SY-MB1000 - Graafmachine SCHEPPACH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SY-MB1000 SCHEPPACH in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over SY-MB1000 SCHEPPACH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Graafmachine in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SY-MB1000 - SCHEPPACH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SY-MB1000 van het merk SCHEPPACH.
GEBRUIKSAANWIJZING SY-MB1000 SCHEPPACH
2 Beoogd gebruik 153
3 Productbeschrijving (afb. 1-44).... 154
4 Inhoud van de levering (afb. 2).... 155
5 Uitpakken.... 155
7 Veiligheidsvoorschriften.... 157
8 Montage 162
9 Voor de ingebruikname 163
10 Bediening.... 166
11 Werkinstructies 171
12 Reiniging en onderhoud 172
13 Opslag 177
14 Transport 178
15 Reparatie en reserveonderdelen bestellen.... 178
16 Afvalverwerking en hergebruik 179
17 Verhelpen van storingen.... 180
18 EU-conformiteitsverklaring 181
Verklaring van de symbolen op het product
Het gebruik van symbolen in deze handleiding is bedoeld om uw aandacht te vestigen op eventuele risico's. De veiligheidssymbolen en de bijbehorende uitleg moeten goed worden begrepen. De waarschuwingen zelf voorkomen geen risico's en kunnen de juiste maatregelen betreffende ongevallenpreventie niet vervangen.
![]() | Lees voorafgaand aan de ingebruikname de gebruikshandleiding en de veiligheidsvoorschriften! |
![]() | Let op! Het niet in acht nemen van de op het product aangebrachte veiligheidstekens en waarschuwingen alsook het niet in acht nemen van de veiligheids- en bedieningsaanwijzingen kan tot ernstig of zelfs dodelijk letsel leiden. |
![]() | Lees voorafgaand aan de ingebruikname de gebruikshandleiding en de veiligheidsvoorschriften! |
![]() | Draag een veiligheidsbril. |
![]() | Draag gehoorbescherming. |
![]() | Draag altijd een veiligheidshelm! |
![]() | Gebruik de veiligheidsgordel. |
![]() | Waarschuwing voor hete oppervlakken. |
![]() | Houd uw handen uit de buurt! |
![]() | Start de motor niet door het kortsluiten van de startklemmen. |
![]() | Open vuur of roken in de nabijheid van het apparaat is streng verboden! |
![]() | Belangrijk. De uitlaatgassen zijn giftig, gebruik de motor daarom niet in niet-geventileerde bereiken. |
![]() | Let op! Rondvliegende voorwerpen kunnen verwondingen veroorzaken. |
![]() | Houd uw handen uit de buurt van dit gebied. |
![]() | Vloeistoffen of lucht onder druk kunnen door de huid heendringen en ernstig letsel of zelfs de dood veroorzaken. Houd voldoende afstand. |
![]() | Pas op voor vallende voorwerpen. Er bestaat gevaar voor beknelling. Blijf uit de buurt van geheven lasten/componenten en hun bewegingsbereik. |
![]() | Gevaar voor snijwonden en beknelling: Zorg ervoor dat alle bewegende delen zijn gestopt voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert. Ga niet in de buurt van bewegende onderdelen of inzetgereedschappe staan en houd de veiligheidsvoorzieningen altijd in de beschermende stand. |
![]() | Blijf uit de buurt van dit gebied. Er bestaat een gevaar op ernstig of zelfs dodelijk letsel door beknelling. |
![]() | Zorg ervoor dat andere personen voldoende veiligheidsafstand aanhouden. |
![]() | Let op! De uitlaat en andere delen van het product worden tijdens het bedrijf zeer heet, niet aanraken! |
![]() | Houd afstand en blokkeer de blaasunit niet. |
![]() | Let op uw veiligheid. Niet in het werkgebied grijpen of verblijven. |
![]() | Voordat u het product verlaat, laat u het inzetgereedschap op de grond zakken, schakelt u de motor uit en verwijdert u de contactsleutel. |
![]() | Houd handen en voeten uit de buurt van bewegende delen. Bewegende onderdelen kunnen beknellen en snijden. |
![]() | Koelventilator |
![]() | Houd uw handen uit de buurt van de blaasunit. |
![]() | Er is een verhoogd risico op kantelen wanneer u op hellingen rijdt. |














Bij het starten van de motor kunnen vonken ontstaan. Deze kunnen ontsteken in de nabijheid van brandbare gassen.
Voor ingebruikname olie bijvullen! Een oliesensor voorkomt het starten van de motor bij een te laag oliepeil.
Schakel de motor onmiddellijk uit als het product niet goed functioneert.
Voer alleen onderhoud of reparaties uit met uitgeschakelde motor en na het lezen van de handleiding.
Bedrijfsindicator
Bedrijfsuren
Hefpunt
Hydraulische olie bijvullen.
![]() | Ontkoppelaar aardingskabel (negatieve schakelaar) |
![]() | Accu/opladen. |
![]() | Er is een verhoogd risico op kantelen wanneer u op hellingen rijdt. |
![]() | Zorg dat het product niet overbelast raakt. Er bestaat kantelgevaar. |
![]() | Rijd langzaam en rechtdoor bij het bergopwaarts rijden, houd het zwaartepunt laag en zorg voor een veilige ondergrond. |
![]() | Let op verborgen gaten, obstakels, zachte grond en overhangende delen. |
![]() | Kijk voordat u achteruit rijdt altijd over uw schouder om er zeker van te zijn dat er zich geen kinderen, men- sen of obstakels in de gevarenzone bevinden |
![]() | Gevaar op een elektrische schok: Vermijd contact tussen het inzetgereedschap of de hefarm en bove grondse elektriciteitsleidingen of andere obstakels. |
![]() | Steile hellingen en hoge taluds kunnen wegglijden. Vermijd werken onder overhangende delen en graaf de- ze niet uit. Kijk uit voor vallende stenen en het risico op uitglijden. |
![]() | Blijf uit de buurt van randen – het gewicht van het product kan ervoor zorgen dat de vloer meegeeft, wat kan leiden tot vallen of omkantelen. Dit kan leiden tot ernstig of dodelijk letsel. |
![]() | Blijf uit de buurt van randen – het gewicht van het product kan ervoor zorgen dat de vloer meegeeft, wat kan leiden tot vallen of omkantelen. Dit kan leiden tot ernstig of dodelijk letsel. Graaf niet onder het product en het inzetgereedschap. Wees voorzichtig bij het opvullen. |
![]() | LED-koplampen. Positie op het bedieningsplatform. |
![]() | Claxon. Positie op het bedieningsplatform. |
![]() | Opslaglocatie voor gebruikshandleidingen. Plaats onder de motorkap. |











Gashendel en choke.
Het contactslot heeft drie standen:
- OFF: De ontsteking is uitgeschakeld.
- ON: De ontsteking is ingeschakeld.
- START: De motor wordt gestart.

Kijkglas voor hydrauliekoliepeil. (Controleer voor elk gebruik van het product het peil van de hydraulische olie.)

Stoelverstelling en ontgrendeling van de motorkap.

Spoorbreedte instellen en dozerblad heffen/zakken.

Voorinstellingen om de spoorbreedte in te stellen en de bovenwagen/bedieningsstation te vergrendelen/ont-grendelen.

Bedien de inzetstukken via de hydraulica.

Zwenk de draagarm naar links of rechts.

Gegarandeerd geluidsvermogensniveau van het product.

Het product voldoet aan de geldende EU-bepalingen.

Het product voldoet aan de geldende Servische richtlijnen.
Verklaring van de signaalwoorden in de gebruikershandleiding

GEVAAR
Signaalwoord voor aanduiding van een direct aanwezige, gevaarlijke situatie die, indien deze niet wordt vermeden, de dood of ernstige verwondingen tot gevolgd heeft.

WAARSCHUWING
Signaalwoord voor aanduiding van een mogelijke gevaarlijke situatie die, indien deze niet wordt vermeden, tot de dood of ernstige verwondingen kan leiden.

VOORZICHTIG
Signaalwoord voor aanduiding van een mogelijke gevaarlijke situatie die, indien deze niet wordt vermeden, tot geringe of matige verwondingen kan leiden.
LET OP
Signaalwoord voor aanduiding van een mogelijke gevaarlijke situatie die, indien deze niet wordt vermeden, materiële schade aan producten of eigendommen tot gevolg kan hebben.
1 Inleiding
Fabrikant:
Scheppach GmbH
De fabrikant van dit product is volgens de van kracht zijnde wet inzake productaansprakelijkheid niet aansprakelijk voor schade die aan dit product of door dit product ontstaan bij:
• Ondeskundige behandeling
- Het niet in acht nemen van de gebruikshandleiding
- Reparaties door derden, niet geautoriseerde vakmensen
- Inbouw en vervanging van niet-originele reserveonderde-
len
- Gebruik dat niet conform de voorschriften is
- Uitvallen van de elektrische installatie bij het niet in acht nemen van de elektrische voorschriften en voorschriften.
Let op:
De gebruiksaanwijzing maakt deel uit van het product en bevat belangrijke aanwijzingen voor een veilig, vakkundig en economisch gebruik. Neem bovendien de geldende nationale voorschriften in acht. Lees alle bedienings- en veiligheidsaanwijzingen zorgvuldig door voordat u het product in gebruik neemt en gebruik het product uitsluitend zoals beschreven. Bewaar de handleiding en verstrek deze wanneer u het product doorgeeft.
2 Beoogd gebruik
De mini-graafmachine is geschikt voor de volgende toepassingen:
- Grondwerken en egaliseren van de grond na voltooiing van bouwwerkzaamheden binnen de aangegeven technische grenzen.
- Rijden en manoeuvreren binnen het beoogde gebruiksgebied (bijv. bouwterreinen, bedrijfsterreinen, verharde terreinen).
- Positioneren of verplaatsen van het product, bijv. voor onderhoud, reiniging of wisselen van inzetgereedschap.
- Gebruik voor het heffen, verplaatsen of bewerken van materiaal is niet toegestaan zonder geschikt inzetgereedschap.
Als er tijdens het gebruik storingen optreden die de veiligheid in gevaar kunnen brengen, moet de mini-graafmachine onmiddellijk uitgeschakeld worden. In dat geval mag hij pas weer in gebruik worden genomen nadat de oorzaak is verholpen en de veiligheid weer volledig is hersteld.
Het product mag uitsluitend worden gebruikt waarvoor het bedoeld is. Elk ander of verdergaand- is niet volgens de voorschriften. Voor hieruit ontstane schade of verwondingen, van welke soort dan ook, is de gebruiker en niet de fabrikant aansprakelijk.
Ook de naleving van de veiligheidsvoorschriften, de montagehandleiding en de aanwijzingen in de gebruikshandleiding maken deel uit van het beoogd gebruik.
Personen, die het product bedienen of onderhoud aan het product verrichten, moeten hiermee bekend zijn en op de hoogte zijn van de mogelijke gevaren.
De fabrikant is niet aansprakelijk voor wijzigingen die aan het product worden aangebracht en de hieruit voortvloeiende schade.
Het product mag uitsluitend met de originele onderdelen en originele accessoires van de fabrikant worden gebruikt.
De veiligheids-, werk- en onderhoudsvoorschriften van de fabrikant alsook de in de technische gegevens aangegeven afmetingen moeten in acht worden genomen.
Let erop dat onze producten volgens het beoogd gebruik niet voor bedrijfsmatige, ambachtelijke of industriële toepassingen zijn ontworpen. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid wanneer het product in bedrijfsmatige, ambachtelijke of industriële ondernemingen of bij soortgelijke werkzaamheden worden ingezet.
2.1 Gebruik dat niet conform de voorschriften is
Breng geen wijzigingen aan in het product. De veiligheid loopt hierdoor eventueel gevaar. Voor hieruit ontstane schade of verwondingen, van welke soort dan ook, is de gebruiker en niet de fabrikant aansprakelijk.
Personen die niet bekend zijn met de gebruikshandleiding, en personen die onder invloed van alcohol, drugs of medicijnen, of moe of ziek zijn.
Nationale regelgeving kan het gebruik van het product beperken!
De volgende activiteiten zijn uitdrukkelijk verboden:
- Optillen en transporteren van personen.
- Het product als werkplatform gebruiken.
-
Heffen en transporteren van lasten, tenzij de inzetgereedschappen hiervoor ontworpen zijn.
-
Trekken van aangekoppelde lasten.
- Het product gebruiken na onjuiste probleemoplossing of reparatie.
- Rijden op openbare wegen en verkeerswegen.
3 Productbeschrijving (afb. 1-44)
- draagarm
1a. LED-koplampen
1b. Zwenkmechanisme - Beschermbeugel
2a. Bout (M16x50 mm)
2b. Volgring
2c. Veerring
2d. moer
2e. Dak
2f. Bout (M8x65 mm)
2g. Volgring
2h. Moer (zelfborgend)
2i. Voorruit
2j. Lijst
2k. Bout (M8x25 mm) - Volgring
2 m. Moer (zelfborgend) - Bestuurdersstoel
3a. Stoelcontactschakelaar
3b. Instelhendel
3c. Veiligheidsgordel
3d. Gordelsluiting - Motorkap
4a. Sleutel
4b. Motorkapvergrendeling - Bovenwagen
- Rupsonderstel
6a. Rubberen rupsband
6b. Afdekking
6c. Bout
6d. Contramoer
6e. stelschroef
6f. Aandrijfrondsel
6g. Voorste stationaire rol - Voorbeugel
7a. Bout (M16x50 mm)
7b. Volgring
7c. Veerring
7d. Bout (M8x40 mm)
7e. Volgring
7f. Moer (zelfborgend)
7g. Buitenspiegel (links/rechts)
7h. Bout (M8x25 mm)
7i. Volgring
7j. Veerring
7k. moer - Dozerblad
8a. Borgbout
8b. Dozerbladverlenging - Bak
- Snelkoppeling
10a. Contramoer
10b. moer
10c. Bout
10d. pen
10e. Splitpen
10f. Borgschroef (M6x50 mm)
10g. Opname - gereedschapsopname
11a. Cilinder - Arm
12a. Hydraulische leiding
12b. Snelkoppeling
12c. Steeknippel
12d. Afsluitplug
12e. Cilinder
13. Bedieningsstation
13a. Bedieningshendel (links)
13a 1. Rubberen manchet
13a 2. moer
13a 3. Klemschroef
13a 4. Contramoer
13b. Rijhendel (links)
13b 1. Handgreep
13c. Rijhendel (rechts)
13c 1. Handgreep
13d. Bedieningshendel (rechts)
13d 1. Rubberen manchet
13d 2. moer
13d 3. Klemschroef
13d 4. Contramoer
13e. Vergrendelingshendel (bedieningsstation)
13g. Gashendel
13h. Choke
13i. Bedieningspedaal (links)
13k. Vergrendelingshendel (bovenwagen)
13l. Bedieningspedaal (rechts)
14. Bedieningspaneel
14a. Bedrijfsurenteller
14b. Bedrijfsindicator
14c. Knop (claxon)
14d. Knop (LED-koplamp)
15. Transportframe
15a. Bout
16. Hefpunten
17. Motorlietank
17a. Oliepeilstok
18. Brandstoftank
18a. Tankdop
18b. Brandstofffilterelement
18c. Brandstofkraan
19. Hydrauliekolietank
19a. Deksel hydrauliekolietank
19b. Peilglas
20. Bougiestekker
20a. Bougie
21. Accu
21a. Veiligheidssleutel
21b. Slot
22. Contactslot
22a. Contactsleutel
23. Luchtfilterdeksel
23a. Vleugelmoer
23b. Vleugelmoer
23c. Luchtfilter
24. smeernippel
25. Carburateurschroef
26. Zekering 10A
27. Trechter
28. Montagesleutel SW 21 mm
29. Vetspuit (met slang)
13f. Besturingshendel (dozerblad/rubberen rupsbanden)
13j. Keuzehendel (dozerblad/rubberen rupsbanden)
4 Inhoud van de levering (afb. 2)
Pos. Aantal Aanduiding
- 1 x Beschermbeugel
2e. 1 x Dak
2i. 1 x Voorruit (afhankelijk van het model)
- 1 x Bestuurdersstoel
4a. 1 x Sleutel
- 1 x Voorbeugel
7g. 2 x Buitenspiegel (links/rechts)
- 1 x Graafbak (22 liter)*
Art.nr: 20000342
- 1 x Snelkoppeling
13a. / 2 x Bedieningshendel (links/rechts)
13d.
13a 2 x Rubberen manchet
- /13d
1
13b 1.2 x Handgreep
22a. 2 x Contactsleutel
-
1 x Trechter
-
1 x Montagesleutel SW 21 mm
-
1 x Vetspuit (met slang)
(geen vet inbegrepen)
1 x Mini-graafmachine
1 x Gebruiksaanwijzing
* = niet altijd meegeleverd!
5 Uitpakken

WAARSCHUWING
Het product en de verpakkingsmaterialen zijn geen kinderspeelgoed!
Kinderen mogen niet met plastic zakken, folies en kleine onderdelen spelen! Er bestaat gevaar voor inslikken en verstikkingsgevaar!
- Verwijder het verpakkingsmateriaal evenals de verpak-kings- en transportbeveiligingen (indien voorhanden).
- Controleer of de inhoud van de levering volledig is.
- Controleer het product en de hulpstukken op transportschade. Meld eventuele schade direct bij het transportbedrijf dat het product heeft bezorgd. Reclamaties op een later tijdstip worden niet erkend.
- Bewaar de verpakking indien mogelijk tot na het verstrijken van de garantietijd.
- Maak u voor aanvang van de werkzaamheden bekend met het product aan de hand van de gebruikshandleiding.
- Gebruik bij accessoires alsook slijtage- en reserveonderdelen uitsluitend originele onderdelen. Reserveonderdelen zijn verkrijgbaar bij de leverancier.
- Geef bij bestellingen onze artikelnummers alsook type en bouwjaar van het product aan.
Benodigd gereedschap:
- 2x steeksleutel/dopsleutel SW 13 mm*
- Afbreekmes*
• Geschikte aanslagmiddelen*
- Geschikt hefinrichting*
* = niet altijd meegeleverd!
5.1 Transportframe (15) verwijderen (afb. 3)
- Verwijder het verpakkingsmateriaal. Gebruik een afbreekmes. Let op uw vingers!
- Verwijder de bouten (15a) van het transportframe (15). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW13.
- Verwijder voorzichtig het transportframe (15).
- Snijd en verwijder de band waarmee het product vastzit.
- Verwijder alle accessoires en transportbeveiligingen van de pallet voordat u het product verplaatst.
5.2 Het product optillen (afb. 3)
Neem de veiligheidsinstructies in acht zoals beschreven in 7.6.8.

