AVIC-HD3 - Autonavigatiesysteem PIONEER - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis AVIC-HD3 PIONEER in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Autonavigatiesysteem in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding AVIC-HD3 - PIONEER en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. AVIC-HD3 van het merk PIONEER.
GEBRUIKSAANWIJZING AVIC-HD3 PIONEER
In deze handleiding wordt de inbouw van het navigatiesysteem in uw auto beschreven. De bediening van het navigatiesysteem wordt beschreven in de afzonderlijke Bedieningshandieiding of Hardwarehandleiding die bij het navigatiesysteem wordt geleverd. Zorg dat u deze handleidingen goed doorleest voordat u het navigatiesy teem gaat gebruiken. LEES DEZE INFORMATIE BETREFFENDE UW NAVIGATIESYSTEEM ZORGVULDIG DOOR EN BEWAAR DE INFORMATIE VOOR EVENTUELE NASLAG WAARSCHUWING Probeer het navigatiesysteem niet zelf in te bouwen of onderhoud aan het systeem te verrichten. Inbouw en onderhoud van elektronische apparatuur en auto-accessoires door personen die niet de vereiste vakopleiding en ervaring hebben in dit soort werkzaamheden, kunnen resulteren in een elektrische schok of een andere gevaar- lijke situatie.
1. Lees de handieiding zorgvuldig door voordat u het navigatiesysteem gaat inbouwen.
2. Bewaar de handleiding voor eventuele naslag in de toekomst.
3. Neem alle waarschuwingsinformatie in acht en volg de instructies nauwkeurig op.
4. Onder bepaalde omstandigheden kan dit navigatiesysteem foutieve informatie op het scherm tonen
betreffende de positie van uw auto, de afstand tot bepaalde plaatsen die u op het scherm ziet en de Kompasrichting. Ook heeft het systeem een aantal beperkingen, zoals het ontbreken van informatie over eenrichtingswegen, tijdelike verkeersomleidingen en eventueel gevaarlijke routes. Uw eigen beoordelingsvermogen heeft daarom te allen tijde voorrang boven de informatie die het systeem geeft
5. Evenals bij het gebruik van andere accessoires in uw auto dient u erop te letten dat het navigatiesys-
teem niet uw aandacht van de weg afleidt. Indien u moeilikheden heeft bij de bediening van het appa- raat of als de informatie op het beeldscherm niet duidelijk is, parkeer de auto dan op een veilige plaats langs de weg voordat u het probleem probeert op te lossen.
6. Tijdens het rijden dient u altijd de veiligheidsgordel te dragen. Bij een ongeluk is de kans op letsel
aanzienlijk groter als u de veiligheidsgordel niet draagt
7. In sommige landen kan de wetgeving beperkingen opleggen aan de plaatsing en het gebruik van navi-
gatiesystemen in uw voertuig. Zorg ervoor dat bij de inbouw en de bediening van uw navigatiesys- teem alle toepasselijke wetten en regels worden nageleefd.
Belangrijke Veiligheidsvoorschriften ..1 OVER DEZE HANDLEIDING . .
NASLAG … Aansluitingen . Alvorens u dit navigatiesysteem inbouwt Voorkomen van beschadigingen … Bijgeleverde accessoires Systeemcomponenten aansluiten Het stroomsnoer aansluiten (1) Het stroomsnoer aansluiten (2) Voor aansluiting op een los verkrijgbare eindversterker . Bij aansluiting van een achteruitkijkcamera … 15 Bij aansluiting van een externe videocomponent
Bij aans videobron … 16 Bij aansluiting van het achterdisplay 17 © Tijdens het gebruik van een achterdisplay dat op de achter video-uitgang is aangesloten Inbouwen . 18 Voorkomen van elektromagnetische storingen
Voor de installatie 19 Dit navigatiesysteem inbouven 20 © Opmerkingen betreffende het inbouwen © Bijgeleverde accessoires © V6ôr het installeren van dit navigatie-eenheid © Installatie met de houder en zijbeugel © Installatie met gebruikmaking van de schroefgaten aan de zijkanten van de navigatie-cenheid Bevestigen van de GPS-antenne 24 © Opmerkingen betreffende het bevestigen e Bijgeleverde © Bevestigen van de antenne binnen in de auto (op de hoedenplank) © Bevestigen van de antenne aan de buitenzijde van de auto (op de carrosserie) De microfoon installeren 27 © Bijgeleverde accessoires © Montage op de zonneklep © Installatie op stuurkolom De microfoonhoek afstellen 28 cessoires Na het inbouwen van dit navigatiesysteem
ZÀ\ WAARSCHUWING Pioneer raadt u af het navigatiesysteem zelf in te bouwen. Wij adviseren u om alleen bevoegd Pioneer onderhoudspersoneel, dat speciaal is opgeleid en ervaring heeft met mobiele elektronica, dit navigatiesysteem te laten instellen en inbouwen. VOER NOOIT ZELF ONDERHOUD UIT AAN DIT NAVIGATIESYSTEEM. Bij verkeerd inbouwen of onderhoud van dit navigatiesysteem en de aansluitkabels bestaat de kans op een elektrische schok of een andere gevaarlijke situatie, en kan het navigatiesysteem schade oplopen die niet onder de garantie val. À BELANGRIJK Indien u besluit de installatie zelf uit te voeren, een speciale opleiding heeft gehad en ervaring heeft met het inbouwen van mobiele elektronica, volg dan nauwgezet alle stappen van de installatiehandleiding. Maak alle draden met kabelklemmen of isolatietape vast. Let er tevens op dat er geen draden blootliggen. Sluit de gele draad van dit navigatiesysteem niet direct aan op de accu van de auto. Als de draad direct is verbonden met de accu, kan de isolatie door de motortrillingen losraken op de plaats waar de draad van het interieur naar de motorruimte loopt. Als de isolatie van de gele draad door het contact met metalen delen scheurt, kan er kortsluiting ontstaan, hetgeen tot een zeer gevaarlijke situatie leidt. Wanneer de GPS antennedraad of de microfoondraad zich rond de stuurkolom of de versnellingspook wikkelt, ontstaat een bijzonder gevaar- lijke situatie. Zorg ervoor dat dit navigatiesysteem, de kabels en de bedrad- ing op zo’n manier worden aangebracht dat ze geen belemmering vormen tijdens het rijden. Zorg ervoor dat de kabels en draden zo worden geleid en bevestigd dat ze niet verstrikt raken in de bewegende onderdelen van de auto of deze niet hin- deren. Dit geldt met name voor het stuur, de versnellingspook, de handrem, de geleidingsrails voor de verstelbare stoelen, de portieren of een van de regelmechanismen van het voertuig.
