  • Zorg dat alle moeren en bouten goed zijn vastgedraaid en dat de apparatuur in goede staat is.
  • Wijzig de instelling van de regelaars niet. Als het motortoerental te hoog is, kunnen de productonderdelen beschadigd raken.
  • Het product is alleen goedgekeurd voor gebruik in combinatie met de uitrusting die wordt geleverd of wordt aanbevolen door de fabrikant. Montage Inleiding WAARSCHUWING: Zorg dat u het hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en begrepen voordat u het apparaat monteert. Het product uit de verpakking verwijderen

3. Verwijder de zijpanelen en leg deze op een

5. Haal het product uit de doos en zorg ervoor

dat er geen losse onderdelen in de doos blijven zitten. Montagegereedschappen

  • 7/16" sleutels (2 stuks)
  • Dopsleutelset (optioneel) Losse onderdelen die moeten worden gemonteerd Het product is niet volledig gemonteerd. De onderstaande onderdelen worden los meegeleverd wanneer u het product koopt. Sleutel, 2 stuks Hellingsschema, 1 stuks Zeskantbout, 2 stuks Moeren, 2 stuks Luchttoevoer motorkap, 1 stuks Verlenging olieaftap, 1 stuks Stuurwiel, 1 stuks Middenkap voor stuurwiel, 1 stuks Stuurasafdekking, 1 stuks Zeskantbout voor het stuurwiel, 1 stuks Stuurwieladapter, 1 stuks Stuurasverlenging, 1 stuks 96 1707 - 002 - 25.02.2022Platte onderlegring voor stuurwiel, 1 stuks Borgring voor stuurwiel, 1 stuks Stoel, 1 stuks Zeskantbout voor de zitting, 2 stuks Platte onderlegring voor zitting, 2 stuks Het stuurwiel monteren

geleidingslipjes in de asafdekking op de juiste plaats zitten.

3. Verwijder de stuurwieladapter (D) van het

4. Plaats de stuurwieladapter op de

5. Plaats het stuurwiel op de stuurasverlenging.

6. Zorg ervoor dat de voorwielen en het stuurwiel

naar voren zijn uitgelijnd.

7. Monteer de grote platte onderlegring (F), de

borgring (G) en de bout (H). Draai de bout volledig vast.

8. Bevestig de middenkap (I) op het

stuurwiel. De middenkap wordt bevestigd met klikvergrendelingen. De stoel installeren

1. Verwijder de bevestigingsmiddelen waarmee de

stoel aan de kartonnen verpakking is bevestigd, maar gooi deze niet weg.

2. Verwijder de kartonnen verpakking en gooi deze

weg. Let op: Verwijder de tape pas van de afstelhendel als de stoel goed aan het product is bevestigd.

3. Sluit de draadconnector aan op de

veiligheidsschakelaar (A) op de stoel.

4. Plaats de stoel op de stoelzitting (B) en plaats

het middelste kunststof stuk (C) in het middelste sleufgat (D).

5. Duw de stoel naar achteren totdat de 2 voorste

kunststof delen (E) zijn uitgelijnd met de voorste sleufgaten. Duw de zitting omlaag om de kunststof delen in de sleuven te bevestigen. Duw de stoel naar achteren.

976. Klap de stoel naar voren en monteer de 2 bouten

(F) en de 2 platte onderlegringen (G).

Let op: Zorg ervoor dat de 2 voorste kunststof delen (H) volledig in de stoelzitting vallen. Let op: Let erop dat de pijlen op de 2 onderlegringen naar boven wijzen.

WAARSCHUWING: Gebruik het product niet als de dodemanshandgreep defect is. Het motorkapstuk installeren

1. Lijn de voorste lip op het motorkapstuk uit met de

uitsparing in de motorkap.

2. Lijn de achterste lipjes op het motorkapstuk uit

met de uitsparingen in de motorkap.

3. Druk het motorkapstuk omlaag op de motorkap.

1. Ga op de stoel zitten.

2. Trek de afstelhendel voor de stoel (A) omhoog.

3. Verplaats de stoel totdat deze in een positie

staat waarin u het rem- en koppelingspedaal kunt intrappen.

4. Laat de afstelhendel voor de stoel (A) los om de

stoel in positie te vergrendelen. De accu aansluiten WAARSCHUWING: Risico op elektrische schok en brandwonden. Draag geen metalen polsbandjes of andere metalen accessoires. Wanneer metalen voorwerpen de accupolen raken, kan dit brandwonden, elektrische schokken en kortsluiting van de accu veroorzaken. Let op: Als het jaar en de maand die op het acculabel staan vermeld, zijn verstreken, moet u de accu opladen. Laad de accu minimaal 1 uur op bij 6-10 ampère.

1. U vindt de accu onder de stoel of onder de

2. Til de stoelplaat of motorkap op in de hoge

4. Sluit de rode accukabel aan op de plusklem

(+) en draai de bout en moer vast zoals aangegeven. Schuif de beschermkap over de klem. WAARSCHUWING: Gevaar voor vonkvorming. De rode accukabel moet worden aangesloten op de pluspool voordat de zwarte accukabel wordt aangesloten op de minpool. Dit is om vonkvorming en onbedoeld aarden te voorkomen.

5. Sluit de zwarte kabel aan op de negatieve (-)

accupool en draai de bout en moer volledig vast zoals aangegeven.

6. Breng vaseline aan op de accukabels om

corrosie te voorkomen.

7. Breng de stoelplaat of de motorkap omlaag.

De machine van de glijplaat afhalen

1. Zet het maaidek in de hoogste positie. Gebruik

parkeerrem uit te schakelen.

3. Plaats de vrijloopregeling in de stand

"Transmissie uitgeschakeld". Raadpleeg Vervoer, opslag en verwerking op pagina 121

4. Duw de machine naar voren, van de glijplaat af.

5. Verwijder de band die de afscherming van de

deflector tegen het product houdt. Een controle na montage uitvoeren

  • Controleer of alle montage-instructies zijn afgewerkt.
  • Controleer of er geen losse onderdelen zijn achtergebleven in de verpakking.
  • Controleer of de accu is voorbereid en opgeladen.
  • Controleer of de bouten van de stoel zijn vastgedraaid en dat de stoel correct is afgesteld.
  • Controleer of de banden naar behoren zijn opgepompt.
  • Voor het beste maairesultaat moet het maaidek in de breedte en in de lengte zijn uitgebalanceerd. Controleer of de banden correct zijn opgepompt voor een uitgebalanceerd maaidek.
  • Controleer het maaidek en de aandrijfriemen goed. Controleer of de riemen correct om de poelies en het binnenste deel van alle riemhouders lopen.
  • Bekijk de elektrische bedrading goed. Controleer of alle draden en aansluitingen veilig zijn.
  • Zorg ervoor dat de motorolie het juiste peil heeft.
  • Zorg ervoor dat de tank is gevuld met het juiste type brandstof.
  • Zorg ervoor dat u bekend bent met de locatie en functie van alle bedieningselementen.
  • Zorg ervoor dat het remsysteem veilig functioneert.
  • Zorg ervoor dat de dodemansregeling (OPC) en het achteruitrijsysteem (ROS) correct werken. Zie De dodemanshandgreep (OPC) controleren op pagina 93

Het Reverse Operating System (ROS) controleren op pagina 93

  • Verwijder vóór het eerste gebruik alle lucht uit de transmissie. Zie Lucht uit de transmissie verwijderen op pagina 116

Werking Inleiding WAARSCHUWING: Zorg dat u het hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en begrepen voordat u het product gebruikt. Brandstof bijvullen WAARSCHUWING: Benzine is uiterst ontvlambaar. Wees voorzichtig en vul buitenshuis brandstof bij. Zie Brandstofveiligheid op pagina 94

OPGELET: Gebruik altijd het juiste type brandstof. Een verkeerd type 1707 - 002 - 25.02.2022 99brandstof kan schade aan het product veroorzaken.

  • Gebruik benzine van het juiste type. Zie Technische gegevens op pagina 123 . Raadpleeg voor meer informatie over de brandstof de motorhandleiding die door de motorfabrikant is geleverd.
  • Controleer het brandstofniveau voorafgaand aan elk gebruik en vul bij indien nodig.
  • Vul de brandstoftank nooit volledig. Zorg ervoor dat er minimaal 2,5 cm ruimte overblijft. Product starten Voordat u het product inschakelt WAARSCHUWING: Voordat u het product gebruikt, moet u de veiligheids- en bedieningsinstructies zorgvuldig lezen en begrijpen.