GEVAAR
Levensgevaar!
Personen mogen nooit in het bewegingsgebied van opge- tilde ladingen staan.
Er bestaat een risico op ernstige of zelfs dodelijk letsel door beknellingen door geheven lasten.

WAARSCHUWING
Om letsel te voorkomen, mag het product alleen worden opgetild zonder dat het inzetgereedschap is bevestigd.

WAARSCHUWING
De hefpunten zijn gemarkeerd met overeenkomstige sym- bolen.
Optillen op andere punten is onveilig en kan leiden tot persoonlijk letsel of schade aan het product.
Aanwijzingen:
Stel voor het heffen veilig of de hefinrichting (kraan of takel) hiervoor geschikt is om het productgewicht zonder gevaar te dragen. Zie typeplaatje voor het gewicht van de hefinrichting.
Volg de instructies van de fabrikant van de aanslagmiddelen en hefinrichting.
Gebruik alleen goedgekeurde hefinrichtingen (min. hefvermogen kg).
- Bevestig de aanslagmiddelen aan de daarvoor bestemde hefpunten (16).
- Haak de aanslagmiddelen in de hefinrichting.
- Hef het product iets op en controleer of alle aanslagmiddelen conform de voorschriften zijn bevestigd.
- U kunt het product nu naar wens via de hefinrichting heffen.
- Plaats het product op een vlak, recht oppervlak.
5.3 Haal het product van de pallet
- Ga te werk zoals beschreven in 8 en 9 om het product gebruiksklaar te maken.
- Maak uzelf vertrouwd met het hoofdstuk 10.4.
- Start het product op zoals beschreven in 10.5.
-
Draai de bovenwagen 180°, zoals beschreven in 10.4.5.2.
-
Richt de schep naar de grond om het zwaartepunt van het product te verlagen en de stabiliteit tijdens het afda- len te verbeteren.
- Rijd langzaam en gecontroleerd van de pallet af. Houd daarbij de bak op de grond gericht.
| Algemeen: | ||
| Bedrijfsgewicht ca. 1085 kg | ||
| Leeggewicht ca. 1010 kg | ||
| Graafvermogen 12,3 kN (1230 kg) | ||
| Spoorbreedte (verstelbaar) 720 - 900 mm | ||
| Rupsbreedte 180 mm | ||
| Max. helling 15° | ||
| Bodemvrijheid 300 mm | ||
| Druk bij contact met de grond | 29 kPa | |
| Zwenkbereik draagarm Links | 45° | |
| Rechts 85° | ||
| Rijsnelheid (V/R) | 1,8 km/u | |
| Veiligheidsgordel getest volgens | EN ISO 6683:2008 | |
| TOPS (Tip Over Protection) getest volgens: | ISO 12117:1997 | |
| Motor: | ||
| Motortype | 4-takt motor, luchtgekoeld | |
| Nominaal motorvermogen | 8,5 kW (11,5 PS) | |
| Max. motortoerental | 3600 min ^-1 | |
| Cilinderinhoud | 420 cm ^3 | |
| Koppel | 27,8 Nm | |
| Startsysteem | Elektrische starter (12 V) /trekkoordstarter | |
| Brandstof | E10 en E5 | |
| CO _2 -uitstoot | 734,5 g/kWh | |
| Volume van de brandstof-tank | 6 liter | |
| Volume motorolietank | 1,1 liter | |
| Hydraulisch systeem: | ||
| Pompcapaciteit | 2×13 l/min | |
| Druk van het systeem | 175 bar | |
| Volume van de hydraulie-kolietank | 13,5 liter | |
| Meegeleverde accessoires: | ||
| Bak (9) | 0,023 m ^3 (23 liter) | |
*bepaald zonder bestuurder, zonder dynamische effecten, op vlakke, vaste grond, met graafbak 7915400705
Technische wijzigingen voorbehouden!
Geluid en trilling
⚠ WAARSCHUWING
Lawaai kan ernstige gezondheidsklachten tot gevolg hebben. Als het geluid van de machine hoger is dan 85 dB, draag dan geschikte gehoorbescherming voor u en personen in de omgeving.
⚠ WAARSCHUWING
Neem de wettelijke voorschriften inzake geluidsbescherming in acht.
Informatie over de geluidsemissie van het product werd bepaald in overeenstemming met de specificaties van de norm EN ISO 6395:2008 en op basis van richtlijn 2000/14/EG, bijlage VI:
Geluidswaarden
| Geluidsdrukniveau L_pA | 71,08 dB |
| Meetonnauwkeurigheid K_pA | 1,99 dB |
| Geluidsvermogensniveau L_wA | 91,1 dB |
| Gegarandeerd geluidsvermogensniveau L_wA | 93 dB |
| Meetonzekerheid K_wA | 1,99 dB |
⚠ WAARSCHUWING
De geluidsemissies en de trillingsemissiewaarde kunnen van de opgegeven waarde afwijken wanneer de het product daadwerkelijk wordt gebruikt. Dit is afhankelijk van de wijze waarop het product wordt gebruikt en de aard van het werkstuk dat wordt bewerkt.
Probeer om de belasting zo gering mogelijk te houden. Zo kan bijvoorbeeld de werktijd worden beperkt. Hierbij moeten alle aspecten van de bedrijfscyclus in aanmerking worden genomen (zoals de tijd dat het product uitgeschakeld is en de tijd dat deze ingeschakeld is, maar onbelast draait).
Houd u zo nodig aan rustperiodes en beperk de duur van het werk tot het absolute noodzakelijke.
Informatie over de trillingsontwikkeling gemeten volgens de relevante normen:
Trillingskenwaarden (hand-arm-trilling)
| Hand-armtrillingen | |
| Vibratie a_h | 2,17 m/s ^2 |
| Onzekerheid K_h | 0,5 m/s ^2 |
| Carrosserie | |
| Vibratie a_h | 7,65 m/s ^2 |
| Onzekerheid K_h | 0,5 m/s ^2 |
Beperk de geluidsproductie en trilling tot een minimum!
Neem de volgende aanwijzingen in acht om de risico's te beperken:
- Gebruik alleen optimale producten.
- Onderhoud en reinig het product regelmatig.
-
Pas uw werkwijze aan het product aan.
-
Zorg dat het product niet overbelast raakt.
- Laat het product eventueel controleren.
- Schakel het product uit als deze niet in bedrijf is.
- Draag handschoenen.
- Houd uw lichaam en met name uw handen bij koud weer warm.
- Las regelmatig pauzes in en beweeg hierbij de handen om de doorbloeding te bevorderen.
- Houd de trillingen van het product zo laag mogelijk door regelmatig onderhoud aan vaste onderdelen op het product.
7 Veiligheidsvoorschriften
LET OP
Let op!
Bij het gebruik van producten moeten enkele veiligheidsmaatregelen in acht genomen worden, om letsel en schade te voorkomen. Lees daarom deze gebruikshandleiding/veiligheidsvoorschriften zorgvuldig door. Indien u het product aan andere personen mocht overhandigen, overhandig dan tevens deze gebruikshandleiding/veiligheidsvoorschriften. Wij kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor ongevallen of schade, veroorzaakt door niet-naleving van deze handleiding of de veiligheidsvoorschriften.
Neem de veiligheidsinstructies in acht
Bewaar alle veiligheidsvoorschriften en -aanwijzingen voor toekomstig gebruik!
7.1 Uzelf vertrouwd maken met het product
- Lees de volledige gebruikshandleiding voordat u het product gaat gebruiken.
- Let op de waarschuwings- en instructieborden die aan het product bevestigd zijn. Deze geven belangrijke informatie voor een veilig gebruik.
- Zorg dat u vertrouwd bent met de besturings- en regelinrichtingen en het gebruik van het product conform de voorschriften.
- Er moet voor gezorgd worden dat het product alleen gebruikt wordt door geïnstrueerde personen die de bijgevoegde gebruikshandleiding volledig gelezen en begrepen hebben en alle instructies en veiligheidsmaatregelen daarin in acht nemen.
7.2 Werkomgeving
- Controleer de omgeving zorgvuldig voordat u het product gebruikt of een inzetgereedschap bevestigt. Het product is niet geschikt voor gebruik in zware omstandigheden – zoals extreme klimaten of gevaarlijke omgevingen – waar speciale veiligheidsmaatregelen vereist zijn.
- Het product mag niet gebruikt worden in verontreinigde omgevingen.
- Verricht geen werkzaamheden met het product in een explosiegevaarlijke omgeving.
- Houd kinderen en andere personen tijdens het gebruik uit de buurt van het product. Bij afbuiging kunt u de controle over het product verliezen.
7.3 Persoonlijke veiligheid
- Gebruik het product niet als u moe bent of onder invloed bent van drugs, alcohol of medicamenten. Bedien geen producten als u moe bent.
- Draag geschikte kleding! Draag geen wijde kleding of sie-raden, omdat die door bewegende delen of inzetgereedschap vastgegrepen kunnen worden. Aanbevolen wordt om stevige handschoenen, slipvaste schoenen, gehoorbescherming en een veiligheidsbril te dragen.
- Alleen de bediener mag zich tijdens het gebruik op het product bevinden. Andere personen mogen zich niet op het product bevinden.
- Houd handen en voeten uit de buurt van draaiende onderdelen en inzetgereedschappen.
7.4 Bediening en onderhoud
- Controleer het product, in het bijzonder de beschermingsmiddelen en mechanische onderdelen, voor elk gebruik op beschadigingen zoals losse, versleten of beschadigde onderdelen. Controleer of alle moeren, bouten en pennen goed vastzitten.
- Vervang vanwege veiligheidsredenen versleten of beschadigde onderdelen.
- Voordat u het product gebruikt, moet u ervoor zorgen dat het altijd in goede staat verkeert, gevuld is met brandstof, goed gesmeerd en ingevet is en dat alle onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd.
- Het product mag niet worden gewijzigd. Veranderingen kunnen de effectiviteit van de veiligheidsmaatregelen beperken en de risico's voor de operators verhogen.
- Controleer afdekkingen en veiligheidsvoorzieningen op beschadigingen en kijk of ze goed zitten. Vervang ze indien nodig.
- Als de beschermende voorziening is aangetast door plastische vervorming en/of scheuren – bijvoorbeeld als gevolg van omrollen, kantelen of geraakt worden door een voorwerp – moet deze vervangen worden in overeenstemming met de instructies van de fabrikant.
7.5 Veiligheidsinstructies in het bijzijn van kinderen
Onvoorzichtigheid in het bijzijn van kinderen kan ernstige en tragische gevolgen hebben. Kinderen tonen vaak grote belangstelling voor producten, maar onderkennen de gevaren niet en gedragen zich vaak onvoorspelbaar.
- Ga er nooit van uit dat kinderen blijven waar u ze het laatst hebt gezien.
- Houd kinderen altijd onder toezicht van een verantwoordelijke volwassene en uit de buurt van de werkomgeving.
- Wees altijd alert en stop het product onmiddellijk als er kinderen in de werkomgeving komen.
- Laat kinderen nooit op het product rijden.
Er is geen veilige plaats voor hen. Kinderen kunnen eraf vallen, overreden worden of de bediener hinderen bij het bedienen van het product. - Laat het product nooit door kinderen bedienen. Laat het product nooit door volwassenen bedienen als zij niet van tevoren geïnstrueerd zijn.
-
Kinderen mogen niet met het product of het inzetgereedschap spelen.
-
Kijk voordat u achteruit rijdt altijd over uw schouder om er zeker van te zijn dat er zich geen kinderen, mensen of obstakels in de gevarenzone bevinden.
- Plaats het product op een vlak, recht oppervlak. Voordat u het product verlaat, laat u het inzetgereedschap op de grond zakken, schakelt u de motor uit, verwijdert u de contactsleutel en blokkeert u het rupsonderstel.
7.6 Bijzondere veiligheidsinstructies
7.6.1 Voor gebruik
Controleer het terrein grondig om een geschikt inzetgereedschap en de juiste accessoires voor het uit te voeren werk te kiezen. Zodat u uw werk goed en veilig kunt uitvoeren.
Gebruik alleen door de fabrikant goedgekeurde inzetgereedschappen en accessoires.
Bij gebruik van andere inzetstukken en accessoires bestaat gevaar voor persoonlijk letsel.
- Bereid uw werkplek goed voor. Werk niet in de buurt van gebouwen of voorwerpen die door het product beschadigd kunnen worden. Verwijder puin of losse materialen die onverwacht kunnen bewegen en gevaar kunnen opleveren wanneer u eroverheen rijdt.
- Houd mensen uit de buurt van geheven hefarmen, inzetgereedschap en niet-ondersteunde lasten. Gebruik barrières of signaalgevers om voertuigen en voetgangers te waarschuwen. Luid de claxon voordat u het product start om omstanders te waarschuwen.
- Vermijd contact tussen de hefarm of het inzetgereedschap en bovengrondse kabels en andere obstakels. Let op verborgen gaten, obstakels, zachte grond en overhangen om gevaren te vermijden.
- Vermijd contact met gasleidingen, ondergrondse kabels en waterleidingen wanneer u met bepaalde inzetgereedschappen werkt.

