TC 239T - Tractor HUSQVARNA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis TC 239T HUSQVARNA in PDF-formaat.

📄 120 pagina's PDF ⬇️ Nederlands NL 💬 AI-vraag 🖨️ Afdrukken
Notice HUSQVARNA TC 239T - page 37
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : HUSQVARNA

Model : TC 239T

Categorie : Tractor

Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding TC 239T - HUSQVARNA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. TC 239T van het merk HUSQVARNA.

GEBRUIKSAANWIJZING TC 239T HUSQVARNA

  • Lees de instructies aandachtig. Zorg dat u vertrouwd bent met de bedieningselementen en het juiste gebruik van de machine.
  • Laat kinderen of mensen die niet bekend zijn met de in- structies, de maaimachine niet gebruiken. Het is mogelijk dat plaatselijke voorschriften een beperking stellen aan de leeftijd van de bestuurder.
  • Maai nooit terwijl mensen, vooral kinderen, of huisdieren in de buurt zijn.
  • Bedenk dat de bestuurder of gebruiker verantwoordelijk is voor ongelukken of risico’s die andere mensen of hun eigendommen kunnen overkomen.
  • Geen passagiers vervoeren.
  • Alle bestuurders dienen vakkundige instructies te ontvan- gen. Bij dergelijke instructies dient de nadruk te worden gelegd op: - de noodzaak voor aandacht en concentratie bij het werken met zittrekkers; - een zittrekker die op een helling wegglijdt, kan niet onder controle worden gehouden door te remmen. De hoofdredenen voor besturingsverlies zijn: a) onvoldoende houvast; b) te snel rijden; c) ontoereikend remmen; d) het soort machine is niet geschikt voor de taak; e) gebrek aan kennis van het effect van bodemcondities, vooral hellingen; f) verkeerd vastkoppelen en verkeerde verdeling van de lading.
  • Inspecteer om brandgevaar te voorkomen, of er afvalo- phopingen zijn bij de tractor, de maaier en achter alle beveiligingen en verwijder die – voor het gebruik, als u brandstof tankt en aan het einde van iedere maaisessie.
  • Draag tijdens het maaien altijd stevige schoenen en een lange broek. Gebruik de ma chine niet blootsvoets of terwijl u open sandalen draagt.
  • Inspecteer de plek waar de machine zal worden gebruikt, grondig en verwijder alle voorwerpen die door de ma chine kunnen worden weggeslingerd.
  • WAARSCHUWING - Benzine is licht ontvlambaar. - Bewaar brandstof in blikken die speciaal voor dat doel zijn bestemd. - Tank alleen buiten en rook niet tijdens het tanken. - Tank voordat u de motor start. Draai de dop nooit van de benzinetank af of tank nooit terwijl de motor draait of heet is. - Als benzine is gemorst, probeer de motor dan niet te starten maar haal de machine van de plaats vandaan waar u benzine heeft gemorst en zorg dat u geen ont- stekingsbron teweeg brengt totdat de benzinedampen zijn verdreven. - Draai de dop van alle brandstoftanks en -blikken weer goed vast.
  • Vervang defecte geluiddempers.
  • Inspecteer vóór het gebruik altijd of de messen, mesbouten en maai-inrichting niet versleten of beschadigd zijn. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten in sets om het evenwicht in stand te houden.
  • Op machines met meerdere messen dient u eraan te denken dat het draaien van één mes andere messen kan doen draaien.
  • Laat de motor niet draaien in een besloten ruimte waar gevaarlijke koolmonoxydedampen zich kunnen verzamelen.
  • Maai alleen bij daglicht of goed kunstlicht.
  • Voordat u de motor gaat starten, moet u alle meshulpstuk- koppelingen uitschakelen en naar de vrijloop schakelen.
  • Gebruik de trekker niet op hellingen van meer dan 15°.
  • Denk eraan dat er geen “veilige” hellingen bestaan. Bij het rijden op hellingen met gras dient men extra voorzichtig te zijn. Zo zorgt u ervoor dat de trekker niet omslaat: - stop en start niet plotseling bij het op- of afrijden van een helling. - schakel de koppeling langzaam in, houd de ma chine altijd in de versnelling, vooral bij het afrijden van een heuvel; - de snelheid van de machine dient op hellingen en in scherpe bochten laag te worden gehouden; - kijk uit voor bulten en kuilen en andere verborgen gevaren. - maai nooit dwars op de helling tenzij de maaier voor dit doel is ontworpen.
  • Wees voorzichtig bij het trekken van ladingen of het gebruik van zwaar materieel. - Gebruik alleen goedgekeurde aanhaakpunten voor een trekstang. - Beperk de lading tot hetgeen u veilig kunt hanteren. - Maak geen scherpe bochten. Wees voorzichtig bij achteruit rijden. - Gebruik contragewicht(en) of wielgewichten wanneer dat in de handleiding wordt aangeraden.
  • Kijk uit voor het verkeer wanneer u de weg oversteekt of zich nabij een weg bevindt.
  • Stop de messen voordat u andere oppervlakken dan gras oversteekt.
  • Voer bij het gebruik van hulpstukken het materiaal nooit af in de richting van omstanders en laat niemand in de buurt van de machine komen terwijl deze in bedrijf is.
  • Gebruik de maaimachine nooit met defecte beschermkappen en schermen of zonder beveiligingsinrichtingen op hun plaats.
  • Verander de instelling van de motorregelaar niet en laat de motor niet met te hoge toeren draaien. Als de motor met te hoog toerental draait, kan het risico van lichamelijk letsel groter worden.
  • Voordat u de bestuurdersstoel verlaat: - de aftakas uitschakelen en de hulpstukken neerlaten; - naar de vrijloop schakelen en de parkeerrem inschakelen; - de motor stoppen en de sleutel verwijderen.
  • Schakel de aandrijving naar de hulpstukken uit, stop de motor en maak de bougiekabel(s) los of verwijder het contactsleuteltje, - voordat u opgehoopt materiaal weghaalt of een verstopte afvoer leeg maakt; - voordat u de maaimachine controleert, schoonmaakt of eraan werkt; - nadat u een ongewenst voorwerp heeft geraakt. Inspect- eer de maaimachine op schade en voer reparaties uit voordat u de machine weer start en gebruikt; - als de machine abnormaal begint te trillen (onmiddellijk controleren). - vor dem Entfernen von Verstopfungen aus dem Mähwerk oder dem Auswurf;
  • Schakel de aandrijving naar de hulpstukken uit tijdens transport of als ze niet worden gebruikt.
  • Stop de motor en schakel de aandrijving naar het hulpstuk uit, - Voordat u tankt; - voordat u de opvangzak verwijdert; - voordat u de hoogte verstelt tenzij de hoogte vanuit de bestuurdersplaats kan worden ingesteld.

