MISTRAL HE ErP_BE - Ketel SIME - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MISTRAL HE ErP_BE SIME in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over MISTRAL HE ErP_BE SIME
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MISTRAL HE ErP_BE - SIME en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MISTRAL HE ErP_BE van het merk SIME.
GEBRUIKSAANWIJZING MISTRAL HE ErP_BE SIME
Het overschakelen vane en gassoort van de 2e familie op een gassoort van de 3e familie of andersom is toegestaan in Frankrijk maar niet in België. De in deze paragrafa vermelde werkzaamheden golden dus uitsluitend voor de ketels die in FRANKRIJK geïnstalleerd zijn.
Het toestel mag alleen door erkende vakmensen op een andere gassoort overgeschakeld worden, waarbij uitsluitend originele onderdelen van SIME gebruikt mogen worden.
Voor de werking op vloeibaar gas (G31) word teen speciale set geleverd.
Voor het overschakelen van de ene gassoort op de andere moet het volgende gedaan worden:
- Draai de gaskraan dicht.
- Vervang het inspuitstuk en de afdichting (1) met die bij de ombouwset geleverd zijn.
- Test alle gasaansluitingen waarbij u zeepsop of speciale producten moet gebruiken, gebruik uiteraard geen open vuur.
- Breng het plaatje met de gassoort waar het toestel op ingesteld is aan.
- Ga verder met de nieuwe configuratie van de voedingsbrandstof en met de afstelling van de gasklepdruk zoals aangegeven in punt 4.2 van deze handleiding.

