465618X51 - Grasmaaier MURRAY - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis 465618X51 MURRAY in PDF-formaat.

📄 412 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice MURRAY 465618X51 - page 146
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Italiano IT Nederlands NL Polski PL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : MURRAY

Model : 465618X51

Categorie : Grasmaaier

Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 465618X51 - MURRAY en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 465618X51 van het merk MURRAY.

GEBRUIKSAANWIJZING 465618X51 MURRAY

BELANGRIJK: De volgende pictogrammen bevinden zich op uw machine of in de daarbijbehorende literatuur. Voordat u de machine gaat bedienen, moet u de betekenis en het doel van elk pictogram leren begrijpen. Internationale Pictogrammen

BELANGRIJK: Lees de gebruiksaanwijzing voordat u deze machine gaat bedienen.

WAARSCHUWING: Uitgeworpen voorwerpen. Houdt omstanders op afstand. Lees de gebruiksaanwijzing voordat u deze machine gaat bedienen.

WAARSCHUWING: Gebruik deze machine niet op hellingen van meer dan 10 graden.

GEVAAR: Houdt omstanders en vooral kinderen uit de buurt van de machine.

GEVAAR: Dit is geen tre.

GEVAAR: Houd voeten en handen uit de buurt van draaiende messen.

GEVAAR: Verwijder de bougiekabel van de bougie voordat u onderhoud aan de machine uitvoert.

10 WAARSCHUWING: Wees voorzichtig bij het aansluiten en loskoppelen van accessoires. 11 WAARSCHUWING: Vingers kunnen bekneld raken.

12 BELANGRIJK: Volg de instructies in de Handleiding om het maaibehuizing horizontaal te zetten. 13 WAARSCHUWING: zolang de motor draait, dient u uit de buurt van het mes blijven.

Starten van de motor

Laten draaien van de motor

Laten draaien van de motor

Informatie Voor de Eigenaar Ken uw machine Identificatiemerktekens (CE) Als u de machine en de werking ervan begrijpt krijgt u de beste resultaten. Vergelijk de illustraties van de machine met de werkelijkheid, terwijl u deze handleiding doorleest. Leer de werking van de bedieningselementen en waar ze zich bevinden. Volg de bedieningsaanwijzingen en de veiligheidsregels om een ongeluk te voorkomen. Bewaar deze handleiding om hem later te kunnen raadplegen. A. Identificatienummer van de fabrikant WAARSCHUWING Let op! Dit symbool duidt op belangrijke veiligheidsmaatregelen. Dit symbool betekent: “Let en pas op! Uw veiligheid kan in gevaar zijn.” Verantwoordelijkheid van de eigenaar B. Serienummer van de fabrikant C. Nominaal vermogen in kilowatt D. Maximumtoerental van de motor in omwentelingen per minuut E. Naam en adres van de fabrikant

G. Logo CE-overeenstemming H. Massaeenheid in kilogram

Gewaarborgd geluidsvermogen in decibel

WAARSCHUWING Dit is een snijdende machine die in staat is handen en voeten te amputeren en voorwerpen weg te slingeren. Veronachtzaming van de volgende veiligheidsaanwijzingen kan resulteren in ernstig letsel of de dood voor de bestuurder en omstanders. Bouwjaar Part No. xxxxxxx

Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar om de onderstaande aanwijzingen op te volgen.

Veilige Bediening e. Schroef alle doppen van benzine containers en tanks zorgvuldig vast. Voor rijdende zitmaaiersmet roterende messen Training

1. Lees de instructies nauwkeurig. Wees vertrouwd

met de bediening en het juiste gebruik van de machine.

2. Sta nooit toe dat kinderen of mensen die niet

bekend zijn met deze instructies de machine gebruiken. Lokale regels kunnen een minimum leeftijd voor de bestuurder voorschrijven.

3. Maai nooit als er omstanders, in het bijzonder

kinderen, of huisdieren in de buurt zijn.

4. Onthoud dat de bestuurder of gebruiker

verantwoordelijk is voor ongevallen of blootstelling aan gevaar aan derden of hun bezittingen.

5. Neem nooit passagiers mee.

6. Alle bestuurders moeten ervoor zorgen dat ze

professionele en practische instructie krijgen. Zulke instructie moet de nadruk leggen op: a. de noodzaak voor behoedzaamheid en concentratie bij het werken met zitmaaiers; b. de controle over de machine die gaat glijden op een helling kan niet worden herkregen door de rem te gebruiken. De belangrijkste redenen voor het verliezen van controle zijn:

onvoldoende grip op de wielen;

het soort maaier is ongeschikt voor de taak;

onbekendheid met de grondcondities, in het bijzonder hellingen;

verkeerd optrekken en verkeerde ladingsverdeling.

4. Vervang defecte geluidsdempers.

5. Controleer voor gebruik altijd dat de messen,

mesbouten en snijconstructie niet versleten of beschadigd zijn. Vervang versleten of beschadigde bladen en bouten in paren zodat het evenwicht niet verstoord wordt.

6. Bij machines met meerdere bladen kan het draaien

van één blad tot gevolg hebben dat andere bladen ook gaan bewegen. Bediening

1. Gebruik de machine niet in een afgesloten ruimte,

waar zich gevaarlijke koolmonoxyde dampen kunnen ophopen.

2. Maai alleen bij daglicht of goed kunstlicht.

3. Voordat u de motor start, moet u alle

mesassesoires loskoppelen en de koppeling in de neutrale stand zetten.

4. Gebruik de machine niet op hellingen van meer

5. Onthoud dat er geen “veilige” hellingen bestaan.

Het rijden over grashellingen vraagt om speciale aandacht. Om omkantelen te voorkomen, moet u: a. niet plotseling stoppen of optrekken, terwijl u omhoog of omlaag rijdt; b. de koppeling langzaam op laten komen en de motor altijd in de versnelling laten, vooral wanneer u de helling af rijdt;

d. oppassen voor hobbels, kuilen en andere verborgen gevaren; Voorbereiding

1. Draag tijdens het maaien altijd stevige schoenen en

een lange broek. Bedien de machine niet met blote voeten of met sandalen aan. langzaam rijden op hellingen en in scherpe bochten; e. nooit loodrecht op hellingsrichting rijden, tenzij de maaier voor dit doel ontworpen is.

6. Pas op bij het trekken van ladingen of het

gebruiken van zwaar materieel.

2. Onderwerp het te maaien gebied aan een grondige

inspectie en verwijder alle voorwerpen die door de machine uitgeworpen zouden kunnen worden. a. Gebruik alleen de daarvoor bestemde trekhaken.

3. WAARSCHUWING-Benzine is zeer brandbaar.

b. Vervoer alleen ladingen die u kunt beheersen. a. Bewaar brandstof incontainers die speciaal voor dit doel ontworpen zijn.

b. Voeg benzine toe in de frisse lucht en rook niet. d. Gebruik tegengewichten of gewichten aan de wielen als dat in het Instructieboek wordt aangeraden.

Voeg benzine toe voordat u de motor aanzet. Verwijder nooit de benzine tankdop of voeg benzine toe terwijl de motor loopt of nog heet is. d. Als er benzine gemorst is, mag u de motor niet starten, maar moet u de machine van de plek met de gemorste benzine verwijderen en voorkomen dat er een vonk kan optreden, totdat de benzine verdampt is. Maak geen scherpe bochten. Pas op bij het achteruit schakelen.

7. Let op het andere verkeer bij het oversteken van

8. Zet het roteren van de messen af voordat u over

iets anders dan gras rijdt.

nooit materiaal in de richting van omstanders geslingered wordt. Laat nooit iemand in de buurt van de machine als deze aan het werken is.

10. Bedien de maaier nooit als de beschermkappen

kapot zijn. De beschermkappen moeten altijd op hun plaats zitten.

11. Verander de instellingen van de regulateur van de

machine niet en voer hem niet op. Het gebruiken van een machine bij te hoge snelheid kan de kans op gevaar of persoonlijk letsel vergroten.

12. Voordat u van de bestuurdersplaats afstapt, moet u

a. de motor ontkoppelen en de assessoires laten zakken; b. de motor in de neutrale stand zetten en de handrem aantrekken;

de motor afzetten en het contactsleuteltje verwijderen.

13. Ontkoppel de assessoires, stop de motor en trek

de bougiekabel(s) los of verwijder het contactsleuteltje, voordat u a. verstoppingen in de trechter of elders verhelpt; b. de maaier controleert, reinigt of er aan wilt werken;

de maaier inspecteert nadat u een obstakelb geraakt hebt. Voer, indien nodig, reparaties uit voordat u de machine opnieuw start en gebruikt; d. de motor controleert bij abnormaal trillen. (Onmiddellijk stoppen.)

16. Neem gas terug aan het einde van de

maaiactiviteiten. Draai de benzinekraan dicht, indien de motor hiermee is uitgerust.

17. Voordat u achteruit rijdt, moet u naar achteren en

beneden kijken om u ervan te vergewissen dat er geen kleine kinderen in de buurt zijn.

