AVIC-F910BT - Autonavigatiesysteem PIONEER - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis AVIC-F910BT PIONEER in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Autonavigatiesysteem in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding AVIC-F910BT - PIONEER en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. AVIC-F910BT van het merk PIONEER.
GEBRUIKSAANWIJZING AVIC-F910BT PIONEER
LATERE NASLAG 144 @® Aansluitingen Voorzorgen voor het aansluiten van het system 145 Alvorens u dit product inbouwt 146 Voorkomen van beschadigingen 146 — Opmerking over de blauwe draad 146 — Opmerking over de blauw/witte draad 147 Bijgeleverde accessoires 147 Systeemcomponenten aansluiten 148 Het stroomsnoer aansluiten (1) 150 Het stroomsnoer aansluiten (2) 152 Voor aansluiting op een los verkrijgbare eindversterker 154 Bij aansluiting van een achteruitkijkcamera 156 Tijdens het aansluiten van het achterdisplay 157 — Tijdens het gebruik van een achterdisplay dat op de achtervideo- uitgang is aangesloten 157 Bij de aansluiting van een extern videocomponent 157 — Gebruik van de AVI Input” (AVI) 157 — Gebruik van de ‘AV2 Input” (AV2) 158 @ inbouwen Voorzorgen voor installatie 159 Voorkomen van elektromagnetische storingen 159 Voor de installatie 160 Dit navigatiesysteem inbouwen 160 — Opmerkingen betreffende het inbouwen 160 — Bijgeleverde accessoires 161 — Véôr het installeren van dit navigatie eenheid_ 162 — Installatie met de houder en zijbeugel 162 Installatie met gebruik van de schroefgaten aan de zijkant van het navigatie-eenheid 163 Bevestigen van de GPS-antenne 164 — Opmerkingen betreffende het bevestigen 164 — Bijgeleverde accessoires 164 — Bevestigen van de antenne binnen in de auto (op het dashboard of de hoedenplank) 165 De microfoon installeren 166 — Bijgeleverde accessoires 166 — Montage op de zonneklep 166 — Installatie op stuurkolom 167 — De hoëk van de microfoon aanpassen 168 @® Na installatie Na het inbouwen van dit navigatiesysteem 169
HANDLEIDING +_ De navigatie-elementen van dit product (en de optionele achteruitkijkcamera, indien deze is aangeschaft) zin uitsluitendl be- doeld als hulpmiddel voor de bedining van uw voertuig. U mag het autonavigatiesys- teem niet beschouwen als vervanging van uw eigen beoordelingsvermogen en alert- heid tijdens het rijden. + Gebruik dit navigtiesysteem nooit om in geval van nood naar ziekenhuizen, politie- stations of dergelijke instellingen te rijden. Bel dan het juiste hulpdienstnummer. + Gebruik dit navigatiesysteem (of de optio- nele achteruitkijkcamera, indien deze is aangeschaft) niet indien hierdoor op eni- gerlei wijze uw aandacht van het veilig be- sturen van uw auto kan worden afgeleid. Neem altijd de gangbare beperkingen en aanwijzingen voor weggebruikers in acht, boven het advies en de begeleiding die dit product biedt. Volg strikt de geldende ver- keersregels, ook als dit product tegenstrijdi- ge aanwijzingen geeft +_In deze handleiding wordt de inbouw van het navigatiesysteem in uw voertuig be- schreven. De bediening van het navigatie- systeem wordt beschreven in de aizonderlijke handleidingen die bij het navi- gatiesysteem worden geleverd. + Bouw dit product niet in op plaatsen waar het () het zicht van de bestuurder kan hin- deren, (ii) de werking van een van de bedie- ningssystemen of veiligheidsvoorzieningen van de auto, inclusief airbags en knoppen van waarschuwingsknipperlichten nadelig kan beïnvloeden of (ii) een belemmering kan vormen voor het vermogen van de be- stuurder om het voertuig veilig te bedienen. In bepaalde gevallen is het wellicht niet mogelik dit product in te bouwen vanwege het type voertuig of de vorm van het interi- eur van het voertuig. (=)
Hoofdstuk HD ( BELANGRUKE VEILIGHEIDSMAATREGELEN ) VAN de bediening van het apparaat of als de infor- WAARSCHUWING matie op het beeldscherm niet duidelijk is, Pioneer raadt u af het navigatiesysteem zelf in te bouwen. Wij adviseren u om alleen be- voegd Pioneer onderhoudspersoneel, dat speciaal is opgeleid en ervaring heeft met mobiele elektronica, dit product te laten in- stellen en inbouwen. VOER NOOIT ZELF ON- DERHOUD UIT AAN DIT PRODUCT. Bij verkeerd inbouwen of onderhoud van dit pro- duct en de aansluitkabels bestaat de kans op een elektrische schok of een andere gevaar- lijke situatie, en kan het navigatiesysteem schade oplopen die niet onder de garantie valt.
