Murelle HE 35 R ErP - Ketel SIME - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Murelle HE 35 R ErP SIME in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Murelle HE 35 R ErP SIME
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Murelle HE 35 R ErP - SIME en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Murelle HE 35 R ErP van het merk SIME.
GEBRUIKSAANWIJZING Murelle HE 35 R ErP SIME
Het bedrijf verklaart dat de ketels Murelle HE 35 R ErP voldoen aan de fundamentele eisen van de volgende richtlijnen:
- Richtlijn Rendementseisen 92/42/EEG
- Gasvoorschriften 2016/426/EG
- Richtlijn Elektromagnetische compatibiliteit 2014/30/UE
– Richtlijn Lage spanning 2014/35/UE - Richtlijn Ecologisch ontwerp 2009/125/EG
- Voorschriften (UE) N. 813/2013 - 811/2013
- Voorschriften (UE) 2017/1369
CE
De firma Fonderie SIME SpA, gevestigd in Via Garbo 27, 37045 Legnago (VR) - Italië, verklaart dat haar gasketels model MURELLE HE 35 R ErP in overeenstemming zijn met het Reglement A.R. van 8 januari 2004 voor wat de NOx en CO emissiewaarden betreft. NOx: 150 mg/kWh, CO: 110 mg/kWh.
BELANGRIJK
Handelingen die vóór de installatie van de ketel verricht moeten worden:
- er wordt geadviseerd om de installatie schoon te maken alvorens over te gaan tot het installeren van de ketel, waarbij een specifiek schoonmaakmiddel voor verwarmingsinstallaties gebruikt moet worden. Dit geldt met name voor oude installaties om het bezinksel dat door corrosierestanten veroorzaakt is op doeltreffende wijze te verwijderen. Daartoe kan "CV Cleaner" van Alentra gebruikt worden, waarbij de aanwijzingen van de fabrikant aangehouden moeten worden.
Handelingen die gelijktijdig met de installatie van de ketel verricht moeten worden:
- na afloop van de installatie wordt geadviseerd om een remmend product aan het water van het primaire circuit toe te voegen om corrosie, vorming van afzettingen en microbiologische groei tegen te gaan. Daartoe kan "CV Protector" van Alentra gebruikt worden, waarbij de aanwijzingen van de fabrikant aangehouden moeten worden.
Op het moment dat de ketel voor de eerste keer in werking gesteld wordt verdient het aanbeveling om de volgende controles te verrichten:
- Nagaan of er zich geen ontvlambare vloeistoffen of materialen in de onmiddellijke nabijheid van de ketel bevin-den.
- Zich ervan verzekeren dat de elektrische aansluiting op de juiste wijze uitgevoerd is en dat de ketel op een deugdelijk geaard stopcontact aangesloten is.
- De gaskraan opendraaien en alle aansluitingen, inclusief die van de brander, op dichtheid controleren.
- Zich ervan verzekeren dat de ketel ingesteld is om op de beschikbare gassoort te functioneren.
- Controleren of de afvoerleiding van de verbrandingsproducten vrij is en/of op de juiste manier gemonteerd is.
- Zich ervan verzekeren dat eventuele afsluiters open zijn.
- Zich ervan verzekeren dat de installatie met water gevuld is en goed ontlucht is.
- Nagaan of de circulatiepomp niet geblokkeerd is.
- De lucht die in de gasleiding zit ontluchten door middel van de speciale ontluchter van de drukmeetaansluiting die op de inlaat van de gasklep gemonteerd is.
1 BESCHRIJVING VAN HET TOESTEL
1.1 INLEIDING
MURELLE HE 35 R ErP zijn voorgemengde brandersystemen met rookgascondensor die gebruik maken van de microprocessortechnologie voor de controle en het beheer van de uitgevoerde functies. De brede modulerende regeling van het thermisch vermogen (van 20% tot 100%) vermindert het aantal aan- en uitschakelcycli en biedt bij integratie door een systeem op zonnepanelen een uiterst comfortabele sanitaire watervoorziening.
Houd u voor een correcte installatie en een goede werking aan de instructies in deze handleiding.
OPMERKING: De eerste ontsteking moet worden uitgevoerd door bevoegd personeel.
1.2 AFMETINGEN (Afb. 1)

text_image
95 M 44 124 S3 G R 100 130 95
R Retourleiding installatie 3/4"
M Toevoerleiding installatie 3/4"
G Gastoevoer 3/4"
S3 Condensaatafvoer ∅ 25
CA Luchtafvoerbuis ∅ 80
CS Rookafvoerbuis ø 80
Afb. 1
| DESCRIZIONE U.M. MURELLE HE 35 R ErP | ||||
| G20 G25 G31 | ||||
| Thermisch vermogen Nominaal (80-60°C) (Pn max) | kW 33,8 | 27,7 33,8 | ||
| Thermisch vermogen Nominaal (50-30°C) (Pn max) | kW 37,2 | 30,4 37,2 | ||
| Thermisch vermogen Gereduceerd (80-60°C) (Pn min) | kW 3,2 2,6 | 5,5 | ||
| Thermisch vermogen Gereduceerd (50-30°C) (Pn min) | kW 3,7 3,0 | 6,4 | ||
| Branderbelasting verwarming (*) | ||||
| Nominaal (Qn max - Qnw max) | kW 34,8 | 28,5 34,8 | ||
| Gereduceerd (Qn min - Qnw min) | kW 3,48- | 6,0 2,8 3,48-6,0 | ||
| Nuttig rendement min./max. (80-60°C) | % 92,0/9 | 7,1 | ||
| Nuttig rendement min./max. (50-30°C) | % 106,3/ | 106,8 | ||
| Nuttig rendement 30% bij belasting | % 108,6 | |||
| Verlies bij stopzetting bij 50°C (EN 15502) | W 108 | |||
| Voedingsspanning | V-Hz 230/50 | |||
| Opgenomen elektrisch vermogen (Qn max ) | W 109 | |||
| Opgenomen elektrisch vermogen ( Qn min) | W | 64 | ||
| Geabsorbeerd elektrisch vermogen van de Pomp installatie | W 45 | |||
| Elektrische beschermklasse | IP | XD4 | ||
| Energie-efficiëntie | ||||
| Klasse seizoensgebonden energie-efficiëntie verwarming | A | |||
| Seizoensgebonden energie-efficiëntie verwarming | % | 93 | ||
| Geluidsvermogen verwarming | dB (A) | 56 | ||
| Afstelrange CV | °C | 20/80 | ||
| Inhoud water in ketel | l | 2,65 | ||
| Max. bedrijfsdruk (PMS) | bar (kPa) | 3,5 (343) | ||
| Max. bedrijfstemperatuur (T max) | °C | 85 | ||
| Capaciteit/Druk expansievat CV | l/bar (kPa) -- | |||
| Rooktemperatuur bij max. debiet (80-60°C) | °C | 70 | ||
| Rooktemperatuur bij min. debiet (80-60°C) | °C | 60 | ||
| Rooktemperatuur bij max. debiet (50-30°C) | °C | 40 | ||
| TRooktemperatuur bij min. debiet (50-30°C) | °C | 33 | ||
| Min./max. rookdebiet | g/s 1,67/16,39 | |||
| CO2 bij min./max. debiet | % | 8,4/9,3 | 8,4/9,3 | 10,0/10,2 |
| NOx afgemeten (EN 15502-1:2015) | mg/kWh | 21 | ||
| Rookgas lekt met brander aan | % | 1,8 | ||
| Kamer lekt met brander aan | % | 0,2 | ||
| PIN-n° | 1312CM5630 | |||
| Categorie | II2H3P | |||
| Categorie in FRANKRIJK/BELGIË | II2Er3P/I2E(S)B | |||
| Type | C13-C33-C43-C53-C83-B23P-B53P (seulement en FRANCE) | |||
| Klasse NOx (EN 15502-1:2015) | 6 (< 56 mg/kWh) | |||
| Gewicht ketel | kg | 32 | ||
| Sproeiers hoofdgas | ||||
| Aantal sproeiers | n° | 2 | ||
| Diameter sproeiers | ø | 3,5-4,0 | 3,5-4,0 | 2,8-3,0 |
| Max. verbruik bij belasting | m3/h | 3,68 3,68 | 2,7 | |
| Min. verbruik bij belasting | m3/h | 0,39 0,39 0,46 | ||
| Gastoevoerdruk | mbar (kPa) | 20 (1,96) | 25 (2,45) | 37 (3,63) |
| (*) Thermisch vermogen berekend aan de hand van het laag verwarmingsvermogen (HLV) | ||||
1 Ventilator
2 Primaire warmtewisselaar
4 Sonde toevoerleiding CV (SM)
5 Gasklep
6 Veiligheidsthermostaat 100°C
7 Aqua Guard Filter System
10 Pomp installatie hoge efficiëntie
11 Sonde retourleiding CV [SR]
13 Sifon condensafvoer
14 Veiligheidsklep installatie 3,5 bar
15 Transductor waterdruk
16 Aftapkraan ketel
17 Primaire warmtewisselaar
KOPPELINGEN
R Retourleiding installatie
M Toevoerleiding installatie
G Gastoevoer
S3 Condensaatafvoer
Afb. 2
1.5 VOORNAAMSTE ONDERDELEN (Afb. 3)

text_image
8 7 6 5 4 3 2 1 9 10 12 11 13 14LEGENDE
1 Bedieningspaneel
2 Aqua Guard Filter System
3 Sifon condensafvoer
4 Sonde toevoerleiding CV (SM)
5 Veiligheidsthermostaat
6 Ontstekingselektrode
7 Primaire warmtewisselaar
8 Thermostaat limiet
9 Rooksonde [SF]
10 Elektrode voor meting
11 Ventilator
12 Sonde retourleiding CV [SR]
13 Veiligheidsklep installatie 3,5 bar
14 Pomp installatie hoge efficiëntie
Afb. 3
De installatie moet als vast beschouwd worden en mag uitsluitend door gespecialiseerde en deskundige bedrijven tot stand gebracht worden in overeenstemming met de aanwijzingen en de bepalingen die in deze handleiding opgenomen zijn.
Bovendien moeten de normen en de reglementen die op dit moment van kracht zijn in acht genomen worden.
WAARSCHUWING: Voordat u het apparaat installeert, MOET de installateur ervoor zorgen dat de muur het gewicht kan dragen.
2.1 INSTALLATIE
2.1.1 Afzonderlijke ketel (Afb. 4)
- In de lokalen waarin ketels van het "type B" zijn geïnstalleerd, moet er voldoende lucht worden aangevoerd voor een normale verbranding van het gas dat door het toestel wordt gebruikt. Hiertoe moet men in de buitenmuren vrije openingen maken die niet kunnen worden gedicht, van minstens 6 cm² voor iedere kW geïnstalleerd thermisch vermogen, met minimum 100 cm².
- De toestellen van het "type C", waarvan de verbrandingskamer en het circuit voor luchtaanvoer hermetisch zijn ten opzichte van de omgeving, kunnen in alle huiselijke omgevingen worden geïnstalleerd.
- De ketels van het "type B en C" zijn geschikt vor werking in gedeeltelijk beschermde ruimtes volgens EN 15502, met maximale omgevingstemperatuur van 60°C en minimaal -5°C. Het is aanbevolen om de ketels onder een afdak, op een balkon of in een beschutte nis te installeren, maar wel steeds niet rechtstreeks blootgesteld aan de inwerking van weersinvloeden (regen, hagel, sneeuw). De ketels zijn standaard met een antivriesfunctie uitgerust.
Voor de afzonderlijke werking is op aanvraag een compensatiekit Art. nr. 8101557 beschikbaar. De kit is voorzien voor toepassing van een accumulatieboiler met een capaciteit van 80 liter of meer.
2.1.2 Cascade-opstelling van ketels (Afb. 4/a)
Voor cascade-opstellingen die gebruik maken van een rookafvoerbuis in polypropyleen met terugslagklep moeten voor elke afzonderlijke ketel de volgende "Parameters voor de installateur" worden ingesteld:
- PAR 1 = 4 (voor een gasketel op METHAAN G20-G25).
- PAR 1 = 12 [voor een gasketel op PROPAAN G31]
Voor toegang tot de sectie PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR, zie puntje 3.3.
OPGEPAST: Bij installaties in sequentie/cascade is het verplicht de verwarmingsinstallatie met hydraulische scheider en veiligheidsorganen uit te rusten.
De ketel is uitgerust met een RS-485 kaart voor beheer van cascades tot 8 ketels. De kaart ligt op de achterkant van het bedieningspaneel.
Werkmodus CASCADE (Afb. 4/b)
Zorg voor de onderlinge elektrische aan-sluiting van alle ketels die deel uitmaken van de modulaire thermische centrale met cascade-opstelling en stel op elke afzonderlijke ketel de parameter voor de installateur PAR 15 in, zoals aangeduid in afb. 4/b.
MODBUS modi
Het is mogelijk om elke individuele ketel in MODBUS-modus aan te sluiten met behulp van de kit cod. 8092278

| M | Toevoerleiding installatie | 2" |
| R | Retourleiding installatie | 2" |
| M2 | Toevoerleiding boiler | 3/4" |
| R3 | Retourleiding boiler | 3/4" |
Afzonderlijke installatie met optionele kit Art. nr. 8101557
OPGELET:
- De thermische installatie moet verplicht uitgerust worden met hydraulische compensator.
- Bij vervanging van één of meerdere ketels in reeds bestaande opstellingen raden wij aan een plaatwarmtewisselaar te installeren voor isolatie van het ketelcircuit van de secundaire circuits. Raadpleeg de drukcurve voor de toevoerleiding van de ketel in afb. 14.