18. Wees extra voorzichtig bij blinde hoeken, struiken,

bomen of andere obstakels die het zicht kunnen wegnemen. Onderhoud en opslag

1. Bij machines met meerdere messen kan het

bewegen van één mes de andere messen ook inbeweging zetten. Wees voorzichtig!

2. Als u de machine parkeert of weg zet, moet u het

snijgedeelte van de machine laten zakken tenzij u het stut of vast zet.

3. Zorg ervoor dat alle moeren, bouten en schroeven

vast aangedraaid zitten om er zeker van te zijn dat de machine in veilige staat verkeert.

4. Parkeer de machine nooit met benzine in de tank,

in een afgesloten ruimte waar de dampen met een vlam of vonk in aanraking kunnen komen.

5. Laat de motor afkoelen voorat u de machine in een

afgesloten ruimte weg zet.

6. Verwijder gras, bladeren en overmatig smeervet

van de geluidsdemper, het accucompartiment en van de benzine opslagplaats om gevaar voor brand te verminderen.

7. Comtroleer de grasvanger regelmatig op slijtage.

14. Koppel de assessoires los als u de maaier niet

gebruikt of deze wilt transporteren.

8. Vervang versleten of beschadigde onderdelen om

9. Als het nodig blijkt de benzinetank af te tappen,

moet dit in de frisse lucht gebeuren. a. bezine bijvult; b. de grasopvanger verwijdert;

de hoogte aanpast, tenzij dat vanaf de bestuurdersplaats kan gebeuren.

1. Til de voorkant van de trekker op. Zet een steun (blok

hout) onder de trekker. Alle bevestigingsmiddelen zitten in de onderdelentas. Doe geen onderdelen of materiaal weg voordat de machine volledig gemonteerd is.

2. Zorg dat de ventielbuis (2) aan de buitenzijde van de

trekker komt te zitten. Schuif het voorwiel (1) op de as (3). WAARSCHUWING

3. Zet elk voorwiel vast met sluitring (4) en splitpen (5).

Buig de uiteinden van de splitpen uit elkaar zodat het voorwiel niet van de as af kan. Maak eerst de bougiekabel los voordat u welke montage- of onderhoudswerkzaamheden dan ook aan de machine gaat uitvoeren.

4. Til, nadat de voorwielen zijn aangebracht, de trekker

van de steun af. Rol de trekker weg van de verpakking. OPMERKING: In deze handleiding worden links en rechts gebruikt om de plaats van een onderdeel te bepalen; links en rechts gezien vanuit de zitplaats van de bestuurder.

5. Als uw trekker naafdoppen (6) heeft, installeer dan

de naafdoppen. Controleer of de sluitringen de naafdoppen op hun plaats houden. De voorwielen monteren Snij de vier zijden van de verpakking met een mes open. Monteer de voorwielen (1) (zie Figuur 1). De banden controleren OPMERKING: Til de voorkant van de trekker op met behulp van een circa 1,25m lang stuk hout. Is er geen stuk hout voorhanden, roep dan de hulp van een tweede persoon in om de trekker op te tillen. Wees voorzichtig, laat de trekker niet vallen. Controleer de luchtdruk in de banden. Bij een te hoge bandenspanning rijdt de machine oncomfortabel. Ook zal de machine bij een onjuiste bandenspanning niet egaal maaien. De juiste bandenspanning is: voorbanden 0,97 BAR, achterbanden 0,69 BAR. De banden zijn te hard opgepompt voor verzending.

6. Bevestig de voorste beugel aan de assteun. Zie

afbeelding “F.” Het maaidek monteren

1. Zet de mesrotatiehendel (1) in de ONTKOPPELDE

stand (zie Figuur 2).

7. Zorg ervoor dat de maaieraandrijfriem tussen de

meerschijvenpoelie en de beide riemgeleiders (10) komt te liggen. Zie afbeelding “G.”

2. Zet de hefhendel (2) in de vlakstelstand.

8. Bevestig de ophangschakels (4) aan de hefinrichting.

Maak ze vast met de haarspelden en de sluitringen. Zie afbeelding “A” en “B.” WAARSCHUWING De hefhendel is veerbelast. Zorg dat de hefhendel in de stand VLAKSTELLEN vergrendeld staat.

9. Bevestig de rechtse en linkse stelarm (3) aan de

ophangbeugels. Maak ze vast met de haarspelden en de sluitringen. Zie afbeelding “C” en “D.”

3. Bevestig de voorste beugel (9) aan het maaidek met

de bevestigingsmiddelen. Zie afbeelding “F.”

10. Bevestig de trekveer (5) aan de

mesbedieningshendel (6). Zie afbeelding “E.”

4. Duw het maaidek onder de rechterkant van de

stand. Controleer of de maaieraandrijfriem zich binnen alle riemgeleiders bevindt.

5. Leg de maaieraandrijfriem (7) om de

meerschijvenpoelie (8). Zie afbeelding “G.” OPMERKING: Zorg dat de “V”-zijde van de maaieraandrijfriem tegen de meerschijvenpoelie komt te zitten. Let er ook op dat de maaieraandrijfriem niet gedraaid zit. (31x4)

12. Controleer of het maaidek horizontaal staat. Zie “Het

13. Bevestig de peilwielen (12) met de

bevestigingsmiddelen aan de asbouten (11) (zie Figuur 3). Het stuur monteren

1. Zorg dat de voorwielen recht vooruit staan.

2. Schuif de kap (3) over de stuuras (2). Let erop dat de

kraag van de kap aan de bovenkant zit (zie Figuur 5).

14. Controleer de werking van de mesrotatiehendel. Zie

“De mesrotatiehendel afstellen.”

3. Schuif het stuur (1) op de stuuras.

4. Maak het stuur met schroef (4) en sluitring (6) op de

5. Voor sommige modellen zit er een optioneel inzetstuk

(7) in de onderdelentas. Bevestig het inzetstuk op het midden van het stuur.

Het plaatsen van de stoel

1. Verwijder de plastic zak voorzichtig van de stoel.

2. Zorg ervoor dat de gaten in de scharnierplaat (2)

samenvallen met die in de stoel (1). Maak de stoel vast aan de scharnierplaat van de stoel met de vleugelbouten (4) en (5) (zie Figuur 4). Figuur 5

3. Controleer of de stoel zo staat dat de machine

gemakkelijk bediend kan worden. Als de stoel versteld moet worden, draai de twee vleugelbouten (5) dan los. Schuif de stoel over de stelgaten (3) naar voren of naar achteren. Draai de vleugelbouten stevig vast.

Monteren Onderhoudsvrije accu De accukabels aansluiten BELANGRIJK: Controleer eerst de accudatum voordat u de accukabels op de accu aansluit. Aan de datum op de accu kunt u aflezen of de accu moet worden opgeladen. WAARSCHUWING Sluit - om vonkvorming te voorkomen - eerst de rode kabel op de positieve (+) klem aan voordat u de zwarte kabel aansluit.

1. Kijk op de bovenkant van de accu (1) voor de plaats

van de accudatum (zie Figuur 6).

1. Verwijder de beschermkapjes van de accuklemmen

2. Als de accu in gebruik genomen wordt voordat de

accukabels kunnen worden aangesloten terwijl de accu niet is opgeladen, zie “De accukabels aansluiten.”

2. Schuif het klembeschermkapje (2) op de rode kabel

(5). Sluit de rode kabel aan op de positieve (+) klem (4) met de bout en vleugelmoer (6) en (7).

3. Als de accu in gebruik wordt genomen nadat de accu

moet worden opgeladen, zie “De accu opladen.”

3. Sluit de zwarte kabel (8) aan op de negatieve (-) klem

met de bout en vleugelmoer (6) en (7).

De motor gereedmaken OPMERKING: De motor is vlak vóór verzending in de fabriek met olie gevuld. Controleer het oliepeil. Vul voor zover nodig olie bij. Zie de voorschriften van de motorenfabrikant m.b.t. de te gebruiken soort benzine en olie. Lees eerst de informatie over veiligheid, bediening, onderhoud en opslag voordat u met de machine gaat werken.

Volg de voorschriften van de motorenfabrikant op m.b.t. de te gebruiken soort benzine en olie. Gebruik altijd een veiligheidsjerrycan. Rook niet tijdens het vullen van de benzinetank. Vul geen benzine bij in een besloten ruimte. Zet de motor af voordat u benzine bijvult. Laat de motor eerst enkele minuten afkoelen. Figuur 6 De accu opladen WAARSCHUWING Rook niet wanneer u de accu oplaadt. Houd de accu uit de buurt van vonken. De door het accuzuur geproduceerde dampen kunnen een explosie veroorzaken. OPMERKING: Het werkelijke continue vermogen zal waarschijnlijk lager liggen vanwege beperkingen tijdens het gebruik en door omgevingsfactoren. Controleren of het maaidek vlak staat

1. Verwijder de accu (1) en de accuhouder (3) (zie

Figuur 6). Controleer of het maainiveau nog juist is. Maai eerst een klein stukje en bekijk vervolgens het net gemaaide oppervlak. Als het maaidek niet egaal maait, zie dan “Het maaidek horizontaal stellen” in de sectie Onderhoud van deze handleiding.

