EHSH04P30D3 - Airconditioner DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EHSH04P30D3 DAIKIN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over EHSH04P30D3 DAIKIN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EHSH04P30D3 - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EHSH04P30D3 van het merk DAIKIN.
GEBRUIKSAANWIJZING EHSH04P30D3 DAIKIN
Montagehandleiding en gebruiksaanwijzing Daikin Altherma 3 R ECH₂O
1 Algemene veiligheidsmaatregelen 117
1.1 Bijzondere veiligheidsinstructies 117
1.1.1 Neem de aanwijzingen in acht.... 118
1.1.2 Betekenis van de waarschuwingen en symbolen ..... 118
1.2 Veiligheidsinstructies voor de montage en de werking 119
1.2.1 Algemeen.... 119
1.2.2 Reglementair gebruik.... 119
1.2.3 Plaatsingsruimte voor het apparaat 120
1.2.4 Elektrische installatie 120
1.2.5 Vereisten voor het verwarmings- en opslagwater..... 120
1.2.6 Verwarmingssysteem en aansluiting op sanitair...... 121
1.2.7 Werking.... 121
1.3 Onderhoud, probleemoplossing en buitenbedrijfstelling ..... 121
1.4 Garantiebepalingen 121
2 Productbeschrijving 122
2.1 Opbouw en onderdelen 122
2.2 Werking van de 3-weg omschakelkleppen.... 124
3 Plaatsing en installatie 125
3.1 Afmetingen en aansluitmaten.... 125
3.2 Transport en levering 126
3.3 Warmtepomp plaatsen 126
3.3.1 Installatieplaats kiezen.... 126
3.3.2 Apparaat plaatsen.... 127
3.4 Apparaat voorbereiden voor installatie.... 128
3.4.1 Frontpaneel verwijderen 128
3.4.2 Afdekking verwijderen.... 128
3.4.3 Regelingsbehuizing op servicestand zetten.... 128
3.4.4 Regelingsbehuizing openen.... 129
3.4.5 Warmte-isolatie verwijderen.... 129
3.4.6 Ontluchtingsklep openen 130
3.4.7 Aansluitingen van de verwarmingsaanvoer en -retour uitlijnen.... 130
3.4.8 Opening in de afdekking maken 131
3.4.9 Draaiknop van de regeling aanbrengen.... 132
3.4.10 Kap borgen 132
3.5 Optioneel toebehoren installeren 132
3.5.1 Installatie van een elektrische back-upheater (EKBUxx) 132
3.5.2 Installatie aansluitset voor externe warmtebron (EKBUHSWB) 132
3.5.3 Montage DB-aansluitkit.... 132
3.5.4 Inbouw P-aansluitkit.... 133
3.6 Wateraansluiting.... 133
3.6.1 Minimaal watervolume 134
3.6.2 Hydraulische leidingen aansluiten 134
3.6.3 Afvoer aansluiten 135
3.7 Elektrische aansluiting.... 135
3.7.1 Algemeen aansluitschema.... 136
3.7.2 Positie van de schakelprintplaten en klemrails ..... 137
3.7.3 Aansluiting op het net 137
3.7.4 Algemene informatie over de elektrische aansluiting.. 137
3.7.5 Warmtepomp-buitenunit aansluiten 137
3.7.6 Buitentemperatuursensor (optioneel) aansluiten ..... 138
3.7.7 Extern schakelcontact.... 138
3.7.8 Externe warmtevraag (EBA) 138
3.7.9 Externe warmtebron aansluiten 139
3.7.10 Kamerthermostaat aansluiten 139
3.7.11 Aansluiting van optionele systeemcomponenten..... 140
3.7.12 HP convector aansluiten 140
3.7.13 Aansluiting schakelcontacten (AUX-uitgangen)...... 141
3.7.14 Laagtarief netaansluiting (HT/NT).... 141
3.7.15 Aansluiting intelligente regelaar (Smart Grid - SG) .... 142
3.8 Aansluiting koudemiddel 142
3.8.1 Koudemiddelleidingen leggen.... 142
3.8.2 Drukproof en koudemiddelcircuit vullen....142
3.9 Systeem vullen 143
3.9.1 Waterkwaliteit controleren en manometer afstellen.....143
3.9.2 Warmwater-warmtewisselaar vullen 143
3.9.3 Boiler vullen 143
3.9.4 Verwarmingssysteem vullen 144
4 Configuratie 144
5 Inbedrijfstelling 145
5.1 Voorwaarden 145
5.2 Inbedrijfstelling bij lage omgevingstemperaturen 145
5.3 Hydraulisch systeem ontluchten....145
5.4 Minimum debiet controlleren 146
5.5 Drogen van de dekvloer starten (alleen indien nodig).... 146
5.6 Checklijst voor inbedrijfstelling 146
5.7 Overdracht aan de exploitant 147
6.1 Gegevens op het typeplaatje....147
6.2 Karakteristieke curven.... 147
6.2.1 Sensorkarakteristieken 147
6.2.2Pompkarakteristieken 148
6.3 Aandraaimomenten 148
6.4 Minimale vloeroppervlakte en ventilatieopeningen....148
1 Algemene veiligheidsmaatregelen
1.1 Bijzondere veiligheidsinstructies

WAARSCHUWING
Apparaten die niet correct ingesteld en geïnstalleerd zijn, kunnen de werking van het apparaat nadelig beïnvloeden en/of ernstig of dodelijk letsel van de gebruiker veroorzaken.
- Werkzaamheden aan de binnenunit (bijv. installatie, inspectie, aansluiting en eerste inbedrijfstelling) mogen alleen worden uitgevoerd door personen die geautoriseerd zijn en met succes een technische of beroepsopleiding hebben gevolgd die hen kwalificeert voor de betreffende activiteit en die hebben deelgenomen aan professionele bijscholingscursussen die erkend zijn door de betreffende bevoegde autoriteit. Dit zijn met name verwarmingsspecialisten, elektrotechnische specialisten en koel-/airconditioningsspecialisten die door hun vakopleiding en expertise ervaring hebben met de professionele installatie en het onderhoud van verwarmings-, koel- en airconditioningsystemen en met warmwateropslagsystemen.

WAARSCHUWING
Het negeren van de volgende veiligheidsinstructies kan ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
- Dit apparaat mag niet worden gebruikt door kinderen van 8 jaar of ouder en door personen met verminderde fysieke, zintuiglijke of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij onder toezicht staan of geïnstrueerd zijn in het veilige gebruik van het apparaat en de daaruit voortvloeiende gevaren begrijpen.
Kinderen mogen niet met het apparaat spelen. Reiniging en onderhoud door de gebruiker mag niet zonder toezicht door kinderen worden uitgevoerd.
- De voeding moet conform IEC 60335-1 van een scheidingsvoorziening zijn voorzien die een scheiding van iedere pool met een contactopeningswijdte conform de voorwaarden van overspanningscategorie III voor een volledige scheiding zorgt.
- Alle elektrotechnische werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door gekwalificeerde elektriciens en met inachtneming van de lokale en nationale voorschriften en de instructies in deze handleiding. Zorg ervoor dat er een geschikt circuit wordt gebruikt. Onvoldoende belastbaarheid van het circuit of onjuist gemaakte aansluitingen kunnen elektrische schokken of brand veroorzaken.
- Een overdrukvoorziening met een nominale overdruk van minder dan 1,0 MPa (10 bar) moet door de klant worden geïnstalleerd. De hierop aangesloten afvoerleiding moet met een constant afschot en vrije afvoer in een vorstvrije omgeving worden geïnstalleerd (zie "3.3 Warmtepomp plaatsen" [▶ 126]).
- Uit de afvoerleiding van de drukontlastingsvoorziening kan water druppelen. De afvoeropening moet naar de atmosfeer toe open gehouden worden.
- De drukontlastingsvoorziening moet regelmatig worden gebruikt om kalkafzettingen te verwijderen en om er zeker van te zijn dat hij niet geblokkeerd is.
1 Algemene veiligheidsmaatregelen
- Boiler en warmwatercircuit kunnen geleegd worden. De instructies in 'Tijdelijk stilleggen' in het referentiehandboek voor de monteur moeten in acht worden genomen.
1.1.1 Neem de aanwijzingen in acht
- De originele documentatie is in het Duits. Alle andere talen zijn vertalingen.
- Lees deze handleiding aandachtig door voordat er met de installatie wordt begonnen of er aan het verwarmingssysteem wordt gewerkt.
- De in dit document beschreven veiligheidsmaatregelen behandelen zeer belangrijke thema's. Leef ze zorgvuldig na.
- De installatie van het systeem en alle in deze handleiding en in de eveneens geldige documenten voor de monteur beschreven werkzaamheden moeten door een erkende monteur worden uitgevoerd.
Documentatieset
Dit document maakt deel uit van een documentatieset bestaande uit toepasselijke documenten. De complete set bestaat uit:
- installatiehandleiding voor de binnenunit (vorm: papier – meegeleverd met de binnenunit)
- gebruiksaanwijzing voor de binnenunit (vorm: papier – meegeleverd met de binnenunit)
- gebruiksaanwijzing voor de warmtepomp (vorm: papier – meegeleverd met de binnenunit)
- installatiehandleiding voor de buitenunit (vorm: papier - meegeleverd met de buitenunit)
- installatiehandleidingen voor optionele componenten (vorm: papier – meegeleverd met de betreffende component)
- referentiehandboek voor de monteur voor de binnenunit (vorm: digitaal)
- referentiehandboek voor de monteur voor de buitenunit (vorm: digitaal)
De referentiehandboeken bevatten de complete set technische gegevens, een gedetailleerde beschrijving van de beste praktijken en informatie over onderhoud, probleemoplossing en buitenbedrijfstelling.
De digitale documenten en de laatste versies van de meegeleverde documentatie zijn beschikbaar op de regionale Daikin website of op aanvraag bij uw dealer. De Daikin website is comfortabel toegankelijk via de QR-code op uw apparaat.
1.1.2 Betekenis van de waarschuwingen en symbolen
In deze handleiding zijn de waarschuwingen aan de hand van de ernst van het gevaar en de waarschijnlijkheid van het optreden ervan ingedeeld.

GEVAAR
Wijst op een direct dreigend gevaar.
Wanneer u deze waarschuwing negeert, loopt u gevaar op een zwaar en mogelijk dodelijk letsel.

WAARSCHUWING
Wijst op een mogelijk gevaarlijke situatie.
Het negeren van deze waarschuwing kan leiden tot ernstig letsel of de dood.

VOORZICHTIG
Wijst op een mogelijk schadelijke situatie.
Het negeren van deze waarschuwing kan leiden tot schade aan eigendommen en aan het milieu alsook tot licht letsel.

Dit symbool duidt op een tip en nuttige informatie voor de gebruiker. Het is dus geen waarschuwing voor mogelijke gevaren
Speciale waarschuwingssymbolen
Sommige gevaren worden met speciale symbolen aangegeven.

Elektrische stroom

Explosiegevaar

Gevaar voor brandwonden

Vergiftigingsgevaar
Geldigheid
Sommige informatie in deze handleiding zijn slechts beperkt geldig. De geldigheid is met een symbool geaccentueerd.

Warmtepomp-buitenunit

Warmtepomp-binnenunit

FWXV-ATV3

Voorgeschreven aandraaimoment in acht nemen

Geldt alleen voor apparaten met drukloze aansluiting van het zonnesysteem (DrainBack).

Geldt alleen voor apparaten met bivalente aansluiting van het zonnesysteem (Biv).

Alleen geldig voor binnenunits met koelfunctie
Werkinstructies
1 Werkinstructies worden op een lijst weergegeven. Werkzaamheden waarvoor een bepaalde werkvolgorde dwingend noodzakelijk zijn, worden genummerd vermeld.
1.2 Veiligheidsinstructies voor de montage en de werking
1.2.1 Algemeen

WAARSCHUWING
Apparaten die niet correct ingesteld en geïnstalleerd zijn, kunnen de werking van het apparaat nadelig beïnvloeden en/of ernstig of dodelijk letsel van de gebruiker veroorzaken.
- Werkzaamheden aan de binnenunit (bijv. installatie, inspectie, aansluiting en eerste inbedrijfstelling) mogen alleen worden uitgevoerd door personen die geautoriseerd zijn en met succes een technische of beroepsopleiding hebben gevolgd die hen kwalificeert voor de betreffende activiteit en die hebben deelgenomen aan professionele bijscholingscursussen die erkend zijn door de betreffende bevoegde autoriteit. Dit zijn met name verwarmingsspecialisten, elektrotechnische specialisten en koel-/airconditioningsspecialisten die door hun vakopleiding en expertise ervaring hebben met de professionele installatie en het onderhoud van verwarmings-, koel- en airconditioningsystemen en met warmwateropslagsystemen.
- Tijdens alle werkzaamheden aan de binnenunit de externe hoofdschakelaar uitschakelen en beveiligen tegen onbedoeld inschakelen.
- Laat geen gereedschap of andere voorwerpen onder de kap van het apparaat achter als de installatie- en onderhoudswerkzaamheden zijn voltooid.
Gevaren voorkomen
De binnenunit is gebouwd volgens de nieuwste stand van de techniek en de algemeen aanvaarde regels. Desalniettemin kunnen bij ondeskundig gebruik gevaren voor lijf en leven van personen alsmede beschadigingen optreden. Installeer en gebruik ter voorkoming van gevaren de apparaten alleen:
- reglementair en in onberispelijke hoedanigheid,
- veiligheids- en gevarenbewust.
Dat stelt de kennis en toepassing van de inhoud in deze handleiding, de van toepassing zijnde ongevallenpreventievoorschriften en de erkende veiligheidstechnische en arbeidsmedische regels voorop.
Voor werkzaamheden aan het hydraulische systeem
- Werkzaamheden aan het systeem (bijv. plaatsing, aansluiting en eerste inbedrijfstelling) alleen door personen die geautoriseerd zijn en voor de betreffende werkzaamheid een desbetreffende technische of ambachtelijke opleiding met succes hebben gevolgd.
- Schakel bij alle werkzaamheden aan het systeem de externe hoofdschakelaar uit en beveilig hem tegen onbedoeld inschakelen.
- Loodzegels mogen niet beschadigd of verwijderd worden.
- Bij aansluiting aan de verwarmingskant moeten de veiligheidskleppen aan de eisen van EN 12828 en bij aansluiting aan de drinkwaterzijde aan de eisen van EN 12897 voldoen.
De binnenunit mag alleen worden gebruikt voor de warmwaterbereiding, als ruimteverwarmingssysteem en, afhankelijk van de uitvoering, als ruimtekoelsysteem.
De binnenunit mag alleen worden geïnstalleerd, aangesloten en gebruikt in overeenstemming met de informatie in deze handleiding.
Alleen het gebruik van een door de fabrikant goedgekeurde, hiervoor geschikte buitenunit is toegestaan.
1–1 Toegestane combinaties
| EHSX04P30DA3EHSX04P50DA3EHSXB04P30DA3EHSXB04P50DA3EHSH04P30DA3EHSHB04P30DA3 | |||
| EHSX08P30DA3EHSX08P50DA3EHSXB08P30DA3EHSXB08P50DA3EHSH08P30DA3EHSH08P50DA3EHSHB08P30DA3EHSHB08P50DA3 | |||
![]() | ERGA04DAV3ERGA04EAV3 | √ | × |
| ERGA06DAV3ERGA06EAV3 | × | √ | |
| ERGA08DAV3ERGA08EAV3 | × | √ | |
| ERGA04DAV3AERGA04EAV3A | √ | × | |
| ERGA06DAV3AERGA06EAV3A | × | √ | |
| ERGA08DAV3AERGA08EAV3A | × | √ | |
| ERGA04DAV37ERGA04EAV37 | √ | × | |
leder ander of verder gebruik geldt als niet reglementair. Het risico voor hieruit voortkomende schade draagt de gebruiker.
Bij reglementair gebruik hoort ook de naleving van de onderhouds- en inspectievoorwaarden. Reserveonderdelen moeten ten minste aan de door de fabrikant vastgelegde technische eisen voldoen. Dat is bijv. bij originele reserveonderdelen het geval.
1.2.3 Plaatsingsruimte voor het apparaat

WAARSCHUWING
De kunststof opslagwand van de binnenunit kan onder invloed van externe hitte (>80°C) smelten en in extreme gevallen vlam vatten.
- De binnenunit alleen met een minimale afstand van 1 m van andere warmtebronnen (>80°C) (bijv. elektrische verwarming, gasverwarming, schoorsteen) en brandbare materialen installeren.