Lees de handleiding zorgvuldig door voordat u het navigatiesysteem gaat inbouwen Bewaar de handleiding voor latere naslag in de toekomst. Neern alle waarschuwingsinformatie in acht en volg de instructies nauwkeurig op. Onder bepaalde omstandigheden kan dit navi gatiesysteem foutieve informatie op het scherm tonen betreffende de positie van uw auto, de afstand tot bepaalde plaatsen die u op het scherm ziet en de kompasrichting. Ook heeft het systeem een aantal beperkingen, zoals het ontbreken van informatie over een richtingswegen, tijdelike verkeersomieidingen en eventueel gevaarlijke routes. Uw eigen be: oordelingsvermogen heeft daarom te allen tijde voorrang op de informatie die het sys- teem geeft Evenals bij het gebruik van andere accessoi- res in uw auto dient u erop te letten dat het navigatiesysteem niet uw aandacht van de weg afleidt. Indien u moëilijkheden heeft bij
parkeer de auto dan op een veilige plaats langs de weg voordat u het probleem probeert op te lossen Tijdens het rijden dient u altijd de veiligheids- gordel te dragen. Bij een ongeluk is de kans op letsel aanzienlik groter als u de veiligheids- gordel niet draagt In sommige landen kan de wetgeving beper- kingen opleggen aan de plaatsing en het ge- bruik van navigatiesystemen in uw voertuig) Zorg ervoor dat bij de inbouw en de bediening van uw navigatiesysteem alle toepasselijke wetten en regels worden nageleefd. (=)
Hootdstuk (Aansluitingen Voorzorgen voor het aansluïiten van het systeem FIN BELANGRIJK +_ Indien u besluit de installatie zelf uit te voeren, een speciale opleiding heeft gehad en ervaring heeft met het inbouwen van mobiele elektronica, volg dan nauw- gezet alle stappen van de installatiehand- leiding. + Maak alle draden met kabelklemmen of isolatietape vast. Let er op dat er geen dra- den blootliggen. +_ Sluit de gele draad van dit product niet di- rect aan op de accu van de auto. AIs de draad direct is verbonden met de accu, kan de isolatie door de motortrillingen losraken op de plaats waar de draad van het interieur naar de motorruimte loopt. Als de isolatie van de gele draad door het contact met metalen delen scheurt, kan er kortsluiting ontstaan, hetgeen tot een zeer gevaarlijke situatie leidt. + Het is zeer gevaarlijk als de bedrading rond de stuurkolom, rond de versnellings- pook of andere bedieningsorganen vast komt te zitten. U moet dit product, de ka- bels en andere bedrading zo installeren dat deze het besturen van het voertuig niet verhinderen of belemmeren. + Zorg ervoor dat de kabels en draden zo worden geleid en bevestigd dat ze niet verstrikt raken in de bewegende onderde- len van de auto of deze niet hinderen. Dit geldt met name voor het stuur, de versnel- lingshendel, de handrem, de geleïings- rails voor de verstelbare stoelen, de portieren of een van de regelmechanis- men van het voertuig. + Laat de draden niet langs plaatsen lopen waar ze blootgesteld worden aan hoge temperaturen. Als de isolatie van de dra- den erg warm wordt, kunnen ze bescha- digd raken, waardoor er kortsluiting of een storing ontstaat en er mogelijk perma- nente beschadiging aan dit product op- treedt. Maak de GPS antennedraad niet korter en ook niet langer. Wijzigen van de antenne- draad kan resulteren in kortsluiting. Maak o0k geen enkele andere draad kor- ter. Wanneer dit gebeurt, is het mogelijk dat het beveiligingscircuit (zekeringhou- der, zekeringweerstand of filter) niet goed meer functioneert. Tap nooit stroom af van de stroomtoevoer- draad van het navigatiesysteem voor de voeding van andere elektronische appara- tuur. De stroomcapaciteit van de draad kan overschreden worden, met oververhit- ting tot gevolg. Het zwarte snoer is de aardverbinding. Dit snoer dient afzonderlijk van de aarding van producten met een hoog stroomver- bruik, zoals eindversterkers, te worden ge- aard, Aard niet meer dan één product samen met de aarding van een ander pro- duct. U dient bijvoorbeeld elke versterker- module afzonderlijk, los van de aarding van het navigatiesysteem te aarden. Door de aarding met elkaar te verbinden, kan er brand en/of schade aan producten ont- Stan als de massaverbinding losraakt. (") SpUel19PON CT)
Alvorens u dit product inbouwt +_ Dit product is bestemd voor inbouw in voer- tuigen met een negatief geaarde 12:volts accu. Controleer voor de installatie de ac- cuspanning van uw voertuig. + Om kortsiuiting te vermiden, dient u vooraf voor het installeren de negatieve (-) accu- kabel los te maken
69 Ÿ Voorkomen van bescha À WAARSCHUWING + Zorg ervoor dat u de zekering alleen ver- vangt door een zekering met de waarde die op het product staat aangegeven. + Wanneer u een stekker uittrekt, pak dan de stekker zelf vast. Trek niet aan de draad, want het is mogelijk dat u deze uit de stek- ker trekt. +_ Dit product kan niet worden geïnstalleerd in een voërtuig zonder ACC (Accessoire) stand op de contactschakelaar. ACC stand
Geen ACC stand + Om kortsuiting te voorkomen dient u de losgekoppelde draad af te dekken met iso- latieband. Het is met name van belang alle ongebruikte speakerdraden te isoleren. Wanneer deze onbedekt blijven, kan er kort- sluiting ontstaan + Sluit de stekkers met dezelfde kleur aan op de corresponderende gekleurde poor, dwz. de blauwe stekker op de blauwe poort, zwart op zwart, enz. +_Zie voor nadere informatie over het aanslui- ten van de eindversterker en andere toestel- len de gebruikershandleiding en voer de aansluiting vervolgens uit zoals hierin be- schreven. + Aangezien een uniek BPTL-circuit wordt ge- bruikt, mag de © zijde van de speaker- draad niet direct worden geaard en mogen de © zijden van de speakerdraden niet met elkaar worden verbonden. Zorg ervoor dat © zijde van de speakerdraad wordt verbon- den met de © zijde van de speakerdraad op het navigatiesysteem +_ Indien de RCA-aansluiting op dit product niet wordt gebruikt, dan mogen de dopjes die aan het einde van de aansluiting zijn bevestigd niet worden verwijderd + Sluit nooit speakers aan met een uitgangs- waarde van minder dan 50 W of een impe- dantiewaarde die buiten de specificatie van 4 ohm tot 8 ohm voor uw navigatiesysteem valt. Wanneer er luidsprekers worden aan- gesloten met andere uitgangs- en’of impe- dantiewaarden, kan dit tot gevolg hebben dat ze vlam vatten, beginnen te roken of be- schadigd raken Opmerking over de blauwe draad + Via de blauwe draad wordt er een signaal geproduceerd voor de bediening van de an- tenne van uw voertuig. De timing hangt mede af van de bijbehorende instelling. (Raadpleeg de “Bedieningshandieiding" voor meer gedetailleerde informatie over het wijzigen van de [Ant CTRL] stand.)