2. Verwijder de beschermkapjes van de accuklemmen.

3. Gebruik een 12V acculader om de accu op te laden.

Laad bij een snelheid van 6 ampère gedurende één uur. Beschikt u zelf niet over een acculader, laat de accu dan opladen bij een erkend servicecentrum.

4. Installeer de accu en de accuhouder. De positieve (+)

accuklem (4) moet aan de linkerkant zitten.

Bediening Belangrijk! Voordat u gaat maaien Hulpstukken

Vul de brandstoftank met benzine.

Controleer de hoogte van het maaidek.

Controleer de luchtdruk in de banden.

Sluit de accukabels aan. Deze machine kan met vele verschillende hulpstukken worden uitgerust. De machine kan hulpstukken, zoals een tuinveegmachine, een gazonbeluchter of een centrifugaalstrooier, trekken. De machine kan niet gebruikt worden in combinatie met hulpstukken die de grond omwerken, zoals een ploeg, een schijveneg of een cultivator. Plaats van de bedieningsorganen Voor aanhangers en getrokken hulpstukken bedraagt het maximumgewicht 113 kg. Mesrotatiehendel (1): Met de mesrotatiehendel start en stopt u de rotatie van het blad (zie Figuur 7). De gashendel gebruiken Koppelings-/rempedaal (2): Het pedaal heeft twee functies. De eerste functie is een koppeling. De tweede functie is een rem. Met de gashendel (7) verhoogt of verlaagt u het toerental van de motor (zie Figuur 7).

1. De stand SNEL (FAST) is herkenbaar aan een pal.

Zet de gashendel bij normaal gebruik en bij gebruik van een grasopvangbak in de stand SNEL (FAST). Laat de motor in de stand SNEL (FAST) draaien voor maximale oplading van de accu en voor een koeler lopende motor. Koplampschakelaar (3): De koplampschakelaar is de eerste stand van de contactschakelaar. Als u de lichten wilt gebruiken terwijl de motor loopt, zet het sleuteltje dan in de stand voor de lichten. Contactschakelaar (3): Met de contactschakelaar start u de motor en zet u de motor af. Schakelhendel (4): Met de schakelhendel schakelt u naar een andere versnelling over.

2. Het motortoerental is in de fabriek afgesteld voor het

leveren van maximale prestaties. Stel de regulateur niet anders af om het toerental van de motor te verhogen. Hefhendel (5): Met de hefhendel kunt u de maaihoogte verstellen. De mesrotatiehendel gebruiken Parkeerremhendel (6): Met de parkeerremhendel schakelt u de rem in wanneer u de machine verlaat. Met de mesrotatiehendel (1) schakelt u het mes (of de messen) in (zie Figuur 7). Gashendel (7): Met de gashendel verhoogt of verlaagt u het toerental van de motor.

1. Controleer, voordat u de motor start, eerst of de

mesrotatiehendel (1) in de ONTKOPPELDE stand staat. Acceleratiepedaal (8): Met het acceleratiepedaal regelt u de snelheid van de machine.

2. Zet de mesrotatiehendel in de INGESCHAKELDE

stand om het mes (of de messen) te laten ronddraaien.

OPMERKING: Als de motor stopt wanneer u het mes(of de messen) inschakelt, dan is de stoelschakelaar niet geactiveerd. Zorg dat u midden op de stoel zit.

om het mes (of de messen) te laten stoppen. Wees er zeker van dat het mes (of de messen) niet meer ronddraaien voordat u de bestuurdersplaats verlaat.

4. Zet, voordat u met de machine een trottoir of een

weg over rijdt, de mesrotatiehendel in de ONTKOPPELDE stand. WAARSCHUWING Figuur 7 Kom nooit met uw handen en voeten in de buurt van het mes, de opening van de keerplaat en het maaidek wanneer de motor loopt.

Bediening Het acceleratiepedaal gebruiken

4. Laat het koppelings-/rempedaal rustig opkomen met

uw rechtervoet. Houd uw voet niet op het koppelings/rempedaal. Het aandrijfsysteem maakt gebruik van een variatorpoelie die aan een transmissie met twee versnellingen is gekoppeld. De variatoraandrijving is zich zeer gemakkelijk te bedienen. Dit type aandrijfsysteem heeft een schakelhendel voor twee versnellingen en een koppelings-/rempedaal (2) dat naast het acceleratiepedaal (8) is aangebracht (zie Figuur 7).

2. Duw het koppelings-/rempedaal (2) helemaal naar

voren om de machine te stoppen. Houd uw voet op het pedaal (zie Figuur 7). De rijrichting wordt geregeld met de schakelhendel. Daarmee schakelt u ofwel in de ACHTERUIT ofwel in een van de twee versnellingen vooruit. Tijdens het gebruik wordt de snelheid geregeld met een enkelvoudig acceleratiepedaal dat u met uw rechtervoet bedient.

3. Zet de schakelhendel (4) in de ACHTERUIT-stand.

4. Laat het koppelings-/rempedaal langzaam opkomen.

5. Duw het acceleratiepedaal (8) langzaam naar voren

tot de gewenste snelheid. Vooruitrijden

1. Duw het koppelings-/rempedaal (2) helemaal naar

voren om de machine te stoppen. Houd uw voet op het pedaal (zie Figuur 7).

6. U voert de achterwaartse snelheid op door het

acceleratiepedaal langzaam naar voren te duwen. U vermindert de achterwaartse snelheid door het acceleratiepedaal langzaam op te laten komen totdat de gewenste snelheid is bereikt.

2. Zet de schakelhendel (4) in een van de twee

VOORUIT-standen. Selecteer de stand Laag (TRIM) bij het op- en afrijden van steile hellingen en bij het werken met hulpstukken waarvoor een zeer langzame voorwaartse snelheid vereist is, zoals sneeuwblazers. Selecteer de stand Hoog (MOW) bij het maaien of bij het vervoeren van de machine. Standen acceleratiepedaal De voorwaartse snelheid wordt geregeld met de stand van de schakelhendel (4) en het acceleratiepedaal (8) (zie Figuur 7). In onderstaande tabel staan de functies samen met de standen van de schakelhendel en het acceleratiepedaal vermeld. Laat de motor altijd werken met de gashendel (7) in de stand SNEL (FAST).

3. Laat het koppelings-/rempedaal rustig opkomen met

uw rechtervoet. Houd uw voet niet op het koppelings/rempedaal.

4. Zet de gashendel (7) in de stand SNEL (FAST).

5. Duw het acceleratiepedaal (8) langzaam naar voren

tot de gewenste snelheid.

6. U voert de voorwaartse snelheid op door het

acceleratiepedaal langzaam naar voren te duwen. U vermindert de voorwaartse snelheid door het acceleratiepedaal langzaam op te laten komen totdat de machine vaart mindert tot de gewenste snelheid. Van richting veranderen VOORZICHTIG: Duw eerst het koppelings-/rempedaal (2) helemaal naar voren om de machine te stoppen voordat u de schakelhendel verzet. Als de machine niet eerst wordt stilgezet, kan de versnellingsbak beschadigd raken (zie Figuur 7). STAND SCHAKELHENDEL STAND GASHENDEL PEDAAL Trimmen, sneeuwblazer, steile hellingen Laag (TRIM) 1/3 Gras opvangen Hoog (MOW) 1/3 tot 1/2 Normaal maaien Hoog (MOW) 1/2 tot 2/3 Makkelijk maaien Sneeuwschuif Hoog (MOW) 1/2 tot 3/4 Vervoeren Hoog (MOW) VOLLEDIG Getrokken hulpstukken Hoog (MOW) 1/3 tot 1/2 FAST CHOKE FAST SLOW THROTTLE

1. Duw het koppelings-/rempedaal (2) helemaal naar

voren om de machine te stoppen. Houd uw voet op het pedaal.

2. Zet de gashendel (7) in de stand LANGZAAM

3. Om vooruit te rijden zet u de schakelhendel (4) in een

van de twee VOORUIT-standen. Om achteruit te rijden zet u de schakelhendel in de ACHTERUITstand.

Bediening De parkeerrem gebruiken De machine vervoeren

1. Duw het koppelings-/rempedaal (2) helemaal naar

voren (zie Figuur 7). Als de machine vervoerd moet worden, dient u onderstaande stappen te volgen (zie Figuur 7).

3. Haal uw voet van het koppelings-/rempedaal en

zet de parkeerremhendel vervolgens vrij. Controleer of de parkeerrem daadwerkelijk de machine tegenhoudt.

2. Zet de hefhendel (5) in de hoogste stand.

3. Zet de gashendel (7) in de stand SNEL (FAST).

4. Laat het koppelings-/rempedaal (2) opkomen en duw

het acceleratiepedaal (8) langzaam naar voren tot de gewenste snelheid.