VOORZICHTIG
- De binnenunit alleen installeren wanneer voldoende draagvermogen van de ondergrond van 1050 kg/m ^2 plus veiligheidsmarge is gewaarborgd. De ondergrond moet vlak, horizontaal en glad zijn.
- Buiteninstallatie is niet toegestaan.
- De plaatsing in explosiegevaarlijke omgevingen is niet toegestaan.
- De elektronische regeling mag in geen enkel geval blootgesteld worden aan weersinvloeden als bijvoorbeeld regen of sneeuw.
- De boiler mag niet duurzaam blootgesteld worden aan direct zonlicht, omdat de UV-straling en de weersinvloeden de kunststof aantasten.
- De binnenunit moet vorstvrij worden geïnstalleerd.
- Ervoor zorgen dat door het waterbedrijf geen agressief drinkwater wordt geleverd. Eventueel is er een geschikte waterzuivering noodzakelijk.

VOORZICHTIG
- Ats een DrainBack zonneverwarmingssysteem is aangesloten: installeer de binnenunit ver genoeg onder de zonnecollectoren, om ervoor te zorgen dat het zonneverwarmingssysteem volledig kan leeglopen. (Volg de instructies in het handboek voor het DrainBack zonneverwarmingssysteem.) Onvoldoende hoogteverschil kan tot vernieling van het DrainBack zonnesysteem leiden.
- De binnenunit mag niet in ruimtes met omgevingstemperaturen boven de 40°C worden gebruikt.
1.2.4 Elektrische installatie
- Elektrische installatie alleen door elektrotechnisch gekwalificeerd deskundig personeel, rekening houdend met de van toepassing zijnde elektrotechnische richtlijnen en de voorschriften van het verantwoordelijke energiebedrijf.
- Vergelijk de op het typeplaatje aangegeven netspanning met de voedingsspanning voordat u het apparaat aansluit op de voedingsspanning.
- Voor werkzaamheden aan onder stroom staande onderdelen moeten die van de voeding worden losgekoppeld (hoofdschakelaar uitschakelen, zekering loskoppelen) en tegen onbedoeld inschakelen worden beveiligd.
- Apparaatafdekkingen en onderhoudspanelen na afloop van de werkzaamheden onmiddellijk weer monteren.
1.2.5 Vereisten voor het verwarmings- en opslagwater
Schade door afzettingen en corrosie vermijden: om corrosieproducten en afzettingen te vermijden, moeten de relevante technische regels in acht worden genomen.
Minimum eisen aan de kwaliteit van vul- en bijvulwater:
- Waterhardheid (calcium- en magnesium, berekend als calciumcarbonaat): ≤3 mmol/l
- Geleidbaarheid: ≤1500 (idealiter ≤100) μS/cm
- Chloride: ≤250 mg/l
- Sulfaat: ≤250 mg/l
- pH-waarde: 6,5 – 8,5
Bij vul- en bijvulwater met een hoge algehele hardheid (>3 mmol/l – som van de calcium- en magnesium-concentraties, berekend als calciumcarbonaat) moeten er maatregelen voor ontzilting, ontharding of hardheidsstabilisatie worden genomen. Wij adviseren Fernox kalk- en anticorrosiemiddel KSK. Bij andere van de minimum eisen afwijkende eigenschappen zijn er geschikte conditioneringsmaatregelen noodzakelijk om aan de vereiste waterkwaliteit te voldoen.
Het gebruik van vul- en bijvulwater dat niet aan de genoemde kwaliteitseisen voldoet, kan een aanzienlijk kortere levensduur van het apparaat veroorzaken. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt alleen bij de gebruiker.

INFORMATIE
Als er een optionele externe warmtebron wordt aangesloten, gelden deze minimumvereisten ook voor het vul- en suppletiewater voor dit verwarmingscircuit.
1.2.6 Verwarmingssysteem en aansluiting op sanitair
- Installeer het verwarmingssysteem aan de hand van de veiligheidstechnische eisen van EN 12828.
- De aansluiting op het sanitair moet aan de eisen van EN 12897 voldoen. Bovendien moeten de eisen van
- EN 1717 – Bescherming tegen verontreiniging van drinkwater in waterinstallaties en algemene eisen voor inrichtingen ter voorkoming van verontreiniging door terugstroming [Protection against pollution of potable water installations and general requirements of devices to prevent pollution by backflow]
- EN 61770 – Elektrische toestellen verbonden met het waterleidingnet – Voorkomen van terughevelen van niet-drinkbaar water naar het net en het falen van slangstellen [Electric appliances connected to the water mains – Avoidance of backsiphonage and failure of hose-sets]
- EN 806 – Eisen voor drinkwaterinstallaties in gebouwen [Specifications for installations inside buildings conveying water for human consumption]
- en aanvullende de nationale wetten.
Bij gebruik van de binnenunit met een extra warmtebron, vooral bij gebruik van zonne-energie, kan de opslagtemperatuur hoger zijn dan 65°C.
- Bij het installeren van het systeem moet daarom een verbrandingsbescherming (warmwatermengapparaat, bijv. VTA32) worden ingebouwd.

INFORMATIE
De drinkwaterkwaliteit moet voldoen aan de EU-richtlijn 98/83/EU en de regionaal geldende voorschriften.
Als de binnenunit wordt aangesloten op een verwarmingssysteem waarin stalen buizen of radiatoren of niet-diffusiedichte vloerverwarmingsbuizen worden gebruikt, kunnen er slib en spaanders in het warmwaterreservoir terechtkomen en verstoppingen, plaatselijke oververhitting of corrosieschade veroorzaken.
- Ter voorkoming van mogelijke schade moet er een vuilfilter of slibafscheider in het retourcircuit van het systeem gemonteerd worden (SAS 1 of SAS 2).
- Het vuilfilter moet met regelmatige tussenpozen gereinigd worden.
1.2.7 Werking
De binnenunit:
- pas na afloop van alle installatie- en aansluitwerkzaamheden gebruiken.
- alleen met volledig gevulde boiler (vulniveauweergave controleren) en verwarmingscircuit gebruiken.
- met maximaal 3 bar systeemdruk gebruiken.
- alleen met drukregelaar op de externe watervoorziening (aanvoerleiding) aansluiten.
- alleen met gemonteerde afdekkap gebruiken.
Voorgeschreven onderhoudsintervallen moeten nageleefd en inspectiewerkzaamheden uitgevoerd worden.
1.3 Onderhoud, probleemoplossing en buitenbedrijfstelling
Werkzaamheden voor onderhoud, probleemoplossing en buitenbedrijfstelling mogen niet worden uitgevoerd zonder kennis van de relevante veiligheidsmaatregelen en, in het geval van verwijdering, de landspecifieke richtlijnen. Neem hiervoor de relevante informatie in het referentiehandboek voor de monteur in acht.
Aanwijzingen voor de afvalverwijdering
We hebben de binnenunit milieuvriendelijk ontworpen. Bij de verwijdering van afval treedt er alleen afval op dat ofwel hergebruikt of thermisch afgebroken kan worden. Het toegepaste materiaal dat geschikt is voor hergebruikt kunnen op soort gescheiden worden.

Door het milieuvriendelijke ontwerp van de binnenunit
hebben we de voorwaarden geschapen voor een milieuvriendelijke verwijdering. De deskundige en met de betreffende nationale voorwaarden in het land van toepassing overeenkomende afvalverwijdering ligt in de verantwoordelijkheid van de gebruiker.

De markering van het product betekent dat elektrische en sche producten niet met ongesorteerd huishoudelijk afval vorden afgevoerd.
De deskundige en met de betreffende nationale voorwaarden in het land van toepassing overeenkomende afvalverwijdering ligt in de verantwoordelijkheid van de gebruiker.
- Demontage van het systeem, behandeling van koudemiddel, olie en andere onderdelen mogen alleen worden uitgevoerd door een gekwalificeerde monteur.
- Verwijdering alleen via een voorziening die gespecialiseerd is in hergebruik, recycling en terugwinning.
Meer informatie kan worden verkregen bij het installatiebedrijf of de bevoegde lokale instantie.
1.4 Garantiebepalingen
In principe gelden de wettelijke garantievoorwaarden. Onze aanvullende garantievoorwaarden vindt u op internet. Vraag indien nodig uw leverancier.
Bij onjuiste installatie, inbedrijfstelling en onderhoud vervalt de garantie. Als u vragen hebt, neem dan contact op met onze klantenservice.
Garantieclaims zijn alleen geldig als de jaarlijkse onderhoudswerkzaamheden aantoonbaar regelmatig worden uitgevoerd in overeenstemming met de informatie in het referentiehandboek voor de monteur.
2 Productbeschrijving
2 Productbeschrijving
2.1 Opbouw en onderdelen
Buitenkant van het apparaat

2-1 Opbouw en onderdelen – Buitenkant van het apparaat
a Statusindicator
b Afdekkap
c Opname voor handgreep
d Vul- en leegaansluiting of zonnesysteem – retouraansluiting
e Typeplaatje
Bovenkant van het apparaat

2-2 Opbouw en onderdelen - Bovenkant van het apparaat
a Aanvoer zonnesysteem
b Koudwateraansluiting
c Warm water
d Verwarming aanvoer
e Verwarming retour
f Circulatiepomp
g Overdrukklep
h Automatische ontluchter
i Aansluiting voor een optionele elektrische back-upheater
EKBUxx
j Vulpeilweergave (opslagwater)
k Platenwarmtewisselaar
I Aansluiting koudemiddel vloeistofleiding
m Aansluiting koudemiddel gasleiding
n Kogelkraan (verwarmingscircuit)
o KEE-kraan (venwarmingscircuit)
6 KFL-Kraan (verwanningscircuit)
p Boilertemperatuursensor
g Aansluiting membraanexpansievat
r Regelingsbebuizing
s, t Handbediende ontluchtingskleppen
3UVB1 3-weg omschakelklep (intern warmteopwekkingscircuit)
3UV DHW 3-weg omschakelklep (warm water/verwarmen)
DS Druksensor
FLS Flowsensor
t_R Retourtemperatuursensor
t_v,BH Aanvoertemperatuursensor Back-upheater
Inwendige opbouw ...04P30D.../...08P30D...

flowchart
graph TD
A["3UV DHW"] -->|AB| B["A"]
B --> C["M"]
C --> D["tV,BH"]
D --> E["A"]
E --> F["B"]
F --> G["M"]
G --> H["3UVB1"]
H --> I["DS"]
I --> J["Mag"]
J --> K["g"]
K --> L["f"]
L --> M["FLS"]
M --> N["3UV"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style H fill:#ccf,stroke:#333

text_image
aa b c ac ab f X e d y z a x w 3UVB1 3UV DHW o n p u q h k tDHW2 tDHW1 v l m s v/j ad i r2-3 Opbouw en onderdelen - inwendige
opbouw ...04P30D.../...08P30D... (Biv)
a Aanvoer zonnesysteem
b Koudwateraansluiting
c Warm water
d Verwarming aanvoer
e Verwarming retour
f Circulatiepomp
g Overdrukklep
h Boiler (dubbelwandig omhulsel van polypropyleen met PUR-hardschuim warmte-isolatie)
i Vul- en leegaansluiting of zonnesysteem – retouraansluiting
J Opname voor zonnesysteem regeling of handgreep
k Warmtewisselaar (rvs) voor verwarming drinkwater
I Warmtewisselaar (rvs) voor het opladen van de opslag of verwarmingsondersteuning
m Biv-warmtewisselaar (roestvast staal) voor het opladen van de opslag met ext. warmtebron (bijv. druk-zonne-energie)
n Aansluiting voor een optionele elektrische back-upheater EKBUxx
o Vulpeilweergave (opslagwater)
p Optioneel: Elektrische back-upheater (EKBUxx)
q Sensordompelhuis voor boilertemperatuursensor t DHW1 en tDHW2
r Drukloos opslagwater
s Zonnesysteemgedeelte
t Warmwatergedeelte
u Aansluiting veiligheidsoverloop
v Opname voor handgreep
w Afdekkap
ab Aansluiting koudemiddel vloeistofleiding
ac Aansluiting koudemiddel gasleiding
ad Optioneel: zonnesysteem regelings- en pompeenheid
ae Circulatierem (toebehoren)
3UVB1 3-weg omschakelklep (intern warmteopwekkingscircuit)
3UV DHW 3-weg omschakelklep (warm water/verwarmen)
DS Druksensor
FLS Flowsensor
MAG Membraanexpansievat (van klant)
t_DHW1, t_DHW2 Boilertemperatuursensor
t_R Retourtemperatuursensor
t_V,BH Aanvoertemperatuursensor Back-upheater
Inwendige opbouw ...04P50D.../...08P50D...

flowchart
graph TD
A["3UV DHW"] -->|t_V,BH| B["3UV B1"]
B -->|AB| C["3UV DHW"]
C -->|t_R| D["Top Flow"]
D --> E["FLS"]
E --> F["3UV B1"]
F --> G["3UV DHW"]
G --> H["3UV B1"]
H --> I["FLS"]
I --> J["MAG"]
J --> K["DS"]
K --> L["e"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#ffc,stroke:#333
style F fill:#cff,stroke:#333
style G fill:#fcf,stroke:#333
style H fill:#cff,stroke:#333
style I fill:#ffc,stroke:#333
style J fill:#cfc,stroke:#333
style K fill:#fcc,stroke:#333
style L fill:#ffc,stroke:#333
style M fill:#cfc,stroke:#333

text_image
aa b c ac ab f X e d y z a x w 3UVB1 3UV DHW p o af k v / j ad i s r m ae AB M A5 tDHW2 tDHW1 h l n u q t v s2-4 Opbouw en onderdelen – inwendige opbouw ...04P50D.../...08P50D... (Biv)
a Aanvoer zonnesysteem
b Koudwateraansluiting
c Warm water
d Verwarming aanvoer
e Verwarming retour
f Circulatiepomp
g Overdrukklep
h Boiler (dubbelwandig omhulsel van polypropyleen met PUR-hardschuim warmte-isolatie)
I Vul- en leegaansluiting of zonnesysteem – retouraansluiting
j Opname voor zonnesysteem regeling of handgreep
k Warmtewisselaar (rvs) voor verwarming drinkwater
I Warmtewisselaar (rvs) voor het opladen van de opslag of verwarmingsondersteuning
m Biv-warmtewisselaar (roestvast staal) voor het opladen van de opslag met ext. warmtebron (bijv. druk-zonne-energie)
n Aansluiting voor een optionele elektrische back-upheater EKBUxx
o Vulpeilweergave (opslagwater)
p Optioneel: Elektrische back-upheater (EKBUxx)
q Sensordompelhuls voor boilertemperatuursensor t _DHW1 en
t_CHW2
r Drukloos opslagwater
s Zonnesysteemgedeelte
t Warmwatergedeelte
u Aansluiting veiligheidsoverloop
v Opname voor handgreep
w Afdekkap
x Retour zonnesysteem
y Biv-aanvoer
z Biv-retour
aa Platenwarmtewisselaar
ab Aansluiting koudemiddel vloeistofleiding
ac Aansluiting koudemiddel gasleiding
ad Optioneel: zonnesysteem regelings- en pompeenheid
ae Circulatierem (toebehoren)
af Aanvoer zonnesysteem gelaagde buis
3UVB1 3-weg omschakelklep (intern warmteopwekkingscircuit) 3UV DHW 3-weg omschakelklep (warm water/verwarmen)
DS Druksensor
FLS Flowsensor
MAG Membraanexpansievat (van klant)
t_DHW1, t_DHW2 Boilertemperatuursensor
t_R Retourtemperatuursensor
t_v,BH Aanvoertemperatuursensor Back-upheater
2.2 Werking van de 3-weg omschakelkleppen

text_image
3UVB 1 (45%) 50% 0% CH (B) 100% Bypass (A) 3UV DHW (67%) 50% 0% CH (A) 100% DHW (B)2–5 Functie 3-weg schakelklep
3 Plaatsing en installatie