Hootdstuk (Aansluitingen ) Œ + Wanneer [Ant CTRL] ingesteld is op Bijgeleverde accessoires [Radio], kan de antenne van het voertuig opgeborgen of uitgeschakeld worden door de hieronder vermelde instructies te vol- gen — Wijzig de bron van radio (MW/LW of FM) naar een andere bron. — Zet de bron uit — Zet de contactschakelaar uit (ACC OFF) + Wanneer de [Ant CTRL] modus op [Aan] is ingesteld kan de antenne alleen ingeklapt of uitgezet worden wanneer de contact- De navigatie-senheid Stroomsnoer schakelaar is uitgezet (ACC OFF) + Verbind deze draad niet met de systeembe- dieningsaansluiting van externe eindver- F5 Vs sterkers. Stekker* Verlengsnoer + Gebruik deze draad in geen geval als de {voor achteruit-signaa) stroomdraad voor de automatische anten- ne of de antenne-signaalversterker. Een der- gelijke aansluiting kan leiden tot een te hoge stroom en daardoor tot storingen en Onderdelen met een sterretje (*) worden niet bij de AVIC-F710BT geleverd defecten. Verlengsnoer* GPS-antenne Opmerking over de blauw/ {voor snelheidssignaal) witte draad + Wanneer de contactschakelaar wordt aan- gezet (ACC ON), wordt er een regelsignaal uitgevoerd via de blauw/witte draad. Ver- bind de draad met een op afstand bediende regelklem van een extern gevoed versterker- systeem (max. 300 mA 12 V DC). Het regel- signaal wordt uitgevoerd via de blauwAwitte RCA-connector Microfoon draad, ook wanneer de audiobron is uitge- @ schakeld + Verbind deze draad niet met de bedienings- aansluiting van het relais voor de automati- sche antenne of de bedieningsaansluiting van de antenne-signaalversterker. + Gebruik deze draad in geen geval als de stroomdraad voor externe eindversterkers. Een dergelike aansluiting kan leiden tot een te hoge stroom en daardoor tot storin- gen en defecten. (=)
Systeemcomponenten aansluiten Groen COTL oue Ly — Antenneaansluiting LOT -m— Auto-antenne REMOTE INPUT Zie de handleiding voor de Adapters af-fabriek Stuurwielafstandbediening los verkrijgbaar) Rood, wit (AUDIO INPUT) — Wanneer u uw iPod aansluit, moeten bei worden gemaakt — Wanneer de iPod wordt aangesloten, moet [AVA Input] in [Instellingen AV] op [iPod] worden ingesteld. (Zie de Bedieningshandieïding" voor details.) jerbindingen USB-connector Sluit de interfacekabel voor de iPod of een geschikt USB-geheugenapparaat aan.