1. Veiligheidsregels

Veilige bedieningsmethoden voor zittrekkers BELANGRIJK: DEZE MAAIMACHINE KAN HANDEN EN VOETEN AMPUTEREN EN VOORWERPEN WEGSLINGEREN. HET NIET OPVOLGEN VAN DEZE VEILIGHEIDSINSTRUCTIES KAN ERNSTIG OF DODELIJK LETSEL TOT GEVOLG HEBBEN.14

  • Minder gas tijdens het uitlopen van de motor, en als de motor met een afsluitklep is uitgerust, moet u de brand- stoftoevoer aan het einde van het maaien afsluiten.

WAARSCHUWING: KINDEREN KUNNEN VERWOND

WORDEN DOOR DEZE APPARATUUR. De American Academy of Pediatrics adviseert dat kinderen minimaal 12 jaar moeten zijn voordat ze een lopend bediende gazonmaaier gebruiken en minimaal 16 jaar moeten zijn voordat ze een rijdende gazonmaaier gebruiken.

  • Bij het laden of ontladen van de machine mag de maxi- maal aanbevolen bedieningshoek van 15° niet worden overschreden.
  • Draai een geschikte persoonlijke beschermingsuitrusting (Personal Protective Equipment, PPE) tijdens het gebruik van deze machine, inclusief (minimaal) stevige schoenen, een veiligheidsbril en gehoorbescherming. Maai niet met laag schoeisel en/of schoeisel met open tenen.
  • Trillingsniveaus vermeld in deze handleiding zijn niet aangepast voor blootstelling van de werknemer aan trill- ingen. Werkgevers dienen de waarden overeenkomstig de blootstelling gedurende 8 uur (A(8)) en de limiet voor blootstelling van de werknemer overeenkomstig te berek- enen.
  • Laat altijd aan iemand weten dat u buiten aan het maaien bent.

IV. ONDERHOUD EN OPSLAG

  • Houd alle moeren, bouten en schroeven goed vastgedraaid zodat u er zeker van kunt zijn dat de machine in een veilige bedrijfsstaat verkeert.
  • Sla de machine nooit in een gebouw op, waar dampen een open vlam of vonk kunnen bereiken, terwijl zich benzine in de tank bevindt.
  • Laat de motor afkoelen voordat u hem in een besloten ruimte opbergt.
  • Beperk brandgevaar: houd de motor, geluiddemper, ac- curuimte en benzine-opslagruimte vrij van gras, bladeren of een overmaat aan smeervet.
  • Controleer de opvangzak vaak op slijtage of verwering.
  • Vervang versleten of beschadigde onderdelen om veiligheidsredenen.
  • Als de brandstoftank afgetapt moet worden, moet dit buiten worden gedaan.
  • Op machines met meerdere messen dient u eraan te denken dat het draaien van één mes andere messen kan doen draaien.

1. Aardschroef (zilver)

WAARSCHUWING: Het niet opvolgen van de installatie- instructies kan leiden tot vonkvorming, vonkontlading of open vlammen die ernstig persoonlijk letsel of schade aan eigendommen kunnen veroorzaken. WAARSCHUWING: Zorg ervoor dat de contactschakelaar van de tractor in de UIT-stand staat en dat de contactsleutel VERWIJDERD is.

  • Lokaliseer de zilveren aardschroef (1) op de rechter zijplaat van de tractor, boven de rechter achterband.
  • Lokaliseer de ZWARTE en RODE accukabels in hetzelfde gebied. Zorg ervoor dat de RODE kabel (3) stevig bevestigd is aan de startsolenoïde en dat de ZWARTE kabel (2) niet bevestigd is, met de beschermende huls (4) volledig over de aansluitklem (5).
  • Verwijder de zilveren aardschroef (1) volledig met behulp van een ½ inch (13 mm) moersleutel of inbussleutel en leg hem aan de kant. NIET WEGGOOIEN, de schroef wordt later weer gebruikt.
  • Schuif de beschermende huls (4) op de ZWARTE kabel (2) naar achteren om de aansluitklem (5) bloot te leggen.
  • Installeer de eerder verwijderde zilveren aardschroef (1) opnieuw door de blootliggende aansluitklem (5) heen op de plaats waar de zilveren aardschroef (1) eerder verwijderd is.
  • Draai hem stevig vast. Inspecteer de kabel visueel om te controleren of geen enkel deel van de beschermende huls (4) vastzit onder de kop van de aardschroef. Draai de aardschroef indien nodig los, verplaats de huls en draai de schroef weer vast.24
  • Vouw de zak uit en zet de rechterkant rechtop.
  • Verwijder de slotbouten (5/16-18 x 1,5) en moeren (1) van de voorkant van het bovenste frame.
  • Verwijder de dwarssteunen (6) uit de binnenkant van de opvangzakconstructie.
  • Schuif de dwarssteun (6) op de pen (7) aan de achterkant van het bovenste frame en maak hem vast met de sluitveerklem (8).
  • Schuif de dwarssteun (6) op de pen (9) aan de voorkant van het frame en maak hem vast met de sluitveerklem (10).
  • Herhaal dit aan de andere kant.
  • Verwijder de trekpen (11) en de sluitveer (12) van de hand- greep van de opvangzak (13).
  • Schuif de handgreep van de opvangzak (13) omlaag door de gaten in het deksel en het frame van de opvangzak.
  • Plaats de trekpen (11) terug door de opening aan de onderkant van de handgreep van de opvangzak (13). Schuif de sluitveer (12) in de opening aan het uiteinde van de trekpen (11) totdat deze op zijn plaats klikt.
  • Leg de opvangzakconstructie op zijn kant en voer de voorste uiteinden van het frame van de opvangzak (2) door de lussen in de stof aan beide kanten van de opvangzak.
  • Plaats de slotbouten en moeren (1) terug om het voorste frame aan het bovenste frame te bevestigen, door de stof van de opvangzak heen (4). Draai ze stevig vast. ATTENTIE: Draai ze niet vaster dan 100 inch-lb/11,2 Nm.
  • Klik de onderkant van het voorste frame (3) van de opvangzak in het klikelement (5) aan de voorkant van de opvangzakonderkant.
  • Met behulp van twee slotbouten (1) en twee moeren (2) bevestigt u de middelste steun aan de linkerkant (3) aan de voorste steun aan de linkerkant (4) zoals weergegeven. De middelste steunen moeten aan de buitenkant van de voorste steunen liggen. Herhaal dit aan de andere kant. LET OP: De nominale positie (5) is wanneer de randen van de steunen uitgelijnd zijn zoals in de afbeelding.
  • Bevestig de stang (6) aan de linker en rechter middelste steunen met twee slotbouten (7) aan elke kant. Plaats geen moeren in deze stap.
  • Installeer het linker draaipunt van de opvangzak (8) met één schroef (9) en één moer (10) zoals weergegeven. Herhaal dit aan de andere kant.
  • Zodra de opvangzakconstructie in de juiste stand staat, draait u de stelbouten (2) aan beide zijden vast tot 100 inch- lb/11,2 Nm. Draai ze NIET te strak aan.
  • Stel indien nodig opnieuw af. VERTICALE AFSTELLING Indien nodig kan de verticale positie van de opvangzakconstructie worden aangepast om de juiste uitlijning (B) tussen de bescherm- kap en de bovenkant van de opvangzakconstructie te behouden.
  • Plaats de opvangzakconstructie terug op de opvangzak- steunen (4).
  • Stel indien nodig opnieuw af.
  • Verwijder de opvangzakconstructie.
  • Verwijder de moeren NIET; draai ze alleen losser (3).
  • Schuif de opvangzaksteunen (4) omhoog of omlaag in de juiste stand en draai de moeren (3) weer vast.