4. Om de parkeerrem vrij te zetten duwt u het

koppelings-/rempedaal helemaal naar voren. De parkeerrem wordt dan automatisch vrijgezet. De mulchverdelerplaat verwisselen WAARSCHUWING WAARSCHUWING Zet voordat u de bestuurdersplaats verlaat, de schakelhendel in de neutrale (N) stand. Schakel de parkeerrem in. Zet de mesrotatiehendel in de ONTKOPPELDE stand. Zet de motor af en verwijder de contactsleutel. Maak de bougiekabel los om te voorkomen dat de motor gestart kan worden. Controleer of de mesrotatiehendel in de ONTKOPPELDE stand staat. De maaihoogte verstellen Met de mulchverdelerplaat kunt u het gras zeer kort en fijn maaien en tot mulch verwerken. Als u het gras aan de zijkant wilt uitwerpen of in een grasopvangbak wilt opvangen, verwijder de mulchverdelerplaat dan als volgt. Als u de maaihoogte wilt verstellen moet u de hefhendel (5) als volgt omhoog of omlaag zetten (zie Figuur 7).

1. Zet de hefhendel (5) naar voren om het maaidek

te laten zakken en naar achteren om het maaidek omhoog te zetten. De mulchverdelerplaat verwijderen

2. Wanneer u op een trottoir of weg rijdt, zet de

hefhendel dan in de hoogste stand en zet de mesrotatiehendel (1) in de ONTKOPPELDE stand.

1. Zet de keerplaat (1) omhoog. Verwijder de twee

vleugelmoeren (2) en de twee slotschroeven (3) (zie Figuur 8). De machine stoppen

2. Til de mulchverdelerplaat (4) omhoog, weg van het

1. Haal uw voet langzaam van het acceleratiepedaal

(8) en druk het koppelings-/rempedaal in (2) (zie Figuur 7).

3. Bevestig vleugelmoeren en slotschroeven aan de

mulchverdelerplaat voor als u ze later weer nodig hebt.

3. Schakel de parkeerrem in met de parkeerremhendel

Controleer of de parkeerrem daadwerkelijk de machine tegenhoudt.

(3) in de stand UIT (OFF) zetten. Verwijder de sleutel.

Bediening De mulchverdelerplaat installeren Met het maaidek werken

1. Zet de keerplaat (1) omhoog (zie Figuur 8). Bevestig

de onderrand van de mulchverdelerplaat (4) aan het maaidek. WAARSCHUWING De keerplaat is een beveiligingsinrichting. Verwijder de keerplaat niet. De keerplaat leidt het uitgeworpen materiaal naar de grond. Houd de keerplaat altijd in de OMLAAG staande stand. Als de keerplaat beschadigd is, vervang die dan door een bij een erkend servicecentrum verkrijgbaar origineel onderdeel.

2. Schuif de bovenzijde van de mulchverdelerplaat (4)

onder de keerplaatsteun (5) (zie Figuur 9).

3. Zet de mulchverdelerplaat met twee vleugelmoeren

(2) en twee slotschroeven (3) vast (zie Figuur 8).

BELANGRIJK: Wanneer u met het maaidek werkt, doe dat dan altijd met de gashendel in de stand SNEL (FAST).

2. Zet de parkeerrem (6) vrij (zie Figuur 7).

3. Zet de hefhendel (5) in een maaihoogtestand. Maai

hoog of dik gras eerst in de hoogste stand en laat het maaidek daarna in een lagere stand zakken.

INGESCHAKELDE stand. Wanneer u een mulchhulpstuk gebruikt, wordt het gras in heel fijne stukjes gemaaid. Deze fijne stukjes worden snel in de bodem afgebroken. Omdat de voedingsstoffen aan de bodem worden teruggegeven, zal het gazon met minder kunstmeststof toe kunnen. Volg onderstaande stappen op voor het op de juiste wijze mulchen van het gras.

6. Zet de gashendel in de stand SNEL (FAST).

7. Duw het acceleratiepedaal (8) langzaam in tot de

gewenste snelheid. OPMERKING: Wanneer u in zwaar gras of met een opvangbak maait, gebruik dan een langzame vooruitversnelling.

1. Zet de gashendel (7) in de stand SNEL (FAST) (zie

Figuur 7). Laat de maaimachine op een langzamere grondsnelheid werken. Als de grondsnelheid te hoog is, zal het gras geen egale snede hebben.

8. Controleer of het maainiveau nog juist is. Maai eerst

een klein stukje en bekijk vervolgens het net gemaaide oppervlak. Als het maaidek niet egaal maait, zie dan “Het maaidek horizontaal stellen” in de sectie Onderhoud.

2. Zorg dat er altijd een scherpe kant op het mes zit.

Een mes dat niet scherp is, zorgt ervoor dat de uiteinden van het gras bruin worden. WAARSCHUWING

3. Controleer of het gras droog is. Nat gras laat zich

moeilijk maaien. Zorg voor een veilige snelheid om de machine beter onder controle te kunnen houden.

4. Stel de hoogte van het maaidek zo in dat alleen het

bovenste derde deel van het gras wordt afgemaaid. Als het gras te hoog is, stel de hoogte van het maaidek dan in op de maximale hoogte. Laat het maaidek daarna zakken en maai het nog een keer na. Ook kunt u, in plaats van de volle breedte van het maaidek te gebruiken, op de halve breedte ervan mulchen.

5. Maak de onderkant van het maaidek schoon. Gras

en andere rommel kunnen er de oorzaak van zijn dat de maaimachine niet meer goed werkt.

6. Als het gras snel groeit, mulch dan vaker.

7. Als voor een gebied verbetering nodig is, mulch dan

Bediening Met machines met automatische aandrijving op hellingen werken Alvorens de motor te starten De olie controleren OPMERKING: De motor is vlak vóór verzending in de fabriek met olie gevuld. Controleer het oliepeil. Vul voor zover nodig olie bij. Zie de voorschriften van de motorenfabrikant m.b.t. de te gebruiken soort benzine en olie. WAARSCHUWING Rijd geen hellingen op of af die te steil zijn om recht achteruit op te gaan. Rij nooit dwars over een helling met de machine.

1. Controleer of de machine horizontaal staat.

1. Stop niet en schakel ook niet over op een andere

snelheid op een helling. Als u moet stoppen, duw het koppelings-/rempedaal (2) dan snel naar voren en schakel de parkeerrem (6) in (zie Figuur 7). OPMERKING: Ga het peil van de olie niet controleren terwijl de motor loopt.

2. Controleer de olie. Volg de door de motorenfabrikant

voorgeschreven werkwijze op.

2. Bedien het acceleratiepedaal (8) rustig om

ongelukken te vermijden. Maak niet plotseling een bocht en vermijd plotselinge veranderingen in snelheid.

3. Vul zo nodig olie bij totdat de olie tot aan het

merkteken FULL op de peilstok komt. De hoeveelheid olie die nodig is vanaf ADD (BIJVULLEN) tot FULL (VOL) staat op de peilstok. Vul niet te veel olie bij.

3. Om voorwaartse snelheid te minderen bij het van

een helling af rijden moet u het acceleratiepedaal langzaam laten opkomen en, indien nodig, het koppelings-/rempedaal indrukken. Benzine bijvullen WAARSCHUWING Op een helling stoppen

1. Vermijd stoppen op een helling. Als u in geval van

nood snel moet stoppen, haal uw rechtervoet dan van het acceleratiepedaal (8) en druk het koppelings/rempedaal (2) snel in (zie Figuur 7). Gebruik altijd een veiligheidsjerrycan. Rook niet tijdens het vullen van de benzinetank. Vul geen benzine bij wanneer u zich in een besloten ruimte bevindt. Zet eerst de motor af en laat de motor enkele minuten afkoelen voordat u benzine gaat bijvullen.

2. Schakel de parkeerrem (6) in.

3. Zet voordat u afstapt, de gashendel (7) eerst in de

stand LANGZAAM (SLOW), zet de mesrotatiehendel (1) in de ONTKOPPELDE stand, zet de motor af en schakel de parkeerrem in. Vul de brandstoftank (1) tot aan het met FULL (2) gemerkte peil met gewone ongelode benzine (zie Figuur 10). Gebruik geen ongelode superbenzine. Controleer of de benzine nieuw en zuiver is. Bij loodhoudende benzine ontstaan er meer koolresten, waardoor de levensduur van de kleppen korter wordt. Op een helling beginnen met maaien

2. Zet de mesrotatiehendel (1) in de INGESCHAKELDE

stand (zie Figuur 7).

3. Zet de gashendel (7) in de stand SNEL (FAST).

4. Druk het koppelings-/rempedaal (2) in om de

parkeerrem (6) vrij te zetten. Duw het acceleratiepedaal in tot de gewenste snelheid.

OPMERKING: De parkeerrem moet eerst ontkoppeld worden, anders kan het acceleratiepedaal de transmissie niet inschakelen. Figuur 10

Bediening De motor starten Maaien en gras opvangen

1. Controleer om een gazon er beter uit te laten zien,

vooraf of het maaidek horizontaal staat. Zie “Het maaidek horizontaal stellen” in de sectie Onderhoud. WAARSCHUWING Het elektrische systeem is voorzien van een systeem dat via een sensorschakelaar vaststelt of de stoel bezet is. Aan het elektrische systeem wordt ‘verteld’ of de bestuurder al of niet op de stoel zit. Dit systeem zorgt ervoor dat de motor stopt wanneer de bestuurder van zijn stoel opstaat als de mesrotatiehendel is ingeschakeld of als de transmissie is ingeschakeld. Controleer voor uw eigen veiligheid altijd of dit systeem goed werkt.