OPGELET: De fabrikant is niet aansprakelijk voor eventuele schade die veroorzaakt wordt als het toestel niet geaard is en wanneer de elektrische schema's niet gevolgd worden
OPGELET: De externe temperatuursensor "SE" DIENT VERPLICHT aangesloten worden op de verwarmingsketel MASTER
OPGELET: De toevoersensor cascade "SMC" MOET aangesloten zijn op de verwarmingsketel SLAVE 1
Afb. 4/b
2.1.3 Weergave en instelling parameters van de cascade
De weergave en de instelling van de parameters van de verwarmingsketels Sime Murelle HE in cascade zijn dezelfde die gelden voor de afzonderlijke verwarmingsketels (zie de paragrafen "Weergave en instelling parameters" en "Parameterlijst").
WAARSCHUWING: Voor een correcte werking van de cascade is het verplicht om de externe temperatuursensor (SE) te installeren
2.1.4 Adressering verwarmingsketels in cascade
WAARSCHUWING: Voor u de parameter "PAR 15" (Toewijzing cascade-adres) wijzigt, moeten de verwarmingsketels die deel uitmaken van de cascade geactiveerd worden in de WINTER-modus.
Het is van fundamenteel belang dat de parameter "PAR 15" in elke verwarmingsketel die deel uitmaakt van de cascade ingesteld is als volgt:
- "0" om de verwarmingsketel MASTER te identificeren
- "1" om de verwarmingsketel SLAVE nr. 1 te identificeren
- "2" om de verwarmingsketel SLAVE nr. 2 te identificeren
- "3" om de verwarmingsketel SLAVE nr. 3 te identificeren
- "4" om de verwarmingsketel SLAVE nr. 4 te identificeren
- "5" om de verwarmingsketel SLAVE nr. 5 te identificeren
- "6" om de verwarmingsketel SLAVE nr. 6 te identificeren
- "7" pom de verwarmingsketel SLAVE nr. 7 te identificeren
NOTA: Gelieve de verwarmingsketels SLAVE niet met hetzelfde nummer te benoemen.
2.1.5 CASCADE parameters voor de verwarmingsketel MASTE
Nadat u PAR 15 van de verwarmingsketel MASTER heeft ingesteld, als het aantal verwarmingsketels in cascade groter is dan twee, dient u op de verwarmingsketel MASTER de parameters CASCADE te openen (geïdentificeerd met de aanduiding PAR A ... vermeld in de tabel) en de parameter PAR A1 te configureren.
Om toegang te krijgen tot de parameters CASCADE:
- druk tegelijkertijd op de toetsen L en M (\~ 2s) totdat op het parametermenu verschijnt
- druk tegelijkertijd een tweede keer op de toetsen L en M (\~ 2s) totdat op het display de aanduiding “--” verschijnt
- om toegang te krijgen tot de parameters CASCADE dien u de volgende toetsencombinatie in te drukken: Z N L M L.
- om de parameters te doorbladeren, druk op de toetsen L en M
- om de instelling van de parameter te wijzigen, druk op de toetsen Z en N
- om het menu te verlaten en terug te keren naar het startscherm, druk op een van de functietoetsen, uitgezonderd RESET, of wacht ongeveer 60 seconden zonder een toets in te drukken.
2.1.6 Codes storingen / defecten
Elke verwarmingsketel van de cascade bestuurt zijn eigen storingen zoals beschreven in paragraaf "ed124d1f-4d39-4226-9dff-7ed1eaf282e2Codes storingen / defecten".
De storingen die de blokkering van een bepaalde verwarmingsketel veroorzaken worden hersteld door op de knop RESET van de desbetreffende verwarmingsketel te drukken.
Een eventuele blokkering van de verwarmingsketel MASTER wordt hersteld met behulp van de toets RESET of via de externe inrichting.
Voor de verwarmingsketels MASTER en SLAVE nr. 1 kunnen er zich specifieke storingen voordoen die vermeld zijn in de tabel:
| Type N° | Beschrijving |
| ALL 31 | |
| ALL 35 | |
| ALL 36 | |
| ALL 70 | |
| ALL 71 |
CASCADE parameters voor de verwarmingsketel MASTE
| Type | N° | Beschrijving | Bereik | Eenheid | Stap | Standaard |
| PAR A0 | Strategiekeuze cascade | 0 = set vast1 = set dynamisch | - | 0 | ||
| PAR A1 | Aantal geinstalleerde verwarmingsketels | 0......8 1 2 | ||||
| PAR A2 | Reset uren werking verwarmingsketels van de cascade | -- / 1 | - | -- | ||
| PAR A3 | Inschakelingsdrempel volgende verwarmingsketel | 45 ......90 | % | 1 | 70 | |
| PAR A4 | Uitschakelingsdrempel laatste ingeschakelde verwarmingsketel | 10 ......40 | % | 1 | 30 | |
| PAR A5 | Time-out wegens het bereiken van de inschakelingsdrempel (tijd voor de controle van de PAR A3) | 10 ......240 | Sec | 1 | 120 | |
| PAR A6 | Time-out wegens het bereiken van de uitschakelingsdrempel (tijd voor de controle van de PAR A4) | 10 ......240 | Sec | 1 | 180 | |
| PAR A7 | Vereiste offset setpoint van de verwarmingsketels voor het verzoek tot verwarming [alleen voor PAR A0 = 0 - set vast] | 0......10 | °C | - 0 |
2.1.7 Antivriesfunctie
De ketels zijn standaard voorzien van een antivriesfunctie die de pomp en de brander in werking stelt, als de temperatuur van het water in het apparaat onder de 6°C daalt. De antivriesfunctie is echter alleen gegarandeerd als:
- de ketel correct op het gas- en elektrici- teitsnet is aangesloten;
- de ketel constant gevoed wordt;
- de ketel niet geblokkeerd is, omdat de ontsteking niet heeft plaatsgevonden;
- de belangrijkste onderdelen van de ketel niet defect zijn. Onder deze omstandigheden wordt de ketel tegen vorst beschermd tot een omgevingstemperatuur van -5°C.
LET OP: als de ketel op een plaats is geinstalleerd waar de temperatuur onder de 0°C daalt, moeten de verbindingsleidingen worden beschermd.
2.2 AANSLUITING VAN DE INSTALLATIE
Om de verwarmingsinstallatie tegen schadelijke corrosie, ketelsteen of kalkafzetting te beschermen is het van het grootste belang om de installatie nadat het toestel geinstalleerd is schoon te spoelen in overeenstemming met de norm waarbij geschikte producten gebruikt moeten worden zoals bijvoorbeeld Sentinel X300 (nieuwe installations), X400 en X800 (oude installations) of Fernox Cleaner F3. Volledige aanwijzingen worden bij de producten verstrekt maar voor meer informatie is het mogelijk om rechtstreeks contact op te nemen met de firma (SENTINEL PERFORMANCE SOLUTIONS LTD of FERNOX COOKSON ELECTRONICS).
Na het schoonspoelen van de installatie wordt om de installatie ook op de lange termijn tegen corrosie en afzetting te beschermen het gebruik van inhibitoren zoals Sentinel X100 of Fernox Protector F1 geadviseerd. Het is belangrijk om na elke verandering aan de installatie en na elke onderhoudsinspectie de concentratie van de inhibitor volgens de voorschriften van de fabrikanten te controleren (bij de verkopers zijn speciale tests verkrijgbaar).
De afvoer van de veiligheidsklep moet op een verzameltrechter aangesloten worden om de eventuele afvoerstroom te geleiden indien de klep inschakelt. Als de verwarmingsinstallatie op een hogere verdieping dan de ketel geplaatst is, moeten de afsluitkranen zijn op de toevoer-en retourleiding van de installatie gemonteerd worden.
LET OP: Als de verwarmingsinstallatie niet schoongespoeld wordt en er geen geschikte inhibitor aan toegevoegd wordt dan wordt de garantie van het apparaat ongeldig.
De gasaansluiting moet uitgevoerd worden volgens het landelijke reglement NBN D 51.003/NBN D 61.002/NBN D 61.001. Bij het bepalen van de afmetingen van de gasleidingen, van de meter naar de ketel, moet er zowel rekening gehouden worden met het debiet in volume (verbruik) in m³/h als met de betreffende dichtheid van het in aanmerking genomen gas.
De doorsneden van de leidingen waar de installatie uit bestaat moeten zodanig zijn dat er voldoende gas toegevoerd wordt om aan de maximale vraag te voldoen en om het drukverlies tussen de meter en ongeacht welk gebruikstoestel te beperken tot max.:
- 1,0 mbar voor de gassen van de tweede familie (G20-G25)
- 2,0 mbar voor de gassen van de derde familie (G31).
In de mantel is een zelfklevend plaatje aangebracht waar de technische gegevens op vermeld staan en de gassoort waar de ketel op ingesteld is.
2.2.1 Aansluiting van de condensaatafvoer
Om het condensaat op te vangen moet de lekbak, die van een hevel voorzien is, op de afvoer in de woning aangesloten worden waarbij een pijp gebruikt moet worden met een minimum afschot van 5 mm per meter. Alleen plastic pijpen voor normale woningafvoeren zijn geschikt om het condensaat naar de afvoer in de woning te leiden.
2.2.2 Filter op de gasleiding
De gasklep die toegepast wordt is standaard voorzien van een inlaatfilter dat echter niet in staat is om al het vuil dat het gas bevat en dat in de leidingen van het net zit tegen te houden. Om te voorkomen dat de klep niet goed functioneert of in sommige gevallen zelfs de beveiliging waar de klep mee uitgerust is uitgeschakeld wordt verdient het aanbeveling om een geschikt filter op de gasleiding te monteren.
2.3 VULLEN VAN DE INSTALLATIE
Als de installatie leeg is moet de vuldruk tussen de 1-1,5 bar variëren.
Het vullen moet langzaam gebeuren, zodat luchtbellen via de speciale ontluchtingen kunnen ontsnappen.
2.3.1 Het systeem leegmaken (Afb. 5)
Om het systeem leeg te maken, moet men de ketel uitschakelen en de afvoer van de ketel (7) bedienen.
4 Transductor druk [TPA]
6 Pomp installatie hoge efficiëntie (PI)
7 Aftapkraan ketel
8 Veiligheidsklep installatie 3,5 bar
Afb. 5
B23P/B53P (B53P ALLEEN MAAR IN FRANKRIJK) (Afb. 6)
Raadpleeg Afb. 6 voor de uitvoering van deze afvoerconfiguratie. Bij de ketel wordt een rubberen pakking ø 80 geleverd, te gebruiken zoals in de afbeelding aangegeven.
De maximumlengte van de volledige afvoerbuis met ø 80 wordt bepaald door het drukverlies op de afzonderlijke accessoires, dat maximaal 15 mm H2O mag bedragen.
(OPGEPAST: De volledige uitwerking van de buis mag in ieder geval niet meer dan 25 m overschrijden, ook als het totale laadverlies lager blijkt dan het maximum dat van toepassing is).
De afvoerbuis kan op bestaande rookkanalen worden aangesloten.
Wanneer de ketel op lage temperatuur werkt, is het mogelijk om de normale rookkanalen onder de volgende condities te gebruiken:
- Het rookkanaal mag niet gebruikt worden door andere ketels.
- De binnenkant van het rookkanaal moet beschermd zijn tegen rechtstreeks contact met het condenswater van de ketel. Verbrandingsproducten moeten afgevoerd worden via een flexibele leiding of rigide plastic buizen met diameter van circa 100-150 mm. Condenswater moet via een sifon afgevoerd worden langs de
onderkant van de buis. De nuttige hoogte van de sifon moet minstens 150 mm bedragen.
Raadpleeg Tabel 1 voor ladingverlies van de accessoires.
2.5 INSTALLATIE GESCHEIDEN LEIDINGEN TYPE C (ø 80)
Dit type afvoer wordt uitgevoerd met accessoires ø 80 in polypropyleen zonder gebruik van een pakking of dichtingsmiddel bij installaties van het type C.
De totale maximale lengte, verkregen door de lengten van de aanzuigleiding en afvoerleiding op te tellen, wordt bepaald door het laadverlies van de afzonderlijk aangebrachte accessoires en mag niet meer dan 15 mm H2O bedragen (OPGEAPST: De volledige uitwerking per afzonderlijke buis mag in ieder geval niet meer dan 25 m overschrijden, ook als het totale laadverlies lager blijkt dan het maximum dat van toepassing is).
Raadpleeg Tabel 2 voor het laadverlies van de accessoires en het voorbeeld van Afb. 6/a voor de berekening van het laadverlies.
De schema's van Afb. 6/b illustreren enkele voorbeelden van verschillende toegelaten wijzen voor afvoer.
2.5.2 Aansluiting op bestaande rookkanalen
De afvoerbuis ø 80 kan ook op bestaande rookkanalen worden aangesloten. Wanneer de ketel op lage temperatuur werkt, is het mogelijk om de normale rookkanalen onder de volgende condities te gebruiken:
- Het rookkanaal mag niet gebruikt worden door andere ketels.
- De binnenkant van het rookkanaal moet beschermd zijn tegen rechtstreeks contact met het condenswater van de ketel. Verbrandingsproducten moeten afgevoerd worden via een flexibele leiding of rigide plastic buizen met diameter van circa 100-150 mm. Condenswater moet via een sifon afgevoerd worden langs de onderkant van de buis. De nuttige hoogte van de sifon moet minstens 150 mm bedragen.