DE OPVANGZAK AFSTELLEN

HORIZONTALE AFSTELLING De tractor wordt vanaf de fabriek verscheept met de opvangza- kconstructie in een vaste, vooringestelde stand. Indien nodig kan deze stand worden afgesteld om een consistente opening (A) te handhaven tussen de beschermkap en de bovenkant van de opvangzakconstructie. Een ideale opening is ongeveer 6 mm (0,25 inch).

  • Plaats een sleutel van 1/2” (13mm) onder de bovenkant van de opvangzakconstructie (1). Verwijder de stelbout NIET; draai hem alleen losser (2). Herhaal dit aan de andere kant.
  • Schuif de opvangzakconstructie in de juiste stand.

INSTALLEREN Voordat u onderdelen installeert of afstelt moet de tractormotor uitgeschakeld zijn en de parkeerrem ingeschakeld zijn.

  • Verwijder de middelste afvoertrechter. (Zie “Middelste trechter verwijderen” in hoofdstuk 6 van deze handleiding.)
  • Verwijder de bout (1) van het chassis. Plaats de afdekking (2) in de openingen (3) in de achterplaat. Terwijl u de afdekking op zijn plaats houdt, plaatst u de hendel (4) door de opening en installeert u de bout (1) weer. Stel de hendel naar wens af.

VOLHENDEL OPVANGBAK AFSTELLEN

Schuif de verlenging van de bak volledig naar de gewenste stand (4).

  • Schuif voor zwaar/nat gras de verlenging helemaal in.
  • Schuif voor licht/droog gras de verlenging helemaal uit.

BEVESTIGEN WAARSCHUWING: Schakel de motor van de trekker uit en schakel de parkeerrem in voordat u de vergrendelingen van de opvangzak gaat monteren.

  • Verwijder twee schroeven (1) uit de rechter opvangzakver- grendeling (2).
  • Monteer de rechter opvangzakvergrendeling (3) via de opening in de achterplaat (4).
  • Plaats de rechter opvangzakvergrendeling op de achterplaat met het lipje (5) in de sleuf op de achterplaat en lijn deze uit met het montagegat.
  • Gebruik de eerder verwijderde schroeven (6) en bevestig de rechter opvangzakvergrendeling stevig op de achterplaat.
  • Monteer de veer (7) van de vergrendeling, zoals afgebeeld.
  • Herhaal de stappen voor de linker opvangzakvergrendeling.

WAARSCHUWING: Schakel de motor van de trekker uit en schakel de parkeerrem in voordat u de hendel van de opvangzak gaat monteren.

  • Plaats de hendel (1) van de opvangzak op de achterplaat met het antirotatielipje in de sleuf op de achterplaat en lijn deze uit met het montagegat.
  • Bevestig de hendel van de opvangzak stevig op de achterplaat met de schroef (3) en moer (2).
  • Ripetere sul lato opposto installando il ruotino anteriore nello stesso foro di regolazione. PEILWIELEN AFSTELLEN (indien aanwezig) De peilwielen zijn goed afgesteld wanneer ze een klein beetje boven de grond zijn terwijl de maaier in de bedrijfsstand op de gewenste maaihoogte is. De peilwielen houden het maaibord dan in de juiste stand om onder de meeste terreinomstan- digheden te helpen voorkomen dat er te kort wordt gemaaid.
  • Terwijl de maaier in de gewenste maaihoogtestand is, dienen de peilwielen zodanig te worden gemonteerd dat ze een klein beetje boven de grond zijn. Installeer het peilwiel in het juiste gat.
  • Herhaal dit aan de andere kant en installeer het peilwiel in hetzelfde stelgat.
  • Verwijder de schroeven (1) uit de sleephaak (2). Bewaar ze voor later gebruik.
  • Schuif de sleephaak (2) door de uitsparing (3) in de achterplaat (4) zoals op de afbeelding.
  • Breng de gaten in de sleephaak (2) op gelijke hoogte met de gaten in de achterplaat (4). Plaats de schroeven (1) terug door de achterplaat zoals op de afbeelding. Draai ze stevig vast.

3. Funzionamento. 3. Beschrijving van functies

De plaats van de bedieningsorganen

1. Schakelaar verlichting

4. Vooruitrijpedaal/Pedaal achteruitrijden

5. Aan en uitschakeling van de maaikast

9. Aan-en uitschakeling van vrijwiel

12. Hendel cruise control

14. Onderhoudswaarschuwing/Urenteller

1. Schakelaar verlichting

Met de gasregelaar wordt het toerental van de motor geregeld en daardoor ook de rotatiesnelheid van de messen. = Volgas-positie = Stationair-positie = Stand starten bij koude weersomstandigheden45

4. Vooruitrijpedaal/Pedaal achteruitrijden

De richting en snelheid tijdens het rijden wordt bepaald door de vooruitrij- en acheruitrijpedalen.

Gebruikt om de tractor te ontkoppelen en te remmen en om de motor te starten.

5. Aan en uitschakeling van de maaikast

Breng de hendel naar achteren om de maaikast snel te doen verhogen bij het passeren van oneffenheden in het gazon. Bij transport dient de maaikast in zijn hoogste stand te staan. Zet de hendel achteruit, totdat deze vergrendeld is.

De contactsleutel heeft vier verschillende standen: OFF Alle elektrische stroom uitgeschakeld ROS ON Systeem voor achteruit (ROS) aangesloten ON De elektrische stroom ingeschakeld START Startmotor ingeschakeld Systeem voor achteruit (ROS) – Maakt het mogelijk het ma- aierdek te gebruiken of een ander aangekoppeld apparaat dat elektrisch wordt aangedreven als men achteruit rijdt (Zie sectie 5 - “Rijden”). WAARSCHUWING! Laat nooit de sleutel in het contact zitten, wanneer de machine zonder toezicht wordt achtergelaten.48

Schakel de parkeerrem in als volgt:

1. Druk de rempedaal in tot op de bodem.

2. Breng de parkeerremhendel naar boven en houdt hem

Om de parkeerrem vrij te maken, behoeft u alleen de rem- pedaal in te drukken.

9. Aan en Uitschakeliong van Vrijwiel

De neutrale regelkknop moet ingedrukt zijn om de tractor zonder hulp van de motor te trekken of te verplaatsen.De neutrale regelknop moet uitgetrokken zijn en geblokkeerd zijn om de tractor te laten rijden.

De functie cruise control kan alleen worden gebruikt bij het vooruit rijden. SYSTEEMKENMERKEN De cruise control mag alleen worden gebruikt als u maait of goederen vervoert op relatief gladde en vlakke oppervlakken. In andere omstandigheden, zoals kortmaaien bij langzame snelheden, kan het zijn dat de cruise control wordt uitge- schakeld. Gebruik de cruise control niet op hellingen, op ruw terrein of tijdens het kortmaaien of draaien.