GEVAAR
In de werkomgeving kunnen ondergrondse toevoerleidingen aanwezig zijn.
Bij beschadiging van deze leidingen bestaat het risico op een elektrische schok of explosie.
Laat het terrein controleren op ondergrondse leidingen en graaf alleen in gemarkeerde gebieden.
Neem contact op met de plaatselijke serviceprovider of het nutsbedrijf om de locatie te laten markeren!
- Houd het product schoon. Sterke vervuiling, vet, stof en gras kunnen ontbranden en tot ongelukken of letsel leiden.
7.6.2 Ga veilig te werk
- Zorg ervoor dat alle aandrijvingen in neutraal staan voordat u de motor start. Start de motor alleen vanaf het bedieningsplatform.
- Gebruik het product nooit als er veiligheidsvoorzieningen ontbreken of niet goed zijn aangebracht. Zorg ervoor dat alle vergrendelingen correct gemonteerd, correct afgesteld en volledig functioneel zijn.
-
Overschrijd nooit de nominale bedrijfsbelasting. Het product kan instabiel worden en u kunt de controle erover verliezen.
-
Til ladingen nooit op tijdens het rijden. Houd ladingen altijd laag.
- Zet het inzetgereedschap altijd goed vast, zelfs voor korte afstanden, en berg de accessoires netjes op.
7.6.2.1 Werken op hellingen

GEVAAR
Hellingen verhogen het risico om de controle te verliezen en te kantelen, wat kan leiden tot ernstig letsel of dodelijke ongevallen. Wees bijzonder voorzichtig bij het gebruik van het product op hellingen en op oneffen terrein. Vermijd werkzaamheden op zachte, bevroren of onstabiele ondergrond.
Neem de volgende aanwijzingen in acht om de risico's te beperken:
- Houd rekening met de helling van het product in alle as-sen.
- Maximale zijwaartse helling: 11°.
- Maximale helling: 25^ .
-
Rijd altijd bergopwaarts en bergafwaarts op hellingen met de lading omlaag. Pas uw rijstijl hierop aan om de stabiliteit van het product te waarborgen. Zorg ervoor dat het zwaarste deel van het product zich aan de kant van de helling bevindt. De gewichtsverdeling varieert afhankelijk van het inzetgereedschap:
-
Met een lege bak is de achterkant zwaarder.
- Als de bak vol is, zit het gewicht aan de voorkant.
-
Met werktuigen zoals een grijpbak of dozerblad ligt het zwaartepunt ook aan de voorkant.
-
Bij het rijden op hellingen verminderen geheven hefar- men de stabiliteit van het product. Houd ladingen altijd laag.
- Bij het afkoppelen van het inzetgereedschap op een helling verschuift het gewicht naar achteren – de achterkant wordt zwaarder.
- Rijd en verplaats het product langzaam en beheerst op hellingen. Vermijd abrupte veranderingen in richting of snelheid.
- Vermijd starten en stoppen op hellingen. Als u uw grip verliest, rijd dan langzaam en recht naar beneden.
- Vermijd draaien op een helling. Als het nodig is, draai dan langzaam en houd de zware kant op de helling.
- Parkeer het product niet op hellingen of taluds zonder het inzetgereedschap op de grond te laten zakken en het rupsonderstel vast te klemmen.
7.6.2.2 Veiligheidsinstructies voor het rupsonderstel
Het rupsonderstel maakt veelzijdige bewegingen mogelijk. De volgende punten moeten in acht worden genomen om voortijdige slijtage van de rubberen rupsbanden te voorko- men.
- Rijden of draaien over voorwerpen met scherpe randen of treden belast de rubberen rupsband zwaar en kan leiden tot breuken of inkepingen in het loopvlak.
-
Zorg ervoor dat er zich geen vreemde voorwerpen in de rubberen rupsbanden bevinden, omdat deze tijdens het gebruik zwaar worden belast en vreemde voorwerpen schade of scheuren kunnen veroorzaken.
-
Voorkom dat er brandstof of olie op de rubberen rupsbanden komt. Als dit toch gebeurt, moet het betreffende gebied onmiddellijk gereinigd worden.
- Scherpe bochten op wegoppervlakken met een hoge wrijvingscoëfficiënt, zoals beton- of asfaltoppervlakken, kunnen de rubberen rupsband zwaar belasten.
- Vermijd werken in de buurt van randen, greppels of taluds. Het rupsonderstel kan plotseling kantelen als een rubberen rupsband over een rand loopt of als de rand instort.
- Vermijd werken op nat gras, want door de verminderde tractie kan het product wegglijden.
- Let altijd op de richting waarin het product rijdt en controleer het pad op mogelijke obstakels.
- Stap veilig op en af. Gebruik hiervoor de leuningen. Spring niet op of van het product.
7.6.3 Beëindiging van de werkzaamheden
- Plaats het product op een vlak, recht oppervlak.
- Laat het inzetgereedschap volledig op de grond zakken.
• Schakel de hulphydrauliek uit. - Schakel de motor uit en haal de contactsleutel uit het contactslot.
- Trek de veiligheidssleutel er uit.
7.6.4 Bescherming tegen brand
Het product heeft onderdelen die tijdens het gebruik blootstaan aan hoge temperaturen, vooral de motor en het uitlaatsysteem. Bovendien kunnen beschadigde of slecht onderhouden elektrische installaties vonken of vlambogen genereren die brandgevaar opleveren.
Neem de volgende aanwijzingen in acht om de risico's te beperken:
- Wanneer u onder moeilijke omstandigheden werkt, moet u afzettingen in de buurt van hete uitlaatonderdelen van de motor regelmatig uitblazen.
Alle brandbare materialen zoals bladeren, stro en hout-snippers moeten uit het carter, de onderkant van de motor en het gebied bij de motor worden verwijderd om brandgevaar te voorkomen. - Controleer regelmatig alle brandstofleidingen en hydraulische leidingen op slijtage en schade. Als er tekenen van lekkage zijn, moeten deze onmiddellijk worden vervangen.
- Controleer elektrische leidingen en stekkerverbindingen regelmatig op beschadigingen. Laat eventuele schade onmiddellijk en alleen door een gekwalificeerde elektricien repareren.
- Controleer het uitlaatsysteem dagelijks op lekken, kapotte pijpen en geluiddempers en losse of ontbrekende schroeven, moeren en klemmen. Als er lekken of beschadigde onderdelen worden gevonden, moeten de reparaties voor gebruik worden uitgevoerd om een veilige werking te garanderen.
- Houd altijd een multifunctionele brandblusser in de buurt van of direct op het product. Het bedieningspersoneel moet getraind zijn in het gebruik van de brandblusser en weten hoe ze deze in noodgevallen snel en correct moeten gebruiken.
- Als hydraulische olie in de ogen komt, onmiddellijk grondig uitspoelen met schoon water en onmiddellijk medisch advies inwinnen.
- Vermijd contact van huid en kleding met hydraulische olie. Als hydraulische olie in contact komt met de huid, reinig de betreffende plekken dan onmiddellijk grondig met water en zeep om huidirritatie en dermatosen te voorkomen. Als er hydraulische olie op uw kleding komt, verander deze dan onmiddellijk.
- Raadpleeg onmiddellijk een arts als u dampen van hydraulische olie inademt. Als er een lek optreedt in het hydraulische systeem, start het product dan niet en stop het onmiddellijk.
- Olielekkages mogen niet met blote handen worden gecontroleerd. Draag uw persoonlijke beschermingsmiddelen. Het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals werkkleding, een veiligheidsbril en handschoenen, vermindert het risico op letsel.
⚠ WAARSCHUWING
Het hydraulische systeem staat onder druk. Lekken kunnen ernstig letsel veroorzaken.
⚠ WAARSCHUWING
Gevaar voor brandwonden!
De temperatuur van de hydraulische olie stijgt tijdens het gebruik, wat kan leiden tot een risico op brandwonden.
7.6.6 Noodmaatregelen
Er moeten speciale voorzorgsmaatregelen worden genomen bij het werken in de buurt van elektriciteitskabels.
Neem de volgende aanwijzingen in acht om de risico's te beperken:
- Elektriciteit verspreidt zich niet alleen via de weg van de minste weerstand naar de aarde.
- Elektriciteit kan via leidingen, slangen en kabels terugvloeien in producten.
- Laagspanning kan ernstige, soms dodelijke verwondingen veroorzaken. Veel werkgerelateerde elektrische ongevallen zijn het gevolg van contact met spanningen onder 440 volt.
De meeste elektrische schokken worden niet onmiddellijk herkend, maar er zijn typische tekenen die op een elektrische schok kunnen wijzen:
- Stroomuitval
- Rookontwikkeling
- Explosion
- Knallende geluiden
- Boogvorming
Als een of meer van deze symptomen zich voordoen, kan een elektrische schok worden verondersteld.
7.6.6.2 Schade aan een elektriciteitsleiding
Als u vermoedt dat een elektriciteitskabel beschadigd is, beweeg dan in geen geval.
Neem de volgende aanwijzingen in acht om de risico's te beperken:
- Als u op het product staat, blijf daar dan staan. Til het inzetgereedschap op en verplaats het product uit de onmiddellijke gevarenzone.
- Als u niet op het product zit, raak het product of het inzetgereedschap dan niet aan.
- Verlaat de werkomgeving met kleine stapjes en houd uw voeten dicht bij elkaar. Dit verkleint het risico op een elektrische schok door de zogenaamde stapspanning.
- Informeer omstanders onmiddellijk over de elektrische schok en vraag hen om de gevarenzone onmiddellijk te verlaten.
- Neem onmiddellijk contact op met de elektriciteitsleverancier om de stroomtoevoer te laten uitschakelen.
- De werkomgeving mag alleen opnieuw betreden worden na toestemming van de elektriciteitsleverancier. Geen toegang voor onbevoegden.
7.6.6.3 Schade aan een gasleiding
Neem de volgende aanwijzingen in acht om de risico's te beperken:
- Schakel de motor onmiddellijk uit als dit veilig en onmiddellijk kan gebeuren.
- Verwijder onmiddellijk alle ontstekingsbronnen, mits dit veilig en onmiddellijk kan gebeuren.
- Informeer omstanders onmiddellijk over dat er een gas-leiding is doorgesneden en vraag hen om de gevarenzone onmiddellijk te verlaten.
- Verlaat de gevarenzone onmiddellijk.
- Neem onmiddellijk contact op met het nutsbedrijf.
- Als de werkomgeving aan een weg ligt, stop dan onmiddellijk het verkeer in het getroffen gebied.
- De werkomgeving mag pas weer betreden worden na toestemming van de hulpdiensten en het nutsbedrijf. Geen toegang voor onbevoegden.
7.6.6.4 Schade aan een glasvezelkabel
Kijk niet in afgeknipte uiteinden van glasvezelkabels of niet- geïdentificeerde kabels omdat dit visuele schade kan veroor- zaken.
Neem onmiddellijk contact op met het nutsbedrijf.
7.6.6.5 Brand van het product
Voer onmiddellijk een noodstop uit.
Neem de volgende aanwijzingen in acht om de risico's te beperken:
- Verwijder de veiligheidssleutel van de accu (indien toegankelijk).
- Probeer de brand te blussen als het een kleine brand is en er een brandblusser beschikbaar is.
- Als de brand niet geblust kan worden, verlaat dan onmiddellijk de werkomgeving en bel de hulpdiensten.
7.6.7 Het product veilig laden en lossen
⚠ WAARSCHUWING
Het laden en lossen van een product op een aanhanger of vrachtwagen verhoogt het risico op kantelen
. Dit kan ernstig of dodelijk letsel tot gevolg hebben.
- Wees uiterst voorzichtig wanneer u op een oprijplaat rijdt of deze op wil rijden.
– Rijd of ga alleen een helling op met het inzetstuk in neergelaten toestand.
- Bij het laden van het product via een oprijplaat mag alleen achteruit worden gereden. De zwaardere kant van het product moet altijd naar boven gericht zijn om kan-telen of uitglijden te voorkomen. Bij het lossen van het product mag u vooruit rijden.
- Vermijd plotseling starten en remmen, omdat dit tot controleverlies kan leiden en het product kan doen kantelen.
- Neem alle voorschriften in acht wanneer u het product op de openbare weg vervoert.
- Gebruik voldoende lange en stabiele oprijplaten wanneer u het product op een vrachtwagen laadt.
- Gebruik alleen oprijplaten die geschikt zijn voor het gewicht van het product.
- Verander de rijrichting niet om kantelen te voorkomen.
- Schakel na het laden de motor uit, verwijder de veiligheidssleutel en verwijder de bougiestekker van de bougie.
- Gebruik geschikte wiggen om het rupsonderstel te beveiligen tegen ongecontroleerde bewegingen.
- Gebruik alleen bevestigingsmiddelen die geschikt zijn voor het gewicht van het product. Neem de plaatselijke voorschriften voor bevestiging in acht.
7.6.8 Het product veilig optillen
Het product kan ook op een aanhangwagen/vrachtwagen worden gehesen met behulp van geschikte hefinrichtingen.
⚠ WAARSCHUWING
Hefwerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel met de juiste training en instructie.
GEVAAR
Levensgevaar!
Personen mogen nooit in het bewegingsgebied van opge- tilde ladingen staan.
Er bestaat een risico op ernstige of zelfs dodelijk letsel door beknellingen door geheven lasten.
⚠ WAARSCHUWING
Gevaar voor beknelling!
Let op uw vingers!
Neem de volgende aanwijzingen in acht om de risico's te beperken:
- Verwijder het inzetgereedschap.
- Gebruik alleen de hefpunten die door de fabrikant gespecificeerd en gelabeld zijn.
- Gebruik alleen aanslagmiddelen en hefinrichtingen die geschikt zijn voor het gewicht van het product.
- Til het product alleen op aan de drie hefpunten.
- Zorg er bij het optillen van het product voor dat de hellingshoek van 20 graden niet wordt overschreden.
7.7 Omgang met brandstof
LET OP
Gebruik alleen Super E5 of E10 benzine als brandstof.

GEVAAR
Levensgevaar!
Brandstof is giftig en zeer ontvlambaar.
- Bewaar brandstof alleen in daarvoor bedoelde containers (jerrycans).
- De sluitkappen van het tankreservoir moeten altijd correct opgeschroefd en aangehaald worden.
- Vanwege veiligheidsredenen moeten brandstoftank en tankdeksel bij beschadiging worden vervangen.
- Houd brandstof uit de buurt van vonken, open vuur, waakvlammen, warmtebronnen en andere ontstekingsbronnen. Niet roken!
- Vul de tank uitsluitend bij in de buitenlucht en rook niet tijdens het tanken.
- Schakel voor het tanken de verbrandingsmotor uit en laat deze afkoelen.
- Brandstof moet voor het starten de motor worden bijgevuld. Open de tankdop niet terwijl de motor loopt of onmiddellijk na het uitschakelen van het product en vul geen brandstof bij.
- Open de tankdop voorzichtig en langzaam. Drukcompensatie afwachten en pas daarna de tankdop volledig afnemen.
- Gebruik voor het tanken een geschikte trechter of een invoerbuis, zodat er geen brandstof op de verbrandingsmotor en behuizing kan terechtkomen. Vul de brandstoftank niet te vol!
- Om de brandstof ruimte tot uitzetting te bieden, brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulpijp vullen. Extra gegevens in de gebruikshandleiding van de verbrandingsmotor in acht nemen.
- Indien brandstof is overstroomd, de verbrandingsmotor pas starten, nadat de met brandstof vervuilde vlakken zijn gereinigd. Elke ontstekingspoging moet worden vermeden totdat de brandstofdampen zijn verdampt (droogvegen).
• Veeg gemorste brandstof direct weg.
- Als brandstof op kleding is terechtgekomen, moet deze worden vervangen.
- De tankdop moet na elke keer tanken correct opgeschroefd en aangehaald worden. Het product mag zonder opgeschroefde originele tankdop niet in gebruik worden genomen.
- Controleer vanwege veiligheidsredenen de brandstofleiding, brandstoftank, tankdop en aansluitingen regelmatig op beschadigingen, veroudering (breekbaarheid), op correcte bevestiging en ondichte plaatsen en vervang deze indien nodig.
- Leeg de tank alleen in de open lucht.
- Gebruik nooit drinkflessen of gelijksoortig voor het verwijderen of opslaan van bedrijfsmiddelen, zoals bijv. brandstof. Personen, in het specifiek kinderen, kunnen verleid worden daaruit te drinken.
- Bewaar nooit het product met brandstof in de tank binnen een gebouw. Ontstane brandstofdampen kunnen met open vuur en vonken in aanraking komen en zich ontsteken.
- Product en brandstoftank niet in de buurt van verwarmingen, warmtestralers, lasapparaten of andere warmtebronnen neerzetten.