1. Controleer het motoroliepeil. Zie

Het motoroliepeil controleren op pagina 114

2. Vul de brandstoftank met brandstof. Zie

Brandstof bijvullen op pagina 99

3. Schakel de vrijloopmodus uit. Zie

Het product in de vrijloopmodus zetten op pagina 104

4. Zet de stoel in de werkstand en ga zitten.

5. Schakel de parkeerrem in. Zie

De parkeerrem in- en uitschakelen op pagina 102

6. Controleer of het maaidek is ontkoppeld. Zie

Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina

1. Ga op de stoel zitten.

2. Controleer of het maaidek is ontkoppeld. Zie

Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina

3. Zet het maaidek in de transportstand. Zie

Het maaidek in de transportstand of maaistand zetten op pagina 101

6. Houd het rempedaal volledig ingetrapt.

laat de contactsleutel los wanneer de motor start. OPGELET: Laat de startmotor bij het starten niet langer dan 15 seconden per minuut draaien.

9. Als het koud is, laat eerst de motor warm worden

voordat u begint met grasmaaien. Koude motor starten

1. Ga op de stoel zitten.

2. Controleer of het maaidek is ontkoppeld. Zie

Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina

3. Zet het maaidek in de transportstand. Zie

Het maaidek in de transportstand of maaistand zetten op pagina 101

6. Houd het rempedaal volledig ingetrapt.

laat de contactsleutel los wanneer de motor start. OPGELET: Laat de startmotor bij het starten niet langer dan 15 seconden per minuut draaien.

9. Als de motor start, zet u de gashendel in de

snelle stand (D) om de motor op te warmen. Als het koud is, duurt het enkele minuten voordat de motor warm is. OPGELET: Als de omgevingstemperatuur lager is dan 4 °C, moet u de motor 1 minuut stationair laten draaien voordat u het product gebruikt. Dit is om de transmissie op te warmen. Zorg ervoor dat de besturingshendel in de neutraalstand staat en dat het rempedaal volledig is losgelaten. 100 1707 - 002 - 25.02.2022Motor starten als de accu zwak is WAARSCHUWING: Loodzuuraccu's kunnen explosievegassen genereren. Houd vonken, vuuren rookproducten uit de buurt vanaccu's. Draag altijd oogbescherming alsu in de buurt van accu's werkt.Als de accu zo leeg is dat de motor niet kan wordengestart, moet de accu worden opgeladen.Als de startkabels worden gebruikt om de motorin noodgevallen te starten, volg dan de volgendeprocedures:

1. Sluit de uiteinden van de RODE kabel aan op dePLUSKLEMMEN (+) van beide accu's (B-C).

OPGELET: Let op dat er geen kortsluiting ontstaat tegen hetchassis van de machine.2. Sluit één uiteinde van de ZWARTE kabel aan opde MINKLEM (-) (D) van een volledig opgeladenaccu.3. Sluit het andere uiteinde van de ZWARTE kabel(A) aan op een goede chassismassa, uit de buurtvan de brandstoftank en de accu.4. Verwijder de ZWARTE kabel van het chassiszodra de zwakke accu volledig is opgeladen.5. Verwijder de ZWARTE kabel van de volledigopgeladen accu.6. Verwijder de RODE kabel van de twee accu's. Startkabels verwijderen Let op: Verwijder de startkabels in omgekeerdevolgorde van aanbrengen.1. Verwijder de ZWARTE kabel van het chassis.2. Verwijder de ZWARTE kabel van de volledigopgeladen accu.3. Verwijder de RODE kabel van de 2 accu's. Het maaidek in de transportstand of maaistand zetten Het maaidek moet tijdens transport in detransportstand staan.• Om het product in de transportstand te zetten,trekt u de maaihoogtehendel in de richting vande stoel en zet u de hendel in de hoogstemaaihoogtestand.• Stel de juiste maaihoogte in om het product in demaaistand te zetten. Zie Maaihoogte afstellen op pagina 101

Maaihoogte afstellen

  • Trek de hefhendel in de richting van de stoel enplaats deze in 1 van de inkepingen voor de juistemaaihoogte. Vooruit- en achteruitrijden De rijrichting en de snelheid worden geregeld doorde besturingshendel.1. Start de motor.2. Schakel de parkeerrem uit. Zie De parkeerrem in- en uitschakelen op pagina 102

3. Om te gaan rijden, beweegt u debesturingshendel (A) langzaam naar voren (B) ofnaar achteren (C).

4. Beweeg de besturingshendel verder naar vorenof naar achteren om de snelheid te verhogen.1707 - 002 - 25.02.2022

1015. Zet de besturingshendel in de neutraalstand (D)wanneer u parkeert en het product stopt. De parkeerrem in- en uitschakelen

1. Om de parkeerrem in te schakelen, trapt u hetrempedaal (A) helemaal in tot de laagste stand.

2. Nadat u het rempedaal hebt ingetrapt, trekt u deparkeerremhendel (B) omhoog.3. Laat het rempedaal los.4. Zet de parkeerremhendel los. Let op: Controleer of de parkeerrem het product veilig op zijn plaats houdt.5. Om de parkeerrem uit te schakelen, trapt u hetparkeerrempedaal in. Product stoppen WAARSCHUWING: U moet hetproduct altijd stoppen, de parkeerreminschakelen en de contactsleutelverwijderen voordat u het productachterlaat. OPGELET: Het uitlaatgas van de warme motor kan het gras beschadigen.Om ervoor te zorgen dat het gras nietbeschadigd raakt, moet u de motor altijduitzetten wanneer u de machine op hetgras stilzet.1. Trap het rempedaal (A) volledig in totdat hetproduct volledig tot stilstand is gekomen.

Vooruit- en achteruitrijden op pagina 101

3. Ontkoppel het maaidek. Zie

Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina 103

4. Zet de gashendel in de langzame stand en laatde motor enkele minuten stationair draaien.5. Zet het maaidek in de transportstand. Zie Het maaidek in de transportstand of maaistand zetten op pagina 101

6. Draai de contactsleutel naar de stand "STOP" enverwijder de contactsleutel uit het contact.

De gashendel gebruiken De gashendel past het motortoerental en derotatiesnelheid van de bladen in het maaidek aan.

  • Zet de gashendel in de chokestand (A) wanneeru een koude motor start. Zie Koude motor starten op pagina 100
  • Zet de gashendel in de snelle stand (B) om demotor op volle snelheid te laten draaien. Houdde gashendel altijd in de snelle stand wanneer ugras maait.• Zet de gashendel in de langzame stand (C) omde motor stationair te laten draaien. 1707 - 002 - 25.02.2022De koplamp gebruiken
  • Zet de aan/uit-schakelaar in stand (A) om de koplamp in te schakelen.
  • Zet de aan/uit-schakelaar in stand (B) om de koplamp uit te schakelen. Het maaidek inschakelen en ontkoppelen WAARSCHUWING: Gebruik het maaidek alleen als er een deflector of grasopvangbak op de grasuitworp is gemonteerd. Het product heeft een dodemansregeling (OPC). Wanneer u de stoel verlaat terwijl de motor en het maaidek zijn ingeschakeld, stopt de motor. Blijf in het midden van de stoel zitten om ervoor te zorgen dat de motor correct werkt en op ruig terrein of heuvels niet stopt.

1. Selecteer de juiste maaihoogte. Zie

Maaihoogte afstellen op pagina 101

2. Beweeg de koppelingshendel van het opzetstuk.

a) Beweeg de koppelingshendel van het opzetstuk naar voren om het maaidek in te schakelen. b) Beweeg de koppelingshendel van het opzetstuk naar achteren om het maaidek te ontkoppelen. Het achteruitrijsysteem (ROS) gebruiken Let op: Als u probeert achteruit te rijden met het product terwijl het maaidek is ingeschakeld, stopt de motor onmiddellijk. Schakel het ROS in om achteruit te rijden met het product wanneer het maaidek is ingeschakeld. WAARSCHUWING: Kijk voordat en terwijl u met het product achteruit rijdt naar beneden en achter het product voor de veiligheid van anderen.

2. Draai de contactsleutel linksom naar de stand

"ON" (A) van het ROS om het ROS in te schakelen.

3. Beweeg de besturingshendel langzaam naar de

stand voor achteruitrijden om achteruit te rijden.

