Ceres 4 - Elektrische scooter Vermeiren - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Ceres 4 Vermeiren in PDF-formaat.

📄 156 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice Vermeiren Ceres 4 - page 55
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Español ES Italiano IT Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : Vermeiren

Model : Ceres 4

Categorie : Elektrische scooter

Download de handleiding voor uw Elektrische scooter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Ceres 4 - Vermeiren en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Ceres 4 van het merk Vermeiren.

GEBRUIKSAANWIJZING Ceres 4 Vermeiren

Vermeiren Nederland B.V.

Vermeiren Nederland B.V.

Instructies voor de vakhandelaar: Deze handleiding is deel van het product en dient bij iedere aflevering te worden geleverd.

Alle rechten, inclusief vertaling, voorbehouden. Niets uit deze handleiding mag geheel of gedeeltelijk in enige vorm (druk, fotokopie, microfilm of ieder ander procédé) zonder de schriftelijke toelating van de uitgever worden gereproduceerd of met behulp van elektronische systemen worden verwerkt, gekopieerd of verspreid. Vermeiren België, 2008Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

VOORWOORD We willen u danken voor het vertrouwen dat u in onze producten stelt. De levensduur van het product hangt in sterke mate af van de zorg waarmee u de Scooter behandelt. Deze handleiding maakt u vertrouwd met de bediening van uw Scooter. In dit document vindt u ook enkele onderhoudsadviezen zodat uw Scooter lang meegaat.

Deze handleiding houdt rekening met de recentste productontwikkelingen. De Firma Vermeiren behoudt zich echter het recht voor om wijzigingen door te voeren zonder verplicht te zijn voordien geleverde modellen aan te passen of te vervangen. Houd er rekening mee dat bij het naleven van onze adviezen uw Scooter ook na jaren gebruik nog in perfecte staat is en perfect functioneert. Als u nog vragen hebt, neemt u best contact op met uw vakhandelaar.

ALGEMENE INSTRUCTIES De Elektro-Scooters zijn ontworpen voor gebruik buitenshuis. Enkele modellen zijn echter zo ontworpen dat ze ook binnenshuis kunnen worden gebruikt. Men moet er echter voor zorgen dat er voldoende ruimte is om de Scooter te draaien en te gebruiken. Wanneer u de Scooter op straat of op wandelpaden wilt gebruiken, dient u erop te letten dat u de geldende wettelijke bepalingen naleeft. Voor de modellen met een maximale snelheid van 6 km/u heeft u geen rijbewijs nodig en hoeft ook geen verzekering af te sluiten. Om verschillende redenen adviseren wij echter toch een verzekering af te sluiten. Voor de modellen met een snelheid van meer dan 6 km/u hebt u wel een verzekering, maar geen rijbewijs nodig. Bij deze modellen wordt een toelating tot het verkeer afgeleverd die u aan de verzekeringsmaatschappij moet overhandigen. Gebruik voor het opladen van de batterijen uitsluitend het bijgeleverde laadapparaat. We willen er uw aandacht op vestigen dat elektromagnetische storingen (b.v. door GSM, enz.) kunnen worden veroorzaakt en dat de elektronica van de Scooter zelf storingen bij andere elektrische apparaten kan veroorzaken. Ook wanneer de handelaar u de bedieningselementen van uw Scooter en hoe u ermee dient om te gaan heeft uitgelegd, moet u de volgende pagina’s toch aandachtig lezen. Technische wijzigingen voorbehouden. Onze algemene voorwaarden zijn van toepassing.

TOEPASSINGSGEBIED / ONEIGENLIJK GEBRUIK

De Elektro-Scooters dienen voor het comfortabel vervoeren van personen. Het aantal zitplaatsen bepaalt dus hoeveel personen kunnen worden vervoerd. De Scooter mag niet worden gebruikt voor het vervoeren van voorwerpen of van kinderen jonger dan 12 jaar. Modellen met een maximumsnelheid van meer dan 6 km/u mogen niet worden gebruikt door personen die jonger zijn dan 16 jaar. De Scooter mag niet worden gebruikt als drager voor personen en voorwerpen of als opstapje. De Scooter mag ook niet worden gebruikt door personen die door duidelijke lichamelijke of mentale beperkingen niet in staat zijn de Scooter veilig te gebruiken in het verkeer.

Dergelijke beperkingen kunnen veroorzaakt zijn door:

  • Verlammingen aan een kant of dwarslaesie
  • Verlies van ledematen (armamputatie)
  • Defect of vervorming van de ledematen (wanneer de beweging en evenwichtsfunctie beperkt is)Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

Contractuur of schade aan de gewrichten (wanneer de beweging en evenwichtsfunctie beperkt is)

  • Trauma’s met invloed op de cerebrale cortex Bij het gebruik van een Elektro-Scooter moet eveneens rekening worden gehouden met
  • lichaamsgrootte en lichaamsgewicht
  • fysieke en psychische gesteldheid

De Elektro-Scooter is in principe bedoeld voor gebruik op wandelpaden. Alleen de modellen met een toelating tot het verkeer (snelheid hoger dan 6 km/u) mogen op wegen binnen de bebouwde kom worden gebruikt. Het rijden op snelwegen en autosnelwegen is in ieder geval verboden. De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van oneigenlijk gebruik.