text_image
min. 700 4 3 2 6 5 11 8 7 2 8TABEL 1
| Accessoires ø 80 Drukverlies | |
| [mm H | 20) |
Bocht in polypropyleen over 90° MF 0,40
Bocht in polypropyleen over 45° MF 0,25
Verlengstuk in polypropyleen L1000 (horizontaal) 0,25
Verlengstuk in polypropyleen L1000 (verticaal) 0,25
Uitgang voor afvoer via de muur 0,50
Eindstuk voor dak L. 1381 0,20
Adapter ø 60/80 ---
OPGELET:
Voor de aansluiting van de accessoires raden wij aan de binnenkant van de pakkingen te smeren met smeermiddelen op siliconenbasis. Vermijd het gebruik van oliën en vetten in het algemeen.
LEGENDE
1 Bocht in polypropyleen over 90° MF (6 st.) Art. nr. 8077450
2a Verlengstuk in polypropyleen L. 1000 (6 st.) Art. nr. 8077351
2b Verlengstuk in polypropyleen L. 500 (6 st.) Art. nr. 8077350
3 Gelede daktegel Art. nr. 8091300
4 Eindstuk voor dak L. 1381 Art. nr. 8091204
5 Verlengstuk in polypropyleen L. 250 met aansluiting Art. nr. 6296513
6 Bochtstuk in polypropyleen 45° MF (6 st.) Art. nr. 8077451
7 Eindstuk voor afvoer Art. nr. 8089501
8 Kit interne-externe ringmoeren Art. nr. 8091500
11 Rubber pakking met ø 80 (bijgeleverd)
Afb. 6
TABEL 2
| Accessoires ø 80 Drukverlies (35 ErP) | mm H2O | |||
| Toevoer Afvoer | ||||
| Kit met afzonderlijke leidingen | - - | |||
| Bocht 90° MF | 0,30 0,40 | |||
| Bocht 45° MF | 0,25 0,25 | |||
| Verlengstuk L. 1000 (horizontaal) | 0,25 0,25 | |||
| Verlengstuk L. 1000 (verticaal) | 0,25 0,25 | |||
| Eindstuk wanddoorvoer | 0,15 0,50 | |||
| Coaxiale aflaat aan de wand * | ||||
| Eindstuk dakdoorvoer * | 1,50 0,20 | |||
* De verliezen van de toebehoren omvatten de collector Art. nr. 8091400/01
Rekenvoorbeeld van een toelaatbare installatie bij model "35 ErP" aangezien de drukverliezen van de afzonderlijke accessoires ø 80 die geplaatst zijn bij elkaar opgeteld minder bedragen dan 15 mm H2O:
| Toevoer | Afvoer | |||
| 9 meter lange horizontale pijp ø 80 x 0,25 | 2,25 | - | ||
| 9 meter lange horizontale pijp ø 80 x 0,25 | - | 2,25 | ||
| n° 2 bochten 90° ø 80 x 0,30 | 0,60 | - | ||
| n° 2 bochten 90° ø 80 x 0,40 | - | 0,80 | ||
| n° 1 eindstuk ø 80 | 0,15 | 0,50 | ||
| Totaal drukverlies | 3,00 | + | 3,55 | = 6,55 mm H2O |

text_image
C43 1 2 3a 3b 4 5 6 7 9 10 11 12 13 14 C33 C53 3 2 3 3 6 max 0,5 m max 0,5 m C83 C13 C13 NB ge me te gel1
2 Bocht van 90° MF Art. nr. 8077450 (6 stuks)
3a Verlengstuk L. 1000 Art, nr. 8077351 (6 stuks)
3b Verlengstuk L. 500 Art. nr. 8077350 (6 stuks)
4 Afvoereindstuk Art. nr. 8089501
5 Set int.-ext. ringen Art. nr. 8091500
6 Inlaateindstuk Art. nr. 8089500
7 Bocht van 45° MF art. nr. 8077451 (6 stuks)
9 Collector Art. nr. 8091400
10 Doorvoerpan Art. nr. 8091300
11 Eindstuk dakdoorvoer L. 1381 Art. nr. 8091204
12
13 Verbinding afzuiging/aflaat Art. nr. 8091401
14 Coaxiale aflaat ø 80/125 L. 885 Art. nr. 8091210
OPGELET: Voor de modellen C53 mogen de afvoer- en aanzuigleidingen niet uitmonden op wanden die tegenover elkaar liggen.
NB: Bij het aanbrengen van de accessoires wordt geadviseerd om de binnenzijde van de afdichtingen met producten met bestanddelen op siliconenbasis te smeren en geen olie en vet in het algemeen te gebruiken.
Afb. 6/b
2.6 PLAATSING VAN DE AFVOEREINDSTUKKEN
De afvoereindstukken van de toestellen met geforceerde trek kunnen geplaatst worden zoals bepaald door de normen NBN D 51.003 en NBN B 61.002.
De ketel wordt geleverd met een elektrische voedingskabel die, als deze aan vervanging toe is, bij SIME besteld moet worden. Voor de voeding is éénfasige spanning van 230V-50Hz nodig via een hoofdschakelaar die beschermd moet worden door zekeringen en die een contactafstand van minimaal 3 mm moet hebben.
De polen L-N en de aardingsaansluiting moeten aangehouden worden.
OPMERKING: De ketel moet in elk geval aangesloten worden op een stopcontact met aarding; gebeurt dit niet, dan wijst SIME elke aansprakelijkheid voor schade of lichamelijk letsel van de hand.
2.7.1 Aansluiting chronothermostaat
Verwijder de bestaande brug en sluit daarna de chronothermostaat aan zoals aangegeven in het elektrische schema van de ketel (zie Afb. 11).
De chronothermostaat die men moet gebruiken moet klasse II zijn, in overeenstemming met de norm EN 60730.1 (potentiaalvrij elektrisch contact).
2.7.2 Aansluiting afstandsbediening SIME HOME (accessoire op aanvraag)
De ketel is voorzien voor aansluiting op een afstandsbediening die op aanvraag wordt geleverd [Art. nr. 8092280/81].
Met de afstandsbediening SIME HOME kan men de gebruikersbedieningen van de ketel op afstand gaan beheren. Wanneer het display van de ketel op de afstandsbediening is aangesloten, verschijnt het volgende bericht:
2.7.3 Aansluiting EXTERNE SONDE (accessoire op aanvraag)
De ketel is voorzien voor aansluiting op een sonde voor de buitentemperatuur, die op aanvraag wordt geleverd (Art. nr. 8094101), waarmee autonoom de temperatuurwaarde van de aanvoer van de ketel kan worden geregeld in functie van de buitentemperatuur.
Volg de instructies in de verpakking voor de montage.
Men kan correcties uitvoeren op de waarden die door de sonde worden gemeten met behulp van PAR 11.

Volg de instructies in de verpakking voor de montage en het gebruik van de afstandbediening.
2.7.4 Combinatie met verschillende elektronische systemen
Hieronder volgen enkele voorbeelden van installaties en de combinaties met verschillende elektronische systemen. Waar nodig zijn de in de ketel in te stellen parameters vermeld. De elektrische aansluitingen op de ketel worden aangeduid met de afkortingen in de schema's (afbeeldingen 11). Het commando zone-ventiel wordt bij iedere aanvraag voor verwarming van zone 1 aangeschakeld (zowel vanwege TA1 als CR).
Beschrijving van de afkortingen van de onderde- len in de installatieschema's 1 tot 14:
M Toevoerleiding installatie
R Retourleiding installatie
CR Afstandsbediening SIME HOME
SE Buitentemperatuurvoeler
TA 1-2-3-4 Omgevingsthermostaat van de zone
CT 1-2 Zonechronothermostaat
VZ 1-2 Zoneklep
RL 1-2-3-4 Zonerelais
SI Evenwichtsfles
P 1-2-3-4 Zonepomp
SB Boilervoeler
PB Pomp boiler
IP Installatie vloer
EXP Uitbreidingskaart ZONA MIX Art. nr. 8092234/INSOL Art. nr. 8092235
VM 3- Weg mengventiel
1 BASISINSTALLATIE INSTALLATIE MET EEN DIRECTE ZONE EN OMGEVINGSTHERMOSTAAT, OF MET AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN BUITENVOELER (Art. nr. 8094101)

text_image
CR SE TA CR SE TA1 M R → ←2 BASISINSTALLATIE
MULTIZONE-INSTALLATIE MET AFSLUITERS, OMGEVINGSTHERMOSTAAT EN BUITENVOELER (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
SE["SE"] -->|SE| M["M"]
M --> R["R"]
R --> TA1["TA"]
R --> TA2["TA"]
R --> TA3["TA"]
TA1 --> VZ["VZ"]
TA2 --> VZ1["VZ1"]
TA3 --> VZ2["VZ2"]
VZ --> Z1["Z↓"]
VZ1 --> Z2["Z↓"]
VZ2 --> Z3["Z↓"]
style SE fill:#f9f,stroke:#333
style M fill:#ccf,stroke:#333
style TA1 fill:#cfc,stroke:#333
style TA2 fill:#cfc,stroke:#333
style TA3 fill:#cfc,stroke:#333
style VZ fill:#fcc,stroke:#333
style VZ1 fill:#fcc,stroke:#333
style VZ2 fill:#fcc,stroke:#333
3 BASISINSTALLATIE
MULTIZONE-INSTALLATIE MET POMPEN, OMGEVINGSTHERMOSTAAT EN BUITENVOELER (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
SE["SE"] --> M["M"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
S1["SI"] --> TA1["TA1"]
S1 --> SE2["SE"]
TA1 --> RL1["RL"]
RL1 --> TA2["TA"]
TA2 --> RL2["RL2"]
RL2 --> TA3["TA"]
P["P"] --> Z1["Z↓"]
P1["P1"] --> Z2["Z↓"]
P2["P2"] --> Z3["Z↓"]
style SE fill:#f9f,stroke:#333
style M fill:#ccf,stroke:#333
style R fill:#cfc,stroke:#333
style SI fill:#fcc,stroke:#333
style TA1 fill:#fff,stroke:#000
style TA2 fill:#fff,stroke:#000
style RL1 fill:#fff,stroke:#000
style RL2 fill:#fff,stroke:#000
style TA3 fill:#fff,stroke:#000
style P fill:#fff,stroke:#000
style P1 fill:#fff,stroke:#000
style P2 fill:#fff,stroke:#000
4 BASISINSTALLATIE
MULTIZONE-INSTALLATIE MET AFSLUITERS, OMGEVINGSTHERMOSTAAT, AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN BUITENVOELER (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["CR"] --> B["SE"]
B --> C["M"]
C --> D["R"]
D --> E["VZ"]
E --> F["Z"]
F --> G["VZ1"]
G --> H["Z"]
H --> I["VZ2"]
I --> J["Z"]
J --> K["VZ2"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#ffc,stroke:#333
style F fill:#cfc,stroke:#333
style G fill:#cfc,stroke:#333
style H fill:#cfc,stroke:#333
style I fill:#cfc,stroke:#333
style J fill:#cfc,stroke:#333
style K fill:#cfc,stroke:#333
PARAMETERINSTELLINGEN
Om de afstandsbediening SIME HOME [CR] als afstandsbedieningspaneel van de ketel te gebruiken en niet als omgevingsreferentie moet u het volgende instellen:
PAR 7 = 0
5 BASISINSTALLATIE
MULTIZONE-INSTALLATIE MET AFSLUITERS, OMGEVINGSTHERMOSTAAT, AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN BUITENVOELER (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["CR"] --> B["SE"]
B --> C["M"]
C --> D["R"]
D --> E["TA"]
E --> F["VZ"]
E --> G["VZ1"]
E --> H["VZ2"]
F --> I["Ground"]
G --> J["Ground"]
H --> K["Ground"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#ffc,stroke:#333
style H fill:#ffc,stroke:#333
style I fill:#cfc,stroke:#333
style J fill:#cfc,stroke:#333
style K fill:#cfc,stroke:#333
INSTELLINGEN PARAMETERS
In geval van gebruik van de afstandsbediening SIME HOME (CR) als omgevingsreferentie voor een zone moet u het volgende instellen: PAR 7 = 1
Stel de openingsduur van de zoneklep VZ in:
In geval van gebruik van de afstandsbediening SIME HOME (CR) als omgevingsreferentie voor een zone moet u het volgende instellen:
PAR 7 = 1
7 INSTALLATIE MET DUBBELE AANVOERTEMPERATUUR
MULTIZONE-INSTALLATIE MET AFSLUITERS, CHRONOTHERMOSTATEN EN BUITENVOELER (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["SE"] --> B["M"]
B --> C["R"]
C --> D["CT1"]
C --> E["CT2"]
D --> F["VZ1"]
E --> G["VZ2"]
F --> H["DAGZONE (70°C)"]
G --> I["NACHTZONE (50°C)"]
- stel bij een buitenvoeler de klimaatcurve van de dagzone 1 in met de PAR 25 en van de nachtzone 2 met de PAR 26,
- ga zonder buitenvoeler met een druk op de toets 📋 naar de instelling van de dagzone 1 en wijzig de waarde met de toetsen 🕐 en - . Ga naar de instelling van de nachtzone 2 door tweemaal op de toets 📋 te drukken en wijzig de waarde met de toetsen 🕐 en - .
8 INSTALLATIE MET DUBBELE AANVOERTEMPERATUUR
MULTIZONE-INSTALLATIE MET POMPEN, CHRONOTHERMOSTATEN EN BUITENVOELER (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
SE["SE"] --> M["M"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
SI --> DAGZONE["DAGZONE (70°C)"]
DAGZONE --> P1["P1"]
DAGZONE --> P2["P2"]
P1 --> ZONA["NACHTZONE[ZONA (50°C)"]
P2 --> ZONA["NACHTZONE"]
CT1["CT1"] --> RL1["RL1"]
CT2["CT2"] --> RL2["RL2"]
RL1 --> RL2
RL2 --> RL1
style SE fill:#f9f,stroke:#333
style M fill:#ccf,stroke:#333
style R fill:#cfc,stroke:#333
style SI fill:#fcc,stroke:#333
style DAGZONE fill:#ffc,stroke:#333
style ZONA[NACHTZONE fill:#ffc,stroke:#333
10 INSTALLATIE MET BOILER OP AFSTAND NA DE HYDRAULISCHE SCHEIDER