4. Draai de contactsleutel rechtsom naar de stand

"ON" (B) om het ROS uit te schakelen. Een goed maairesultaat verkrijgen

  • Voor optimale prestaties adviseren wij u het product te onderhouden volgens het onderhoudsschema. Zie Onderhoudsschema op pagina 105
  • Maai geen nat gras. Nat gras kan een slecht maairesultaat opleveren.
  • Gebruik geen bandkettingen wanneer u het maaidek aan het product bevestigt.
  • Zorg ervoor dat het maaidek waterpas is. Zie De uitlijning van het maaidek afstellen op pagina
  • Begin met een hoge maaihoogte en verlaag die geleidelijk als het gras hoog is.
  • Rijd het product met lage snelheid vooruit als het gras hoog en dik is.
  • Gebruik volgas bij het grasmaaien.
  • Maai het gras in een onregelmatig patroon.
  • Gebruik de linkerkant van het maaidek wanneer u in de buurt van bomen, struiken of paden maait. Het blad snijdt ongeveer 15 mm naar de binnenzijde vanaf de zijkant van het maaidek. 1707 - 002 - 25.02.2022 103• Wanneer u grote gebieden maait, verplaatst u het product naar rechts tijdens 1 of 2 rondes om het werkgebied. Hierdoor houdt u het uitgeworpen gras uit de buurt van struiken, hekken en opritten. Maai na ongeveer 2 omwentelingen rond het werkgebied in de tegenovergestelde richting.
  • Voor het beste maairesultaat maait u het gras regelmatig. Het product in de vrijloopmodus zetten Als het nodig is om het product zonder hulp van de motor te verplaatsen of te slepen, moet u het product in de vrijloopmodus zetten. WAARSCHUWING: Zet het product niet in de vrijloopmodus terwijl het op een helling staat.
  • Trek de vrijloophendel naar buiten om het product met de motor te bedienen. De mulchplug monteren (accessoire) Het product kan worden gebruikt met een mulchplug.

1. Zet het maaidek in de transportstand. Zie

Het maaidek in de transportstand of maaistand zetten op pagina 101

deflector (accessoire) als deze is aangebracht.

3. Steek de mulchplug door de achterplaat en in de

adapter van de uitworp voor het maaidek.

4. Bevestig de 2 banden aan de openingen in de

steunarmen voor de grasopvangbak.

6. Verwijder de mulchplug in omgekeerde volgorde.

Onderhoud Inleiding WAARSCHUWING: Zorg dat u het hoofdstuk over veiligheid hebt gelezen en begrepen voordat u onderhoud aan het product gaat uitvoeren. 104 1707 - 002 - 25.02.2022Onderhoudsschema Onderhoudsschema Voor elk gebruik Met in- terval- len van 8 uur Met in- terval- len van 25 uur Met in- terval- len van 50 uur Met in- terval- len van 100 uur Elk sei- zoen Vóór opslag Product Controleer de remwer- king. X X Controleer de banden- spanning. X X Controleer de dode- mansregeling (OPC).

Controleer het achteruit- rijsysteem (ROS).

Controleer op losse be- vestigingen. X X X Controleer de bladen op slijtage en beschadi- ging.

Smeer het product. Zie Smeerschema op pagi- na 106

X X Controleer het accuni- veau.

Reinig de accu en de klemmen. X X Verwijder resten van de stuurplaat. Zie Product reinigen op pagina 107

Zorg ervoor dat het maaidek waterpas is.

Controleer de bladen vaker als u maait op een plek met zand en aarde. 1707 - 002 - 25.02.2022 105Onderhoudsschema Voor elk gebruik Met in- terval- len van 8 uur Met in- terval- len van 25 uur Met in- terval- len van 50 uur Met in- terval- len van 100 uur Elk sei- zoen Vóór opslag Motor Controleer het motoro- liepeil. X X Ververs de motorolie (modellen met oliefilter).

Ververs de motorolie (modellen zonder oliefil- ter).

Maak het luchtfilter schoon.

Reinig het luchtscherm. X

Vervang het oliefilter (in- dien aanwezig).

Vervang de bougie. X X Vervang de papieren cartridge van het lucht- filter.

Smeerschema OPGELET: De scharnierpunten met speciale nylon lagers niet smeren. Aan kleverige smeermiddelen kan vuil blijven plakken. Het vuil verkort de levensduur van de speciale nylon lagers. Als het nodig is om de nylon lagers te smeren, gebruik dan slechts een kleine hoeveelheid droog smeermiddel.

Doe dit vaker als u werkt met zware belasting, bij een hoge omgevingstemperatuur of in vuile omstan- digheden.

Doe dit vaker als u werkt met zware belasting, bij een hoge omgevingstemperatuur of in vuile omstan- digheden.

Doe dit vaker als u werkt in vuile omstandigheden.

Doe dit vaker als u werkt in vuile omstandigheden.

Doe dit vaker als u werkt met zware belasting, bij een hoge omgevingstemperatuur of in vuile omstan- digheden.

Doe dit vaker als u werkt in vuile omstandigheden.

Doe dit vaker als u werkt in vuile omstandigheden. 106 1707 - 002 - 25.02.2022A

A. Algemene smering. Smeer de spilaansluiting, hetvoorwiellager en de tanden van het stuursysteem.B. Motorsmering. Raadpleeg De motor smeren op pagina 114 in het hoofdstuk Onderhoud. Tractor Product reinigen Gebruik geen tuinslang of hogedrukreiniger omhet oppervlak te reinigen. Een uitzondering is dereinigingspoort. Zorg dat er geen water in de motoren de transmissie terechtkomt. Water in de motorof transmissie kan de levensduur van de machineverkorten. Gebruik perslucht of een bladblazer omgras, bladeren en afval te verwijderen.• Verwijder alle ongewenste materialen van demotor, accu, stoel en andere onderdelen van demachine.• Verwijder vuil van de stuurplaat. Vuil beperktde bewegingen van de as van het koppelings-/rempedaal, maakt de drijfriem losser en beperktde voortbeweging. OPGELET: Vermijd allekwetsbare punten en beweegbareonderdelen.• Houd de oppervlakken en wielen altijd vrij vanbenzine, olie, etc.• Gebruik een autowax om schade aan deoppervlakken te voorkomen. De reinigingspoort van het dek gebruiken Het maaidek heeft een reinigingspoort die deeluitmaakt van het reinigingssysteem voor hetmaaidek. WAARSCHUWING: Gebruik hetproduct niet als de reinigingspoort vanhet dek defect is of ontbreekt. Er bestaatgevaar voor wegslingerende objecten.Vervang een defecte of ontbrekendereinigingspoort van het dek onmiddellijk. Let op: Bij modellen met beschermkappen bevindt de reinigingspoort zich op de linkerbeschermkap voor het achterwiel.1. Parkeer het product in een schoon gebied op uwgazon dat zich in de buurt van een waterpuntmet een tuinslang bevindt. OPGELET: Positioneer de uitworp of het product niet in derichting van gebouwen of voertuigen.2. Controleer of het maaidek is ontkoppeld. Zie Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina

3. Draai de contactsleutel naar de stand STOP omde motor te stoppen.4. Schakel de parkeerrem in.5. Verwijder de trechter van de grasopvangbak ofde mulchplug indien gemonteerd.6. Zet de sproeieradapter op het uiteinde vanuw tuinslang (A). Zorg ervoor dat de tuinslangvolledig is aangesloten op de sproeieradapter.

7. Trek de vergrendelingskraag van desproeieradapter terug en druk de sproeieradapterop de reinigingspoort (B) van het dek.8. Trek voorzichtig aan de tuinslang om er zekervan te zijn dat deze goed is aangesloten.9. Laat de vergrendleingskraag los om de adapterop de reinigingspoort van het dek te bevestigen.10. Open de watertoevoer.11. Ga op de stoel zitten en start de motor. OPGELET: Controleer hetgebied opnieuw om er zeker van tezijn dat het vrij is.12. Zet de gashendel in de snelle stand. Zie

gashendel gebruiken op pagina 102

13. Schakel het maaidek in en laat het werkentotdat het maaidek schoon is. Zie

Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina 103

14. Ontkoppel het maaidek. Zie

Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina 103

1707 - 002 - 25.02.2022 10715. Draai de contactsleutel naar de stand STOP om de motor te stoppen.

sproeieradapter terug en koppel de sproeieradapter los van de reinigingspoort van het dek.

18. Zet de machine op een droog gedeelte.

19. Schakel het maaidek in en laat het werken totdat

het maaidek droog is. De kabel van de gashendel afstellen De gashendel wordt in de fabriek ingesteld en hoeft niet te worden afgesteld. Als afstelling noodzakelijk is, raadpleegt u de handleiding van de motor. De vergrendelingen en relais inspecteren Let op: Losse of beschadigde bedrading kan ertoe leiden dat uw machine niet naar behoren werkt, stopt met werken of niet meer wil starten.

  • Inspecteer de bedrading. Het lampje van de koplamp vervangen

1. Open de motorkap.

2. Draai de lamphouder iets naar links en trek hem

uit de houder achter het rooster.