Hootdstuk (Aanslui ingen Microfoon _®. antenne (Ncrneanune + Teneinde het risico van ongelukken en de mogelijke schending van toepasselike wettelijke regels te voorkomen, mag dit product wanneer de auto rijdt uitsluitend voor navigatiedoeleinden worden gebruikt. Daarnaast mogen displays achter niet z6 geplaatst zijn dat ze een visuele afleiding vormen voor de bestuurder. - In sommige landen is het bekijken van beelden op een display in een voertuig, zelfs door andere personen dan de bestuurder, verboden. Indien dergelijke regels van toepassing zijn, dient men zich hieraan te houden en mag de videobron van dit product niet worden gebruikt. iPod met Dock Connector*2 Raadpleeg de Bedieningshandieiding voor meer informatie over de bediening en compatibilteit, Dock connector poort USBinterfacekabel voor de iPod (CD-IU230V) (los eerkrijgbaar) SpUel19PON
03) (Aansluitingen )
Het stroomsnoer aansluiten (1) A Opmerking 5 Opmerkingen Afhankelijk van het soort voertuig, kan de. Wanneer een subwoofer (*9) op dit functie van *3 en *5 afwijken. Sluit in dit geval navigatiesysteem is aangesloten in plaats van een *2 op *5 en *4 op *3 aan. achterluidspreker, moet u de achteruitgang-instelling veranderen in de Begininstellingen. (Zie de 1 — Bedieningshandieiding") De subwooferuitgang _ ms van dit navigatiesysteem is monaural » 5 Bij het gebruik van een subwoofer van 70 W (2 Q)
le moet u ervoor zorgen dat deze wordt aangesloten op de paarse en paars/zwarte draden van dit ès navigatiesysteem. Sluit niets aan op de groene en
- *4 groen/zwarte draden. NL Zorg ervoor dat de draden ! Dopie (1) die op elkaar worden
1 Wanneer dit aansluitount niet. —{ | aangesloten dezelfde l'wordt gebruikt, verwijder het | kleur hebben. 1 dopje dan niet Geel (2) 1 AAN/UTT.
! Ondersteuning Naar het aansluitpunt, staat altijd onder ! ! (of accessoire) stroom, onafhankelijk van de standvan | i het contactslot | l Co) > T ! Rood (*5) Rood (*4) i ! Accessoire Naar het elektrische aansluitpunt, 1! ! (ofondersteuning) bestuurd door het contactslot (12VDC) | 1 i Oranje/wit Naar de aansluiting van de lichtschakelaar. Zwart (aarding) Naar de (metalen) carrosserie van het voertuig. ISO-stekker Geel/zwart | Indien het voertuig een onderdrukkingssignaal naar deze Luidsprekerdraden terminal kan sturen, dan kan de onderdrukkingsfunctie w linksvoor ® op dit navigatiesysteem worden geactiveerd wanneer de Wit/zwart: linksvoor © terminal op *8 is aangesloten rechtsvoor ® rechtsvoor À Opmerking linksachter@ of subwoofer © In sommige voertuigen bestaat de ISO-stekker uit twee Groen/awart: linksachter © of subwoofer © aansluitingen, zorg ervoor dat met beide verbinding Paars: rechtsachter @ of subwoofe: wordt gemaakt Paars/zwart: rechtsachter © of subwoofer © (*9)
Hootdstuk (Aanslui ingen De navigatie-eenheid
[—— ZEKERING (104) Geel/zwart Wanneer u een apparaat met e4 op het Audio Mute-snoer. Is dit ni Mute-snoer. 02 ormerking De audiobron wordt op mute of zacht gezet, terwijl de volgende geluiden niet worden gedempt of verzwakt. Zie de “Bedieningshandleiding" voor details. stembegeleiding van de navigatie inkomende beltoon en inkomende stem van de mobiele telefoon die via Bluetooth draadloze technologie op dit navigatiesysteem zijn aangesloten nctie gebruikt, dient u deze aan te sluiten geval, sluit dan niets aan op het Audio 02 ormerning Deze antenne wordt automatisch ingeklapt maar de timing is afhankelijk van de instelling. Blauw (*7) Naar de regelklem van het autoantennerelais {max. 300 mA 12 V DC) SpUel19PON Afhankelijk van het type voertuig verschilt de penstand van de ISO-stekker. Sluit *6 en *7 aan wanneer pen 5 voor de besturing van de antenne wordt gebruikt. Bij andere typen voertuigen mogen *6 en *7 nooit worden aangesloten.
Het stroomsnoer aansluiten (2) 1 snelheidsdete Roze (CAR SPEED SIGNAL INPUT) Deze verbinding is niet nodig voor de AVIC-FT10BT. Via deze draad wordt het rijsnelheidssignaal aan het navigatiesysteern doorgegeven. U dient de draad te verbinden met het snelheidsdetectiecireuit van het voertuig. Indien deze verbinding niet wordt gemaakt, bestaat er een grotere kans dat de voertuigpositie foutief op het scherm wordt aangegeven. Motormanagement Stekke A unarscnumne EEN ONJUISTE AANSLUITING KAN ERNSTIGE SCHADE OF ERNSTIG LETSEL, MET INBEGRIP VAN EEN ELEKTRISCHE SCHOK, TOT GEVOLG HEBBEN. BOVENDIEN KAN EEN ONJUISTE AANSLUITING LEIDEN TOT EEN VERSTOORDE TR WERKING VAN HET ANTIBLOKKEERSYSTEEM, DE AUTOMATISCHE TRANSMISSIE OF DE INDICATIE VAN DE SNELHEIDSMETER. Laat het verlengsnoer
1 en de draad van het 1 snelheidsdetectiecircuit À BELANGRIJK
