TS 348XD - Tractor HUSQVARNA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis TS 348XD HUSQVARNA in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding TS 348XD - HUSQVARNA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. TS 348XD van het merk HUSQVARNA.
GEBRUIKSAANWIJZING TS 348XD HUSQVARNA
- Lees de instructies aandachtig. Zorg dat u vertrouwd bent met de bedieningselementen en het juiste gebruik van de machine.
- Laat kinderen of mensen die niet bekend zijn met de in- structies, de maaimachine niet gebruiken. Het is mogelijk dat plaatselijke voorschriften een beperking stellen aan de leeftijd van de bestuurder.
- Maai nooit terwijl mensen, vooral kinderen, of huisdieren in de buurt zijn.
- Bedenk dat de bestuurder of gebruiker verantwoordelijk is voor ongelukken of risico’s die andere mensen of hun eigendommen kunnen overkomen.
- Geen passagiers vervoeren.
- Alle bestuurders dienen vakkundige instructies te ontvan- gen. Bij dergelijke instructies dient de nadruk te worden gelegd op: - de noodzaak voor aandacht en concentratie bij het werken met zittrekkers; - een zittrekker die op een helling wegglijdt, kan niet onder controle worden gehouden door te remmen. De hoofdredenen voor besturingsverlies zijn: a) onvoldoende houvast; b) te snel rijden; c) ontoereikend remmen; d) het soort machine is niet geschikt voor de taak; e) gebrek aan kennis van het effect van bodemcondities, vooral hellingen; f) verkeerd vastkoppelen en verkeerde verdeling van de lading.
- Inspecteer om brandgevaar te voorkomen, of er afvalo- phopingen zijn bij de tractor, de maaier en achter alle beveiligingen en verwijder die – voor het gebruik, als u brandstof tankt en aan het einde van iedere maaisessie.
- Draag tijdens het maaien altijd stevige schoenen en een lange broek. Gebruik de ma chine niet blootsvoets of terwijl u open sandalen draagt.
- Inspecteer de plek waar de machine zal worden gebruikt, grondig en verwijder alle voorwerpen die door de ma chine kunnen worden weggeslingerd.
- WAARSCHUWING - Benzine is licht ontvlambaar. - Bewaar brandstof in blikken die speciaal voor dat doel zijn bestemd. - Tank alleen buiten en rook niet tijdens het tanken. - Tank voordat u de motor start. Draai de dop nooit van de benzinetank af of tank nooit terwijl de motor draait of heet is. - Als benzine is gemorst, probeer de motor dan niet te starten maar haal de machine van de plaats vandaan waar u benzine heeft gemorst en zorg dat u geen ont- stekingsbron teweeg brengt totdat de benzinedampen zijn verdreven. - Draai de dop van alle brandstoftanks en -blikken weer goed vast.
- Vervang defecte geluiddempers.
- Inspecteer vóór het gebruik altijd of de messen, mesbouten en maai-inrichting niet versleten of beschadigd zijn. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten in sets om het evenwicht in stand te houden.
- Op machines met meerdere messen dient u eraan te denken dat het draaien van één mes andere messen kan doen draaien.
- Laat de motor niet draaien in een besloten ruimte waar gevaarlijke koolmonoxydedampen zich kunnen verzamelen.
- Maai alleen bij daglicht of goed kunstlicht.
- Voordat u de motor gaat starten, moet u alle meshulpstuk- koppelingen uitschakelen en naar de vrijloop schakelen.
- Gebruik de trekker niet op hellingen van meer dan 15°.
- Vertrouw niet op de kantelindicator om te zien wanneer de helling steiler is dan de maximaal aanbevolen bedien- ingshoek van 15°.
- Denk eraan dat er geen “veilige” hellingen bestaan. Bij het rijden op hellingen met gras dient men extra voorzichtig te zijn. Zo zorgt u ervoor dat de trekker niet omslaat: - stop en start niet plotseling bij het op- of afrijden van een helling. - schakel de koppeling langzaam in, houd de ma chine altijd in de versnelling, vooral bij het afrijden van een heuvel; - de snelheid van de machine dient op hellingen en in scherpe bochten laag te worden gehouden; - kijk uit voor bulten en kuilen en andere verborgen gevaren. - maai nooit dwars op de helling tenzij de maaier voor dit doel is ontworpen.
- Wees voorzichtig bij het trekken van ladingen of het gebruik van zwaar materieel. - Gebruik alleen goedgekeurde aanhaakpunten voor een trekstang. - Beperk de lading tot hetgeen u veilig kunt hanteren. - Maak geen scherpe bochten. Wees voorzichtig bij achteruit rijden. - Gebruik contragewicht(en) of wielgewichten wanneer dat in de handleiding wordt aangeraden.
- Kijk uit voor het verkeer wanneer u de weg oversteekt of zich nabij een weg bevindt.
- Stop de messen voordat u andere oppervlakken dan gras oversteekt.
- Voer bij het gebruik van hulpstukken het materiaal nooit af in de richting van omstanders en laat niemand in de buurt van de machine komen terwijl deze in bedrijf is.
- Gebruik de maaimachine nooit met defecte beschermkappen en schermen of zonder beveiligingsinrichtingen op hun plaats.
- Verander de instelling van de motorregelaar niet en laat de motor niet met te hoge toeren draaien. Als de motor met te hoog toerental draait, kan het risico van lichamelijk letsel groter worden.
- Voordat u de bestuurdersstoel verlaat: - de aftakas uitschakelen en de hulpstukken neerlaten; - naar de vrijloop schakelen en de parkeerrem inschakelen; - de motor stoppen en de sleutel verwijderen.
- Schakel de aandrijving naar de hulpstukken uit, stop de motor en maak de bougiekabel(s) los of verwijder het contactsleuteltje, - voordat u opgehoopt materiaal weghaalt of een verstopte afvoer leeg maakt; - voordat u de maaimachine controleert, schoonmaakt of eraan werkt; - nadat u een ongewenst voorwerp heeft geraakt. Inspect- eer de maaimachine op schade en voer reparaties uit voordat u de machine weer start en gebruikt; - als de machine abnormaal begint te trillen (onmiddellijk controleren). - vor dem Entfernen von Verstopfungen aus dem Mähwerk oder dem Auswurf;
- Schakel de aandrijving naar de hulpstukken uit tijdens transport of als ze niet worden gebruikt.