3. Vervang de lamp in de lamphouder.

4. Duw de lamphouder in de houder achter het

5. Draai de lamphouder iets naar rechts om hem te

De banden controleren Let op: Om lekke en langzaam leeglopende banden te repareren, kunt u bij uw lokale onderdelendealer een afdichtmiddel voor banden, een zgn. bandensealant aanschaffen. Bandensealant voorkomt ook uitdroging van de banden en corrosie van de velgen.

  • Zorg ervoor dat de bandenspanning in alle banden correct is (zie de zijkanten van de banden voor de correcte spanning in psi).
  • Houd de banden vrij van benzine, olie of bestrijdingsmiddelen die het rubber kunnen aantasten.
  • Houd de banden uit de buurt van stronken, stenen, kuilen, scherpe voorwerpen en andere gevaarlijke objecten die de banden kunnen beschadigen. De banden repareren

1. Breng de vooras omhoog en ondersteun deze op

een veilige manier. OPGELET: Hef en ondersteun één as per keer.

Let op: Er zijn alleen rechthoekige spieën op de achterwielen.

3. Verwijder het wiel van de as.

4. Verwijder de band van het wiel.

5. Repareer de band.

Let op: Gebruik bandensealant om gaten in de band af te dichten. Bandensealant voorkomt ook uitdroging van de banden en corrosie van de velgen.

6. Monteer de band op het wiel.

7. Breng het wiel, de ring, de rechthoekige spie en

de E-clip aan op de as. Zorg ervoor dat de E-clip correct in de groef op de as is aangebracht.

8. Breng de stofkap aan.

De V-riemen inspecteren De riemen kunnen niet worden afgesteld.

  • Inspecteer de V-riemen na elke 100 bedrijfsuren op aantasting en slijtage.
  • Vervang de V-riemen als ze beginnen te slippen omdat ze te zeer versleten zijn. Onderhoud uitvoeren aan de koelventilator van de transaxle OPGELET: Reinig de ventilator of transmissie niet terwijl de motor draait of de transmissie heet is. OPGELET: Gebruik geen hogedrukspuit of stoomreiniger. Water kan in lagers en elektrische aansluitingen dringen en corrosie veroorzaken die tot schade aan het product kan leiden. 108 1707 - 002 - 25.02.2022Om ervoor te zorgen dat de transmissie koel blijft, moeten de transmissieventilator en de koelribben schoon zijn.
  • Gebruik eerst een borstel om te reinigen, voordat u water gebruikt. Verwijder maaisel en vuil op en rond de ventilator en koelribben van de transaxle.
  • Inspecteer de koelventilator om er zeker van te zijn dat de ventilatorschoepen schoon en onbeschadigd zijn. De vloeistof van de aandrijflijnpomp inspecteren
  • Zorg ervoor dat de aandrijflijnpomp geen vloeistof lekt.
  • Neem contact op met het dichtstbijzijnde erkende servicecentrum of servicepunt als de aandrijflijnpomp vloeistof lekt. Het toespoor en de wielvlucht van de voorwielen afstellen Het toespoor en de wielvlucht van de voorwielen zijn correct ingesteld in de fabriek. Het toespoor en de wielvlucht van de voorwielen kunnen niet worden afgesteld.
  • Neem contact op met een erkend servicecentrum als het in de fabriek afgestelde toespoor of de wielvlucht van de voorwielen is verlopen. De zekering vervangen Dit product is voorzien van een autozekering. De zekeringhouder bevindt zich achter het dashboard.

1. Houd de zekeringhouder vast en trek de

doorgebrande zekering eruit.

2. Plaats een nieuwe zekering in de

zekeringhouder. De motorkap en grille verwijderen en monteren

3. Ga voor de zitmaaier staan. Houd de motorkap

aan de zijkanten vast. Kantel de motorkap in de richting van de motor en til de motorkap op om deze van het product te verwijderen.

4. Monteer in omgekeerde volgorde van

verwijderen. De aandrijfriem vervangen

1. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond

en schakel de parkeerrem in. Zie Product stoppen op pagina 102

2. Verwijder het maaidek. Zie

Het maaidek verwijderen en monteren op pagina 111

3. Verwijder de aandrijfriem van de poelie (A) en de

4. Verwijder de aandrijfriem van de motorpoelie (C)

5. Verwijder de aandrijfriem van de poelie (D) van

de achteras en de spanpoelie (E) van de riem.

6. Verwijder de aandrijfriem van het product.

7. Breng een nieuwe aandrijfriem aan in de

omgekeerde volgorde van verwijderen. De besturingshendel afstellen De besturingshendel is af fabriek correct afgesteld. Stel de besturingshendel alleen af als het product beweegt wanneer de besturingshendel in de neutrale stand staat. 1707 - 002 - 25.02.2022 1091. Draai de stelbout (A) los en draai deze licht vast.

2. Start de motor.3. Beweeg de besturingshendel (B) naar voren ofnaar achteren totdat het product niet beweegt.Houd de besturingshendel in deze stand en zetde motor uit.4. Draai de stelbout los.5. Zet de besturingshendel in de neutrale stand (C).6. Draai de stelbout volledig vast. Batterij De accu en de klemmen reinigen Corrosie en vuil op de accu en klemmen kunnenertoe leiden dat de accu ontlaadt.1. Verwijder de klembescherming.2. Koppel de ZWARTE accukabel los.3. Koppel de RODE accukabel los en verwijder deaccu uit de machine.4. Besproei de accu met water en laat hem drogen.5. Reinig de klemmen en accukabeluiteinden meteen staalborstel.6. Smeer de klemmen in met vet of gelijkwaardig.7. Plaats de accu. Zie Accu vervangen op pagina

Accu vervangen De accu is onder de stoel geplaatst. WAARSCHUWING: Risico opelektrische schok en brandwonden.Draag geen metalen polsbandjes ofandere metalen accessoires. Wanneermetalen voorwerpen de accupolenraken, kan dit brandwonden, elektrischeschokken en kortsluiting van de accuveroorzaken.1. Stop het product. Zie Product stoppen op pagina

2. Klap de stoel naar voren.3. Verwijder de beschermkappen (A) van de klem.

4. Verwijder de bout en de moer om de zwarte(negatieve) accukabel los te maken van denegatieve (-) accupool.

WAARSCHUWING: Risico op elektrische schok enbrandwonden. De zwarte(negatieve) accukabel moet wordenlosgekoppeld voordat u de rode(positieve) accukabel losmaakt.5. Verwijder de bout en de moer om de rode(positieve) accukabel los te maken van depluspool (+).6. Verwijder de accu voorzichtig uit de machine.7. Installeer dan een nieuwe accu.8. Sluit de rode (positieve) accukabel aan op deplusklem (+) en draai de bout en moer vast. WAARSCHUWING: Risicoop elektrische schok enbrandwonden. De rode (positieve)accukabel moet worden aangeslotenop de pluspool (+) voordat dezwarte (negatieve) accukabel wordtaangesloten op de minpool (-) omletsel en onbedoelde aarding tevoorkomen.9. Sluit de zwarte (negatieve) kabel aan op deminpool (-) en draai de bout en moer vast.10. Breng de beschermkappen op de polen aan.11. Klap de stoel naar achteren. Startkabels aansluiten WAARSCHUWING: Explosiegevaar door explosief gasdat afkomstig is van de accu. Sluitde negatieve aansluitklem van deopgeladen accu niet aan op of in debuurt van de negatieve aansluitklem vande zwakke accu.110 1707 - 002 - 25.02.2022OPGELET: Gebruik de accu van uw product niet om andere voertuigen testarten.1. Sluit het ene uiteinde van de rode accukabelaan op de POSITIEVE (+) accupool (A) van dezwakke accu.