Laat de draden niet langs plaatsen lopen waar ze blootgesteld worden aan hoge temperaturen. Als de isolatie van de draden erg warm wordt, kunnen ze beschadigd raken, waardoor er kortsluiting of een storing ontstaat en er mogelijk permanente beschadiging aan dit navigatiesysteem optreedt. Maak de GPS antennedraad niet korter en 00k niet langer. Wijzigen van de antennedraad kan resulteren in kortsluiting. Maak 00k geen enkele andere draad korter. Wanneer dit gebeurt, is het mogelijk dat het beveiligingscircuit (zekeringhouder, zekeringweerstand of filter) niet goed meer functioneert. Tap nooit stroom af van de stroomtoevoerdraad van het navigatiesysteem voor de voeding van andere elektronische apparatuur. De stroomcapaciteit van de draad kan overschreden worden, met oververhitting tot gevolg. Het zwarte snoer is de aardverbinding. Dit snoer dient afzonderlijk van de aarde van producten met een hoog stroomverbruik, zoals eindversterkers, te worden geaard. Aard niet meer dan één product samen met de aarde van een ander product. U dient bijvoorbeeld elke versterkermodule afzonderlijk, los van de aarde van het navigatiesysteem te aarden. Door de aarde met elkaar te verbinden, kan er brand en/of schade aan producten ontstaan als de mas- saverbinding losraakt. Alvorens u dit navigatiesysteem inbouwt + Dit navigatiesysteem is bestemd voor inbouw in voertuigen met een negatief geaarde 12-volts accu. Controleer voor de installatie de accuspanning van uw voertuig. + Om kortsluiting te vermijden, dient u vooral voor het installeren de negatieve F (-) accukabel los te maken. S
gen Voorkomen van beschadigingen Wanneer u een stekker lostrekt, pak dan de stekker zelf vast. Trek niet aan de draad, want het is mogelijk dat u deze uit de stekker trekt. Dit navigatiesysteem kan niet in een voertuig worden ingebouwd dat geen ACC (acces- soire) stand op het contactslot heeft. ACC stand Geen ACC stand Wanneer de “Auto ANT” modus op “Radio” is ingesteld, kan de antenne van de auto worden ingeklapt of uitgezet door de hieronderstaande instructies op te volgen. — Zet de radiobron (AM of FM) op een andere bron — Zet de bron uit — Zet de contactschakelaar uit (ACC OFF) Wanneer de “Auto ANT” modus op “Powei ngesteld, kan de antenne alleen ingeklapt of uitgezet worden wanneer de contactschakelaar is uitgezet (ACC OFF). Zorg dat u bij het vervangen van de zekering alleen een zekering gebruikt met de waarde die op de zekeringhouder wordt aangeven. Om kortsluiting te voorkomen dient u de losgekoppelde draad af te dekken met iso- latieband. Isoleer sowieso alle ongebruikte speakerdraden. Ongeïsoleerde draden kunnen leiden tot kortsluiting. Sluit de stekkers met dezelfde kleur aan op de corresponderende gekleurde poort, d.w.z. de blauwe stekker op de blauwe poort, zwart op zwart, enz. Zie voor nadere informatie over het aansluiten van de eindversterker en andere toestellen de gebruikershandleiding en voer de aansluiting vervolgens uit zoals hierin beschreven. Aangezien een uniek BPTL circuit wordt gebruikt, mag de © zijde van de speakerdraad niet direct worden geaard en mogen de © zijden van de speakerdraden niet met elkaar worden verbonden. Zorg ervoor dat © zijde van de speakerdraad wordt verbonden met de © zijde van de speakerdraad op het navigatiesysteem. Als de RCA aansluiting op dit navigatiesysteem niet wordt gebruikt, verwijder dan niet de dopjes die aan het einde van de aansluiting zijn bevestigd. Speakers die op dit navigatiesysteem worden aangesloten, moeten een minimum uit- gangswaarde hebben van 50W en een impedantiewaarde tussen 4 en 8 ohm. Het aansluiten van luidsprekers met andere uitgangs- en/of impedantiewaarden kan tot gevolg hebben dat de speakers vlam vatten, beginnen te roken of beschadigd raken. Wanneer de contactschakelaar wordt aangezet (ACC AAN), wordt er een regelsignaal uit- gevoerd via de blauw/witte draad. Verbind de draad met een op afstand bediende regelklem van een extern gevoed versterkersysteem (max. 300 mA 12 V DC). Het regelsignaal wordt uitgevoerd via de blauw/witte draad, ook wanneer de audiobron is uitgeschakeld. Wanneer er in combinatie met dit systeem een externe versterker wordt gebruikt, zorg er dan voor dat de blauwe draad niet wordt verbonden met de aansluiting van de versterker. De blauw draad mag evenmin worden aangesloten op de stroomklem van de auto- antenne. Een dergelijke verbinding kan een excessieve stroomafname tot gevolg hebben, Waardoor het apparaat slecht functioneert. Daarnaast kan de auto-antenne van het voer- tuig beschadigd raken.