GEVAAR
Explosiegevaar!
Als tijdens het gebruik een defect aan de tank, de tankdop of aan brandstofgeleidende delen (brandstofleidingen) wordt vastgesteld, moet direct de verbrandingsmotor worden uitgeschakeld.
Vervolgens moet contact met een leverancier worden opgenomen.
7.8 Veiligheid accu
- Om vonkvorming door kortsluiting te vermijden, moet altijd eerst de minkabel (−) op de accu losgemaakt en als laatst weer aangesloten worden.
- Rook nooit bij werkzaamheden aan de accu. Houd vonken, open vuur en andere warmtebronnen altijd uit de buurt van de accu.
- Bij het gebruik van startkabels is speciale voorzichtigheid geboden. Neem desbetreffende aanwijzingen in acht, om schade aan het product te voorkomen (in het specifiek starter maximaal 10 seconden bedienen).
- Accu nooit openen en niet laten vallen.
- Accu altijd in een gesloten ruimte met goede ventilatie, droog en tegen weer beschermd opladen.
- Sluit de aansluitingen van de accu niet kort.
- Vervormde of defecte (lekkende) accu's mogen niet worden gebruikt en moeten vervangen evenals op milieu-vriendelijke wijze verwijderd worden. Neen de landspecifieke voorschriften in acht.
- Bij defecte accu's kan er vloeistof uittreden. Contact vermijden! Spoel de vloeistof bij toevallig contact af met water. Als de vloeistof in de ogen terechtkomt, moet u direct een arts consulteren. Uittredende accuvloeistof kan leiden tot huidirritaties, verbrandingen en irritaties.
- Onderzoek regelmatig door visuele controle de aansluit-kabels aan de accu op beschadigingen. Laat beschadig-de kabels door een specialist vervangen.
- De zekeringen mogen nooit worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven belastbaarheid (Ampère).
7.8.1 Veiligheidsvoorschriften voor de omgang met accu's
- Zorg er altijd voor dat de accu's met de juiste polariteit (+ en -) worden geplaatst, zoals aangegeven op de accu.
- Voorkom dat de accu's worden kortgesloten.
- Niet-oplaadbare accu's mag u niet opladen.
- Voorkom dat de accu te veel wordt ontladen!
- Combineer geen oude en nieuwe accu's of accu's van verschillende typen of fabrikanten! Vervang de set accu's gelijktijdig.
- Verwijder lege accu's direct uit het apparaat en voer ze op de juiste wijze af! Gooi accu's niet bij het huishoudelijk afval. Defecte of verbruikte accu's moeten overeenkomstig richtlijn 2006/66/EC worden gerecycled. Lever accu's en/of het apparaat in bij de hiertoe bestemde afvalverwerkingsstations. U kunt bij uw gemeente of plaatselijke overheidsinstantie informatie krijgen over afvalverwijdering.
- Accu's niet verwarmen!
- Niet rechtstreeks op accu's solderen of lassen!
- Accu's niet uit elkaar nemen!
- Accu's niet vervormen!
- Accu's niet in open vuur werpen!
- Bewaar accu's buiten het bereik van kinderen.
- Voorkom dat kinderen zonder toezicht de accu's kunnen vervangen!
- Bewaar accu's niet in de buurt van open vuur, kachels of andere warmtebronnen. Plaats de accu niet in direct zonlicht en gebruik of bewaar ze niet bij warm weer in de auto.
- Bewaar ongebruikte accu's in hun originele verpakking en uit de buurt van metalen voorwerpen. Voorkom dat uitgepakte accu's worden gemengd of bij elkaar worden gelegd!
Dit kan kortsluiting van de accu veroorzaken en beschadiging, brandwonden of zelfs brandgevaar tot gevolg hebben.
- Verwijder de accu's uit het product wanneer ze langere tijd niet wordt gebruikt, tenzij het gaat om noodgevallen!
- Raak lekkende accu's NOOIT aan zonder adequate beschermingsuitrusting. Indien de gelekte vloeistof in aanraking komt met de huid, moet dat gebied van de huid onmiddellijk onder stromend water worden afgespoeld. Voorkom in ieder geval dat de vloeistof in aanraking komt met de ogen en de mond. Neem in dat geval onmiddellijk contact op met een arts.
- Reinig de accupolen en de contactpunten in het apparaat voordat u de accu's plaatst.
Restrisico's
Het product is vervaardigd volgens de stand van de techniek en de erkende veiligheidstechnische regels.
Toch kan tijdens de werkzaamheden sprake zijn van enkele restrisico's.
- Bovendien kunnen er ondanks alle getroffen voorzieningen verborgen restrisico's bestaan.
-
Restrisico's kunnen worden geminimaliseerd als de "veiligheidsvoorschriften" en het "gebruik conform de voorschriften", alsook de gebruikshandleiding in acht worden genomen.
-
Vermijd onvoorziene ingebruikname van het product.
- Houd uw handen buiten de werkomgeving, wanneer het product in bedrijf is.
- Onopzettelijk inschakelen van het product.
- Volg de in de gebruikshandleiding voorgeschreven onderhouds- en veiligheidsvoorschriften op.
⚠ WAARSCHUWING
Bij langdurige werkzaamheden kunnen door de trillingen stoornissen in de doorbloeding in de handen van de gebruiker optreden (witte vinger syndroom).
Raynaud-syndroom (dove vingers) is een vaatziekte, waarbij kleine bloedvaten in de vingers en tenen acuut verkrampen. De desbetreffende lichaamsdelen worden dan niet meer voldoende van bloed voorzien waardoor ze een bleke kleur krijgen. Het frequente gebruik van trillende producten kan zenuwbeschadigingen veroorzaken bij personen met een verminderde doorbloeding (bijv. rokers, diabetici).
Als u ongewone beperkingen bespeurt, stopt u direct de werkzaamheden en raadpleegt u een arts.
8 Montage
LET OP
Voer de montage en instellingen op het product altijd bij een uitgeschakelde motor uit en verwijder de bougiestekker.
LET OP
Vanwege het zware gewicht van het product raden wij aan om het door minstens twee personen te laten monteren.
- Monteer geen producten of onderdelen op het product die niet zijn goedgekeurd door de fabrikant.
Benodigd gereedschap:
- 2x steeksleutel/dopsleutel SW 13 mm*
- 2x steeksleutel/dopsleutel SW 24 mm*
- Inbussleutel 4 mm*
* = niet altijd meegeleverd!
Aanwijzing:
Bewaar alle gedemonteerde bevestigingselementen voor de latere montage.
8.1 Bestuurdersstoel (3) monteren (afb. 4)
- Steek de rail van de bestuurdersstoel (3) vanaf de voorkant in de houder van de motorkap (4).
- Sluit de stoelcontactschakelaar (3a) aan.
- Trek de instelhendel (3b) naar buiten en houd deze in deze positie.
- Schuif de bestuurdersstoel (3) naar de gewenste positie en laat de instelhendel (3b) los. De bedieningsstoel (3) klikt hoorbaar vast.
8.2 Bedieningshendel (13a/13d) monteren (afb. 5)
- Verwijder de moeren (13a 2/13d 2) van de bedienings-hendels (13a/13d). Gebruik een steeksleutel SW 24 mm.
- Steek de bedieningshendels (13a/13d) van bovenaf door de rubberen manchetten (13a 1/13d 1).
- Draai de klemschroeven (13a 3/13d 3) op het bedie- ningsstation (13) los. Gebruik hiervoor een inbussleutel van 4 mm.
- Draai de moeren (13a 2/13d 2) op de bedieningshendels (13a/13d).
- Draai de bedieningshendels (13a/13d) in de bussen en stel de gewenste werkpositie in.
- Draai de klemschroeven (13a 3/13d 3) vast en zet ze vast met de contramoeren (13a 4/13d 4). Gebruik een inbussleutel van 4 mm en een steeksleutel van 13 mm.
- Draai de moeren (13a 2/13d 2) vast. Gebruik een steeksleutel SW 24 mm.
- Plaats de rubberen manchetten (13a 1/13d 1) over de bevestigingen.
8.3 Handgreep (13b 1/13c 1) monteren (afb. 5)
- Schroef telkens een handgreep (13b 1/13c 1) op de rijhendels (13b/13c).
- Zet de handgrepen (13b 1/13c 1) vast met de moeren. Gebruik een steeksleutel SW 16 mm.
8.4 Montage van de voorbeugel (7) (afb. 6)
- Verwijder alle schroeven M16 (7a), sluitringen (7b) en veerringen (7c) uit de bovenwagen (5). Gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 24 mm.
- Lijn de voorbeugel (7) uit op de bovenwagen (5). Zorg ervoor dat de montagegaten overeenkomen.
- Monteer de voorbeugel (7) met de bouten M16 (7a), sluit- ringen (7b) en veerringen (7c) op de bovenwagen (5). Gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 24 mm.
8.5 Duwbeugel (2) monteren (afb. 6, 7)
- Verwijder alle bouten M8/M16 (7d/2a), sluitringen (7e/2b), veerringen (2c) en moeren (7f/2d) uit de bovenste montagegaten op de voorste beugel (7). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm en SW 24 mm.
Leg de vier bouten M8 (7d) en de bijbehorende sluitringen (7e) en moeren (7f) apart. - Lijn de beschermbeugel (2) uit met de voorste beugel (7). Zorg ervoor dat de montagegaten overeenkomen.
- Steek telkens een bout M16 (2a) met sluitring (2b) en veerring (2c) door de montagegaten en zet deze vast met telkens een sluitring (2b) en een moer (2d).
- Draai alle moeren (2d) en schroeven M16 (2a) vast. Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 24 mm.
8.6 Montage van de voorruit (2i) (afb. 7)
-
Verwijder alle bouten M8 (2k), sluitringen (2l) en moeren (2m) uit de montagegaten op de beschermbeugel (2). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
-
Verwijder de lijsten (2j).
- Pak de voorruit (2i) uit en verwijder de beschermfolie van beide zijden.
- Plaats de voorruit (2i) van bovenaf op de beschermbeugel (2). Zorg ervoor dat de montagegaten overeenkomen.
- Plaats de lijsten (2j) op de voorruit (2i). Let op de juiste uitlijning.
- Steek telkens een bout M8 (2k) door de montagegaten van de lijsten (2j) en de voorruit (2i) en zet deze vast met telkens een sluitring (2l) en een moer (2m).
Gebruik ook de vier apart gehouden bouten M8 (7d), sluitringen (7e) en moeren (7f) voor de onderste montagegaten.
- Draai alle moeren (2m/7f) en bouten M8 (2k/7d) voorzichtig vast.
Gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 13 mm.
8.7 Dak (2e) monteren (afb. 7, 8)
- Verwijder alle bouten M8 (2f), sluitringen (2g) en moeren (2h). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
- Plaats het dak (2e) op de beschermbeugel (2). Zorg ervoor dat de uitsparing van het dak (2e) in de richting van de voorruit (2i) wijst.
- Steek telkens een bout M8 (2f) met sluitring (2g) door de montagegaten van het dak (2e) en zet deze vast met een sluitring (2g) en een moer (2h).
- Draai alle moeren (2h) en bouten M8 (2f) vast. Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
8.8 Buitenspiegels (7g) monteren (afb. 9)
- Verwijder alle bouten M8 (7h), sluitringen (7i), veerringen (7j) en moeren (7k). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
- Lijn de beide buitenspiegels (7g) aan de linker- en rechterkant van de voorbeugel (7) uit. Zorg ervoor dat de montagegaten overeenkomen. Let op de juiste uitlijning.
- Steek een bout M8 (7h) met sluitring (7i) door de montageboringen elk van de bijbehorende gaten en zet ze vast met een sluitring (7i), een veerring (7j) en een moer (7k).
- Draai alle moeren (7k) en bouten M8 (7h) vast. Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
- Stel de buitenspiegels (7g) via de kogelkop door kantelen of draaien zo af dat het gewenste zicht wordt bereikt.
9 Voor de ingebruikname
⚠ WAARSCHUWING
Lees voor de ingebruikname van het product deze handleiding voor uw eigen veiligheid en de algemene veiligheidsvoorschriften grondig door. Als u het product aan derden geeft om te gebruiken, dient u deze gebruikshandleiding altijd mee te leveren.

WAARSCHUWING
Ontkoppel de accu en verwijder altijd de veiligheidssleutel voordat u aanpassingen aan het product uitvoert.

WAARSCHUWING
Sluit de stroomkring van de accu pas aan als het product klaar is voor gebruik.
LET OP
Het product voor de ingebruikstelling in ieder geval volledig monteren!
LET OP
Bij de eerste inbedrijfstelling moet motorolie en brandstof worden bijgevuld.
LET OP
Smeer voor elke ingebruikname alle smeernippels.
Aanwijzing:
Het product wordt geleverd met gevulde hydraulische olie.
Controleer het product voor elke ingebruikname op:
- Stevige bevestiging van de schroefverbindingen.
- Lekken aan leidingen, slangen en tanks.
- Zichtbare gebreken.
- Voldoende olie-, hydraulische olie- en brandstofpeil.
LET OP
Productbeschadiging!
Als het product zonder olie, met te weinig olie of met afgewerkte olie wordt gebruikt, kan dit leiden tot schade aan het product.
– Vullen met olie vóór ingebruikname. Het product wordt zonder olie geleverd.
- Gebruik geen afgewerkte olie!
- Controleer voor elke inbedrijfstelling het oliepeil.
LET OP
Milieuschade!
Uitgelopen olie kan het milieu ernstig verontreinigen. De vloeistof is zeer giftig en kan snel tot waterverontreiniging leiden.
- Olie uitsluitend vullen/aftappen op vlakke, stevige ondergronden.
- Gebruik een vulpijp of trechter.
– Vang afgetapte olie in een geschikte container op. - Veeg gemorste olie direct zorgvuldig weg en verwijder de doek conform de lokale voorschriften.
- Verwijder olie conform de lokale voorschriften.

GEVAAR
Levensgevaar!
Brandstof is giftig en zeer ontvlambaar.

GEVAAR
Brand- en explosiegevaar!
Vul de brandstof alleen bij als de motor is uitgeschakeld en afgekoeld. Rook niet wanneer u het product tankt.

GEVAAR
Brand- en explosiegevaar!
Brandstof kan zich bij het vullen ontsteken en eventuee exploderen. Dit leidt tot ernstige verbrandingen of zelfs de dood.

WAARSCHUWING
Gevaar voor de gezondheid!
Bij het inademen van brandstof-/smeeroliedampen en uitlaatgassen kan er ernstige gezondheidsschade, bewusteloosheid ontstaan en dit in extreme gevallen zelfs tot de dood leiden.
- Adem geen brandstof-/smeeroliedampen en uitlaatgassen in.
- Tap brandstof alleen af in de open lucht.
Aanwijzing:
Plaats het product op een vlak, recht oppervlak.
Benodigd gereedschap:
- Trechter (28)
- Lap/doek*
* = niet altijd meegeleverd!
9.1 Openen/sluiten van de motorkap (4) (afb. 10)
Openen:
- Ontgrendel de motorkap (4) door de sleutel (4a) linksom te draaien.
- Til de motorkap (4) op en open deze volledig. Zorg ervoor dat de motorkapvergrendeling (4b) vastklikt.
Sluiten:
-
Ontgrendel de motorkapvergrendeling (4b) door deze aan de onderkant lichtjes naar u toe te trekken. Houd daarbij de motorkap (4) met uw andere hand vast.
-
Sluit de motorkap (4) en zorg ervoor dat de motorkap (4) vergrendeld is.
Aanwijzing:
Het is niet nodig om de motorkap met de sleutel te vergrendelen – deze vergrendelt automatisch na het sluiten.
9.2 Motorolie bijvullen (afb. 11)
LET OP
Het product wordt geleverd zonder motorolie. Voor ingebruikname daarom altijd olie bijvullen. Gebruik hiertoe SAE 10W-30 olie.
- Zet de motor uit en laat hem afkoelen.
- Vermijd huid- en oogcontact.
- Zorg ervoor dat er geen vuil of water in de brandstoftank komt.
Aanwijzingen:
De motorolie heeft invloed op de prestaties en levensduur van het product.
Een oliesensor voorkomt het starten van de motor bij een te laag oliepeil.
Gebruik een motorolie voor 4-taktmotoren.
Zorg ervoor dat de olie voldoet aan de API SERVICE-classificatie SJ of hoger – deze informatie vindt u op het etiket van de oliecontainer.
Controleer regelmatig voor elke ingebruikname het oliepeil. Een te laag oliepeil kan de motor beschadigen.
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Draai de oliepeilstok (17a) los.
- Vul de motorlietank (17) met behulp van een trechter. Let op de max. vulhoeveelheid (zie Technische gegevens). Vul de brandstof voorzichtig bij tot aan de onderkant van de vulpijp.
- Veeg de oliepeilstok (17a) met een schone, pluisvrije doek schoon.
- Voer de oliepeilstok (17a) weer in, zonder de oliepeilstok (17a) weer vast te schroeven.
- Trek de oliepeilstok (17a) eruit en lees in horizontale stand het oliepeil af. Het oliepeil moet zich tussen L (low) en H (high) van de oliepeilstok (17a) bevinden.
- Als het oliepeil te laag is, voeg dan de aanbevolen hoeveelheid motorolie toe (zie technische gegevens).
- Schroef de oliepeilstok (17a) vervolgens weer vast.
- Sluit de motorkap (4).
9.3 Brandstof bijvullen (afb. 12)
- Schakel de motor uit en laat deze afkoelen.
- Houd uit de buurt van hitte, vlammen en vonken.
- Vul brandstof alleen in de open lucht bij.
• Draag veiligheidshandschoenen. - Vermijd huid- en oogcontact.
- Vermijd het gebruik van oude of vervuilde brandstof of brandstof-oliemengsels.
- Zorg ervoor dat er geen vuil of water in de brandstoftank komt.
Aanwijzing:
Controleer het brandstofpeil voor elke ingebruikname.
LET OP
Het product wordt geleverd zonder brandstof. Voor ingebruikname daarom altijd brandstof bijvullen. Gebruik hiertoe Super E5/E10 benzine.
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Reinig de tankdop (18a) en het gebied rond de vulopening om te voorkomen dat er vuil of vreemde voorwerpen in de brandstoftank (18) terechtkomen.
-
Open de tankdrop (18a) voorzichtig zodat een evt. aanwezige overdruk afgebouwd kan worden. De tankdop (18a) is verbonden met een verlieszekering in de brandstoftank (18) en kan zo niet vallen.
-
Verwijder het brandstofffilterelement (18b).
-
Controleer het brandstofpeil visueel.
-
Plaats het brandstofffilterelement (18b) terug.
-
Vul de brandstoftank (18) met behulp van een trechter (27) met brandstof. Let op de max. vulhoeveelheid van 6 liter. Vul de brandstof voorzichtig bij tot aan de onderkant van de vulpijp.
-
Sluit de tankdop (18a) weer door deze recht te plaatsen en rechtsom te draaien. Zorg ervoor dat de tankdop (18a) volledig gesloten is om lekken en verdamping te voorkomen.
-
Reinig de tankdop (18a) en de omgeving.
-
Controleer de brandstoftank (18) en de brandstofleidingen op lekkages.
-
Sluit de motorkap (4).
9.4 Controleer het hydraulische oliepeil (afb. 13)
LET OP
Om het hydraulische oliepeil correct te kunnen aflezen, moeten alle hydraulische cilinders zich in de achterste eindstand bevinden. Duw hiervoor alle hydraulische cilinders volledig in.
Controleer het oliepeil bij een omgevingstemperatuur van ca. 10 tot 30 °C.
- Controleer het oliepeil aan de hand van het kijkglas (19b); het peil moet tussen de markeringen liggen.
9.5 Controleer de bougie (20a) (afb. 14)
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Controleer of de bougiestekker (20) op de bougie (20a) is bevestigd.
9.6 Accu (21) aansluiten/loskoppelen (afb. 15)
Het circuit van de accu (21) kan gesloten of onderbroken worden met behulp van de veiligheidssleutel (21a).