2. Sluit het andere uiteinde van de rode accukabelaan op de POSITIEVE (+) accupool (B) van deopgeladen accu.

WAARSCHUWING: Zorg dat de uiteinden van de rodeaccukabel het chassis niet raken. Ditleidt tot kortsluiting.3. Sluit het ene uiteinde van de zwarte accukabelaan op de NEGATIEVE (-) accupool (C) van deopgeladen accu.4. Sluit het andere uiteinde van de zwarteaccukabel aan op een CHASSISMASSA (D), uitde buurt van de brandstoftank en de accu. Startkabels verwijderen Let op: Verwijder de startkabels in omgekeerdevolgorde van aanbrengen.1. Verwijder de ZWARTE kabel van het chassis.2. Verwijder de ZWARTE kabel van de volledigopgeladen accu.3. Verwijder de RODE kabel van de 2 accu's. Maaidek Het maaidek verwijderen en monteren Let op: Als een ander accessoire danhet maaidek wordt gebruikt, moeten de voorstestang en achterste hefstangen van het productworden verwijderd. Ook moet de veer van dekoppelingskabel in de kabelgeleider aan de voorkantvan het onderste dashboard worden geplaatst.1. Ontkoppel het maaidek. Zie Het maaidek inschakelen en ontkoppelen op pagina 103

2. Stop het product. Zie

3. Zet het maaidek in de laagste maaistand.4. Verwijder de aandrijfriem van dekoppelingspoelie (A).

5. Verwijder de koppelingskabel (B), druk de lip (C)in en verwijder de koppelingskabel uit de steun.6. Verwijder voorzichtig de veer (D) van dekoppelingskabel van de geleiderolarm (E).7. Maak de voorste stang (F) los van het maaideken verwijder de borgveer en ring.8. Verwijder de klemmen (G) en koppel deophangarmen (H) los van de chassispennen.9. Koppel de achterste hefstangen (I) los van deachterste steunen (J) van het maaidek aan beidezijden van het maaidek.10. Verwijder het maaidek van het product.11. Bevestig het maaidek in omgekeerde volgorde.De zijuitworp moet zich aan de rechterkant vanhet product bevinden. Let op: De ophangarmen moeten in devoorste stand staan voordat u het maaidek onderhet product beweegt. De uitlijning van het maaidek afstellen Maaidek visueel afstellen in de breedteAls de maaihoogte aan de linker- en rechterkant vanhet product niet gelijk is, kan de maaihoogte wordenafgesteld. Stel de maaihoogte af aan de kant met delagere maaihoogte.1. Controleer of de banden de juiste spanninghebben.2. Parkeer het product op een vlakke ondergrond.1707 - 002 - 25.02.2022 1113. Ga naar de kant van het maaidek met de lageremaaihoogte. Let op: Sommige modellen kunnen alleen worden afgesteld aan de linkerkant.4. Stel de maaihoogte af met een 3/4"-sleutel.

Let op: Met elke volledige slag van de hefstelmoer verandert de hoogte van hetmaaidek 4,7 mm.a) Draai de hefstelmoer (A) naar links om hetmaaidek te verlagen.b) Draai de hefstelmoer (A) naar rechts om hetmaaidek te verhogen.5. Maai wat gras en controleer resultaat. Stel afindien nodig.Het maaidek in de breedte nauwkeurig afstellen1. Controleer of de banden de juiste spanninghebben.2. Parkeer het product op een vlakke ondergrond.3. Zet het maaidek in de transportstand. Zie Het maaidek in de transportstand of maaistand zetten op pagina 101

4. Draai de bladuiteinden om ze aan weerskantenuit te lijnen met het maaidek.

bladen op het maaidek zijn scherpen kunnen letsel veroorzaken. Draagveiligheidshandschoenen.5. Meet de afstand (B) vanaf de onderste randvan het blad tot de grond aan de linker- enrechterkant. B B Let op: De afstand moet aan beide kantenhetzelfde zijn.6. Stel de maaihoogte af met een 3/4"-sleutel. Let op: Met elke volledige slag van dehefstelmoer verandert de maaihoogte 4,7 mm.a) Draai de hefstelmoer (A) naar links om hetmaaidek te verlagen.

b) Draai de hefstelmoer (A) naar rechts om hetmaaidek te verhogen.7. Meet de afstand opnieuw. Stel af totdat de 2zijden gelijk zijn.8. Maai wat gras en controleer resultaat. Stel afindien nodig.Het maaidek in de lengte afstellenHet maaidek moet in de breedte recht zijn geplaatstvoordat u het in de lengte afstelt. Zie Maaidek visueel afstellen in de breedte op pagina 111

1. Controleer of de banden de juiste spanninghebben.2. Parkeer het product op een vlakke ondergrond.3. Zet het maaidek in de transportstand. Zie Het maaidek in de transportstand of maaistand zetten op pagina 101

4. Draai de bladen totdat ze recht naar vorenwijzen.

bladen op het maaidek zijn scherpen kunnen letsel veroorzaken. Draagveiligheidshandschoenen.5. Meet de afstand tussen de grond en hetachterste (A) en voorste (B) uiteinde van hetblad.

Let op: Voor de beste maairesultaten dienende bladen zodanig te worden afgesteld dat hetvoorste uiteinde 3,1-12,7 mm lager is dan hetachterste uiteinde als het maaidek zich in dehoogste stand bevindt.6. Stel de voorkant van het product af. 1707 - 002 - 25.02.20227. Draai met een sleutel van 11/16" de tegenmoer(C) los om de hefstelmoer (D) vrij te zetten.

8. Stel de hoogte van het maaidek af met een 3/4"-sleutel.

Let op: Met elke volledige slag van de hefstelmoer verandert de hoogte van hetmaaidek 3,1 mm.a) Draai de hefstelmoer linksom om hetmaaidek te verlagen.b) Draai de hefstelmoer rechtsom om hetmaaidek te verhogen.9. Meet de afstand voor en achter opnieuw.10. Pas aan totdat de voorkant van het blad 3,1-12,7mm lager is dan de achterkant.11. Houd de hefstelmoer op zijn plaats met desleutel en haal de contramoer aan. Messen vervangen Voor de beste resultaten houdt u de messen van demaaier scherp. Vervang verbogen of beschadigdemessen. OPGELET: Gebruik alleenvervangende messen die zijngoedgekeurd door de fabrikant. Het isgevaarlijk messen te gebruiken die nietzijn goedgekeurd door de fabrikant vande machine. Dit kan schade aan demachine veroorzaken en ertoe leiden datuw garantie komt te vervallen.1. Zet het maaidek in de transportstand. Zie Het maaidek in de transportstand of maaistandzetten op pagina 101

2. Verwijder de bout (A) door deze linksom tedraaien en verwijder het blad (B).

WAARSCHUWING: De bladen op het maaidek zijn scherpen kunnen letsel veroorzaken. Draagveiligheidshandschoenen.3. Installeer het nieuwe of geslepen blad en debout. OPGELET: Het middelste gat (C) in het blad moet uitgelijnd wordenmet de ster (D) op de aseenheid (E).4. Draai de bout aan met een aanhaalmoment van62-75 Nm. De aandrijfriem van het maaidek verwijderen

1. Parkeer de machine op een vlakke ondergronden schakel de parkeerrem in. Zie Productstoppen op pagina 102

2. Zet het maaidek in de laagste stand. ZieMaaihoogte afstellen op pagina 101

3. Verwijder het vuil en gras rondom de assen envan de bovenkant van het maaidek.4. Verwijder de aandrijfriem (A) van dekoppelingspoelie (B) op de motoras.

5. Verwijder de aandrijfriem van de aspoelies (C)en de geleidepoelies (D).1707 - 002 - 25.02.2022

113De aandrijfriem van het maaidek aanbrengen

1. Breng de aandrijfriem (A) aan rond de aspoelies

OPGELET: Plaats de aandrijfriem correct in alle groeven op de maaidekpoelies. De aandrijfriem kan beschadigd raken als deze niet correct is gemonteerd.

2. Breng de aandrijfriem aan rond de geleidepoelies

3. Breng de aandrijfriem aan rond de

koppelingspoelie (D) op de motoras.

4. Zet het maaidek in de transportstand. Zie

Het maaidek in de transportstand of maaistand zetten op pagina 101

De anti-scalp-rollen afstellen De anti-scalp-rollen zorgen dat het maaidek in de juiste positie op de grond blijft en dat scalperen op de meeste soorten terrein wordt voorkomen. De anti- scalp-rollen zijn goed afgesteld als ze iets van de grond staan wanneer het maaidek op de gewenste maaihoogte staat.

1. Parkeer het product op een vlakke ondergrond

en schakel de motor uit.

2. Stel het product op de juiste maaihoogte af. Zie

Maaihoogte afstellen op pagina 101

moer in de juiste positie aan.

5. Stel alle anti-scalp-rollen af en plaats ze volgens

dezelfde procedure. Motor De motor smeren Gebruik alleen reinigingsolie van hoge kwaliteit, voorzien van de API-onderhoudsclassificatie SJ–SN. De SAE-viscositeitsgraad van de olie verwijst naar de juiste bedrijfstemperatuur.

5W-30SAE 30 Let op: Multi-viscositeitsoliën (5W30, 10W30, etc.) laten de motor makkelijker starten bij koud weer, maar leiden tot een groter olieverbruik wanneer ze gebruikt worden bij temperaturen boven 0 °C. Controleer het motoroliepeil regelmatig om mogelijke motorschade door een laag oliepeil te voorkomen.