WAARSCHUWING
Ondeskundig geplaatste en geïnstalleerde koelsystemen (warmtepompen), airconditioningsystemen en verwarmingssystemen kunnen leven en gezondheid van personen in gevaar brengen en qua functie belemmerd zijn.
- Werkzaamheden aan de binnenunit (bijv. installatie, reparatie, aansluiting en eerste inbedrijfstelling) mogen alleen worden uitgevoerd door personen die geautoriseerd zijn en met succes een technische of beroepsopleiding hebben gevolgd die hen kwalificeert voor de betreffende activiteit en die hebben deelgenomen aan professionele bijscholingscursussen die erkend zijn door de betreffende bevoegde autoriteit. Hierbij horen met name verwarmingstechnici, elektrotechnici en koel-/airconditioneringspecialisten die op basis van hun opleiding en kennis ervaring hebben in de installatie en het onderhoud van verwarmings- koel- en airconditioningsystemen alsmede van warmtepompen.
Ondeskundige plaatsing en installatie leiden tot verlies van de garantie van de fabrikant op het apparaat. Neem bij vragen contact op met onze technische klantenservice.
3.1 Afmetingen en aansluitmaten
Afmetingen ...04P30D.../...08P30D...

text_image
1659 1599 1565 1380 642 0 0 161 183 334 490 f g e d 1905 1770 B A 615 388 184 95±5 0 h a i b c e b d A3-1 Afmetingen ...04P30D.../...08P30D...
a Aanvoer zonnesysteem
b Koud water
c Warm water
d Verwarming aanvoer
e Verwarming retour
f Aansluiting koudemiddel gasleiding
g Aansluiting koudemiddel vloeistofleiding
h Biv-aanvoer (alleen type ...Biv)
i Biv-retour (alleen type ...Biv)
A Voor
B Achter
Afmetingen ...04P50D.../...08P50D...

text_image
0 259 280 432 588 f g e d 1905 1762 1651 1591 1555 1380 B 642 0 0 A 785 0 147,5 412,5 432 587,5 785 452,5 332,5 249 162,5 147,5 0 i h a f g c e b d B3-2 Afmetingen ...04P50D.../...08P50D...
a Aanvoer zonnesysteem
b Koud water
c Warm water
d Verwarming aanvoer
e Verwarming retour
f Aansluiting koudemiddel gasleiding
g Aansluiting koudemiddel vloeistofleiding
h Biv-aanvoer (alleen type ...Biv)
i Biv-retour (alleen type ...Biv)
A Voor
B Achter
3.2 Transport en levering

WAARSCHUWING
De binnenunit is topzwaar wanneer deze niet gevuld is en kan tijdens het transport omvallen. Daardoor kunnen personen in gevaar raken of het apparaat beschadigd worden.
- De binnenunit borgen, voorzichtig transporteren, handgrepen gebruiken.
De binnenunit wordt geleverd op een pallet. Alle transportmiddelen als hefwagens en vorkheftrucks zijn geschikt voor het transport.
Leveringsomvang
- Binnenunit (voorgemonteerd),
- Zakje met toebehoren,
- Documentenpakket.

a Handgrepen (alleen voor transport nodig)
b Afdekking
c Slangaansluitstuk voor veiligheidsoverloop
d Montagesleutel
e Kogelkraan
f Vlakke afdichting
g O-ring
h Kabelbinders
i Steekbeugel
j Ontluchtingsslang
k Condensaatafvoerslang
I Draaiknop regeling
m Schroeven voor kap
n Documentenpakket
Verder toebehoren voor de binnenunit, zie prijslijst.
3.3 Warmtepomp plaatsen
3.3.1 Installatieplaats kiezen

VOORZICHTIG
Als de totale koudemiddelvulling in het systeem ≥1,84 kg is, moet er aan verdere eisen aan het minimum plaatsingsoppervlak en de minimale ventilatieopeningen worden voldaan. Zie "6.4 Minimale vloeroppervlakte en ventilatieopeningen" [▶ 148].
Vermeldingen over de totale koudemiddelvulling staan op het typeplaatje van de buitenunit. Neem beslist de bijbehorende installatiehandleiding in acht.
De installatieplaats van de binnenunit moet voldoen aan de volgende minimumvereisten (zie ook "1.2.3 Plaatsingsruimte voor het apparaat" [▶ 120]).
Plaatsingsoppervlak
- De ondergrond moet vlak en glad zijn en voldoende draagvermogen van de ondergrond van 1050 kg/m² plus veiligheidsmarge hebben. Installeer indien nodig een voetstuk.
- Installatiematen in acht nemen (zie "3.1 Afmetingen en aansluitmaten" [▶ 125]).
Minimale afstand

GEVAAR: RISICO OP BRANDWONDEN
De kunststof opslagwand van de binnenunit kan onder invloed van externe hitte (>80°C) smelten en in extreme gevallen vlam vatten.
- De binnenunit alleen met een minimale afstand van 1 m van andere warmtebronnen (>80°C) (bijv. elektrisch verwarming, gasverwarming, schoorsteen) en brandbaar materiaal installeren.

VOORZICHTIG
p=0 Als de binnenunit niet voldoende ver onder de vlakke zonnecollectoren wordt geïnstalleerd (bovenste rand van de boiler ligt hoger dan de onderste rand van de collector), kan het drukloze zonne-energie-systeem buiten niet volledig leeglopen.
- De binnenunit bij aansluiting op de zonne-energievoorziening voldoende laag ten opzichte van de vlakke plaatcollectoren installeren (minimaal afschot van de aansluitleidingen voor zonne-energie in acht nemen).
Aanbevolen minimale afstanden:
Tot de wand: (achterkant) ≥100 mm, (zijkanten) ≥500 mm
Tot de plafond: ≥1200 mm, minimaal 480 mm.
Afstanden tot de buitenunit:
Bij de keuze van de installatieplaats moet rekening worden gehouden met de specificaties uit tabel "■ 3-1 " [▶ 127].
3-1
| Maximale lengte van de koudemiddelleiding tussen binnen- en buitenunit | 30 m |
| Minimale lengte van de koudemiddelleiding tussen binnen- en buitenunit | 3 m |
| Maximaal hoogteverschil tussen binnen- en buitenunit | 20 m |
3.3.2 Apparaat plaatsen

WAARSCHUWING
De binnenunit is topzwaar wanneer deze niet gevuld is en kan tijdens het transport omvallen. Daardoor kunnen personen in gevaar raken of het apparaat beschadigd worden.
- De binnenunit goed borgen, voorzichtig transporteren, handgrepen gebruiken.
Voorwaarde
- De installatieplaats voldoet aan de betreffende landspecifieke voorschriften en de in "3.3.1 Installatieplaats kiezen" [▶ 126] beschreven minimumvereisten.
Plaatsing
1 Verpakking verwijderen en milieuvriendelijk wegdoen.
2 Bij de boiler de afdekpanelen (pos. b) verwijderen en de draadeinden (pos. c) uit de openingen schroeven waar de handgrepen moeten worden gemonteerd.
3 Handgrepen (pos. a) in de vrijgekomen tapgaten schroeven.
4 Binnenunit voorzichtig naar de installatieplaats transporteren, handgrepen gebruiken.

text_image
d b c a 2. //
text_image
360° ③.3–4 Handgrepen monteren
a Handgreep
b Afdekking
c Draadeinde
d Montagesleutel
5 Binnenunit op de installatieplaats installeren.
- Bij plaatsing in kasten, achter luiken of andere nauwe situaties moet er voor voldoende ventilatie (bijv. met ventilatieroosters) worden gezorgd. Als de totale koudemiddelvulling in het systeem ≥1,84 kg is, moet aan verdere eisen voor de ventilatieopeningen worden voldaan (zie "6.4 Minimale vloeroppervlakte en ventilatieopeningen" [▶ 148]).
3 Plaatsing en installatie
3.4 Apparaat voorbereiden voor installatie
3.4.1 Frontpaneel verwijderen
1 Bouten losdraaien (1.).
2 Steunnoppen aan de zijkant met de vingers omhoog drukken (2.), van boven met de duim tegenhouden.
3 Frontpaneel naar boven toe wegnemen (3.).

3–5 Frontpaneel verwijderen
3.4.2 Afdekking verwijderen
1 Afdekkap uit de naar achteren gerichte bevestigingsnoppen loshaken (1.), achteraan optillen (2.) en naar voren verwijderen (3.).

3–6 Afdekking verwijderen

3.4.3 Regelingsbehuizing op servicestand zetten
Om het werk aan de hydrauliek van de binnenunit te vergemakkelijken, kan de regelingsbehuizing in de servicepositie worden gezet.
1 Schroeven (a) van de houder van de regelingsbehuizing losdraaien.

2 Regelingsbehuizing naar voren toe wegnemen en met de haken aan de achterste beugels in de houder steken.

Om de elektrische aansluitingen te maken moet de regelingsbehuizing zelf geopend worden. Dat kan op de normale stand en op servicestand gedaan worden.
1 Voorste bout losdraaien.
2 Deksel omhoog schuiven en naar voren lostrekken.

3 Deksel met de haken aan de zijkant aan de regelingsbehuizing vasthaken.

3.4.5 Warmte-isolatie verwijderen

VOORZICHTIG
De warmte-isolatie bestaat uit drukgevoelige EPP-gietdelen, die door een verkeerde behandeling gemakkelijk kunnen worden beschadigd.
- De verwijdering van de warmte-isolatie alleen in de hierna vermelde volgorde en in de weergegeven richtingen uitvoeren.
- Oefen geen kracht uit.
- Gebruik geen gereedschap.
1 Bovenste warmte-isolatie in de volgende volgorde verwijderen:
- Zij-isolatie-element (pos. a) horizontaal eruit trekken.
- Achterste isolatie-element (pos. b) horizontaal eruit trekken.
- Voorste isolatie-element (pos. c) horizontaal eruit trekken.

3–12 Bovenste warmte-isolatie verwijderen
a Zij-isolatie-element
b Achterste isolatie-element
c Voorste isolatie-element
2 Indien nodig: onderste warmte-isolatie in de volgende volgorde verwijderen:
- Zij-isolatie-element (pos. a) verticaal eruit trekken.
- Achterste isolatie-element (pos. b) verticaal eruit trekken.
3 Plaatsing en installatie

text_image
a b3–13 Onderste warmte-isolatie verwijderen
a Zij-isolatie-element
b Achterste isolatie-element

INFORMATIE
De montage van de warmte-isolatie gebeurt in de omgekeerde volgorde.
3.4.6 Ontluchtingsklep openen
1 Warmte-isolatie verwijderen (zie "3.4.5 Warmte-isolatie verwijderen" [▶ 129]).
2 Ontluchtingsklep aan de pomp één slag openen.

text_image
1x 3. ①. ②.3–14 Ontluchtingsklep openen
3.4.7 Aansluitingen van de verwarmingsaanvoer en -retour uitlijnen

VOORZICHTIG
Bij werkzaamheden aan het hydraulische systeem moet op de montagepositie van de O-ringen worden gelet om beschadigingen van de O-ringen en dus lekkages te vermijden.
- O-ringen na demontage of voor montage van een steekverbinding altijd op het in te steken deel plaatsen (zie " 3–15 Hydraulische steekverbindingen" [▶ 130]).
- De aansluiting van de verwarmingsbuizen via de steekverbindingen moet zonder spanning uitgevoerd worden. Vooral bij het aansluiten met flexibele leidingen (niet diffusie-open!) een geschikte spanningsontlasting tot stand brengen (zie "3-28 Naar achteren gerichte hydraulische leidingen ondersteunen" [▶ 134]).

Als steekbeugels niet correct worden opgestoken, kunnen er koppelingen uit hun houders losraken, waardoor er veel of continu vloeistof vrij kan komen.
- Zorg er voor het aanbrengen van een steekbeugel voor dat de steekbeugel in de groef van de koppeling grijpt. Steek hiervoor de koppeling zo ver in de opname dat de groef door de opname van de steekbeugel zichtbaar wordt.
- Steekbeugel tot de aanslag opsteken.
De aansluitingen van de verwarmingsaanvoer en -retour kunnen naar boven of naar achteren uit het apparaat worden geleid om ze optimaal op de constructieve omstandigheden van de plaats van toepassing aan te passen.

flowchart
graph TD
I["Component I"] -->|Nozzle| Valve1["Valve"]
I -->|Nozzle| Valve2["Valve"]
Valve1 -->|Red Line| Valve3["Valve"]
Valve2 -->|Red Line| Valve4["Valve"]
Valve3 --> Valve5["Valve"]
Valve4 --> Valve6["Valve"]
Valve5 --> Valve7["Valve"]
Valve6 --> Valve8["Valve"]
Valve7 --> Valve9["Valve"]
Valve8 --> Valve10["Valve"]
Valve9 --> Valve11["Valve"]
Valve10 --> Valve12["Valve"]
Valve11 --> Valve13["Valve"]
Valve12 --> Valve14["Valve"]
3–16 Varianten voor het uitlijnen van de verwarmingsaanvoer en -retour
Het apparaat wordt standaard met naar boven uitgelijnde aansluitingen aangeleverd. Om de aansluitingen achter uit het apparaat te leiden moeten de volgende verbouwingen worden uitgevoerd:
1 Afdekkap en bovenste warmte-isolatie verwijderen (zie "3.4.2 Afdekking verwijderen" [▶ 128], "3.4.5 Warmte-isolatie verwijderen" [▶ 129]).
2 Beide steekbeugels van de aansluitkoppelingen (pos. c) eruit trekken.
3 Beide aansluitkoppelingen (pos. b) eruit trekken.
4 Bevestigingsplaat (pos. a) verwijderen.
5 Steekbeugel van de afdichtplug (pos. d) eruit trekken.
6 Afdichtplug (pos. e) eruit trekken.
7 Hoekstuk (pos. h) 90° naar achteren draaien.
8 Steekbeugel van de bocht (pos. g) eruit trekken.

text_image
a b c h g f b c d e3-17 Aansluitingen van verwarmingsaanvoer en -retour naar boven uitgelijnd
a Bevestigingsplaat
b Aansluitkoppeling
c Steekbeugel van de aansluitkoppeling
d Steekbeugel van de afdichtplug
e Afdichtplug
f Bocht
g Steekbeugel van de bocht
h Hoekstuk
9 Bocht (pos. f) voorzichtig zo ver naar achteren uit de horizontale houder trekken dat de bevestigingsplaat (" 18 Aansluitingen van verwarmingsaanvoer en -retour naar achteren uitgelijnd" [131], pos. a) er verticaal tussen kan worden geschoven.
10 Bevestigingsplaat tussen de bocht en zijn horizontale houder schuiven en bocht (pos. f) door het middelste gat van de bevestigingsplaat terug in zijn houder steken.
11 Bocht met steekbeugel (pos. g) terug in zijn houder borgen.
12 Beide aansluitkoppelingen (pos. b) door de bevestigingsplaat in de zijdelingse opnamen steken.
13 Beide aansluitkoppelingen met steekbeugels (pos. c) in hun opnamen borgen.
14 Afdichtplug (pos. e) in de bovenste opname steken.
15 Afdichtplug met steekbeugel (pos. d) borgen.

text_image
a b g f c h e d c b3-18 Aansluitingen van verwarmingsaanvoer en -retour naar achteren uitgelijnd
a Bevestigingsplaat
b Aansluitkoppeling
c Steekbeugel van de aansluitkoppeling
d Steekbeugel van de afdichtplug
e Afdichtplug
f Bocht
g Steekbeugel van de bocht
h Hoekstuk
16 Zijdelingse doorvoeren van de warmte-isolatie (pos. a) met geschikt gereedschap eruit knippen.

text_image
a a3–19 Opening warmte-isolatie
a Zijdelingse doorvoeren van de warmte-isolatie
3.4.8 Opening in de afdekking maken
1 Bij een naar boven gerichte verwarmingsaanvoer en -retour: afdekking met geschikt gereedschap langs de perforatie openen.