Bijgeleverde accessoires De navigatie-eenheid Stroomsnoer Stekker <# Zie bladzijde 9, 11, 15>
Verlengsnoer GPS-antenne {voor snelheidssignaal) RCA connector 1 RCA connector 2 Microfoon (CONNECTOR 1) (CONNECTOR 2) <u& Zie bladzijde 10, 13,16> <tæ Zie bladzijde 7, 12, 15, 17> spue12peN
ansluitingen Systeemcomponenten aansluiten GPS-antenne
Lichtgrijs Niet gebruikt EXTENSION Blauw Niet gebruikt.
AV-BUS-kabel {meegeleverd bij de TV tuner) cl ET Verborgen TV tuner [M Frs | (bijv. GEX-P5700TVP) M STAND ALONE Pa (ronde verkigbaan û 5 océe) Zwart IP-BUS kabel everd bij de TV tuner) poort Niet gebruikt Lis Blauw Microfoon RCA connector 2 —@ Plug voor de adapters van de Aangesloten Afstandsbediening (WIRED REMOTE INPUT) Zie de handleiding van de adapters voor de Aangesloten Afstandsbediening (afzonderlik verkrijgbaar) Anteni Auto-an 20 em (inbegrepen de levering) neaansluiting ntenne Bluetooth apparatuur (ND-BT1) (Afzonderlijk verkrijgbaar)
Multi-CD-speler (afzondertijk IP-BUS kabel verkrijgbaar) Dock connector poort iPod adapter Gijv. CD-IB 10011) (afzonderlijk verkrijgbaar) À WAARSCHUWING + Teneinde het risico van ongelukken en de mogelijke schending van toepasselijke wettelijke regels te voorkomen, mag dit navigatiesys- teem wanneer de auto tend voor navigatiedoeleinden wor- den gebruikt. Daarnaast mogen dis- plays achter niet z6 geplaatst zijn dat 2e een visuele afleiding vormen voor de bestuurder. In sommige landen is het bekijken van beelden op een display in een voertuig, zelfs door andere personen dan de bestuurder, verboden. Indien dergelijke regels van toepassing zijn, dient men zich hieraan te houden en mogen de videobron of TV-onderde- len van dit navigatiesysteem niet worden gebruikt. spue12peN
Aansluitingen Het-stroomsnoer aansluiten. (1). Opmerking: Opmerking: Afhankelijk van het soort voertuig, Wanneer een subwoofer (*9) op dit navigatiesysteem is kan de functie van *3 en *5 aangesloten in plaats van op een achterluidspreker, zet afwijken. Suit in dit geval *2 op *5 de uitgangsinstelling voor de achterspreker dan op de en *4 op *3 aan. oorspronkelijke instelling. (Zie de handleiding). De sub- woofer-uitgang van dit navigatiesysteem is mono. Bij het gebruik van een subwoofer van 70 W (2 Q) moet u ervoor zorgen dat deze wordt aangesloten op de paarse en paars/zwarte draden van dit navigatiesyssteem. Sluit niets aan op de groene en groen/zwarte draden. Zorg ervoor dat de draden die op elkaar 1 Dopje ÉD 777 worden aangesloten dezelfde kleur hebben. Wanneer dit aansluitpunt niet —g 1 Zekering (10 À wordt gebruikt, verwijder het 1 ekering (10 A) dopje dan niet. 1 S > Geel (*3) Geel(*2) | 1 Ondersteuning Naar het aansluitpunt, staat altijd (of accessoire) onder stroom, onafhankelijk van | de stand van het contactslot |
(12 V DC) AAN/UIT. Rood (*5) Rood (*4) ! Accessoire Naar het elektrische aansluitpunt, | (of ondersteuning) bestuurd door het contactslot i
Oranje/wit Naar de aansluiting van de lichtschakelaar. Zawart (aarde) Naar de (metalen) carrosserie van het voertuig. d
10 connector - Geel/zwart Indien het voertuig een onderdrukkingssignaal naar dit _ Luidsprekerdraden terminal kan sturen, dan kan de onderdrukkingsfunctie it: linksvoor ® op dit navigatiesysteem worden geactiveerd Wanneer … i/zwart: … linksvoor ©) et aansluitpunt op *8 is aangesloten Gris rechtsvoor © Graine Grijs/zwart: rechtsvoor © à Sroen: chter © er ® In sommige voertuigen bestaat de ISOstekker Groen: linksachter @ of subwoofer ® (*9) RCD EEE PR RE 20H Groen/zwart: linksachter © of subwoofer © (*9) Le rl, Paars: rechisachter ® of subwoofer © (*9) s Paars/zwart: rechisachter © of subwoofer © (*9)
De navigatie-eenheid Opmerking: De snoeren voor dit navigatiesysteem en die van andere pro- ducten kunnen voorzien zijn van andere kleuren, zelfs wan- neer ze dezelfde functie hebben. Wanneer dit navigatiesys- teem wordt aangesloten op een ander product, raadpleeg dan de bij beide producten meegeleverde handleidingen en sluit snoeren op elkaar aan die dezelfde functie hebben. Stroomsnoer Geel/zwart (MUTE) Wanneer u een apparaat met een mutefunctie gebruikt, dient u deze aan te sluiten op het Audio Mute-snoer. Is dit niet het geval, sluit dan niets aan op het Audio Mute-snoer. Opmerking: De audiobron wordt op mute of zacht gezet, terwijl de volgende geluiden van de navigatie niet worden gedempt of verzwakt. Zie voor nadere gegevens de Bedieningshandleiding. “stembegeleiding van de