flowchart
graph TD
SE["SE"] --> TA1["TA1"]
TA1 --> M["M"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
SI --> PB["PB"]
PB --> SB["SB"]
SB --> BOILER["BOILER"]
BOILER --> P1["P1"]
BOILER --> P2["P2"]
TA1 --> RL1["RL1"]
TA1 --> RL2["RL2"]
RL1 --> TA2["TA"]
RL2 --> TA3["TA"]
P1 --> Z1["Z↓"]
P2 --> Z2["Z↓"]
Wanneer men de boiler aansluit, is het volgende noodzakelijk:
- configureer de parameter installateur PAR 2=3.
- sluit de boilerpomp (PB) elektrisch aan op de klemmen 18-20 van de connector CN9 op de kaart van de ketel.
- sluit de boilersonde L = 6 m (SB) elektrisch aan, afzonderlijk aan te vragen Art. nr. 6231332, op de klemmen 5-6 van de connector CN5 op de kaart van de ketel.
11 INSTALLATIE MET MENGVENTIEL
INSTALLATIE MET EEN DIRECTE ZONE EN EEN GEMENGDE ZONE

flowchart
graph TD
TA1["TA1"] --> M["M"]
TA2["TA2"] --> M
SE["SE"] --> M
EXP["EXP"] --> CR["CR"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
SI --> P1["P1"]
P1 --> VM["VM"]
VM --> IP["IP"]
IP --> Z1["Z↓"]
Z1 --> P2["P2"]
P2 --> RL2["RL2"]
RL2 --> TA2
style TA1 fill:#f9f,stroke:#333
style TA2 fill:#bbf,stroke:#333
style SE fill:#dfd,stroke:#333
style EXP fill:#dfd,stroke:#333
style CR fill:#dfd,stroke:#333
style M fill:#fff,stroke:#333
style R fill:#fff,stroke:#333
style SI fill:#fff,stroke:#333
style P1 fill:#fff,stroke:#333
style P2 fill:#fff,stroke:#333
style RL2 fill:#dfd,stroke:#333
style TA2 fill:#dfd,stroke:#333
style RP fill:#dfd,stroke:#333
style VD fill:#dfd,stroke:#333
style VD2 fill:#dfd,stroke:#333
style VD1 fill:#dfd,stroke:#333
PARAMETERINSTELLINGEN
Om de afstandsbediening SIME HOME (CR) als afstandsbedieningspaneel van de ketel te gebruiken en niet als omgevingsreferentie moet u het volgende instellen:
PAR 7 = 0
12 INSTALLATIE MET MENGVENTIEL
INSTALLATIE MET TWEE DIRECTE ZONES, EEN GEMENGDE ZONE, EEN KIT ZONAMIX (Art. nr. 8092275) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
SE["SE"] --> M["M"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
SI --> P2["P2"]
P2 --> VM["VM"]
VM --> IP1["IP"]
IP1 --> IP2["IP"]
IP2 --> P3["P3"]
P3 --> P4["P4"]
P4 --> Z1["Z↓"]
P3 --> Z2["Z↓"]
P4 --> Z3["Z↓"]
TA["TA"] --> TA1["TA1"]
TA --> TA2["TA2"]
TA --> TA3["TA3"]
TA --> TA4["TA4"]
TA --> RL3["RL3"]
TA --> RL4["RL4"]
TA --> RL5["RL5"]
TA --> RL6["RL6"]
TA --> RL7["RL7"]
TA --> RL8["RL8"]
13 INSTALLATIE MET MENGVENTIEL
INSTALLATIE MET TWEE ONAFHANKELIJKE GEMENGDE ZONES EN TWEE KITS GEMENGDE ZONE ZONA MIX (Art. nr. 88092275 EN 8092276) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["SE"] --> B["TA1"]
A --> C["TA2"]
B --> D["M"]
C --> E["TE"]
D --> F["R"]
E --> F
F --> G["SI"]
G --> H["VM"]
H --> I["P1"]
I --> J["IP"]
J --> K["Z"]
K --> L["VM"]
L --> M["P2"]
M --> N["IP"]
N --> O["Z"]
O --> P["VM"]
P --> Q["P1"]
Q --> R["IP"]
R --> S["Z"]
S --> T["VM"]
T --> U["P2"]
U --> V["IP"]
V --> W["Z"]
W --> X["VM"]
X --> Y["P2"]
Y --> Z["IP"]
Z --> AA["Z"]
AA --> AB["VM"]
AB --> AC["P2"]
AC --> AD["IP"]
AD --> AE["Z"]
AE --> AF["VM"]
AF --> AG["P2"]
AG --> AH["IP"]
AH --> AI["Z"]
14 SOLARINSTALLATIE
INSTALLATIE MET TWEE ONAFHANKELIJKE GEMENGDE ZONES, EEN DIRECTE ZONE, TWEE KITS ZONAMIX (Art. nr. 8092275 EN 8092276), EEN KIT INSOL (Art. nr. 8092277), AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["S1"] --> B["SE"]
B --> C["EXP (ZONNE-INSTALLATIE)"]
C --> D["SB"]
D --> E["MURElle HM T/HE T-R ErP"]
E --> F["CR"]
E --> G["TR"]
E --> H["TR"]
E --> I["TR"]
E --> J["TR"]
E --> K["TR"]
E --> L["TR"]
E --> M["TR"]
E --> N["TR"]
E --> O["TR"]
E --> P["TR"]
E --> Q["TR"]
E --> R["TR"]
E --> S["TR"]
E --> T["TR"]
E --> U["TR"]
E --> V["TR"]
E --> W["TR"]
E --> X["TR"]
E --> Y["TR"]
E --> Z["TR"]
E --> AA["TR"]
E --> AB["TR"]
E --> AC["TR"]
E --> AD["TR"]
E --> AE["TR"]
E --> AF["TR"]
E --> AG["TR"]
E --> AH["TR"]
E --> AI["TR"]
E --> AJ["TR"]
E --> AK["TR"]
E --> AL["TR"]
E --> AM["TR"]
E --> AN["TR"]
E --> AO["TR"]
E --> AP["TR"]
E --> AQ["TR"]
E --> AR["TR"]
E --> AS["TR"]
E --> AT["TR"]
E --> AU["TR"]
E --> AV["TR"]
E --> AW["TR"]
E --> AX["TR"]
E --> AY["TR"]
E --> AZ["TR"]
E --> BA["TR"]
E --> BB["TR"]
E --> BC["TR"]
E --> BD["TR"]
E --> BE["TR"]
E --> BF["TR"]
E --> BG["TR"]
E --> BH["TR"]
E --> BI["TR"]
E --> BJ["TR"]
E --> BK["TR"]
E --> BL["TR"]
E --> BM["TR"]
E --> BN["TR"]
E --> BO["TR"]
E --> BP["TR"]
E --> BQ["TR"]
E --> BR["TR"]
E --> BS["TR"]
E --> BT["TR"]
E --> BU["TR"]
E --> BV["TR"]
E --> BW["TR"]
E --> BX["TR"]
E --> BY["TR"]
E --> BZ["TR"]
E --> CA["TR"]
E --> CB["TR"]
E --> CC["TR"]
E --> CD["TR"]
E --> CE["TR"]
E --> CF["TR"]
E --> CG["TR"]
E --> CH["TR"]
E --> CI["TR"]
E --> CJ["TR"]
E --> CK["TR"]
E --> CR
E --> CS
E --> CT
E --> CU
E --> CV
E --> DW
E --> DX
E --> DXB
E --> DB
E --> DBX
E --> DBY
E --> DBZ
E --> DBX
E --> DBY
E --> DBZ
E --> DBX
E --> DBY
E --> DBZ
E --> DBX
E --> DBY
E --> DBZ
E --> DBX
E --> DBY
E --> DBZ
E --> DBX
E --> DBY
E --> DBZ
E --> DBX
E <-->|M| M
M <--> N
N <--> O
O <--> P
P <--> Q
Q <--> R
R <--> S
S <--> T
T <--> U
U <--> V
V <--> W
W <--> X
X <--> Y
Y <--> Z
Z <--> AA
AA <--> CX
CX <--> CY
CY <--> Z
Z <--> X
X <--> Y
Y <--> Z
Z <--> AA
AA <--> CX
CX <--> CY
CY <--> Z
Z <--> AA
AA <--> CX
CX <--> CY
CY <--> Z
Z <--> AA
AA <--> CX
CX <--> CY
CY <--> Z
Z <--> AA
AA <--> CX
CX <--> CY
CY <--> Z
Z <--> AA
2.8 SCHAKELSCHEMA UITVOERINGEN (Afb. 11)

text_image
TPA (5 VDC) 5V GND OUT VERDE-GREEN ROSSO-RED ARANCIO-ORANGE NERO-BLACK SR (5 VDC) NSO-RED ROSSO-RED SO (5 VDC) V BLU-BLUE NERO-BLACK VERDE-GREEN ROSSO-RED MARRONE-BROWN EV1-2 BLU-BLUE F1-2 CN1 CN2 CN3 CN4 CN5 CN6 JP1 SE (5 VDC) CR SB (5 VDC) TA1 (24 VRAC) TA2 (24 VRAC) 0 ... 10 VDC N 230 V 50 Hz BLU-BLUE MARRONE-BROWN CN13 72 69 CN12 68 64 CN9 20 18 CN7 69 CN14 17 72 11 ER EA TRA FLU-BLUE OP (24 VAC) BLU-BLUE RS-485 (24 VAC) X4 X5LEGENDE
F1-2 Zekering [4 AT]
TRA Ontstekingstransformator
PI Pomp installatie hoge efficiëntie
V Ventilator
TL Maximaalthermostaat
EA Ontstekingselektrode
ER Meetelektrode
EV1-2 Gasklepspoel
TS Veiligheidsthermostaat
SF Rookgasvoeler
TFU Warmtezekering
SM Sonde toevoerleiding CV
SR Sonde retourleiding CV
JP1 Selectie TA2 of 0-10 VDC
TPA Transductor druk
TA1 Omgevingsthermostaat zone 1
TA2 Omgevingsthermostaat zone 2
SB Boilersonde L. 2000 (optie)
CR Afstandsbediening
SIME HOME (optie)
SE Buitentemperatuurvoeler (optie)
OP Programmeerklok (optie)
AR Alarm op afstand
VZ Zoneklep
AUX Hulpaansluiting
RS-485 Kaart CASCADE/MODBUS
OPMERKING: sluit de TA1 op de klemmen 7-8
aan, nadat u de brug hebt verwijderd.
BESTELNUMMERS VAN DE
RESERVEONDERDELEN VAN
DE CONNECTORS:
CN1 Art. nr. 6319158
CN2 Art. nr. 6319144
CN3 Art. nr. 6319156
CN4 Art. nr. 6316203
CN5 Art. nr. 6316200
CN6 Art. nr. 6316202
CN7 Art. nr. 6316204
CN9 Art. nr. 6316201
CN10 Art. nr. 6319165
CN12 Art. nr. 6316280
CN13 Art. nr. 6319157
CN14 Art. nr. 6316213
CN18 Art. nr. 6319147
Voor de werking 0 ... 10VDC:
- Verwijder de brug JP1
- Sluit de positieve pool van het signaal aan op de klem 10 van CN6
- Sluit de negatieve pool van het signaal aan op de klem 4 van CN4
- houd TA1 doorverbonden
Afb. 11
3 KENMERKEN
3.1 BEDIENINGSPANEEEL (Afb. 12)

text_image
5 Prog 2 3 1 SET ALL+18.8 °C (LED) OUT PAR 88 Pd 2 + - 1111 RESET 42 - BESCHRIJVING VAN DE BEDIENINGEN

FUNCTIETOETS ON/OFF
ON = Ketel elektrisch gevoed
OFF = Ketel elektrisch gevoed maar niet beschikbaar voor de werking. De beveiligingsfuncties zijn echter wel actief.

TOETS MODUS ZOMER (functie niet beschikbaar)
Wanneer men deze loets indrukt, werkt de ketel alleen op aanvraag van sanitair water

TOETS MODUS WINTER
Wanneer men deze toets indrukt, werkt de ketel in verwarming

TOETS SET SANITAIR (functie niet beschikbaar)
Wanneer men deze toets indrukt, wordt de temperatuurwaarde weergegeven

Wanneer deze toets één keer wordt ingedrukt, wordt de temperatuurwaarde van het verwarmingscircuit 1 weergegeven. Wanneer de toets een tweede keer wordt ingedrukt, wordt de temperatuurwaarde van het verwarmingscircuit 2 weergegeven. Wanneer de toets een derde keer wordt ingedrukt, wordt de temperatuurwaarde van het verwarmingscircuit 3 (installatie met drie zones) weergegeven.

TASTO RESET
Hiermee kan men de werking resetten na

TOETS VERMEERDEREN EN VERMINDEREN
Wanneer men de toets indrukt, wordt de ingestelde waarde vermeerderd of verminderd
1 - BESCHRIJVING ICONEN VAN HET DISPLAY

ICOON MODUS ZOMER

ICOON MODUS WINTER

ICOON MODUS SANITAIR

ICOON MODUS VERWARMING

GRADENSCHAAL VERMOGEN
De segmenten van de balk gaan proportioneel oplichten met het vermogen dat door de ketel wordt afgegeven

ICOON WERKING BRANDR EN BLOKKERING

ICOON RESET VEREIST

ICOON WERKING SCHOORSTEENVEGER

SECONDAIRE DIGITS
De ketel geeft de drukwaarde van de installatie weer (correcte waarde tussen 1 en 1,5 bar)

HOOFDDIGITS
De ketel geeft de ingestelde waarden en de status weer

ICOON AANWEZIGHEID INTEGRATIEVE BRONNEN
3 - TOETSEN VOORBEHOUDEN VOOR DE INSTALLATEUR (toegang parameters INST en parameters OEM)

VERBINDING VOOR PC
Uitsluitende te gebruiken met de programmeerkit van SIME en alleen door bevoegd personeel. Geen andere elektronische toestellen (fotocamera's, telefoons, mp3-spelers enz.) aansluiten. Gebruik een gereedschap om de dop te verwijderen en plaats die na gebruik terug.
OPGEPAST: Communicatiepoort gevoelig voor elektro- statische ontladingen.
Vóór het gebruik is het aanbevolen om een geaard metalen oppervlak aan te raken om zich elektrostatisch te ontladen.