3 Plaatsing en installatie
3.4.9 Draaiknop van de regeling aanbrengen
1 Draaiknop op de draaiknopopname van de RoCon+ HP1 plaatsen en erop drukken.

3–21 Draaiknop plaatsen
3.4.10 Kap borgen
Nadat de installatie volledig is voltooid:
1 Schroeven voor bevestiging van de kap (zakje met toebehoren) aanbrengen.
2 Frontpaneel recht over de draaiknop van de RoCon+ HP1 plaatsen. Boven en onder aandrukken tot de frontpaneel weer veilig is vastgeklikt.

3.5 Optioneel toebehoren installeren
3.5.1 Installatie van een elektrische back-upheater (EKBUxx)

INFORMATIE
Bij een lage plafondhoogte moet de boiler voor de montage van de Back-upheater in lege hoedanigheid gekanteld worden. Dat moet vóór alle andere installatiestappen gebeuren.
De binnenunit biedt de mogelijkheid om een elektrische hulpverwarming (back-upheater EKBUxx) te installeren. Daarmee kan bijv. regeneratief opgewekte stroom als extra verwarmingsbron worden gebruikt.

INFORMATIE
Met deze component is een aparte handleiding meegeleverd die onder andere aanwijzingen voor de montage en werking bevat.
3.5.2 Installatie aansluitset voor externe warmtebron (EKBUHSWB)
Voor de aansluiting van een elektrische Back-upheater of van een andere externe warmtebron moet de aansluitset voor externe warmtebronnen gemonteerd worden.
1 Behuizing openen; hiervoor de bout verwijderen.
2 Extra componenten uit de behuizing verwijderen (trekontlastingsclip, kabelbinders, doorvoerhuls).
3 Aansluitset aanbrengen op de regelingsbehuizing van de binnenunit. Hiervoor de haken (pos. a) van de aansluitset in de sleuven van de regelingsbehuizing (pos. b) steken; vervolgens aansluitset naar beneden duwen.

3–23 Aansluitset monteren
a Haak
b Sleuf
4 Doorvoertule (pos. a) aanbrengen op de doorvoer tussen aansluitset en regelingsbehuizing.
5 Bevestigingsklinknagel (pos. b) aanbrengen.

text_image
a b3–24 Kabeldoorvoer
a Doorvoertule
b Bevestigingsklinknagel
6 Kabel EHS printplaat Ultra door de doorvoertule steken en aansluiten op de RoCon BM2C (zie "3-38 Aansluiting op printplaat RTX-EHS" [139]).
7 Nadat de installatie en de elektrische aansluitingen voltooid zijn (zie "3.6 Wateraansluiting" [▶ 133] of "3.7 Elektrische aansluiting" [▶ 135]), het deksel terugplaatsen en sluiten met de schroef.
3.5.3 Montage DB-aansluitkit
De optionele DB-aansluitkit maakt een betere toegankelijkheid voor het aansluiten van de DrainBack-leiding mogelijk (aanvoer zonnesysteem).

text_image
a b c d3-25 DB-aansluitkit
a Aansluiting DB-leiding (aanvoer zonnesysteem)
b Flowsensor (geen onderdeel van de DB-aansluitkit, maar bij EKSRPS4 meegeleverd)
c Debietbegrenzer (FlowGuard)
d Aansluiting aanvoer zonnesysteem op de boiler
3.5.4 Inbouw P-aansluitkit
De optionele P-aansluitkit voor Biv-apparaten maakt een betere toegankelijkheid voor het aansluiten van de aanvoer- en retourleiding van de zonnesysteem met druk of van een andere externe warmtebron op de boiler mogelijk. De kit bevat twee warmtegeïsoleerde ribbelbuizen die met een dopmoer op de aansluitingen van de boiler worden aangesloten. Aan het andere uiteinde van de ribbelbuizen bevindt zich elk een adapter voor verschillende aansluitmaten van de aanvoer- en retourleiding.

3–26 P-aansluitkit voor Biv-apparaten
a Aansluiting voor aanvoer (rood)
b Aansluiting voor retour (blauw)
3.6 Wateraansluiting
Belangrijke aanwijzingen

VOORZICHTIG
Als de binnenunit wordt aangesloten op een verwarmingssysteem waarin stalen buizen of radiatoren of niet-diffusiedichte vloerverwarmingsbuizen worden gebruikt, kunnen er slib en spaanders in het warmwaterreservoir terechtkomen en verstoppingen, plaatselijke oververhitting of corrosieschade veroorzaken.
- Aanvoerleidingen voor het vullen van het apparaat spoelen.
- Warmedistributienet spoelen (bij bestaand verwarmingssysteem).
- Vuilfilter of slibafscheider in de verwarmingsretour installeren (zie "1.2.6 Verwarmingssysteem en aansluiting op sanitair" [▶ 121]).

VOORZICHTIG
Als de binnenunit wordt aangesloten op een koudwateraanvoerleiding waarin stalen buizen worden gebruikt, kunnen er spaanders in de roestvaststalen gegolfde buiswarmtewisselaar komen en daarin blijven liggen. Dat veroorzaakt schade door contactcorrosie en daarmee tot lekkages.
- Aanvoerleidingen voor het vullen van de warmtewisselaar spoelen.
- Vuilfilter in de koudwateraanvoer monteren (bijv. SAS 1 of SAS 2).

VOORZICHTIG: alleen BIV
Als op de warmtewisselaar voor het onder druk opladen van de opslag met zonne-energie (zie "3.1 Afmetingen en aansluitmaten" [▶ 125], pos. h + i) een extern verwarmingstoestel (bijv. houtverwarmingsketel) wordt aangesloten, kan de binnenunit beschadigd raken of onbruikbaar worden door een te hoge aanvoertemperatuur op deze aansluitingen.
- De aanvoertemperatuur van het externe verwarmingstoestel beperken tot max. 95°C.

VOORZICHTIG
Het binnendringen van lucht in het verwarmingswaternet en een kwaliteit van het verwarmingswater die niet voldoet aan de eisen van "1.2.5 Vereisten voor het verwarmings- en opslagwater" [▶ 120], kan leiden tot corrosie. Hierbij optredende corrosieproducten (deeltjes) kunnen pompen en kleppen aantasten en functiestoringen veroorzaken.
- Apparaten mogen niet met diffusie-open flexibele leidingen aangesloten worden.

INFORMATIE
Eventueel uit de veiligheidsklep ontsnappende stoom of verwarmingswater moet door middel van een geschikte, met een constant afschot uitgevoerde afblaasleiding vorstvrij veilig en zichtbaar kunnen worden afgevoerd.
Op de Daikin Altherma 3 R ECH₂O moet een voldoende gedimensioneerd en voor het verwarmingssysteem vooraf ingesteld membraanexpansievat worden aangesloten. Tussen warmtebron en membraanexpansievat mag zich geen hydraulische afsluiting bevinden.
We raden aan om een mechanische manometer te installeren te gebruiken om het verwarmingssysteem te vullen.
3 Plaatsing en installatie
- Voor drinkwaterleidingen moeten de bepalingen van de EN 806, DIN 1988, de hier bovenuit gaande geldige nationale regelingen voor de drinkwaterinstallatie in acht genomen worden.
- Om de noodzaak van een circulatieleiding te elimineren, de binnenunit in de buurt van het tappunt installeren. Als een circulatieleiding volgens de plaatselijke voorschriften toegestaan en beslist noodzakelijk is, moet deze worden geinstalleerd volgens de schematische diagrammen in 'Hydraulische systeemverbinding' in het referentiehandboek voor de monteur.
3.6.1 Minimaal watervolume
In het verwarmingscircuit moet een watervolume van minimaal 5 liter worden gegarandeerd. Het interne watervolume van de warmtepomp-binnenunit wordt niet meegenomen in deze berekening.

INFORMATIE
Voor kritieke toepassingen of in ruimtes met hoge warmtevraag kan extra watervolume noodzakelijk zijn.

VOORZICHTIG
Als er meerdere verwarmingscircuits op de warmtepomp-binnenunit zijn aangesloten, is het belangrijk dat het minimale watervolume ook gegarandeerd is als er maar één verwarmingscircuit geopend is.
3.6.2 Hydraulische leidingen aansluiten

GEVAAR: RISICO OP BRANDWONDEN
Bij warmwatertemperaturen boven de 65°C bestaat er gevaar voor brandwonden. Dit kan gebeuren bij gebruik van zonne-energie, wanneer een extern verwarmingstoestel is aangesloten, wanneer de legionellabescherming is gactiveerd of de gewenste warmwatertemperatuur hoger is ingesteld dan 65°C of wanneer de Smart Grid-functie is gactiveerd.
- Verbrandingsbescherming (warmwatermengapparaat (bijv. VTA32)) installeren.

INFORMATIE
De binnenunit is uitgerust met een druksensor. De installatiedruk wordt elektronisch bewaakt en kan bij een ingeschakeld apparaat aangegeven worden.
Desondanks adviseren we om bijvoorbeeld tussen binnenunit en membraanexpansievat een mechanische manometer te installeren.
- Manometer zo monteren dat hij bij het vullen goed zichtbaar is.
Voorwaarde: Optioneel toebehoren (bijv. zonnesysteem, back-upheater) is volgens de meegeleverde instructies op de Daikin Altherma 3 R ECH₂O gemonteerd.
1 Druk van de koudwateraansluiting controleren (maximaal 10 bar).
- Bij hogere drukwaarden in de drinkwaterleiding moet er een drukregelaar gemonteerd worden.
2 Hydraulisch blok met een schroevendraaier vastzetten.

text_image
≤Ø7mm ①. ②. ③. ①. ≤Ø7mm ②. ③.3-27 Hydraulisch blok vastzetten bij aansluiting naar boven (links) of aansluiting naar achteren (rechts)
3 Hydraulische aansluitingen op de binnenunit tot stand brengen.
- Voor de positie en afmetingen van de verwarmingsaansluitingen "3.1 Afmetingen en aansluitmaten" [▶ 125] raadplegen.
- Voorgeschreven aandraaimoment in acht nemen (zie "6.3 Aandraaimomenten" [▶ 148]).
- Leidingen zo leggen dat na montage de geluiddempende kap zonder problemen kan worden geplaatst.
- Wateraansluiting voor het vullen of bijvullen van het verwarmingssysteem uitvoeren volgens EN 1717/EN 61770, zodat eventuele verontreiniging van het drinkwater door terugstroming op betrouwbare wijze wordt voorkomen.
- Bij naar achteren gerichte aansluitingen: hydraulische leidingen in overeenstemming met de ruimtelijke omstandigheden op de juiste manier ondersteunen.

3–28 Naar achteren gerichte hydraulische leidingen ondersteunen
4 Afblaasleiding aan de veiligheidsoverdrukklep en het membraanexpansievat conform EN 12828 aansluiten.
- Eventueel ontsnappende stoom of vrijkomend verwarmingswater moeten via een geschikte, met continue helling uitgevoerde afblaasleiding vorstvrij, gevaarloos en zichtbaar afgevoerd kunnen worden.
- Leidingen zo leggen dat na montage de afdekkap zonder problemen kan worden geplaatst.
- Positie van de afvoerslang aan de veiligheidsoverdrukklep controleren. Indien nodig, eigen slang aansluiten en leggen.
5 Membraanexpansievat aansluiten.
- Een voldoende gedimensioneerd en voor het verwarmingssysteem vooraf ingesteld membraanexpansievat aansluiten. Tussen warmtebron en veiligheidsklep mag zich geen hydraulische afsluiting bevinden.
- Membraanexpansievat op een toegankelijke plek plaatsen (onderhoud, vervanging van onderdelen).

3–29 Montage van het membraanexpansievat
6 Buizen zorgvuldig tegen warmteverliezen en ter voorkoming van condensaatvorming isoleren (isolatiedikte ten minste 20 mm).
- Droogloopbeveiliging: De druk- en temperatuurbeveiliging van de regeling schakelt de binnenunit bij gebrek aan water veilig uit en vergrendelt hem. In het gebouw is geen extra beveiliging tegen watertekort noodzakelijk.
- Schade door afzettingen en corrosie vermijden: zie "1.2.5 Vereisten voor het verwarmings- en opslagwater" [▶ 120]
3.6.3 Afvoer aansluiten
1 Slangaansluitstuk voor veiligheidsoverloop (in zakje met toebehoren) in de daarvoor bestemde aansluiting ("2-3 Opbouw en onderdelen – inwendige opbouw ...04P30D.../...08P30D... (Biv)" [▶ 123], pos. u) schroeven en verbinden met de afvoerslang.
- Transparante afvoerslang gebruiken (vrijkomend water moet zichtbaar zijn).
- Afvoerslang op een voldoende gedimensioneerde afvalwaterinstallatie aansluiten.
- Afvoer mag niet afgesloten kunnen worden.
2 Condensaatafvoerslang (in zakje met toebehoren) aanbrengen op de daarvoor bestemde aansluiting op het deksel.

3–30 Aansluiting van de overloopslang
a Slangaansluitstuk voor veiligheidsoverloop b Condensaatafvoerslang
3.7 Elektrische aansluiting

GEVAAR: GEVAAR VOOR ELEKTROCUTIE
Onder stroom staande delen kunnen bij aanraking een elektrische schok veroorzaken en levensgevaarlijk letsel en brandwonden veroorzaken.
- Vóór werkzaamheden aan onder stroom staande delen moeten alle stroomcircuits van het systeem van de voeding worden losgekoppeld (hoofdschakelaar uitschakelen, zekering loskoppelen) en tegen onbedoeld inschakelen worden beveiligd.
- De elektrische aansluiting en werkzaamheden aan elektrische componenten mogen alleen worden uitgevoerd door gekwalificeerde elektriciens, met inachtneming van de geldende normen en richtlijnen en de specificaties van het energiebedrijf en de instructies in deze handleiding.
- De installatie van aardlekschakelaars (FI) is verplicht, zoals weergegeven in de afbeeldingen in dit document.
- Nooit constructieve wijzigingen aan stekkers of andere elektrotechnische uitvoeringsonderdelen uitvoeren.
- Apparaatafdekkingen en onderhoudspanelen na afloop van de werkzaamheden onmiddellijk weer monteren.