navigatie -inkomende beltoon en inkomende stem van de mobiele telefoon die via Bluetooth draadloze technologie op dit navigatiesysteem is aangesloten Opmerking: Deze antenne wordt automatisch ingeklapt of uitgezet, maar de timing is afhankelijk van de instelling. (Zie bladzijde 5). Voor meer informatie over het wijzigen van de “Auto ANT” modus, zie “Instellingen van de autoantenne wijzigen” in de Handleiding. Blauw (*7) Naar de regelklem van het autoantennerelais. = Sluit aan op de regelklem van de antenne Blauw (*6) krachtversterker indien het voertuig een op het ruit bevestigde antenne heeft (max. 300 mA 12 V DC) Afhankelijk van het type voertuig verschilt de pen-stand van de ISO-stekker. Sluit *6 en *7 aan wanneer pen 5 voor de besturing van de antenne wordt gebruikt. Bij andere typen voertuigen mogen *6 en *7 nooit worden aangesloten. spue12peN
ansluitingen Het stroomsnoer.aansluiten (2) cuit Draad van snelheidsdetect Stekker Roze (CAR SPEED SIGNAL INPUT) Via deze draad wordt het rijsnelheidssignaal aan het navigatiesysteem doorgegeven. U dient de draad te verbinden met het snelheidsdetectiecircuit van de auto of met de ND-PG1 snelheidspulsgenerator (afzonderlijk verkrijgbaar). Indien deze verbinding niet wordt gemaakt, bestaat er een grotere kans dat de voertuigpositie foutief op het scherm wordt aangegeven. Z\ WAARSCHUWING Motomanagementsysteem) Aansluitmethode Laat het verlengsnoer en de draad van het À snelheidsdetectiecircuit op de afgebeelde wijze door de stekker lopen.
Maak de QG stekkerhelfien met een Kabeltang dicht. Maak het dekseltje dicht. htgroen Via deze draad wordt de stand van de handrem (aangetrokken/ontspannen) aan het autonavigatie doorgegeven. De draad moet verbonden worden met de stroomaansluiting van de handremschakelaar. Als deze verbinding verkeerd wordt gemaakt of niet wordt gemaakt, zullen sommige functies van het navigatiesysteem niet werken. À WAARSCHUWING
E DRAAD KAN ERTOE LEIDEN DAT DE FE WORDT SEL OF VOLG HEBBEN. ren om de pulsdraad voor snelheid aan te sluiten voor een nauwkeurigere navigatie en betere verbinding. + Wanneer de pulsdraad voor snelheid om een of andere reden niet beschikbaar is, dan adviseren wij om de pulsgenerator (ND-PG1) te gebruiken. Opmerking: De positie van het snelheidsdetectiecircuit en de positie van de parkeerremschakelaar variëren afhankelijk van het voertuigmodel. Win advies in bij uw erkende Pioneer dealer of een vakkundige installateur. Aansluitmethode Klem de stroomdraad van de handremschakelaar in de stekker vast.
Maak de stekkerhelften met een kabeltang dicht. Stroomdraad Massadraad oO)
Verlengsnoer 5m {voor snelheidssignaal) De navigatie-eenheid
Opmerking: De snoeren voor dit navigatiesysteem en die van andere producten kunnen voorzien zijn van andere kleuren, zelfs wanneer ze dezelfde functie hebben. Wanneer dit navigatiesysteem wordt aangesloten op een ander product, raadpleeg dan de bij beide pro- ducten meegeleverde handleidingen en sluit snoeren op elkaar aan die dezelfde functie hebben. D Stroomsnoer RCA |[— Paars/wit (REVERSEGEAR SIGNAL INPUT) Via deze draad wordt aan het navigatiesysteem dient de paars/vitte draad te verbinden met de draad waarvan de spanning verandert wanneer de schakelhendel in de achteruit wordt gezet. Als de sensor niet is aangesloten, kan deze wellicht niet goed waarnemen of uw voertuig voor- of achteruit rijdt. De positie van uw voertuig zoals wWaargenomen door de sensor kan in dit geval afwijken van de actuele positie. doorgegeven of de auto vooruit of achteruit rijdt. UT connector 2 — 77 PS 20 em
Geel/zwart (GUIDE ON) Ingeval dit navigatiesysteem in combinatie wordt gebruikt met het andere Pioneer audiotoestel voor het voertuig en de stereo van de auto geel/zwarte draden heeft, sluit de toestellen dan aan op deze draden. Hierdoor wordt het volume van de stereo-installatie in het voertuig automatisch zachter wanneer: — de stembegeleiding klinkt — de mobiele telefoon wordt gebruikt via Bluetooth apparatuur Opmerking: Als de ND-PG1 snelheidsimpulsgenerator (afzonderlijk verkrijgbaar) wordt gebruikt, moet erop worden gelet dat deze kabel wordt aangesloten. Wanneer u een achteruitkijkcamera gebruikt, zorg er dan voor dat deze kabel is aangesloten. Anders kunt u niet overschakelen op het beeld van de achteruitkijkcamera. 5 Zie pagina 15.
— u via spraak het systeem bedient. Aansluitmethode Klem de draad van het achteruitrijlicht in de stekker vast.