INFORMATIETOETS
Door de toets meermaals na elkaar in te drukken, kan men de parameters doorlopen.

TOETS WERKING SCHOORSTEENVEGER
Door de toets meermaals na elkaar in te drukken, kan men de parameters doorlopen.

TOETS VERMINDEREN
De ingestelde standaardwaarden worden gewijzigd.

TOETS VERMEERDEREN
De ingestelde standaardwaarden worden gewijzigd.
4 - VERLICHTE BALK
Blauw = Werking
Rood = Werkingsstoring
5 - PROGRAMMEERKLOK (optie)
Mechanische klok (Art. nr. 8092228) of digitale klok (Art. nr. 8092229)
3.2 TOEGANG TOT DE INFORMATIE VOOR DE INSTALLATEUR
Om naar de informatie voor de installateur te gaan, drukt men op de toets (3 Afb. 12). Bij iedere druk op de toets gaat men naar de volgende informatie. Als de toet [<<] niet wordt ingedrukt, verlaat het systeem de functie automatisch. Als er geen uitbreidingskaart (ZONA MIX of SOLARE) is aangesloten, wordt de betreffende info niet weergegeven. Lijst met info.
- Weergave buitentemperatuur alleen met

text_image
-5°C- Weergave temperatuur sonde voor aanvoer van de verwarming (SM)

text_image
40°C 2- Weergave temperatuur sonde sanitair SS) alleen voor instantketels

text_image
50°C- Weergave temperatuur sonde hulpelement of sonde boiler (SB)

text_image
55°C 4- Weingaize aimperbouresondeerbokgassen

text_image
55°C 5- Weergave temperatuur verwarming met betrekking tot het eerste circuit

text_image
58°C 6- Weergave temperatuur verwarming met betrekking tot het tweede circuit

text_image
51°C 7- Weepgavezianisatlectrocm in μA

text_image
3.1 8- Weergave toerental ventilator in rpm x 100 (bijvoorbeeld 4.800 en 1850 rpm)

text_image
* 1111 48 9
text_image
18.5 9- Weergave werkingsuren van de brander in u x 100 (bijvoorbeeld 14.000 en 10)

text_image
140 10
text_image
* 1111¹ ▼ 0.1 10- Weergave aantal inschakelingen van de brander x 1.000 (bijvoorbeeld 97.000 en 500)

text_image
* 97 11
text_image
0.5- Weergave totaal aantal van de storingen

text_image
* 1111 18 12- Weergave toegangen parameters installateur (bijvoorbeeld 140 toegangen)

text_image
140 13- Teller toegangen parameters OEM (bijvoorbeeld 48 toegangen)

text_image
* 1111¹ 1111⁴ 48 14- Teller toegangen parameters CASCADE OEM (bijvoorbeeld 05 toegangen)

text_image
* 1111' 05 15- Weergave sanitair debiet debietmeter (bijvoorbeeld 18 l/min en 0,31 l/min) of status debietregelaar (respectievelijk ON en OFF)

text_image
18 17
text_image
0.3 17
text_image
* # 17
- Weergave waarde sonde aanvoer gemengde installatie met kaart ZONAMIX 1 (ingang S2)

- Weergave veiligheidthermostaat ZONAMIX (ingang S1) respectievelijk ON en OFF


- Weergave pomp met kaart ZONAMIX 1 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave bediening openen klep met kaart ZONA MIX 1 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave bediening sluiten klep met kaart ZONAMIX 1 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave waarde van de sonde aanvoer installatie gemengd met kaart ZONAMIX 2

- Weergave veiligheidthermostaat met kaart ZONA MIX 2 (ingang S1) respectievelijk ON en OFF


- Weergave pomp met kaart ZONAMIX 2 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave bediening openen klep met kaart ZONAMIX 2 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave bediening sluiten klep met kaart ZONAMIX 2 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave waarde temperatuur solarsonde S1 met solarkaart SOLARE

- Weergave waarde temperatuur solarsonde S2 met solarkaart SOLARE

- Weergave waarde temperatuur solarsonde S3 met solarkaart SOLARE

33.3 Weergave solarrelais met solarkadi SOLARE (Respectievelijk ON en OFF)


- Weergave solarrelais R2 met solarkaart SOLARE (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave solarrelais R3 met solarkaart SOLARE (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave status debietregelaar solar (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave waarde % 45. Weergave temperatuur verwarming bediening pomp PWM met betrekking tot het derde circuit


- Weergave code fout laatste storing

- Weergave code fout voorlaatste storing

- Softwareversie op RS-485 (bijvoorbeeld versie 01)

- Softwareversie op kaart EXP (conAfb. ZONAMIX)

- Waarschuwingscode

- Softwareversie op 2° kaart EXP (conAfb. ZONAMIX)

3.3 TOEGANG TOT DE PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR
Druk tegelijkertijd gedurende 5 seconden op de toets en om naar de parameters voor de installateur te gaan (3 Afb. 12).
De parameter PAR 23 wordt bijvoorbeeld als volgt op het display van het bedieningspaneel weergegeven:

De parameters rollen voorbij met de toetsen en, en de standaard ingestelde waarden kunnen worden gewijzigd met de toetsen en.
Na 60 seconden keert het display automatisch naar de standaardweergave terug, of men kan op een van de bedieningstoetsen (2 Afb. 12) drukken om terug te keren, behalve dan op de loets RESET.
3.3.1 Vervanging van de kaart of RESET van de parameters
Indien de elektrische kaart vervangen of gereset wordt, vooraleer de ketel weer in werking gaat moet de configuratie van PAR 1 en PAR 2 uitgevoerd worden door aan iedere soort ketel de volgende waarden toe te kennen:
| GAS | KETEL | PAR 1 |
| METHAAN[G20-G25] | Alleenstaand [35 R ErP] | 3 |
| Cascade 4 | ||
| PROPANO[G31] | Alleenstaand [35 R ErP] | 11 |
| Cascade 12 |
PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR
| SNELCONFIGURATIE | |||||
| PAR | BESCHRIJVING | RANGE | EENHEIDSMAAT | STAP | STANDAARD |
| INSTELLING | |||||
| 1 | Configuratie verbranding | -- = ND1 ... 63 | = | = | “--” |
| 2 | Hydraulische configuratie | -- = ND1 ... 14 | = | = | “--” |
| 3 | Uurprogrammering 2 | 1 = DHW + P. Recirculatie2 = DHW3 = P. Recirculatie | = | = | 1 |
| 4 | Deactivering druktransductor | 0 = Gedeactiveerd1 = Geactiveerd 0-4 BAR2 = Geactiveerd 0-6 BAR3 = Geactiveerd 0-4 BAR [NO ALL 09]4 = Geactiveerd 0-6 BAR [NO ALL 09] | = | = | 1 |
| 5 | Toewijzing hulprelais AUX | 1 = Al. op afstand2 = P. Recirculatie3 = Automatisch laden4 = Alarm op afstand NC5 = Warmtepomp6 = Zoneklep 2 | = | = | 1 |
| 6 | Vertichte balk spanning aanwezig | 0 = Gedeactiveerd1 = Geactiveerd | = | = | 1 |
| 7 | Toewijzingen kanalen SIME HOME | 0 = Niet toegewezen1 = Circuit 12 = Installatie met drie zones | = | = | 1 |
| 8 | Toerental ventilator Stap inschakeling | 0,0 ... 81 | rpm x 100 | 0,1van 0,1tot19,91van 20 tot 81 | 0,0 |
| 9 | Lange schoorstenen | 0 ... 20 | % | 1 | 0 |
| 10 | Configuratie aangesloten toestel | 1 =SIME HOME2 = CR 533 = RVS 43.1434 = RVS 46.5305 = RVS 61.843 | = | = | 1 |
| 11 | Correctie waarden externe sonde | -5 ... +5 | °C | 1 | 0 |
| 12 | Duur achtergrondverlichting | -- = Altijd0 = Nooit1 ... 199 | sec x 10 | 1 | 3 |
| 13 | Snelheid modulerende pomp | -- = Geen modulatieAu = Automatische modulatie30 ... 100 = % instelbare modulatie | % | 10 | Au |
| 14 | Instelling tweede ingang TA | -- = Contact TA5 ... 160 = Ingang 0...10VDC | -- | -- | -- |
| 15 | Adres cascade | -- = Niet geactiveerd0 = Master1 ... 7 = Slave | -- | 1 | -- |
| 16 | Adres ModBus | -- = Niet geactiveerd1 ... 31 = Slave | -- | 1 | -- |
| 17 | Configuratie communicatie ModBus | 1 ... 30 | -- | 1 | 25 |
| 19 | Type installatie | 0 = Twee zones1 = Drie zones | -- | -- | 0 |
| SANITAIR - VERWARMING | |||||
| PAR | BESCHRIJVING | RANGE | EENHEIDSMAAT | STAP | STANDAARD |
| INSTELLING | |||||
| 20 | Minimumtemperatuur verwarm. Zone 1 | PAR 64 OEM ... PAR 21 | °C | 1 | 20 |
| 21 | Maximumtemperatuur verwarm. Zone 1 | PAR 20 ... PAR 65 OEM | °C | 1 | 80 |
| 22 | Helling curve verwarm. Zone 1 | 3 ... 40 | -- | 1 | 20 |
| 23 | Minimumtemperatuur verwarm. Zone 2 | PAR 64 OEM ... PAR 24 | °C | 1 | 20 |
| 24 | Maximumtemperatuur verwarm. Zone 2 | PAR 23 ... PAR 65 OEM | °C | 1 | 80 |
| 25 | Helling curve verwarm. Zone 2 | 3 ... 40 | -- | 1 | 20 |
| 26 | Minimumtemperatuur verwarm. Zone 3 | PAR 64 OEM ... PAR 27 | °C | 1 | 20 |
| 27 | Maximumtemperatuur verwarm. Zone 3 | PAR 26 ... PAR 65 OEM | °C | 1 | 80 |
| 28 | Helling curve verwarm. Zone 3 | 3 ... 40 | -- | 1 | 20 |
| 29 | Δt verwarming | 10 ... 40 | °C | 1 | 20 |
| 30 | Tijd nacirculatie verwarming | 0 ... 199 | Sec. | 10 | 30 |
| 31 | -- | -- | -- | -- | |
| 32 | Vertraging activering pomp Zone 1 | 0 ... 199 | 10 sec. | 1 | 1 |
| 33 | Vertraging opnieuw inschakelen | 0 ... 10 | Min. | 1 | 3 |
| 34 | Drempel activering integratieve bronnen | -- , -10 ... 40 | °C | 1 | “--” |
| 35 | Antivries ketel | 0 ... +20 | °C | 1 | 3 |
| 36 | Antivries externe sonde | -5 ... +5 | °C | 1 | -2 |
| 37 | Verzadigingsbereikmodulatie debietmeter | -- = Gedeactiveerd0 ... 100 | % | 1 | 100 |
| 38 | Tijd nacirculatie sanitair | 0 ... 199 | Sec. | 1 | 0 |
| 39 | Anti-legionella functie[alleen boiler] | 0 = Gedeactiveerd1 = Geactiveerd | -- | -- | 0 |
| KETEL PAR 2 | |
| Doorstroom met omloopklep 1 en debietmeter | |
| Doorstroom met omloopklep 2 debietmeter en solar combinatie | |
| Boiler op afstand met omloopklep en boilersonde 3 versie T (LAGE INERTIE) | |
| Boiler aan boord met omloopklep en sonde tapwatera (LAGE INERTIE) | 4 |
| Boiler op afstand met omloopklep en therm. boiler 5 of enkel CV versie T/R (LAGE INERTIE) | |
| Boiler op afstand met dubbele pomp en boilersonde 6 versie T/R (LAGE INERTIE) | |
| Boiler op afstand met dubbele pomp en therm. boiler versie T/R (LAGE INERTIE) | 8 |
| Enkel CV met antivriessonde (LAGE INERTIE) | 9 |
OPMERKING: vanbinnen in het deurtje bovenaan van het bedieningspaneel van de ketel is een etiket aangebracht waarop de in te voeren waarde staat van PAR 1 en PAR 2 (Afb. 19).
3.3.2 Waarschuwing
Wanneer de ketel werkt maar niet optimaal presteert en er geen enkel alarm actief is, drukt men op de toets tot info 70 verschijnt en de waarschuwingscode met betrekking tot het de storing die zich voordoet.
Wanneer de optimale werking weer is hersteld, verschijnt in de info 70 de weergave “-”. Hierna volgt de tabel met de codes die in waarschuwing kunnen worden weergegeven:
| CODE | BESCHRIJVING |
| E0 | Werking bij beperking van het vermogen (at tussen aanvoer en terugkeer groter dan 40°C) |
| E1 | Externe sonde in kortsluiting (SE) |
| E2 | Functie voorverwarming actief |
| E3 | TBD |
| E4 | TBD |
| E5 | TBD |
| E6 | TBD |
| E7 | TBD |
| E8 | TBD |
| E9 | TBD |
PARAMETERS INSTALLATEUR
UITBREIDINGSKAART
| PAR | BESCHRIJVING | BEREIK | MEETEENHEID | STAP | STAND AARDINSTELLING |
| 40 | Aantal uitbreidingskaarten | 0 ... 3 | = | 1 | 0 |
| 41 | Tijd slag klep mix | 0 ... 199 | 10 sec. | 1 | 12 |
| 42 | Prioriteit warm water op gemengde zone | 0 = Parallel1 = Absoluut | = | = | 1 |
| 43 | Droging betonn | 0 = Uitgeschakeld1 = Curve A2 = Curve B3 = Curve A+B | = | = | 0 |
| 44 | Type zonne-installatie | 1 ... 8 | = | 1 | 1 |
| 45 | t pomp zonnecollector 1 | PAR 74 OEM - 1... 50 | °C | 1 | 8 |
| 46 | Vertraging zonne-integratie | “--”, 0 ... 199 | Min. | 1 | 0 |
| 47 | Tmin zonnecollector | “--”, -30 ... 0 | °C | 1 | - 10 |
| 48 | Tmax zonnecollector | “--”, 80 ... 199 | °C | 1 | 120 |
RESET
| PAR | BESCHRIJVING | BEREIK | MEETEENHEID | STAP | STAND AARDINSTELLING |
| 49 * | Reset parameters op standaardwaarde |PAR 01 - PAR 02 = “--”| | -- , 1 | = | = | = |
| * | Indien de instelling stroom moeilijk te begrijpen is of in geval van afwijkend of onbegrijpelijk gedrag van de ketel, is het aanbevolen om de initiele waarden van de parameters terug te zetten door de PAR 49 = 1 in te stellen en de PAR 1 en PAR 2 zoals bepaald onder punt 3.3.1. | ||||
INSTELLING PARAMETERS VOOR CASCADE-AANSLUITING
Bij installatie van het toestel in een cascade-opstelling (modulair systeem met meerdere warmtegenerators) moet de volgende parameter INST ingesteld worden op alle aangesloten ketels:
PAR 1 = 4 (voor een gasketel op METHAAN) 12 (voor een gasketel op PROPAAN)
PAR 15 = 0 voor de eerste ketel (MASTER) 1 .... 7 voor de volgende ketels (SLAVE) (Benoem de SLAVE ketels niet met een identiek nummer)
Indien er meer dan twee ketels aangesloten zijn in een cascade, dan moet men tevens de parameter OEM A1 van de MASTER ketel configureren. Druk gelijktijdig gedurende 2 seconden op de toetsen (☑ en ☐) voor toegang tot de OEM parameters. Eens men toegang heeft tot het INST-niveau moet men gelijktijdig de toetsen (☑ en ☐) voor nogmaals 2 seconden indrukken. Voer nu de toegangscode in die bestaat uit de volgende sequentie TOETSEN VOOR DE INSTALLATEUR: “+ / - / < / > / <”.
Stel de parameter in: PAR A1 = Aantal warmtegenerators van de cascade (3 ... 8)
3.4 AANGESLOTEN BUITENVOELER (Afb. 13)
Als er een buitenvoeler aanwezig is, kunnen de instellingen (SET) voor de verwarming uit de klimaatcurves worden afgeleid in functie van de buitentemperatuur. Deze waarden moeten hoe dan ook binnen de bereiken liggen die bij punt 3.3 zijn beschreven (parameters PAR 22 voor de zone 1, parameters PAR 25 voor de zone 2, parameters PAR 28 voor de zone 3). De in te stellen klimaatcurve kan worden gekozen uit een waarde 3 en 40 (met stappen van 1). Door de helling van de curven op afb. 13 groter te maken, neemt de aanvoertemperatuur van de installatie toe in overeenstemming met de buitentemperatuur.
3.5 FUNCTIES VAN DE KAART
De elektronische kaart heeft de volgende functies:
- Antivriesbescherming verwarmings- en warmwatercircuit (ICE).
- Ontstekings- en detectiesysteem van de vlam.
- Instelling vanaf het bedieningspaneel van het vermogen en van het gas waarmee de ketel werkt.
- Antiblokkering van de pomp die na 24h van inactiviteit enkele seconden wordt gevoed.
- Bescherming tegen legionella voor ketel met opslagboiler.
- Schoorsteenvegerfunctie die vanaf het bedieningspaneel kan worden ingeschakeld.
- Glijdende temperatuur met aangesloten buitenvoeler. Deze temperatuur is instelbaar vanaf het bedieningspaneel en is actief op de verwarmingsinstallatie circuit 1 en op de verwarmingsinstallatie circuit 2-3.
- Beheer van 3 onafhankelijke installaties verwarmingscircuit.
- Automatische instelling van het ontstekingsvermogen en maximale verwarming. De instellingen worden automatisch beheerd door de elektronische kaart om de maximale gebruiksflexibilitet van de installatie te garanderen.
- Interface met de volgende elektronische systemen: afstandsbediening SIME HOME, temperatuurregeling RVS, aansluiting op de kaart gemengde zones ZONA MIX, de zonnekaart SOLARE en MODBUS.
Tabel 4 bevat de weerstandswaarden (Ω) die bij een verandering van de temperatuur bij de verwarmings, warmwatervoeler en rookgasvoeler worden verkregen.
Wanneer de sonde van de aanvoer verwarming (SM), terugkeer verwarming (SR) en rookgassen (SF) onderbroken is, dan werkt de ketel niet.