VOORZICHTIG
In de regelingsbehuizing van de binnenunit kunnen tijdens de werking verhoogde temperaturen ontstaan. Dat kan ertoe leiden dat onder stroom staande aders door eigen opwarming tijdens de werking hogere temperaturen kunnen bereiken. Deze leidingen moeten daarom een continue gebruikstemperatuur van 90°C hebben.
- Voor de volgende aansluitingen alleen bekabeling met een continue gebruikstemperatuur ≥90°C gebruiken: warmtepomp-buitenunit en optioneel: elektrische backupheater (EKBUxx)

VOORZICHTIG
Als de netaansluitkabel van de binnenunit beschadigd raakt, moet deze door de fabrikant of door diens klantenservice of een persoon met de vereiste kwalificatie worden vervangen, om gevaarlijke situaties te voorkomen.
Alle elektronische regel- en veiligheidsvoorzieningen van de binnenunit zijn gebruiksklaar aangesloten en gecontroleerd. Eigenmachtige wijzigingen aan de elektrische installatie zijn gevaarlijk en niet toegestaan. Het risico voor hieruit voortkomende schade draagt de gebruiker.
3.7.1 Algemeen aansluitschema

flowchart
graph TD
A["Type"] --> B["Fuse"]
B --> C["ERGA04DAV3 / *EAV3"]
B --> D["ERGA06DAV3 / *EAV3"]
B --> E["ERGA08DAV3 / *EAV3"]
B --> F["ERGA04DAV3A / *EAV3A"]
B --> G["ERGA06DAV3A / *EAV3A"]
B --> H["ERGA08DAV3A / *EAV3A"]
B --> I["ERGA04DAV37 / *EAV37"]
J["V3 1N ~ 230V Power surge category III"] --> K["RCD (FI)"]
K --> L["Fuse see table"]
L --> M["XTA1"]
M --> N["XAG1"]
N --> O["RTX - EHS"]
O --> P["X1 BU L1 BU N PE"]
O --> Q["X1 BU L1 BU L2 BU L3 BU N PE"]
O --> R["X1 BU L1 BU L2 BU L3 BU N PE"]
S["EKBUxx 1N ~ 230V Power surge category III"] --> T["RCD (FI)"]
T --> U["Fuse 16A"]
U --> V["90°C"]
V --> W["2.5 mm² / 230 V"]
X["1N ~ 230V Power surge category III"] --> Y["N L RCD (FI) Fuse 16A"]
X --> Z["N L Fuse 16A"]
AA["4-8 kW V3"] --> AB["PE"]
AB --> AC["TA"]
AC --> AD["2,5 mm² / 230V / < 30 m"]
AD --> AE["EXT"]
AE --> AF["EXT GND"]
AF --> AG["J8"]
AG --> AH["RoCon BM2C"]
AH --> AI["J6 PE N L1"]
AH --> AJ["J3 A1 A A2"]
AH --> AK["AUX"]
AL["EBA"] --> AM["0,75 mm² / sig"]
AN["SG"] --> AO["0,75 mm² / sig"]
AP["HT/NT"] --> AQ["0,75 mm² / sig"]
AR["Pz"] --> AS["1,5 mm² / 230V"]
AS --> AT["PE N L"]
AT --> AU["J14"]
AU --> AV["J16"]
AV --> AW["GND GND"]
AW --> AX["0,75 - 1,5 mm² / sig"]
AX --> AY["RT"]
3–31 Algemeen aansluitschema – voor de elektrische aansluiting bij de installatie van het apparaat (legenda en pintoewijzing van de printplaat, zie "6.5 Elektrisch schakelschema" [▶ 151])
3.7.2 Positie van de schakelprintplaten en klemrails

3–32 Positie van de schakelprintplaten en klemrails
a Regelingsbehuizing
b Deksel regelingsbehuizing
A1P Schakelprintplaat (basisregeling warmtepomp)
RoCon+ B1 Bedieningseenheid van de regeling
RoCon BM2C Schakelprintplaat (basismodule regeling)
RTX-EHS Schakelprintplaat (Back-upheater)
X1 Klemrail voor netaansluiting Back-upheater
XAG1 Stekkeraansluiting warmtepomp-buitenunit
XTA1 Klemmenstrook buitentemperatuursensor T A
3.7.3 Aansluiting op het net
Een flexibele kabel voor de aansluiting op het net is in het apparaat al aanwezig.
1 Voedingsspanning controleren (\~230 V, 50 Hz).
2 Betreffende verdeelkast van de gebouwinstallatie stroomloos schakelen.
3 Kabel voor netaansluiting van de binnenunit via een door de klant te installeren, op alle polen scheidende hoofdschakelaar aansluiten op de verdeelkast van de gebouwinstallatie (ontkoppelingsapparaat volgens EN 60335-1). Op de juiste polen letten.
3.7.4 Algemene informatie over de elektrische aansluiting
1 Voedingsspanning controleren.
2 Netschakelaar op 'Uit' zetten.
3 Betreffende zekeringsautomaat aan de verdeelkast van de gebouwinstallatie stroomloos schakelen.
4 Regelingsbehuizing openen (zie "3.4.4 Regelingsbehuizing openen" [▶ 129]).
5 Kabel door een van de kabeldoorvoeropeningen naar het inwendige van het regelhuis leggen. Bij het inkorten en leggen van aan te sluiten kabels erop letten dat de regelingsbehuizing spanningsvrij op servicestand gezet kan worden.

6 Elektrische aansluitingen volgens "3.7.1 Algemeen aansluitschema" [▶ 136] en de volgende paragrafen tot stand brengen.
7 Voor alle kabels die op de binnenunit zijn aangesloten moet aan de buitenkant van de regelingsbehuizing met behulp van kabelbinders een effectieve trekontlasting worden gegarandeerd en moet de houdkracht ervan worden gecontroleerd.

text_image
1.
8 Na de installatie: Regelingsbehuizing weer sluiten en indien nodig op de normale stand zetten.
3.7.5 Warmtepomp-buitenunit aansluiten

INFORMATIE
Met deze component is een aparte handleiding meegeleverd die onder andere aanwijzingen voor de montage en werking bevat.
1 Installatiestappen in "3.7.4 Algemene informatie over de elektrische aansluiting" [▶ 137] volgen.
2 Warmtepomp-buitenunit aansluiten op de klemmenstrook XAG1.
3 Plaatsing en installatie

flowchart
graph TD
A["XAG1"] --> B["L"]
A --> C["N"]
A --> D["COM"]
A --> E["PE"]
F["X1M"] --> G["L"]
F --> H["N"]
F --> I["COM"]
F --> J["1"]
F --> K["2"]
F --> L["3"]
M["Ground Symbol"] --> N["Power Source"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style F fill:#ccf,stroke:#333
3–35 Aansluiting warmtepomp-buitenunit

INFORMATIE
Als de warmtepomp-buitenunit wordt uitgeschakeld via een door het energiebedrijf voorgeschreven circuit, wordt de binnenunit niet uitgeschakeld.
3.7.6 Buitentemperatuursensor (optioneel) aansluiten
De warmtepomp-buitenunit heeft een geïntegreerde buitentemperatuursensor die voor de door het weer geleide aanvoertemperatuurregeling met vorstbeschermingsfunctie wordt gebruikt. Met de optionele buitentemperatuursensor kan de door het weer geleide aanvoertemperatuurregeling nog geoptimaliseerd worden.
- Montageplek ongeveer op een derde van de hoogte van het gebouw (minimale afstand vanaf de grond: 2 m) aan de koudste kant van het gebouw (noorden of noordoosten) kiezen. Hierbij de nabijheid van externe warmtebronnen (schoorstenen, luchtschachten) en directe zonlicht uitsluiten.
- Buitentemperatuursensor zo aanbrengen dat de kabeluitgang naar beneden is gericht (voorkomt het binnendringen van vocht).

VOORZICHTIG
Het parallel leggen van de sensor- en netkabel in een installatiebuis kan aanzienlijke storingen veroorzaken in de normale werking van de binnenunit.
- De sensorleiding moet altijd apart worden gelegd.
1 Buitentemperatuursensor aansluiten op tweedraads sensorkabel (minimale diameter 1 mm ^2 ).
2 Sensorkabel naar de binnenunit leggen.
3 Installatiestappen in "3.7.4 Algemene informatie over de elektrische aansluiting" [▶ 137] volgen.
4 Sensorkabel aansluiten op klemmenstrook XTA1 (zie "3.7.2 Positie van de schakelprintplaten en klemrails" [▶ 137]).
5 In de regeling RoCon+ HP1 de parameter [Buitentemperatuursensor] op 'Aan' instellen [→ Hoofdmenu → Configuratie → Sensoren].
3.7.7 Extern schakelcontact
Door het aansluiten van een extern schakelcontact ("A 3-36 Aansluiting EXT-schakelcontact" [▶ 138]) kan de bedrijfsmodus van de binnenunit worden omgeschakeld.
Door een veranderende weerstandswaarde wordt de huidige bedrijfsmodus gewijzigd (" 3-2 Weerstandswaarden voor de analyse van het EXT-signaal" [138]). De omschakeling van de bedrijfsmodus werkt alleen zolang het externe schakelcontact gesloten is.
De bedrijfsmodus beïnvloedt het directe circuit van de binnenunit en alle andere verwarmingscircuits die optioneel op deze unit zijn aangesloten.
Als speciale functies zoals 'Handmatig' zijn geactiveerd, wordt de ingang niet geëvalueerd.

flowchart
graph TD
A["RoCon BM2C"] --> B["Temp"]
B --> C["EXT"]
C --> D["EBA"]
D --> E["1/2"]
E --> F["Rv"]
F --> G["EXT"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style G fill:#ccf,stroke:#333
3–36 Aansluiting EXT-schakelcontact
3-2 Weerstandswaarden voor de analyse van het EXT-signaal
| Bedrijfsmodus | Weerstand R_v | Tolerantie |
| Stand-by | <680Ω | ±5% |
| Verwarmen | 1200Ω | |
| Verlagen | 1800Ω | |
| Zomer | 2700Ω | |
| Automatisch 1 | 4700Ω | |
| Automatisch 2 | 8200Ω |

INFORMATIE
Bij weerstandswaarden groter dan de waarde voor 'Automatisch 2', wordt de ingang genegeerd.

INFORMATIE
Door de in de regeling RoCon+ HP1 geïntegreerde functie [Verwarmingsondersteuning (HZU)] (zie de gebruiksaanwijzing voor de regeling) is het niet nodig om de EXT-aansluiting te verbinden met de aansluiting van het branderafsluitcontact van het zonnesysteem.
3.7.8 Externe warmtevraag (EBA)
Door het EBA-schakelcontact aan te sluiten op de binnenunit ("3-37 Aansluiting EBA-schakelcontact" [▶ 138]) en de overeenkomstige parametrering in de regeling ervan RoCon+ HP1, kan via een extern schakelcontact een warmtevraag worden gegenereerd. Als het schakelcontact wordt gesloten, schakelt de binnenunit naar de verwarmingsmodus. De aanvoertemperatuur wordt geregeld naar de temperatuur die in de parameter [Aanvoertemp. modus verwarmen] is ingesteld, [→ Hoofdmenu → Configuratie → Verwarmen].
Het EBA-schakelcontact heeft voorrang voor een verzoek door de kamerthermostaat.
Bij koelwerking, stand-by, handbediening en zomermodus wordt het schakelcontact niet geanalyseerd. Bovendien wordt er geen rekening gehouden met de verwarmingsgrenzen.

3–37 Aansluiting EBA-schakelcontact
3.7.9 Externe warmtebron aansluiten

INFORMATIE
Om een externe warmtebron aan te sluiten, is de installatie van de aansluitset voor externe warmtebronnen EKBUHSWB vereist (zie "3.5 Optioneel toebehoren installeren" [▶ 132]).
om het verwarmingssysteem te ondersteunen of als alternatief voor een elektrische back-upheater kan een externe warmtebron (bijv. gas- of oliegestookte ketel) op de binnenunit worden aangesloten. Om een externe warmtebron aan te sluiten, is de installatie van de aansluitset voor externe warmtebronnen EKBUHSWB vereist (zie "3.5 Optioneel toebehoren installeren" [▶ 132]).
De warmte die door de externe warmtebron wordt geleverd, moet worden toegevoerd aan het voorraadwater zonder druk in het warmwaterreservoir van de binnenunit.
De hydraulische aansluiting op één van de twee volgende manieren uitvoeren:
- drükloos via de aansluitingen (aanvoer en retour zonnesysteem) van de boiler
- bijapparaattypen binnenunit ...Biv, via de geïntegreerde druk-zonnewarmtewisselaar.
- Informatie over hydraulische aansluitingen in acht nemen (zie "1.2 Veiligheidsinstructies voor de montage en de werking" [▶ 119])
- Voorbeelden van hydraulische aansluitingen (zie 'Hydraulische verbinding' in het referentiehandboek voor de monteur).
De aanvraag van de externe warmtebron wordt geschakeld via een relais op de printplaat RTX-EHS (zie "3-38 Aansluiting op printplaat RTX-EHS" [139]). De elektrische aansluiting op de binnenunit is als volgt mogelijk:
- Externe warmtebron heeft een potentiaalvrije schakelcontactaansluiting voor het warmteverzoek:
- Aansluiting op K3, als de externe warmtebron de warmwaterbereiding en verwarmingsondersteuning overneemt (instelling parameters [Config. externe warmtebron]=WW + verwarmingsondersteuning [→ Hoofdmenu → Instellingen → Ext. bron])
of
- Aansluiting op K1 en K3, als er twee externe warmtebronnen worden gebruikt (instelling parameters [Config. externe warmtebron] =Twee externe warmtebronnen [→ Hoofdmenu → Instellingen → Ext. bron]). Hierbij schakelt K1 de externe warmtebron (bijv. gas- of olieketel) om het verwarmingssysteem te ondersteunen en K3 de externe warmtebron (EKBUxx) om water te verwarmen.
of
- Aansluiting op AUX-aansluiting A (zie "3.7.13 Aansluiting schakelcontacten (AUX-uitgangen)" [▶ 141])
- De externe warmtebron kan alleen met de netspanning geschakeld worden: Aansluiting (\~230 V, maximale belasting 3000 W) aan K1 en K3.