- Stop de motor en schakel de aandrijving naar het hulpstuk uit, - Voordat u tankt; - voordat u de opvangzak verwijdert;
1. Veiligheidsregels
Veilige bedieningsmethoden voor zittrekkers BELANGRIJK: DEZE MAAIMACHINE KAN HANDEN EN VOETEN AMPUTEREN EN VOORWERPEN WEGSLINGEREN. HET NIET OPVOLGEN VAN DEZE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES KAN ERNSTIG OF DODELIJK LETSEL TOT GEVOLG HEBBEN.14 - voordat u de hoogte verstelt tenzij de hoogte vanuit de bestuurdersplaats kan worden ingesteld.
- Minder gas tijdens het uitlopen van de motor, en als de motor met een afsluitklep is uitgerust, moet u de brand- stoftoevoer aan het einde van het maaien afsluiten.
WAARSCHUWING: KINDEREN KUNNEN VERWOND
WORDEN DOOR DEZE APPARATUUR. De American Academy of Pediatrics adviseert dat kinderen minimaal 12 jaar moeten zijn voordat ze een lopend bediende gazonmaaier gebruiken en minimaal 16 jaar moeten zijn voordat ze een rijdende gazonmaaier gebruiken.
- Bij het laden of ontladen van de machine mag de maxi- maal aanbevolen bedieningshoek van 15° niet worden overschreden.
- Draai een geschikte persoonlijke beschermingsuitrusting (Personal Protective Equipment, PPE) tijdens het gebruik van deze machine, inclusief (minimaal) stevige schoenen, een veiligheidsbril en gehoorbescherming. Maai niet met laag schoeisel en/of schoeisel met open tenen.
- Trillingsniveaus vermeld in deze handleiding zijn niet aangepast voor blootstelling van de werknemer aan trill- ingen. Werkgevers dienen de waarden overeenkomstig de blootstelling gedurende 8 uur (A(8)) en de limiet voor blootstelling van de werknemer overeenkomstig te berek- enen.
- Laat altijd aan iemand weten dat u buiten aan het maaien bent.
IV. ONDERHOUD EN OPSLAG
- Houd alle moeren, bouten en schroeven goed vastgedraaid zodat u er zeker van kunt zijn dat de machine in een veilige bedrijfsstaat verkeert.
- Sla de machine nooit in een gebouw op, waar dampen een open vlam of vonk kunnen bereiken, terwijl zich benzine in de tank bevindt.
- Laat de motor afkoelen voordat u hem in een besloten ruimte opbergt.
- Beperk brandgevaar: houd de motor, geluiddemper, ac- curuimte en benzine-opslagruimte vrij van gras, bladeren of een overmaat aan smeervet.
- Controleer de opvangzak vaak op slijtage of verwering.
- Vervang versleten of beschadigde onderdelen om veiligheidsredenen.
- Als de brandstoftank afgetapt moet worden, moet dit buiten worden gedaan.
- Op machines met meerdere messen dient u eraan te denken dat het draaien van één mes andere messen kan doen draaien.
- Wanneer de machine moet worden geparkeerd, opgeslagen of alleen moet worden gelaten, moet de maai-inrichting neergelaten worden tenzij een mechanische vergrendeling wordt gebruikt. WAARSCHUWING: Maak de bougiekabel altijd los, plaats hem waar hij de bougie niet kan raken teneinde onverhoeds starten te voorkomen tijdens het opstel- len, vervoeren, afstellen of uitvoeren van reparaties.15 m/s
- Et bien plus encore ! *L'application est disponible pour un nombre limité de marchés, mais sera bientôt disponible dans le monde entier. HUSQVARNA CONNECT Uw nieuwe zitmaaier is uitgerust met draadloze Bluetooth®- technologie en kan samen met Husqvarna Connect* worden gebruikt. Download de gratis app in de App Store of bij Google Play en benut alle mogelijkheden van uw zitmaaier (en andere Husqvarna-producten die draadloze Bluetooth-technologie ondersteunen)! Registreer uw zitmaaier in de Husqvarna Connect-app door de QR-code te scannen, te koppelen met Bluetooth of door het serienummer in te voeren en krijg toegang tot meer functies:
- Een vergrendel-/ontgrendelfunctie om onbevoegd gebruik te voorkomen
- Een verbeterd informatiedisplay voor de zitmaaier
- Handige controle over en hulp met de onderdelen en het onderhoud van uw zitmaaier
- En nog veel meer! *De beschikbaarheid is momenteel beperkt tot bepaalde markten, maar de app zal binnenkort wereldwijd beschikbaar zijn.17 The Bluetooth
- Scharnier de zitting (1) omhoog en verwijder deze van het apparaat. Verwijder het karton en verpakkingsschuim en gooi het weg.
- Haal de knop, schotelring, drie bouten en ringen uit de zak met onderdelen.
- Scharnier de zitting (2) naar voren en breng de drie bouten (3) en ringen (4) aan. Zet ze stevig vast.
- Zet de afstelknop (5) en de schotelring (6) losjes vast. Draai niet te strak aan.
- Laat de stoel in de bedieningsstand zakken en ga op de stoel zitten.
- Schuif de stoel totdat een comfortabele stand is bereikt en u het koppelings-/rempedaal helemaal kunt intrappen.
- Ga van de stoel af zonder de stand te wijzigen.
- Breng de stoel omhoog en draai de afstelknop stevig vast.
VERTICALE AFSTELLING STOEL
De stoel bevindt zich af fabriek in de bovenste positie (7) en kan voor kleinere gebruikers naar de onderste positie (8) worden verplaatst. AFSTELLEN
- Verwijder de moeren (9) en de bouten (10).
- Plaats de zitting in de onderste positie.
- Breng de bouten en moeren opnieuw aan en haal ze aan met 20-27 Nm.
- Raadpleeg "DE STOEL AFSTELLEN" voor de laatste afstelling van de stoel.
- Ripetere l'operazione sul lato opposto, installando la ruota regolatrice nello stesso foro di regolazione. STELWIELEN AFSTELLEN (indien aanwezig) Stelwielen zijn goed afgesteld als ze iets van de grond staan terwijl de maaier op de gewenste maaihoogte in de werkstand staat. Stelwielen zorgen dan dat het dek in de juiste positie blijft en schrapen op de meeste soorten terrein wordt voorkomen.