2. Controleer of de banden de juiste spanning hebben,

anders kan het zijn dat het maaidek niet egaal maait.

3. Controleer het mes telkens wanneer u de machine

gebruikt. Vervang het mes onmiddellijk als het verbogen of beschadigd is. Controleer ook of de moer van het mes stevig vastzit.

4. Zorg dat het mes(of de messen) steeds scherp zijn.

Versleten messen zijn er de oorzaak van dat de uiteinden van het gras bruin worden. OPMERKING: De motor zal alleen starten als u het rempedaal indrukt of de parkeerrem inschakelt en de mesrotatiehendel in de ONTKOPPELDE stand zet.

5. Maai geen nat gras en vang het niet op in een

grasopvangbak. Nat gras wordt niet op de juiste wijze uitgeworpen. Laat het gras eerst droog worden alvorens het te maaien.

1. Duw het koppelings-/rempedaal (2) helemaal naar

voren (zie Figuur 7). Houd uw voet op het pedaal.

6. Trim nabij een voorwerp met de linkerkant van het

7. Werp het gemaaide gras uit op het gemaaide

gedeelte. Zo ontstaat een gelijkmatigere verdeling van gemaaid gras.

3. Zet de gashendel (7) helemaal naar voren in de

stand CHOKE of SNEL (FAST). Sommige modellen hebben een afzonderlijke chokeknop. Trek de chokeknop uit tot de volle CHOKE-stand.

8. Wanneer u grote oppervlakken maait, begin de ronde

dan door rechtsom te draaien zodat het gemaaide gras weg van struiken, schuttingen, opritten, enz. uitgeworpen wordt. Maai na een of twee ronden in de tegengestelde richting en draai daarbij telkens linksom totdat u klaar bent.

4. Zet de contactsleutel (3) in de stand START.

OPMERKING: Als de motor na vier of vijf pogingen nog niet wil aanslaan, zet de gashendel dan in de stand SNEL (FAST). Probeer de motor nogmaals te starten. Als de motor dan nog niet wil starten, kijk dan in het STORINGZOEKSCHEMA.

9. Als het gras erg hoog is, maai dan twee keer om

de belasting op de motor te verminderen. Maai eerst met het maaidek in de hoogste stand en zet het maaidek in een lagere stand wanneer u daarna voor de tweede keer gaat maaien.

5. Zet de gashendel rustig in de stand LANGZAAM

6. Laat een koude motor eerst enkele minuten draaien.

Begin pas te maaien wanneer de motor warm is. Om een warme motor te starten moet u de gashendel in een stand tussen SNEL (FAST) en LANGZAAM (SLOW) zetten.

10. Laat voor betere motorprestaties en een

gelijkmatigere uitworp van het gemaaide gras de motor altijd lopen met de gashendel in de stand SNEL (FAST).

11. Laat wanneer u een grasopvangbak gebruikt, de

motor lopen met de gashendel in de stand SNEL (FAST) en het acceleratiepedaal voor 1/3 tot 1/2 naar voren geduwd.

12. Maak telkens na gebruik de boven- en onderkant

van het maaidek schoon voor betere prestaties. Ook voorkomt u met een schoon maaidek dat er brand zou kunnen ontstaan.

Onderhoudsschema Frequentie Mayntenaunce Required Comments Onderhoud van de motor. Zie de Handleiding die bij de motor hoort. Inspecteer mes(sen). Inspecteer op barstjes, slijtage, en bovenmatige schade Verwijder rommel van de machine en het te maaien gebied. Dagelijks of voor ieder gebruik Inspecteer alle draaiende en schuivende onderdelen. Controleer de bandenspanning. Zie het hoofdstuk Onderhoud. Ga na of de maaierbehuizing horizontaal Zie het hoofdstuk Onderhoud. is. Na de eerste 5 uur Na 25 uur Voor opslag van 30 dagen of langer Inspecteer V--riemen. Inspecteer op barstjes, slijtage, en bovenmatige schade Inspecteer de werking van de riemen. Zie het hoofstuk Bediening en het hoofdstuk Onderhoud. Verwissel de olie. Zie de Handleiding die bij de motor hoort. Onderhoud van de motor. Zie de Handleiding die bij de motor hoort. Mes(sen) verwijderen, inspecteren, slijpen, en uitbalanceren. Zie het hoofdstuk Onderhoud. Controleer de afstelling van de: a. Mes rotatie regeling b. Rem c. Koppeling d. Besturing. Zie het hoofdstuk Onderhoud. Smeer chassis en maaierbehuizing. Volg de aanwijzingen onder Smeren. Inspecteer de uitlaat: a. Torsie b. Op slijtage of brandplekken c. Conditie van de vonkenvanger (indien van toepassing). Zie het hoofdstuk Onderhoud. Motor gereed maken voor opslag. Zie de Handleiding die bij de motor hoort. Brandstofsysteem aftappen. Neem de waarschuwingen in de Gebruikshandleiding in acht. Brandstof--stabilizeermiddel toepassen. Zie de Handleiding die bij de motor hoort. Accu gereed maken voor opslag: a. Uit de machine verwijderen b. Volledig opladen c. Opbergen op een koele en droge plek

Onderhoud Algemene aanbevelingen Vervang, indien nodig, beschadigde onderdelen door originele onderdelen voordat u met de machine gaat werken. Neem hiervoor contact op met een erkend servicecentrum bij u in de buurt. Laat om de drie jaar een bevoegde servicemonteur het mes inspecteren of het oude mes door een origineel nieuw mes vervangen.

1. Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar om

dit product te onderhouden. Door regelmatig onderhoud uit te voeren gaat dit product langer mee en blijft de garantie van kracht.

2. Controleer de bougie en de aandrijfrem, smeer de

machine en reinig het luchtfilter eenmaal per jaar.

3. Controleer de bevestigingsmiddelen. Controleer of

4. Volg de aanwijzingen in de sectie Onderhoud op om

de machine in een goede staat van onderhoud te houden.

Maak eerst de bougiekabel los voordat u een controle, afstelling of reparatie aan de machine uitvoert. Verwijder de bougiekabel om te voorkomen dat de motor per ongeluk gestart kan worden.

Figuur 11 OPMERKING: Het aanhaalmoment wordt gemeten in foot pounds (Nm in metrieke stelsel). Hiermee wordt aangegeven hoe strak een moer of bout aangetrokken moet worden. Het aanhaalmoment wordt gemeten met een momentsleutel. Het mes verwijderen en installeren

1. Verwijder het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

2. Zorg er met behulp van een stuk hout voor dat het

mes niet kan gaan ronddraaien. Het mes inspecteren

3. Verwijder de moer (3) waarmee het mes (1)

bevestigd is (zie Figuur 11). WAARSCHUWING

4. Controleer het mes en de mesadapterring (5). Zie

“Het mes inspecteren.” Vervang een ernstig versleten of beschadigd mes door een origineel nieuw mes. Neem hiervoor contact op met een erkend servicecentrum bij u in de buurt. Maak eerst de bougiekabel los voordat u het mes gaat inspecteren of verwijderen. Als het mes een voorwerp heeft geraakt, zet de motor dan af. Kijk de machine na op beschadigingen. Het mes heeft scherpe kanten. Gebruik wanneer u het mes vastpakt, handschoenen of een doek om uw handen te beschermen.

5. Maak de onder- en bovenkant van het maaidek

schoon. Verwijder al het gras en rommel.

6. Bevestig het mes en de mesadapterring op de

spil (6). Als u het mes (1) scherp houdt en het mes op beschadigingen inspecteert, zal het mes beter snijden en is het veiliger in het gebruik (zie Figuur 11). Controleer het mes regelmatig op abnormale slijtage, scheurvorming of andere beschadigingen.

7. Bevestig het mes zo dat de opstaande randen (7)

naar boven wijzen. Als het mes ondersteboven staat, zal het mes niet goed snijden, wat tot ongelukken kan leiden. Controleer regelmatig de moer (3) waarmee het mes (1) bevestigd is. De moer moet altijd stevig vastzitten. Als het mes een voorwerp heeft geraakt, zet de motor dan af. Maak de bougiekabel los. Kijk of het mes verbogen of beschadigd is. Controleer de mesadapterring (5) op beschadigingen.

8. Bevestig het mes met de originele sluitringen en

moer. Zorg dat de buitenrand van de schotelveer (2) tegen het mes komt te zitten.

7. Controleer nogmaals de kwaliteit van de snede. Als

de kwaliteit van de snede niet verbeterd is, vervang de maaieraandrijfriem dan. Zie “De maaieraandrijfriem vervangen.” Als het probleem door het vervangen van de riem nog niet opgelost is, breng de machine dan naar een erkend servicecentrum. WAARSCHUWING Zorg dat de moer waarmee het mes bevestigd is, altijd stevig vastzit. Een loszittende moer of een loszittend mes kan tot ongelukken leiden.

9. Draai de moer waarmee het mes bevestigd is aan tot

een moment van 30 foot pounds (41,5 Nm).

10. Installeer het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

en installeren.” De mesrotatiehendel afstellen WAARSCHUWING Om letsel te voorkomen moet de mesrotatiehendel correct werken.