WAARSCHUWING
Ontkoppel de accu en verwijder altijd de veiligheidssleutel voordat u aanpassingen aan het product uitvoert.

WAARSCHUWING
Het verwijderen van de accu is uitsluitend voor- behouden aan bevoegd vakpersoneel.
Sluit de accu aan:
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Steek de veiligheidssleutel (21a) in het slot (21b).
- Draai de veiligheidssleutel (21a) met de klok mee totdat deze hoorbaar vergrendelt. Het product is nu klaar voor gebruik.
- Sluit de motorkap (4).
Accu loskoppelen:
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Draai de veiligheidssleutel (21a) linksom, de accu (21) is nu losgekoppeld.
- Verwijder de veiligheidssleutel (21a).
10 Bediening

GEVAAR
Gevaar voor letsel!
Draag altijd persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)!
– Draag een veiligheidshelm.
– Draag gehoorbescherming.
– Draag nauw aansluitende beschermende kleding met snijbeschermingslaag.
– Draag antislip veiligheidsschoenen.
– Draag veiligheidshandschoenen.

WAARSCHUWING
Gevaar voor ernstig letsel en persoonlijk letsel!
Controleer voordat u het product start of er zich geen andere personen in de buurt van het product bevinden. Controleer voor het werken met het product de richting van de rubberen rupsbanden. (De vrijlooprol en het dozerblad wijzen naar de voorkant van het product). Vermijd dwars over een helling te rijden of er zijdelings op te werken.

WAARSCHUWING
Gevaar door vallende lasten bij stilstand van de motor!
Als de motor onverwachts stopt, duwt u de rechter bedieningshendel onmiddellijk naar voren om het inzetstuk gecontroleerd te laten zakken. Anders kan dit leiden tot storingen en ernstige ongevallen door ongecontroleerd vallende lasten.

VOORZICHTIG
Wanneer het product niet in gebruik is of onbeheerd wordt achtergelaten, moet het inzetstuk op de grond worden geplaatst en moet de bedieningspost met de vergrendelings-hendel worden vergrendeld.
LET OP
Vanwege het hoge gewicht van het product raden wij aan om het inzetstuk met minimaal twee personen te monteren/demonteren.
Zorg dat u vertrouwd bent met de gebruikshandleiding, voordat u probeert om het product te bedienen.
10.1 Bestuurdersstoel (3) instellen (afb. 16)

VOORZICHTIG
Voordat u de bestuurdersstoel verstelt, moet u ervoor zorgen dat er geen handen op de motorkap of achter de bedieningsstoel zijn.
- Ga op de bestuurdersstoel (3) zitten.
- Trek de instelhendel (3b) naar buiten en houd deze in deze positie.
- Zet de bestuurdersstoel (3) in een positie waarin u alle bedieningselementen gemakkelijk kunt bereiken.
- Laat de verstelhendel (3b) los. De bestuurdersstoel (3) klikt hoorbaar vast.
10.2 Veiligheidsgordel (3c) omdoen (afb. 16)
- Ga op de bestuurdersstoel (3) zitten.
- Vergrendel de veiligheidsgordel (3c) in de gordelsluiting (3d).
- Stel de veiligheidsgordel (3c) zo af dat deze strak tegen het lichaam aanligt, maar niet oncomfortabel drukt.
10.3 Uitleg van het bedieningspaneel (14) (afb. 1, 17)
Steek de contactsleutel (22a) in het contactslot (22) en draai deze in de stand "ON".
Bedrijfsurenteller (14a):
De bedrijfsurenteller (14a) geeft het aantal bedrijfsuren weer dat het product tot nu toe heeft gedraaid.
Als de contactsleutel (22a) in de stand "ON" staat, blijft de bedrijfsurenteller (14a) ook bij uitgeschakelde motor doorlopen.
Bedrijfsindicator (14b):
De LED van de bedrijfsindicator (14b) brandt continu groen zodra de contactsleutel (22a) in de stand "ON" staat en het accucircuit (21) gesloten is zoals beschreven in 9.6.
Als u op knop (14c) drukt, klinkt er een signaal uit de claxon.
Knop (LED-koplamp) (14d):
Door op de knop (14d) te drukken schakelt u de LED-koplamp (1a) in of uit.
10.4 Uitleg van het bedieningsstation (13) (afb. 1)
Linker bedieningshendel (13a):
- Arm (12) uit- of inschuiven.
- Graafmachine naar links en rechts draaien.
Linker rijhendel (13b):
- Vooruit/achteruit rijden (in combinatie met rechter bedieningshendel).
- Naar links/rechts bewegen.
Rechter rijhendel (13c):
- Vooruit/achteruit rijden (In combinatie met linker bedieningshendel).
- Naar links/rechts bewegen.
Rechter bedieningshendel (13d):
- Draagarm (1) omhoog of omlaag brengen.
- Met de bak (9) graven of leegmaken.
Vergrendelingshendel (13e):
- Bedieningsstation (13) vergrendelen.
Besturingshendel (13f) in combinatie met keuzeschakelaar (13j):
- Rubberen rupsbanden (6) in-/uitschuiven.
- Dozerblad (8) omhoog of omlaag brengen.
Linker bedieningspedaal (13i):
- Bedieningspedaal voor extra hydraulisch circuit.
- Inzetstuk bedienen.
Keuzeschakelaar (13j):
- Omschakelen tussen rubberen rupsbanden (6) of dozerblad (8).
Vergrendelingshendel (13k):
• Bovenwagen (5) vergrendelen.
Rechter bedieningspedaal (13l):
• Bovenwagen (5) draaien.
Raadpleeg de verdere beschrijvingen voor meer informatie over de bediening van het product.
10.4.1 Bedieningsstation (13) vergrendelen (afb. 1, 18)
U kunt het bedieningsstation (13) vergrendelen met de vergrendelingshendel (13e).
Het bedieningsstation vergrendelen:
- Druk de vergrendelingshendel (13e) naar voren.
– Het bedieningsstation (13) is vergrendeld.
Het bedieningsstation ontgrendelen:
- Trek de vergrendelingshendel (13e) naar achteren.
– Het bedieningsstation (13) is ontgrendeld.
10.4.2 Dozerblad (8) omhoog/omlaag brengen (afb. 19)
- Zet de keuzeschakelaar (13j) in de onderste stand.
- Druk de besturingshendel (13f) naar voren om het dozerblad (8) te laten zakken of trek deze naar achteren om deze te heffen.
Aanwijzing:
Laat het dozerblad bij alle stationaire werkzaamheden en bij het parkeren van het product volledig zakken voor meer stabiliteit.
10.4.2.1 Dozerbladverlenging (8b) (afb. 19)
Het dozerblad (8) kan indien nodig worden verbreed van 720 mm tot 900 mm.
-
Trek de beide binnenste borgbouten (8a) naar boven.
-
Draai de beide dozerbladverlengingen (8b) naar buiten tot de aanslag.
- Zet de dozerbladverlengingen (8b) vast met de borgbouten (8a).
10.4.3 Rijhendel (13b/13c)
10.4.3.1 Bediening van de rij-aandrijving (afb. 20)
LET OP
Breng het inzetstuk iets omhoog als u met het product rijdt, maar houd het laag.
LET OP
Til het dozerblad op tijdens het rijden met het product.

WAARSCHUWING
Als de bovenwagen 180° is gedraaid, keert de rijrichting van de rijhendels om.
Als de machinist de rijhendel naar voren beweegt, rijdt de graafmachine vanuit zijn perspectief achteruit.

VOORZICHTIG
Wijzig de rijrichting niet op steile hellingen – de graafmachine kan kantelen.
Als een richtingsverandering noodzakelijk is, zorg er dan voor dat er zich geen personen in het werkgebied bevin- den.
Aanwijzing:
Het product kan op een helling zonder brandstof komen te staan, omdat de brandstof in de tank naar voren stroomt en de brandstoftoevoer wordt onderbroken.
De rijrichting van de afzonderlijke rubberen rupsbanden (6a) wordt geregeld via de rijhendels(13b/13c).
- Ontgrendel het bedieningsstation (13) met de vergrendelingshendel (13e).
Vooruit rijden:
- Duw beide rijhendels (13b/13c) tegelijkertijd naar voren.
Achteruit rijden:
- Trek beide rijhendels (13b/13c) tegelijkertijd naar achteren.
Van rijrichting veranderen:
- Duw de rechter rijhendel (13c) naar voren.
- De rechter rubberen rupsband beweegt naar voren, waardoor het product naar links draait.
- Trek de rechter rijhendel (13c) naar achteren.
- De rechter rubberen rupsband beweegt naar achteren, waardoor het product naar rechts draait.
- Duw de linker rijhendel (13b) naar voren.
- De linker rubberen rupsband beweegt naar voren, waardoor het product naar rechts draait.
- Trek de linker rijhendel (13b) naar achteren.
- De linker rubberen rupsband beweegt naar achteren, waardoor het product naar links draait.
Bergop en bergaf rijden:
- Houd de onderrand van het inzetstuk tijdens het rijden ongeveer 20-40 cm boven de grond.
Ook al staat de graafmachine stabiel op de rupsbanden, is het veiliger om de bak bij het afdalen lichtjes over de grond te laten glijden.
- Rijd bij het bergopwaarts en bergafwaarts rijden altijd met lage snelheid.
10.4.3.1.1 Bochten en radii rijden:

WAARSCHUWING
Waarschuwing voor spot-turns (draaien op de plaats)!
Spot-turns op hoge snelheid kunnen leiden tot schommelen, instabiliteit en ongelukken. Spot-turns uitsluitend bij lage snelheid uitvoeren.
- Door de rijhendels (13b/13c) in verschillende mate in te drukken en uit te trekken, kunnen bochten en radii worden genomen.
- Hoe groter het verschil in beweging van de rijhendel tussen de linker en rechter rubberen rupsband (6a), hoe krapper de bochtradius.
Aanwijzing:
Bedien slechts één rijhendel om de rijrichting te veranderen wanneer het product stilstaat of rijdt.
Om het product ter plekke te draaien, duwt u één rijhendel tegelijkertijd naar voren en de andere naar achteren.
10.4.4 Bedieningshendels (13a/13d) (afb. 21)
10.4.4.1 Draagarm (1) bedienen (afb. 22, 23)

WAARSCHUWING
Houd uw voeten altijd op de rand van de voetsteun om te voorkomen dat ze bekneld raken tussen het zwenkframe en de draagarm of cilinder.
LET OP
Onjuist neerlaten kan schade veroorzaken en tot letsel leiden.
- Let er bij het laten zakken van de draagarm op dat deze niet in botsing komt met het dozerblad.
– Zorg ervoor dat de graafbak niet in contact komt met het dozerblad.
Aanwijzing:
Bij een lage hydrauliekolietemperatuur (bijvoorbeeld direct na het starten van de motor) kan de dempingsfunctie van de draagarm vertraagd in werking treden (ca. 3-5 seconden). Dit komt door de verhoogde viscositeit van de koude hydraulische olie. Dit is geen storing.
- Beweeg de rechter bedieningshendel (13d) naar voren of naar achteren om de draagarm (1) omhoog of omlaag te brengen.
-
Druk op het voorste of achterste deel van het rechter bedieningspedaal (13l) om de draagarm (1) via het zwenkmechanisme (1b) onafhankelijk van de bovenwagen (5) naar rechts en links te zwenken.
-
De draagarm (1) kan daarbij maximaal 45° naar links en 85° naar rechts worden gezwenkt.
- Klap het rechter bedieningspedaal (13I) omhoog wan- neer u het niet gebruikt, om onbedoeld bedienen te voorkomen.
10.4.4.2 Arm (12) bedienen (afb. 24)
LET OP
Bij het heffen van de arm kan de beweging kortstondig worden onderbroken wanneer de arm zich in verticale positie bevindt.
In deze positie wordt de maximale belasting van de arm en het inzetstuk bereikt en is de hydraulische druk in de cilinder tijdelijk onvoldoende om de beweging gelijkmatig voort te zetten.
Dit gedrag is een normale eigenschap van het hydraulische systeem en duidt niet op een storing.
- Beweeg de linker bedieningshendel (13a) naar achteren of naar voren om de arm (12) in of uit te schuiven.
10.4.4.3 Inzetgereedschap bedienen (afb. 25)
- Beweeg de rechter bedieningshendel (13d) naar links of rechts om het inzetstuk naar binnen of naar buiten te kantelen.
- Druk op het voorste of achterste deel van het linker bedieningspedaal (13i) om het aan de hydraulische aansluitingen (12b/12c) gekoppelde inzetstuk te bedienen.
- Klap het linker bedieningspedaal (13i) omhoog wanneer u het niet gebruikt, om onbedoeld bedienen te voorkomen.
10.4.5 Bovenwagen (5)
10.4.5.1 Bovenwagen (5) vergrendelen (afb. 1, 18)
U kunt de bovenwagen (5) vergrendelen met de vergrendelingshendel (13k).

VOORZICHTIG
Controleer voordat u de vergrendeling vergrendelt of de bovenwagen en het rubberen rupsonderstel parallel ten opzichte van elkaar zijn uitgelijnd.
De bovenwagen vergrendelen:
- Druk de vergrendelingshendel (13k) naar voren.
- De bovenwagen (5) is vergrendeld.
De bovenwagen ontgrendelen:
- Trek de vergrendelingshendel (13k) naar achteren.
- De bovenwagen (5) is ontgrendeld.
10.4.5.2 Bovenwagen (5) besturen (afb. 27)
LET OP
Controleer voor elke draaibeweging of de vergrendelings-hendel niet vergrendeld is.
LET OP
Beweeg de linker bedieningshendel niet met een ruk van rechts naar links of omgekeerd. Abrupte richtingsveranderingen veroorzaken door de traagheid schokkende belastingen op de zwenkaandrijving en de zwenkmotor. Dit kan leiden tot schade aan onderdelen en de levensduur van de machine aanzienlijk verkorten.
- Beweeg de linker bedieningshendel (13a) naar links of rechts om de bovenwagen (5) naar links of rechts te draaien.
10.4.6 Spoorbreedte instellen (afb. 28, 29)

GEVAAR
Hellingen verhogen het risico om de controle te verliezen en te kantelen, wat kan leiden tot ernstig letsel of dodelijke ongevallen. Wees bijzonder voorzichtig bij het gebruik van het product op hellingen en op oneffen terrein.
Vermijd werkzaamheden op zachte, bevroren of onstabiele ondergrond.
Plaats het product op een vlak, recht oppervlak.
- Draai de bovenwagen (5) zoals beschreven in 10.4.5.2 zodat de draagarm (1) zich aan de andere kant van de dozerblad (8) bevindt.
- Zet de keuzeschakelaar (13j) in de onderste stand.
- Laat de bak (9) en de dozerblad (8) voorzichtig en gelijkmatig zakken totdat de rubberen rupsbanden (6a) geen contact meer maken met de ondergrond.
- Zet de keuzeschakelaar (13j) in de bovenste stand.
- Duw de besturingshendel (13f) naar voren om de spoorbreedte te vergroten of trek hem naar achteren om deze te verkleinen.
- Breng de bak (9) en het dozerblad (8) voorzichtig en gelijkmatig omhoog totdat de rubberen rupsbanden (6a) weer contact maken met de ondergrond.
10.5 Product in-/uitschakelen

GEVAAR
Gevaar voor vergiftiging!
Gebruik het product alleen buitenshuis en nooit in gesloten of slecht geventileerde ruimten.
AANWIJZING
Als de motor voor de eerste keer wordt gestart, zijn er meerdere pogingen nodig, totdat de brandstof van de tank naar de motor is verplaatst en deze aanspringt.

WAARSCHUWING
Brand- en explosiegevaar!
Gebruik nooit voorverwarmings- of startvloeistof! Dit leidt tot ernstige verbrandingen of zelfs de dood.

WAARSCHUWING
Risico op ernstig letsel door het omzeilen van de startbeveiliging!
Het product is uitgerust met een stoelcontactschakelaar. De motor mag alleen worden gestart als de bestuurder correct op de bestuurdersstoel zit.
De kabelstarter is uitsluitend bedoeld voor onderhouds- en reparatiewerkzaamheden door bevoegd vakpersoneel.