- Stel de loopwielen af terwijl de maaier op een vlakke ondergrond staat.
- Stel de gewenst maaihoogte in.
- Stel de stelwielen zodanig af dat ze iets van de grond staan terwijl de maaier op de gewenste maaihoogte staat. Breng het stelwiel in de juiste opening aan en bevestig stevig met de borstbout en borgmoer.
- Herhaal deze stappen aan de andere zijde om het stelwiel in dezelfde opening te installeren.
3. Beschrijving van functies
De plaats van de bedieningsorganen
1. Schakelaar verlichting
4. Vooruitrijpedaal/Pedaal achteruitrijden
5. Aan en uitschakeling van de maaikast
9. Aan-en uitschakeling van vrijwiel
22. Schakelaar voor differentieelslot
1. Schakelaar verlichting
Met de gasregelaar wordt het toerental van de motor geregeld en daardoor ook de rotatiesnelheid van de messen. = Volgas-positie = Stationair-positie
4. Vooruitrijpedaal/Pedaal achteruitrijden
De richting en snelheid tijdens het rijden wordt bepaald door de vooruitrij- en acheruitrijpedalen.
Gebruikt om de tractor te remmen en om de motor te starten.
5. Aan en uitschakeling van de maaikast
Breng de hendel naar achteren om de maaikast snel te doen verhogen bij het passeren van oneffenheden in het gazon. Bij transport dient de maaikast in zijn hoogste stand te staan. Zet de hendel achteruit, totdat deze vergrendeld is.
De contactsleutel heeft vier verschillende standen: OFF Alle elektrische stroom uitgeschakeld ROS ON Systeem voor achteruit (ROS) aangesloten ON De elektrische stroom ingeschakeld START Startmotor ingeschakeld Systeem voor achteruit (ROS) – Maakt het mogelijk het ma- aierdek te gebruiken of een ander aangekoppeld apparaat dat elektrisch wordt aangedreven als men achteruit rijdt (Zie sectie 5 - “Rijden”). WAARSCHUWING! Laat nooit de sleutel in het contact zitten, wanneer de machine zonder toezicht wordt achtergelaten.35
Schakel de parkeerrem in als volgt:
1. Druk de rempedaal in tot op de bodem.
2. Breng de parkeerremhendel naar boven en houdt hem in
Om de parkeerrem vrij te maken, behoeft u alleen de rem- pedaal in te drukken.36
9. Aan-en uitschakeliong van vrijwiel
Om de tractor te trekken of te verplaatsen zonder de hulp van de motor, moet de vrijwielbedieningsknop worden uitgetrokken.37
20. Brandstofmeter - Geeft brandstofniveau aan.
Uw zitmaaier heeft meerdere ingebouwde sensoren ter ondersteuning van de werking en om de machine in goede conditie te houden. De ledindicator informeert de bestuurder over de status van enkele ingebouwde sensoren.
1. Kantelen – het kantelpictogram brandt wanneer de
ingebouwde versnellingsmeter detecteert dat de zitmaaier op een helling van meer dan 15 graden staat. Als de helling groter is dan of gelijk is aan 30 graden, gaat het pictogram branden en schakelt de zitmaaier de messen proactief uit. Als de helling groter is dan of gelijk is aan 60 graden, gaat het pictogram branden en schakelt de zitmaaier de motor proactief uit.
2. PTO – het PTO-pictogram brandt wanneer de PTO-
schakelaar is ingeschakeld.
3. Bluetooth® – het Bluetooth-pictogram brandt wanneer de
zitmaaier is verbonden met een apparaat met draadloze Bluetooth-technologie, zoals een mobiele telefoon of tablet.
4. Accu – het accupictogram brandt wanneer de accuspanning
lager is dan 12,4 V. Het gaat ook branden als de accuspanning hoger is dan 15,0 V.
5. Oliedruk – het oliedrukpictogram brandt wanneer de
oliedrukschakelaar een lage oliedruk detecteert in de motor.
6. Parkeerrem – het parkeerrempictogram brandt wanneer de
parkeerrem is ingeschakeld. WAARSCHUWING: Rijd niet heuvelopwaarts of heuvelafwaarts op hellingen van meer dan 15 graden en rijd niet dwars op hellingen. Vertrouw niet op de kantelindicator om te zien of de maximale hellingwaarden worden overschreden. De kantelindicator is een secundair waarschuwingssysteem om de bestuurderservaring verder te verbeteren.
Uw zitmaaier heeft meerdere ingebouwde sensoren ter ondersteuning van de werking en om de machine in goede conditie te houden. De ledindicator informeert de bestuurder over de status van enkele ingebouwde sensoren.
1. Kantelen – het kantelpictogram brandt wanneer de
ingebouwde versnellingsmeter detecteert dat de zitmaaier op een helling van meer dan 15 graden staat. Als de helling groter is dan of gelijk is aan 30 graden, gaat het pictogram branden en schakelt de zitmaaier de messen proactief uit. Als de helling groter is dan of gelijk is aan 60 graden, gaat het pictogram branden en schakelt de zitmaaier de motor proactief uit.
2. PTO – het PTO-pictogram brandt wanneer de PTO-schakelaar
3. Bluetooth® – het Bluetooth-pictogram brandt wanneer de
zitmaaier is verbonden met een apparaat met draadloze Bluetooth-technologie, zoals een mobiele telefoon of tablet.
4. Accu – het accupictogram brandt wanneer de accuspanning
lager is dan 12,4 V. Het gaat ook branden als de accuspanning hoger is dan 15,0 V.
5. Oliedruk – het oliedrukpictogram brandt wanneer de
oliedrukschakelaar een lage oliedruk detecteert in de motor.
6. Parkeerrem – het parkeerrempictogram brandt wanneer de
22. Het Differentieelslot Gebruiken
- Om het differentieelslot in te schakelen, stopt u de trekker en duwt u de schakelaar van het differentieelslot in de ingeschakelde stand. OPMERKING: Het systeem raakt niet beschadigd als u langere tijd rijdt met het differentieelslot ingeschakeld. LET OP: Om het risico op beschadiging te minimaliseren, moet u voorkomen dat het differentieelslot wordt ingeschakeld terwijl het voertuig in beweging is.