Het meenemen van extra personen is verboden. L Zet/schakel de startsleutel eerst uit voor u in- of uitstapt, voor u uw Scooter demonteert of wil transporteren. L Wanneer de stoel wordt getransporteerd, mogen geen personen worden vervoerd. L Onderzoek het effect van een veranderd zwaartepunt op het gedrag van de Scooter (b.v. hellingen, zijdelingse hellingen of hindernissen). L Let er bij het opnemen van voorwerpen die zich voor, opzij of achter de Scooter bevinden, op dat u niet te ver uit de Scooter leunt. Anders kan deze kantelen. L Zet op hellingen de Scooter nooit in vrijloop. L Rijd nooit achterwaarts op een helling. L Verminder uw snelheid wanneer u een bocht neemt. L Neem tijdens het rijden het stuur met beide handen vast. L Laat uw benen/voeten tijdens de rit op de speciale steunen. L U gebruikt de Scooter beter niet als het regent. L Wanneer u de Scooter buiten parkeert of bewaart, moet u een afdekkap gebruiken die uw Scooter beschermt tegen vocht. L Bij een erg hoge luchtvochtigheid en kou kan het gebeuren dat de Scooter minder goed presteert. L Gebruik uw Scooter alleen voor de beschreven doeleinden. Vermijd b.v. om zonder remmen tegen een hindernis (stoeprand, stootsteen) of van treden te rijden. L Denk erom dat u op de openbare weg de verkeersregels dient na te leven. Houd ook rekening met de andere weggebruikers. L Net zoals voor andere voertuigen geldt dat u de Scooter niet mag gebruiken onder invloed van alcohol of geneesmiddelen. Dit geldt ook voor verplaatsingen binnenshuis. L Pas uw rijstijl bij ritten buiten de woning aan aan het weer en het verkeer. L Zorg ervoor dat u in het donker goed zichtbaar bent. Draag lichte kleding of kleding met reflectoren en zorg ervoor dat de reflectoren op de Scooter goed zichtbaar zijn. L Controleer of de verlichting van uw Scooter niet door vuil of voorwerpen is afgedekt.Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

L Uw Scooter mag niet worden gebruikt als zitplaats in een personenwagen of andere voertuigen. L Let erop dat de banden voldoende profiel hebben. L Let op met brandende voorwerpen, zoals sigaretten. De rug- en zittingbekleding kunnen vuur vatten. L Let erop dat de maximale belasting niet wordt overschreden. L Zorg ervoor dat luchtbanden voldoende bandendruk hebben (de juiste waarden staan vermeld op de banden).

EMV-INSTRUCTIES Elektromagnetische velden kunnen de werking van de stuurelektronica storen. Mogelijke gevolgen zijn:

  • loszetten van de motorrem
  • zelfstandig rijden van de Scooter
  • ongewenste stuurbewegingen Bij erg sterke of voortdurend storende velden kan de elektronica volledig worden gestoord en onherroepelijk worden beschadigd. Mogelijke stoorbronnen zijn:
  • draagbare zend- en ontvangstinstallaties (zender en ontvanger met gemonteerde antenne) - intercom - GSM/draadloze telefoon - draagbare tv-, radio- en navigatiesystemen - andere persoonlijke zendapparatuur
  • mobielen middenbereik zend- en ontvangstinstallaties (antenne buiten het voertuig) - intercom (vast gemonteerd) - Handsfree-instalalties (vast gemonteerd) - Radio-, tv- en navigatiesystemen (vast gemonteerd)
  • zend- en ontvangstinstallaties voor lange afstand - radio- en tv-torens - installaties van radiozendamateurs
  • Andere huishoudelijke apparaten - CD-speler - Notebook - Magnetron - Cassetterecorder - enz. Van apparaten zoals scheerapparaten en haardrogers is geen invloed te verwachten. Toch hangt de perfecte toestand van deze apparaten en hun kabels af van de beïnvloeding. Lees ook de handleidingen van de betreffende fabrikanten. Om de elektromagnetische storing te verminderen moet u rekening houden met deze instructies: L Gebruik geen draagbare tv’s of radio’s in de directe buurt van uw Scooters zolang deze is ingeschakeld. L Gebruik geen intercom of GSM in de directe buurt van uw Scooters zolang deze is ingeschakeld. L Let in uw buurt op zendmasten en vermijd het gebruik van de Scooter in de omgeving van dergelijke masten.Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

L Wanneer ongewenste omgevingen of remmanoeuvres optreden, moet u de Scooter uitschakelen zodra u dit veilig kunt doen. RIJ-INSTRUCTIES

  • INSTAPPEN Wanneer u de Scooter voor het eerst gebruikt, moet u ervoor zorgen dat u op een vlakke ondergrond staat. Alle wielen moeten de grond raken. Steek de contactsleutel in en draai deze een kwartslag naar rechts (bij sommige modellen kan er ook een AAN/UIT-schakelaar zijn – controleer dit in de betreffende handboeken). Controleer of de motorkoppeling is ingeschakeld. Controleer of de zitstoel op de juiste hoogte is ingesteld. Ga zitten en controleer of beide armsteunen voor de onderarmen zijn vergrendeld of omlaaggeklapt en dat de stoel vergrendeld is in de rijpositie. Draai nu de snelheidsregelaar in de laagste stand (linksom) of zet de AAN/UIT-schakelaar op AAN. Uw Scooter is nu klaar voor gebruik.
  • UITSTAPPEN Voor u uitstapt, moet u de Scooter zo parkeren dat alle wielen tegelijk de grond raken. Zet de contactsleutel op “UIT” (lampje gaat uit) of drukt op de AAN/UIT-schakelaar tot het ingebouwde lampje uitgaat.
  • PARKEREN Wanneer uw Scooter uitgeschakeld is, kunnen geen rij-opdrachten worden gegeven. De elektromagnetische rem kan pas opnieuw worden uitgezet wanneer uw Scooter wordt ingeschakeld. Parkeer uw Scooter altijd op bewaakte parkeerplaatsen of op een goed zichtbare plaats.
  • EERSTE RIT Nadat u plaatsgenomen hebt op de Scooter en deze hebt gestart zoals hierboven beschreven, neemt u met beide handen het T-stuur vast aan de handgrepen. Plaats de duimen aan de gashendel en duw met de duim in de gewenste richting (bij deltasturen neemt u met beide handen het smalste deel van het stuur vast en trekt u met de vingers of met slechts een vinger de snelheidshendel in de gewenste richting):