VOORZICHTIG
Controleer voor elke ingebruikname of de vergrendelingen op het bedieningspaneel en op de bovenwagen zijn vergrendeld.
Zie hiertoe ook
Accu (21) aansluiten/loskoppelen (afb. 15) [▶ 165]
Controleer het hydraulische oliepeil (afb. 13) [▶ 165]
Brandstof bijvullen (afb. 12) [▶ 165]
Motorolie bijvullen (afb. 11) [▶ 165]
Controleer de bougie (20a) (afb. 14) [▶ 165]
Bestuurdersstoel (3) instellen (afb. 16) [▶ 166]
Veiligheidsgordel (3c) omdoen (afb. 16) [▶ 166]
10.5.1 Motor starten (afb. 1, 30, 31)
Voor het starten:
- Lees de volledige gebruikshandleiding voordat u het product gaat gebruiken.
- Maak u voor aanvang van de werkzaamheden bekend met het product aan de hand van de gebruikshandleiding.
- Plaats het product op een vlak, recht oppervlak.
- Controleer voor elke start het motorolie-, brandstof- en hydrauliekniveau (zie 9.2, 9.3 en 9.4).
- Controleer of de bougiestekker (20) op de bougie (20a) is bevestigd (zie 9.5).
- Open de brandstofkraan (18c).
- Sluit de accu (21) aan zoals beschreven in 9.6.
- Sluit de motorkap (4).
- Neem plaats op de bestuurdersstoel (3) en doe de veiligheidsgordel (3c) om, zoals beschreven in 10.1 en 10.2.
- Tijdens het gebruik moet de bediener op de bestuurdersstoel (3) zitten en de veiligheidsgordel (3c) hebben omgedaan.
- Maak de vergrendelingshendels (13e/13k) los.
- Steek de contactsleutel (22a) in het contactslot (22) en zet deze in de stand "ON".
- Luid de claxon voordat u het product start om omstanders te waarschuwen.
Na het starten:
- Laat de motor kort warmlopen.
- Als de buitentemperatuur koud is, moet u de hydraulische vloeistof voldoende laten opwarmen voordat u start, omdat koude vloeistof de reactietijd van het product aanzienlijk kan vertragen.
- Stel de gewenste snelheid in met de gashendel (13g).
- Positie MIN-"Schildpad"
- MAX-stand "Haas"
10.5.1.1 Bij koude motor starten
Aanwijzing:
Bij hoge buitentemperaturen kan het voorkomen dat ook bij een koude motor zonder choke moet worden gestart!
- Zet de gashendel (13g) in de middelste stand.
- Houd de choke (13h) in de stand "CHOKE".
- Draai de contactsleutel (22n) in stand "START" en houd deze in deze positie tot het product aanspringt.
- Laat de motor kort warmlopen.
- Zet de choke (13h) langzaam in de stand "RUN".
- Stel de gewenste snelheid in met de gashendel (13g).
- Als de motor ook na meerdere pogingen niet aanspringt, dient u hoofdstuk 17 te raadplegen.
10.5.1.2 Bij warme motor starten
- Zet de gashendel (13g) in de middelste stand.
- Draai de contactsleutel (22n) in stand "START" en houd deze in deze positie tot het product aanspringt.
- Stel de gewenste snelheid in met de gashendel (13g).
- Als de motor ook na meerdere pogingen niet aanspringt, start u het apparaat zoals in hoofdstuk 10.5.1.1 beschreven.
10.5.2 Motor uitschakelen (afb. 16, 32)
Aanwijzing:
- Wacht na het uitschakelen van het product twee minuten voordat u het accucircuit loskoppelt.
- Plaats het product op een vlak, recht oppervlak.
- Laat het inzetgereedschap* volledig op de grond zakken.
- Stop alle bewegingen van het product.
- Draai de contactsleutel (22a) in stand "OFF".
- Vergrendel het bedieningspaneel (13) met de vergrendelingshendel (13e).
- Maak de veiligheidsgordel (3c) los en verlaat de bestuurdersstoel (3).
- Verwijder de contactsleutel (22a) bij het verlaten van het product.
- Sluit de brandstofkraan (18c).
- Laat de motor afkoelen, voordat u het product in gesloten ruimtes neerzet.
- Voor onderhoud of langdurige opslag moet u de bougiestekker (20) van de bougie (20a) verwijderen en het accucircuit (21) loskoppelen zoals beschreven in 9.6.
10.6 Snelkoppeling (10) monteren/ demonteren (afb. 33)
De snelkoppeling (10) is bij levering voorgemonteerd.
Gebruik geen snelkoppeling (10) bij het gebruik van het inzetstuk "duim en klauw"*.
* = niet altijd meegeleverd!
Monteren:
-
Verwijder de contramoeren (10a), moeren (10b) en bouten (10c) uit de montagegaten op de bout (10d). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
-
Verwijder de bouten (10d) uit de snelkoppeling (10).
- Lijn de snelkoppeling (10) uit met de gereedschapsopnamen (11). Zorg ervoor dat de montagegaten overeenkomen.
- Breng de bouten (10d) in de montagegaten.
- Zet de bouten (10d) vast met de bouten (10c) en moeren (10b). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
- Borg de moeren (10c) met de borgmoeren (10a). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
Demonteren:
- Verwijder het inzetstuk zoals beschreven in 10.7.2 van de snelkoppeling (10).
- Verwijder de contramoeren (10a), moeren (10b) en bouten (10c) uit de montagegaten op de bout (10d). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
- Houd de snelkoppeling (10) vast en verwijder de bouten (10d) uit de montageboringen op de gereedschapsopname (11)
- Leg de snelkoppeling (10) opzij.
- Steek de bouten (10d) in de montageboringen van de snelkoppeling (10).
- Monteer de bouten (10c), moeren (10b) en contramoeren (10a) op de bout (10d). Gebruik twee steeksleutels/dopsleutels SW 13 mm.
10.7 Inzetstuk bevestigen/verwijderen
LET OP
Bij gebruik van andere inzetstukken en accessoires bestaat gevaar voor persoonlijk letsel.

WAARSCHUWING
Gebruik geen beschadigd of vervormd inzetgereedschap.

WAARSCHUWING
Zorg er altijd voor dat het inzetgereedschap correct is aan- gebracht!
LET OP
Breng het inzetstuk iets omhoog als u met het product rijdt, maar houd het laag.
10.7.1 Zonder snelkoppeling (10) (afb. 34)
- Demonteer de snelkoppeling (10) zoals onder 10.6 beschreven.
Monteren:
- Verwijder de splitpennen (10e) uit de montagegaten op de bout (10d).
- Verwijder de bout (10d) uit het inzetstuk.
- Lijn het inzetstuk uit met de gereedschapsopname (11). Zorg ervoor dat de montagegaten overeenkomen.
- Plaats de bouten (10d) in de montageboringen.
- Zet de bouten (10d) vast met de splitpennen (10e).
Demonteren:
- Verwijder de splitpennen (10e) uit de montagegaten op de bout (10d).
- Houd het inzetstuk stevig vast en verwijder de bouten (10d) uit de montagegaten op de gereedschapsopname (11).
- Leg het inzetstuk opzij.
- Steek de bouten (10d) in de montagegaten van het inzetstuk.
- Monteer de splitpennen (10e).
10.7.2 Met snelkoppeling (10) (afb. 35)
Monteren:
- Plaats het inzetstuk op een vlak, recht oppervlak. Zorg ervoor dat er voldoende ruimte achter het inzetstuk is.
- Verwijder de splitpen (10e) bij de borgschroef (10f) van de snelkoppeling (10).
- Draai de borgschroef (10f) tegen de klok in om de vergrendeling te openen. Gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 24 mm.
- Start de motor zoals beschreven in 10.5 om het product naar het inzetgereedschap te verplaatsen zoals beschreven in 10.4.3.1.
- Lijn de snelkoppeling (10) uit met het inzetstuk.
- Plaats de arm (12) en de cilinder (12e) zodanig dat u met de opname (10g) van de snelkoppeling (10) de bout van het inzetstuk vastgrijpt.
- Kantel het inzetstuk totdat de onderste bout van het inzetgereedschap in de vergrendeling grijpt.
- Draai de borgschroef (10f) met de klok mee om de vergrendeling te sluiten. Gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 24 mm.
- Zet de borgschroef (10f) vast met de splitpen (10e).
- Laat de arm (12) zakken om het inzetstuk op de grond te laten zakken.
- Controleer of het inzetstuk correct geplaatst en vastgezet is.
- Verwijder het inzetstuk in omgekeerde volgorde.
Aanwijzing:
Scan de QR-code hieronder om toegang te krijgen tot de gebruikshandleidingen voor de verschillende inzetstukken.
10.7.3 De hydraulische leidingen aansluiten (afb. 26)
Sluit de hydraulische leidingen aan als het inzetstuk hydraulische kracht nodig heeft om te kunnen werken.

WAARSCHUWING
Vloeistoffen of lucht onder druk kunnen door de huid heendringen en ernstig letsel of zelfs de dood veroorzaken. Om letsel te voorkomen:
– Houd voldoende afstand.
- Olielekkages mogen niet met blote handen worden gecontroleerd. Draag uw persoonlijke beschermingsmiddelen.
- Schakel de motor uit en verwijder de veiligheidssleutel voordat u de hydraulische leidingen loskoppelt. Bedien alle bedieningshendels om het systeem volledig drukloos te maken.
- Laat de opgetilde onderdelen zakken en zet ze vast of ondersteun ze met geschikte hulpmiddelen.
- Maak de hydraulische tank drukloos.
- Controleer voor ingebruikname of alle verbindingen goed vastzitten en alle leidingen onbeschadigd zijn.
- Raadpleeg onmiddellijk een arts als sprake is van letsel.
LET OP
Warme oppervlakken! Gevaar voor brandwonden bij aanraking. Alleen aanraken als het oppervlak is afgekoeld of draag geschikte veiligheidshandschoenen.
- Verminder eventuele restdruk zoals beschreven in 12.2.5.2.
- Reinig alle snelkoppelingen (12b) en insteeknippels (12c) om vuil, stof en afzettingen te verwijderen om vervuiling van het hydraulische systeem te voorkomen.
- Sluit de snelkoppeling van het inzetstuk aan op de insteeknippel (12c) van de hydraulische leidingen (12a).
- Sluit de steeknippel van het inzetstuk aan op de snelkoppeling (12b) van de hydraulische leidingen (12a).
- Controleer voor de inbedrijfstelling of de hydraulische verbindingen goed vastzitten.
11 Werkinstructies
- Vermijd schokkerige bewegingen tijdens het manoeuvre- ren of zwenken.
- Houd het inzetstuk tijdens het manoeuvreren zo dicht mogelijk bij de grond om schommelen te voorkomen.
- Houd bij werkzaamheden op hellingen de draagarm aan de bergzijde en rijd parallel aan de helling.
- Houd rekening met het hefvermogen van het product en overschrijd dit niet.
- Het is verboden om in de gevarenzone te verblijven!
- Als de rubberen rupsbanden tijdens het werken op zachte ondergrond verstopt raken met zand of stenen, til dan de rubberen rupsband op met behulp van de draagarm, arm en bak en draai deze om zand en stenen te verwijderen.
- Als het product vast komt te zitten op modderige ondergrond, til het dan op zoals beschreven in 5.2 naar een veilige ondergrond.
- Rijd niet op modderige wegen als de bovenwagen loodrecht op het rubberen rupsonderstel staat. Anders kunnen de rupsbanden vast komen te zitten in de modder.
- Probeer niet beton of gesteente te breken door het werk-tuig zijdelings te zwenken.
Vermijd ook:
- Het verplaatsen van hopen aarde door het inzetstuk zijdelings te zwenken.
- Graven door gebruik te maken van de zwaartekracht van het product.
- Het verdichten van grind of aarde door het te inzetstuk te laten vallen.
- Graven door gebruik te maken van de rijenergie van het product.
Aanklevende grond:
- Verwijder aanklevende grond bij het legen van de bak door deze tot de maximale hefhoogte van de cilinder op te tillen. Als dit niet voldoende is, schuif dan de arm (12) volledig uit en beweeg het inzetstuk afwisselend heen en weer.
Bescherming van het dozerblad:
- Voorkom dat de cilinder van de draagarm (1) het dozerblad (8) raakt. Bij diepe graafwerkzaamheden draait u de bovenwagen zodanig dat het dozerblad (8) zich aan de achterzijde van de graafmachine bevindt. Dit beschermt het dozerblad (8) en de cilinder tegen beschadigingen.
Het inzetstuk intrekken:
- Zorg ervoor dat het inzetstuk bij het intrekken voor het rijden of transport niet tegen het dozerblad (8) stoot.
Botsingen vermijden:
- Zorg ervoor dat de dozerblad (8) bij het verplaatsen van het product niet in contact komt met obstakels zoals ste- nen. Dergelijke botsingen kunnen de levensduur van het dozerblad (8) en de cilinder aanzienlijk verkorten.
Het product stabiliseren:
- Laat de dozerblad (8) volledig op de grond zakken wanneer u het product ondersteunt.
Bescherming tegen water en modder:
- Als water of modder boven de bovenrand van de rubberen rupsbanden (6a) komt, kunnen de zwenklagers, de zwenkmotorreductor en de tandkrans in contact komen met vreemde voorwerpen.
Reiniging:
- Reinig de graafmachine na elk gebruik grondig met een hogedrukreiniger.
Smering:
- Volg de smeerprocedures die in de gebruiksaanwijzing worden beschreven.
Veiligheidsafdekking:
- Breng beschermkappen weer aan als deze eerder zijn verwijderd.
11.1 Product inrijden
De levensduur van uw nieuwe graafmachine is in belangrijke mate afhankelijk van correct gebruik en regelmatig onderhoud. Voordat uw graafmachine de fabriek verliet, is deze zorgvuldig gecontroleerd en getest. Toch moeten alle bewegende onderdelen tijdens de eerste 50 bedrijfsuren worden ingereden.
Tijdens deze inrijfase moet u rekening houden met de volgende punten:
- Werk niet op vol motortoerental of met maximale belasting.
- Laat de motor voldoende opwarmen voordat u met het werk begint.
- Verhoog het motortoerental alleen zover dat het apparaat kan werken.
Een correcte inrijfase is van cruciaal belang om het volledige vermogen en de maximale levensduur van uw graafmachine te garanderen.
11.2 LED-koplampen (1a) (afb. 1)
De verlichtingssterkte in de werkomgeving van het product moet minimaal 500 lux bedragen.

VOORZICHTIG
Kijk niet rechtstreeks in de LED-koplamp of de lichtbron.

VOORZICHTIG
In het donker is het zicht beperkt, zodat de werklamp alleen niet voldoende is. Zorg voor extra verlichting en neem alle geldende veiligheidsvoorschriften en speciale voorschriften voor nachtwerk in acht om ongelukken te voorkomen.
11.3 Slijtage van rubberen rupsbanden verminderen (afb. 40)
De rubberen rupsbanden (6a) zijn bijzonder geschikt voor gebruik op zachte, onverharde ondergronden met weinig ste- nen of puin.
Om slijtage van de rubberen rupsbanden (6a) tot een minimum te beperken, dient u altijd met verminderde snelheid en een grote draaicirkel te rijden.
Vermijd de volgende belastingen:
- Draaien van de rubberen rupsbanden onder zware belasting.
- Draaien op oppervlakken met scherpe randen (bijv. ste- nen, gebroken beton, puin).
- Krappe draaimanoeuvres op vaste oppervlakken zoals asfalt of beton.
- Rijden over hoge stoepranden, randen of uitstekende delen.
- Het rijden of schuren van de rubberen rupsbanden tegen muren of stoepranden.
- Werken op agressieve oppervlakken (bijv. zout, kunstmest of andere agressieve stoffen)
12 Reiniging en onderhoud

WAARSCHUWING
Laat reparatie- en onderhoudswerkzaamheden, die niet in deze gebruikshandleiding beschreven staan, uitvoeren door onze gespecialiseerde werkplaats. Gebruik uitsluitend originele reserve-onderdelen.

WAARSCHUWING
Onjuist onderhoud of onjuiste reiniging kan let- sel veroorzaken!

WAARSCHUWING
Tijdens reinigings-, reparatie- en onderhoudswerkzaamheden kan het product onverwacht starten en letsel en brandwonden veroorzaken.
– Schakel het product uit.
– Zet de contactsleutel in de stand "OFF".
- Verwijder de contactsleutel.
- Verwijder de veiligheidssleutel.
- Verwijder de voedingsstekker van de bougie.
– Laat het product afkoelen.