- Rijd de trekker vooruit. Zodra de achterwielen draaien, wordt het differentieelslot ingeschakeld. OPMERKING: Wanneer het differentieelslot is ingeschakeld, kan de bestuurder opmerken dat gras wordt losgetrokken bij het nemen van bochten.
- Om het differentieelslot uit te schakelen, duwt u de schakelaar van het differentieelslot in de uitgeschakelde stand. Als het differentieelslot niet uitschakelt, kan het helpen om met de machine van links naar rechts te sturen.
4. Prima dell’avviamento. 4. Maatregelen vóór het starten.
- Il trattore è pronto per il normale funzionamento. TRANSMISSIE ONTLUCHTEN Voor de juiste werking en prestaties wordt aangeraden om de transmissie te ontluchten voordat de trekker voor het eerst wordt gebruikt. Hierdoor wordt lucht binnenin de transmis- sie verwijderd, die er tijdens het vervoer van uw trekker kan zijn ontstaan.
BELANGRIJK: MOCHT UW TRANSMISSIE VOOR ON-
DERHOUD OF VERWISSELING VERWIJDERD MOETEN
WORDEN, DAN DIENT HIJ NA DE INSTALLATIE ONTLUCHT TE WORDEN, VOORDAT U DE TREKKER GEBRUIKT.
- Parkeer de trekker veilig op een vlakke ondergrond zodat hij in geen enkele richting kan wegrollen. Voor de volgende handeling moet de parkeerrem uitgeschakeld zijn.
- Schakel de transmissie uit door de freewheel-hendel in de free wheel-stand te plaatsen.
- Start de motor en breng de gashendel naar de stand Lang- zaam. Controleer of de parkeerrem uitgeschakeld zijn.
- Druk het vooruitrijpedaal volledig in. Houdt deze vijf (5) seconden ingedrukt en laat dan los. Druk het achteruitri- jpedaal volledig in. Houdt deze vijf (5) seconden ingedrukt en laat dan los. Herhaal deze procedure drie (3) keer.
- Stop de trekker door de contactsleutel naar de stand “OFF” (UIT) te draaien.
- Schakel de transmissie in door de freewheel-hendel in de rijstand te plaatsen.
- Start de motor en breng de gashendel naar de stand Langzaam.
- Rijd de trekker ongeveer 1 meter 50 vooruit en vervolgens 1 meter 50 achteruit. Herhaal dit drie keer.
- Druk voorzichtig op het vooruitrij of achteruitrijpedaal om te gaan rijden. De snelheid neemt toe als het pedaal meer wordt ingedrukt. Maaien Zet het maaionderdeel lager door de tilhendel naar voren te bewegen en bevestig het maaionderdeel. Kies een rijsnelheid die bij het terrein en de gewenste maairesultaten past.51
- Quando l’utilizzo nel ROS non serve più, girare la chiave di accensione in direzione orario con il motore in posizione "ON". Systeem voor achteruit (ROS) Uw tractor is uitgerust met een systeem voor achteruit (reverse operation system – ROS). Elke poging door de bestuurder om achteruit te rijden waarbij het aankoppelingspedaal actief is, zal de motor doen afslaan, tenzij het contactsleuteltje zich in de "ON"-positie van de ROS bevindt. WAARSCHUWING! Achteruit rijden met het aankoppeling- spedaal actief tijdens het maaien wordt sterk afgeraden. Als men de ROS "ON:" zet, om achteruit rijden met het aankop- pelingspedaal actief mogelijk te maken, dient dit alleen te gebeuren als de bestuurder beslist dat het nodig is de machine een andere positie te geven met wat aangekoppeld is. Maai niet achteruit, tenzij dit absoluut nodig is.
- De motor loopt en draai de contactschakelaar tegen de klok in naar de positie "ON" van de ROS.
- Kijk naar beneden en achter u voor u achteruit rijdt.
- Duw het pedaal van de achteruitversnelling langzaam in om te beginnen met rijden
- Wanneer men de ROS niet langer nodig heeft, draait u het contactsleuteltje met de klok mee in positie "ON" van de motor53
- Verwijder stenen en andere voorwerpen van het gazon, die weggeworpen kunnen worden door de messen.
- Localiseer en markeer grotere stenen of andere vast- evoorwerpen, om ze bij het maaien te kunnen vermijden.
- Start met een hoge maaihoogte en verlaag deze tot gewenste maairesultaat is verkregen.
- Het maairesultaat wordt het beste met een hoog toerental (de messen roteren snel) en een lage versnelling (de ma- chine beweegt zich langzaam). Als het gras niet te lang en dik is, kan de rijsnelheid worden opgevoerd door een hogere versnelling te kiezen of door de motorsnelheid te verhogen zonder dat dit de maairesultaten beïnvloedt.
- Het mooiste gazon wordt verkregen, als het vaak wordt gemaaid. Het maaien geschiedt gelijkmatiger en het ge- maaide gras wordt ook gelijkmatiger over het oppervlak verdeeld. Het totale tijdsbestek voor het maaien wordt niet langer, daar een grotere rijsnelheid kan worden toegepast, zonder dat het maairesultaat minder wordt.
- Vermijd een nat gazon te maaien. Het maairesultaat wordt minder, daar de wielen in de zachte grasmat zakken.
- Spoel de onderkant van de maaikast na iedere maai-beurt schoon met water.54
- Rij niet op een terrein met een helling van meer dan 15°. Het risico om achterover te slaan is zeer groot.
- Rij niet schuin over een hellend terrein, daar het kantel- risico dan groot is.
- Vermijd te stoppen of te starten op een hellend terrein. WARNING!
- Staccare la candela. WAARSCHUWING! Voordat service-werkzaamheden aan de motor of maaikast worden verricht, dient men het volgende te doen:
- Verwijder de ontstekingskabel van de bougie.57
- Ontkoppel de aansluitkabel van de koplampen.
- Ga recht voor de trekker staan. Pak de motorkap aan beide zijden vast, kantel hem naar voren en til hem van de trekker.
- Plaats bij het monteren van de kap de scharnierbeugels in de betreffende openingen in het chas sis.
- Sluit de aansluitkabel van de koplampen weer aan en sluit de motorkap.58
Onderhoud N.B.: Om uw tractor in goede conditie te houden, moeten er regelmatig onderhoudsbeurten uitgevoerd worden. WAARSCHUWING: Schakel altijd eerst de bougieleiding uit voor u herstellingen, inspecties of onderhoud uitvoert. Dit om te voorkomen dat de ma chine per ongeluk start. Voor elk gebruik:
- Controleer het oliepeil en smeer de draaipunten indien nodig.