L Bij linkshandige personen kan dit systeem omgekeerd zijn. Om te remmen laat u de rijhendel los zodat deze in neutrale stand gaat. Uw Scooter remt zacht af en komt tot stilstand. Oefen het rijden en remmen zodat u het rijgedrag gewoon bent en leert inschatten hoe uw Scooter reageert. Om een bocht te nemen draait u het stuur met beide handen in de gewenste richting. De voorwielen draaien en bepalen de richting van uw Scooter. Let er bij bochten altijd op dat er voldoende plaats is om de bocht te nemen. Smalle doorgangen moeten zo worden genomen: rij eerst in een zo groot mogelijke bocht naar de doorgang zodat u de smalle doorgang vrijwel recht kunt nemen. Denk erom dat uw Scooter achteraan meestal breder is dan vooraan. L Bij het rijden door bochten moet u uw snelheid duidelijk minderen. Vermijd het schuin aanzetten van bochten. Door de bocht te “snijden” kunnen de achterwielen een hindernis raken en zo de stabiliteit van de Scooter in het gedrang brengen. L Maak u vertrouwd met de rijeigenschappen van de Scooter. L Houd steeds voldoende zijdelingse afstand tot hoeken en hindernissen.Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

  • ACHTERWAARTS RIJDEN Bij het achterwaarts rijden (LINKER HAND) moet u goed opletten. De snelheid bij het achterwaarts rijden ligt weliswaar lager dan bij het voorwaarts rijden, toch adviseren wij u om bij het achterwaarts rijden de snelheidsregelaar op minimum te zetten. Denk erom dat bij het achterwaarts rijden de stuurbewegingen omgekeerd worden uitgevoerd en dat uw Scooter meteen de in gewenste richting draait. L Maak u vertrouwd met de rijeigenschappen van de Scooter. L Bij het achterwaarts rijden altijd de laagste snelheid gebruiken. L Kijk bij het achterwaarts rijden altijd achterom.
  • HELLINGEN Let er bij het oprijden van hellingen op dat de maximale stijgingshoek van uw Scooter niet wordt overschreden (zie „Technische gegevens“ in de betreffende handleidingen). Rijd altijd recht op een helling en vermijd dat wielen loskomen van de grond (oprijden van hellingen, opritten, enz.) omdat dan de Scooter kan kantelen. Omdat uw Scooter wordt aangedreven door een differentieel, moeten beide aandrijfwielen steeds in contact blijven met de grond. Wanneer een aandrijfwiel loskomt van de grond, is er om veiligheidsredenen geen krachtoverbrenging en kan de Scooter niet verder rijden. Wanneer u op een helling stopt omdat u de gashendel loslaat, is uw Scooter beveiligd tegen onverhoeds wegrollen. Wanneer de gashendel in neutrale stand staat, wordt de motorrem geactiveerd. Bij het verder rijden op de helling drukt u de gashendel zo ver mogelijk, zodat de Scooter voldoende energie krijgt om verder te rijden. Uw Scooter zal de helling langzaam oprijden. Wanneer de snelheid niet hoog genoeg is om de helling te nemen, draait u de snelheidsregelaar hoger en probeert u opnieuw. L Maak u vertrouwd met de rijeigenschappen van de Scooter. L Zet op hellingen de Scooter nooit in vrijloop.
  • DALINGEN Rij nooit op hellingen die uw Scooter niet kan nemen. Let ook op de maximale hellingen die zijn vermeld in de betreffende handleidingen. Rij altijd recht een helling op. Anders kunnen wielen loskomen van de grond (gevaar voor kantelen). Wanneer een van de achterwielen loskomt, is er geen krachtoverbrenging meer en kan de Scooter niet meer rijden. Door het eigen gewicht van de Scooter ligt de snelheid bij dalingen hoger. Zet de snelheidsregelaar op een lagere snelheid en pas uw snelheid aan de situatie aan. Vermijd sterke bochten op dalende hellingen. Door het eigen gewicht van de Scooter kan deze opzij loskomen van de grond en omvallen. L Maak u vertrouwd met de rijeigenschappen van de Scooter. L Vermijd scherpe bochten. L Zet op hellingen de Scooter nooit in vrijloop.
  • ONBEGAANBAAR TERREIN Wanneer uw Scooter voorzien is voor gebruik buitenshuis, kan u hem op onbegaanbaar terrein gebruiken (gras, grind, kasseien, enz.). Houd er wel rekening mee dat op zand, modder, los grind, enz. de Scooter minder goed kan presteren en zelfs helemaal niet meer rijden.Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

Let ook op de “Technische gegevens” in de betreffende handleidingen. Wanneer u niet zeker bent dat uw Scooter een bepaald terrein aankan, dient u dit terrein te vermijden.

LADEN VAN DE BATTERIJEN

De lampjes in de stuureenheid geven aan hoeveel capaciteit de batterijen nog hebben in rijdende toestand. U moet de batterijen dagelijks laden . Wanneer u dit niet doet, kan er vroegtijdige slijtage optreden bij uw batterijen. Indien de capaciteit van de batterijen te laag is, schakelt de Scooter zichzelf uit. U moet de Scooter meteen opladen met de bijgeleverde lader. Lees ook de instructies voor het laadapparaat indien die van toepassing zijn.

1. Zet/schakel de contactsleutel UIT en neem deze uit het contact.

2. Draai de beschermklep van de laadbus (stuurkolom, bij UL7-4: batterijkit)

2a. Bij TE-777 NA / TE-787 NA: aansluiting laadstekker in het ladervak onder de zitting.

