Aqua INOX - Ketel SIME - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Aqua INOX SIME in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Aqua INOX SIME
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Aqua INOX - SIME en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Aqua INOX van het merk SIME.
GEBRUIKSAANWIJZING Aqua INOX SIME
Op het moment dat de ketel voor de eerste keer in werking gesteld wordt verdient het aanbeveling om de volgende controles te verrichten:
- Nagaan dat er zich geen ontvlambare vloeistoffen of materialen in de onmiddellijke nabijheid van de ketel bevinden.
- Zich ervan verzekeren dat de elektrische aansluiting op de juiste wijze uitgevoerd is en dat de ketel op een deugdelijk geaard stopcontact aangesloten is.
- Controleren of de afvoerleiding van de verbrandingsprodukten vrij is.
- Zich ervan verzekeren dat eventuele afsluiters open zijn.
- Zich ervan verzekeren dat de installatie met water gevuld is en goed ontlucht is.
- Nagaan dat de circulatiepomp niet geblokkeerd is.
1 BESCHRIJVING VAN DE KETEL
1.1 INLEIDING
De gietijzeren ketels AQUA INOX met een ingebouwde brander onderscheiden zich qua geruislaze werking en zijn ontworpen in overeenstemming met de voorschriften van de Rendementsrichtlijn EEG 92/42. Zij branden op lichte stookolie, beschikken over een volmaakt uitgebalanceerde verbranding en hebben een zeer hoog rendement dat een grote kostenbesparing toestaat. De voorziening van sanitair warm water wordt gegarandeerd door een voorraadboiler van
roestvrij staal die uitstekende betrouw- baarheids- en duurzaamheidskenmer- ken heeft..
Neem de aanwijzingen die in deze handleiding opgenomen zijn in acht om er zeker van te zijn dat het toestel op de juiste manier geinstalleerd wordt en perfect functioneert.
1.2 AFMETINGEN

text_image
460 1690
text_image
830 Ø130
text_image
85 U 250 C 280 E M 902 712 505 R 95M Toevoerleiding installatie R 1" (UNI-HSO 7/1)
R Retourleiding installatie Rp 1 1/4" (UNIHSO 7/1)
E Inlaat sanitair water G 3/4" (UNI-ISO 228/1)
U Uitlaat sanitair water G 3/4" (UNI-ISO 228/1)
C Recirculatie G 3/4" (UNI-HSO 228/1)
Fig. 1
| AQUA 30 INOX AQUA 40 INOX | |||
| Nuttig vermogen * kW 31,3 (27,5) 40,0 (35,2) | |||
| kcal/h 26.900 (23.700) 34.400 (30.300) | |||
| Warmtedebiet * kW 34,8 (30,6) 44,3 (39,0) | |||
| kcal/h 29.900 (26.300) 38.100 (33.500) | |||
| Type | B23 | B23 | |
| Elementen | 4 | 5 | |
| Maximale bedrijfsdruk | bar | 4 | 4 |
| Waterinhoud | l | 31 | 35 |
| Expansievat | |||
| Inhoud | l | 10 | 12 |
| Voorlaaddruk | bar | 1 | 1 |
| Drukverlies rookgaszijde | mbar | 0,16 | 0,21 |
| Druk verbrandingskamer | mbar | -0,02 | -0,02 |
| Geadviseerde onderdruk schoorsteen | mbar | 0,18 | 0,24 |
| Rookgastemperatuur * | °C | 176 (166) | 200 (186) |
| Rookgasdebiet * | m3n/h | 42 (38,4) | 53,5 (48,9) |
| CO2* | % | 13 (12,5) | 13 (12,5) |
| Maximum bedrijfstemperatuur | °C | 95 | 95 |
| Elektrisch vermogen | W | 225 | 185 |
| Regelberek verwarming | °C | 45÷85 | 45÷85 |
| Regelberek sanitair water | °C | 30÷60 | 30÷60 |
| Sanitair watervoorziening | |||
| Inhoud boiler | l | 100 | 100 |
| Specifiek sanitair debiet (EN 625) | l/min | 21,6 | 21,6 |
| Continu sanitair debiet Δt 30°C * | l/h | 830 (790) | 830 |
| Hersteltijd van 25°C naar 55°C | min | 12 | 12 |
| Expansievat sanitair water | l | 4 | 4 |
| Maximum bedrijfsdruk boiler | bar | 7 | 7 |
| Stookoliebrander | |||
| Branderinspuitstuk * | 0,75 60°W (0,65 60°W) | 0,85 60°W | |
| Pompdruk * | bar | 12,5 (13) | 14 (11) |