- Controleer of alle bouten, moeren en splitpennen op hun plaats zitten en goed vast zitten.
- Controleer de accupolen en ontluchtingsopeningen.
- Laad voorzichtig op bij 6 ampere indien nodig.
- Maak het luchtscherm schoon.
- Zorg dat er geen vuil en kaf op en in de tractor zit, zodat de motor niet beschadigd of oververhit raakt.
- Controleer de werking van de remmen. Reinigen Wij raden u af om een tuinslang of hogedrukreinigingsapparaat te gebruiken om uw tractor te reinigen, tenzij de motor en de transmissie afgedekt zijn om water buiten te houden. Er kan water in de motor of in de transmissie komen, wat de levensduur van uw tractor verkort. Gebruik perslucht of een bladblazer om gras, bladeren en vuil van de tractor en maaier te verwijderen. Reinigen Stuurplaat:
- Reinig het vuil van de stuurplaat. Vuil kan het schakelen van het koppelings/rempedaal beperken, hierdoor kan de riem gaan slippen en de aandrijving verloren gaan. OP GELET: Vermijd alle kwetsbare punten en beweegbare onderdelen.
3. Stuurinrichting, dashboard, spatbord en maaier zijn niet
- Verwijder de bevestigingsschroef (1) van de onderste dashboardafdekking. LET OP: Verwijder onderste dashboardafdekking (2) voorzich- tig zodat de afdeklippen (3) niet afbreken.
- Schuif de onderste dashboardafdekking (2) omhoog om de afdeklippen (3) van de taps toelopende gleuven (4) in het onderste dashboard te verwijderen en verwijder. Olie aflaatklep
- Neem het kapje (5) weg en breng de aflaatbuis (6) aan.
- Om de klep te openen druk lichtjes in, draai om tegen wijzerzin en trek uit.
- Om de klep te sluiten, druk in en draai om in wijzerzin.
- Verwijder de aflaatbuis en breng het kapje aan.
Inspecteer de geluiddemper elke 50 bedrijfsuren of zes maanden op tekenen van beschadiging. Als er een beschadiging wordt geconstateerd, raadpleeg dan de reparatieonderdelenlijst of neem contact op met uw lokale dealer om een vervangend onderdeel te bestellen.
- Voer vaker onderhoud uit bij gebruik onder vuile of stoffige omstandigheden.66
1. Parkeer de tractor op een vlakke, droge betonnen of
geplaveide ondergrond, duw het rempedaal helemaal in en schakel de parkeerrem in.
2. Ontkoppel de transmissie door de vrijstand-hendel in
de stand “transmissie ontkoppeld” te zetten. Trek de vrijstand-hendel uit en in de gleuf en laat hem los zodat hij in de ontkoppelde stand wordt vastgehouden. De achterwielen moeten blokkeren en slippen als u de tractor handmatig vooruit probeert te duwen. Als de achterwielen draaien, moet de rem worden nagekeken. Neem contact op met een of een ander deskundig servicecentrum.68
- Mentre il motore è acceso con il pulsante di accensione del ROS nella posizione "ON" e l’innesto della frizione inserito, qualsiasi tentativo da parte dell’operatore di inserire la retromarcia NON dovrebbe comportare lo spegnimento del motore. Systeem voor aanwezigheid bestuurder en sys- teem voor achteruit werken (ROS) Zorg ervoor dat de systemen voor de aanwezigheid van de bestuurder en voor achteruit werken goed werken. Als uw tractor niet zoals hierboven beschreven werkt, dient u het probleem onmiddellijk op te lossen.
- De motor start niet, tenzij het rempedaal volledig ingedrukt is en het aankoppelingspedaalregelaar zich in de vrije positie bevindt.
- Wanneer de motor loopt, dient elke poging door de bestu- urder om zijn stoel te verlaten zonder eerst de parkeerrem in te stellen de motor uit te zetten.
- Wanneer de motor loopt en het aankoppelingspedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om zijn stoel te verlaten de motor af te sluiten.
- Het aankoppelingspedaal dient nooit te werken, tenzij de bestuurder in zijn stoel zit.
- Als de motor loopt en de contactschakelaar zich in de positie "ON" van de motor bevindt en het aankoppeling- spedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om over te schakelen naar achteruit (reverse) de motor af te sluiten.
- Als de motor loopt en de contactschakelaar zich in de positie "ON" van de ROS bevindt en het aankoppeling- spedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om over te schakelen naar achteruit (reverse) de motor niet af te sluiten.70
- Riposizionare il bullone sulla lama, quindi serrare ac- curatamente (62-75 Nm.). ATTENZIONE: Bullone speciale per lama, trattato termica- mente, secondo la Classe 8. Messen Voor de beste resultaten moeten de maaimessen scherp gehouden worden. Vervang gebogen of beschadigde messen. Het slijpen kan geschieden met een vijl of met een slijpschijf. N.B.: Het is zeer belangrijk dat beide uiteinden van het mes even-veel worden geslepen, om onbalans te voorkomen. MES VERWIJDEREN
- Zet de maaier in de hoogste stand om bij de messen te kunnen.
- Haal de mesbout eraf.
- Monteer een nieuw of geslepen mes waarbij het sleep (hulp) mes omhoog naar het maaidek gericht moet zijn, zie afbeelding. BELANGRIJK: Om zeker te zijn van goede montage moet het centrumgat in het mes passen met de ster op de mandrijn.
- Zet de mesbout er weer op en draai goed aan (62-75 Nm.). BELANGRIJK: Speciale mesbout is heet-behandeld, Graad 8.72
- Zet de koppeling van het hulpstuk in de "UITGESCHAKE- LDE" stand.
- Zet de hendel van het hulpstuk in de laagste stand.
- Verwijder de aandrijfriem van de maaier van de poelie van de elektrische koppeling (M). Zie Verwijderen aandrijfriem maaier in "VERVANGEN AANDRIJFRIEM MAAIBLAD" in dit hoofdstuk.
- Koppel de voorste stang (E) van de maaier los.