3. Steek de stekker van het laadapparaat in de laadbus van de Scooter.

4. Steek de netstekker van het laadapparaat in het stopcontact. Zet de AAN/UIT-schakelaar van

het laadapparaat aan (sommige modellen zijn niet voorzien van een AAN/UIT-schakelaar – het laadapparaat wordt ingeschakeld zodra de stekker in het stopcontact zit).

5. Het laadapparaat begint nu te laden en de LED (groen) brandt als teken dat het apparaat

6. Na het laden wordt de LED blijvend groen. Dit betekent dat de batterijen volledig zijn geladen.

7. Zet het laadapparaat uit (indien geen AAN/UIT-schakelaar: trek de stekker uit het stopcontact).

8. Trek de stekker van het laadapparaat uit de laadbus van de Scooter. Uw Scooter is klaar voor

gebruik. L Trek/Schakel altijd de contactsleutel uit wanneer u de batterijen wilt laden. L Laad uw Scooter alleen zoals hier is beschreven L De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van verkeerd laden. L Gebruik alleen originele batterijen. Voor schade die ontstaat door het gebruik van andere, niet door ons geleverde batterijen, geldt de garantie niet. L Stel de batterijen niet bloot aan temperaturen onder 5° Celsius en boven 50° Celsius. L Wanneer de batterijen worden geopend, vervalt de aansprakelijkheid van de fabrikant en de garantie. Wanneer u uw Scooter gedurende langere tijd niet gaat gebruiken, dient u deze toch nog geregeld aan te sluiten op het laadapparaat om de batterijen bij te laden en de Scooter bedrijfsklaar te houden. L Wanneer de batterijen langere tijd niet worden gebruikt, verliezen ze zelf langzaam hun lading (diepontlading). Ze kunnen dan eventueel niet meer worden geladen met het bijgeleverde laadapparaat. Laad de batterijen minstens alle 4 weken op, ook wanneer deze niet worden gebruikt (afhankelijk van de aangeduide batterijstatus). L Gebruik voor het opladen van de batterijen uitsluitend het bijgeleverde laadapparaat. L De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van verkeerd laden. L In ieder geval mag de laadcyclus niet worden onderbroken. Het laadapparaat geeft aan wanneer de laadcyclus is voltooid (zie ook de handleiding van het laadapparaat).Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

Wanneer u uw Scooter gedurende langere tijd niet gebruikt, kan deze aangesloten blijven aan de lader. De lading wordt automatisch geregeld door de lader. Wanneer u de batterijen wil demonteren en opbergen, dient u op het volgende te letten:

  • Kabelaansluitingen van de batterijpolen loskoppelen.
  • Minstens de pluspool dient te worden afgedekt met een poolkap.
  • Controleer dat bij het opbergen geen voorwerpen tussen de polen kunnen komen (gevaar voor kortsluiting!).
  • Bewaar de batterijen op een droge, geventileerde plaats met een temperatuur van 5°C tot +40°C (optimaal: +20°C).
  • Bescherm de contacten tegen corrosie.
  • Beveilig de batterijen tegen diep ontladen (zie het hoofdstuk „Laden van de batterijen“). Voor meer informatie kunt u terecht bij de handelaar. Hij kan u ook meer informatie geven over het opbergen en onderhouden van de batterijen. L Wanneer de batterijen niet worden gebruikt, kunnen deze diep worden ontladen. THERMISCHE ZEKERING Om de motor te beveiligen tegen overbelasting is de Scooter voorzien van een thermische zekering die automatisch het vermogen naar de motor onderbreekt omdat deze anders warm kan lopen en daardoor sneller verslijt of defecten optreden. U vindt de thermische zekering in de uitsparing van de achterste kunststof afdekking. Bij modellen zonder kunststof afdekking vindt u de thermische zekering aan het batterijvak. De thermische zekering kan worden geactiveerd wanneer stijgende of dalende hellingen worden bereden die de vermelde maximumwaarden overschrijden. Ook bij een nominale belasting die hoger is dan de maximum waarde kan de zekering doorslaan. Ook wanneer u probeert te rijden terwijl de motorrem is geblokkeerd, kan de motor overbelast raken. De te respecteren waarden vindt u in het hoofdstuk “Technische gegevens” van de betreffende handleidingen. Om de Scooter opnieuw in gebruik te nemen, lost u de betreffende overbelasting op en wacht u tot de motor is afgekoeld. Daarna drukt u de zekering voorzichtig in. Het systeem is nu weer klaar voor gebruik. ANTI-TIPPING Bij enkele modellen is de anti-tipping standaard verbonden met het frame. Dit systeem kan dus niet worden verwijderd. De anti-tipping dient voor uw veiligheid en voorkomt dat uw Scooter bij het nemen van kleine hindernissen – lager dan de maximum hindernishoogte – naar achteren kantelt. Bij sommige modellen kan de anti-tipping worden verwijderd.
  • Verwijder de veiligheidsbout voor de anti-tipping.
  • Verwijder de anti-tipping.
  • Plaats de veiligheidsbout weer in de openingen van het frame zodat u deze niet verliest.

Voor het monteren van de anti-tipping gaat u in omgekeerde volgorde te werk.

  • Verwijder de veiligheidsbout.
  • Schuif de anti-tipping in de eindbuis van het achterste frame (zowel linker als rechter achterframe) tot de gaten op elkaar passen.
  • Draai de veiligheidsbout tot de aanslag vast. L Voor iedere rit moet de anti-tipping zijn gemonteerd. L U mag de anti-tipping nooit aan één kant tegelijk gebruiken.