| Stand klepregelaar * | 5,2 (4,1) | 6,1 (5,5) | |
| Gewicht | kg | 233 | 260 |
| * De waarden, tussen haken opgegeven, zijn van toepassing op de fabrieksinstelling. | |||
1.4 VOORNAAMSTE ONDERDELEN
LEGENDE
1 Bedieningspaneel
2 Expansievat sanitair
3 Vullen
4 Automatische ontluchter
5 Terugslagklep
6 Circulatiepomp boiler
7 Stookoliebrander
8 Aftapleiding ketel
9 Omhulsel voor voelers
10 Circulatiepomp
11 Boiler 100 liter
12 Expansievat
Fig. 2
1.5 WERKINGSSCHEMA
LEGENDE
1 Ketellichaam
2 Hydrometer
3 Automatische ontluchtingsklep
4 Circulatiepomp
5 Circulatiepomp boiler
6 Terugslagklep
7 Expansievat sanitair water
8 Veiligheidsklep boiler
9 Magnesiumanode
10 Afvoerkraan boiler
11 Expansievat
12 Afvoerkraan ketel
13 Vullen
14 Veiligheidsklep ketel
15 Stookoliebrander
16 Boiler 100 liter
17 Ontluchter
Fig. 3
2 INSTALLATIE
2.1 VERWARMINGSRUIMTE
Ketels met een hoger vermogen dan 35 kW moeten in een technische ruimte worden geplaatst waarvan de afmetingen en de overige eigenschappen in overeenstemming zijn met de normen en de reglementen die op dit moment van kracht zijn.
Tussen de wanden van het vertrek en de ketel dient een ruimte vrij te worden gelaten van ten minste 0,60 m.
Tussen de bovenkant van de ketelman- tel en het plafond dient een afstand van ten minste 1 m te zitten.
Bij ketels met een ingebouwde brander kan deze afstand worden verlaagd tot 0,50 m (de minimum hoogte van de verwarmingsruimte mag hoe dan ook niet lager zijn dan 2,5 m).
Ketels met een lager vermogen dan 35 kW mogen alleen in permanent geventileerde vertrekken geïnstalleerd worden en functioneren. Voor het toestromen van lucht in de vertrekken moeten er dus in de buitenmuren openingen gemaakt worden die aan de volgende eisen voldoen:
- de openingen moeten een totale minimum vrije doorsnede hebben van minimaal 6 cm² per elke geïnstalleerde kW thermisch vermogen en in ieder geval nooit minder dan 100 cm²;
- de openingen moeten zo dicht mogelijk bij de vloerhoogte geplaatst worden, op een zodanige wrijze dat zijn niet verstopt kunnen raken en beschermd worden met een rooster dat de nuttige doorsnede van de luchtdoorvoer niet vermindert.
2.2 AANSLUITING VAN DE INSTALLATIE
Voordat u overgaat tot het aansluiten van de ketel doet u er goed aan om water door de leidingen van de installatie te laten stromen om eventuele vreemde voorwerpen, waardoor de goede werking van het toestel aangetast kan worden, te verwijderen.
Bij het tot stand brengen van de hydraulische aansluitingen moet u zich ervan verzekeren dat de indicaties op fig. 1 aangehouden worden.
Het is belangrijk dat de verbindingen makkelijk losgekoppeld kunnen worden door middel van verbindingsstukken met draaibare fittingen.
De afvoer van de veiligheidsklep moet op een adequaat verzamel- en afvoersysteem aangesloten worden.

text_image
OPENFig. 4
2.2.1 De installatie vullen (fig. 4)
Om de ketel en de bijbehorende installatie te vullen moet u aan de kogelkraan draaien. Als de installatie koud is moet de vuldruk tussen de 1 - 1,2 bar variëren. Tijdens de vulfase van de installatie is het verstandig om de hoofdschakelaar uitgeschakeld te laten. Het vullen van de ketel en de installatie moet langzaam gebeuren, zodat de lucht via de speciale ontluchters kan ontsnappen [5 fig. 2]. Om deze handeling te vergemakkelijken moet u de inkeping in de ontgrendelschroef van de terugslagkleppen horizontaal houden. Na het vullen moet u de schroef weer in de oorspronkelijke stand zetten. Na afloop van deze handeling moet u controleren of de vulkraan dicht is.