Bij normaal gebruik hoeft de mesrotatiehendel niet afgesteld te worden. Maar als de maaiprestaties afnemen of als de kwaliteit van de snede slecht is, voer dan de volgende handelingen uit.

1. Zorg dat de gashendel (7) bij het maaien in de stand

SNEL (FAST) staat (zie Figuur 7).

8. Zet de mesrotatiehendel (1) in de ONTKOPPELDE

stand (zie Figuur 12). Zet de motor af.

2. Zet de mesrotatiehendel in de ONTKOPPELDE stand

(1) (zie Figuur 12).

9. Controleer de werking van de mesrem. Draai de

poelies met de hand rond. Controleer of de remblokken (7) stevig tegen de poelies gedrukt worden (zie Figuur 14).

3. Zet de motor af. Maak de bougiekabel los.

4. Controleer het mes (of de messen). Zorg dat er altijd

een scherpe kant op zit. Een mes dat niet scherp is, veroorzaakt de bruine uiteinden van het gras. WAARSCHUWING

Worden de remblokken niet stevig tegen de poelies gedrukt, breng de machine dan naar een erkend servicecentrum.

10. Zet de mesrotatiehendel in de INGESCHAKELDE

stand (2) (zie Figuur 12).

11. Controleer de remblokken voor de mesrem (7) (zie

Figuur 14). Als de blokken buitensporig versleten of beschadigd zijn, vervang de remblokken dan in hun geheel. Voor de juiste vervangingsonderdelen en voor assistentie kunt u bij een erkend servicecentrum terecht. Figuur 12

5. Maak de mesaandrijfveer (2) los van de

mesbedieningshendel (1) (zie Figuur 13). Verplaats de mesaandrijfveer naar het middelste gat (4). Hierdoor wordt de spanning op de maaieraandrijfriem vergroot.

6. Sluit de bougiekabel aan. Maai een klein stuk en

controleer de kwaliteit van de snede nogmaals. Verplaats de mesaandrijfveer, indien nodig, naar het onderste gat (5).

Draai aan de stelmoer totdat de moer door het gat in de remhefboom gaat.

6. Monteer de stelmoer aan de parkeerrempal,

remhefboom en remveer. Maak het geheel vast met de sluitring en splitpen.

7. Verwijder de 6mm pen of bout.

8. Als de riem nog steeds slipt nadat de koppeling is

bijgesteld, dan is de aandrijfriem versleten of beschadigd en moet deze worden vervangen. Zie “De aandrijfriem vervangen.”

12. Sluit de bougiekabel aan. Maai een klein stuk en

controleer de werking van de mesrotatiehendel nogmaals.

ONTKOPPELDE stand zet, dan stopt elke beweging binnen vijf seconden. Als de riem nog beweegt of als de messen blijven ronddraaien, zet de mesrotatiehendel dan vijf keer aan en weer uit om overtollig rubber van een nieuwe maaieraandrijfriem te verwijderen. Hebt u hierbij hulp nodig, breng de machine dan naar een erkend servicecentrum.

14. Als u de maaieraandrijfriem vervangt, verplaats de

mesaandrijfveer (2) dan naar het bovenste gat (3) (zie Figuur 13). De koppeling controleren en afstellen Als de aandrijfriem niet strak staat, dan zal de koppeling bij het oprijden van een helling en bij het trekken van een zware last gaan slippen; of de machine wil niet meervooruitgaan. U stelt de koppeling als volgt af. WAARSCHUWING Maak eerst de bougiekabel los voordat u een controle, afstelling of reparatie aan de machine uitvoert. Verwijder de bougiekabel om te voorkomen dat de motor per ongeluk gestart kan worden.

1. Controleer het traject van de aandrijfriem. Controleer

of de riem juist is geïnstalleerd en zich binnen alle riemgeleiders bevindt.

2. Verwijder de splitpen (1), sluitring (2) en remveer (3)

van de stelmoer (4) (zie Figuur 15).

3. Maak de stelmoer los van het remhefboomsamenstel

(5) en de parkeerrempal (6).

4. Lijn het gat in de remhefboom uit met het gat in het

chassis. Houd de remhefboom op z'n plaats met een 6mm pen of bout (7).

Onderhoud De bedrijfsrem controleren en afstellen WAARSCHUWING Duw het koppelings-/rempedaal helemaal naar voren. Schakel de parkeerrem in. Zet de schakelhendel in de neutrale (N) stand. Duw tegen de machine: als de achterwielen ronddraaien, stel dan de remblokken af of vervang ze. U stelt de bedrijfsrem als volgt af. In de accu zit zwavelzuur, een stof die schadelijk is voor de huid, ogen en kleding. Als het zuur op het lichaam of kleding terechtkomt: wassen met water.

1. Koppel de zwarte kabel (8) los van de negatieve (-)

1. De bedrijfsrem (1) zit rechts van de versnellingsbak

(3) (zie Figuur 16).

schakelhendel in z'n vrij (N) staat. Draai de zeskantmoer (2) met de wijzers van de klok mee totdat de achterwielen niet meer draaien wanneer de machine naar voren wordt geduwd.

3. Til de accuhouder (3) en de accu (1) uit de machine.

3. Zet de parkeerrem vrij en duw tegen de machine. Als

de machine niet rolt, draai de zeskantmoer dan tegen de wijzers van de klok in totdat de machine begint te rollen. WAARSCHUWING Rook niet wanneer u de accu oplaadt. Houd de accu uit de buurt van vonken. De door het accuzuur geproduceerde dampen kunnen een explosie veroorzaken.

4. Schakel de parkeerrem in. Duw tegen de machine.

Als de achterwielen niet draaien, is de bedrijfsrem juist afgesteld. Zet de parkeerrem vrij.

1. Til de accu eerst uit de machine voordat u de accu

(1) gaat opladen (zie Figuur 6). WAARSCHUWING

2. Gebruik een 12V acculader om de accu op te laden.

Laad bij een snelheid van 6 ampère gedurende 1 uur. Als het niet lukt de bedrijfsrem juist af te stellen, vervang dan de remblokken. Voor de juiste vervangingsonderdelen en voor assistentie kunt u bij een erkend servicecentrum terecht.

WAARSCHUWING Sluit - om vonkvorming te voorkomen - eerst de rode kabel op de positieve (+) klem aan voordat u de zwarte kabel aansluit.

4. Sluit de rode kabel (5) aan op de positieve (+) klem

(4) met de bout en de vleugelmoer zoals afgebeeld.

5. Sluit de zwarte kabel (8) aan op de negatieve (-)

klem met de bout en de vleugelmoer zoals afgebeeld.

Figuur 16 De accu verwijderen Voor het opladen of reinigen van de accu (1) kunt u de accu als volgt uit de machine verwijderen (zie Figuur 6). WAARSCHUWING Om vonkvorming te voorkomen moet u eerst de zwarte accukabel (8) loskoppelen van de negatieve (-) klem. Daarna koppelt u de rode kabel (5) los.

Onderhoud De peilwielen afstellen OPMERKING: Als de maaihoogtestand door de hefhendel verandert, moet u de peilwielen naar het juiste gat verplaatsen om een egale maaihoogte te houden. De asbouten voor de peilwielen zijn in de maaistand LAAG gemonteerd. Als u de stand van de peilwielen wilt veranderen, moet u de asbouten als volgt verzetten. Het maaidek horizontaal stellen BELANGRIJK: Voordat u de peilwielen gaat afstellen, moet u het volgende doen: Controleer of het maaidek horizontaal staat. Controleer of de maaihoogte is ingesteld op de hoogte die u voor uw gazon wenst. Maai een klein stuk op een vlak egaal gebied en bekijk het zonet gemaaide gebied. Zie de aanwijzingen bij “Het maaidek horizontaal stellen” als het maaidek niet egaal maait. Als het maaidek horizontaal staat, kan het mes gemakkelijker maaien en komt het gazon er fraaier uit te zien. WAARSCHUWING Maak eerst de bougiekabel los voordat u een controle, afstelling of reparatie aan de machine uitvoert. Verwijder de bougiekabel om te voorkomen dat de motor per ongeluk gestart kan worden. WAARSCHUWING Maak eerst de bougiekabel los voordat u een controle, afstelling of reparatie aan de machine uitvoert. Verwijder de bougiekabel om te voorkomen dat de motor per ongeluk gestart kan worden.

1. Zorg dat de machine op een hard plat oppervlak

2. Controleer de luchtdruk in de banden. Als de

bandenspanning niet goed is, dan zal het maaidek niet egaal maaien. Controleer of de banden opgepompt zijn tot: voorbanden 0,97 BAR, achterbanden 0,69 BAR.

1. Verwijder de peilwielen (12) en asbouten (11) (zie

2. Maai een klein stuk op een vlak egaal gedeelte om

het maainiveau en de maaihoogte te controleren. Kijk naar het nummer van de maaihoogtestand 3 op de hefhendel (1) (zie Figuur 17).