Voor het transporteren van de Scooter dient u op volgende punten te letten: Voor het optillen dienen alle bewegende delen te worden gedemonteerd (korf, armsteunen, enz.). Wanneer u de batterijen/het batterijvak verwijdert, is de stoel lichter en kunt u deze gemakkelijker optillen. Omdat gelbatterijen gesloten batterijsystemen zijn, kunt u deze voor het transport probleemloos verwijderen. L Til de Scooter uitsluitend op aan het vaste frame. L Om schade te vermijden dienen alle losse onderdelen tijdens het transport te zijn verwijderd. L Bij het monteren dient u erop te letten dat alle bouten weer vast zijn aangetrokken. L Tijdens het transport mogen zich geen personen of voorwerpen onder de Scooter bevinden. Anders loopt u kans op letsels of schade aan de Scooter. L Tijdens het transport mogen zich geen personen of voorwerpen op de voetensteun of de zitting bevinden.

Wanneer u voor het nemen van hindernissen een helling wenst te gebruiken, dient u rekening te houden met volgende tips. Voor uw veiligheid dient u zich bij de fabrikant te informeren over de maximum belasting van de betreffende helling. Neem hellingen met de laagst mogelijke snelheid. Volg ook de aanwijzingen in het hoofdstuk “Eerste rit”. Wanneer u door een begeleider wordt voortgeduwd, moet u er rekening mee houden dat door het hoge gewicht van de Elektro-Scooter zelf, de scooter gemakkelijker kan achteruit rollen. L Let op de aangegeven maximale belasting voor hellingen. L Voor letsels of schade aan de Scooter door de onoordeelkundige keuze van hellingen zijn wij niet aansprakelijk.

ONDERHOUD Net zoals ieder ander technisch product heeft uw Elektro-Scooter onderhoud nodig. De volgende instructies beschrijven de maatregelen die u dient te nemen om lang te kunnen genieten van uw Scooter.

Controleer de banden op zichtbare schade en/of vervuiling. Verwijder het vuil. Dit kan immers de grip van de banden nadelig beïnvloeden. Wanneer een band is beschadigd, laat u deze best repareren door een erkende reparatiewerkplaats. Controleer voor iedere rit of de motorrem goed werkt. Wanneer deze rem niet meer goed functioneert, vraagt u advies aan de vakhandelaar. Controleer of er voldoende lucht in de luchtbanden zit en pomp indien nodig lucht bij. Controleer of alle schroefverbindingen goed zijn aangehaald.Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

Controleer of de koppeling van de motor is ingeschakeld en zet de elektronica aan. De laadindicator geeft de resterende batterijcapaciteit weer. Wanneer de batterijen voldoende zijn geladen voor de betreffende afstand, kunt u de rit beginnen.

Afhankelijk van de regelmaat waarmee u de scooter gebruikt, dient u volgende punten te controleren:

1. Vuil onder het achterste chassis (verwijder vuil grondig omdat ander corrosie kan optreden

aan de connectoren).

2. Vuil/corrosie aan de batterijpolen (houd de polen altijd schoon omdat ander de batterij kan

worden beschadigd). L Voor u de batterijpolen reinigt, dient u deze uit de poolstekker te trekken. L Leg geen geleidende voorwerpen tussen de batterijpolen!

3. Schroefverbinding van bewegende, demonteerbare onderdelen

Afhankelijk van de regelmaat waarmee u de scooter gebruikt, dient u volgende punten te controleren:

2. Algemene toestand

3. Functie van de wielen

Bij een te grote rolweerstand moeten de lagers van de stuurwielen worden gereinigd en moet de bandendruk worden gecontroleerd..

4. Controleer volgende smeerpunten (nasmeren niet met smeermiddelen met vermelding

WD40): a) wielassen b) wiellagers c) alle bewegende onderdelen

INSPECTIE In principe adviseren wij een jaarlijkse inspectie en in ieder geval voor ieder nieuw gebruik. Deze inspectie mag uitsluitend door bevoegde personen worden uitgevoerd. Volgende controles dienen te worden uitgevoerd en gedocumenteerd:

  • Controle van de bekabeling (vooral: knellen, afslijting, sneden, zichtbare isolatie van de binnenleidingen, zichtbare metaaldraden, knikpunten, uitbolling, kleurveranderingen van de buitenste laag, brosse punten)
  • Visuele controle van het frame op plastische vervormingen en/of slijtage (basisframe, zittingframe, rugframe, zijpanelen, motorophanging)
  • Elektrische leidingen veilig gelegd, zodat schuren, knellen en andere mechanische belastingen onwaarschijnlijk zijn.
  • Visuele controle van alle behuizingen op schade. Schroeven moeten vast zitten, dichtingen mogen geen zichtbare schade vertonen.
  • Meetproef van de aardleidingsweerstand (O) conform VDE 0702-1
  • Meetproef van de doorlekstroom (A) conform VDE 0702-1
  • Meetproef van de isolatieweerstand (MO) conform VDE 0702-1
  • Werking van de armsteunen (vergrendeling, belasting, vervorming, slijtage door belasting)
  • Werking van de aandrijvingen (controle uitvoeren tijdens een testrit geluid, snelheid, soepelheid, enz.. Indien nodig: Meten van het opgenomen vermogen, eerst zonder last, daarna met de nominale last, om zo eventuele slijtage van de motoren te kunnen meten via de opgenomen stroom en de waarden te kunnen vergelijken met de waarden bij levering.
  • Controle van de toestand van de batterijen, bekledingen, slangen, banden. Meetcontroles mogen uitsluitend worden uitgevoerd door personen die minstens voor de Scooter zijn opgeleid en die minstens door een geschoold elektricien zijn onderwezen over de te gebruiken controlemiddelen en controleprocedures. Alleen een geschoold elektricien mag de Scooter na de meetcontroles of het onderhoud vrijgeven voor gebruik.Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

Laat het onderhoud alleen in het serviceplan opnemen wanneer minstens de hiervoor vermelde profielen zijn gecontroleerd. Wanneer uw vakhandelaar op uw vraag geen onderhoud uitvoert, neemt u best contact op met de fabrikant. Wij geven u graag het adres van een vakman in uw buurt. De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade door onvoldoende of een gebrekkig onderhoud.