2.2.2 Sanitair warmwatervoor-ziening
Bij het model "AQUA INOX" moet u, om ervoor te zorgen dat de ketel in staat is om in sanitair warm water te voorzien, bij de eerste ontsteking alle lucht die in verwarmingsspiraal van de boiler zit laten ontsnappen. Om deze handeling te vergemakkelijken moet u de inkeping in de ontgrendelschroef van de terugslagklep (5 fig. 2) horizontaal houden. Als alle lucht ontsnapt is, moet u de schroef weer in de oorspronkelijke stand zetten.
2.2.3 Kenmerken van het ketelvoedingswater
HET GEBRUIK VAN ONTHARD WATER IN DE VERWARMINGSINSTALLATIE IS ABSOLUUT NOODZAKELIJK IN DE VOLGENDE GEVALLEN:
- grote installaties (met een grote waterinhoud);
- frequent bijvullen van de installatie;
- indien de installatie volledig of gedeel- telijk afgetapt moet worden.
2.3 AANSLUITING OP HET ROOKKANAAL
Het rookkanaal is van groot belang voor de goede werking van de installatie. Wanneer dit niet volgens de juiste criteria is uitgevoerd kunnen er namelijk storingen in de werking van de brander optreden, kan de geluidsoverlast toenemen en kunnen er roet, condens en afzettingen worden gevormd. Het rookkanaal moet beantwoorden aan de onderstaande vereisten; hij dient in het bijzonder:
- van luchtdicht materiaal te zijn gemaakt en bestand te zijn tegen de temperatuur van rook en condens;
- voldoende mechanische weerstand te kunnen bieden en een gering warmtegeleidingsvermögen te hebben;
- volledig dicht te zijn om te voorkomen dat het rookkanaal afkoelt;
- zo veel mogelijk een verticaal verloop te hebben en aan het uiteinde dient een statische afzuiger te zijn voorzien die voor een efficiënte en constante afvoer van de verbrandingsproducten zorgt;
- teneinde te voorkomen dat de wind rond het rookgat drukzones veroorzaakt die groter zijn dan de opwaartse druk van de verbrandingsgassen is het noodzakelijk dat de opening van het afvoerkanaal ten minste 0,4 m uitsteekt boven enige andere installatie die minder dan 8 m van de schoorsteen is verwijderd (met inbegrip van de nok
van het dak);
- de diameter van het rookkanaal dient niet kleiner te zijn dan die van de ketelaansluiting; voor rookkanalen met een vierkante of rechthoekige doorsnede dient de inwendige doorsnede met 10% te worden vergroot vergeleken bij de doorsnede van de ketelaansluiting;
- de nuttige doorsnede van het rookkanaal moet voldoen aan de volgende formule:
$$ S = K \frac {P}{\sqrt {H}} $$
S resulterende doorsnede in cm 2
K verminderingscoëfficiënt: 0,024
P vermogen van de ketel in kcal/h
H hoogte van de schoorsteen in meter, gemeten vanaf de as van de vlam tot aan de uitgang van de schoorsteen in de atmosfeer. Bij het bepalen van de afmetingen van het rookkanaal moet rekening gehouden worden met de werkelijke hoogte van de schoorsteen in meter, gemeten vanaf de as van de vlam tot aan de bovenkant, verminderd met:
- 0,50 m voor iedere bocht in de verbindingsleiding tussen ketel en rookkanaal;
- 1,00 m voor iedere meter horizontale lengte van genoemde verbinding.
Onze ketels zijn van het type B23 en vergen naast de aansluiting op het rookkanaal zoals hierboven aangegeven verder geen bijzondere aansluitingen.
2.4 BRANDSTOFTOEVOER
De ketel kan via de zijkant brandstof toegevoerd krijgen; de leidingen moeten door de speciaal daarvoor bestemde opening in de rechter-/linkerkant van de mantel geleid worden om op de pomp aangesloten te kunnen worden (fig. 5 - 5/a).