  • Duw het gaspedaal voor vooruit rijden in tot de gewenste snelheid, trek de cruise-controlhendel (12) omhoog en houd de hendel vast terwijl u uw voet van het gaspedaal haalt. Laat de hendel daarna los. Om de cruise control uit te schakelen, duwt u het rempedaal in of geeft u een tikje op het gaspedaal.

Uw tractor is uitgerust met een EZ Mulch-functie. Plaats om de mulch-functie in te schakelen de mulchhendel in de onderste stand. Plaats, om de mulch-functie uit te schakelen en de tractor in de uitstootmodus te laten werken, de mulchhendel in de hoogste stand.

14. Onderhoudswaarschuwing/Urenteller

Geeft aan wanneer de motor en de maai-unit onderhoud nodig hebben.

De accu-indicator geeft de status van de accu aan. Er zijn drie verschillende indicatielampjes:

1. ROOD Opladen is noodzakelijk

2. GEEL Opladen wordt aanbevolen

3. GROEN Opladen is niet nodig

OPMERKING: Wacht 30 minuten na gebruik van de accu voor een nauwkeurige indicatie van de lading. De accu kan worden opgeladen via de oplaadstekker (4). WAARSCHUWING: De oplaadstekker (4) past alleen in CTEK 12 volt-laders tussen de 0,8-10 ampère en mag alleen worden gebruikt met deze laders. Neem contact op met uw plaatselijke leverancier voor verkrijgbare laders.

4. Prima dell’avviamento. 4. Maatregelen vóór het starten.

  • Zet de gashendel in de snelle stand ( ) en klik hem vast op zijn plaats. LET OP: Laat de startmotor niet langer dan vijftien secon- den per minuut continu draaien. Als de motor na diverse pogingen niet start, wacht dan een paar minuten en probeer het nog eens.
  • Steek de sleutel in het contactslot en draai hem rechtsom

) naar de stand “START” en laat hem los zodra de motor aanslaat.

  • Wanneer de motor gestart is kunnen de hulpstukken en aandrijving gebruikt worden. Als de motor de belasting niet accepteert en afslaat, start de motor dan opnieuw en laat hem gedurende een minuut warmlopen.
  • Laat de gashendel in de snelle stand ( ) stand staan terwijl u rijdt.
  • Zet de gashendel voorbij de snelle stand in de stand starten bij koude weersomstandigheden ( ). LET OP: Laat de startmotor niet langer dan vijftien secon- den per minuut continu draaien. Als de motor na diverse pogingen niet start, wacht dan een paar minuten en probeer het nog eens.
  • Steek de sleutel in het contactslot en draai hem rechtsom

) naar de stand “START” en laat hem los zodra de motor aanslaat.

  • Wanneer de motor gestart is, de gashendel terugdraaien naar de snelle stand ( ) om de motor op te warmen. De tijd die nodig is om de motor po te warmen kan variëren van enkele seconden tot een minuut, afhankelijk van de omstandigheden en temperatuur.
  • Il trattore è pronto per il normale funzionamento. TRANSMISSIE ONTLUCHTEN Voor de juiste werking en prestaties wordt aangeraden om de transmissie te ontluchten voordat de trekker voor het eerst wordt gebruikt. Hierdoor wordt lucht binnenin de transmissie verwijderd, die er tijdens het vervoer van uw trekker kan zijn ontstaan.

BELANGRIJK: MOCHT UW TRANSMISSIE VOOR ONDER-

HOUD OF VERWISSELING VERWIJDERD MOETEN WOR-

DEN, DAN DIENT HIJ NA DE INSTALLATIE ONTLUCHT TE WORDEN, VOORDAT U DE TREKKER GEBRUIKT.