- Koppel aan een van de zijkanten van de maaier de veerarm van de maaier (A) los van het chassis en de achterste hefstang (C) van de achterste steun van het maaidek (D) - verwijder de borgveren en ringen.
- Koppel aan een kant van de maaier de veerarm en de achterste hefstang los.
- Verwijder de borgveer (G) en stag (I) van de antizwenkbalk (S). LET OP: Nadat de achterste hefstangen zijn verwijderd, is de hefhendel van het hulpstuk veerbelast. Pak de he- fhendel stevig vast wanneer u de stand van de hendel wilt veranderen.
- Schuif het maaidek vanaf de rechterzijde van de tractor eronderuit.
- Plaats vanaf de rechterkant van de maaier eerst het 90°-uiteinde van de antizwenkbalk (S) in de opening van de transaxlebeugel (T), die zich bij het linker achterwiel vóór de transaxle bevindt. OPMERKING: Een zaklamp gebruiken kan hierbij nuttig zijn. Maaier installeren OPMERKING: Zorg ervoor dat de trekker op een vlakke ondergrond staat en schakel de parkeerrem in.
- Zet de hendel van het hulpstuk in de laagste stand. LET OP: De hefhendel heeft veerbelasting. Houd de hef hendel stevig vast, laat hem langzaam zakken en schakel hem in de laagste stand in. OPMERKING: Zorg ervoor dat de zijophangarmen (A) van de maaier vooruit wijzen voordat u de maaier onder de tractor schuift.
- Schuif de maaier onder de tractor totdat deze midden onder de tractor staat.
- Breng de riem aan de poelie van de elektrische koppeling (M) aan.
- BEVESTIG ACHTERSTE HEFSTANGEN (C) - Til de achter- hoek van de maaier op en plaats de sleuf in het verbind- ingssamenstel via de pen aan de achterste maaierbeugel (D) en bevestig met een onderlegring en sluitveer.
- Herhaal deze procedure aan de andere kant van de trekker
- BEVESTIG VOORSTE STANG (E) - Werk vanaf de linkerzijde van de trekker. Breng het draadstanguiteinde van de stangeenheid aan via de voorste opening in de ophangsteun van de trekker (F).
- Monteer lagerbus (O) en breng moer (P) en contramoer (Q) losjes aan.
- Breng de uitlopende einden van stang (E) aan in de sleuven van de voorste maaiersteun (H).
- Controleer de voor-naar-achterafstelling in de "MAAIER GELIJKMATIG AFSTELLEN" in dit hoofdstuk.
BELANGRIJK: Controleer of de riem juist is geplaatst op alle maaierpoeliegroeven.
- Zet de hefhendel van de aanbouwelementen in de hoogste stand.
OPMERKING: Afhankelijk van het model kan de beugel (T) afwijken van de tekening, maar de opening voor de antizwenkbalk bevindt zich op dezelfde stand/locatie
- Pivot the integrated washer end of anti-sway bar (S) to- wards mower deck bracket on right side of mower. Plaats het geïntegreerde onderlegringuiteinde van de balk in de opening van de achterste maaierbeugel (D). Beweeg de maaier indien nodig naar het geïntegreerde onderlegrin- guiteinde van de balk in de achterste maaierbeugel (D).
- Bevestig met de kleine onderlegring en kleine sluitveer zoals weergegeven.
- BEVESTIG DE ZIJOPHANGARMEN (A) VAN DE MA- AIER AAN HET CHASSIS - Plaats de opening in de arm over pen (B) aan de buitenkant van het trekkerchassis en bevestig deze met de borgveer.
- Herhaal deze procedure aan de andere kant van de trek- ker.
- Breng de riem aan om alle poelies.
- Controleer het riemtraject een keer extra om er zeker van te zijn dat dit overeenkomt met het routeplaatje en dat er geen verdraaiing is opgetreden. Breng indien nodig correcties aan.• Sluit de veer aan op de oogbout.
- Stel de riemspanning af totdat de veer is uitgerekt tot een lengte van 5,75" (14,6 cm). - Draai de binnenste stelmoer los (G). - Draai de buitenste stelschroef (H) rechtsom ( ) om de spanning te verhogen, linksom ( ) om de spanning te verlagen. - Draai de binnenste stelmoer stevig vast.
- Vervang de afdekking van de draaispil (A) en zet deze vast met de bevestigingen. Aandrijfriem maaiblad vervangen
AANDRIJFRIEM MAAIER VERWIJDEREN
- Parkeer de tractor op een vlakke ondergrond. Schakel de parkeerrem in..
- Zet de hendel van het hulpstuk in de laagste stand.
- Verwijder de afdekking van de draaispil (A).
- Verwijder vuil en gemaaid gras dat zich rond de draaispillen en boven op het maaidekoppervlak kan hebben opge- hoopt.
- Verwijder de veer (B) van de oogbout (C).
- Verwijder de riem (D) van alle poelies (E).
- Verwijder de riem van de elektrische koppeling (F) op de motoras.
AANBRENGEN AANDRIJFRIEM MAAIER
OPMERKING: Zie het plaatje met het traject op het maaidek bij het monteren van de dekriem.
Fig. 4 Maaier Gelijkmatig Afstellen Controleer of de banden goed zijn opgepompt conform de PSI die op de banden staat vermeld. Indien de bandenspan- ning te hoog of te laag is, dan kan dit het maairesultaat van uw gazon beïnvloeden en de indruk wekken dat de maaier niet juist is afgesteld.
VISUEEL AFSTELLEN IN DE BREEDTE
1. Als uw gazon nog steeds ongelijkmatig gemaaid is en de
banden goed zijn opgepompt, bepaal dan welke zijde van de maaier lager maait. OPMERKING: Indien gewenst, kunt u de lage zijde van de maaier verhogen of de hoge kant van de maaier verlagen.
2. Ga naar de zijde van de maaier die u wilt afstellen.
3. Gebruik een 3/4”- of verstelbare sleutel om de stelmoer
van de hefstang (A) linksom te draaien om de maaier te verlagen, of rechtsom om de maaier te verhogen (afb. 1). OPMERKING: Met elke volledige slag van de stelmoer verandert de hoogte met ca. 3/16” (4,7 mm).
4. Test uw afstelling door een stuk ongemaaid gras te maaien
en visueel te controleren of het gazon er goed uitziet. Stel indien nodig opnieuw af, totdat u tevreden bent met het resultaat.