Belangrijke aanwijzingen
- Verzeker u ervan alvorens de brander in werking te stellen dat de retourleiding geen verstoppingen vertoont. Door een te grote tegendruk kan het dichtingsorgaan van de pomp kapot gaan.
- Controleer de leidingen op dichtheid.
- De maximum onderdruk van 0,4 bar (300 mmHg) mag niet overschreden worden (zie tabel 1).

text_image
H H max 4 m HTABEL 1
| Hmeter øi | L (meter) | |
| pijp8 mm | pijp10 mm | |
| 0 | 35 | 100 |
| 0,5 | 30 | 100 |
| 1 | 25 | 100 |
| 1,5 | 20 | 90 |
| 2 | 15 | |
| 3 | 8 | |
| 3,5 | 6 | 20 |
H = Hoogteverschil
L = Maximum lengte van de aanzuigleiding
Fig. 5
AANSLUITINGEN
1 Aansluiting vacuumeter
2 Drukregelaar
3 Aansluiting manometer
4 By-pass schroef
5 Flexibele retourleiding (meegeleverd)
6 Flexibele aanzuigleiding (meegeleverd)
7 Extra drukmeetaansluiting
8 Klep
9 Koppeling 3/8" [meegeleverd]
10 Filter brandstoftoevoerleiding (meegeleverd)

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8
flowchart
graph LR
A["9"] --> B["10"]
B --> C["9"]
C --> D["6"]
D --> E["4"]
D --> F["5"]
LET OP:
- Maak de op de pomp aangesloten koppelingen (5-6) los alvorens de flexibele leidingen te draaien om ze uit de opening die in de zijkant rechts/links van de mantel is aangebracht te laten lopen. Maak na afloop hiervan de koppelingen weer aan de pomp vast.
- De pomp is ingesteld op de tweepijps werking. Voor de éénpijps werking moet de bypass-schroef verwijderd worden [4].
Fig. 5/a
Boven die waarde komen er gassen uit de brandstof vrij waardoor er cavitatie van de pomp kan ontstaan.
- Bij onderdrukinstallaties wordt geadviseerd de retourleiding op dezelfde hoogte van de aanzuigleiding te plaatsen. In dit geval is de bodemklep niet nodig. Als de retourleiding daarentegen boven het brandstofniveau komt te zitten is de bodemklep onontbeerlijk.
Aanzuiging van de pomp
Om de aanzuiging van de pomp op gang te brengen hoeft de brander slechts in werking te worden gesteld en gecontroleerd te worden of de vlam brandt. Als de brander blokkeert voordat de brandstof de brander bereikt, moet u minimaal 20 seconden wachten, daarna moet u op de ontgrendelknop ("RESET") van de brander drukken en
daarna weer heel de startfase afwachten totdat de vlam gaat branden.
2.5 AFSTELLINGEN VAN DE BRANDER
Elk toestel wordt geleverd met een verbrandingseenheid compleet met inspuitstuk en wordt in de fabriek ingeregeld; het geniet toch de voorkeur om de in punt 1.3 vermelde parameters te controloren die betrekking hebben op de atmosferische druk ter hoogte van de zeespiegel. Wanneer de installatie afstellingen vereist die afwijken van die van de fabriek dan mag dit uitsluitend door bevoegd personeel uitgevoerd worden dat daarbij de hieronder vermelde aanwijzingen aan moet houden. Om bij de afstelorganen van de verbrandingseenheid te kunnen komen moet de deur van de mantel verwijderd worden.
2.5.1 Afstelling van de luchtklep
Om de luchtklep af te stellen moet u aan de schroef (1 fig. 6) draaien en de schaalverdeling (2 fig. 6), die de stand van de klep aangeeft, laten verschuiven. De afstelwaarden van elk afzonderlijk toestel staan vermeld in punt 1.3.
2.5.2 Regeling van de pompdruk
Om de druk van de stookolie te regelen moet u aan de schroef (3 fig. 6/a) draaien en aan de hand van een manometer, die op de drukmeetaansluiting (2 fig. 6/a) aangesloten is, controleren of de druk overeenstemt met de in punt 1.3 voorgeschreven waarden.