  • Parkeer de trekker veilig op een vlakke ondergrond zodat hij in geen enkele richting kan wegrollen. Voor de volgende handeling moet de parkeerrem uitgeschakeld zijn.
  • Schakel de transmissie uit door de freewheel-hendel in de free wheel-stand te plaatsen.
  • Start de motor en breng de gashendel naar de stand Langzaam. Controleer of de parkeerrem uitgeschakeld zijn.
  • Druk het vooruitrijpedaal volledig in. Houdt deze vijf (5) sec- onden ingedrukt en laat dan los. Druk het achteruitrijpedaal volledig in. Houdt deze vijf (5) seconden ingedrukt en laat dan los. Herhaal deze procedure drie (3) keer.
  • Stop de trekker door de contactsleutel naar de stand “OFF” (UIT) te draaien.
  • Schakel de transmissie in door de freewheel-hendel in de rijstand te plaatsen.
  • Start de motor en breng de gashendel naar de stand Lang- zaam.
  • Rijd de trekker ongeveer 1 meter 50 vooruit en vervolgens 1 meter 50 achteruit. Herhaal dit drie keer.
  • Uw trekker is nu klaar voor normaal bedrijf.59
  • Druk voorzichtig op het vooruitrij of achteruitrijpedaal om te gaan rijden. De snelheid neemt toe als het pedaal meer wordt ingedrukt. Maaien Zet het maaionderdeel lager door de tilhendel naar voren te bewegen en bevestig het maaionderdeel. Kies een rijsnelheid die bij het terrein en de gewenste maairesultaten past.60
  • Quando l’utilizzo nel ROS non serve più, girare la chiave di accensione in direzione orario con il motore in posizione "ON". Systeem voor achteruit (ROS) Uw tractor is uitgerust met een systeem voor achteruit (reverse operation system – ROS). Elke poging door de bestuurder om achteruit te rijden waarbij het aankoppelingspedaal actief is, zal de motor doen afslaan, tenzij het contactsleuteltje zich in de "ON"-positie van de ROS bevindt. WAARSCHUWING! Achteruit rijden met het aankoppeling- spedaal actief tijdens het maaien wordt sterk afgeraden. Als men de ROS "ON:" zet, om achteruit rijden met het aankop- pelingspedaal actief mogelijk te maken, dient dit alleen te gebeuren als de bestuurder beslist dat het nodig is de machine een andere positie te geven met wat aangekoppeld is. Maai niet achteruit, tenzij dit absoluut nodig is.
  • De motor loopt en draai de contactschakelaar tegen de klok in naar de positie "ON" van de ROS.
  • Kijk naar beneden en achter u voor u achteruit rijdt.
  • Duw het pedaal van de achteruitversnelling langzaam in om te beginnen met rijden
  • Wanneer men de ROS niet langer nodig heeft, draait u het contactsleuteltje met de klok mee in positie "ON" van de motor Cutting tips
  • Verwijder stenen en andere voorwerpen van het gazon, die weggeworpen kunnen worden door de messen.
  • Localiseer en markeer grotere stenen of andere vast- evoorwerpen, om ze bij het maaien te kunnen vermijden.
  • Start met een hoge maaihoogte en verlaag deze tot gewenste maairesultaat is verkregen.
  • Het maairesultaat wordt het beste met een hoog toerental (de messen roteren snel) en een lage versnelling (de ma- chine beweegt zich langzaam). Als het gras niet te lang en dik is, kan de rijsnelheid worden opgevoerd door een hogere versnelling te kiezen of door de motorsnelheid te verhogen zonder dat dit de maairesultaten beïnvloedt.
  • Het mooiste gazon wordt verkregen, als het vaak wordt gemaaid. Het maaien geschiedt gelijkmatiger en het ge- maaide gras wordt ook gelijkmatiger over het oppervlak verdeeld. Het totale tijdsbestek voor het maaien wordt niet langer, daar een grotere rijsnelheid kan worden toegepast, zonder dat het maairesultaat minder wordt.
  • Vermijd een nat gazon te maaien. Het maairesultaat wordt minder, daar de wielen in de zachte grasmat zakken.
  • Spoel de onderkant van de maaikast na iedere maai-beurt schoon met water.63
  • Installare il sacco di raccolta sul trattore. De maaier ombouwen: (Voor het ombouwen naar mulching of achteruitstoot zijn de betreffende accessoires nodig.) Mulching
  • Plaats het dek in de hoogste maaistand.
  • Verwijder de bak of optionele achterdeflector.
  • Plaats het samenstel via de achterplaat en zet op de trechteradapter van het maaidek.
  • Bevestig het samenstel door de twee banden te verbinden in de aangebrachte gaten op de steunarmen van de bak.
  • Vervang de bak of optionele achterdeflector om de maaier te laten werken. U kunt nu gaan mulchen. Achteruitstoot
  • Plaats het dek in de hoogste maaistand.
  • Verwijder de opvangzak, de opvangzaksteunconstructie en de mulchdop (indien geïnstalleerd).
  • Installeer de afvoertrechter via de opening in de achter- plaat en schuif deze over het dekaansluitstuk.
  • Bevestig de trechter door de twee vleugelmoeren aan de flens van de trechter vast te maken.
  • Installeer de deflector aan de achterplaat door de vier (4) vleugelmoeren in de draadopeningen in de achterplaat te schroeven.
  • Maak de vleugelmoeren stevig vast. Met een bak
  • Plaats het dek in de hoogste maaistand.
  • Verwijder de achterdeflector of mulchdop.
  • Plaats de afvoertrechter in de opening in de achterplaat en op het aansluitstuk van het maaidek.
  • Bevestig de trechter aan de tractor door de twee vleu- gelmoeren in de flens van de trechter vast te maken.
  • Installeer de bak op de tractor.65
  • Per continuare il lavoro di falciatura, verificare che il cesto sia completamente abbassato, e che si trovi in posizione corretta per lavorare. Het legen van de grascontainer Uw tractor is uitgerust met een 'stortzakalarm'. Schakel de koppelingbediening van de aanbouwapparatuur uit om het alarm uit te zetten.
  • Plaats de trekker op de plek waar u de grascontainer wilt legen.
  • Controleer of de gecombineerde versnellingsbak en achterbrug in “vrijloop” staat. Schakel de parkeerrem in.
  • Hef de hendel voor het legen naar de hoogste stand. Trek de hendel naar voren om de grascontainer omhoog te laten komen en het grasmaaisel te storten.
  • Om met maaien verder te kunnen gaan, moet u ervoor zorgen dat de grascontainer weer naar beneden is en in de juiste stand staat.66
  • Rij niet op een terrein met een helling van meer dan 15°. Het risico om achterover te slaan is zeer groot.
  • Rij niet schuin over een hellend terrein, daar het kantel- risico dan groot is.
  • Vermijd te stoppen of te starten op een hellend terrein. WARNING!
  • Staccare la candela. WAARSCHUWING! Voordat service-werkzaamheden aan de motor of maaikast worden verricht, dient men het volgende te doen:
  • Verwijder de ontstekingskabel van de bougie.69
  • Ontkoppel de aansluitkabel van de koplampen.
  • Ga recht voor de trekker staan. Pak de motorkap aan beide zijden vast, kantel hem naar voren en til hem van de trekker.
  • Plaats bij het monteren van de kap de scharnierbeugels in de betreffende openingen in het chas sis.
  • Sluit de aansluitkabel van de koplampen weer aan en sluit de motorkap.

Onderhoud N.B.: Om uw tractor in goede conditie te houden, moeten er regelmatig onderhoudsbeurten uitgevoerd worden. WAARSCHUWING: Schakel altijd eerst de bougieleiding uit voor u herstellingen, inspecties of onderhoud uitvoert. Dit om te voorkomen dat de ma chine per ongeluk start. Voor elk gebruik:

  • Controleer het oliepeil en smeer de draaipunten indien nodig.
  • Controleer of alle bouten, moeren en splitpennen op hun plaats zitten en goed vast zitten.
  • Controleer de accupolen en ontluchtingsopeningen.
  • Laad voorzichtig op bij 6 ampere indien nodig.
  • Maak het luchtscherm schoon.
  • Zorg dat er geen vuil en kaf op en in de tractor zit, zodat de motor niet beschadigd of oververhit raakt.
  • Controleer de werking van de remmen. Reinigen Wij raden u af om een tuinslang of hogedrukreinigingsapparaat te gebruiken om uw tractor te reinigen, tenzij de motor en de transmissie afgedekt zijn om water buiten te houden. Er kan water in de motor of in de transmissie komen, wat de levensduur van uw tractor verkort. Gebruik perslucht of een bladblazer om gras, bladeren en vuil van de tractor en maaier te verwijderen. Reinigen Stuurplaat:
  • Reinig het vuil van de stuurplaat. Vuil kan het schakelen van het koppelings/rempedaal beperken, hierdoor kan de riem gaan slippen en de aandrijving verloren gaan. OP GELET: Vermijd alle kwetsbare punten en beweegbare onderdelen.

3. Stuurinrichting, dashboard, spatbord en maaier zijn niet

  • Verwijder de bevestigingsschroef (1) van de onderste dashboardafdekking. LET OP: Verwijder onderste dashboardafdekking (2) voorzich- tig zodat de afdeklippen (3) niet afbreken.
  • Schuif de onderste dashboardafdekking (2) omhoog om de afdeklippen (3) van de taps toelopende gleuven (4) in het onderste dashboard te verwijderen en verwijder. Olie aflaatklep
  • Neem het kapje (5) weg en breng de aflaatbuis (6) aan.
  • Om de klep te openen druk lichtjes in, draai om tegen wijzerzin en trek uit.
  • Om de klep te sluiten, druk in en draai om in wijzerzin.
  • Verwijder de aflaatbuis en breng het kapje aan.