À de doteelE ie | Hot wordt ten stelligste aanbevolen de snelheidspulskabel aan te , sluiten voor een nauwkeurige navigatie en optimale prestatie. LELSIEL È dicht | | barkeerremschakelaar variëren afhankelijk van het voertuigmodel. Win advies in bij uw erkende Pioneer-dealer of een vakkundige installateur. Sluit het dekseltje:
Maak de 4 ï CEE tn | MED opens mel een De positie van het snelheidsdetectiecircuit en de positie van de 1
Lichtgroen Via deze draad wordt de stand van de handrem (aangetrokken/ontspannen) aan het autonavigatiesysteem doorgegeven. De draad moet verbonden worden met de Sstroomaansluiting van de handremschakelaar. Als deze verbinding verkeerd wordt gemaakt of niet wordt gemaakt, zullen sommige functies van het navigatiesysteem niet werken. À waarscumne DE LICHTGROENE DRAAD OP DE STROOMSTEKKER IS. BESTEMD VOOR HET DETECTEREN VAN DE PARKEERSTATUS
SX Mack de stekkerhelften met een kabeltang dicht Stroomdraad Mass azijde
Hootdstuk (Aanslui ingen Verlengsnoer De navigatie-eenheid {oor snelheidssignaal)
Stroomsnoer Deze verbinding is niet nodig 17 voor de AVIC-FT10BT. | Paars/Wit (REVERSEGEAR SIGNAL INPUT) ( Via deze draad wordt aan het navigatiesysteem doorgegeven of de auto vooruit of achteruit rijdt. U dient de paars/witte draad te verbinden met de draad waarvan de spanning verandert wanneer de schakelhendel in de achteruit wordt gezet. Als de sensor niet is aangesloten, kan deze wellicht niet goed waamemen of uw voertuig voor- of achteruit rijdt. De positie van uw voertuig zoals waargenomen door de sensor kan in dit geval afwijken van de actuele positie. Aansluitmethode A Opmerking Klem de draad van het achteruitrilicht in de stekker vast
Maak de stekkerhelften met een kabeltang dicht Wanneer u een achteruitkijcamera gebruikt, zorg er dan voor dat deze kabel is aangesloten. El | Anders kunt u niet overschakelen op het beeld van de achteruitkijkcamera: À BELANGRIJK Gebruik alleen het meegeleverde verlengsnoer. Het gebruik van een ander verlengsnoer kan leiden tot brand, rook en/of beschadiging van dit navigatiesysteem. | Zekeringweerstand Draad van achteruitrilicht Verlengsnoer 5m (voor achteruit-signaal) SpUel19PON Kijk waar het achteruitrijicht van branden wanneer de schakelhendel in de achteruit [R] wordt gezet) en 2oek de draad van het achteruitrijlicht in de kofferruimte. a
03) (Aansluitingen )
Voor aansluiting op een los verkrijgbare eindversterker L jen connector
Hootdstuk (Aanslui ingen Eindversterker Ce (los verkrijgbaar) RCA-kabels (los verkrijgbaar) Eindversterker {los verkrijgbaar)
Eindversterker los verkrijgbaan) Links Rechts Voorluidspreker Voorluidspreker Achterluidk Subwoof Subwoofer Dore Afhankelijk van uw subwoofersysteem kunt u de RCA-uitgang van de subwoofer veranderen. (Zie de “Bedieningshandleiding".)
Bij aansluiting van een achteruitkijkcamera Wanneer dit product wordt gebruikt met een achteruitkijkcamera, kan er automatisch wor- den overgeschakeld naar het beeld van die ca- mera wanneer de versnelling in de ACHTERUIT (R). De Achteruitkijk stand stelt u ook in staat te controleren wat er achter u gebeurt terwijl u aan het rijden bent À WAARSCHUWING
A BELANGRIJK Het beeld op het scherm kan omgekeerd wor- den weergegeven: + De achteruitkikcamera is een hulpmiddel om eventuele aanhangwagens of opleggers in de gaten te houden of om op een Hleine plaats in te parkeren. Gebruik deze functie niet voor amusementsdoeleinden: + Het voonwerp dat met de achteruitkijkcamera wordt bekeken, kan dichterbij of verder weg lij- ken dan in werkelijkheïd het geval is. + Houd er rekening mee dat de randen van de beelden die door de achteruitkikcamera wor den vastgelegd, enigszins afwijkend kunnen zijn, afhankelik van het feit of er volledige schermbeelden worden weergegeven tiidens het achteruitrijden, en of de beelden worden gebruikt om de achterkant te controleren wan- neer de auto vooruit rijdt. À BELANGRIJK Gebruik uitsluitend het meegeleverde ver- lengsnoer. Gebruik van een andere kabel kan tot brand, rook en/of schade aan dit naviga- tiesysteem leiden. ‘Acheruitkijkcamera (bi: ND-BC2) dos verkrijgbaan | Near video-uitgang RCA-kabels an | (REAR VIEW CAMERA IN) RCA-connector Paars/ait Stroomshoer =rQ) De navigatie-eenheid
Voor meer details omtrent de bedrading verwijzen we u naar Het stroomsnoer aansluiten (2) op bladzijde 152. Verlengsnoer (voor achteruitsignaal) Zekeringweerstand 772 ormerkingen + _ De [Camera achter] in [Systeeminstellin- gen] moet op [Aan] worden ingesteld wan- neer de achteruitkikcamera wordt aangesloten. (Zie de “Bedieningshandiei- ding' voor meer details.) + Aansluiten op de achteruitkikcamera. Niet aansluiten op andere apparatuur.