2.6 VERWARMINGSBLOK
Bij de modellen "AQUA 30 INOX" treedt het verwarmingsblok in werking op het moment dat er toestemming aan de branderautomaat gegeven wordt, waarbij de start gedurende een tijd van maximaal 90 seconden vertraagd wordt; dit is nodig om de brandstof in de buurt van de inspuitstukhouder op een temperatuur van 65°C te krijgen. Is deze temperatuur bereikt dan zal de thermostaat, die boven het voorverwarmingsapparaat [1 fig. 13/b] geplaatst is, toestemming geven voor het starten van de brander. Het verwarmingsapparaat zal net zolang in werking blijven als de brander en stoppen zodra de brander stopt. Het verwarmingsblok is niet gemonteerd op de modellen "AQUA 40 INOX" omdat dit niet nodig is.

text_image
RESET TWICE ONLY Φ 5 6 7 2 1 Fig. 6
text_image
LEGENDE 1 Stookoliepomp 2 Manometeraansluiting 3 Drukregelschroef Fig. 6/aDe ketel wordt geleverd met een elektrische voedingskabel. Voor de voeding is een éénfasige spanning van 230V - 50 Hz nodig via een hoofdschakelaar, die beschermd is door zekeringen. De kabel van de kamerthermostaat waarvan de installatie verplicht is om een betere regeling van de kamertemperatuur te verkrijgen, moet aangesloten worden zoals afgebeeld op fig. 7.
OPMERKING: De ketel moet in elk geval worden aangesloten op een stopcontact met aarding; gebeurt dit niet, dan wijst SIME elke aansprakelijkheid voor schade of lichamelijk letsel van de hand.
Alvorens welke werkzaamheden dan ook aan het elektrische schakelpaneel uit te voeren moet eerst de elektrische stroomtoevoer uitgeschakeld worden.
text_image
LEGENDA TS Veiligheidsaquastaat SB Controlelampje blokkering brander E/I Zomer/Winter schakelaar TA Kamerthermostaat TC Ketelaquastaat TL Limietaquastaat IG Hoofdschakelaar P Pomp installatie OP Programmeerklok TB Boileraquastaat PB Pomp boiler RE Relais F Fotoweerstand VG Stookolieklep M Motor A Branderautomaat R Verwarmingsapparaat (met uitzondering van model "40") TR Thermostaat verwarmingsapparaat (met uitzondering van model "40") Fig. 72.7.2 Werkingsdiagram "AQUA 30 INOX"

bar
| Motor Type | Time Interval (s) | | --------------------------- | ----------------- | | Starttoestemming | ~12 s | | Thermostaat verwarmingsapparaat | ~12 s | | Verwarmingsapparaat | ~12 s | | Motor | ~12 s | | Ontstekingstransformator | ~12 s | | Stookolieklep | ~12 s | | Vlam | ~12 s | | Blokkeringslampje | ~12 s |2.7.3 Werkingsdiagram "AQUA 40 INOX"

bar
| System | Time (s) | | ----------------------- | -------- | | Starttoestemming | ~12 | | Motor | ~12 | | Ontstekingstransformator| ~5 | | Stookolieklep | ~12 | | Vlam | ~12 | | Blokkeringslampje | ~12 |De verbrandingskamer is van het type met rechtstreekse doorlaat en is in overeenstemming met de norm pr EN 303-3 bijlage E. De afmetingen staan aangegeven op fig. 8.
| L | Volume | |||||||
| mm | m3 | |||||||
| SOLO 20 | 277 | 0,013109 | 280 | |||||
| SOLO 30 | 377 | 0,019028 |
4 GEBRUIK EN ONDERHOUD
4.1 PROGRAMMEERKLOK (optioneel)
Het bedieningspaneel laat het gebruik van een programmeerklok toe die als set op aanvraag leverbaar is, met voorschriften voor de montage (fig. 10). Breng de elektrische aansluiting tot stand zoals aangegeven in punt 2.6 en verwijder de brug van de klemmenstrook van de ketel.
4.2 ONDERHOUD VAN DE BOILER
Bij het model "AQUA INOX" wordt de voorziening van sanitair warm water gegarandeerd door een met stalen boiler, voorzien van een magnesiumanode ter bescherming van de boiler en een inspectieflens voor de controle en de reiniging.