VERZORGING Om uw Scooter er ook altijd verzorgd te laten uitzien, dient u de scooter regelmatig te verzorgen. Lees ook deze instructies: BEKLEDINGEN Reinig de bekledingen met warm water. Bij hardnekkige vlekken kunt u de bekleding afwassen met een gangbaar fijnwasmiddel. Vlekken kunt u verwijderen met een sponsje of een zachte borstel. De stoffen bekleding is afwasbaar. Gebruik hiervoor een gewoon fijnwasmiddel en een vochtige doek. L Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen, zoals oplosmiddelen, of harde borstels. L Wij zijn niet aansprakelijk voor schade die ontstaat door het gebruik van ongeschikte reinigingsmiddelen. L Let erop dat u de stoffen bekledingen niet te vochtig maakt. L Het gebruik van stoom- en hogedrukreinigers is verboden. KUNSTSTOF ONDERDELEN Behandel alle kunststof onderdelen van de Scooter met een gangbaar reinigingsmiddel voor kunststof. Lees ook de speciale productinformatie.

COATING Door de hoogwaardige oppervlaktebehandeling is een optimale corrosiebescherming gegarandeerd. Wanneer de coating door krassen is beschadigd, kunt u dit repareren. Het regelmatig smeren van de bewegende delen zorgt ervoor dat uw Scooter lang meegaat. (smeermiddelen met vermelding WD40 zijn verboden). Voor de verchroomde onderdelen volstaat meestal schoonwrijven met een droge doek. Matte plekken of moeilijk te verwijderen vuil kunt u het best verwijderen met een speciaal reinigingsmiddel voor chroom. Het lichtjes instrijken van de verchroomde stalen onderdelen met vaseline voorkomt dat het chroom vroegtijdig mat wordt. Uw Scooter is ontworpen voor jarenlang gebruik. Daarom adviseren wij de Scooter ieder jaar te laten inspecteren door de vakhandelaar. In het hoofdstuk "Serviceplan" kunt u deze inspecties laten documenteren. L De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade/letsels als gevolg van onzorgvuldige verzorging. ELEKTRONICA U mag de sturing alleen met een licht vochtige doek en een klein beetje allesreiniger. Gebruik geen schuurmiddelen of scherpe schoonmaakproducten (metaalsponsjes, borstels, enz.). Deze krassen immers het oppervlak van de sturing. L Controleer regelmatig of de connectoren niet zijn gecorrodeerd of beschadigd, omdat daardoor de goede werking van de elektronica nadelig wordt beïnvloed. L Voor iedere onderhoudsbeurt moeten de batterijen worden verwijderd omdat anders ongewild stroomvloei optreedt.Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

DESINFECTEREN Wanneer u uw Scooter wilt desinfecteren, moet u de instructies voor de betreffende desinfecteeroplossingen volgen. Het desinfecteren mag alleen worden uitgevoerd door opgeleid personeel (sanitaire medewerker) omdat zij zijn opgeleid voor de werking van de desinfecteermiddelen en de invloed op het materiaal. In principe kan alleen een schuur-/wisdesinfectie worden gebruikt. De elektronische elementen verdienen bijzondere aandacht omdat deze vaak stekkers bevatten en dus moeten worden beschermd tegen binnendringend vocht. Ook de kabelstekkers moeten worden beschermd tegen binnendringend vocht. L Draag gepaste beschermkledij. Het desinfecteermiddel kan bij contact met de huid irritaties veroorzaken. Volg ook de aanwijzingen op de betreffende oplossingen. L Het gebruik door onbevoegde personen gebeurt op eigen risico. L De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade en letsels die het gevolg zijn van onoordeelkundig gebruik van de ontsmetting. Voor meer informatie over desinfecteren neemt u best contact op met de vakhandelaar. Hij helpt u graag verder. GARANTIE Uittreksel uit de algemene verkoopsvoorwaarden: (…) 5. De verjaringstermijn voor garantieaanspraken bedraagt 24 maanden op fabricage en constructiefouten uitgezonderd werkuren (batterijen 12 maanden). Wij zijn niet aansprakelijk voor schade die ontstaat door constructieve wijzigingen aan onze producten, gebrekkig onderhoud, gebrekkige of onoordeelkundige behandeling of bewaring of gebruik van niet-originele wisselstukken. De garantie op slijtagedelen die onderhevig zijn aan een natuurlijke slijtage, is eveneens uitgesloten. (…)Handleiding SCOOTER Versie: Nov. 08

De Scooter is gecontroleerd: Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Stempel van de handelaar:

Vermeiren Nederland B.V.

TECHNISCHE GEGEVENS (aangeduid in de standaard instelling (toestand bij levering)) GEGEVENS/AFMETINGEN Ceres 3 Ceres 4 Lengte 127 cm 131 cm Breedte 61 cm 61 cm Hoogte 116 cm 116 cm Totaal gewicht 92 kg 94,7 kg Motor nom. 470 Watt nom. 470 Watt Batterijen 36 Ah x 2 / 50 Ah x 2 36 Ah x 2 / 50 Ah x 2 Laadapparaat 4 Amp. (extern) 4 Amp. (extern) Draaicirkel 975 mm 1350 mm Stuur T-stuur T-stuur Bedrijfstemperatuur elektronica -10°C tot +40°C -10°C tot +40°C Verlichting Standaard Standaard Richtingaanwijzers Standaard Standaard Voorwielen (aantal) 100 x 260 mm (1) 127 x 320 mm (2) Achterwielen (aantal) 127 x 320 mm (2) 127 x 320 mm (2) Max. snelheid 9,6 km/u 12 km/u Autonomie ca. 32-40 km ca. 32-40 km Nominale belasting (breeklast) 135 kg 135 kg Max. helling >8° >8° Bodemvrijheid 10 cm 10 cm Anti-tipping Standaard Standaard Spiegel Optie Optie Boodschappenmandje Standaard Standaard ** Actieradius gemeten onder ideale omstandigheden - Meettolerantie +/- 1,5 cm / kg / km/u ° Alle gegevens hebben betrekking op de toestand bij levering en optimale omstandigheden. Bij veranderingen van de buitentemperatuur, luchtvochtigheid, hellingen, dalingen, ondergrond, batterijtoestand kunnen de prestatieparameters beperkt zijn.