Hootdstuk (Aansluitingen Tijdens het aansluiten van het achterdisplay Deze verbinding is niet nodig voor de AVIC- FT10BT. ie-eenheid D, 0m = Evo = RCA-connector RCA kabels {los verkrijgbaan) De navig, Naar video-ingang
Achterdisplay met RCA ingangsaansluitingen Tijdens het gebruik van een achterdisplay dat op de achtervideo-uitgang is aangesloten WAARSCHUWING Plaats het achterdisplay NOOIT zo dat de be- stuurder de videobron kan bekijken tijdens het rijden. De achtervidec-uitgang van dit navigatiesysteem is voor de aansluiting van een display zodat de passagiers op de achterbank de viceobron kun nen bekijken. (=) Bij de aansluiting van een extern videocomponent Gebruik van de “AV1 Input” (AV1) Rood, wit AUDIO INPUT) RCAkabels (los verkrijgbaar) Naar audio-uitgangen y v+ Extern videocomponent (los verkrijgbaar) +_ De [AV1 Input] in [Instellingen AV] moet op [Video] worden ingesteld wanneer de externe videocomponent wordt aangeslo- ten. (Zie de “Bedieningshandieiding” voor meer details.) SpUel19PON ni (57)
Gebruik van de “AV2 Input” (AV2) De navigatie-eenheid 1°] CD-RM10 {los verkri )
RCA-kabels os verkrijgbaar) Near video-uitgang Naar D'udio-uitgangen
Extern videocomponent (los verkrijgbaar) +_ De [AV2 Input] in [Instellingen AV] moet op [Video] worden ingesteld wanneer de externe videocomponent wordt aangeslo- ten. (Zie de “Bedieningshandieiding” voor meer details.) PIN BELANGRIJK Zorg dat u verbinding maakt met een CD-RM10 {los verkrijgbaan. Wanneer u andere kabels ge- bruikt ontstaat de kans op foutieve aansluitingen en verstoord beeld of geluid OK | O L nkeraudio (Wit) IS IS R: Rechteraudio (Rod) V: Video (Geel) VGR] RG V]G: Aarding (O]
Hootdstuk (Inbouwen Voorzorgen voor installatie FIN BELANGRIJK +_ Installeer dit product nooit op plaatsen waar, of op een manier waardoor: — Het letsel kan toebrengen aan de be- stuurder of de passagiers wanneer plotseling hard geremd wordt. — Het een belemmering kan vormen voor de bediening van het voertuig door de bestuurder, zoals op de vloer voor de stoel van de bestuurder, of dichtbij het stuur of de versnellingshendel. + Controleer of er niets achter het dash- board of de panelen zit wanneer u hierin gaten gaat boren. Let erop dat u geen brandstofleidingen, remleidingen, elektro- nische componenten, communicatiedra- den of voedingskabels beschadigt. + Wanneer u schroeven gebruikt, let er dan op dat deze niet in contact komen met de elektrische bedrading. Door de trilling kunnen isolatiedraden beschadigd raken, met als gevolg kortsluiting of anderssoor- tige beschadigingen aan het voertuig. + Gebruik de bijgeleverde onderdelen op de voorgeschreven wijze, zodat dit product juist wordt ingebouwd. Indien u andere onderdelen gebruikt, kunt u beschadigin- gen aan het product veroorzaken of het product kan losraken. + Het is zeer gevaarlijk als de bedrading rond de stuurkolom, rond de versnellings- pook of andere bedieningsorganen vast komt te zitten. U moet dit product, de ka- bels en andere bedrading zo installeren dat deze het besturen van het voertuig niet verhinderen of belemmeren. + Zorg ervoor dat de draden niet loshangen en geraakt kunnen worden door een por- tier of stoelverschuivingsmechanisme, met eventueel kortsluiting tot gevolg. + Controleer nadat u het navigatiesysteem heeft ingebouwd of de andere apparatuur in uw auto naar behoren werkt. + De wetgeving van sommige landen kan beperkingen opleggen aan de plaatsing en het gebruik van navigatiesystemen in uw voertuig of dit zelfs verbieden. Zorg er- voor dat bij het gebruik, de inbouw en de bediening van uw navigatiesysteem alle toepasselijke wetten en regels worden na- geleetd. + Bouw dit navigatiesysteem niet in op plaatsen waar het (i) het zicht van de be- stuurder kan hinderen, (ii) de werking van een van de bedieningssystemen of ve heidsvoorzieningen van de auto, inclusief airbags en knoppen van waarschuwings- knipperlichten nadelig kan beïnvloeden of ii) een belemmering kan vormen voor het vermogen van de bestuurder om het voertuig veilig te bedienen. + Bouw het navigatiesysteem in tussen de stoel van de bestuurder en de stoel van de voorste inzittende, zodat het niet wordt geraakt door de bestuurder of inzittende als het voertuig abrupt afremt. +_Installeer het navigatiesysteem in geen geval voor of naast plekken in het dash- board, portier of de stijlen van het voer- tuig waar een airbag zich kan ontplooïen. Raadpleeg het instructieboekje van uw voertuig voor meer informatie omtrent de plekken waar de airbags zich bevinden en hoe zij zich zullen ontplooien. +_Installeer het navigatiesysteem niet op een plek waar het de werking van een van de voertuigsystemen, inclusief airbags en hoofdsteunen, kan hinderen.(»] Voorkomen van elektromagnetische storingen Om storingen te voorkomen moeten de vol- gende voorwerpen 20 ver mogelijk van dit navi- gatiesysteem alsmede andere kabels en draden worden geplaatst: +_TVantenne en antennekabel +_ FM, MG/LG-antenne met de kabel + GPS-antenne met de kabe SpUel19PON (159)