NAUWKEURIG AFSTELLEN IN DE BREEDTE
1. Parkeer de tractor met goed opgepompte banden op een
vlakke ondergrond of oprit. LET OP: De messen zijn scherp. Draag handschoenen en/ of wikkel het mes in een dikke doek.
2. Breng de maaier in zijn hoogste stand.
3. Plaats het maaiblad aan beide zijden van de maaier
zijwaarts en meet de afstand (A) van de onderste hoek van het blad tot de grond. De afstand dient aan beide zijden hetzelfde te zijn (afb. 2).
4. Indien afstelling nodig is, volgt u de stappen in de boven-
staande instructies voor Visuele afstelling.
5. Controleer de afstand opnieuw en stel deze indien nodig
af totdat beide zijden zich op gelijke hoogte bevinden.
AFSTELLEN IN DE LENGTE
BELANGRIJK: Het maaidek moet in de breedte recht zijn geplaatst. Om de beste maairesultaten te verkrijgen, dienen de maai- bladen zodanig afgesteld te worden dat het voorste uiteinde 1/8 tot 1/2” (3,1 tot 12,7 mm) lager is dan het achterste uiteinde als de maaier zich in de hoogste positie bevindt. LET OP: De messen zijn scherp. Draag handschoenen en/ of wikkel het mes in een dikke doek.
1. Hef de maaier tot de hoogste positie.
2. Plaats elk blad met het uiteinde recht naar voren. Meet
de afstand (B) vanaf het voorste en achterste uiteinde van het blad tot de grond (afb. 3).
3. Als de afstand van het voorste uiteinde tot de grond niet
1/8” tot 1/2” (3,1 tot 12,7 mm) lager is dan het achterste uiteinde, ga dan naar de voorzijde van de tractor.
4. Draai de contramoer A enkele slagen los met een 11/16”-
of verstelbare sleutel om stelmoer B te verwijderen.
5. Draai de stelmoer (B) van de voorste koppeling in de
richting van de klok ( ) (vast) met een 3/4”- of verstel- bare sleutel om de voorzijde van de maaier te verhogen of linksom ( ) (los) om de voorzijde van de maaier te verlagen (afb. 4). OPMERKING: Met elke volledige slag van de stelmoer verandert de hoogte met ca. 1/8” (3,1 mm).
6. Controleer de afstand opnieuw en pas indien nodig aan
tot het voorste uiteinde van het blad 1/8" tot 1/2" (3,1 tot 12,7 mm) lager is dan het achterste uiteinde.
7. Houd de stelmoer op zijn plaats met de sleutel en draai
de contramoer helemaal vast tot tegen de stelmoer.96
avvolgerla attorno alla frizione elettrica e sulla puleggia del motore (G). De Aandrijfriem Vervangen Parkeer de tractor op een vlakke ondergrond. Schakel de parkeerrem in. Voor het gemak is er een sticker met aanwij- zingen voor het installeren van de riem op de onderkant van de linker voetsteun.
DE RIEM VERWIJDEREN -
1. Verwijder de maaiunit (zie “DE MAAIUNIT VERWIJ-
DEREN” in dit deel van de handleiding). LET OP: Bekijk goed de hele aandrijfriem en de positie van alle riemgeleiders en –houders.
2. Koppel de bedrading van de koppeling (A) los.
3. Verwijder de anti-rotatiekoppeling (B) aan de rechterzijde
4. Verwijder de riem van het stationaire tussenwiel (C) en
het koppelingstussenwiel (D).
5. Verwijder de riem van het spanwiel (E).
6. Trek het slaphangende deel van de riem naar de achterkant
van de tractor. Verwijder de riem voorzichtig omhoog van de ingaande transmissieriemschijf en over de bladen van de ventilator (F).
7. Verwijder de riem naar beneden toe van de motorschijf
en om de elektrische koppeling (G).
8. Schuif de riem naar de achterkant van de tractor, van de
stuurplaat (H) af en verwijder de riem van de tractor.
1. Installeer een nieuwe riem van de achterkant naar de
voorkant van de tractor, over de stuurplaat (H) en boven de as van het koppelings-/rempedaal (J).
2. Trek de riem naar de voorkant van de tractor en rol de
riem om de elektrische koppeling en op de motorschijf (G).
3. Trek de riem naar de achterkant van de tractor. Voer de
riem voorzichtig naar beneden om de ventilator van de transmissie en op de ingaande riemschijf (F). Zorg ervoor dat de riem in de riemhouder zit.
4. Installeer de riem op het spanwiel (E).
5. Installeer de riem op het stationaire tussenwiel (C) en het
koppelingstussenwiel (D).
6. Plaats de anti-rotatiekoppeling (B) aan de rechterzijde
van de tractor terug. Goed vastmaken.
7. Koppel de bedrading van de koppeling (A) weer aan.
8. Zorg ervoor dat de riem in alle groeven van de riemschi-
jven loopt en in alle riemgeleiders en –houders zit.
9. Installeer de maaiunit (zie “MONTEREN VAN DE MAAI-
KAST” in dit deel van de handleiding).
De ventilator en koelribben van de transmissie moeten schoon gehouden worden om voore de juiste koeling te zorgen. Tracht niet de ventilator of de transmissie te reinigen terwijl de motor draait of terwijl de transmissie heet is.
- Controleer de koelventilator om u ervan te overtuigen dat de bladen intact en schoon zijn.
- Controleer de koelribben op vuil, gras en ander materiaal. TRANSMISSIEPOMPVLOEISTOF De transmissie is in de fabriek verzegeld en vloeistofonder- houd is niet nodig. Als de transmissie ooit mocht lekken of een onderhoudsbeurt nodig hebben, dient u een bevoegd servicecentrum of afdeling te raadplegen.100
DEKREINIGINGSPOORT Het maaidek van uw trekker is aan de bovenkant uitgerust met een reinigingspoort als onderdeel van het dekreinigingssysteem. Dit systeem dient na elk gebruik van de maaier te worden gebruikt.
- Rijd de trekker naar een vlakke, open plek op uw gazon, dicht genoeg bij een waterkraan om met de tuinslang te bereiken. BELANGRIJK: Zorg ervoor dat de uitworp van de trekker is weg- gericht van uw huis, garage, geparkeerde auto’s, enz. Verwijder de opvangbak of mulchplaat indien bevestigd.