Maak de stekkerhelften met een kabeltang dicht. À BELANGRIJK Gebruik alleen het meegeleverde verlengsnoer. dit navigatiesysteem. ander verlengsnoer kan leiden tot brand, rook en/of beschadi Zekeringweerstand Draad van achteruit- rijlicht Het gebruik van een ng van Verlengsnoer
{voor achteruit signaal) Kijk ar het achteruitrijlicht van uw auto is (het licht dat gaat branden CT wanneer de schakelhendel in de achteruit [R] wordt gezet) en zoek de draad van het achteruitrijlicht in de kofferruimte. spue12peN
Aansluitingen Voor aanslu g op een los verkrijgbare eindversterker Subwoofer uitgang of nonfading uits (SUBWOOFER OUTPUT of D NON-FADING OUTPUT) 23cm Achteruitgang (REAR OUTPUT) 15cm Vooruitgang (FRONT OUTPUT) De navigatie-eenheid
15cm Na 15 cm Blauw/wit Naar de systeemregelklem van de eindversterker (max. 300 mA 12 V DC) Sluit deze draad niet aan op de bedieningsaansluiting van de auto-antenne.
gen tot stand bij van de optionele versterker. > Eindversterker (afzonderlijk verkrijgbaar) RCA kabels (afzonderlijk verkrijgbaar) Eindversterker (afzonderlijk verkrijgbaar)
Eindversterker (afzonderlijk verkrijgbaar) Voorluidspreker Achterluidspreker Subwoofer Subwoofer spue12peN Opmerking: Afhankelijk van uw betreffende subwoofer systeem kunt u de RCA uitgang van de subwoofer veranderen. (Zie de handleiding.)
ansluitingen Bij gebruik van dit navigatiesysteem met een achteruitkijkcamera is het mogelijk om automatisch naar de video van de achteruitkijkcamera te schakelen wanneer de ver- snellingspook in de ACHTERUIT (R) stand wordt gezet. Met behulp van de achteruitkijkfunctie kunt u ook controleren wat zich tijdens het rijden achter u bevindt. [À WAARSCHUWING | GEBRUIK DEZE INGANG ALLEEN VOOR DE ACHTERUIT- OF DE SPIEGELBEELD- ACHTERUITKIKCAMERA. ANDER GEBRUIK KAN LETSEL OF SCHADE TOT GEVOLG HEBBEN. À BELANGRIJK Het beeld op het scherm kan omgekeerd worden weergegeven. De achteruitkijkcamera is een hulpmiddel bij dit navigatiesysteem om eventuele aanhangwagens of opleggers in de gaten te houden of om op een kleine plats in te parkeren. Gebruik deze functie niet voor amusementsdoeleinden. Het object dat met de achteruitkijkcamera wordt bekeken, kan dichterbij of verder weg lijken dan in werkelijkheid het geval is. Houd er rekening mee dat de randen van de beelden die door de achteruitkijkcamera worden vast- gelegd, enigszins afwijkend kunnen zijn, afhankelijk van het feit of er volledige schermbeelden worden weergegeven tijdens het achteruitrijden, en of de beelden worden gebruikt om de achterkant te controleren wanneer de auto vooruit rijdt. Paars/wit RCA connector 2 f° em Bruin (REAR VIEW CAMERA IN) Opmerking: + De “Camera Input” moet op Settings” worden ingesteld wanneer de achteruitkijkcamera wordt aangesloten. (Zie de handleïiding voor meer informatie). RCA kabels (afzonderlijk verkrijgbaar) 5m De navigatie-eenheid — | Acheruitkijkcamera Naar video-uitgang Verlengsnoer (voor achteruit-signaal) Zekeringweerstand Gnnakig. Aansluiten op de achteruitkijkcamera. Niet aansluiten op andere apparatuur. Over de aansluitmethode We Zie bladzijde 11 À BELANGRIJK itend het meegeleverde verlengsnoer. van een andere kabel kan tot brand, rook en/of schade aan dit navigatiesysteem leiden.
Bij aansluiting van een externe videocomponent De navigatie-eenheid Rood, wit RCA kabels (AUDIO INPUT) _ (afzonderlijk verkrijgbaar) Naar audio-uitgangen Le Tue videocomponent 7 | (afzondertijk a > verkrijgbaar) Naar video-uitgang (VIDEO INPUT) 20 em " RCA connector 1 + De “AV Input” in “System Settings” moet op “Video” worden ingesteld wanneer de externe videocomponent wordt aangesloten (Zie de handleiding voor meer informatie.) Bij aansluiting van de externe eenheid met videobron ie-eenheid À] un
CORTE /1P-BUS kabel (afzonderlijk verkrijebaar) Naar IP-BUS uitgang m1" {L 20cm Zwart Pioneer externe eenheid (afzonderlijk verkrijgbaar) Fa -æ= EE —> TT Naar video-uitgang RCA connector 1 Geel RCA kabel (VIDEO INPUT) (afzonderlijk verkrijgbaar) + De “AV Input” in “System Settings” moet op “EXT ingesteld worden wanneer de externe videocomponent wordt aangesloten. (Zie de handleiding voor meer informatie.) spue12peN
Aansluitingen Bij aansluiting van het achterdisplay De navigatie-eenheid Orees (e) œ— RCA connector 2
Naar audio-ingangen cf —> | Achterdisplay met RCA ingangsaansluitingen TE —> RCA kabels Naar video-ingang (afzonderlijk verkrijgbaar) Tijdens het gebruik van een achterdisplay dat op de achter video-uitgang is aangesloten À WAARSCHUWING Plaats het achterdisplay NOOIT zo dat de bestuurder de videobron kan bekijken tij- dens het rijden. De achter video-uitgang van dit navigatiesysteem is voor de aansluiting van een display zodat de passagiers op de achterbank de videobron kunnen bekijken. U kunt via “AV Source Menu” de achterschermmodus instellen. (Zie de handleiding voor meer informatie.). Opmerkingen: + De kaartnavigatiebeelden op het display achter wijken af van de beelden van het standard NTSC-formaat. Daarom hebben zij een slechtere kwaliteit dan de beelden die op het display voor verschijnen. + Het navigatiesyteem schakelt automatisch tussen de kleurensystemen (NTSC, PAL, SECAM) voor elke video en stuurt de videosignalen naar het “Achterdisplay”. Om ervoor te zorgen dat het “Achterdisplay” de juiste videosignalen ontvangt, adviseren wij een “Achterdisplay” te gebruiken met een functie die automatisch tussen de kleursystemen schakelt (bij. AVD- W1100V).