  • Vervang de olie telkens na 50 bedrijfsuren. Als de machine niet meer dan 50 bedrijfsuren in een jaar wordt gebruikt, vervangt u de olie ten minste 1 keer per jaar.
  • Controleer het oliepeil in het carter voordat u de motor start en telkens na acht (8) bedrijfsuren.
  • Draai de olievuldop/peilstok vast telkens als u het oliepeil hebt gecontroleerd. Het motoroliepeil controleren De motor in het product is gevuld met motorolie voor omgevingstemperaturen hoger dan 0 °C. Gebruik bij omgevingstemperaturen lager dan 0 °C de juiste motorolie om het starten van het product te vergemakkelijken. Zie

1. Parkeer het product op een vlakke ondergrond.

1707 - 002 - 25.02.20222. Verwijder de olievuldop met de peilstok en veeg de peilstok schoon met een doek.

3. Plaats de peilstok in de olievulbuis. Draai de

olievuldop niet op de olievulbuis.

4. Verwijder de peilstok. Gebruik de markeringen

op de peilstok om het motoroliepeil te controleren. Indien nodig vult u motorolie bij tot aan de markering "FULL" op de peilstok. Vul nooit te veel motorolie bij.

5. Plaats de peilstok in de olievulbuis. Zorg ervoor

dat u de olievuldop volledig is vastgedraaid. Let op: Zie De motorolie verversen op pagina 115 voor het verversen van de motorolie. De motorolie verversen Als de motor koud is, moet u de motor starten en 1-2 minuten laten draaien voordat u de motorolie aftapt. Hierdoor wordt de motorolie warm en is deze sneller af te tappen. WAARSCHUWING: Laat de motor niet langer dan 1 tot 2 minuten draaien voordat u de motorolie aftapt. De motorolie wordt zeer heet en kan brandwonden veroorzaken. Laat de motor afkoelen voordat u de motorolie aftapt. WAARSCHUWING: Draag veiligheidshandschoenen. Als u motorolie morst op uw lichaam, was dat dan af met water en zeep.

1. Plaats het product op een vlakke ondergrond en

schakel het product uit. Zie Product stoppen op pagina 102

2. Verwijder al het vuil rond de olietankdop.

3. Verwijder de olietankdop en peilstok.

4. Plaats de olieaftapverlenging (A) op het chassis,

onder de olieaftapplug (B).

5. Plaats een opvangbak onder de

olieaftapverlenging.

6. Verwijder de olieaftapplug met een dopsleutel.

aan tot 17 Nm. OPGELET: Draai de olieaftapplug niet te strak vast.

10. Vul de motorolietank bij met nieuwe olie en

controleer het motoroliepeil opnieuw. Zie Het motoroliepeil controleren op pagina 114

Let op: Voor veilig afvoeren van afgewerkte motorolie, zie Afvoeren op pagina 123

Het motoroliefilter vervangen WAARSCHUWING: Draag veiligheidshandschoenen. Als u motorolie morst op uw lichaam, was dat dan af met water en zeep.

1. Tap de motorolie af uit de olietank. Zie

2. Draai het motoroliefilter linksom om dit te

3. Smeer de rubberen afdichting op het nieuwe

oliefilter in met een beetje verse motorolie.

4. Om het nieuwe oliefilter aan te brengen, draait u

het filter rechtsom tot de rubberen afdichting op zijn plaats zit, waarna u het filter nog een halve slag verder draait.

5. Vul de olietank met verse motorolie. Zie

6. Start de motor en laat deze gedurende drie

minuten stationair draaien.

7. Schakel de motor uit en controleer het oliefilter

op lekkage. Let op: Als er sprake is van olielekkage, draait u het oliefilter verder vast.

8. Vul de olietank bij met meer motorolie om de

motorolie aan te vullen die het nieuwe oliefilter heeft opgenomen. Het luchtfilter reinigen Een vuil luchtfilter zorgt ervoor dat de motor niet goed draait. Reinig het luchtfilter vaker in stoffige omstandigheden. Het luchtscherm reinigen Let op: Het luchtscherm moet vrij van vuil worden gehouden, om te voorkomen dat er motorschade ontstaat door oververhitting. 1707 - 002 - 25.02.2022 115• Reinig het luchtscherm met een draadborstel of perslucht om vuil te verwijderen. Het koelsysteem van de motor onderhouden Let op: Een verstopt grasscherm, vuile of volle koelribben en/of een verwijderde behuizing van de ventilator, etc. kunnen de motor doen oververhitten en motorschade veroorzaken.

  • Zorg ervoor dat het grasscherm, de koelribben en andere externe oppervlakken van de motor altijd schoon zijn.
  • Telkens na 100 bedrijfsuren (vaker in extreem stoffige en vuile omstandigheden) verwijdert u de behuizing van de ventilator en andere onderdelen van het koelsysteem van de motor. Reinig de koelribben en externe oppervlakken indien nodig. Zorg ervoor dat de onderdelen van het koelsysteem van de motor correct zijn geïnstalleerd. De bougies vervangen Het type bougie en de elektrodeafstand worden weergegeven in Technische gegevens op pagina
  • Vervang de bougies aan het begin van elk maaiseizoen of telkens na 100 bedrijfsuren. Het inline-brandstoffilter vervangen Let op: Vervang het inline-brandstoffilter ten minste één keer per jaar. Vervang het inline-brandstoffilter als het verstopt is en de brandstofstroom naar de carburateur belemmerd wordt.

1. Laat de motor afkoelen.

2. Verwijder het inline-brandstoffilter (B) en dicht de

uiteinden van de brandstofleiding af met pluggen.

3. Breng het nieuwe inline-brandstoffilter op zijn

plaats in de brandstofleiding, met de pijl in de richting van de carburateur.

4. Zorg dat de brandstofleiding niet lekt en dat de

Lucht uit de transmissie verwijderen OPGELET: De vrijloophendel niet in- of uitschakelen terwijl de motor draait. Om goede prestaties te kunnen blijven leveren, verwijdert u de lucht in de transmissie voordat u de machine voor de eerste keer gebruikt. Als u de transmissie vervangt, verwijdert u de lucht in de nieuwe transmissie vóór gebruik.

1. Plaats de machine veilig op een vlakke

ondergrond die vrij en open is. Zet de motor uit en schakel de parkeerrem in.

2. Plaats de vrijloopregeling in de uitgeschakelde

stand om de transmissie uit te schakelen. (Zie Transport op pagina 121

3. Ga op de stoel van de zitmaaier zitten en start de

motor. Zodra de motor draait, zet u de gashendel in de langzame stand en vervolgens schakelt u de parkeerrem uit

4. Trap het pedaal voor vooruitrijden helemaal in,

houd het vijf (5) seconden vast en laat het pedaal los. Trap het pedaal voor achteruitrijden helemaal in, houd het vijf (5) seconden vast en laat het pedaal los. Voer deze procedure drie (3) keer uit. Let op: Tijdens deze procedure kunnen de aandrijfwielen bewegen.

5. Stop de motor en schakel de parkeerrem in.

6. Plaats de vrijloopregeling in de ingeschakelde

stand om de transmissie in te schakelen. (Zie Transport op pagina 121 in dit deel van de handleiding.)

7. Ga op de stoel van de zitmaaier zitten en start de

motor. Zodra de motor draait, zet u de gashendel in de stand voor halve (1/2) snelheid. Schakel de parkeerrem uit.

8. Rijd ongeveer 1,5 m (5ft) vooruit en daarna 1,5 m

(5 ft) achteruit. Voer deze procedure drie keer uit.