VOORZICHTIG
Gevaar voor overslaande spanning.
- De aansluitingen van de printplaat RTX-EHS mogen niet tegelijk met het schakelen van de voeding (\~230 V) en beschermende extra lage veiligheidsspanning (SELV='Safety Extra Low Voltage') worden gebruikt.

flowchart
graph TD
A["PE"] -->|X1| B["RTX-EHS"]
C["BUN"] --> B
D["BUN"] --> B
E["BUN"] --> B
F["BUL1"] --> B
G["BUL2"] --> B
H["BUL3"] --> B
I["X3"] --> J["Lozen"]
K["K1"] --> J
L["K3"] --> J
M["K17"] --> N["RoCon BM2C"]
O["N T3 N PE T2 N T1"] --> P["K1"]
Q["K3"] --> R["K1"]
S["X1"] --> T["X3"]
U["X3"] --> V["K3"]
W["X3"] --> X["K2"]
Y["X3"] --> Z["K1"]
3–38 Aansluiting op printplaat RTX-EHS
1 De geschikte elektrische aansluiting staat vermeld in de bijbehorende installatiehandleiding van de externe warmtebron.
2 Aansluitset voor externe warmtebronnen EKBUHSWB installeren (zie "3.5 Optioneel toebehoren installeren" [▶ 132]).
3 Geschikte aansluitingen op de printplaat RTX-EHS van de aansluitset tot stand brengen (zie " 3-38 Aansluiting op printplaat RTX-EHS" [▶ 139]).
4 Kabels die van buitenaf in de aansluitset worden geleid, met behulp van de meegeleverde trekontlastingsclips en kabelbinders vastzetten op de aansluitset (zie stappen 7 en 8 in "3.7.4 Algemene informatie over de elektrische aansluiting" [▶ 137]).
3.7.10 Kamerthermostaat aansluiten

INFORMATIE
Met deze component is een aparte handleiding meegeleverd die onder andere aanwijzingen voor de montage en werking bevat.
3 Plaatsing en installatie

text_image
J16 RoCon BM2C X1M H com C RT3–39 Aansluiting met kabelgebonden kamerthermostaat (RT=Daikin EKRTW)

text_image
PE N L1 Power surge category III RCD (FI) Fuse 16A CU ≥ 1,5 mm² 230 V RT-E X1M H com C X2M J16 RoCon BM2C3–40 Aansluiting met draadloze kamerthermostaat (RT-E=Daikin EKRTR)
3.7.11 Aansluiting van optionele systeemcomponenten
De optionele RoCon-apparaten moeten via een 4-aderige CANbuslijn met de binnenunit verbonden zijn (aansluiting J13).
Wij adviseren hiervoor afgeschermde leidingen met de volgende eigenschappen:
- Norm conform ISO 11898, UL/CSA type CMX (UL 444)
- PVC buitenmantel met vlambestendigheid conform IEC 60332-1-2
- Tot 40 m minimale diameter 0,75 mm ^2 . Bij grotere lengtes is een grotere diameter vereist.
Om CAN-buslijnen van meerdere RoCon-apparaten te verbinden, kunnen in de handel verkrijgbare verdeeldozen worden gebruikt.
Let op gescheiden ligging van voedings-, sensor- en databuskabels. Alleen kabelkanalen met scheidingspunten of gescheiden kabelkanalen met ten minste 2 cm afstand gebruiken. Kabel kunnen elkaar kruisen.
In het gehele RoCon-systeem kunnen maximaal 16 apparaten worden aangesloten met een totale leidinglengte van 800 m.
Ruimteregelaar EHS157034
Voor het op afstand instellen van bedrijfsmodi en gewenste kamertemperaturen vanuit een andere ruimte kan voor elk verwarmingscircuit een aparte ruimteregelaar EHS157034 worden aangesloten.

INFORMATIE
Deze component wordt met een aparte installatiehandleiding aangeleverd. Zie voor instel- en bedieningsaanwijzingen de meegeleverde regelingshandleiding.
Mengmodule EHS157068
Op de binnenunit kan de mengmodule EHS157068 worden aangesloten (printstekker J13), die via de elektronische regeling wordt geregeld.

INFORMATIE
Deze component wordt met een aparte installatiehandleiding aangeleverd. Zie voor instel- en bedieningsaanwijzingen de meegeleverde regelingshandleiding.
Internetgateway EHS157056
Via de optionele gateway EHS157056 kan de regeling worden verbonden met internet. Dit maakt bediening op afstand van de binnenunit via mobiele telefoons (met een app) mogelijk.

INFORMATIE
Deze component wordt met een aparte installatiehandleiding aangeleverd. Zie voor instel- en bedieningsaanwijzingen de meegeleverde regelingshandleiding.
3.7.12 HP convector aansluiten

INFORMATIE
Alleen de convectorregelaars EKRTCTRL1 en EKWHCTRL(0/1) kunnen met de binnenunit worden verbonden.

INFORMATIE
Met deze component is een aparte handleiding meegeleverd die onder andere aanwijzingen voor de montage en werking bevat.

INFORMATIE
Wanneer de bedrijfsmodus (Verwarmen/Koelen) op een convector wordt gewijzigd, moeten alle andere convectoren ook worden omgeschakeld of gedeactiveerd.

flowchart
graph TD
A["FWXV-ATV3"] --> B["Chiller Boiler"]
A --> C["Chiller Boiler"]
A --> D["Chiller Boiler"]
B --> E["RoCon BM2C"]
C --> E
D --> E
E --> F["J16"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#ccf,stroke:#333
style D fill:#ccf,stroke:#333
style E fill:#cfc,stroke:#333
style F fill:#fcc,stroke:#333
3-41 Aansluiting FWX(V/M)-AATV3
3.7.13 Aansluiting schakelcontacten (AUX-uitgangen)
De schakelcontacten (AUX-uitgangen) kunnen voor verschillende parametreerbare functies worden gebruikt.
Het omschakelcontact A-A1-A2 schakelt onder voorwaarden die in de parameter [AUX-schakelfunctie] zijn ingesteld [→ Hoofdmenu → Instellingen → In-/Outputs] (zie de gebruiksaanwijzing voor de regeling).

text_image
DC ≤12V AC 1 ⊗ ≤ 15 W RoCon BM2C J3 B max.1A B1 A2 max.1A A1 A 250V, max. 63 mA L N 250V, max. 63 mA L N 2 ⊗ > 15 W RoCon BM2C J3 B max.1A B1 A2 max.1A A1 A 250V, max. 63 mA L /+ N /- 250V, max. 63 mA L /+ N /-3–42 Aansluiting schakelcontact (AUX-uitgang)
De aansluitklemmen B+B1 zijn bij deze apparaten niet toegewezen of voor extra functies bedoeld.
De contacten in variant 1 (geschakeld vermogen ≤15 W) kunnen rechtstreeks worden geïntegreerd, zoals weergegeven in "3-42 Aansluiting schakelcontact (AUX-uitgang)" [▶ 141].
De conform variant 2 (geschakeld vermogen >15 W) te gebruiken relais moeten voor 100% inschakeltijd geschikt zijn.
Het omschakelcontact A-A1-A2 kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de warmtebronnen in bivalente verwarmingssystemen bestaande uit binnenunit en olie- of gasgestookte ketel te regelen. Voorbeelden van de hydraulische systeemintegratie zijn in 'Hydraulische verbinding' in het referentiehandboek voor de monteur weergegeven.

INFORMATIE
Wanneer er een A2 F of een G-plus condensatieketel is aangesloten, moeten de parameter [AUX-schakelfunctie] en de parameter [AUX-wachttijd] in overeenstemming met de gewenste functie worden ingesteld [→ Hoofdmenu → Instellingen → In-/Outputs].
Zie de gebruiksaanwijzing → hoofdstuk Parameterinstellingen.
Gedetailleerde informatie over de elektrische aansluiting en de bijbehorende parameterinstellingen voor dergelijke bivalente verwarmingssystemen vindt u op internet (www.daikin.com) of bij uw servicepartner.
3.7.14 Laagtarief netaansluiting (HT/NT)
Als de buitenunit via een laag-tarief aansluiting wordt aangesloten op het elektriciteitsnet, moet het potentiaalvrije schakelcontact S2S van de ontvanger die het laagtarief-ingangssignaal van het energiebedrijf evalueert, worden aangesloten op connector J8, aansluiting EVU op de printplaat RoCon BM2C (zie " ▲3-43 Aansluiting HT/NT-schakelcontact" [▶ 142]).
Als de parameter[HT/NT functie]>0 [→ Hoofdmenu → Instellingen → In-/Outputs] is ingesteld, worden bepaalde systeemcomponenten tijdens hoge tariefperiodes uitgeschakeld (zie de gebruiksaanwijzing voor de regeling).
De volgende soorten laagtarief netaansluitingen zijn gebruikelijk:
- Type 1: Bij dit soort laagtarief netaansluiting wordt de voeding van de warmtepomp-buitenunit niet onderbroken.
- Type 2: Bij dit soort laagtarief netaansluiting wordt de voeding van de warmtepomp-buitenunit na een bepaalde tijd onderbroken.
- Type 3: Bij dit soort laagtarief netaansluiting wordt de voeding van de warmtepomp-buitenunit meteen onderbroken.
Het potentiaalvrije schakelcontact S2S kan als opener- of sluiterschakelcontact zijn uitgevoerd.
- Bij configuratie als verbreekcontact [HT/NT verbinding]=1 worden ingesteld [→ Hoofdmenu → Instellingen → In-/Outputs]. Als het energiebedrijf het laagtariefsignaal verzendt, wordt schakelcontact S2S geopend. Het systeem schakelt om naar 'gedwongen UIT". Als het signaal opnieuw wordt verzonden, sluit het potentialvrije schakelcontact S2S en het systeem begint weer te werken.
- Bij configuratie als maakcontact moet de parameter [HT/NT verbinding]=0 worden ingesteld [→ Hoofdmenu → Instellingen → In-/Outputs]. Als het energiebedrijf het laagtariefsignaal verzendt, wordt schakelcontact S2S gesloten. Het systeem schakelt om naar 'gedwongen UIT". Als het signaal opnieuw wordt verzonden, opent het potentiaalvrije schakelcontact S2S en het systeem begint weer te werken.
[HT/NT verbinding]=1 [HT/NT verbinding]=0

text_image
1 2 1 L N S2S 3 3 4 4 2 1 L N S2S 3 3 4 4
text_image
2 2 1 S2S 3 3 4 4 2 1 S2S 3 3 4 4
text_image
3 2 1 S2S 3 3 4 4 2 1 3 3 4 4
text_image
J8 RoCon BM2C EVU 1 2 4 4 3 31 Netaansluitkast voor laag-tarief aansluiting op het elektriciteitsnet
2 Ontvanger voor de analyse van het HT/NT-stuursignaal
3 Voeding warmtepomp-buitenunit (zie voor de warmtepomp-buitenunit de bijbehorende installatiehandleiding)
4 Potentiaalvrij schakelcontact voor warmtepomp-
binnenunit
3.7.15 Aansluiting intelligente regelaar (Smart Grid – SG)
Zodra de functie door de parameter [Smart Grid]=1 wordt geactiveerd [→ Hoofdmenu → Instellingen → In-/Outputs] (zie de gebruiksaanwijzing voor de regeling), wordt afhankelijk van het signaal van het energiebedrijf de warmtepomp in de modus stand-by, standaard of werking met hogere temperaturen geschakeld.
Hiervoor moeten de potentiaalvrije schakelcontacten SG1/SG2 van de intelligente regelaar op de connector J8, aansluitingen Smart Grid en EVU, worden aangesloten op de printplaat RoCon BM2C (zie " 3–44 Aansluiting Smart Grid" [▶ 142]).
Zodra de functie Smart Grid actief is, wordt automatisch de HT/NT functie gedeactiveerd. Afhankelijk van de waarde van de parameter [Modus Smart Grid] wordt de warmtepomp verschillend gebruikt [→ Hoofdmenu → Instellingen → In-/Outputs] (zie de gebruiksaanwijzing voor de regeling).

flowchart
graph TD
A["RoCon BM2C"] --> B["SmartGrid"]
B --> C["T_DSW ↓"]
C --> D["T_DSW ↓T =>"]
D --> E["EVU"]
E --> F["SG1"]
E --> G["SG2"]
3–44 Aansluiting Smart Grid
3.8 Aansluiting koudemiddel

INFORMATIE
Installatiehandleiding van de buitenunit in acht nemen!
3.8.1 Koudemiddelleidingen leggen

VOORZICHTIG
Het gebruik van reeds gebruikte koudemiddelleidingen kan schade aan het apparaat veroorzaken.
- Gebruik geen koudemiddelleidingen meer die met een ander koudemiddel zijn gebruikt. Vervang de koudemiddelleiding en reinig deze zorgvuldig.
- Leidingen met een buigapparaat en voldoende afstand t.o.v. elektrische kabels leggen.
- Solderingen aan leidingen alleen met een licht stikstofdebiet (alleen hard solderen toegestaan).
- Warmte-isolatie aan de verbindingspunten pas na de inbedrijfstelling aanbrengen (vanwege lekkages zoeken).
- Felsverbindingen tot stand brengen en op de apparaten aansluiten (aandraaimoment in acht nemen, zie "6.3 Aandraaimomenten" [▶ 148]).
3.8.2 Drukproef en koudemiddelcircuit vullen

WAARSCHUWING
Het totale warmtepompsysteem bevat koudemiddel met gefluoreerde broeikasgassen die bij het vrijkomen het milieu beschadigen.
Koudemiddeltype: R32
GWP*-waarde: 675
*GWP=Global Warming Potential (broeikaspotentiaal)
- Totale vulhoeveelheid van het koudemiddel op het meegeleverde etiket aan de warmtepomp-buitenunit noteren (Aanwijzingen zie installatiehandleiding warmtepomp-buitenunit).
- Laat koudemiddel nooit in de atmosfeer terechtkomen – altijd met een hiervoor geschikt recyclingapparaat afzuigen en recyclen.
1 Drukproef met stikstof uitvoeren.
- Stikstof 4.0 of hoger nemen.
- Maximaal 40 bar.
2 Na het uitgevoerde zoeken naar lekkages de stikstof volledig aflaten.
3 Leidingen vacumeren.
- Te bereiken druk: 1 mbar absoluut.
- Tijd: ten minste 1 h
4 Controleren of er nog meer koudemiddel voor de basisvulling noodzakelijk is en indien nodig bijvullen.
5 Afsluitkleppen aan de buitenunit compleet tot aan de aanslag openen en iets vastdraaien.
6 Klepdoppen weer monteren.
7 Controleren of de boilertemperatuursensoren t_DHW1 80 cm en t_DHW2 60 cm diep zijn aangebracht.
3.9 Systeem vullen
Binnenunit pas na voltooiing van alle installatiewerkzaamheden in de onderstaande volgorde vullen.
3.9.1 Waterkwaliteit controleren en manometer afstellen
1 Informatie over de wateraansluiting (zie "3.6 Wateraansluiting" [▶ 133]) en de waterkwaliteit in acht nemen.
2 Mechanische manometer (door klant gemonteerd volgens "3.6.2 Hydraulische leidingen aansluiten" [▶ 134] of met vulslang tijdelijk geïnstalleerd) instellen: manometerglas zo verdraaien dat de minimale-drukmarkering overeenkomt met de systeemhoogte +2 m (1 m waterkolom komt overeen met 0,1 bar).
3.9.2 Warmwater-warmtewisselaar vullen
1 Afsluitarmatuur van de koudwateraanvoer openen.
2 Tappunten voor warm water openen, zodat een zo groot mogelijke taphoeveelheid kan worden ingesteld.
3 Als er water uit de tappunten komt, de koudwateraanvoer nog niet onderbreken zodat de warmtewisselaar geheel ontlucht wordt en er evt. verontreinigingen verwijderd worden.
3.9.3 Boiler vullen
Zonder geïnstalleerd zonnesysteem
1 Vulslang met terugslagklep (1/2") aansluiten op de aansluiting 'Aanvoer zonnesysteem' (pos. a).
2 Boiler van de binnenunit vullen totdat er water uit de overloopaansluiting (pos. b) komt.
3 Vulslang met terugslagklep (1/2") weer verwijderen.
Met geinstalleerd zonnesysteem
1 Vulaansluiting met KFE-kraan (toebehoren: KFE BA) monteren op de zonnesysteem-regelings- en -pompeenheid (EKSRPS4).
2 Vulslang met terugslagklep (1/2") aansluiten op de eerder geïnstalleerde KFE-kraan.
3 Boiler van de binnenunit vullen totdat er water uit de overloopaansluiting (pos. b) komt.
4 Vulslang met terugslagklep (1/2") weer verwijderen.

text_image
a b
3–45 Vullen bufferreservoir – zonder aangesloten DrainBack zonnesysteem
a p=0 Aanvoer zonnesysteem
b Veiligheidsoverloop
3.9.4 Verwarmingssysteem vullen

GEVAAR: GEVAAR VOOR ELEKTROCUTIE
Tijdens het vullen kan er water uit eventuele lekkages vrijkomen dat in aanraking met onder spannings staande onderdelen een elektrische schok kan veroorzaken.
- Schakel de stroomtoevoer naar de binnenunit uit voordat u deze vult.
- Na de eerste vulling, vóór het inschakelen van de binnenunit via de stroomschakelaar, controlleren of alle elektrische delen en aansluitpunten droog zijn.