  • Zet de sleutelschakelaar op AAN.
  • De batterij-indicator geeft de lading van de batterijen weer.
  • Zet de snelheidsregelaar op de gewenste rijsnelheid.
  • Trek de rijhendel met de vingers naar de handgrepen, afhankelijk van de gewenste richting (voorwaarts of achterwaarts).
  • U hoort de claxon wanneer u de drukknop activeert.
  • Voor de verlichting (vooraan en achteraan) bedient u de drukknop (7).
  • Voor de alarmknipperlichten bedient u de drukknop (6).
  • Voor het activeren van de richtingaanwijzers drukt u de schakelaars (8-9) in de gewenste richting (links = linker richtingaanwijzer, rechts = rechter richtingaanwijzer).
  • De stuurkolom kan in verschillende standen gezet worden voor een optimaal rijgenot.
  • Zet de draaiknop onderaan de stuurkolom los en plaats de stuurkolom in de gewenste positie.
  • Zet de stuurkolom nadien terug stevig vast.

L De stuurkolom nooit verstellen terwijl u rijdt. L Zet de scooter uit voor u de verstellingen uitvoert.

  • Zet de hendel van de motorvergrendeling op vrijloop (zie markering). Motor en aandrijving worden van elkaar gescheiden. U kunt de Scooter nu duwen.
  • Zet de hendel van de motorvergrendeling op rijden. Motor en aandrijving worden met elkaar verbonden. De Scooter kan nu alleen door de elektronica worden bestuurd.

L De vrijloop nooit activeren terwijl u rijdt. L Het elektronisch rijden alleen met vergrendelde motor/aandrijving gebruiken omdat anders de motor warm loopt.

  • Trek de zithendel (rood) naar boven.
  • Trek de zit naar boven uit. Vergrendelen van de zit (afb. D) Om de zit te monteren gaat u omgekeerd te werk.
  • Plaats de zithouder op de zitgeleider en laat deze tot de aanslag laten zakken (dit gaat gemakkelijker wanneer u de zit lichtjes heen en weer draait).
  • Wanneer de vergrendeling hoorbaar vastklikt, moet de zithendel (rood) horizontaal staan. Wanneer deze nog is aangetrokken, is de zit niet goed vergrendeld. Draaibare zit (afb. D)
  • Trek de zithendel (rood) naar boven.
  • Draai de zitting in de gewenste richting.
  • Laat de zithendel los. De zitting wordt telkens na 90° vergrendeld. Diepteverstelling (afb. D)
  • Trek de hendel van de zitdiepteverstelling naar boven.
  • Schuif de zit naar voren of naar achteren.
  • Laat de hendel los. De zitting wordt telkens in de gewenste stand vergrendeld.

Hendel motorblokkering Vrijloop Rijden

  • Draai de bevestigingsschroef van de zithoogteverstelling los.
  • Verwijder de veiligheidsbout.
  • Nu kunt u de zit hoger of lager instellen.
  • Breng de veiligheidsbout weer aan en vergrendel deze door het oog over het bouteinde te hangen. Zo bent u zeker dat de bout veilig is aangebracht.
  • Draai daarna de instelschroef voor de zithoogte met de hand goed vast.

L De verstelling nooit uitvoeren terwijl u rijdt. L Controleer of de zit stevig vast zit.

RUG Opzij van de rugleuning (overgang naar de zitbekleding) is een kiphefboom gemonteerd. Wanneer u deze omlaag duwt, wordt de rugleuning vrijgegeven en kan deze naar voren worden geklapt. U kunt de rugleuning op dezelfde manier ook 30° naar achteren verstellen.

De zetel kan tevens 45° tot 90° gedraaid worden. Trek de hendel omhoog en draai de zetel in de gewenste positie. Laat de hendel los en draai tot de zetel zich opnieuw vergrendeld in de gewenste positie. De zetel kann naar voor of naar achteren worden geschoven. Trek aan de hendel en schuif de zetel in de gewenste positie.

1 = Zitgeleider 2 = Glijbuis hoogteverstelling 3 = Bevestigingsschroef zothoogte 4 = Veiligheidsbout

  • Duw de borgplaat lichtjes naar de hoofdsteun.
  • Zet de hoofdsteun in de gewenste stand.
  • Laat de borgplaat weer los.
  • De hoofdsteun klikt hoorbaar vast.

L De verstellingen nooit uitvoeren terwijl u rijdt.

ARMSTEUNEN De breedte van de zetel kan worden aangepast door middel van de armsteunen. Draai de knop achteraan los en schuif daarna de armsteunen buiten- of binnewaarts naargelang de verkozen breedte. Zet deze nadien terug stevig vast.

L Trek de armsteun niet te ver uit, zodat er voldoende plaats blijft om de borgschroef stevig en veilig vast te klemmen.

De verstelling nooit uitvoeren terwijl u rijdt.