1707 - 002 - 25.02.2022Probleemoplossing Probleem Oorzaak Actie De motor start niet. Geen brandstof in de brandstof- tank. Vul de brandstoftank. De gashendel staat niet in de juis- te stand. Raadpleeg de startinstructies. De bougie is defect. Vervang de bougie. Het luchtfilter is vuil. Reinig of vervang het luchtfilter. Het brandstoffilter is verstopt. Vervang het brandstoffilter. Er is water in de brandstof. Tap alle brandstof in de brandstof- tank en de carburateur af. Vul de brandstoftank met nieuwe brand- stof en vervang het brandstoffilter. De draden zitten los of zijn be- schadigd. Controleer alle draden. De motorkleppen zijn niet correct afgesteld. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. De motor is 'verzopen'. Wacht 2-3 minuten voordat u de motor opnieuw probeert te starten. Er zit verkeerde brandstof in de brandstoftank. Vervang de brandstof in de brand- stoftank. De startmotor laat de motor niet aanslaan. De accu is te zwak. Laad de accu op. De koppelingshendel van het op- zetstuk is ingeschakeld. Schakel de koppelingshendel van het opzetstuk uit. Het koppelings-/rempedaal is niet volledig ingetrapt. Trap het koppelings-/rempedaal volledig in wanneer u de motor start. Slecht contact bij de kabelklem- men op de accupolen. Controleer de accu-aansluitingen. De hoofdzekering is defect. Vervang de hoofdzekering. Het contactslot is defect. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. De veiligheidsconnector voor het koppelings-/rempedaal is defect. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. De startmotor of de solenoïde is defect. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. De dodemansregeling (OPC) is defect. Controleer alle draden, schake- laars en aansluitingen. Indien dit niet correct is, neemt u contact op met een erkende servicewerk- plaats. Gebruik het product niet als de dodemansregeling defect is. 1707 - 002 - 25.02.2022 117Probleem Oorzaak Actie De motor loopt niet soepel. De bougie is defect. Vervang de bougie. De carburateur is niet correct afge- steld. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. Het luchtfilter is vuil. Reinig of vervang het luchtfilter. De terugslagklep op de brandstof- tankdop is defect. Vervang de tankdop. De brandstoftank is bijna leeg. Vul de brandstoftank met brand- stof. Er is water in de brandstof. Tap alle brandstof in de brandstof- tank en de carburateur af. Vul de brandstoftank met nieuwe brand- stof en vervang het brandstoffilter. De choke is ingeschakeld en de motor is warm. Schakel de choke uit. Het brandstofmengsel of het brandstoftype is onjuist. Tap alle brandstof in de brandstof- tank en de carburateur af. Vul de brandstoftank met het juiste brand- stofmengsel of brandstoftype. Het brandstoffilter is verstopt Vervang het brandstoffilter. De bougie is defect. Vervang de bougie. Vuil in de carburateur of brandstof- leiding. Reinig de carburateur en brand- stofleidingen. De motor wordt te heet. De motor is overbelast. Verlaag de werklast. De luchtinlaat of de koelribben op de motor zijn geblokkeerd. Reinig de luchtinlaat en de koelrib- ben van de motor. De koelventilator is defect. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. Het motoroliepeil is te laag. Controleer het motoroliepeil. Vul indien nodig motorolie bij. Het contactslot is defect. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. De bougie is defect. Vervang de bougie. 118 1707 - 002 - 25.02.2022Probleem Oorzaak Actie De machine verliest vermogen. Het product wordt gebruikt met een te hoog toerental vooruit of achteruit bij het maaien van gras. Gebruik een lager toerental. De gashendel staat in de choke- stand. Zet de gashendel in de snelle stand. Er is ophoping van gras, bladeren of ongewenst materiaal onder het maaidek. Reinig het maaidek. Het luchtfilter is vuil. Reinig of vervang het luchtfilter. Het motoroliepeil is te laag. Controleer het motoroliepeil. Vul indien nodig motorolie bij. De motorolie is vervuild. Ververs de motorolie. De bougie is defect. Vervang de bougie. Het brandstoffilter is vervuild. Vervang het brandstoffilter. Er zit verkeerde brandstof in de brandstoftank. Vervang de brandstof in de brand- stoftank. Er is water in de brandstof. Tap alle brandstof in de brandstof- tank en de carburateur af. Vul de brandstoftank met nieuwe brand- stof en vervang het brandstoffilter. De bougiekabel zit los. Sluit de bougiekabel aan en zet hem vast. De luchtinlaat of de koelribben op de motor zijn geblokkeerd. Reinig de luchtinlaat en de koelrib- ben van de motor. De demper is verstopt of bescha- digd. Reinig of vervang de demper. Er is sprake van losse of bescha- digde draden. Controleer alle draden. De motorkleppen zijn niet correct afgesteld. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. Het product trilt. De messen zitten los. Haal de bouten op de bladen aan. Eén of meer bladen zijn bescha- digd of niet goed uitgebalanceerd. Balanceer de bladen of vervang de bladen. De motor zit los. Draai de motorbouten vast. De accu laadt niet. De hoofdzekering is defect. Vervang de hoofdzekering. De accu is defect. Vervang de accu. De laadkabel is losgekoppeld. Sluit de laadkabel aan. Slecht contact bij de kabelklem- men op de accupolen. Controleer de accu-aansluitingen. De motor werkt wanneer de ge- bruiker opstaat van de stoel en het maaidek is ingeschakeld. De dodemansregeling (OPC) is defect. Controleer alle draden, schake- laars en aansluitingen. Indien dit niet correct is, neemt u contact op met een erkende servicewerk- plaats. Gebruik het product niet als de dodemansregeling defect is. 1707 - 002 - 25.02.2022 119Probleem Oorzaak Actie De bladen kunnen niet ronddraai- en. Het koppelingsmechanisme is ge- blokkeerd. Verwijder de blokkade. De aandrijfriem van het maaidek is versleten of beschadigd. Vervang de aandrijfriem voor het maaidek. Een geleidepoelie zit vast. Vervang de geleidepoelie. Een draaispil zit vast. Vervang de draaispil. Defecte grasuitworp. Het motortoerental is te laag. Zet de gashendel in de snelle stand. Het product wordt bediend met een te hoog toerental voor voor- of achteruit. Gebruik een lager toerental. Het gras is nat. Zorg ervoor dat het gras droog is voordat u gaat maaien. Het maaidek is niet parallel. Stel de parallelliteit van het maai- dek af. Zie De uitlijning van het maaidek afstellen op pagina 111

De bandenspanning is onjuist. Controleer de bandenspanning. Pas de bandenspanning indien no- dig aan. De bladen zijn versleten, bescha- digd of zitten los. Vervang de bladen of draai de bouten op de bladen vast. Ophoping van gras of vuil onder het maaidek. Reinig het maaidek. De aandrijfriem van het maaidek is versleten of beschadigd. Vervang de aandrijfriem voor het maaidek. De bladen zijn onjuist gemonteerd. Monteer de bladen met de scherpe rand naar beneden. Verkeerde bladen gebruikt. Vervang de bladen door de juiste bladen volgens de onderdelenlijst. Verstopte luchtgaten in het maai- dek door ophoping van gras of vuil rond de assen. Reinig rondom de assen om de luchtopeningen vrij te maken. De koplamp werkt niet. De koplampschakelaar staat in de stand Off. Zet de koplampschakelaar in de stand On. De lamp is defect. Vervang de lamp. De aan/uit-schakelaar voor de koplamp is defect. Vervang de aan-/uitschakelaar voor de koplamp. De kabel naar de koplamp is niet aangesloten. Controleer de draden en aanslui- tingen. Er is kortsluiting in de koplampka- bel. Neem contact op met een erkende servicewerkplaats. 120 1707 - 002 - 25.02.2022Probleem Oorzaak Actie Het product beweegt langzaam, onregelmatig of helemaal niet. Het product staat in de vrijloopmo- dus. Trek de vrijloophendel naar buiten. Zie Het product in de vrijloopmo- dus zetten op pagina 104

De parkeerrem is ingeschakeld. Schakel de parkeerrem uit. De aandrijfriem zit los of is be- schadigd. Vervang de aandrijfriem. Er zit lucht in de transmissie. Verwijder de lucht uit de transmis- sie. Zie Lucht uit de transmissie verwijderen op pagina 116

Er zit ongewenst materiaal op de stuurplaat (indien de stuurplaat is aangebracht). Reinig het product. De rechthoekige spie op de as ont- breekt. Breng de rechthoekige spie aan. Zie De banden repareren op pagi- na 108

Het maairesultaat is onvoldoende. De messen zijn bot of beschadigd. Slijp of vervang de bladen. Het maaidek is niet parallel. Stel de parallelliteit van het maai- dek af. Zie De uitlijning van het maaidek afstellen op pagina 111

Het gras is nat. Zorg ervoor dat het gras droog is voordat u gaat maaien. Het gras is lang. Begin met een hoge maaihoogte en verlaag die geleidelijk. De bandenspanning is onjuist. Controleer de bandenspanning. Pas de bandenspanning indien no- dig aan. Het product wordt bediend met een te hoog toerental voor voor- of achteruit. Gebruik een lager toerental. De aandrijfriem van het maaidek is versleten of beschadigd. Vervang de aandrijfriem voor het maaidek. De motor knalt wanneer de motor stopt. De gashendel staat niet in de lang- zame stand. Zie Product stoppen op pagina

De motor stopt wanneer u probeert achteruit te rijden. Het achteruitrijsysteem (ROS) is niet ingeschakeld. Schakel het achteruitrijsysteem (ROS) in. Zie Het achteruitrijsys- teem (ROS) gebruiken op pagina

Vervoer, opslag en verwerking Transport Let op: Sluit de motorkap en bevestig hem aan de machine tijdens transport om schade te voorkomen. Bevestig de motorkap met de juiste hulpmiddelen (touw, draad, etc.) aan de machine. Wanneer u de machine vervoert, zet u de vrijloopregeling in de vrijloopstand om de transmissie 1707 - 002 - 25.02.2022 121uit te schakelen. De vrijloopregeling bevindt zich op de achterste trekstang van de machine.