line
| x | y=2.5 | y=5 | y=7.5 | y=10 | y=12.5 | y=15 | y=17.5 | y=20 | | ---- | ----- | ----- | ----- | ----- | ------ | ----- | ------ | ----- | | -30 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | 90 | 100 | | -20 | 30 | 45 | 55 | 65 | 75 | 85 | 95 | 105 | | -10 | 30 | 50 | 60 | 70 | 80 | 90 | 100 | 110 | | 0 | 30 | 55 | 65 | 75 | 85 | 95 | 105 | 115 | | 10 | 30 | 60 | 70 | 80 | 90 | 100 | 110 | 120 | | 20 | 30 | 65 | 75 | 85 | 95 | 105 | 115 | 125 |LET OP: De curves zijn berekend met een omgevingstemperatuur van 20°C. De gebruiker kan de ketelbedieningen gebruiken om de omgevingset waarvoor de curve berekend is met ±5°C te wijzigen.
Afb. 13
TABEL 4
| Temperatuur (°C) | Weerstand [Ω] |
| 20 | 12.090 |
| 30 | 8.313 |
| 40 | 5.828 |
| 50 | 4.161 |
| 60 | 3.021 |
| 70 | 2.229 |
| 80 | 1.669 |
3.7 ELEKTRONISCHE ONTSTEKING
De ontsteking en de vlamdetectie worden geregeld door twee elektroden op de brander, die binnen een seconde ingrijpen bij onbedoelde uitschakelingen of het ontbreken van gas.
3.7.1 Bedrijfscyclus
De brander wordt binnen max. 10 seconden na de opening van de gasklep ontstoken. Wanneer de ontsteking niet plaatsvindt waardoor het blokkeringssignaal wordt ingeschakeld, is dit te wijten aan het volgende:
- Geen gas
De ontstekingselektrode blijft geduren- de max. 10 sec. vonken, maar als de brander niet wordt ontstoken wordt een storing gemeld. Dit kan gebeuren bij de eerste ontsteking of na lange perioden van stilstand, omdat er lucht in de gasleidingen zil. Dit kan worden veroorzaakt doordat het gaskraantje gesloten is of
door één van de spoelen van de klep met onderbroken wikkeling waardoor de opening niet kan plaatsvinden.
- De ontstekingselektrode vonkt niet
In de ketel ziet u alleen de opening van het gas naar de brander, na 10 sec. wordt de storing gemeld.
Dit kan worden veroorzaakt door de onderbreking van de kabel van de elektrode of doordat deze niet correct aan de verbindingspunten is bevestigd. De elektrode is geaard of erg versleten: vervang de elektrode. De elektronische kaart is defect.
- Er wordt geen vlam gedetecteerd
Vanaf de ontsteking blijft de elektrode voortdurend vonken, ondanks dat de brander brandt.
Na 10 sec. stopt het vonken, gaat de brander uit en wordt de storing gemeld. Dit kan worden veroorzaakt door de onderbreking van de kabel van de elektrode of doordat deze niet correct aan de verbindingspunten is bevestigd. De elektrode is geaard of erg versleten: vervang de elektrode. De elektronische kaart is defect.
Bij een plotselinge stroomuitval stopt de brander onmiddellijk, bij terugkeer van de stroom zal de ketel automatisch weer in werking worden gesteld.
3.8 BESCHIKBARE VLOEISTOFDRUK (Afb. 14)
De beschikbare [resterende] vloeistofdruk voor de centraleverwarmingsinstallatie wordt voorgesteld in functie van het debiet
op de curve van afb. 14. De snelheid van de modulerende pomp is per default ingesteld (parameter installateur PAR 13 = Au).

line
| DEBIET (l/h) | BESCHIKBARE OPVOERHOOGTE (mbar) | | ------------ | ------------------------------- | | 200 | 550 | | 420 | 540 | | 1000 | 530 | | 800 | 510 | | 600 | 500 | | 400 | 450 | | 200 | 350 | | 100 | 250 | | 50 | 150 | | 20 | 100 | | 10 | 50 | | 5 | 20 |Afb. 14
4 GEBRUIK EN ONDERHOUD
OPGEPAST: Vooraleer interventies op de ketel uit te voeren, moet men controleren of de ketel en haar onderdelen afgekoeld zijn om gevaar van brandwonden te wijten aan de hoge temperaturen te voorkomen.
De ketels worden standaard gefabriceerd met een gasklep model SIT 848 SIGMA (Afb. 16).

text_image
LEGENDE 1 Stroomopwaartse drukaansluiting 2 Intermediaire drukaansluiting 3 Inlaat luchtsignaal (VENT) 4 Stroomafwaartse drukaansluiting 5 Verdeler 6 OFF-SET Afb. 164.2 GASINSTELLINGEN OVERSCHAKELEN OP EEN ANDERE GASSOORT (Afb. 17)
Het overschakelen vane en gassoort van de 2e familie op een gassoort van de 3e familie of andersom is toegestaan in Frankrijk maar niet in België. De in deze paragrafa vermelde werkzaamheden golden dus uitsluitend voor de ketels die in FRANKRIJK geïnstalleerd zijn.
Het toestel mag alleen door erkende vakmensen op een andere gassoort overgeschakeld worden, waarbij uitsluitend originele onderdelen van SIME gebruikt mogen worden.
Voor de werking op vloeibaar gas (G31) word teen speciale set geleverd. Voor het overschakelen van de ene gassoort op de andere moet het volgende gedaan worden:
- Draai de gaskraan dicht.
- Vervang het inspuitstuk (1-2) en de afdichting (3) met die bij de ombouwset geleverd zijn. De afwijkende vorm van de inspuitstuk voorkomt omkeren bij de montage.
- Breng het plaatje met de gassoort waar het toestel op ingesteld is aan.
- Stel de maximum en minimum druk van de gasklep in zoals vermeld in punt 4.2 van deze handleiding.

text_image
1 2 3 3 Afb.174.2.1 Configuratie toevoerbrandstof
Om naar de parameters voor de installateur te gaan, drukt men 5 seconden lang tegelijk op de toetsen en (3 Afb. 12). Men kan de waarde van de parameters wijzigen met de toetsen en. Op het display van het paneel wordt parameter PAR 1 weergegeven.
Als de ketel in kwestie bijvoorbeeld op methaangas (G20-G25) is, verschijnt de SET 3:

Om die naar propaan (G31) te veranderen, moet men de SET 11 instellen door de toets + herhaaldelijk in te drukken.

Na 10 seconden keert het display automatisch naar de standaardweergave terug. De volgende tabel vermeldt de instellingen voor alle versies, bij wijziging van voedingsgas.
4.2.2 Drukinstelling van de gasklep
Controleer de CO2-waarden met een verbrandingsanalysator.
| GAS | KETEL | PAR 1 |
| METHAAN[G20-G25] | Alleenstaand [35 R ErP] | 3 |
| Cascade 4 | ||
| PROPANO[G31] | Alleenstaand [35 R ErP] | 11 |
| Cascade 12 |
Volgorde van de handelingen:
1) Druk enkele seconden lang op de knop
2) Druk enkele seconden lang op de knop zodat de ketel naar maximaal vermogen gaat.
3) Zoek de CO2-waarden op het maximaal vermogen, zoals hierna vermeld, met behulp van de sluitverdeler (5 Afb. 16):
| Potenza MAX | |
| CO_2 (G20-G25) | CO_2 (G31) |
| 9,3 ±0,2 10,2 ±0,3 | |
4) Druk enkele seconden lang op de knop
5) Zoek de CO2-waarden op het minimaal vermogen, zoals hierna vermeld, met behulp van de stelschroef OFF-SET (6 Afb. 16):
| Potenza MIN | |
| CO2 (G20-G25) | CO2 (G31) |
| 8,4 ±0,2 10,0 ±0,3 | |
6) Druk meermaals op de toetsen +. en - om de druk te controleren; voer indien nodig de gepaste correcties uit.
7) Druk opnieuw op de toets om de functie te verlaten.
4.3 DEMONTAGE VAN DE MANTEL (Afb. 19)
Onderhoud van de ketel gaat gemakkelijk na het volledig demonteren van de mantel, zoals aangeduid in Afb. 19.
Draai het bedieningspaneel voorwaarts voor toegang tot de interne onderdelen van de ketel.

text_image
Codice/Code 8113370 Modello/Model MURELLE HE 35 R ErP Matricola/Serial n. 9999999999 PAR 1 = 3 (G20-G25) / 11 (G31) PAR 2 = 5 LET OP Maak het bovenste plastic luikje open, alvorens het voorpaneel van de ketel te verwijderen of opnieuw te monteren.Afb. 19
4.4 ONDERHOUD (Afb. 20)
Om de correcte en efficiënte werking van het toestel te garanderen moet men het verplicht en op regelmatige basis, conform de geldende regelgeving, laten controleren. De frequentie van de controles is afhankelijk van het soort toestel en de installatie- en gebruikscondities.
Hoe dan ook is het verstandig om een jaarlijkse controle te laten uitvoeren door een geautoriseerde Bijstandsdienst. De Bijstandsdienst moet tijdens het onderhoud controleren dat de druipbak met sifon vol water zit. Deze controle is vooral van belang wanneer de warmte-generator niet wordt gebruik voor een langdurige periode. Het bijvullen van de druipbak gebeurt via de specifieke mond (Afb. 20).