BANDEN WISSELEN Wanneer u de buitenbanden of binnenbanden wil wisselen, vindt u hieronder enkele tips: Voor het verwijderen van de buitenband laat u eerst alle lucht uit de binnenband. Schuif een bandenlichter tussen de buitenband en de velg en duw de bandenlichter langzaam en voorzichtig naar onder. Daardoor wordt de buitenband over de velgrand getrokken. Wanneer u dan met de bandenlichter langs de rand van de velg gaat, springt de buitenband uit de velg. De buitenband en de binnenband kunnen nu gemakkelijk van de velg worden genomen. L Voor u de band verwijdert, moet alle lucht uit de binnenband zijn. L Bij oneigenlijk gebruik kan de velg worden beschadigd. Laat deze procedure bij voorkeur uitvoeren door een vakhandelaar. Voor u een nieuwe band monteert, dient u rekening te houden met het volgende: Controleer het velgbed en de binnenkant van de band op vreemde voorwerpen en reinig indien nodig. Controleer de toestand van het velgbed, vooral in de buurt van de ventielopening. Gebruik alleen originele wisselstukken. De garantie geldt niet voor schade die wordt veroorzaakt door wisselstukken die geen originele wisselstukken zijn. Neem contact op met de vakhandelaar.

1 = Borgplaat 1Handleiding Ceres 3 / Ceres 4 Versie: April-2009

Montage: Leg de binnenband zonder lucht rond de velg. Let erop dat het ventiel door de ventielopening van de velg steekt.

Neem de buitenband en druk deze – beginnend achter het ventiel – over de velgrand. Pomp de binnenband lichtjes op tot hij een ronde vorm aanneemt en leg deze in de band.

Wanneer de binnenband rondom zonder plooien in de buitenband ligt (als er plooien zijn: een beetje lucht aflaten), dan monteert u de bovenkant van de band – te beginnen tegenover het ventiel – voorzichtig met beide handen op het ventiel.

Controleer rondom en aan beide zijden of de binnenband niet tussen de bandhiel en velg is geklemd. Schuif het ventiel lichtjes terug en trek het weer uit zodat de band goed is gepositioneerd in de buurt van het ventiel. Om de band correct op te pompen pompt u eerst lucht tot de band nog goed met de duim kan worden ingedrukt. Wanneer de controlelijn aan weerszijden van de band dezelfde afstand tot de velgrand aangeeft, is de band correct gecentreerd. Wanneer dit niet het geval is, dient u de lucht weer af te laten en de band opnieuw uit te lijnen. Pomp de band nu op tot de maximale bedrijfsdruk (let op de vuldruk!) en draai de kap op het ventiel. L Let erop dat bij de montage geen voorwerpen of lichaamsdelen tussen de band en de velgrand gekneld raken. Dit kan immers schade en letsels veroorzaken. L Een correcte montage kan alleen worden gegarandeerd in de vakhandel. Bij werkzaamheden die niet zijn uitgevoerd door de vakhandel, vervalt de garantie. L Let bij het oppompen van de banden steeds op de correcte vuldruk. Deze waarde kunt u aflezen op de band. L Gebruik voor het oppompen uitsluitend geschikte pompen met een afleesschaal in bar.

DEMONTAGE / MONTAGE Naast de zitting en armsteunen kan ook het chassis worden gedemonteerd. Lees ook de volgende instructies:

  • Schakel de Scooter uit.Handleiding Ceres 3 / Ceres 4 Versie: April-2009
  • Verwijder de zit (zie het hoofdstuk “Zit”).
  • Neem de achterste kunststof afdekking langs voor weg (bevestigd met klittenband). L Houd er rekening mee dat de kabels voor de verlichting achteraan aan de kunststof afdekking zijn bevestigd. Trek de stekkers los voor u de kunststof afdekking volledig verwijdert.
  • Maak alle batterijstekkers (niet de poolaansluitingen) en alle kabelverbindingen los.
  • Maak de klittenband los waarmee de batterijen zijn bevestigd.
  • Verwijder de batterijen. Het volgende schema toont u de verbinding tussen het chassis vooraan en achteraan (afb. K):
  • Verwijder de veiligheidsbout.
  • Maak het voor- en achterframe van elkaar los. Voor het monteren dient u deze instructies te volgen (afb. K):
  • Schuif de steunen van het voor- en achterframe zo in elkaar dat de openingen van de veiligheidsbout overeenkomen.
  • Steek de veiligheidsbout tot de aanslag door de openingen van de steunen.
  • Maak alle kabelstekkers tussen het voor- en achterframe vast (stekkers met dezelfde kleur horen samen).
  • Plaats de batterijen en sluit de batterijstekkers aan (stekkers met dezelfde kleur horen samen, afb. J).
  • Zet de batterijen vast met klittenband zodat de batterijen ook tijdens het rijden niet kunnen bewegen.

Zet de Scooter voor het demoneren altijd uit. L Let er bij het monteren/demonteren op dat u geen kabels knelt.

STORINGEN OPLOSSEN Deze lijst kan u helpen bij het oplossen van problemen met uw Scooter. Storing Oorzaak Na het starten rijdt de Scooter niet. Geen batterij-indicatie.

  • Sleutel niet ingestoken/ingeschakeld.
  • Batterijstekkers niet aangesloten (batterijen hebben geen contact).
  • Kabelboom defect. Na het starten rijdt de Scooter niet. Batterij-indicator geeft te weinig capaciteit aan.
  • Motor wordt overbelast (zie „Technische gegevens“).
  • Thermische zekering defect. Batterijen kunnen niet worden geladen.
  • Batterijen niet correct aangesloten.
  • AAN/UIT-schakelaar van het batterijvak niet ingeschakeld.
  • Verkeerd laadapparaat.

Vermeiren Nederland B.V.

Vermeiren Nederland B.V.

Vermeiren Nederland B.V.

Vermeiren Nederland B.V.