3. Bekijk elke peilwielsteun afzonderlijk (13) (zie Figuur

3). Er zitten 3 gaten in elke steun en bij elk gat staat een nummer. Het nummer voor de maaihoogtestand op de hefhendel geeft het juiste gat aan voor elke peilwielsteun. Figuur 18 OPMERKING: Gat nummer 1 van de wielsteun is gelijk aan positienummer 1 van de hefhendel. Gat nummer 2 van de wielsteun is gelijk aan positienummer 2 van de hefhendel. Gat nummer 3 van de wielsteun is gelijk aan positienummers 3, 4, 5 en 6 van de hefhendel.

4. Draai aan de linkse en rechtse afstelknoppen (1)

(zie Figuur 18). Druk elke kant van het maaidek omlaag. Zorg dat beide kanten van het maaidek op een plat oppervlak staan. Zorg er ook voor dat de hefarmen los zitten zodat ze gemakkelijk omhoog en omlaag bewogen kunnen worden.

4. Monteer de asbouten (11) aan de peilwielsteunen

(13) gebruik hierbij het juiste gat in de steun zoals aangegeven.

Onderhoud De banden controleren

5. Druk de hefarmen (2) omlaag en draai de linkse en

rechtse afstelknoppen vast. Zorg dat de afstelknoppen stevig vast komen te zitten. Gebruik zo nodig een moersleutel om de afstelknoppen vast te draaien.

6. Zet de hefhendel (1) omhoog (zie Figuur 17).

Controleer de luchtdruk in de banden. Bij een te hoge bandenspanning rijdt de machine oncomfortabel. Ook zal het maaidek niet egaal maaien bij een onjuiste bandenspanning. De juiste bandenspanning is: voorbanden 0,97 BAR, achterbanden 0,69 BAR.

7. Maai een klein stuk. Als de maaihoogte niet egaal is,

dient u bovenstaande stappen te herhalen. De aandrijfriem vervangen De aandrijfriem van de motor verwijderen Plaats van de smeerpunten

1. Verwijder de accu.

Modellen met smeernippels: met vetspuit smeren (zie Figuur 19).

2. Verwijder het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

en installeren.” Breng met een borstel smeervet aan op de aangegeven delen.

3. Verwijder de borgring en het rondsel (1) van het

uiteinde van de stuurkolom (zie Figuur 20). Schuif de stuurkolom omhoog waarna de aandrijfriem van de motor verwijderd kan worden. Smeer de aangegeven delen met motorolie.

OPMERKING: Breng smeervet op de stuurinrichting aan. VOORZICHTIG: Als er met de machine gewerkt wordt in droge gebieden met zand, gebruik dan een droge grafietspray om de machine te smeren.

5. Haak de terugtrekveer van de tussenwielsteun (4)

los uit de steun van de variatoreenheid (5).

6. Verwijder de remarm van de variator (6) bovenin het

chassiskanaal. De remarm van de variator is bereikbaar via de accuhuisopening onder de stoel. Figuur 19

7. Verwijder de vier schroeven (7) waarmee de

tussenwielsteun (8) is bevestigd (zie Figuur 21).

9. Verwijder de tussenwielsteun (12) (zie Figuur 23).

10. Verwijder de twee schroeven (13) rechts van de

steun van de variatoreenheid (5) (zie Figuur 24). Draai de twee schroeven (14) links van de steun van de variatoreenheid (5) los.

8. Om bij de tussenwiel-riemgeleiders (9) te kunnen

komen moet u de tussenwielsteun laten zakken (zie Figuur 22). De tussenwielsteun kan pas verwijderd worden wanneer de aandrijfriem van de motor (10) van de geleiderollen (11) is verwijderd. Verwijder beide tussenwiel-riemgeleiders (9).

11. Laat de steun van de variatoreenheid (5) zakken en

schuif de aandrijfriem van de motor (10) over de bovenzijde van de variatorpoelie (15) (zie Figuur 25). De aandrijfriem van de motor installeren

1. Om de aandrijfriem van de motor (10) te installeren

dient u bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit te voeren (zie Figuur 25).

2. Zorg dat de aandrijfriem van de motor (10) tussen de

twee op de meerschijvenpoelie (17) gelegen riemgeleiders komt te liggen (zie Figuur 26). Zorg er ook voor dat de “V”-zijde van de aandrijfriem van de motor tegen de meerschijvenpoelie komt te zitten.

3. Controleer de ligging van de aandrijfriem van de

motor (10) bij de stuurkolom (19) (zie Figuur 27). Zorg dat de aandrijfriem van de motor aan de binnenkant van het kleine tussenwiel (20) en onder de L-vormige riemgeleider (21) komt te liggen.

12. Verwijder de riemgeleiderstang (16) (zie Figuur 26).

4. Controleer of de aandrijfriem van de motor (10)

binnen de snelheidsregelarm (22) zit (zie Figuur 28).

5. Installeer het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

13. Schuif de aandrijfriem van de motor (10) naar de

voorkant van de machine. Wanneer de achterkant van de aandrijfriem van de motor de meerschijvenpoelie bereikt, schuif de achterkant van de riem (10) dan tussen de meerschijvenpoelie en de stuurplaat (18).

OPMERKING: Om de aandrijfriem van de motor tussen de meerschijvenpoelie en de stuurplaat te kunnen schuiven, moet de riem zijwaarts gedraaid worden.

14. Voor het op de juiste wijze vervangen van de riem of

voor assistentie kunt u bij een erkend servicecentrum bij u in de buurt terecht. Figuur 28

Onderhoud De transaxle-aandrijfriem verwijderen

8. Verwijder de transaxle-aandrijfriem (28) van de

ingaande transaxle-poelie (29) (zie Figuur 31).

1. Verwijder de accu.

2. Verwijder het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

3. Verwijder de remarm van de variator (23) bovenin het

chassiskanaal (zie Figuur 29). De remarm van de variator (23) is bereikbaar via de accuhuisopening onder de stoel.

9. Schuif de transaxle-aandrijfriem van de geleiderol

10. Schuif de transaxle-aandrijfriem naar voren over de

11. Schuif de transaxle-aandrijfriem daarna over de

transaxle-schakelverbinding (27) (zie Figuur 30). Figuur 29

4. Verwijder de veer van het tussenwiel van de variator

12. Trek de variatoreenheid (30) omlaag en verwijder de

aandrijfriem van de motor (10) van de variatorpoelie (15). Verwijder de transaxle-aandrijfriem (28) vervolgens van de variatorpoelie (zie Figuur 31).

5. Draai de twee schroeven (25) rechts van de steun

van de variatoreenheid (5) los.

13. Voor het op de juiste wijze vervangen van de riem of

voor assistentie kunt u bij een erkend servicecentrum bij u in de buurt terecht.

6. Draai de twee schroeven (26) links van de steun van

de variatoreenheid los.

7. Verwijder de schakelstang van de transaxleschakelverbinding (27) (zie Figuur 30).

Onderhoud De transaxle-aandrijfriem installeren

9. Controleer of de primaire maaieraandrijfriem binnen

de riemgeleiders zit (5) en (10).

1. Om de transaxle-aandrijfriem (28) te installeren dient

u bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit te voeren (zie Figuur 31).

10. Monteer het linkse poeliedeksel.

11. Installeer het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

2. Installeer het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

12. Controleer eerst de mesrotatiehendel voordat u gaat

maaien. Zie “De mesrotatiehendel afstellen.” De primaire maaieraandrijfriem vervangen

1. Verwijder het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

en installeren.” De secundaire maaieraandrijfriem vervangen

1. Verwijder het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

2. Verwijder de primaire maaieraandrijfriem (3) van de

meerschijvenpoelie (9) (zie Figuur 32).

3. Draai de twee schroeven (1) van het rechtse

poeliedeksel (11) los. Verwijder het rechtse poeliedeksel.

4. Trek de geleiderol (12) weg van de secundaire

maaieraandrijfriem (13). Verwijder de riem van de geleiderol.

5. Verwijder de secundaire maaieraandrijfriem van de

6. Verwijder de secundaire maaieraandrijfriem van de

meerschijvenpoelie. Figuur 32 OPMERKING: Vervang de secundaire maaieraandrijfriem door een originele riem. Neem hiervoor contact op met een erkend servicecentrum bij u in de buurt.

2. Draai de drie schroeven (1) van het linkse

poeliedeksel (2) los. Verwijder het linkse poeliedeksel (zie Figuur 32).

3. Om de primaire maaieraandrijfriem (3) van de linkse

spilpoelie (4) te verwijderen moet u de primaire maaieraandrijfriem tussen de linkse spilpoelie en de riemgeleiders (5) door schuiven.

7. Installeer een nieuwe secundaire maaieraandrijfriem.

Leg de riem om de onderkant van de meerschijvenpoelie. Zorg dat de secundaire maaieraandrijfriem binnen de riemgeleider komt te liggen.

4. Trek de riemhouder (6) weg van de geleiderol (7).

Verwijder de primaire maaieraandrijfriem van de geleiderol.

8. Leg de secundaire maaieraandrijfriem om de rechtse

aandrijfpoelie (14).

5. Trek de remblokeenheid (8) weg van de

meerschijvenpoelie (9). Verwijder de primaire maaieraandrijfriem van de meerschijvenpoelie.