2. Aardschroef (zilver)

(weergegeven in gesloten stand)

ACCUONDERHOUD WAARSCHUWING: Het niet opvolgen van instructies kan resulteren in vonken, vonkontlading of vlammen, wat weer kan leiden tot ernstig letsel of materiële schade. Alvorens met de accu (1) aan de slag te gaan, verwijdert u metalen armbanden, polshorloges, ringen etc. Deze kunnen brandwonden veroorzaken als deze in contact komen met de accu. WAARSCHUWING: Zorg ervoor dat de contactschakelaar van de trekker in de UIT-stand staat en dat de contact- sleutel is VERWIJDERD. VERWIJDERING

  • Zoek de zilveren massaschroef (2) op de rechterplaat van de trekker, boven de rechterachterband.
  • Verwijder met een moer- of dopsleutel van 13 mm (½ inch) de zilveren massaschroef (2) en bewaar deze.
  • Trek de beschermhuls (3) over de blootliggende aansluitklem (4) zodat hij de aansluitklem VOLLEDIG bedekt.
  • Verwijder met een moer- of dopsleutel van 11 mm (7/16 inch) de grote RODE (+) accukabel (5) van de solenoïdebout (6). Verwijder de kleine rode draad NIET van de kabelboom op de solenoïdebout.
  • Open het acculuik (8) vanaf de achterzijde van de trekker en laat het rusten op de rechtersteunbeugel (15) van de opvangzak. WAARSCHUWING: Alvorens de accu uit het accucom- partiment te verwijderen, zorgt u ervoor dat de rode beschermkap (14) de positieve aansluitklem (+) bedekt.
  • Trek de accu (1) met beide kabels bevestigd uit het accucompartiment en laat deze op het acculuik (8) rusten. ONDERHOUD
  • Schuif de rode beschermkap (14) omhoog op de positieve kabel (+) om de positieve aansluitklem (+) bloot te leggen.
  • Verwijder de vierkantmoeren (10), bouten (11) en accukabels.
  • Reinig/verwijder/vervang de accu (1), indien nodig. INSTALLATIE WAARSCHUWING: De positieve aansluitklem (+) en rode beschermkap (14) moeten EERST worden aangesloten om vonkvorming door aarding te voorkomen. OPMERKING: De beschermhuls (3) van de ZWARTE kabel (12) moet de aansluitklem (4) volledig bedekken.
  • Sluit de RODE accukabel (5) aan op de positieve accuklem (+) en vervolgens de ZWARTE kabel (12) op de negatieve accuklem (-) met de eerder verwijderde vierkantmoeren (10) en bouten (11). Zet ze stevig vast.
  • Smeer de accuklemmen (13) om corrosie te voorkomen.
  • Schuif de rode beschermkap volledig over de positieve aansluitklem (+). WAARSCHUWING: Alvorens de accu in het accucomparti- ment te plaatsen, zorgt u ervoor dat de rode beschermkap (14) de positieve accuklem (+) bedekt.
  • Plaats de accu in het accucompartiment.
  • Bevestig met een moer- of dopsleutel van 11 mm (7/16 inch) de grote RODE (+) accukabel (5) aan de solenoïdebout (6). Zet ze stevig vast.
  • Trek de beschermhuls (3) omhoog om het uiteinde van de aansluitklem (4) bloot te leggen.
  • Draai de ZWARTE (-) accukabel (12) met de hand vast op het trekkerframe boven de rechterachterband met behulp van de eerder verwijderde zilveren massaschroef (2).
  • Draai met een moer- of dopsleutel van 13 mm (½ inch) de zilveren massaschroef (2) vast op het trekkerframe.
  • Sluit het acculuik (8) en borg het met behulp van de acculuikvergrendeling (7) en acculuikhouders (9). LET OP: De acculuikstandaard (7) moet in gesloten stand worden vastgezet in de acculuikhouders (9) boven het acculuik (8).

Inspecteer de geluiddemper elke 50 bedrijfsuren of zes maanden op tekenen van beschadiging. Als er een beschadiging wordt geconstateerd, raadpleeg dan de reparatieonderdelenlijst of neem contact op met uw lokale dealer om een vervangend onderdeel te bestellen.

  • Voer vaker onderhoud uit bij gebruik onder vuile of stoffige omstandigheden.84
  • Mentre il motore è acceso con il pulsante di accensione del ROS nella posizione "ON" e l’innesto della frizione inserito, qualsiasi tentativo da parte dell’operatore di inserire la retromarcia NON dovrebbe comportare lo spegnimento del motore. Systeem voor aanwezigheid bestuurder en sys- teem voor achteruit werken (ROS) Zorg ervoor dat de systemen voor de aanwezigheid van de bestuurder en voor achteruit werken goed werken. Als uw tractor niet zoals hierboven beschreven werkt, dient u het probleem onmiddellijk op te lossen.
  • De motor start niet, tenzij het rempedaal volledig ingedrukt is en het aankoppelingspedaalregelaar zich in de vrije positie bevindt.
  • Wanneer de motor loopt, dient elke poging door de bestu- urder om zijn stoel te verlaten zonder eerst de parkeerrem in te stellen de motor uit te zetten.
  • Wanneer de motor loopt en het aankoppelingspedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om zijn stoel te verlaten de motor af te sluiten.
  • Het aankoppelingspedaal dient nooit te werken, tenzij de bestuurder in zijn stoel zit.
  • Als de motor loopt en de contactschakelaar zich in de positie "ON" van de motor bevindt en het aankoppeling- spedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om over te schakelen naar achteruit (reverse) de motor af te sluiten.
  • Als de motor loopt en de contactschakelaar zich in de positie "ON" van de ROS bevindt en het aankoppeling- spedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om over te schakelen naar achteruit (reverse) de motor niet af te sluiten.87
  • Serrare saldamente il bullone (62-75 Nm). Mes verwijderen
  • Zet de maaier in de hoogste stand om bij de messen te kunnen.
  • Haal de mesbout eraf.
  • Monteer een nieuw of geslepen mes waarbij het sleep (hulp) mes omhoog naar het maaidek gericht moet zijn, zie afbeelding. BELANGRIJK: Om zeker te zijn van goede montage moet het centrumgat in het mes passen met de ster op de mandrijn. BELANGRIJK: Speciale mesbout is heet-behandeld, Graad 8.

1. Blad met 5-puntige ster

Het midden van dit blad heeft een patroon met een vijf (5)-puntige ster. De bout waarmee dit blad wordt vastgezet heeft een normale schroefdraad naar rechts; draai de bout naar links ( ) om hem los te draaien en draai de bout naar rechts ( ) om hem vast te draaien.

  • Monteer de mesbout weer en draai hem stevig vast (62-75 Nm.).

2. Blad met 5-puntige ster

Het midden van dit blad heeft een patroon met een vijf (5)-puntige ster. De bout waarmee dit blad wordt vastgezet heeft een schroefdraad naar links; draai de bout naar rechts ( )om hem los te draaien en draai de bout naar links ( ) om hem vast te draaien.