ENLEVER
Fig. 10
Fig. 11
De magnesiumanode moet van tijd tot tijd gecontroleerd worden en vervangen worden als deze weggere-
ageerd blijkt te zijn, op straffe van verval van de garantie van de boiler (fig. 11).
4.3 DEMONTAGE VAN DE MANTEL
Om de ketel makkelijk te kunnen onderhouden kan de mantel volledig gedemonteerd worden waarbij u de numerieke volgorde die op fig. 12.
4.4 DEMONTAGE VAN HET EXPANSIEVAT
Om het expansievat van de verwarming te demonteren moet u als volgt te werk gaan:
- Ga na of al het water uit de ketel is.
- Draai de koppeling waar het expansievat op aangesloten is los en de twee borgpennen van de bevestigingsbeugel.
Voordat u overgaat tot het vullen van de installatie moet u eerst controleren of het expansievat inderdaad op een druk van 0,8 - 1 bar voorgeladen is.
4.5 ONDERHOUD VAN DE BRANDER
Om de brander van het deurtje van de ketel te demonteren moet de moer verwijderd worden (fig. 13).
- Om aan de binnenzijde van de brander te kunnen komen moet u het luchtklepblok, dat met twee schroeven aan de zijkant bevestigd is, verwijderen en de rechterhelft verwijderen, die door vier schroeven op zijn plaats gehouden wordt, waarbij u op moet passen dat de dichtingsringen (O-ringen) niet beschadigd worden.
- Om de inspuitstukhouder en het verwarmingsblok te demonteren moet u als volgt te werk gaan:
- doe de kap van het toestel die door een schroef op zijn plaats gehouden wordt open, maak de kabels van het verwarmingsapparaat (1 fig. 13/a) die door een hittebestendige mantel beschermd worden los en laat ze, nadat u de

betreffende kabeldoorvoer verwijderd heeft, door het gat lopen;
- maak de beide kabels van de ontstekingselektroden die met een fastonverbinding bevestigd zijn los;
- maak de fitting (2 fig. 13/a) los en
draai de vier schroeven waarmee de ring (3 fig. 13/a) aan de brander bevestigd is eruit.
- Zie figuur 13/b om het verwarmingsapparaat of de thermostaat te demonteren.

text_image
LEGENDE 1 Kabels van het toestel 2 Fitting 3 Ring Fig. 13/a
text_image
1 2 3LEGENDE
1 Thermostaat verwarmingsapparaat
2 Dop
3 Verwarmingsapparaat
Fig. 13/b

text_image
AQUA 30 INOX AQUA 40 INOX Fig. 14
text_image
4 ± 0.3 mm A 2 - 2,5 mm Fig. 154.6 REINIGING EN ONDERHOUD
Het preventieve onderhoud en de controle van de werking van de toestellen en van de beveiligingssystemen moet na afloop van elk seizoen uitgevoerd worden en mag uitsluitend door erkende vakmensen verricht worden.
4.6.1 Reiniging van de rookgasdoorvoeren
Om de rookgasdoorvoeren te reinigen moeten de schroeven waarmee de deur aan het ketellichaam bevestigd is eruit gedraaid worden, moeten de turbulatoren verwijderd worden en moeten de inwendige oppervlakken en de rookgasafvoerpijp met een speciale borstel grondig schoongemaakt worden waarbij alle restanten verwijderd moeten worden.
Na het onderhoud gepleegd te hebben moeten de turbulatoren weer in de oorspronkelijke positie teruggeplaatst worden (fig. 14).
4.6.2 Reiniging van de verbrandingskop
Om de verbrandingskop te reinigen moet u als volgt te werk gaan (fig. 15):
- Koppel de hoogspanningskabels van de elektroden los.
- Draai de bevestigingsschroeven van de steun van de propeller los en verwijder de steun.
- Borstel de propeller (turbulentieschijf) voorzichtig af.
- Maak de ontstekingselektroden goed schoon.
- Ontdoe de fotocel goed van eventuele vuilaanslag die zich op het oppervlak ervan afgezet heeft.
- Ontdoe de overige onderdelen van de verbrandingskop van eventuele aanslag.
- Na afloop hiervan moet u alles weer monteren waarbij u in de omgekeerde volgorde als hierboven beschreven te werk moet gaan en waarbij u er op moet letten dat u de aangegeven maten aanhoudt.