Daarnaast dient u elke antennedraad zover mogelijk van de andere antennedraden te leg- gen. Bind de draden niet samen, leg ze niet naast elkaar en laat ze elkaar niet kruisen Door de elektromagnetische ruis die daardoor ontstaat, wordt de kans op fouten op de plaats waar het display bevestigd is vergroot. (#) Voor de installatie + Raadpleeg uw dichtstbijzinde dealer als het voor het installeren van dit product nodig blijkt gaten te boren of andere wijzi- gingen aan te brengen aan de auto. + Voordat u het apparaat definitief installeert, is het raadzaam tijdelijk alle aansluitingen 4e maken om te kijken of deze correct ziin en alles naar behoren functioneert. (») Dit navigatiesysteem inbouwen Opmerkingen betreffende het inbouwen +_Installeer dit navigatiesysteem niet op plaatsen waar ze kunnen worden blootge- steld aan hoge temperaturen of vocht, zoals — Dichtbij een radiator, luchtopening of airconditioningapparaat — Op plaatsen blootgesteld aan direct zon- licht, zoals op het dashboard — Op plaatsen waar water op het apparaat terecht kan komen, zoals dicht in de buurt van een portier. Installeer dit navigatiesysteem op een plek die stevig genceg is om het gewicht van het product te dragen. Kies een plaats waar dit navigatiesysteem stevig kan worden ge- installeerd en zorg voor een veilige bevesti- ging. De actuele locatie van het voertuig kan alleen correct worden weergegeven wanneer het navigatiesysteem goed beves- tigd is. +_Installeer de navigatie-eenheid op een hori- zontaal opperviak binnen een hoek van 0 graden tot 30 graden (binnen 10 graden naar links of rechts). Een verkeerde installa- tie van het apparaat waarbij het oppervlak meer dan het toegestane aantal graden ge- kanteld is, verhoogt het risico op fouten in het locatiedisplay en leidt tot minder goede prestaties van het display. 30° Om verzekerd te kunnen zijn van voldoende ventilatie bij gebruik van dit toestel, dient u er bij de installatie voor te zorgen dat u ach- ter het achterpaneel en rondom het toestel voldoende ruimte vrij laat, en dient u even- tuele losse bedrading samen te bundelen zodat deze de ventilatie-openingen niet kan blokkeren. Laat voldoende ruimte Dashboard vri \ 5CM
Hootdstuk Ç Inbouwen + De snoeren mogen het in onderstaande Bijgeleverde accessoires Fig. weergegeven gebied niet bedekken, an- "De met een asterisk (*) gemarkeerde onderde- ders kunnen de versterkers en het naviga- len zin reeds geinstalleerd tiemechanisme mogelijk oververhit raken Bedek dit gebied niet. Ingeval van oververhitting wordt de halfge- leider laser beschadigd. Bouw de navigatie- eenheid daarom niet in op een plaats waar deze te warm kan worden, bijvoorbeeld naast een radiator. Zibeugels* Drukkingsschroef @st) 6 mm x 6 mm) (Bst) P © Schroef met platte kop Schroef* Gmm x 6mm) (st) (8 mm x 6mm) (Bst) Schroef voor het beves- Sierring tigen van de zijbeugel* {6 mm x 6 mm) (4st.)
Véér het installeren van dit navigatie-eenheid © Verwijder de houder. Draai de schroeven (3 mm x 6 mm) los om de houder te verwijderen: Houder Schroef (3 mm x 6 mm) Installatie met de houder en zijbeugel 1 _ Installeer de houder in het dashboard. Nadat u de houder in het dashboard hebt ge- plaatst, kiest u de juiste lipjes voor de dikte van het dashboärdmäteriaal en buigt u deze om. (Zo stevig mogelijk bevestigen met ge- bruik van de boven- en onderlipjes. Buig de lip- jes 90 graden om het navigatie-eenheid te vergrendelen.) Dashboard Houder G62) m 2 Installeer dit navigatie-eenheid en draai de schroeven vast. Dashboard Schroef (3 mm x 6 mm) 3 Bevestig de sierring. Sierring
Hootdstuk Ç Inbouwen Installatie met gebruik van de schroefgaten aan de zijkant van het navigatie-eenheid 1 Verwijder de zijbeugels. Zibeugel oef voor het bevestigen van de zijbeuge 6 X 6 mm) 2 De navigatie-eenheid op de montage- plaatjes van de orignele autoradio vastzet- ten. Positioneer het navigatie-eenheid zodanig dat zijn schroefgaten op een lijn liggen (passen) met de schroefgaten van de beugel, en draai de schroeven op 8 of 4 plaatsen aan elke kant vast. Buïg het palletje naar beneden indien het in de weg zit montageplaatjes van de orignele autoradio Drukking, of schroeven met een platte kop Zorg ervoor dat u de schroeven geleverd met dit navigatie: gebruikt console Dashboard ot