- Zorg ervoor dat de koppelingshendel van het hulpstuk in de stand “DISENGAGED”(ontkoppeld) staat, trek de parkeerrem aan en schakel de motor uit.
- Trek de borgkraag van de adapter van het mondstuk op uw tuinslang (A) naar achteren en druk de adapter op de inlaatopening van het reinigingsdek aan het linkeruiteinde van het maaidek (B). Laat de borgkraag los om de adapter op het mondstuk te bevestigen. BELANGRIJK: Trek aan de slang om te controleren of de slang goed is gekoppeld.
- Draai de waterkraan open.
- Ga op de bestuurdersstoel van de trekker zitten, start de mo- tor en plaats de gashendel in de stand “Fast” (" ") (snel). BELANGRIJK: Controleer nog een keer of de ruimte voor de uitworp vrij is.
- Zet de koppelingshendel van het hulpstuk van de tractor in de stand “ENGAGED” (gekoppeld). Blijf op de bestuurdersstoel zitten met het maaidek ingeschakeld totdat het dek schoon is.
- Zet de koppeling van het hulpstuk van de tractor in de stand “DISENGAGED” (ontkoppeld). Draai de startsleutel in de positie STOP om de motor uit te schakelen. Draai de water- kraan dicht.
- Trek de borgkraag van de mondstukadapter terug om de adapter van de reinigingspoort los te koppelen.
- Verplaats de trekker naar een droge plaats, bij voorkeur met een betonnen of bestrate ondergrond. Zet de koppelingshen- del van het hulpstuk in de stand “ENGAGED” (gekoppeld), zodat overmatig water kan weglopen en de tractor sneller kan drogen, voordat u hem stalt. WAARSCHUWING: Een kapotte of ontbrekende reinigingsaansluiting kan u of anderen blootstellen aan voorwerpen die door contact met de messen worden uitgeworpen.
- Vervang een kapotte of ontbrekende reiniging- saansluiting onmiddellijk, alvorens de maaier opnieuw te gebruiken.
7. Ricerca guasti. 7. Het localiseren van fouten.
1. Er is geen benzine in de tank.
De startmotor trekt de motor niet
3. Aan/uitschakelhendel in foutieve stand.
4. De hoofdzekering is defect.
5. Het stuurslot/contact is defect.
6. Het veiligheidscontact voor koppelings/rempedaal is
7. Koppelings/rempedaal niet ingedrukt.
De motor loopt niet gelijkmatig
4. Het luchtfilter zit dicht.
5. De ventilatie van de brandstoftank is verstopt.
6. De ontsteking is verkeerd ingesteld.
7. Vuil in de brandstofleidingen.
De motor lijkt zwak/weinig vermogen
1. Het luchtfilter is verstopt.
4. De carburateur is verkeerd ingesteld.
De motor raakt oververhit
1. De motor is overbelast.
2. De luchtinlaat of de koelribben zitten verstopt.
3. De ventilator is beschadigd.
4. Te weinig of geen olie in de motor.
5. Het voorgloeien is defect.
6. De bougie is defect.
De accu laadt niet op
1. De zekering is defect.
2. Een of meer cellen zijn beschadigd.
3. Accupolen en kabels maken geen contact.
De verlichting werkt niet
1. Draadverbinding koplamp niet aangesloten.
2. De gloeilampen zijn stuk.
3. Één of beide messen zijn in onbalans, veroorzaakt door
beschadiging of slechte balans na het slijpen. Hoogte van gemaaid gras is ongelijk
1. De messen zijn bot.
2. De maaikast staat niet recht.
5. De luchtdruk in de banden is links en rechts niet gelijk.
6. Te hoge versnelling.
7. De aandrijfriem slipt.106
Aan het einde van elk maaisezoen moeten de vol gen de maatregelen worden genomen:
- Maak de hele machine schoon, in het bijzonder de bin- nenkant van de kap van de maaikast. Geen water onder hoge druk gebruiken om het voertuig te reinigen. Er kan water in de motor en in de transmissieorganen komen, wat de levensduur van het voertuig verkort.
- Herstel lakbeschadigingen om roest te voorkomen.
- Ververs de olie in de motor.
- Maak de benzinetank leeg. Laat de motor draaien totdat er ook in de car bu ra teur geen benzine meer is.
- Verwijder de bougie en laat een eetlepel mo tor o lie in de cilinder lopen. Draai de motor rond zodat de olie wordt verdeeld en schroef daarna de bougie weer vast.
- Haal de accu weg. Laad de accu op en bewaar deze op een koele plaats. Bescherm de accu tegen strenge kou.
- Zet de machine in een droge overdekte ruimte. WAARSCHUWING! Gebruik nooit benzine bij het schoonmaken, omdat dit schadelijke stoffen bevat. Onderhoud Bij het bestellen van onderdelen moet de merk naam van de machine, het jaar van aankoop en het model, type en Z serienummer worden vermeld. Neem contact op met de dichstbijzijnde dealer voor onderhoud en reparaties. Er moeten altijd originele onderdelen worden gebruikt. Al termine della stagione effettuare i seguenti interventi:
Wij, Husqvarna AB, SE 561 82 Huskvarna, ZWEDEN, verklaren onder onze alleenverantwoordelijkheid dat het gerepre- senteerde product: Beschrijving Zitmaaier met verbrandingsmotor Merk Husqvarna Platform / Type / Model TS 348XD Partij Serienummer vanaf 2017 en verder volledig voldoet aan de volgende EU-richtlijnen en -regelgeving: Richtlijn/Verordening Beschrijving 2006/42/EG “betreff ende machines” 2014/30/EU “betreff ende elektromagnetische compatibiliteit” 2000/14/EG; 2005/88/EG “betreff ende geluid buitenshuis” Toegepaste geharmoniseerde normen en/of technische specifi caties zijn als volgt; EN ISO 12100, ISO 14982, ISO 5395-1 & 3, ISO 3744, ISO 11094, EN 1032 In overeenstemming met richtlijn 2000/14/EG, bijlage V, staan de verklaarde geluidswaarden vermeld in de sectie met technische gegevens van deze handleiding en in de ondertekende EG-verklaring van overeenstemming. De geleverde zitmaaier met verbrandingsmotor is conform het geteste exemplaar.11107.27.18 CL Printed in U.S.A.
Notice-Facile