Inbouwen Z\ WAARSCHUWING Pioneer raadt u af het navigatiesysteem zelf in te bouwen of eventueel onderhoud te verrichten. Bij verkeerd inbouwen of onderhoud van dit navigatiesysteem bestaat Kans op een elektrische schok of een andere gevaarlijke situatie. Laat inbouwen en onderhoud van het navigatiesysteem over aan bevoegd Pioneer servicepersoneel. À BELANGRIJK + Installeer dit navigatiesysteem nooit op plaatsen waar, of op een manier waardoor:
- Het letsel kan toebrengen aan de bestuurder of de passagiers wanneer plot- seling hard geremd wordt.
- Het een belemmering kan vormen voor de bediening van het voertuig door de bestuurder, zoals op de vloer voor de stoel van de bestuurder, of dicht- bij het stuur of de versnellingspook. Controleer of er niets achter het dashboard of de panelen zit wanneer u hierin gaten gaat boren. Let erop dat u geen brandstofleidingen, remleidingen, elek- tronische componenten, communicatiedraden of voedingskabels beschadigt. Wanneer u schroeven gebruikt, let er dan op dat deze niet in contact komen met de elektrische bedrading. Door de trilling kunnen isolatiedraden beschadigd raken, met als gevolg kortsluiting of anderssoortige beschadigin- gen aan het voertuig. Gebruik de bijgeleverde onderdelen op de voorgeschreven wijze, zodat dit navigatiesysteem juist wordt ingebouwd. Indien u andere onderdelen gebruikt, kunt u beschadigingen aan het navigatiesysteem veroorzaken of het navigatiesysteem kan losraken. Wanneer de GPS antennedraad of de microfoondraad zich rond de stuurkolom of de versnellingspook wikkelt, ontstaat een bijzonder gevaar- lijke situatie. Let er bij het inbouwen van dit navigatiesysteem op dat u op geen enkele wijze gehinderd wordt bij de normale besturing van de auto. Zorg ervoor dat de draden niet loshangen en geraakt kunnen worden door een portier of stoelverschuivingsmechanisme, met eventueel kortsluiting tot gevolg. Controleer nadat u het navigatiesysteem heeft ingebouwd of de andere appa- ratuur in uw auto naar behoren werkt. De wetgeving van sommige landen kan beperkingen opleggen aan de plaatsing en het gebruik van navigatiesystemen in uw voertuig of dit zelfs verbieden. Zorg ervoor dat bij het gebruik, de inbouw en de bediening van uw navigatiesysteem alle toepasselijke wetten en regels worden nageleefd. Bouvw dit navigatiesysteem niet in op plaatsen waar dit (i) het zicht van de bestuurder kan hinderen, (ii) de werking van een van de bedieningssystemen of veiligheidsvoorzieningen van de auto, inclusief airbags en knoppen van waarschuwingsknipperlichten nadelig kan beïnvloeden of (iii) een belemmer- ing kan vormen voor het vermogen van de bestuurder om het voertuig veilig te bedienen. spue12peN
Inbouwen + Bouw het navigatiesysteem in tussen de stoel van de bestuurder en de stoel van de voorste inzittende, zodat het niet wordt geraakt door de bestuurder of inzittende als het voertuig abrupt afremt. Bouw het navigatiesysteem nooit in voor of naast de plaats in het dashboard, het portier of de stijl van waaruit een van de airbags van het voertuig in werking wordt gesteld. Zie voor nadere informatie over het toepassingsge- bied van de voorste airbags de Gebruikershandleiding. Bouvw dit navigatiesysteem niet in op een plaats waar het de prestaties van een van de besturingssystemen van het voertuig, inclusief airbags en hoofdsteunen, nadelig kan beïnvloeden. Voorkomen van elektromagnetische storingen + Om storingen te voorkomen moeten de volgende voorwerpen zo ver mogelijk van dit navigatiesysteem alsmede andere kabels en draden worden geplaatst: - TV antenne en antennekabel - FM, MG/LG antenne met de kabel - GPS-antenne met de kabel Daarnaast dient u elke antennedraad zover mogelijk van de andere antennedraden te leggen. Bind de draden niet samen, leg ze niet naast elkaar en laat ze elkaar niet kruisen. Door de elektromagnetische ruis die daardoor ontstaat, wordt de kans op fouten in het locatiedisplay vergroot. Voor de installatie + Raadpleeg uw dichtstbijzijnde dealer als het voor het installeren van dit product nodig blijkt gaten te boren of andere wijzigingen aan te brengen aan de auto. Voordat u dit navigatiesysteem definitief installeert, is het raadzaam tijdelijk alle aansluitingen te maken om te kijken of deze correct zijn en alles naar behoren function- eert. Dit navigatiesysteem mag niet op een positie worden ingebouwd waar het opening van het LCD paneel door andere voorwerpen belemmerd wordt, zoals de versnellingspook. Controleer, voordat u het navigatiesysteem inbouw't, of er voldoende ruimte is om het LCD paneel volledig te openen, zonder dat de beweging van de versnellingspook belem- merd wordt. Dit kan de werking van de versnellingspook verstoren of tot een defect aan het mechanisme van dit navigatiesysteem leiden.
Dit navigatiesysteem inbouwen Opmerkingen betreffende het inbouwen +_Installeer dit navigatiesysteem niet op plaatsen waar het kan worden blootgesteld aan hoge temperaturen of vocht, zoals:
- Dichtbij een radiator, luchtopening of airconditioning.