WAARSCHUWING
Voer regelmatig/dagelijks en vóór gebruik een visuele en functionele controle/onderhoud uit om ervoor te zorgen dat het product in goede staat verkeert.
- Onjuist onderhoud, het gebruik van niet-conforme reserveonderdelen of het verwijderen of wijzigen van veiligheidsvoorzieningen kan ernstige materiële schade of lichamelijk letsel tot gevolg hebben.
- Als de gebruiker deze werkzaamheden niet zelf kan uitvoeren, moet een gespecialiseerde dealer worden geraadpleegd.
12.1 Reiniging
- Zorg dat de veiligheidsinrichtingen, de ventilatiesleuven en de motorbehuizing zo stof- en vuilvrij mogelijk zijn. Wrijf het product met een schone doek af en blaas deze met perslucht bij lage druk uit. Wij adviseren u, om het product direct na elk gebruik te reinigen.
- Reinig de koelribben van de motor regelmatig met perslucht om brandgevaar tegen te gaan. Maak het gebied rondom de geluiddemper vrij van stof, bladeren of andere ongerechtigheden.
- Ventilatieopeningen moeten altijd vrij zijn.
- Maak het product regelmatig schoon met een vochtige doek* en een beetje zachte zeep. Gebruik geen reini-gingsmiddelen of oplosmiddelen; deze kunnen de kunst-stofonderdelen van het product aantasten. Zorg ervoor dat er geen water in het product kan komen.
- Het reinigen en gebruikersonderhoud mogen niet door kinderen worden uitgevoerd.
- Voer de reinigings- en onderhoudswerkzaamheden alleen uit, zoals in deze gebruikshandleiding is aangegeven. Overige werkzaamheden mogen uitsluitend worden uitgevoerd door deskundig vakpersoneel.
12.1.1 Reinigen van het brandstofffilterelement (18b) (afb. 12)
Aanwijzing:
Bij het brandstofffilterelement gaat het om een filterbeker, die zich direct onder de tankdop bevindt en alle gevulde brandstof filtert.
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Open de tankdrop (18a) voorzichtig zodat een evt. aanwezige overdruk afgebouwd kan worden. De tankdop (18a) is verbonden met een verlieszekering in de brandstoftank (18) en kan zo niet vallen.
- Verwijder het brandstofffilterelement (18b). Reinig deze niet in ontvlambaar oplosmiddel of een oplosmiddel met een hoog vlampunt.
- Plaats het brandstofffilterelement (18b) terug.
- Sluit de tankdop (18a) weer door deze recht te plaatsen en rechtsom te draaien. Zorg ervoor dat de tankdop (18a) volledig gesloten is om lekken en verdamping te voorkomen.
- Sluit de motorkap (4).
12.2 Onderhoud
Neem de veiligheidsinstructies in acht zoals beschreven in 7.
Plaats het product op een vlak, recht oppervlak.
Werkzaamheden die in deze gebruikshandleiding niet zijn beschreven, mogen alleen worden uitgevoerd door een gespecialiseerde werkplaats.
Onderhoud het product zorgvuldig. Controleer of bewegende delen probleemloos functioneren en niet klemmen, of onderdelen gebroken of beschadigd zijn, waardoor de functie van het product wordt beïnvloed. Laat beschadigde onderdelen voor gebruik van het elektrische product eerst repareren.
Regelmatig, zorgvuldig onderhoud is noodzakelijk om het veiligheidsniveau en het vermogen van het product ongewijzigd te garanderen.
Verwijder alle gereedschap dat u voor het onderhoud hebt gebruikt, voordat u het product gaat gebruiken of opruimt.
Alle beschermings- en veiligheidsvoorzieningen moeten direct worden teruggeplaatst nadat de instandhoudingswerkzaamheden en onderhoudswerkzaamheden zijn voltooid.
Benodigd gereedschap:
• Montagesleutel SW 21 mm (29)
• Koperdraadborstel*
• Voelermaat*
- Lap/doek*
- Opvangbak*
- Trechter (28)
- Olieafzuigpomp*
- Vetsput (30)
• Steeksleutel / moersleutel SW 30 mm*
* = niet altijd meegeleverd!
12.2.1 Onderhoudsschema
De volgende onderhoudstermijnen absoluut in acht nemen om een storingsvrij bedrijf te waarborgen. Let op! Bij de eerste inbedrijfstelling moet motorolie en brandstof worden bijgevuld.
| Bedrijfsuren Voor de | inge-bruikna-me | 10 uur 50 | uur 200 uur 100 | 00 uur 2 jaar 6 | jaar | |||
| Algemene visuele inspectie x | ||||||||
| Brandstofpeil controleren x | ||||||||
| Brandstofleidingen controleren x | ||||||||
| Brandstofleidingen vervangen X* | ||||||||
| Motoroliepeil controleren x | ||||||||
| Motorolie verversen x | ||||||||
| Hydrauliekleidingen controleren x | ||||||||
| Hydrauliekleidingen vervangen X* | ||||||||
| Peil hydraulische olie controleren x | ||||||||
| Hydraulische olie verversen x | ||||||||
| Hydraulisch aanzuigfilterelement vervangen | x | |||||||
| Smeerpunten controleren, indien nodig smeren | x | |||||||
| Product reinigen | x | |||||||
| Elektrische leidingen controleren | x | |||||||
| Accu controleren | x | |||||||
| Luchtfilter controleren | x | |||||||
| Luchtfilter reinigen | x | |||||||
| Luchtfilter vervangen | x | |||||||
| Bougie controleren, indien nodig reinigen | x | |||||||
| Bougie vervangen | x | |||||||
| Rubberen rupsen instellen | Eerste controle | x | ||||||
| Let op: De punten "X*" alleen laten uitvoeren bij een gespecialiseerd bedrijf. | ||||||||
12.2.2 Luchtfilter onderhouden (24c) (afb. 36)
LET OP
Risico op materiële schade!
Het bedrijf van de motor zonder of met een beschadigd fil- terelement kan tot motorschade leiden.
- Laat de motor nooit zonder of met een beschadigd luchtfilterelement draaien. Dan komen er verontreinigingen in de motor terecht, die de motor ernstig kunnen beschadigen.
LET OP
Vervuilde luchtfilters verminderen het motorvermogen door een te geringe luchttoevoer naar de carburateur. Regelmatige controle is daarom absoluut noodzakelijk.
LET OP
Als het product in een bijzonder stoffige omgeving wordt gebruikt, moet het luchtfilter vaker worden gecontroleerd en gereinigd dan in de reguliere onderhoudsintervallen.
LET OP
Reinig het product niet terwijl de motor draait. Er zou water in het luchtfilter kunnen binnendringen en de motor beschadigen. Houd het luchtfilter droog.
LET OP
Luchtfilter nooit met benzine of brandbare oplosmiddelen reinigen.
Reinig het luchtfilter (24c) elke 50 bedrijfsuren, wij adviseren het
luchtfilter (24c) na 200 bedrijfsuren te vervangen.
-
Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
-
Demonteer de vleugelmoer (24a) en verwijder het luchtfilterdeksel (24).
- Controleer het luchtfilterdeksel (24) op gaten of scheuren. Vervang elk beschadigd element.
- Schroef de binnenste vleugelmoer (24a) los en verwijder het luchtfilter (24c).
- Veeg vuil aan de binnenkant van het filterhuis weg met een schone, vochtige doek. Zorg ervoor dat er geen vuil in de opening komt. Plaats het luchtfilterdeksel (24) voor de duur van de filterreiniging weer terug op het filterhuis.
- Neem het luchtfilter (24c) en controleer deze op beschadigingen, vervang het indien nodig.
- Klop het luchtfilter (24c) uit op een hard oppervlak om het vuil te verwijderen. Vervang een defecte luchtfilter (24c) door een nieuwe.
- Plaats het luchtfilter (24c) weer terug en schroef de binnenste vleugelmoer (24a) vast.
- Plaats het luchtfilterdeksel (24) en bevestig het met de vleugelmoer (24a).
- Sluit de motorkap (4).
12.2.3 De bougie (20a) onderhouden (afb. 37)
LET OP
Vervang de bougie alleen als de motor koud is!
LET OP
Een losse bougie kan oververhit raken en zo de motor beschadigen. En een te strak vastgedraaide bougie kan de schroefdraad in de cilinderkop beschadigen.
Elektrodenafstand = 0,6 mm (afstand tussen de elektroden, waar de vonk overspringt). Controleer de bougie voor de eerste keer na 10 bedrijfsuren op verontreiniging en reinig deze eventueel met een koperdraadborstel.
Daarna de bougie elke 50 bedrijfsuren onderhouden.
LET OP
Trek de bougiestekker voorzichtig los. Trek niet aan de kabel, maar direct aan de stekker.
Vervang de bougie (20a) na 500 bedrijfsuren of uiterlijk na één jaar.
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Verwijder de bougiestekker (20) en demonteer de bougie (20a).
Gebruik een montagesleutel SW 21 mm (29). - Verwijder eventueel vuil van de basis van de bougie (20a).
- Reinig de bougie (20a) met een koperen draadborstel of vervang deze door een nieuwe.
- Controleer de elektrodeafstand van de bougie. Stel de elektrodenafstand met een voelermaat in op 0,6-0,7 mm.
- Plaats de bougie (20a) terug en wees voorzichtig om deze niet te strak te draaien.
Gebruik de montagesleutel SW 21 mm (29). - Plaats de bougiestekker (20) op de bougie (20a).
- Sluit de motorkap (4).
12.2.4 Brandstofleidingen en slangen onderhouden
-
Controleer voor elke start of alle brandstofleidingen, slangen en slangklemmen goed vastzitten en niet beschadigd zijn.
-
Vervang brandstofleidingen, slangen en slangklemmen als ze versleten of beschadigd zijn of om de twee jaar.
12.2.5 De hydrauliek onderhouden (afb. 13)
LET OP
Productbeschadiging!
Als het product zonder olie, met te weinig olie of met afgewerkte olie wordt gebruikt, kan dit leiden tot schade aan het product.
- Gebruik geen afgedankte olie!
- Controleer het oliepeil voor elke ingebruikname.
LET OP
Milieuschade!
Uitgelopen olie kan het milieu ernstig verontreinigen. De vloeistof is zeer giftig en kan snel tot waterverontreiniging leiden.
- Olie uitsluitend vullen/aftappen op vlakke, stevige ondergronden.
- Gebruik een vulpijp of trechter.
– Vang afgetapte olie in een geschikte container op. - Veeg gemorste olie direct zorgvuldig weg en verwijder de doek conform de lokale voorschriften.
- Verwijder olie conform de lokale voorschriften.

WAARSCHUWING
Het hydraulische systeem staat onder druk. Lekken kunnen ernstig letsel veroorzaken.
Bij levering is het product al gevuld met ISO 22 – hydraulische olie.
De volgende oliesoorten worden aanbevolen:
• HLP22
• ISO 22
- Voordat u werkzaamheden aan de hydrauliekolietank (19) uitvoert, moet u de restdruk verlagen zoals beschreven in 12.2.5.2.
12.2.5.1 Controleer het hydraulische oliepeil
- Ga te werk zoals beschreven op 9.4.
12.2.5.2 Hydrauliekolietank (19) ontluchten (afb. 13, 26)
- Schakel het product uit zoals beschreven in 10.5.2.
- Druk meerdere keren op het linker bedieningspedaal (13i) om het hydraulische systeem te ontlasten.
12.2.5.3 Hydraulische olie bijvullen (afb. 13)
Als u bij het controleren van het hydraulische oliepeil vaststelt dat er te weinig hydraulische olie in het systeem zit, vul dan hydraulische olie bij.
Alle hydraulische cilinders moeten zich in de achterste eindstand bevinden.
Rijd hiervoor alle hydraulische cilinders volledig in.
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Open het deksel van de hydraulische olietank (19a).
- Vul verse hydraulische olie bij en controleer daarbij steeds het oliepeil aan het kijkglas (19b), zoals beschreven in 12.2.5.1 Gebruik een trechter (28).
- Sluit het deksel van de hydraulische olietank (19a).
- Sluit de motorkap (4).
- Controleer het oliepeil na een korte bedrijfstijd opnieuw.
Neem contact op met een specialist of een gespecialiseerde werkplaats.
12.2.5.5 Vervang het zuigfilter
Neem contact op met een specialist of een gespecialiseerde werkplaats.
12.2.5.6 Hydraulische leidingen
Controleer de gemarkeerde punten op lekkage voordat u met het werk begint en elke 50 bedrijfsuren. Vervang de hydraulische leidingen na maximaal zes jaar.
Neem contact op met een specialist of een gespecialiseerde werkplaats.
12.2.6 De motorolie onderhouden
LET OP
Productbeschadiging!
Als het product zonder olie, met te weinig olie of met afgewerkte olie wordt gebruikt, kan dit leiden tot schade aan het product.
– Vullen met olie vóór ingebruikname. Het product wordt zonder olie geleverd.
- Gebruik geen afgewerkte olie!
- Controleer voor elke inbedrijfstelling het oliepeil.
LET OP
Milieuschade!
Uitgelopen olie kan het milieu ernstig verontreinigen. De vloeistof is zeer giftig en kan snel tot waterverontreiniging leiden.
- Olie uitsluitend vullen/aftappen op vlakke, stevige ondergronden.
- Gebruik een vulpijp of trechter.
– Vang afgetapte olie in een geschikte container op. - Veeg gemorste olie direct zorgvuldig weg en verwijder de doek conform de lokale voorschriften.
- Verwijder olie conform de lokale voorschriften.
12.2.6.1 Oliepeil controleren (afb. 38)
Controleer regelmatig voor elke ingebruikname het oliepeil. Een te laag oliepeil kan de motor beschadigen.
- Start de motor zoals onder 10.5 beschreven.
- Laat de motor kort warmlopen.
-
Schakel de motor uit.
-
Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Draai de oliepeilstok (17a) los.
- Veeg de oliepeilstok (17a) met een schone, pluisvrije doek schoon.
- Voer de oliepeilstok (17a) weer in, zonder de oliepeilstok (17a) weer vast te schroeven.
- Schroef de oliepeilstok (17a) eruit en lees in horizontale stand het oliepeil af. Het oliepeil moet zich tussen L (low) en H (high) van de oliepeilstok (17a) bevinden.
- Als het oliepeil te laag is, voeg dan de aanbevolen hoeveelheid motorolie toe zoals beschreven in 9.2.
- Schroef de oliepeilstok (17a) vervolgens weer vast.
- Sluit de motorkap (4).
12.2.6.2 Olieverversing (afb. 38)
De motorolie heeft invloed op de prestaties en levensduur van het product.
Gebruik een motorolie voor 4-taktmotoren.
Voor algemeen gebruik wordt SAE 10W-30 aanbevolen.
Zorg ervoor dat de olie voldoet aan de API SERVICE-classificatie SJ of hoger – deze informatie vindt u op het etiket van de oliecontainer.
Het verversen van de motorolie moet bij een bedrijfswarme motor worden uitgevoerd.
- Zorg voor een opvangbak om de verbruikte olie in op te vangen.
- Verklein de spoorbreedte zoals beschreven in 10.4.6.
- Draai de bovenwagen (5) 90°, zoals beschreven in 10.4.5.2.
- Plaats de opvangbak onder de olieaftapplug (17b).
- Verwijder de olieaftapplug (17b).
- Draai de oliepeilstok (17a) los.
- Wacht tot alle motorolie in de opvangbak is afgetapt.
- Plaats de olieaftapplug (17b) terug.
- Vul de olietank (17) zoals onder 9.2 beschreven.
- Schroef de oliepeilstok (17a) weer vast.
- Sluit de motorkap (4).
- Start de motor zoals onder 10.5 beschreven.
- Laat de motor kort warmlopen.
- Meng het oliepeil zoals beschreven in 12.2.6.1.
- Voer de afgewerkte olie op correcte wijze af.
12.2.7 Smeerpunten (afb. 39)
Regelmatig smeren is essentieel om schade, voortijdige slijtage en productuitval te voorkomen.
Er zitten 28 smeernippels (25) op het product.
Gebruik in de handel verkrijgbaar universeel smeervet EP2 met lithiumzeep.
- Shell Alvania EP2
- Mobilux EP2
- Beacon Q2
Smeer de smeerpunten om de 4 bedrijfsuren.
Breng slechts een kleine hoeveelheid vet aan. In geen geval overvullen!
-
Plaats de vetspuit (30) op de smeernippel (25).
-
Druk maximaal één slag in de handel verkrijgbaar vet in de smeernippels (25).
12.2.8 Rubberen rupsbanden (6) afstellen (afb. 40)

WAARSCHUWING
Knel- en kantelgevaar!
Voer instellingen aan het rubberen rupsonderstel alleen uit op een vlakke, stevige ondergrond. Plaats lichaamsdelen nooit tussen de rubberen rupsband en het onderstel!
Controleer de rubberen rupsbanden (6a) voordat u met het werk begint, na de eerste 10 bedrijfsuren en vervolgens elke 50 bedrijfsuren.
- Verwijder de afdekkingen (6b) door de bouten (6c) los te draaien. Gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 13 mm.
- Draai de contramoer (6d) aan elke kant enkele slagen los. Gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 30 mm.
-
Draai de stelschroef (6e) aan beide zijden gelijkmatig aan: gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 30 mm.
-
Draai met de klok mee om de rubberen rupsband (6a) te spannen.
-
Draai tegen de klok in om de rubberen ketting (6a) te ontspannen.
-
Controleer de spanning van de rubberen ketting (6a) door de rubberen ketting (6a) tussen het aandrijftandwiel (6f) en de voorste vrijlooprol (6g) iets met uw voet in te drukken. De rubberen ketting (6a) moet op dit punt ongeveer 5 cm meegeven. Zorg ervoor dat beide rubberen kettingen (6a) gelijkmatig zijn gespannen.
-
Pas indien nodig de spanning aan.
-
Zet de stelschroeven (6e) vast met de borgmoeren (6d). Het aanhaalmoment mag maximaal 108 Nm bedragen. Gebruik een momentsleutel.
-
Monteer de afdekkingen (6b). Gebruik een steeksleutel/dopsleutel SW 13 mm.
-
Rijd een paar meter en controleer nogmaals de spanning van de rubberen rupsbanden (6a).
12.2.9 Zekeringen 10A (26) (afb. 42)
De graafmachine is beveiligd met twee zekeringen 10A (26). Eén zekering 10A (26) bevindt zich onder de motorkap (4), de tweede zekering 10A (26) bevindt zich in het bedieningsstation (13).
13 Opslag
Bewaar het product en de bijbehorende accessoires op een donkere, droge en vorstvrije en voor kinderen ontoegankelijke plaats.
De optimale bewaartemperatuur ligt tussen 5 °C en 30 °C. Bewaar het product in de originele verpakking. Dek het product af om het te beschermen tegen stof of vocht. Bewaar de gebruikshandleiding bij het product.