  • Monteer de zeskantbout, de sluitring en de platte ring exact als in de weergegeven volgorde.
  • Draai de bout stevig aan (62-75 Nm.).
  • Verwijder de middelste trechter zoals hierboven be- schreven.
  • Zet de koppeling van het hulpstuk in de “ONTKOPPELDE” positie.
  • Zet de hendel van de hefinrichting in de laagste positie.
  • Verwijder de kabel (H) door de lipjes (I) in te drukken en het kabeluiteinde uit de haak (J) te verwijderen.
  • Verwijder de afdekking van de draaispil (Q).
  • Verwijder de riem van de riemschijf van de koppeling (M).
  • Demonteer de haarpinveer (E) en verwijder de hefboom.
  • Demonteer de haarpinveer (A) en verwijder de hefboom.
  • Demonteer de haarpinveer (D) en verwijder de hefboom. WAARSCHUWING: De hendel van de hefinrichting heeft veerbelasting. Houd de stang goed vast en ontkoppel langzaam.
  • Schuif de maaiunit aan de rechterzijde onder de tractor vandaan. Assembly of the cutting unit
  • Schuif de maaikast onder de machine.
  • Het monteren vindt in omgekeerde volgorde van het demonteren.93

sizione massima. De aandrijfriem van de maaiunit vervangen

DE AANDRIJFRIEM VAN DE MAAIUNIT VERWIJDEREN

1. Parkeer de tractor op een vlakke ondergrond. Schakel de

3. Verwijder vuil of vet dat zich rond de spillen en op het hele

bovenoppervlak heeft gevormd.

4. Verwijder de riem van de koppelingspoelie (M), spilpoelie

(R) en alle vrijlooppoelies (V).

DE AANDRIJFRIEM OP DE MAAIUNIT INSTALLEREN

1. Installeer de riem om de beide spilschijven (R) en om de

draagrolschijven (V) zoals op de afbeelding.

2. Installeer de riem op de riemschijf van de koppeling (M).

BELANGRIJK: Controleer of de riem goed in alle riemschijf- groeven van de maaiunit loopt.

3. Zet de hendel van de hefinrichting in de hoogste positie.95

De maaiunit nivelleren Zorg ervoor dat de banden tot de PSI-waarde die op de banden zelf staat aangegeven zijn opgepompt. Als de banden te hard of te zacht zijn, kan dat het uiterlijk van uw grasveld beïn- vloeden zodat u denkt dat de maaiunit niet goed is afgesteld.

veld toch niet gelijk is gemaaid, kijkt u welke kant van de maaier dieper maait.

2. Draai met een verstelbare sleutel of een sleutel van 3/4"

de afstelmoer van de hefkoppeling (A) naar links om de maaier te verlagen, of naar rechts om de maaier te verhogen (Fig. 1). N.B.: Iedere volle slag van de afstelmoer wijzigt de hoogte van de maaier met ongeveer 3/16".

3. Test uw afstelling door wat ongemaaid gras te maaien en

te kijken hoe het resultaat eruitziet. Stel de maaiunit indien nodig verder af totdat u tevreden bent met het resultaat.

1. Parkeer met alle banden op de juiste spanning de tractor

op een vlakke ondergrond of op een oprit. OPGELET: Het mes is scherp. Bescherm uw handen met handschoenen en/of wikkel dikke doeken om de messen.

2. Breng de maaier omhoog tot de hoogste positie.

3. Plaats aan beide zijden van de maaier het mes aan de

zijkant en meet de afstand (A) van de onderste rand van het mes tot de grond. De afstand moet aan beide zijden hetzelfde zijn (Fig. 2).

4. Zie de stappen 2 van de instructies voor het op het oog

uitlijnen als de messen afgesteld moeten worden.

5. Controleer de metingen opnieuw, en stel de messen af

totdat beide zijden gelijk zijn.

AFSTELLING BOOR-EN ACHTERZIJDE

BELANGRIJK: Het oppervlak van de maaier moet overal dezelfde hoogte hebben. Voor de beste maairesultaten moeten de maaimessen zodanig worden afgesteld dat de voorkant 1/8” tot 3/8" lager is dan de achterkant wanneer de maaier in de hoogste stand staat. OPGELET: Het mes is scherp. Bescherm uw handen met handschoenen en/of wikkel dikke doeken om de messen.

  • Breng de maaier omhoog tot de hoogste positie.
  • Plaats alle messen zo, dat de punt recht vooruit wijst. Meet de afstand (B) tot de grond bij de voorste en achterste punt van het mes (Fig. 3).
  • Ga naar de voorkant van de tractor als de voorste punt van het mes niet 1/8" tot 3/8" lager is dan de achterste punt.
  • Haal met een 11/16" of verstelbare sleutel de blokkeermoer A verschillende slagen los om afstelmoer B vrij te maken.
  • Draai met een 3/4" of verstelbare sleutel de afstelmoer van de voorste koppeling (B) in de richting van de klok (vast) om de voorkant van de maaier op te heffen of tegen de richting van de klok in (los) om de voorkant van de maaier te laten zakken (Fig. 4). N.B.: Iedere volle slag van de afstelmoer wijzigt de hoogte van de maaier met ongeveer 1/8".
  • Controleer de metingen opnieuw en stel indien nodig verder af totdat de voorste punt van het mes 1/8" tot 3/8" lager is dan de achterste punt.
  • Houd de afstelmoer in positie met de sleutel en draai de blokkeermoer goed vast tegen de afstelmoer.

1. Parkeer de tractor op een vlakke ondergrond. Schakel de

parkeerrem in. LET OP: Zorg dat de contactsleutel is verwijderd tijdens de werkzaamheden aan de tractor.

2. Verwijder het baksamenstel.

3. Verwijder de middelste afvoertrechter zoals hierboven

4. Verwijder de messeneenheid zoals hierboven beschreven.

5. Koppel de bedrading van de koppeling (1) los.

6. Verwijder de anti-rotatiekoppeling (2) aan de rechterzijde

7. Werk vanaf de achterkant van de tractor via de achterplaat

en verwijder de aandrijfriem van de transaxlepoelie(3) en de achterste leirolpoelies (4).

8. Verwijder de riem vanaf het midden van de leirolpoelies (5).

9. Haal de riem van de motorpoelie (6) af en rond de

riemgeleiding (7). INSTALLATIE

1. Start de riem van boven de steunplaat van de besturing (8)

aan de linkerkant van de stuuras. OPMERKING: Zorg dat de riem zich boven de bovenkant van de koppeling/rempedaalas (9) bevindt.

2. Plaats de riem om de motorpoelie (6) en onder de

5. Installeer de riem verder door de procedure terug te volgen.

BELANGRIJK: Controleer de riem om de juiste plaatsing van alle maaierpoeliegroeven en -geleidingen te garanderen.104

1. Parkeer de tractor op een vlakke, droge betonnen of

geplaveide ondergrond, duw het rempedaal helemaal in en schakel de parkeerrem in.

2. Ontkoppel de transmissie door de vrijstand-hendel in

De ventilator en koelribben van de transmissie moeten schoon gehouden worden om voore de juiste koeling te zorgen. Tracht niet de ventilator of de transmissie te reinigen terwijl de motor draait of terwijl de transmissie heet is.

  • Controleer de koelventilator om u ervan te overtuigen dat de bladen intact en schoon zijn.
  • Controleer de koelribben op vuil, gras en ander materiaal. TRANSMISSIEPOMPVLOEISTOF De transmissie is in de fabriek verzegeld en vloeistofonder- houd is niet nodig. Als de transmissie ooit mocht lekken of een onderhoudsbeurt nodig hebben, dient u een bevoegd servicecentrum of afdeling te raadplegen.107

DEKREINIGINGSPOORT Het maaidek van uw trekker is aan de bovenkant uitgerust met een reinigingspoort als onderdeel van het dekreinigingssysteem. Dit systeem dient na elk gebruik van de maaier te worden gebruikt. OPMERKING: Voor modellen met Franse stootplaten bevindt de uitspoelpoort zich aan de linkerkant van de stootplaat, net voor het achterwiel.