- Op plaatsen blootgesteld aan direct zonlicht, zoals op het dashboard.
- Op plaatsen waar water op het apparaat terecht kan komen, zoals dicht in de buurt van een portier. +_Installeer dit navigatiesysteem op een plek die stevig genoeg is om het gewicht van het product te dragen. Kies een plaats waar dit navigatiesysteem stevig kan worden geïn- Stalleerd en zorg voor een veilige bevestiging. De actuele locatie van het voertuig kan alleen correct worden weergegeven wanneer het navigatiesysteem goed bevestigd is. +_Installeer het navigatiesysteem horizontaal op een oppervlak met een tolerantie tussen 0 en 30 graden. Wanneer de installatiehoeken links en rechts meer dan 5 graden zijn, dan kan het toelaatbare bereik met 10 graden worden verhoogd door corrigerende afstellin- gen te maken. (Zie “De installatiehoek corrigeren” in de handleiding). Wanneer de roze kabel (CAR SPEED SIGNAL INPUT) niet wordt aangesloten, dan kunnen de hoeken aan de linker- en rechterkant tot binnen vijf graden afwijken. Een verkeerde installatie van dit apparaat waarbij het oppervlak meer dan het aantal toegestane graden gekanteld is, verhoogt het risico op fouten in het locatiedisplay en leidt tot minder goede prestaties van het display. 10° 10° 30° Maak cofrigerende afstellingen wanneer de hoek meer dan vijf graden is. + De snoeren mogen het in onderstaande figuur. weergegeven gebied niet bedekken, anders kunnen de versterkers en het navigatiemechanisme mogelijk oververhit raken. \ Bedek dit + Ingeval van oververhitting wordt de halfgeleider-laser beschadigd. Bouw de navigatieeenheid daarom niet in op een plaats waar deze te warm kan worden, bijvoorbeeld naast een radiator. spue12peN
Inbouwen eleverde accessoires De met een asterik (*) gemarkeerde onderdelen zijn reeds geïnstalleerd. Houder* Drukkingsschroef Schroef met platte kop Frame (5 X6 mm) (8 st.) (5 X 6 mm) (4 st.) LIT e ff Schroef* Schroef voor het bevestigen Sierring Gx6 mm) van de zijbeugel* (GBst) (5 X6 mm) (4 st) Tweezijdige schroef Rubbermof
Vôér het installeren van dit navigatie-eenheid + Verwijder de houder. Draai de schroeven (3 x 6 mm) los om de houder te verwijderen. 3 _Houder
Q Le Schroef (3 x 6 mm) Installatie met de houder en zijbeugel
1. Installeer de houder in het dashboard.
Nadat u de houder in het dashboard hebt geplaatst, kiest u de juiste lipjes voor de dikte van het dashboardmateri- aal en buigt u deze om. (Zo stevig mogelijk bevestigen met gebruik van de boven- en onderlipjes. Buig de lipjes 90 graden om het navigatie-eenheid te vergrendelen.) Dashboard Houder
2. Installeer dit navigatie-eenheid
en draai de schroeven vast. Rubbermof"! Tweezijdige schroef Zorg datude rubbermof op de lange Kant van de tweezijdige schroef plaatst. . Bevestig de sierring. spue12peN F*]
bouwen Installatie met gebruikmaking van de schroefgaten aan de zijkanten van de navigatie-eenheid
1. Verwijder de zijbeugels.
Zijbeugel K Schroef voor het bevestigen À van de zijbeugel (5x6 mm)
2. De navigatie-eenheid op de
montageplaatjes van de orignele autoradio vastzetten. Positioneer het navigatie-eenheid zodanig dat zijn schroefgaten op een lijn liggen (passen) met de schroefgaten van de beugel, en draai de schroeven op 3 of 4 plaatsen aan elke kant vast. Gebruik, afhankelijk van de vorm van de schroef- gaten van de beugel, drukkingsschroeven (5 X 6 mm) of schroeven met een platte kop (5 x 6 mm). Buig de pal naar beneden als deze in de weg zit montageplaatjes van de orignele autoradio Drukkingsschroef of schroef met platte kop Zorg ervoor dat u de schroeven geleverd met dit navigatiesysteem gebruikt ashboard of console Opmerking: Bij sommige automodellen kan mogelijk een ruimte ontstaan tussen het navigatie-eenheid en het dashboard. Gebruik, wanneer dit het geval is, het meegeleverde frame om deze ruimte te dichten.