9. Trek de geleiderol naar de voorkant toe. Installeer de

secundaire maaieraandrijfriem met de vlakke zijde tegen de geleiderol. OPMERKING: Vervang de primaire maaieraandrijfriem door een originele riem. Neem hiervoor contact op met een erkend servicecentrum bij u in de buurt.

10. Zorg dat de “V”-zijde van de secundaire

maaieraandrijfriem om de rechtse spilpoelie komt te liggen.

6. Installeer een nieuwe primaire maaieraandrijfriem.

Trek de remblokeenheid weg van de meerschijvenpoelie. Leg de riem om de meerschijvenpoelie. Zorg dat de primaire maaieraandrijfriem binnen de riemgeleider (10) komt te liggen.

11. Monteer het rechtse poeliedeksel.

12. Leg de primaire maaieraandrijfriem om de

meerschijvenpoelie heen.

13. Installeer het maaidek. Zie “Het maaidek verwijderen

7. Trek de riemhouder weg van de geleiderol. Leg de

primaire maaieraandrijfriem met de vlakke zijde om de geleiderol.

14. Controleer eerst de mesrotatiehendel voordat u gaat

maaien. Zie “De mesrotatiehendel afstellen.”

8. Zorg dat de “V”-zijde van de primaire

maaieraandrijfriem tegen de linkse spilpoelie komt te zitten zoals afgebeeld.

Onderhoud Het maaidek verwijderen en installeren Vervangingsonderdelen bestellen

1. Zet de mesrotatiehendel (1) in de ONTKOPPELDE

stand (zie Figuur 2). De vervangingsonderdelen worden achterin deze handleiding vermeld of staan in een afzonderlijk onderdelenboek beschreven.

2. Zet de hefhendel (2) in de vlakstelstand.

Gebruik uitsluitend door de fabrikant toegestane of goedgekeurde vervangingsonderdelen. Gebruik uitsluitend hulpstukken of accessoires die speciaal voor deze machine worden aanbevolen. Om de juiste vervangingsonderdelen te krijgen moet u het modelnummer van uw maaimachine opgeven (zie naamplaat). WAARSCHUWING De hefhendel is veerbelast. Zorg dat de hefhendel in de stand VLAKSTELLEN vergrendeld staat.

3. Verwijder de haarspelden en de sluitringen van de

draagarmen (3). Zie afbeelding “C” en “D.” Vervangingsonderdelen, behalve voor de motor, de transmissie, de transaxle of het differentieel, zijn verkrijgbaar bij de winkel waar de maaimachine is gekocht of bij een door de winkel aanbevolen servicewerkplaats.

4. Verwijder de haarspelden en de sluitringen van de

hefarmen (4). Zie afbeelding “A” en “B.”

5. Maak de trekveer (5) los van de

mesbedieningshendel (6). Zie afbeelding “E.”

6. Maak de voorste beugel (9) los van de assteun. Zie

afbeelding “F.” Service met betrekking tot de garantie is uitsluitend beschikbaar via erkende servicedealers. Vind uw dichtstbijzijnde dealer met behulp van de dealerzoeker op www.murray.com.

7. Verwijder de maaieraandrijfriem (7) van de

meerschijvenpoelie (8).

8. Trek het maaidek weg van de rechterkant van de

machine. Vervangingsonderdelen voor de motor, transaxle of transmissie zijn verkrijgbaar bij een door de fabrikant erkend servicecentrum, dat u in het bedrijvengedeelte van de telefoongids kunt vinden. U kunt ook de afzonderlijke garantiebewijzen voor de motor of de transmissie raadplegen voor het bestellen van vervangingsonderdelen.

9. Om het maaidek te installeren dient u bovenstaande

stappen in omgekeerde volgorde uit te voeren. De zekering vervangen Als de zekering is doorgeslagen, kan de motor niet gestart worden. Bij bestellingen wordt u verzocht de volgende informatie te verstrekken: Verwijder de zekering en vervang die door een auto-zekering van 15 A. (1) Het modelnummer (2) Serienummer Opslag (meer dan 30 dagen) (3) Onderdeelnummer Maak de machine aan het einde van elk jaar als volgt gereed voor opslag. (4) Aantal

Troubleshooting Schema Probleem De motor slaat niet aan. Oplossing

1. Volg de aanwijzingen onder “Starten van de motor” op.

2. Modellen met electrische start: Maak de accuklemmen schoon en

verbind ze daarna goed.

3. Kijk of er een draad los zit. Kijk of de limietschakelaars vast zitten.

(Zie het bedradingsschema.)

4. Tap de benzinetank af, maak de benzineleiding schoon en vervang

5. Verwijder de bougie(s). Zet de choke in de SLOW stand. Draai het

contactsleuteltje in de ON stand. Probeer de motor enige malen te starten. Plaats de bougie weer terug.

6. Vervang de bougie.

7. Stel de carburateur bij.

De motor wil niet draaien.

1. Volg de aanwijzingen onder “Starten van de motor” op.

2. Modellen met electrische start: Laad de accu op.

3. Vervang de zekering.

4. Controleer de kabelboom op schade of een losse verbinding.

Vervang de beschadigde draad.

5. Modellen met electrische start: vervang de solenoïde. Modellen met

trekstart: vervang de module. De motor slaat moeilijk aan.

1. Stel de carburateur bij.

2. Vervang de bougie.

3. Vervang het benzinefilter.

De motor loopt onregelmatig of met gereduceerd vermogen.

2. Maak het luchtfilter schoon.

3. Maak het buitenste stalen luchtfilter schoon.

4. Vervang de bougie.

5. De motor wordt te zwaar belast. Schakel in een lagere versnelling.

6. Stel de carburateur bij.

7. Vervang het benzinefilter.

De motor loopt onregelmatig bij hoge snelheden.

1. Vervang de bougie.

2. Stel de choke beter af.

3. Vervang het luchtfilter.

4. Vervang het benzinefilter.

De motor slaat af als de messen worden ingeschakeld.

1. Controleer de kabelboom op schade of een losse verbinding.

Vervang de beschadigde draad.

2. De graszak moet zijn gemonteerd (alleen van toepassing op het

model met een graszak en achteruitworp). De motor slaat af op een helling.

1. Maai altijd de helling op en af, nooit parallelaan de helling.

Troubleshooting Chart Probleem De motor wil niet stationair draaien. Oplossing

1. Vervang de bougie.

2. Maak het luchtfilter schoon.

4. Stel de choke beter af.

het benzinefilter. Als de motor heet is neemt het vermogen af.

1. Maak het buitenste stalen luchtfilter schoon.

3. Stel de carburateur bij.

4. Vervang het benzinefilter.

4. Stel de carburateur bij.

5. Kijk na op een beschadigde aandrijfriem of schijf. Vervang de

beschadigde onderdelen. Het gemaaide gras wordt niet goed uitgeworpen.

1. Stop de motor en maak de maaibehuizing schoon.

2. Stel in op een hoger maainiveau.

3. Vervang of slijp het (de) mes(sen).

4. Schakel de versnelling in een lagere snelheid.

5. Zet de gashendel in de FAST stand.

6. Vervang de veer die het (de) mes(sen) uitschakelt.

7. Maak het verlengstuk en het verbindingstuk schoon (alleen van

toepassing op het model met een graszak en achteruitworp). De maaibehuizing maait niet egaal.

1. Controleer de bandenspanning.

2. Stel de hoogte van de maaibehuizing bij.

3. Controleer de vooras. Als deze niet vrij kan scharnieren, moeten de

asbouten worden losgedraaid. De messen willen niet draaien.

1. Controleer de maaiaandrijfriem. Zorg ervoor dat de riem goed zit.

De machine gaat niet rijden terwijl de rem wordt losgelaten en het gaspedaal wordt ingetrapt.

1. Controleer de hoofdaandrijfriem. Zorg ervoor dat de riem goed zit.

2. Vervang de maaiaandrijfriem.

2. Stel de koppeling bij.

3. Vervang de hoofdaandrijfriem.

De machine gaat langzamer rijden of stopt geheel terwijl het gaspedaal wordt ingetrapt.

1. Stel de koppeling bij.

2. Vervang de hoofdaandrijfriem.

Troubleshooting Chart Probleem Als het rempedaal wordt losgelaten, is een aandrijfriem te horen. Oplossing

1. Kortdurig geluid van de riem duidt niet op foutieve werking van de

machine. Controleer of de riem goed loopt, indien het geluid blijft aanhouden. Zorg dat de riem binnen alle geleidingen loopt.

2. Indien het geluid blijft aanhouden, moet u de koppeling afstellen.

De achterwielen slaan op hol op oneffen terrein. Het is moeilijk van de ene versnelling naar de andere te schakelen, terwijl de motor loopt en de koppeling is ingetrapt.

1. Controleer de vooras. Als deze niet vrij kan scharnieren, moeten de

asbouten worden losgedraaid.

1. Controleer of de koppeling goed is afgesteld. De aandrijfriem moet

ophouden met draaien als de koppeling is ingetrapt en de versnelling in neutraal (N) staat.

2. Controleer of de koppeling goed is afgesteld. De aandrijfriem moet

ophouden met draaien als de koppeling is ingetrapt en de versnelling in neutraal (N) staat.