  • Rijd de trekker naar een vlakke, open plek op uw gazon, dicht genoeg bij een waterkraan om met de tuinslang te bereiken. BELANGRIJK: Zorg ervoor dat de uitworp van de trekker is weg- gericht van uw huis, garage, geparkeerde auto’s, enz. Verwijder de opvangbak of mulchplaat indien bevestigd.
  • Zorg ervoor dat de koppelingshendel van het hulpstuk in de stand “DISENGAGED”(ontkoppeld) staat, trek de parkeerrem aan en schakel de motor uit.
  • Trek de borgkraag van de adapter van het mondstuk op uw tuinslang (A) naar achteren en druk de adapter op de inlaatopening van het reinigingsdek aan het linkeruiteinde van het maaidek (B). Laat de borgkraag los om de adapter op het mondstuk te bevestigen. BELANGRIJK: Trek aan de slang om te controleren of de slang goed is gekoppeld.
  • Draai de waterkraan open.
  • Ga op de bestuurdersstoel van de trekker zitten, start de mo- tor en plaats de gashendel in de stand “Fast” (" ") (snel). BELANGRIJK: Controleer nog een keer of de ruimte voor de uitworp vrij is.
  • Zet de koppelingshendel van het hulpstuk van de tractor in de stand “ENGAGED” (gekoppeld). Blijf op de bestuurdersstoel zitten met het maaidek ingeschakeld totdat het dek schoon is.
  • Zet de koppeling van het hulpstuk van de tractor in de stand “DISENGAGED” (ontkoppeld). Draai de startsleutel in de positie STOP om de motor uit te schakelen. Draai de water- kraan dicht.
  • Trek de borgkraag van de mondstukadapter terug om de adapter van de reinigingspoort los te koppelen.
  • Verplaats de trekker naar een droge plaats, bij voorkeur met een betonnen of bestrate ondergrond. Zet de koppelingshen- del van het hulpstuk in de stand “ENGAGED” (gekoppeld), zodat overmatig water kan weglopen en de tractor sneller kan drogen, voordat u hem stalt. WAARSCHUWING: Een kapotte of ontbrekende reinigingsaansluiting kan u of anderen blootstellen aan voorwerpen die door contact met de messen worden uitgeworpen.
  • Vervang een kapotte of ontbrekende reiniging- saansluiting onmiddellijk, alvorens de maaier opnieuw te gebruiken.

7. Ricerca guasti. 7. Het localiseren van fouten.

1. Er is geen benzine in de tank.

De startmotor trekt de motor niet

3. Aan/uitschakelhendel in foutieve stand.

4. De hoofdzekering is defect.

5. Het stuurslot/contact is defect.

6. Het veiligheidscontact voor koppelings/rempedaal is

7. Koppelings/rempedaal niet ingedrukt.

De motor loopt niet gelijkmatig

4. Het luchtfilter zit dicht.

5. De ventilatie van de brandstoftank is verstopt.

6. De ontsteking is verkeerd ingesteld.

7. Vuil in de brandstofleidingen.

De motor lijkt zwak/weinig vermogen

1. Het luchtfilter is verstopt.

5. De carburateur is verkeerd ingesteld.

De motor raakt oververhit

1. De motor is overbelast.

2. De luchtinlaat of de koelribben zitten verstopt.

3. De ventilator is beschadigd.

4. Te weinig of geen olie in de motor.

5. Het voorgloeien is defect.

6. De bougie is defect.

De accu laadt niet op

1. De zekering is defect.

2. Een of meer cellen zijn beschadigd.

3. Accupolen en kabels maken geen contact.

De verlichting werkt niet

1. Draadverbinding koplamp niet aangesloten.

2. De gloeilampen zijn stuk.

3. Één of beide messen zijn in onbalans, veroorzaakt door

beschadiging of slechte balans na het slijpen. Hoogte van gemaaid gras is ongelijk

1. De messen zijn bot.

2. De maaikast staat niet recht.

5. De luchtdruk in de banden is links en rechts niet gelijk.

6. Te hoge versnelling.

7. De aandrijfriem slipt.113

Aan het einde van elk maaisezoen moeten de vol gen de maatregelen worden genomen:

  • Maak de hele machine schoon, in het bijzonder de bin- nenkant van de kap van de maaikast. Geen water onder hoge druk gebruiken om het voertuig te reinigen. Er kan water in de motor en in de transmissieorganen komen, wat de levensduur van het voertuig verkort.
  • Herstel lakbeschadigingen om roest te voorkomen.
  • Ververs de olie in de motor.
  • Maak de benzinetank leeg. Laat de motor draaien totdat er ook in de car bu ra teur geen benzine meer is.
  • Verwijder de bougie en laat een eetlepel mo tor o lie in de cilinder lopen. Draai de motor rond zodat de olie wordt verdeeld en schroef daarna de bougie weer vast.
  • Haal de accu weg. Laad de accu op en bewaar deze op een koele plaats. Bescherm de accu tegen strenge kou.
  • Zet de machine in een droge overdekte ruimte. WAARSCHUWING! Gebruik nooit benzine bij het schoonmaken, omdat dit schadelijke stoffen bevat. Onderhoud Bij het bestellen van onderdelen moet de merk naam van de machine, het jaar van aankoop en het model, type en Z serienummer worden vermeld. Neem contact op met de dichstbijzijnde dealer voor onderhoud en reparaties. Er moeten altijd originele onderdelen worden gebruikt. Al termine della stagione effettuare i seguenti interventi:

Wij, Husqvarna AB, SE 561 82 Huskvarna, ZWEDEN, verklaren onder onze alleenverantwoordelijkheid dat het gerepre- senteerde product: Beschrijving Zitmaaier met verbrandingsmotor Merk Husqvarna Platform / Type / Model TC 239T Partij Serienummer vanaf 2017 en verder volledig voldoet aan de volgende EU-richtlijnen en -regelgeving: Richtlijn/Verordening Beschrijving 2006/42/EG “betreff ende machines” 2014/30/EU “betreff ende elektromagnetische compatibiliteit” 2000/14/EG; 2005/88/EG “betreff ende geluid buitenshuis” Toegepaste geharmoniseerde normen en/of technische specifi caties zijn als volgt; EN ISO 12100, ISO 14982, ISO 5395-1 & 3, ISO 3744, ISO 11094, EN 1032 In overeenstemming met richtlijn 2000/14/EG, bijlage V, staan de verklaarde geluidswaarden vermeld in de sectie met technische gegevens van deze handleiding en in de ondertekende EG-verklaring van overeenstemming. De geleverde zitmaaier met verbrandingsmotor is conform het geteste exemplaar.11811909.25.17 CL Printed in U.S.A.