Bevestigen van de GPS- antenne PIN BELANGRIJK Maak de GPS antennedraad niet korter en ook niet langer. Wijzigingen aan de antenne- kabel kunnen leiden tot kortsluiting of storin- gen en permanente schade aan het navigatiesysteem. Opmerkingen betreffende het +_ De antenne dient op een zo horizontal mo- gelik opperviak te worden bevestigd, op een plaats waar de ontvangst van de radio- golven zo min mogelik wordt gehinderd De antenne kan de radiogolven van de sa- telliet alleen ontvangen als er geen obsta- kel tussen de antenne en de satelliet is Dashboard Hoedenplank Indien u de GPS-antenne binnen in de auto aanbrengt, gebruik dan het metalen plaatje dat bij het systeem wordt geleverd. Als dit plaatje niet gebruikt wordt, zal de ont- vangstgevoeligheid onbevredigend zijn Maak het bijgeleverde metalen plaatje niet Kleiner, aangezien dit resulteert in een la- gere gevoeligheid van de GPS-antenne. Trek niet aan de antennedraad wanneer u de GPS-antenne wilt venwijderen. De mag- neet van de antenne is erg krachtig en u zou de draad kunnen lostrekken van de an- tenne. Verf de GPS-antenne niet, aangezien dit de prestatie van de antenne beïnvloedt Bijgeleverde accessoires Ÿ = GPS-antenne Metalen plaatje
Ç nbouwen Hootdstuk Bevestigen van de antenne binnen in de auto (op het dashboard of de hoedenplank) À waarscHuwine Installeer de GPS-antenne niet over andere sensoren of de ventilatie-openingen in het dashboard van het voertuig, want hierdoor kan de juiste werking van de sensoren of ventilatie-openingen belemmerd worden en is het ook mogelijk dat de GPS-antenne niet goed meer met de metalen plaat onderaan correct en stevig op het dashboard bevestigd kan worden. Bevestig het metalen plaatie op een zo hori- zontaal mogelijke ondergrond op een plaats waar de GPS-antenne de golven door de ruit kan ontvangen. Plaats de GPS-antenne op het metalen plaatje. (De GPS-antenne heeft een magneet aan de onderzijde.) Metalen plaatie Verwijder het bes mvel aan plaatie. GPS-antenne Zorg dat het opperviak plaatje sen Opmerking Het metalen plaatie bevat een sterk keefmiddel, dat na verwifdering sporen op het opperviak kan achterlaten Klemmen bruik los verkrijgbare klemmen om de draad waar nodig binnenin de auto
72 opmerkingen Let er bij het aanbrengen van het metalen plaatje op dat het niet in keine onderdelen wordt gesneden. De ruiten van sommige auto's laten de sig- nalen van de GPS-satellieten niet door In dat geval dient u de GPS-antenne aan de buitenzijde van de auto te bevestigen. De microfoon installeren Installeer de microfoon in de juiste richting en op de juiste afstand zodat de microfoon gemakkelijk de stem van de bestuurder kan opvangen. Sluit de microfoon aan op het navigatiesys- teem nadat het systeem is uitgezet. (ACC OFF) Ψ Bijgeleverde accessoires Microfoonklem Microfoon
Dubbelzidig tape Montage op de zonneklep 1 Plaats de microfoon in de microfoon- klem. Microfoonklem Microfoon
Hootdstuk Ç Inbouwen 2 Bevestig de microfoonklem aan de zon- Installatie op stuurkolom neklep. : : : P 1 Plaats de microfoon in de microfoon- Microfoonklem klem. Microfoonklem Microfoon Schuif het microfoonsnoer in de groef. 2 Bevestig de microfoonklem op de stuur- kolom. Dubbelzidig tape Kiemmen Gebruik los verkrijgbare klemmen om de draad waar nodig binnenin de auto te bevestigen. Plaats de microfoon in de zonneklep terwijl de klep omhoog staat. De microfoon kan de stem van de bestuurder niet opvangen wanneer de zonneklep naar beneden is geklapt. Plaats de microfoonklem op de stuurkolom en houd hem uit de buurt van het stuunwiel
Hoofdstuk Kiemmen Gebruik los verkrijgbare klemmen om de draad waar nodig binnenin de auto te bevestigen. De hoek van de microfoon aanpassen De hoek van de microfoon kan worden inge- steld.
(Na installatie Hootdstuk Na het inbouwen van dit navigatiesysteem 1 Sluit de accu aan. Controleer nogmaals of alle aansluitingen op de juiste wijze zijn gemaakt en dit product cor- rect is ingebouwd. Monteer de auto-onderde- len die u bij het inbouwen van het apparaat heeft verwijderd. Sluit tot slot de massakabel () weer op de massapool (-) van de accu aan. 2 Start de motor. 3 Druk op de RESET toets. Druk met een spits voorwerp, zoals de punt van een pen, op de RESET toets van het navi- gatiesysteem. 4 Maak de volgende instellingen: 2 Zie de “Bedieningshandieiding" voor meer details over de bediening) 1 Stel de taal in 2 Rijd over een normale weg totdat de GPS het signal begint te ontvangen 3 Maak enkele vereiste instellingen +_Instelling van de tijd +_Instelling van de eenheden en het da- tumformaat enz. + Verander de andere instellingen naar wens Opmerking Na installatie van dit navigatiesysteem dient u op een veilige plaats te controleren of het voertuig normaal functioneert
Notice-Facile