GEVAAR
Brand- en explosiegevaar!
Bij het opslaan van het product in de buurt van mogelijke ontstekingsbronnen, kan er een brand of explosie ontstaan. Dit leidt tot ernstige verbrandingen of zelfs de dood.
- Verwijder mogelijke ontstekingsbronnen, zoals bijv. ovens, heetwaterboilers met gas, gasdrogers, enz.
LET OP
Risico op materiële schade!
Als het product niet correct wordt opgeslagen, kan dit tot motorschade leiden.
– Bewaar het product beschermd tegen vuil, stof en vocht.
Benodigd gereedschap:
- Brandstof-afzuigpomp*
- Olievulfles*
- Lap/doek*
* = niet altijd meegeleverd!
13.1 Tap de brandstof af met een brandstof-afzuigpomp (afb. 41)
- Open de motorkap (4) zoals beschreven in 9.1.
- Houd een opvangbak onder de slang van de brandstofafzuigpomp.
- Reinig de tankdop (18a) en het gebied rond de vulopening om te voorkomen dat er vuil of vreemde voorwerpen in de brandstoftank (18) terechtkomen.
- Open de tankdop (18a), door deze linksom te draaien. De tankdop (18a) is via een verlieszekering verbonden met de brandstoftank (18) en kan zo niet vallen.
- Verwijder het brandstofffilterelement (18b).
- Schuif de slang van de brandstof-afzuigpomp in de brandstoftank (18) en tap de brandstof met behulp van de brandstof-afzuigpomp volledig af.
- Plaats het brandstofffilterelement (18b) terug.
- Sluit de tankdop (18a) weer door deze recht te plaatsen en rechtsom te draaien.
- Om ervoor te zorgen dat er geen brandstof in de carburateur achterblijft, moet de resterende brandstof uit de carburateur worden afgetapt. Plaats daartoe een geschikt reservoir onder de carburateur en open de carburateurschroef (26) met behulp van een steeksleutel SW10 mm.
- Sluit de motorkap (4).
13.2 Voorbereiding voor de opslag

WAARSCHUWING
Verwijder de brandstof niet in gesloten ruimtes, in de buurt van vuur of bij het roken. Gasdampen kunnen explosies of brand veroorzaken.
Als het product gedurende een periode langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt, moeten de volgende maatregelen worden genomen om deze voor te bereiden voor opslag.
- Reinig en controleer het product op schade.
- Leeg de brandstoftank met een afzuigpomp voor brandstof.
- Start de motor en laat de motor net zo lang lopen, totdat de resterende brandstof is verbruikt.
- Bewaar de brandstof in reservoirs, die speciaal hiervoor zijn bestemd.
- Ververs de olie na elk seizoen.
- Verwijder de voedingsstekker van de bougie.
- Bewaar het product op een goed geventileerde plaats of locatie.
14 Transport
Benodigd gereedschap:
- Geschikte oprijplaten*
- Geschikte wiggen*
• Geschikte aanslagmiddelen* - Geschikt hefinrichting*
- Geschikte bevestigingsmiddelen*
* = niet altijd meegeleverd!
14.1 Product met behulp van oprijplaten op een aanhanger of vrachtwagen laden
Neem de veiligheidsinstructies in acht zoals beschreven in 7.6.7.
14.1.1 Aanhanger/vrachtwagen inspecteren
- Controleer de aanhanger/vrachtwagen op slijtage en scheuren.
- Controleer de accu op 12 volt lading.
- Controleer of de achterlichten en richtingaanwijzers schoon zijn en goed werken.
- Vervang de reflectoren als ze beschadigd of vuil zijn.
- Controleer de bandenspanning en controleer de wielmoeren op het juiste aanhaalmoment.
- Stel de remmen af zodat ze samenwerken met de remmen van het trekkende voertuig.
- Controleer het laadgebied op scheuren en beschadigingen.
14.1.2 Product opladen (afb. 1, 37)

WAARSCHUWING
Kantelgevaar bij het laden en lossen!
- Bij het laden van het product via een oprijplaat mag alleen achteruit worden gereden.
De zwaardere kant van het product moet altijd naar boven gericht zijn om kantelen of uitglijden te voorkomen. - Bij het lossen van het product mag u vooruit rijden.
Aanwijzing:
Het product kan op een helling zonder brandstof komen te staan, omdat de brandstof in de tank naar voren stroomt en de brandstoftoevoer wordt onderbroken.
-
Start de motor van het product en zet het gaspedaal op een gemiddeld niveau.
-
Zet het inzetgereedschap iets omhoog, maar houd het laag.
- Lijn het product uit op de oprijplaten en rijd langzaam weg.
- Wanneer u de verankeringspositie op de aanhanger/vrachtwagen hebt bereikt, laat u het inzetstuk en het do-zerblad (8) op de grond zakken.
Zorg ervoor dat u het dozerblad (8) niet te ver laat zakken. - Schakel na het laden de motor uit, verwijder de veiligheidssleutel (21a) en verwijder de bougiestekker (20) van de bougie (20a).
14.2 Product optillen
- Til het product op zoals beschreven in 5.2.
14.3 Bevestig het product (afb. 44)

GEVAAR
Plaats het product in het midden van de aanhanger/vrachtwagen, zodat het gewicht gelijkmatig over beide assen verdeeld is.
Zorg ervoor dat de hoofdlast iets naar voren is verplaatst (in de richting van het trekkende voertuig).
Een onjuiste gewichtsverdeling kan leiden tot instabiliteit, controleverlies en ernstige ongevallen.

WAARSCHUWING
De transportverankeringen zijn gelabeld met overeenkomstige symbolen.
Bevestiging op andere punten is onveilig en kan leiden tot persoonlijk letsel of schade aan het product.
- Gebruik geschikte wiggen om het rupsonderstel (6) te beveiligen tegen ongecontroleerde bewegingen.
- Zet het product vast met geschikte bevestigingsmiddelen.
- Controleer voordat u het product vervoert of het voldoende is vastgezet.
14.4 Voorbereiding voor het transport
- Schakel het product uit.
- Verwijder de voedingsstekker van de bougie.
- Leeg de motorolie uit de warme motor.
- Leeg de brandstoftank in een goedgekeurde container met behulp van een brandstofzuigpomp.
- Wij raden u aan het product voor elk transport schoon te maken.
15 Reparatie en reserveonderdelen bestellen
Na reparatie of onderhoud controleren of alle veiligheidstechnische delen zijn bevestigd en in optimale toestand zijn. Delen, waarbij er gevaar voor verwonding voor andere personen en kinderen bestaat, ontoegankelijk bewaren.
LET OP
Conform de wetgeving voor productgaranties wordt er geen garantie geboden voor schade die ontstaan is door incorrecte reparaties of door het niet gebruiken van originele reserveonderdelen.
Neem contact op met een servicecentrum of een erkende specialist. Overeenkomstig geldt dit ook voor accessoires.
Reserveonderdelen en accessoires zijn verkrijgbaar bij ons servicecentrum. Scan hiertoe de QR-code op de titelpagina.
LET OP
Belangrijke aanwijzing bij reparatie
Houd er bij retourlevering van het product voor reparatie rekening mee dat het product om veiligheidsredenen vrij van olie en brandstof naar het servicestation moet worden gestuurd.
16 Afvalverwerking en hergebruik
Aanwijzingen op de verpakking



De verpakkingsmaterialen zijn recyclebaar. Verpakkingen milieuvriendelijk afvoeren.
Aanwijzingen voor het afvoeren van elektrische en elektronische apparatuur

Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur behoort niet bij het huishoudelijke afval, maar moeten worden ingezameld resp. gescheiden worden afgevoerd!
- Afgedankte accu's die niet vast in het afgedankte apparatuur zijn geïntegreerd, moeten vóór het afvoeren op niet-destructieve wijze worden verwijderd! Het afvoeren hiervan is geregeld in de wetgeving inzake batterijen.
- Eigenaars resp. gebruikers van elektrische en elektronische apparaten zijn wettelijk verplicht om na gebruik de batterijen en accu's in te leveren.
- De eindgebruiker is verantwoordelijk voor het wissen van persoonsgerelateerde gegevens op het af te voeren afgedankte apparaat!
- Het symbool van de doorgekruiste vuilnisbak betekent dat afgedankte elektrische en elektronische apparatuur niet bij het huishoudelijk afval mag worden gegooid.
-
Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur kunnen bij de volgende punten kosteloos worden ingeleverd:
-
Openbare afvalverwijderings- of inzamelpunten (bijv. gemeentewerven)
- Verkooppunten van elektrische apparaten (stationair en online), voor zover dealers verplicht zijn ze terug te nemen of dit vrijwillig aanbieden.
- Tot drie afgedankte elektronische apparaten per apparaattype, met een randlengte van niet meer dan 25 centimeter, kunnen gratis naar de fabrikant worden teruggebracht zonder eerst een nieuw apparaat van de fabrikant te hoeven kopen, of naar een ander erkend verzamelpunt in je omgeving worden gebracht.
- Voor verdere aanvullende terugnamevoorwaarden van de fabrikanten en distributeurs verzoeken wij u contact op te nemen met de betreffende klantenservice.
- Bij levering van een nieuw elektrisch apparaat door de fabrikant aan een particulier huishouden, kan de fabrikant op verzoek van de eindgebruiker zorgen voor het kosteloos afhalen van het afgedankte elektrische apparaat. Neem hiertoe contact op met de klantenservice van de fabrikant.
- Deze uitspraken zijn alleen geldig voor apparaten die in de landen van de Europese Unie worden geïnstalleerd en verkocht en die onder de Europese Richtlijn 2012/19/EU vallen. In landen buiten de Europese Unie kunnen andere voorschriften gelden voor het afvoeren van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.
Aanwijzingen voor het afvoeren van afgedankte accu's

Afgedankte accu's behoren niet bij het huishoudelijke afval, maar moeten worden ingezameld resp. gescheiden worden afgevoerd!
- Voor het veilig verwijderen van afgedankte accu's uit het elektrische apparaat en voor informatie over het type resp. het chemische systeem dient u de overige gegevens in de bedienings- en montagehandleiding in acht te nemen.
- Eigenaars resp. gebruikers van accu's zijn wettelijk verplicht om na gebruik accu's in te leveren. Het inleveren beperkt zich tot teruggave van huishoudelijke hoeveelheden.
- Oude batterijen kunnen schadelijke stoffen of zware metalen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor het milieu en de gezondheid. Het recyclen van oude batterijen en het gebruik van de hierin opgenomen ressources levert u een bijdrage om deze twee belangrijke goederen te beschermen.
- De gebruikte kunststof- en metalen onderdelen kunnen per type gescheiden worden en zo worden gerecycled.
- Het symbool van de doorgekruiste vuilnisbak betekent dat afgedankte accu's niet bij het huishoudelijk afval mag worden gegooid.
- Als er onder het vuilnisbaksymbool ook de tekens Hg, Cd of Pb staan, betekent dit het volgende:
– Hg: Accu bevat meer dan 0,0005% kwikzilver
– Cd: Accu bevat meer dan 0,002% cadmium
– Pb: Accu bevat meer dan 0,004% lood
- Accu's kunnen bij de volgende punten kosteloos worden ingeleverd:
- Openbare afvalverwijderings- of inzamelpunten (bijv. gemeentewerven)
- Verkooppunten van accu's
- Verzamelpunten van het gezamenlijke inzamelsysteem voor oude batterijen van een apparaat
- Verzamelpunten van de fabrikant (indien geen deelnemer van het gezamenlijke inzamelsysteem)
- Deze uitspraken zijn alleen geldig voor accu's die in de landen van de Europese Unie worden verkocht en die onder de Europese Richtlijn (EU) 2023/1542 vallen. In landen buiten de Europese Unie kunnen andere voorschriften gelden voor het afvoeren van afgedankte accu's.
Informatie over het afvoeren van versleten apparatuur kunt u opvragen bij uw gemeente.
Brandstoffen en oliën
- Voor het afvoeren van het apparaat moeten de brandstoftank en het motorolie-reservoir worden leeggemaakt!
- Brandstof en motorolie horen niet bij het huishoudelijke afval of in het riool, maar moeten worden ingezameld resp. gescheiden worden afgevoerd!
- Lege olie- en brandstoftanks moet milieuvriendelijk worden afgevoerd.
17 Verhelpen van storingen
De volgende tabel toont storingssymptomen en beschrijft hoe u deze op kunt lossen, als uw product niet goed werkt. Als u het probleem hiermee niet kunt vinden en oplossen, neem dan contact op met uw service-werkplaats.
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing | ||
| Motor | ||
| Het product kan niet worden ge-start. | Contactsleutel staat in de stand "OFF". | Draai de contactsleutel in de stand "ON". |
| Accucircuit is niet gesloten. Sluit | het circuit met behulp van de veiligheidssleutel. | |
| Bougiestekker is niet aangeslo-ten. | Plaats de bougiestekker op de bougie. | |
| De viscositeit van de olie is te hoog; de motor loopt traag in de winter. | Gebruik hydraulische olie voor gebruik in de winter. | |
| Overbelastingsschakelaar is geactiveerd. | Overbelastingsschakelaar resetten. | |
| Accu is leeg. Voer een trekstart | uit, om de accu weer op te laden. | |
| Bougie verroest. Bougie reinigen | of vervangen. | |
| Motoroliepeil laag Motorolie bijvullen. | ||
| Brandstofpeil laag. Controleer het brandstofpeil en vul indien nodig bij. | ||
| Product staat op een helling. Brandstofoevoer is onderbroken. | ||
| Een zekering is doorgebrand. | Controleer de zekeringen. | |
| Onvoldoende motorvermogen | Luchtfilter vervuild. | Luchtfilter reinigen. |
| Motor stopt plotseling | Brandstofpeil laag. | Controleer het brandstofpeil en vul indien nodig bij. |
| Product staat op een helling. Brandstofoevoer is onderbroken. | ||
| Abnormale uitlaatkleur | Onvoldoende brandstof. | Gebruik brandstof van hoge kwaliteit. |
| Te veel motorolie | Tap motorolie af tot het aangegeven oliepeil. | |
| Choke carburateur gesloten. | Open de choke | |
| Hydraulisch systeem | ||
| Draagarm, inzetstuk en aandrijf-vermogen te laag. | Hydraulische oliepeil te laag. | Olie bijvullen. |
| Lekkage in leidingen en/of ver-bindingen. | Vervang leidingen of aansluiting. | |
| Aandrijfsysteem | ||
| Afwijking van aandrijfrichting | Geblokkeerd door vreemde voorwerpen. | Vreemde deeltjes verwijderen. |
| Rubberen rupsband te los of te strak. | Stel de rubberen rupsband af. | |
18 EU-conformiteitsverklaring
Vertaling van de originele conformiteitsverklaring
Fabrikant:
Scheppach GmbH
Wij verklaren onder eigen verantwoordelijkheid dat het hier beschreven product voldoet aan de geldende richtlijnen en normen.
Merk: SCHEPPACH
Art.-aanduiding: Mini-graafmachine - EXC1400/SY-MB1000
Art.nr. 5915003903, 5915003915
EU-richtlijnen:
2014/30/EU, 2006/42/EG, 2000/14/EG_2005/88/EG, 2016/1628/EU, 2011/65/EU*,
* Het hierboven beschreven onderwerp van deze verklaring voldoet aan de voorschriften van richtlijn 2011/65/EU van het Europese Parlement en de Raad van 8 juni 2011 omtrent de beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparaten.
Toegepaste normen:
EN ISO 12100:2010; EN 474-1:2022; EN 474-5:2022; EN 474-5:2022/AC:2022
Conformiteitsbeoordelingsprocedure:
2000/14/EG_2005/88/EG - Bijlage: VI
Gegarandeerd
geluidsvermogensniveau 93 dB
(L_WA)
Gemeten
geluidsvermogensniveau 91,1 dB
(L_WA)
Vermelde instantie: TÜV Rheinland
LGA Products GmbH
Tillystr. 2
90431 Nürnberg
Duitsland
Nummer: 0197
2016/1628/EU
Emissie. Nr:
e24*2016/1628*2021/1398SRB1/P*0556*00
Documentatie gevolmachtigde:
David Rümpelein
Günzburger Str. 69
D-89335 Ichenhausen
Zichtbare defecten moeten binnen 8 dagen na ontvangst van de goederen worden gemeld, anders verliest de koper alle aanspraken op grond van dergelijke defecten. Wij verstrekken garantie voor onze machines, bij juiste behandeling, voor de duur van de wettelijke garantieperiode vanaf het moment van overdracht, op dusdanige wijze dat wij elk machineonderdeel dat binnen deze periode aantoonbaar onbruikbaar wordt als gevolg van materiaal- of fabricagefouten, kosteloos vervangen. Voor onderdelen, die wij niet zelf vervaardigen, verlenen wij uitsluitend garantie, voor zover wij recht hebben op garantieclaims bij de toeleveranciers. De kosten voor het plaatsen van nieuwe onderdelen zijn voor rekening van de koper. Aanspraak op vorderingen tot omzetting en vermindering en overige vorderingen op schadevergoeding zijn uitgesloten.








