4.6.3 Vervanging van het inspuitstuk
Het verdient de aanbeveling om het inspuitstuk aan het begin van elk verwarmingsseizoen te vervangen om er zeker van te zijn dat het verbrandingsdebiet juist is en dat de spuitefficiëntie
bevredigend is.
Om het inspuitstuk te vervangen moet u als volgt te werk gaan:
- Koppel de hoogspanningskabels van de elektroden los.
- Draai de bevestigingsschroef (A fig. 15) van de steun van de elektroden los en trek de steun eruit.
- Houd het spuitblok met een sleutel nr. 19 tegen en draai het inspuitstuk met een sleutel nr. 16 los (fig. 16).

Hieronder worden enkele oorzaken en de mogelijke oplossingen opgesomd van een aantal storingen die eventueel kunnen optreden en die aanleiding kunnen geven tot het niet of niet goed functioneren van de ketel.
Een storing in de werking zorgt er in de meeste gevallen voor dat het waarschuwingslampje van de besturings- en controleautomaat dat op een blokkering duidt, gaat branden.
Als dit waarschuwingslampje gaat branden, kan de brander pas weer functioneren nadat de ontgrendelknop volledig ingedrukt is; als u dit gedaan heeft en de normale ontsteking weer plaatsvindt, kan de blokkering van de brander aan een onschuldige storing van voorbijgaande aard worden toegeschreven.
Als de blokkering daarentegen voortduurt dan moet de oorzaak van de storing vastgesteld worden en de hieronder vermelde oplossingen toegepast worden:
De brander gaat niet branden.
- Controleer de elektrische aansluitingen.
- Controleer of de brandstof goed wordt toegevoerd, of de filters en het inspuitstuk schoon zijn en of de leiding is contlucht.
- Controleer of de ontstekingsvonken goed gevormd worden en of de branderautomaat goed functioneert.
De brander gaat goed branden maar gaat meteen daarna uit.
- Controleer de waarneming van de vlam, de instelling van de lucht en de werking van de branderautomaat.
De brander is moeilijk te regelen en/of levert geen rendement.
- Controleer of de brandstof goed wordt toegevoerd, of de ketel schoon is, of de rookgasafvoerleiding niet verstopt is, het werkelijke door de brander geleverde vermogen en of de brander schoon is (stof).
De ketel wordt gauw vuil.
- Controleer de afstelling van de brander (analyse van de rookgassen), de kwaliteit van de brandstof, de mate van verstopping van de schoorsteen en of de luchtdoorlaat van de brander schoon is (stof).
De ketel komt niet op temperatuur.
- Controleer of het ketellichaam schoon is, controleer de combinatie, de afstelling, de prestaties van de brander, de van te voren afgestelde temperatuur, de goede werking en de plaats van de regelthermostaat.
- Verzeker u ervan dat het vermogen van de ketel voldoende is met het oog op de installatie.
Er is een geur van onverbrande gassen.
- Controleer of het ketellichaam en de rookgasafvoer schoon zijn en of de ketel en de afvoerleidingen (deurtje, verbrandingskamer, rookgasleiding, rookkanaal, afdichtingen) hermetisch afgesloten zijn.
- Controleer of de verbranding goed is.
De veiligheidsklep van de ketel schakelt vaak in.
- Controleer of er lucht in de installatie zit en controleer de werking van de circulatiepompen.
- Controleer de voorlaaddruk van de installatie, de efficiëntie van het expansievaten en de inregeling van de klep zelf.
INSTRUCTIES VOOR DE GEBRUIKER
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
- In geval van defecten en/of storingen in de werking van het toestel moet u het toestel uitschakelen en u onthouden van elke poging om het toestel zelf te repareren of er zelf aan te sleutelen. Als u de lucht van brandstof of van verbranding ruikt moet u het vertrek luchten en de brandstofafsluiter dichtdoen. Wend u zo spoedig mogelijk tot de Erkende Technische Servicedienst.
- De installatie van de ketel en alle andere service- en onderhoudswerkzaamheden moeten door vakmensen uitgevoerd worden.
- Het is streng verboden om de luchtinlaatroosters in het vertrek waar het toestel is geïnstalleerd af te dekken en de ventilatieopeningen te verkleinen. De ventilatieopeningen zijn onontbeerlijk voor een goede verbranding.