Om de controle van de verbranding van de ketel uit te voeren, drukt men enkele seconden lang op de toets voor de installateur
. De functie schoorsteenveger wordt geactiveerd en blijft 15 minuten lang actief. Vanaf dat moment begint de ketel te werken in verwarming op maximaal vermogen met uitschakelen op 80°C en opnieuw inschakelen op 70°C (OPGEPAST: Gevaar voor te hoge temperaturen bij systemen op lage temperatuur die niet beveiligd zijn. Vooraleer de functie schoorsteenveger te activeren, moet men controleren of de radiatorkleppen of eventuele zonekleppen geopend zijn).
De test moet ook in werking sanitair worden uitgevoerd.
Om die uit te voeren, volstaat het om na de activering van de functie schoorsteenveger warm water via een of meerdere kranen te nemen. In die omstandigheden werkt de ketel op maximaal vermogen met het sanitair gecontroleerd tussen 60°C en 50°C. Tijdens de test moeten de kranen van het warm water geopend blijven.
Wanneer tijdens de 15 minuten waarin de functie schoorsteenveger aan het werk is de toetsen ⚙ en □ worden ingedrukt, gaat de ketel respectievelijk over naar maximaal en minimaal vermogen.
De functie schoorsteenveger wordt na 15 minuten automatisch gedeactiveerd of door opnieuw op de toets te drukken.
4.4.2 Reiniging van het AQUA GUARD FILTER (Afb. 22)
Om het filter te reinigen moeten de afsluitkranen op de toevoer- en retourleiding van de verwarmingsinstallatie dichtgedraaid worden, moet de stroom naar het bedieningspaneel uitgeschakeld worden, moet de mantel verwijderd worden en moet de ketel door middel van de speciale afvoer: zel een opvangbak onder het filter, en reinig het filter door het vuil en de ketelafzetting te verwijderen. Alvorens de dop met de filter weer terug te plaatsen moet de O-afdichtingsring gecontroleerd worden.

4.4.3 Functie droging beton (Afb. 22/a)
De functie voor het drogen van de beton houdt de vloer op een vooraf bepaald temperatuursprofiel en is enkel beschikbaar in installaties met combinatie van de kit gemengde zones ZONA MIX Art. nr.8092275/76.
De temperatuurprofielen kunnen gekozen worden aan de hand van de instelling van de parameter installeur PAR 43:
0 = Functie uitgeschakeld
De functie wordt uitgeschakeld door de toets OFF in te drukken (terug van PAR 43 naar de waarde 0) of automatisch aan het einde van de functie zelf.
De set van de gemengde zone volgt de gang van de gekozen curve en bereikt maximum 55°C. Tijdens de functie worden alle aanvragen voor hitte genegeerd [verwarming, sanitair, antivries en rookverdrijving].
Tijdens de werking toont het display de resterende dagen voor de vervollediging van de functie (bv. Hoofddigit -15 = er ontbreken 15 dagen voor het einde van de functie). De grafiek van afb. 22/a geeft de gang van de curve weer.
AANDACHT:
- Respecteer de desbetreffende standaards en de regelingen van de fabrikant van de vloer!
- Correcte werking is enkel gegarandeerd wanneer het apparaat correct is geïnstalleerd (hydraulisch systeem, electrische installatie, afstellingen)! Als deze niet gerespecteerd worden, kan de vloer beschadigd geraken!

line
| [Tag] | TVw | |-------|-----| | 0 | 25 | | 1 | 25 | | 3 | 55 | | 7 | 55 | | 1 | 25 | | 3 | 35 | | 4 | 45 | | 5 | 55 | | 1 | 55 | | 0 | 55 | | 1 | 45 | | 1 | 35 | | 1 | 25 |TVw Set temperatuur gemengde zone
Tag Periode in dagen
x Begindag
A Functionele verwarming
B Vloeruithardende verwarming
Afb. 22/a
4.5 WERKINGSSTORINGEN
Wanneer er zich een werkingsstoring voordoet, verschijnt er op het display een alarm en wordt de blauw verlichte balk rood.
Hierna vermelden we de beschrijvingen van de storingen met bijhorend alarm en de oplossing:
- ANOMALIE LAGE WATERDRUK "ALL 02" (Afb. 23/1)
Indien de druk gemeten op de transductor lager is dan 0,5 bar, zal de ketel stilvallen en verschijnt op het display anomalie ALL 02.
Herstel de druk totdat de transductor een waarde aanduidt tussen 1 en 1,5 bar.
Indien de vulprocedure van de installatie meerdere malen moet worden herhaald, controleer dan de dichtheid van de CV-installatie (op lekken).
- ANOMALIE HOGE WATERDRUK "ALL 03" (Afb. 23/2)
Indien de druk gemeten op de transductor hoger is dan 2,8 bar, valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 03.
- ANOMALIE SONDE TOEVOER CV "ALL 05" (Afb. 23/4)
Indien de sonde toevoerleiding CV (SM) "open staat" of is kortgesloten, valt de ketel stil en verschijnt de anomalie op het ALL 05.
- BLOKKERING VLAM "ALL 06" (Afb. 23/5)
Indien de vlamdetectie geen aanwezige vlam heeft gedetecteerd na voltooiing van de ontstekingssequentie of indien voor gelijk welke andere redenen de kaart de vlam niet detecteert, dan valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 06. Druk op de toets [RENT] van het bedieningspaneel (2) om de ketel terug op te starten.

text_image
ALL 02 0.5 BarAfb. 23/1

text_image
ALL 03 2.8 BarAfb. 23/2

text_image
ALL 05Afb. 23/4

text_image
ALL 06 RESETAfb. 23/5
De opening van de lijn aangesloten op de veiligheidsthermostaat/ maximaal-thermostaat veroorzaakt de stopzetting van de ketel. De vlamdetectie blijft één minuut wachten op sluiting van het circuit, terwijl de pomp van de installatie gedwongen blijft werken tijdens dit tijdsinterval. Indien voor het verstrijken van één minuut de thermostaatlijn terug wordt gesloten, zal de ketel zijn normale werking terug hervatten.
Zo niet valt hij stil en verschijnt er op het display anomalie ALL 07.
Druk op de toets ( [ ] van het bedie- ningspaneel [2] om de ketel terug op te starten.
- ANOMALIE PARASIETVLAM "ALL 08" (Afb. 23/7)
Indien de vlamdetectie de aanwezigheid van een vlam detecteert tijdens fasen waarbij er geen vlam aanwezig zou moeten zijn, betekent dit dat het circuit voor vlamdetectie defect is.
De ketel valt nu stil en op het display verschijnt de anomalie ALL 08.
- ANOMALIE WATERCIRCULATIE "ALL 09" (Afb. 23/8)
Geen watercirculatie in het primaire circuit. Indien de anomalie optreedt bij het eerste verzoek, zal de ketel maximum drie pogingen uitvoeren om de aanwezigheid van water in het primaire circuit te herstellen.
Daarna valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 09. Indien de anomalie optreedt tijdens de normale werking zal op het display onmiddellijk ALL 09 worden weergegeven en blijft de pomp van de installatie en de boilerpomp, indien aanwezig, werkzaam gedurende 1 minuut. In dit geval treedt er een bruuske temperatuurverhoging plaats in de ketel.
Ga na of er water circuleert binnenin de ketel en controleer of de pomp correct werkt.
Druk op de toets ( [NET] van het bedieningspaneel (2) om de ketel terug op te starten. Mocht de anomalie zich herhalen, vraag dan een bijstandsinterventie aan bij een geautoriseerde Bijstandsdienst.
- ANOMALIEHULPSONDE"ALL10"(Afb.23/9)
Wanneer de antivriessonde van de sifon (SA) of boilersonde L. 2000 (SB) "open staat" of is kortgesloten, verschijnt op het display anomalie ALL 10.
- INTERVENTIE ROOKSONDE "ALL 13" (Afb. 23/10)
Indien de rooksonde (SF) in werking treedt, valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 13.
Druk op de toets van het bedie- ningspaneel [2] om de ketel terug op te starten.

text_image
2 < i > - + ALL 07 RESET Afb. 23/6
Afb. 23/7


text_image
2 + - RESETAfb. 23/8

Afb. 23/9


text_image
2 + - RESETAfb. 23/10

Afb. 23/11
- ANOMALIE DEFECT ROOKSONDE "ALL 14" (Afb. 23/11)
Wanneer de rooksonde (SF) "open staat" of is kortgesloten, valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 14.
- ANOMALIE VENTILATOR "ALL 15" (Afb. 23/12)
Het toerental van de ventilator ligt buiten de ingestelde snelheidsrange. Indien de conditie van deze anomalie aanhoudt voor meer dan twee minuten, zal de ketel een gedwongen stop van dertig minuten uitvoeren. Op het einde van de gedwongen stop zal de ketel terug trachten op te starten.

Afb. 23/12
- ANOMALIE EXTERNE SONDE "KNIPPERT" (Afb. 23/13)
Wanneer de externe temperatuursonde (SE) is kortgesloten, knippert op het display het symbool ⚠. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten.

Afb. 23/13
- INTERVENTIE VEILIGHEIDS- THERMO- STAAT EERSTE MENGZONE "ALL 20" (Afb. 23/14)
Wanneer de ketel aangesloten is op de ZONA MIX kaart, zal de interventie van de veiligheidsthermostaat de pomp van de mengzone van de installatie uitschakelen, gaat de mengklep dicht en verschijnt op het display anomalie ALL 20. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten.

Afb. 23/14
- ANOMALIE DEFECT SONDE TOEVOER EERSTE MENGZONE "ALL 21" (Afb. 23/15)
Wanneer de ketel aangesloten is op de ZONA MIX kaart en de sonde van de toevoerleiding "open staat" of is kortgesloten, verschijnt op het display anomalie ALL 21. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten.

Afb. 23/15
- INTERVENTIE VEILIGHEIDS- THERMO- STAAT TWEEDE MENGZONE "ALL 22" (Afb. 23/16)
Wanneer de ketel aangesloten is op de ZONA MIX kaart, zal de interventie van de veiligheidsthermostaat de pomp van de mengzone van de installatie uitschakelen, gaat de mengklep dicht en verschijnt op het display anomalie ALL 22.
De ketel zal de normale werking verderzetten.

Afb. 23/16
- ANOMALIE DEFECT SONDE TOEVOER TWEEDE MENGZONE "ALL 23" (Afb. 23/17)
Wanneer de ketel aangesloten is op de ZONA MIX kaart en de sonde op de toevoerleiding "open staat" of is kortgesloten, verschijnt op het display anomalie ALL 23. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten.

Afb. 23/17
- ANOMALIE SONDE SOLAR COLLECTOR [S1] "ALL 24" (Afb. 23/18)
Wanneer de Sonde solare "open staat" of is kortgesloten, verschijnt op het display anomalie ALL 24. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten, maar is de solar functie niet meer beschikbaar.

Afb. 23/18
- ANOMALIE SONDE SOLAR BOILER (S2) "ALL 25" (Afb. 23/19)
Wanneer de solar sonde "open staat" of is kortgesloten, verschijnt op het display anomalie ALL 25. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten, maar is de solar functie niet meer beschikbaar.

Afb. 23/19
- ANOMALIE HULPSONDE (S3) "ALL 26" (Afb. 23/20)
Wanneer de solar sonde "open staat" of is kortgesloten, verschijnt op het display anomalie ALL 26. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten, maar is de solar functie niet meer beschikbaar.

Afb. 23/20
- ANOMALIE COHERENTIE TOEPASSING SOLAR "ALL 27" (Afb. 23/21)
Wanneer de hydraulische configuratie niet coherent is met de geselecteerde solar functie, verschijnt op het display anomalie ALL 27. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten, maar zal voor de solar kaart met actieve anomalie enkel de functie antivries collector beschikbaar zijn.

Afb. 23/21
- ANOMALIE COHERENTIE INGANG (S3) ENKEL VOOR INSTALLATIE 7 "ALL 28" (Afb. 23/22)
Wanneer een sonde aangesloten is op een schoon contact van de ingang S3 van de kaart, dan verschijnt op het display anomalie ALL 28.
Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten, maar zal voor de solar kaart met actieve anomalie enkel de functie antivries collector beschikbaar zijn.

Afb. 23/22
- ANOMALIE AANTAL AANGESLOTEN KAARTEN "ALL 29" (Afb. 23/23)
Wanneer één van de kaarten aangesloten op de ZONA MIX/INSOL defect is of niet communiceert, verschijnt op het display anomalie ALL 29. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzellen, uitgezonderd de functie ZONA MIX/INSOL.

Afb. 23/23
- ANOMALIE SONDE RETOUR CV "ALL 30" (Afb. 23/24)
Wanneer de sonde retourleiding CV (SR) "open staat" of is kortgesloten, verschijnt op het display anomalie ALL 30. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten.