Bevestigen van de GPS-antenne À BELANGRIJK + Maak de GPS antennedraad niet korter en ook niet langer. Wijzigingen aan de antennekabel kunnen leiden tot kortsluiting of storingen en permanente schade aan het navigatiesysteem. Opmerkingen betreffende het bevestigen De antenne dient op een zo horizontaal mogelijk oppervlak te worden beves- tigd, op een plaats waar de ontvangst van de radiogolven zo min mogelijk wordt gehinderd. De antenne kan de radiogolven van de satelliet alleen ont- vangen als er geen obstakel tussen de antenne en de satelliet is. Het verdient aanbeveling de antenne op het dak of op het kofferdeksel van de auto te bevestigen. Kofferdeksel Dak Hoedenplank Indien u de GPS-antenne binnen in de auto aanbrengt, gebruik dan het metalen plaatje dat bij het systeem wordt geleverd. Als dit plaatje niet gebruikt wordt, zal de ontvangst- gevoeligheid onbevredigend zijn. Maak het bijgeleverde metalen plaatje niet kleiner, aangezien dit resulteert in een lagere gevoeligheid van de GPS-antenne. Trek niet aan de antennedraad wanneer u de GPS-antenne wilt verwijderen. De magneet van de antenne is erg krachtig en u zou de draad kunnen lostrekken van de antenne. De GPS-antenne wordt bevestigd met behulp van de magneet. Let er bij het bevestigen van de GPS-antenne op dat u geen krassen op de carrosserie veroorzaakt. Wanneer u de GPS-antenne op de buitenzijde van de auto heeft aangebracht, dient u deze los te maken en in de auto te leggen voordat u door een autowasserette rijdt. Indien dit wordt verzuimd, kan de antenne losraken en kunnen krassen op de carrosserie ontstaan. Verf de GPS-antenne niet, aangezien dit de prestatie van de antenne beïnvloedt. spue12peN
Inbouwen Bijgeleverde accessoires fes > GPS-antenne Metalen plaatje Klem (5 st.) Waterbestendigisolatieblokje Bevestigen van de antenne binnen in de auto (op de hoedenplank) Bevestig het metalen plaatje op een zo horizontaal mogelijke ondergrond op een plaats wWaar de GPS-antenne de golven door de ruit kan ontvangen. Plaats de GPS-antenne op het metalen plaatje. (De GPS-antenne heeft een magneet aan de onderzijde.) GPS-antenne Metalen plaatje Verwijder het beschermvel aan de onderkant van het plaatje. Zorg dat het oppervlak waarop u het metalen plaatje gaat aanbrengen, droog is en vrij van stof, olie, vet enz. Opmerking: Het metalen plaatje bevat een sterk kleefmiddel, dat na verwijdering sporen op het oppervlak kan achterlaten. Klemmen Gebruik de klemmen om de draad op de vereiste plaatsen tegen het interieur van de auto te bevestigen. Opmerkingen: +_Let er bij het aanbrengen van het metalen plaatje op dat het niet in kleine onderdelen wordt gesneden. +_ De ruiten van sommige auto’s laten de signalen van de GPS-satellieten niet door. In dat geval dient u de GPS-antenne aan de buitenzijde van de auto te bevestigen.
Bevestigen van de antenne aan de buitenzijde van de auto (op de carrosserie) Bevestig de GPS-antenne op een 0 horizontaal mogelijke ondergrond zoals op het dak of” Kofferdeksel. (De GPS-antenne heeft een magneet aan de onderzijde.)
GPS-antenne De antennedraad via de bovenzijde van het portier naar binnen leiden Klemmen Maak een U-vormige lus in de draad | Gebruik de klemmen voordat u deze naar binnen leidt, om | °" de draad'op de te voorkomen dat regenwater langs | Véreiste plaatsen tegen de draad in de auto druppelt hebinterieur an de auto te bevestigen
De antennedraad via het kofferdeksel naar binnen leiden Waterbestendig isolatieblokje Zorg dat het waterbestendige isolatieblokje bij het sluiten van het kofferdeksel op de rubberen afdichtstrip valt / Maak een U-vormige lus in de draad voordat u deze over (de rubberen afdichtstrip leidt, om te voorkomen dat a regenwater langs de draad in Rubberen afdichtstrip de auto druppelt Klemmen Gebruik de klemmen om de draad op de vereiste plaatsen tegen het interieur van de auto te bevestigen. spue12peN
Inbouv (21) De microfoon installeren +_Installeer de microfoon in de juiste richting en op de juiste afstand zodat de microfoon gemakkelijk de stem van de bestuurder kan opvangen. +_Sluit de microfoon aan op het navigatiesysteem nadat het system is uitgezet. (ACC OFF) Bijgeleverde accessoires Microfoon Microfoonklem Dubbelzijdig tape Klem (5 stuks) Montage op de zonneklep
1. Plaats de microfoon in de microfoonklem.
Microfoonklem Microfoonklem Klemmen Gebruik de klemmen om de draad op de vereiste plaatsen tegen het interieur van de auto te bevestigen Plaats de microfoon in de zonneklep terwil de klep omhoog staat. De microfoon kan de stem van de bestuurder niet opvangen wanneer de zonneklep naar beneden is geklapt.
Installatie op stuurkolom
1. Plaats de microfoon in de microfoonklem.
Microfoon Ne, Microfoonklem —{ Klemmen Gebruik de klemmen om de draad op de vereiste plaatsen tegen het interieur van de auto te bevestigen Plaats de microfoonklem op de stuurkolom en houd hem uit de buurt van het stuurwiel De microfoonhoek afstellen De microfoonhoek kan worden afgesteld door de microfoonklem naar voren of achteren te zetten. spue12peN
1. Sluit de accu aan.
Controleer nogmaals of alle aansluitingen op de juiste wijze zijn gemaakt en dit navi- gatiesysteem correct is ingebouwd. Monteer de auto-onderdelen die u bij het inbouwen van het apparaat heeft verwijderd. Sluit tot slot de massakabel (-) weër op de massapool (-) van de accu aan.
3. Druk op de RESET toets op de navigatie-eenheid.
Druk met een spits voorwerp, zoals de punt van een pen, op de RESET toets van het navi- gatiesysteem.
4. Voer de volgende instellingen uit:
1. Maak de benodigde aanpassingen aan de installatichoek. (Zie ook “Het corrigeren van
de installatiehoek” in “Hoofdstuk 9°” van de Gebruikshandleiding).
2. Verander indien nodig de “Regionale Instellingen”. (Zie ook “’Het instellen van de
Regionale Instellingen” in “Hoofdstuk 9” van de Gebruikshandleiding).
3. Rij totdat de geïnitialiseerde sensors normaal gaan werken.
Zie de Bedieningshandleiding of Hardwarehandleiding voor nadere bijzonderheden omtrent de instellingen van het navigatiesysteem. Na installatie van dit navigatiesysteem dient u op een veilige plaats te controleren of het voertuig normaal functioneert.
Notice-Facile