INBEDRIJFSTELLING EN WERKING
DE KETEL IN BEDRIJF STELLEN
Druk om de ketel in bedrijf te stellen op de knop van de hoofdschakelaar (fig. 17) het gewenste stand op de zomer/winter schakelaar (fig. 18):
- Als u de schakelaar op (ZOMER) heeft gezet zal de ketel op de sanitaire waterstand functioneren.
- Als u de schakelaar op (WINTER) heeft gezet zal de ketel zowel op de sanitaire waterstand als op de verwarmingsstand functioneren. Het
inschakelen van de kamerthermostaat of de chronothermostaat zal ervoor zorgen dat de werking van de ketel gestopt wordt.
optimaal functioneert adviseren wij om de minimum bedrijfstemperatuur nooit lager dan 60°C in te stellen (fig. 20).
- Kan de temperatuur van het sanitaire water geregeld worden door aan de knop van de aquastaat te draaien (fig. 19).
- Kan de verwarmingstemperatuur geregeld worden door aan de knop van de aquastaat te draaien die een regelbereik heeft van 45 tot 85°C. De waarde van de door u ingestelde temperatuur kan op de thermometer gecontroleerd worden. Om ervoor te zorgen dat de ketel altijd
Fig. 19
Fig. 17
$$ \begin{array}{c c} & 4 0 \quad \text {BO} \ & 2 0 \quad 1 0 0 \ & 0 \quad 1 2 0 \end{array} $$
Fig. 18

Fig. 20
VEILIGHEIDSAQUASTAAT
Zodra de temperatuur boven de 100°C stijgt, schakelt de veiligheids-aquastaat, die een handmatige reset-functie heeft, in waardoor de brander onmiddellijk gedoofd wordt. Om de ketel weer in werking te stellen moet u het zwarte kapje eraf schroeven en moet u op het knopje dat zich daaron-der bevindt, drukken (fig. 21). Als dit vaak gebeurt moet u een erkende vak-man inschakelen om dit na te kijken.
DE BRANDER ONTGRENDELEN
Als er storingen in de ontsteking of in de werking optreden dan wordt de werking van de ketel geblokkeerd en dan zal het rode waarschuwingslampje op het bedieningspaneel gaan branden. Om de ketel opnieuw proberen aan te zetten moet u de ontgrendelknop van de brander ("RESET") indrukken totdat de vlam weer gaat branden [fig. 22]. Deze handeling kan maximaal 2 - 3 keer herhaald worden en indien deze pogingen niet slagen moet u een beroep doen op erkende vakmensen.
LET OP:
Controleer of er brandstof in de tank zit en of de kranen open staan. Telkens als de tank wordt gevuld, verdient het de aanbeveling om de werking van de ketel circa een uur lang te onderbreken.

Om de ketel uit te schakelen hoeft u slechts op de knop van de hoofdschakelaar te drukken [fig. 17]. Draai de brandstofkranen en de waterkraan van de verwarmingsinstallatie dicht als de ketel geruime tijd niet gebruikt wordt.
DE INSTALLATIE VULLEN
Controleer van tijd tot tijd of de hydrometer als de installatie koud is een drukwaarde tussen de 1 en de 1,2 bar uitwijst. Als de druk onder de 1 bar daalt dan moet de druk weer op het juiste niveau gebracht worden door de vulkraan tegen de wijzers van de klok in te draaien (naar links). Na afloop van deze
handeling moet u controleren of de kraan goed dicht gedraaid is (fig. 23). Als de druk boven de vastgestelde grenswaarde gestegen is moet u de overtollige druk afblazen door aan de ontluchter van een willekeurige radiator te draaien.
REINIGING EN ONDERHOUD
Na afloop van het verwarmingsseizoen moet de ketel absoluut gereinigd en gecontroleerd worden.
Het preventieve onderhoud en de controle van de werking van de toestellen en van de beveiligingssystemen moet na afloop van elk seizoen uitgevoerd worden en mag uitsluitend door erkende vakmensen verricht worden.

text_image
ONTGRENDEL - KNOP STTT TWO UNIT Fig. 22
text_image
2 3 0 4 SME OPENFig. 23