Afb. 23/24
- ANOMALIE SONDE TOEVOER CASCADE "ALL 31" (Afb. 23/25)
Wanneer de sonde toevoerleiding cascade [SMC] "open staat" of is kortgesloten, verschijnt op het display anomalie ALL 31. Tijdens deze anomalie zal de ketel de normale werking verderzetten.

Afb. 23/25
- ANOMALIE CONFIGURATIE INSTALLATIE MET DRIE ZONES "ALL 32" (Afb. 23/26)
Wanneer er onvoldoende RS-485 kaarten zijn en/of minstens een kaart niet een ZONA MIX kaart is, valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 32. De ketel start terug op wanneer de correcte configuratie werd hersteld voor installaties met 3 zones.

Afb. 23/26
- ANOMALIE COMMUNICATIE RS-485 KAART IN MODBUS "ALL 33" (Afb. 23/27)
Wanneer de PAR 16 niet correct is ingesteld op “--” en er geen communicatie is tussen de kaart van de ketel en de RS-485 kaart in de MODBUS-modaliteit gedurende minstens vier minuten, dan valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 33. De ketel start terug op wanneer de communicatie wordt hersteld of de PAR 16 = “--” wordt ingesteld.

Afb. 23/27
- ANOMALIE COMMUNICATIE RS-485 KAART IN CASCADE "ALL 34" (Afb. 23/28)
Wanneer de PAR 15 niet correct is ingesteld op “--” en er geen communicatie is tussen de kaart van de ketel en de RS-485 kaart in de CASCADE-modaliteit, dan valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 34. De ketel start terug op wanneer de communicatie wordt hersteld of de PAR 15 = “--” wordt ingesteld.

Afb. 23/28
- ANOMALIE COMMUNICATIE RS-485 EN RS-485 KAART "ALL 35" (Afb. 23/29)
Wanneer de PAR 15 niet correct is ingesteld op “- -” en er geen communicatie is tussen de kaart van de ketel en de RS-485 kaart in de CASCADE-modaliteit, dan valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 34. De ketel start terug op wanneer de communicatie wordt hersteld of de PAR 15 = “- -” wordt ingesteld.

Afb. 23/29
OPGELET: Bij aansluiting in een cascadeopstelling verschijnen op het display van de afstandsbediening SIME HOME de volgende alarmcodes 70 en 71:
- ALARM 70
Indien een anomalie optreedt die de werking van de cascade blokkeert (sonde toevoerleiding cascade ALL 31), verschijnt op het display van de afstandsbediening SIME HOME het alarm 70. Controleer de anomalie op de cascade.
- ALARM 71
Indien een anomalie optreedt op één van de modules en de andere modules blijven verderwerken in de mate dit mogelijk is, verschijnt op het display van de afstandsbediening SIME HOME het alarm 71. Controleer de anomalie op de cascade.
VOOR DE GEBRUIKER
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
- Wanneer het toestel defect is en/of niet goed werkt, moet men het uitschakelen en niet pro- beren om te repareren of een rechtstreekse interventie uit te voeren. Wendt u uitsluitend tot gekwalificeerd technisch personeel.
- Om veiligheidsredenen kan de gebruiker geen toegang krijgen tot de interne onderdelen van het apparaat. Alle handelingen die de verwijdering van beschermingen beogen, of hoe dan ook toegang tot gevaarlijke onderdelen van het apparaat, moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel.
- Het apparaat kan gebruikt worden door kinderen die ouder zijn dan 8 jaar en door mensen met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke capaciteiten, of zonder ervaring of de benodigde kennis, op voorwaarde dat zij onder toezicht staan of instructies ontvangen hebben over het veilige gebruik van het apparaat en de daaraan inherente gevaren begrijpen. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen. De reiniging en het onderhoud dat door de gebruiker uitgevoerd moet worden, mag niet door kinderen zonder toezicht uitgevoerd worden.
Om de ketel in werking te stellen, moet men de volgende handelingen aandachtig volgen: open de gaskraan zodat de brandstof kan stromen en zet de hoofdschakelaar van de installatie op "aan".
Zodra er voeding is, voorziet de ketel om een controlesequentie uit te voeren; vervolgens verschijnt op het display de werkingssstatus, waarbij altijd de druk van de installatie wordt gesignaleerd.
De blauw verlichte balk geeft aan dat er spanning aanwezig is.
Druk op de toets ( ^* ) van het bedieningspaneel (pos. 2) om de werking aan te schakelen. Het display ziet er als volgt uit:
OPMERKING: Zodra de bedieningstoetsen (2) worden ingedrukt, gaat het display oplichten, wanneer de toetsen nogmaals worden ingedrukt, kan de vooraf gekozen werkwijze worden geactiveerd.
REGELING VAN DE TEMPERATUUR VAN HET WATER VOOR VERWARMING (Afb. 25)
Om de gewensle temperatuur van het water voor verwarming in te stellen, drukt men op de toets (1) van de bedieningen (pos. 2). Wanneer de toets een eerste keer wordt ingedrukt, selecteert men de SET van het verwarmingscircuit 1. Wanneer men de toets een tweede keer indrukt, selecteert men de SET van het verwarmingscircuit 2. Wanneer men de toets een derde keer indrukt, selecteert men de SET van het verwarmingscircuit 3 (installatie met drie zones). Het display verschijnt zoals in de figuur voorgesteld.
Wijzig de waarden met de toetsen ( + en - )
Wanneer men de toets (indrukt of gedurende 10 seconden geen enkele toets indrukt, keert men terug naar de standaardweergave.

text_image
2 Afb. 24

text_image
1 (i) 2 - + SET 78 °C 3 bar 2 + - RESETVerwarmingscircuit 2

Verwarmingscircuit 3 (installatie met 3 zones)

Afb. 25
AFSTELLONG MET EXTERNE SONDE AAN- GESLOTEN (Afb. 25/a)
Wanneer een externe sonde is geïnstalleerd, wordt de waarde van de aanvoertemperatuur automatisch door het systeem geselecteerd, dat voorziet om de omgevingstemperatuur snel aan te passen in functie van de schommelingen van de buitentemperatuur. Als men de waarde van de temperatuur wenst te wijzigen door die te verhogen of te verminderen ten opzichte van de waarde die door de elektronische kaart automatisch wordt berekend, gaat men te werk zoals in de vorige paragraaf aangegeven. Het correctieniveau varieert met een berekende proportionele afstellingswaarde. Het display verschijnt zoals in de afb. 25/a voorgesteld.


Afb. 25/a
UITSCHAKELING VAN DE KETEL (Afb. 24)
Bij korte afwezigheden drukt men op de toets ( ^1 ) van de bedieningen (pos. 2). Het display verschijnt zoals in Afb. 24 voorgesteld. Door de elektrische voeding en de toevoer van de brandstof actief te laten, is de ketel op deze manier beschermd door de systemen voor antivries en antiblokkering van de pomp. Wanneer de ketel gedurende een lange periode niet wordt gebruikt, is het aanbevolen om de elektrische spanning weg te nemen via de hoofdschakelaar van de installatie; sluit de gaskraan en maak de waterinstallatie leeg wanneer er lage temperaturen worden voorspeld om breuk van de leidingen te vermijden door bevriezing van het water.
STORINGEN EN OPLOSSINGEN
Wanneer er zich een werkingsstoring voordoet, verschijnt er op het display een alarm en wordt de blauw verlichte balk rood.
Hierna vermelden we de beschrijvingen van de storingen met bijhorend alarm en de oplossing:
- ALL 02 (Afb 27/a)
Indien de opgemeten waterdruk lager is dan 0,5 bar, valt de ketel stil en verschijnt op het display anomalie ALL 02. Herstel de druk totdat het display een waarde tussen 1 en 1,5 bar aanduidt.
Wanneer men meermaals de procedure om het systeem te vullen moet herha- len, is het aanbevolen om de effectieve dichting van de verwarmingsinstallatie te controleren (controleer of er geen verlies is).

text_image
ALL 02 OSw Afb. 27/a- AL 03
Vraag de interventie aan van gekwalifice- erd technisch personeel.
- AL 05
Vraag de interventie aan van gekwalifice- erd technisch personeel.
- AL 06 (Afb. 27/c)
Druk op de toets van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten. Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel als de storing niet verdwijnt.

text_image
ALL 06 2 Afb. 27/c- AL 07 (Afb. 27/d)
Druk op de toets van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten.
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel als de storing niet verdwijnt.

text_image
ALL 07 2 Afb. 27/d- AL 08/09/10
Vraag de interventie aan van gekwalifice- erd technisch personeel.
- AL 13 (Afb. 27/e)
Druk op de toets van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten.
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel als de storing niet verdwijnt.

text_image
ALL 13 2 Afb. 27/e- AL 14
Vraag de interventie aan van gekwalifice- erd technisch personeel.
- AL15
Vraag de interventie aan van gekwalifice- erd technisch personeel.

KNIPPEREND"
Vraag de interventie aan van gekwalifice- erd technisch personeel.
- Van AL 20 tot AL 35
Vraag de interventie aan van gekwalifice- erd technisch personeel.
- AL 70 en AL 71
Deze alarmen verschijnen op het display van de afstandsbediening SIME HOME. Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
ONDERHOUD
Men doet er goed aan om op tijd het jaarlijks onderhoud van het toestel te programmeren, vraag deze interventie aan bij gekwalificeerd technisch personeel.
LET OP: Het is verplicht dat de speciale voedingskabel alleen wordt vervangen door een reservekabel die is besteld en aangesloten door professioneel gekwalificeerd personeel.
VERNIETIGING VAN HET APPARAAT (2012/19/UE)

Alshetapparaatheteindevanzijnlevensduur-heeftbereikt, DIENT HET GESCHEIDEN TE WORDEN VERNIETIGD volgens de geldende wettelijke voorschriften.
ETMAGNIETWORDEN VERNIE-
TIGD samenmethuishoudelijkafval.
Hetkaningeleverdwordenbijeenpuntvoorgescheidenafvalverwerking of bij een handelaar die dergelijke diensten levert.
Gescheidenvernietigingvoorkomteventuele- schadeaanhetmilieuofuwgezondheid.
Boven-dienkunnenzomaterialenwordenge-recy-cleerd, wat leidt tot een aanzienlijke bespa-ring van grondstoffen en energie.
INHALTSVERZEICHNIS
1 BESCHREIBUNG DES GERÄT....s. 74
2 INSTALLATION....s. 78
3 EIGENSCHAFTEN....s. 91
4 GEBRAUCH UND WARTUNG .... s. 98
KONFORMITÄT
CN1 Art. nr. 6319158
CN2 Art. nr. 6319144
CN3 Art. nr. 6319156
CN4 Art. nr. 6316203
CN5 Art. nr. 6316200
CN6 Art. nr. 6316202
CN7 Art. nr. 6316204
CN9 Art. nr. 6316201
CN10 Art. nr. 6319165
CN12 Art. nr. 6316280
CN13 Art. nr. 6316213
CN18 Art. nr. 6319147
| Informatie die meegedeeld moet worden voor ruimteverwarming en gemengde ketels | ||||||||
| nadido | MURELLE HE 35 R ErP | |||||||
| Ketel met rookgascondensor: | Yes | |||||||
| Ketel met lage temperatuur: | Yes | |||||||
| Ketel van het type B11: | No | |||||||
| Warmtekrachtkoppelingstoestel voor ruimteverwarming: | No | Uitgerust met een bijkomend verwarmingstoestel: | No | |||||
| Gemengd verwarmingstoestel: | No | |||||||
| Element | Symbool | Waarde | Unit | Element | Symbool | Waarde | Unit | |
| Nominaal thermisch vermogen | P_n | 34 | kW | Energie-efficiëntie ruimteverwarming | ηs | 93 | % | |
| Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels:bruikbaar thermisch vermogen | Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels:bruikbare efficiëntie | |||||||
| Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime * | P_4 | 33,8 | kW | Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime (*) | ηl | 87,4 | % | |
| Bij 30% van het nominaal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime * | P_i | 10,1 | kW | Bij 30% van het nominaal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime (*) | ηl | 97,7 | % | |
| Bijkomend elektriciteits verbruik | Andere elementen | |||||||
| Met volle belasting | eI_mn | 0,064 kW | Warmteverlies tijdens stand-by | Pstby | 0,108 kW | |||
| Met gedeeltelijke belasting | eI_mn | 0,016 kW | Energieverbruik van de ontstekingsbrander | Pign | 0 | kW | ||
| In stand-by | PSB | 0,004 kW | Nox-uitstoot | NOx | 21 | mg/kWh | ||
| Voor gemengde verwarmingstoestellen: | ||||||||
| Verklaard capaciteitsprofiel | -- | Energie-efficiëntie waterverwarming | ηwh | -- | % | |||
| Dagelijks energieverbruik | Qelec | -- | kWh | Dagelijks brandstofverbruik | Qfuel | -- | kWh | |
| Contactgegevens | Fonderie Slme S.p.A. Via Garbo 27, 37045 Legnago (VR) ITALIA | |||||||
| a. Hoge-temperatuuregime: terugkeertemperatuur van 60°C aan de ingang en een gebruikstemperatuur van 80°C aan de uitgang van het toestel.b. Lage temperatuur: terugkeertemperatuur (aan de ingang van de ketel) voor ketels met rookgascondensor 30°C, voor lage-temperatuurketels 37°C en voor de andere ketels 50°C.(*) De gegevens met betrekking tot het rendement wordt berekent met verbrandingswaarde Hs. | ||||||||
NL
sime
ENGLEBERT Alain - alain.englebert@dps-pro.com
GSM +32 495/54.04.75 - FAX +32 2/771.58.28
info@dps-pro.com - www.dps-pro.com
MALRAIN Thomas - thomas.malrain@dps-pro.com