INFORMATIE
Informatie over de wateraansluiting (zie "3.6 Wateraansluiting" [▶ 133]) en waterkwaliteit (zie "1.2.6 Verwarmingssysteem en aansluiting op sanitair" [▶ 121]) in acht nemen.
1 Vulslang (pos. a) met terugslagklep (1/2") en een externe manometer (van klant) aansluiten op de KFE-kraan (pos. b) en met een slangklem borgen tegen wegglijden.
2 Afvoerslang op de ontluchtingsklep aansluiten en van het apparaat weg leiden. Ontluchtingsklep met aangesloten slang openen, de andere ontluchtingsklep controleren of die gesloten is.
3 Waterkraan (pos. d) van de toevoerleiding openen.
4 KFE-kraan (pos. b) openen en op de manometer letten.
5 Systeem met water vullen tot er op de externe manometer de ingestelde installatiedruk (installatiehoogte +2 m, hierbij is 1 m waterzuil=0,1 bar) is bereikt. De overdrukklep mag niet geactiveerd worden!
6 Handbediende ontluchtingklep sluiten zodra er water zonder belletjes vrijkomt.
7 Waterkraan (pos. d) sluiten. KFE-kraan moet open blijven om de waterdruk aan de externe manometer af te kunnen lezen.
8 Voeding van de binnenunit inschakelen.
9 In de regeling RoCon+ HP1 in het menu 'Modus' de bedrijfsmodus 'Verwarmen' selecteren [→ Hoofdmenu → Modus].
- Binnenunit draait na de startfase in de warmwaterverwarmingsmodus.
10 Tijdens de warmwaterverwarmingsmodus constant de waterdruk controleren via de externe manometer en, indien nodig, water bijvullen via de KFE-kraan (pos. b).
11 Het volledige verwarmingssysteem ontluchten zoals beschreven in "5.3 Hydraulisch systeem ontluchten" [▶ 145] (regelkleppen van het systeem openen. Tegelijk kan via de vloerverdeler het vloerverwarmingssysteem worden gevuld en gespoeld.).
12 Waterdruk opnieuw controleren via de externe manometer en, indien nodig, water bijvullen via de KFE-kraan (pos b).
13 Vulslang (pos. a) met terugslagklep verwijderen van de KFE-kraan (pos. b).

text_image
e.1 e.2 B 3UVB1 / 3UV DHW AB A f a g b d c h MAG 3UV B1 (45%) 50% 0% CH (B) 100% Bypass (A) 3UV DHW 50% (67%) 0% CH (A) 100% DHW (B)3–46 Verwarmingscircuit vullen
a Vulslang met terugslagklep (en manometer ^(1) )
b KFE-kraan
c Kogelkraan aanvoer verwarming
d Kogelkraan retour verwarming
e.1 Klepaandrijving
e.2 Ontgrendelingstoets van de aandrijfblokkering
f Waterkraan
3UVB1 3-weg klep (mengklep)
MAG Membraanexpansievat (van klant)
4 Configuratie
Als het systeem niet correct wordt geconfigureerd, werkt het mogelijk niet zoals verwacht.
De systeemconfiguratie vindt plaats via de bedieningseenheid van de regeling. Zie hiervoor de gebruiksaanwijzing.
Indien nodig, moet de configuratie van optionele componenten, bijvoorbeeld de kamerthermostaat of het zonnesysteem worden uitgevoerd volgens de desbetreffende instructies.
5 Inbedrijfstelling

INFORMATIE
Lees het hoofdstuk 'Algemene veiligheidsmaatregelen' grondig door voordat u de hier beschreven stappen uitvoert.

INFORMATIE
Als de buitenunit langere tijd van de stroom is losgekoppeld of als de binnenunit langere tijd vóór de buitenunit in werking is geweest, moet de binnenunit opnieuw worden opgestart om de communicatie tussen de units tot stand te brengen. Zonder communicatie wordt de buitenunit niet gebruikt om warmte op te wekken.
5.1 Voorwaarden
- De binnenunit is volledig aangesloten.
- Het koudemiddelsysteem is ontvochtigd en met de voorgeschreven hoeveelheid koudemiddel gevuld.
- Zowel het verwarmings- als het warmwatersysteem is gevuld en op de juiste druk gebracht (zie "3.9.4 Verwarmingssysteem vullen" [▶ 144]).
- De boiler is gevuld tot aan de overloop (zie "3.9.3 Boiler vullen" [▶ 143]).
- Optioneel toebehoren is gemonteerd en aangesloten.
- De regelkleppen van het verwarmingssysteem zijn geopend.
5.2 Inbedrijfstelling bij lage omgevingstemperaturen
Bij lage omgevingstemperaturen kunnen de veiligheidsinstellingen van de binnenunit de werking van de warmtepomp belemmeren. In dergelijke gevallen is een externe warmtebron vereist, om zowel de opslag- als retourtemperatuur van het verwarmingsnetwerk tijdelijk te verhogen.
Minimale boilertemperaturen voor de werking van de warmtepomp:
Omgevingstemperatuur <-2°C: 30°C
Omgevingstemperatuur <12°C: 23°C
De volgende stappen moeten worden uitgevoerd:
Met elektrische back-upheater:
1 Parameter [Verwarmingsondersteuning (HZU)]: 'Aan' selecteren
[→ Hoofdmenu → Instellingen → ISM]
2 Parameter [Config. externe warmtebron]: 'Back-upverwarming BUH' selecteren [→ Hoofdmenu → Instellingen → Ext. bron]
3 Parameter [Externe prestaties WW]: Maximale capaciteit van de back-upheater selecteren [→ Hoofdmenu → Instellingen → Ext. bron]
4 Parameter [1x Warmwater]: 'Aan' selecteren [→ Hoofdmenu → Gebruiker → 1xWW]
Zonder elektrische back-upheater:
1 Parameter [Verwarmingsondersteuning (HZU)]: 'Aan' selecteren
[→ Hoofdmenu → Instellingen → ISM]
2 Door een externe warmtebron moet het opslagwater worden verwarmd tot de vereiste minimale temperatuur.
1 Zorg ervoor dat de dop van de automatische ontluchter (pos. a) open is.

2 Handbediende ontluchtingklep (pos. a) voorzien van slang en deze wegleiden van het apparaat. Klep openen tot er geen lucht meer ontsnapt.
3 Tweede handbediende ontluchtingklep (pos. b) voorzien van slang en openen tot er geen lucht meer ontsnapt.

text_image
a b5–2 Handbediende ontluchtingskleppen
a Handbediende ontluchtingklep
b Tweede handbediende ontluchtingklep
4 Ontluchtingsfunctie activeren (zie de gebruiksaanwijzing RoCon + HP1).
Door het activeren van de ontluchtingsfunctie start de RoCon+ HP1 regeling een vast gedefinieerd sequentieprogramma met start-stopfunctie van de geïntegreerde verwarmingscirculatiepomp en verschillende standen van de in de binnenunit geïntegreerde 3-weg omschakelkleppen.
Lucht die aanwezig is in de hydraulica en in de aangesloten verwarmingscircuits kan ontsnappen tijdens de ontluchtingsfunctie via de automatische ontluchtingsklep.

INFORMATIE
De activering van deze functie vervangt niet het correcte ontluchten van het verwarmingscircuit.
Voor de activering van deze functie moet het verwarmingscircuit volledig gevuld zijn.
5 Waterdruk controleren en, indien nodig, water bijvullen (zie "3.9.4 Verwarmingssysteem vullen" [▶ 144]).
6 Ontluchtings-, controle- en bijvulprocedure herhalen tot:
- voor voldoende waterdruk is gezorgd.
5.4 Minimum debiet controlleren
Het minimum debiet moet bij een gesloten verwarmingscircuit gecontroleerd worden.

INFORMATIE
Bij een te laag minimum debiet kan er een foutmelding en een afschakeling van het verwarmingssysteem optreden.
Als het minimumdebiet niet voldoende is, kan er lucht in de circulatiepomp zitten of de klepaandrijving van de 3-weg omschakelkleppen (3UVB1/ 3UV DHW) defect zijn.
- Circulatiepomp ontluchten.
- Werking van de klepaandrijvingen controleren, indien nodig klepaandrijving vervangen.
1 Kleppen en stelaandrijvingen van alle aangesloten warmleverdeelcircuits sluiten.
2 Bedrijfsmodus 'Verwarmen' instellen op de regeling van de binnenunit [→ Hoofdmenu → Modus].
3 Infoparameter [Volumestroom] uitlezen [→ Hoofdmenu → Info → Waarden].
- Het debiet moet ten minste 480 l/h zijn (zie gebruiksaanwijzing voor de regeling).

INFORMATIE
De regeling van de binnenunit bewaakt continu het debiet van het interne warmtebroncircuit. Afhankelijk van de geactiveerde bedrijfsmodus zijn er verschillende waarden voor het minimum debiet noodzakelijk:
Bedrijfsmodus 'Verwarmen': 480 l/h
Bedrijfsmodus 'Koelen': 660 l/h
Automatische ontdooifunctie (Ontdooien) actief: 780 l/h
Als er bij een debiet van meer dan 480 l/h een foutmelding vanwege een onvoldoende minimum debiet wordt gegeven, het werkelijke debiet in de actieve bedrijfsmodus controleren en mogelijke foutoorzaken verhelpen.
5.5 Drogen van de dekvloer starten (alleen indien nodig)
Bij het specievloerprogramma wordt de aanvoertemperatuur aan de hand van een vooraf ingesteld temperatuurprofiel geregeld.
Zie voor verdere informatie over het specievloerprogramma, de activering en de afloop de gebruiksaanwijzing voor de regeling.
Nadat het dekvloerprogramma is beëindigd, blijft de regeling RoCon + HP1 werken in de eerder ingestelde bedrijfsmodus.
5.6 Checklijst voor inbedrijfstelling
| Checklijst voor inbedrijfstelling/uitgevoerde maatregelen afvinken | Hoofdstuk | |||
| 1. | Binnenunit en buitenunit (indien aanwezig) van stroom voorzien | Deze handleiding | "3.7 Elektrische aansluiting" [▶ 135] | □ |
| 2. | 'Expertcode' invoeren | RoCon+ HP1 | 4.5.1 | □ |
| 3. | Bedrijfsparameters instellen[→ Configuration Wizard → Parameters instellen][Streeftemperatuur warmwater 1]▪ Tijdens de inbedrijfstelling niet lager instellen dan 40°C.▪ Na de inbedrijfstelling nooit lager instellen dan 35°C! | RoCon+ HP1 | 5.2 | □ |
| 4. | Ontluchtingsfunctie activeren | RoCon+ HP1 | 4.5.7 | □ |
| ▪ Waterdruk controleren | Deze handleiding | "5.3 Hydraulisch systeem ontluchten" [▶ 145] | □ | |
| ▪ Minimumdebiet controleren | "5.4 Minimum debiet controleren" [▶ 146] | □ | ||
| 5. | Bedrijfsmodus 'Verwarmen' activerenWachttijd in acht nemen (tot 5 min)Bij lage omgevingstemperaturen "5.2 Inbedrijfstelling bij lage omgevingstemperaturen" [▶ 145] in acht nemen. | RoCon+ HP1 | 4.1 | □ |
| 6. | De inbedrijfstelling is voltooid wanneer op het display een WW-temperatuurboven 40°C wordt weergegeven. | □ | ||
| 7. | [dekvloerdroging] (indien nodig)Drogen van de dekvloer alleen na voltooiing van de inbedrijfstelling. Zodra de opslag minimaal 40°C warm is, activeren (ook mogelijk zonder buitenunit). | RoCon+ HP1 | 4.5.7 | □ |
5.7 Overdracht aan de exploitant
Als het proefdraaien voltooid is en de unit goed en op de juiste manier werkt, zorg ervoor dat de gebruiker de volgende zaken goed begrijpt:
- Vul de tabel met de installateurinstellingen in (in de gebruiksaanwijzing) met de werkelijke instellingen.
- Controleer of de gebruiker de papieren documentatie heeft en vraag hem/haar deze bij te houden om deze later te kunnen raadplegen. Informeer de gebruiker dat hij de volledige documentatie kan vinden op de url zoals eerder beschreven in deze handleiding.
- Leg aan de gebruiker uit hoe hij/zij het systeem op de juiste manier moet bedienen en wat hij/zij moet doen wanneer zich een probleem zou voordoen.
- Toon aan de gebruiker wat hij/zij moet doen om de unit te onderhouden.
- Leg aan de gebruiker uit hoe hij/zij energie kan besparen (deze tips staan beschreven in de gebruiksaanwijzing).
Een deel van de huidige technische gegevens is beschikbaar (openbaar toegankelijk) op de regionale Daikin-website. De volledige technische gegevens zijn beschikbaar via de Daikin Business Portal (authenticatie vereist).
6.1 Gegevens op het typeplaatje

text_image
DAIKIN EUROPE N.V. Zandvoordestraat 300, B-8400 Oostende, Belgium Daikin Altherma 3 R ECH2O Made in Germany a PMS = d V = e Tmax = f Qst = g pH2O = h V = i PMW = j SER.NO. w 63103300000410 U = k elmax = m l n o p 9kW 3N ~400V 9kW 3x 1N ~230V 3kW 1N ~230V 1kW 1N ~230V 0kW ext. R32 u v CE x6–1 Typeplaatje
a Apparaattype
b Leeg gewicht
c Totaal gewicht gevuld
d Max. toegestane werkdruk PMS (verwarming)
e Boilerinhoud totaal
f Max. toegestane bedrijfstemperatuur T
g Stand-by warmteverbruik in 24 uur bij 60°C (boiler) Q st
h Werkdruk opslagwater pH 2 O
I Nominale inhoud drinkwater
J Max. werkdruk PMW (sanitair)
k Nominale spanning U
I Beschermingsklasse
m Elektr. stroomverbruik elmax
n Back-upheater (optioneel)
o Beschermingsgraad back-upheater (optioneel)
p Zekering back-upheater (optioneel)
q Vermogen/voeding back-upheater (optioneel)
Te selecteren; 0 kW: geen/externe warmtebron
r Koudemiddelcircuit
s Max. werkdruk (koudemiddelcircuit)
t Totaal vulvolume van het koudemiddel (instructies, zie installatiehandleiding voor de warmtepomp-buitenunit)
u Voorzichtig: ontvlambaar koudemiddel
v Meer informatie over het koudemiddel: zie de handleiding
w Productienummer (te vermelden in geval van klachten en vragen)
x Productiedatum
6.2 Karakteristieke curven
6.2.1 Sensorkarakteristieken
6–1 Temperatuursensor
| Meettemperatuur in °C | ||||||||||||||||
| -20 | -10 | 0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | 90 | 100 | 110 | 120 | ||
| Sensorweerstand in kΩ conform norm of vermeldingen van de fabrikant | ||||||||||||||||
| t_DHW1, t_V,BH | NTC | 98,66 | 56,25 | 33,21 | 20,24 | 12,71 | 8,20 | 5,42 | 3,66 | 2,53 | 1,78 | 1,28 | 0,93 | 0,69 | 0,52 | 0,36 |
| t_R, t_V, t_DHW2, t_DC | NTC | - | - | 65,61 | 39,9 | 25 | 16,09 | 10,62 | 7,176 | 4,96 | 3,497 | 2,512 | 1,838 | 1,369 | - | - |
t_v,BH Aanvoertemperatuursensor Back-upheater

line
| t / °C | Rs / kΩ | | ------ | ------- | | 0 | 62 | | 20 | 30 | | 40 | 15 | | 60 | 8 | | 80 | 4 | | 100 | 2 |6-3 Karakteristieke curve van de temperatuursensoren t_R, t_V, t_DHW2, t_DC
R_s Sensorweerstand (NTC)
t Temperatuur
t_nc Temperatuursensor vloeistofleiding (koudemiddel)
t_DHW2 Boilertemperatuursensor 2
t_R Retourtemperatuursensor
t_v Aanvoertemperatuursensor

line
| p / bar | U / V | | ------- | ----- | | 0.5 | 0.5 | | 1.0 | 1.0 | | 1.5 | 1.5 | | 2.0 | 2.0 | | 2.5 | 2.5 | | 3.0 | 3.0 | | 3.5 | 3.5 | | 4.0 | 4.0 |6–4 Karakteristiek van de druksensor (DS)
p Waterdruk
U Spanning
6.2.2 Pompkarakteristieken

line
| m_H / L/h | Δp_R / mbar (50%) | Δp_R / mbar (75%) | Δp_R / mbar (100%) | | --------- | ----------------- | ----------------- | ------------------ | | 0 | 300 | 500 | 700 | | 200 | 280 | 480 | 680 | | 400 | 260 | 460 | 660 | | 600 | 240 | 440 | 640 | | 800 | 220 | 420 | 620 | | 1000 | 200 | 400 | 600 | | 1200 | 180 | 380 | 580 | | 1400 | 160 | 360 | 560 | | 1600 | 140 | 340 | 540 | | 1800 | 120 | 320 | 520 |6-5 Resterende opvoerhoogte van de interne verwarmingscirculatiepomp
p_R Resterende opvoerhoogte interne verwarmingscirculatiepomp
m_H Debiet verwarmingssysteem
6.3 Aandraaimomenten