1. Zet het hulpstuk in de hoogste stand met de

hefregeling voor het hulpstuk.

2. Breng de vrijloopregeling uit en weer in de sleuf

en laat hem los om hem in de uitgeschakelde stand te houden.

3. Verplaats de machine niet met meer dan 3,2

voert u bovenstaande procedure in omgekeerde volgorde uit. De machine veilig als trekker gebruiken

  • Gebruik alleen door Husqvarna goedgekeurde trekuitrusting.
  • Gebruik de trekhaak om de uitrusting te bevestigen.
  • Trek nooit apparatuur die zwaarder is dan het maximaal toegestane gewicht.
  • Zorg ervoor dat zich geen andere personen in de buurt van het product bevinden wanneer u apparatuur trekt.
  • Trek geen apparatuur op hellingen of in ruig terrein.
  • Gebruik het product met een laag toerental wanneer u apparatuur trekt. Opslag Bereid het product voor op opslag aan het eind van het seizoen, en voorafgaand aan opslag langer dan 30 dagen. Als u de brandstof langer dan 30 dagen in de tank laat zitten, kunnen kleverige deeltjes verstopping in de carburateur veroorzaken. Dit heeft een negatief effect op de werking van de motor. Voeg een stabilisatiemiddel toe aan de brandstof om te voorkomen dat kleverige deeltjes ontstaan tijdens opslag van de machine. Bij gebruik van alkylaatbenzine is toevoegen van een stabilisatiemiddel niet nodig. Als u standaard benzine gebruikt, ga dan niet over op het gebruik van alkylaatbenzine. Hierdoor kunnen kwetsbare rubberen onderdelen hard worden. Voeg een stabilisatiemiddel toe aan de brandstof in de tank of in de jerrycan. Gebruik altijd de mengverhoudingen die de fabrikant voorschrijft. Laat de motor minstens 10 minuten draaien nadat u het stabilisatiemiddel heeft toegevoegd om te zorgen dat het stabilisatiemiddel ook de carburateur bereikt. WAARSCHUWING: Zet het product met brandstof in de tank niet binnen of op plekken met een slechte ventilatie. Er is gevaar voor brand als brandstofdampen dicht bij open vuur, vonken of waakvlammen zoals die van boilers, heetwatertanks of wasdrogers komen. WAARSCHUWING: Verwijder gras, bladeren en andere brandbare materialen van het product om het risico van brand te verkleinen. Laat het product afkoelen voordat u die in de stallingsruimte plaatst.
  • Reinig het product, zie Product reinigen op pagina 107 . Werk lakbeschadigingen bij om corrosie te voorkomen.
  • Inspecteer het product op versleten of beschadigde onderdelen en draai loszittende moeren en schroeven vast.
  • Verwijder de accu. Reinig hem, laad hem op en berg hem op een koele plaats op.
  • Ververs de motorolie en voer de afgewerkte olie af.
  • Leeg de brandstoftank. Start de motor en laat die draaien tot de carburateur leeg is. Let op: Leeg de brandstoftank en de carburateur niet als u een stabilisatiemiddel aan de tank heeft toegevoegd.
  • Verwijder de bougies en giet ongeveer een eetlepel motorolie in elke cilinder. Draai de motoras om de olie aan te brengen en breng de pluggen weer aan.
  • Smeer alle smeernippels, koppelingen en assen.
  • Stal het product in een schone en droge ruimte en dek het product af voor extra bescherming.
  • Een hoes voor bescherming van uw product tijdens stalling of transport is verkrijgbaar bij uw dealer.

1707 - 002 - 25.02.2022Afvoeren

  • Chemicaliën kunnen gevaarlijk zijn en mogen niet worden in de bodem wordt geloosd. Voer gebruikte chemicaliën af naar uw servicepunt of een afvalverwerkingspunt.
  • Wanneer het product is versleten, lever het dan in bij uw dealer of een geschikt recyclingbedrijf.
  • Olie, oliefilters, brandstof en de accu kunnen negatieve effecten hebben op het milieu. Neem de plaatselijk geldende wet- en regelgeving voor recycling in acht.
  • Gooi de accu niet bij het huishoudelijk afval.
  • Lever de accu in bij een Husqvarna servicewerkplaats of bij een bedrijf dat oude accu's verwerkt. Technische gegevens TS142L Motor Merk motor LCC Motormodel LC1P92F Nominaal motorvermogen, kW / pk

Het door de motorfabrikant aangegeven nominale motorvermogen is het gemiddelde brutovermogen bij het opgegeven toerental van een typische productiemotor voor het motormodel, dat is gemeten volgens de SAE-normen voor bruto motorvermogen. Zie de motorspecificaties van de motorfabrikant. 1707 - 002 - 25.02.2022 123TS142L Bladlengte, inch / cm 21 / 53 Maaibreedte, inch / cm 42,13 / 107 Maaihoogte, inch / cm 1,5-4,0 / 3,8-10,2 Banden Bandenspanning, achter – voor, kPa / PSI / bar 103 / 15 / 1 Voorbanden, inch 15 x 6-6 Achterbanden, pneumatisch voor grasmat, inch 18 x 9,5-8 Remmen Mechanische parkeerrem Elektrisch systeem Type 12 V Accu 28 A Bougie XC12YC Afstand tussen de elektroden, inch/mm 0,030 / 0,76 Aanhaalmoment bougie, lb-ft / Nm 14,75 / 20 Geluidsemissies

Geluidsvermogenniveau, gemeten dB(A) 99 Geluidsvermogenniveau, gegarandeerd L

Geluidsdrukniveau bij het oor van de gebruiker, dB(A)

0,37 Service Service Laat uw product jaarlijks door een erkend servicepunt controleren om te zorgen dat het product tijdens het hoogseizoen veilig en optimaal presteert. De beste tijd voor onderhoud of revisie van het product, is het laagseizoen. Wanneer u onderdelen bestelt, vermeld dan de aanschafdatum, model, type en serienummer. Gebruik altijd originele reserveonderdelen.

Geluidsemissie naar de omgeving gemeten als geluidsvermogen (L

) volgens EG-richtlijn 2000/14/ EG. Het gerapporteerde geluidsvermogensniveau voor de machine is gemeten met de originele snijuit- rusting die het hoogste niveau geeft. Het verschil tussen gegarandeerd en gemeten geluidsvermogen is dat het gegarandeerde geluidsvermogen ook spreiding in het meetresultaat omvat en de verschillen tussen de verschillende machines van hetzelfde model conform Richtlijn 2000/14/EG.

De gerapporteerde gegevens voor een vergelijkbaar geluidsdrukniveau voor de machine vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking) van 1 dB(A).

De gerapporteerde gegevens voor een vergelijkbaar trillingsniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking) van 1 m/s

124 1707 - 002 - 25.02.2022Verklaring van overeenstemming 1707 - 002 - 25.02.2022 125EU-verklaring van conformiteit Wij, Husqvarna AB, SE 561 82 Huskvarna, ZWEDEN, verklaren onder onze alleenverantwoordelijkheid dat het gerepresenteerde product: Beschrijving Zitmaaier met verbrandingsmotor Merk Husqvarna Platform / Type / Model TS142L Partij Serienummer vanaf en verder volledig voldoet aan de volgende EU-richtlijnen en -regelgeving: Richtlijn/Verordening Beschrijving 2006/42/EG "betreffende machines" 2011/65/EU "beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen" 2014/30/EU "betreffende elektromagnetische compatibiliteit" 2000/14/EG, 2005/88/EG "betreffende geluid buitenshuis" Toegepaste geharmoniseerde normen en/of technische specificaties zijn als volgt: EN ISO

12100:2010, EN ISO 14982:2009, EN ISO 5395-1

& 3:2013, EN ISO 3744:2010, EN ISO 11094:1991, EN 1032:2009, EN IEC 63000:2018. In overeenstemming met richtlijn 2000/14/EG, bijlage VIII, staan de verklaarde geluidswaarden vermeld in de sectie met technische gegevens van deze handleiding en in de ondertekende EU-verklaring van conformiteit. De geleverde zitmaaier met verbrandingsmotor is conform het geteste exemplaar. Namens Husqvarna AB, SE 561 82 Huskvarna,