6-2 Aandraaimomenten
| Bouwdeel Schroefdraad | maat | Aandraaimome nt in Nm |
| Temperatuursensor Alle Max. 10 | ||
| Hydraulische leidingsaansluitingen (water) | 1" 25 – 30 | |
| Aansluitingen gasleiding (koudemiddel) | 5/8" 63 – 75 | |
| Aansluitingen vloeistofleiding (koudemiddel) | 1/4" 15 – 17 | |
| Aansluitingen vloeistofleiding (koudemiddel) | 3/8" 33 – 40 | |
| Back-upheater 1,5" Max. 10 | (handvast) |
6.4 Minimale vloeroppervlakte en ventilatieopeningen

VOORZICHTIG
Het gebruik van reeds gebruikte koudemiddelleidingen kan schade aan het apparaat veroorzaken.
- Gebruik geen koudemiddelleidingen meer die met een ander koudemiddel zijn gebruikt. Vervang de koudemiddelleiding en reinig deze zorgvuldig.
- Als de totale koudemiddelvulling in het systeem <1,84 kg is, zijn er geen verdere eisen.
- Als de totale koudemiddelvulling in het systeem ≥1,84 kg is, moeten er verdere eisen aan het minimale vloeroppervlakte aangehouden worden:
1 Totale koudemiddelvulling in het systeem (m c ) vergelijken met maximale koudemiddelvulling (m max ) die is toegestaan voor de installatieruimte (A _room ), (zie "☐ 6–3 Maximaal in een ruimte toegestane koudemiddelvulling" [▶ 149]).
- Als m_c ≤ m_ : Het apparaat kan zonder verdere eisen in deze ruimte worden geïnstalleerd.
- Als m_c > m_max : Verdergaan met de volgende stappen.
2 Het minimale vloeroppervlak (A min ) vergelijken met het vloeroppervlak van de installatieruimte (A room ) en de aangrenzende ruimte (A _room2 ) (zie " 6-4 Minimale vloeroppervlakte binnenunit" [▶ 149]).
- Als A_ ≤ A_room + A_room2 : Verdergaan met de volgende stappen.
- Als A_ > A_room + A_room2 : Contact opnemen met uw lokale dealer.
3 Koelmiddelhoeveelheid (dm) berekenen: dm=1,9-m max (mmax overnemen uit "6-3 Maximaal in een ruimte toegestane koudemiddelvulling" [▶ 149] voor de huidige grootte van de installatieruimte Aroom)
4 Voor berekende dm is de minimale oppervlakte van de ventilatieopening (VA _min ) voor natuurlijke ventilatie tussen de installatieruimte en de aangrenzende ruimte overnemen uit " 6–5 Minimum oppervlak van de ventilatieopening" [▶ 149].
5 Het apparaat kan geïnstalleerd worden als:
- 2 ventilatieopeningen tussen plaatsingsruimte en de ruimte ernaast aanwezig zijn (telkens 1x boven en beneden)
- Onderste opening: De onderste opening moet voldoen aan de eisen voor de minimale oppervlakte van de ventilatieopening (VA min ). Hij moet zich zo dicht mogelijk aan de vloer bevinden. Als de ventilatieopening aan de vloer begint moet de hoogte ≥20 mm zijn. De onderkant van de opening moet zich ≤100 mm boven de vloer bevinden. Minimaal 50% van de vereiste minimumoppervlakte van de ventilatieopening (VA min ) moet <200 mm vanaf de vloer zijn. De hele opening moet <300 mm van de vloer zijn.
- Bovenste opening: De bovenste opening moet groter dan of net zo groot zijn als de onderste opening. De onderkant van de bovenste opening moet zich ten minste 1,5 m boven de bovenrand van de onderste opening bevinden.
- Ventilatieopeningen naar buiten worden niet als geschikte ventilatieopeningen gezien.
6–3 Maximaal in een ruimte toegestane koudemiddelvulling
| A_room (m^2) | Maximale koudemiddelvulling in een ruimte ( m_max ) (kg) |
| 1 | 0,14* |
| 2 | 0,28* |
| 3 | 0,41* |
| 4 | 0,55* |
| 5 | 0,69* |
| 6 | 0,83* |
| 7 | 0,90* |
| 8 | 0,97* |
| 9 | 1,02* |
| 10 | 1,08* |
| 11 | 1,13* |
| 12 | 1,18* |
| 13 | 1,23* |
| 14 | 1,28* |
| 15 | 1,32* |
| 16 | 1,37* |
| 17 | 1,41* |
| 18 | 1,45* |
| 19 | 1,49* |
| 20 | 1,53* |
| 21 | 1,56* |
| 22 | 1,60* |
| 23 | 1,64* |
| 24 | 1,67* |
| A_room (m2) | Maximale koudemiddelvulling in een ruimte ( m_max ) (kg) |
| 25 | 1,71* |
| 26 | 1,74* |
| 27 | 1,77* |
| 28 | 1,81* |
| 29 | 1,84 |
| 30 | 1,87 |
| 31 | 1,90 |
- * Waarden zijn alleen nodig voor stap 3 (berekening van dm).
6-4 Minimale vloeroppervlakte binnenunit
| m_c (kg) | Minimale vloeroppervlakte A_min ( m^2 ) |
| 1,84 | 28,81 |
| 1,86 | 29,44 |
| 1,88 | 30,08 |
| 1,90 | 30,72 |
6–5 Minimum oppervlak van de ventilatieopening
| dm (kg) | Minimale oppervlakte van de ventilatieopening ( VA_min ) ( cm^2 ) |
| 1,76 | 716 |
| 1,63 | 662 |
| 1,49 | 605 |
| 1,35 | 549 |
| 1,21 | 493 |
| 1,07 | 437 |
| 1,00 | 419 |
| 0,93 | 406 |
| 0,88 | 392 |
| 0,82 | 377 |
| 0,77 | 362 |
| 0,72 | 345 |
| 0,67 | 328 |
| 0,62 | 312 |
| 0,58 | 294 |
| 0,53 | 276 |
| 0,49 | 258 |
| 0,45 | 241 |
| 0,41 | 223 |
| 0,37 | 204 |
| 0,34 | 186 |
| 0,30 | 168 |
| 0,26 | 149 |
| 0,23 | 131 |
| 0,19 | 112 |
| 0,16 | 93 |
| 0,13 | 75 |
| 0,09 | 56 |
| 0,06 | 38 |
| 0,03 | 19 |
Voorbeeld: totale koudemiddelvulling 1,84 kg, installatieruimte 15 m²
6 Uit " 63 Maximaal in een ruimte toegestane
koudemiddelvulling" [▶ 149]: Ω=1,84 kg, A _min =29 m ^2
Gevolg: NIET voldaan aan eis voor min. grootte van de ruimte, ventilatieopening vereist
7 Controle met " 6-4 Minimale vloeroppervlakte binnenunit" [▶ 149]: A_room (installatieruimte)+ A_room2 (aangrenzende ruimte) ≥ A_min ? Zo ja, ga dan verder:
8 Uit " 63 Maximaal in een ruimte toegestane koudemiddelvulling" [▶ 149]: A_dom = 15 m^2 m_max = 1,32 kg
9 dm=1,9 kg-1,32 kg=0,58 kg
10 uit " 65 Minimum oppervlak van de ventilatieopening" [▶ 149]: dm=0,58 kg → VA _min =294 cm ^2
6-6 Legenda-aanduiding voor aansluiting en schakelschema's
| Pos. Aanduiding Pos. Aanduiding | |||
| Warmtepomp-buitenunit J2 Stekkeraansluiting 3UVB1 | |||
| Warmtepomp-binnenunit J3 Stekkeraansluiting AUX-schakelcontacten en cooling output statusuitgang | |||
| 3UVB1 3-weg omschakelklep (intern warmteopwekkingscircuit) | J5 Stekkeraansluiting druksensor | ||
| 3UV DHW 3-weg omschakelklep (warm water/verwarmen) J6 Stekkeraansluiting voeding | |||
| a Regelingsbehuizing J8 Stekkeraansluiting EXT | EBA | ||
| A1P Schakelprintplaat (basisregeling warmtepomp) Stekkeraansluiting | |||
| AUX Uitgangen schakelcontacten (A-A1-A2) + (B-B1) Stekkeraansluiting | shakelcontacten energiebedrijf | ||
| b Deksel regelingsbehuizing Stekkeraansluiting aanvoertemperatuursensor back- | upheater t_V,BH | ||
| cooling output | Status-uitgang voor bedrijfsmodus 'koelen"(aansluiting vloerverwarmingregeling cooling output) | ||
| DS | Druksensor | ||
| EBA | Schakelcontacten voor extern warmteverzoek | J10 | Stekkeraansluiting interne bedrading X1A |
| EHS157034 | Kamerstation | J11 | Stekkeraansluiting interne bedrading naar X18A (A1P) |
| EHS157068 | Mengmodule | J12 | Stekkeraansluiting 3UV DHW |
| EKBUxx | Back-upheater | J13 | Stekkeraansluiting systeembus (bijv. kamerstation) |
| EXT | Schakelcontact voor externe bedrijfsmodusomschakeling | J14 | Stekkeraansluiting circulatiepomp P_2 |
| F1 | Zekering 250 V T 2 A (RoCon BM2C) | J15 | Stekkeraansluiting stroomschakelaar |
| FLS | Debietsensor | J16 | Stekkeraansluiting kamerthermostaat (EKRTR/EKRTW) |
| HT/NT | Schakelcontact voor laagtarief netaansluiting | K1 | Relais 1 voor back-upheater |
| P | Verwarmingscirculatiepomp (in het apparaat) | K2 | Relais 2 voor back-upheater |
| P_z | Circulatiepomp | K3 | Relais 3 voor back-upheater |
| PWM | Pompaansluiting (PWM-signaal) | X1 | Klemrail voor netaansluiting Back-upheater |
| RJ45 CAN | Stekkeraansluiting (RoCon BM2C) interne bedrading (naar RoCon+ B1) | X3 | Stekkeraansluiting interne bedrading naar J17 (RoCon BM2C) |
| RoCon BM2C | Schakelprintplaat (basismodule regeling) | X1A | Stekkeraansluiting naar J10 van RoCon BM2C |
| RoCon+ B1 | Bedieningseenheid van de regeling | X3A | Stekkeraansluiting interne bedrading (brugstekker) |
| RT | Kamerthermostaat (EKRTW) | X4A | Stekkeraansluiting voor stroomsensor FLS en t_DHW2 |
| RT-E | Ontvanger voor draadloze kamerthermostaat (EKRTR) | X5A | Stekkeraansluiting aanvoertemperatuursensor t_v |
| RTX-EHS | Schakelprintplaat (Back-upheater) | X7A | Stekkeraansluiting temperatuursensor (vloeistof koudemiddel) t_DC |
| SG | Schakelcontact voor Smart Grid (intelligente netaansluiting) | X8A Stekkeraansluiting retour-temperatuursensor t_R | |
| T_A | Buitentemperatuursensor | X16A | Stekkeraansluiting verwarmingscirculatiepomp |
| TRA1 | Transformer | X18A | Stekkeraansluiting naar J11 van RoCon BM2C |
| t_DHW1 | Boilertemperatuursensor 1 (RoCon BM2C) | X19A | Stekkeraansluiting naar XAG1 |
| t_DHW2 | Boilertemperatuursensor 2 (A1P) | X21A | Stekkeraansluiting interne bedrading (brugstekker) |
| t_R | Retour-temperatuursensor (A1P) | X22A | Stekkeraansluiting naar XTA1 |
| t_V | Aanvoertemperatuursensor (A1P) | X26A | Stekkeraansluiting naar TRA1 (230 V) |
| t_V,BH | Aanvoertemperatuursensor Back-upheater | X31A | Stekkeraansluiting naar TRA1 (12 V) |
| X2M6 | Klem verbindingskabel HPc-VK-1 | ||
| X2M7 | Klem verbindingskabel HPc-VK-1 | ||
| X11M | Klemmenstrook in FWXV-ATV3 | ||
| XAG1 | Stekkeraansluiting warmtepomp-buitenunit | ||
| XBUH1 | Stekkeraansluiting back-upheater (EKBUxx) | ||
| XAG1 | Stekkeraansluiting warmtepomp-buitenunit | ||
| XTA1 | Klemmenstrook buitentemperatuursensor T_A | ||
6.6 Leidingendiagram koudemiddelcircuit

flowchart
graph TD
A["House"] --> B["7.0 CuT"]
B --> C["7.0 CuT"]
C --> D["7.0 CuT"]
D --> E["7.0 CuT"]
E --> F["7.0 CuT"]
F --> G["12.7 CuT"]
G --> H["h"]
H --> I["R2T"]
I --> J["g"]
J --> K["g"]
K --> L["6.4 CuT"]
L --> M["f"]
M --> N["Y1E"]
N --> O["e"]
O --> P["6.4 CuT"]
P --> Q["c"]
Q --> R["a"]
R --> S["PWT"]
S --> T["b"]
T --> U["15.9 CuT"]
U --> V["d"]
V --> W["15.9 CuT"]
W --> X["k"]
X --> Y["M1C"]
Y --> Z["j"]
Z --> AA["i"]
AA --> AB["9.5 CuT"]
AB --> AC["S1PH"]
AC --> AD["12.7 CuT"]
AD --> AE["y1S"]
AE --> AF["12.7 CuT"]
AF --> AG["MIF"]
AG --> AH["12.7 CuT"]
6-7 Bouwdelen in het verwarmingspompcircuit
a Leidingen van klant (vloeistof: ∅6,4 mm flare-koppeling)
b Leidingen van klant (gas: ∅15,9 mm flare-koppeling)
c Afsluitklep (vloeistof)
d Afsluitklep met onderhoudsaansluiting (gas)
e Filter
f Demper met filter
g Capillaire buis
h Warmtewisselaar
i Accumulator
j Compressoraccumulator
k Demper
M1C Compressor
M1F Ventilator
PWT Platenwarmtewisselaar
R1T Sensor (buitenlucht)
R2T Sensor (warmtewisselaar)
R3T Sensor (compressoruitlaat)
S1PH Hogedrukschakelaar (automatische reset)
Y1E Elektronische expansieklep
Y1S Magneetventiel (4-weg klep) (AAN: Koeling)
→ Verwarmen
→ Koelen