De gieterij SIME SpA, met zetel in Via Garbo 27, 37045 Legnago (VR), Italië, verklaart dat de reeks toestellen MISTRAL HE conform is aan het gehomologeerde type en voldoet aan de eisen van het Koninklijk Besluit van 8/01 / 2004, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 17/07/2009 tot regeling van de stikstofoxides (NOx) en koolmonoxide (CO)-emissieniveaus voor de olie- en gasgestookte centrale verwarmingsketels en branders, met een nominaal thermisch vermogen gelijk aan of lager dan 400 kW.
CONFORMITEIT
Het bedrijf verklaart dat de ketels MISTRAL HE 32 BE - MISTRAL HE 32/50 BE en 32/110 BE voldoen aan de fundamentele eisen van de volgende richtlijnen:
- Richtlijn Rendementseisen 92/42/EEG
- Gasregeling 2016/426/EG
- Richtlijn elektromagnetische compatibiliteit 2014/30/UE
– Richtlijn Lage spanning 2014/35/UE - Richtlijn ecologisch ontwerp 2009/125/EG
- Voorschrift (UE) n. 813/2013 - 811/2013
- Voorschrift (EU) 2017/1369
CE
BELANGRIJK
Wanneer men de ketel voor de eerste keer aan zet, doet men er goed aan de volgende controles uit te voeren:
- Controleer of er geen ontvlambare vloeistoffen of brandbare materialen in de onmiddellijke buurt van de ketel zijn.
- Controleer of de elektrische aansluiting correct werd uitgevoerd en of de aardingskabel op een goed aardingssysteem is aangesloten.
- Open de gaskraan en controleer de dichting van de koppelingen, ook die van de brander.
- Controleer of de ketel is voorzien voor werking met de geleverde soort gas.
- Controleer of de leiding voor evacuatie van de verbrandingsproducten vrij is en correct werd gemonteerd.
- Controleer of eventuele afsluitkleppen geopend zijn.
- Controleer of het systeem met water is gevuld en goed ontlucht is.
- Controleer of de circulator niet geblokkeerd is.
- Laat de aanwezige lucht af in de gasleiding met behulp van de speciaal voorziene drukontluchting die op de ingang van de gasklep zit.
1 BESCHRIJVING VAN HET TOESTEL
1.1 INLEIDING
De gietijzeren condensatieketel MISTRAL HE met brander met voormengen op lage
NOx, vormen de ideale oplossing voor de vele vereisten van de installatiesystemen. Ze kunnen met natuurlijk gas (G20-G25) en met propaangas (G31) worden gevoed.
Houdt u aan de instructies vermeld in deze handleiding voor een correcte installatie en een perfecte werking.
SYMBOLEN OP HET APPARAAT
Op het apparaat zijn de volgende symbolen aanwezig:
| SYMBOL BESCHRIJVING | |
![]() | Geeft aan dat er zeer gevaarlijke gebieden in het apparaat aanwezig zijn. |
![]() | Geeft aan dat er elektrische onderdelen in het apparaat aanwezig zijn die onder spanning staan. |
![]() | Geeft aan dat er informatie over het apparaat beschikbaar is, zoals bijvoorbeeld de gebruiksaanwijzing. |
![]() | Geeft aan dat het personeel dat verantwoordelijk is voor het onderhoud van het apparaat, de gebruiksaanwijzing moet raadplegen. |
![]() | Geeft aan dat de gebruiksaanwijzing moet worden gelezen. |
![]() | Geeft aan dat het apparaat moet worden aangesloten op een aardingssysteem. |
IDENTIFICATIE
De ketels Edea HM F/B kunnen geïdentificeerd worden door:
Etiket verpakking: bevindt zich aan de buitenkant van de verpakking en vermeldt de code, het serienummer van de ketel en de streepjescode.
Etiket energieklasse: bevindt zich aan de buitenkant van de verpakking en bevat informatie over het energiebesparingsniveau en over de lagere milieuvervuiling van het apparaat.
Technische plaat: bevindt zich aan de zijkant van het apparaat en vermeldt de technische gegevens, gegevens met betrekking tot de prestaties van het apparaat en dat-gene wat vereist is volgens de wetgeving die van kracht is in het land waar het apparaat gebruikt wordt.
M Aanvoer installatie Zone 1 H00G 3/4"
R Terugkeer installatie Zone 1 HOOG 3/4"
M1 Aanvoer installatie Zone 2 H00G (*) 3/4"
R1 Terugkeer installatie Zone 2 H00G (*) 3/4"
M2 Aanvoer installatie Zone 2 LAAG (*) 3/4"
R2 Terugkeer installatie Zone 2 LAAG (*) 3/4"
M3 Aanvoer installatie Zone 3 LAAG [*] 3/4
R3 Terugkeer installatie Zone 3 LAAG (*) 3/4"
G Gastoevoer 3/4"
S Condensafvoer
CA Aanzuigleiding ø 80
CS Afvoerleiding ø 80 - Coaxiaal ø 60/100
(*) Met optionele kit
OPMERKING: Voor normale onderhoudswerkzaamheden is het aanbevolen om aan de rechterkant van de ketel minstens 40 cm ruimte te laden om het zijpaneel achteraan weg te nemen.
Afb. 1
1.2.2 Mistral HE 32/50 BE (Afb. 1/a)

KOPPELINGEN
M Aanvoer installatie Zone 1 H00G 3/4"
R Terugkeer installatie Zone 1 HOOG 3/4"
U Uitgang sanitair water 1/2"
E Ingang sanitair water 1/2"
C Recirculatie
G Gastoevoer
S Condensafvoer
CA Aanzuigleiding ø 80
CS Afvoerleiding ø 80 - Coaxiaal ø 60/100
1/2"
3/4"
Afb. 1/a
1.2.3 Mistral HE 32/110 BE (Afb. 1/b)

KOPPELINGEN
M Aanvoer installatie Zone 1 HOOG 3/4"
R Terugkeer installatie Zone 1 HOOG 3/4"
M1 Aanvoer installatie Zone 2 H00G (*) 3/4"
R1 Terugkeer installatie Zone 2 HOOG [*] 3/4"
M2 Aanvoer installatie Zone 2 LAAG [*] 3/4"
R2 Terugkeer installatie Zone 2 LAAG (*) 3/4"
M3 Aanvoer installatie Zone 3 LAAG [*] 3/4"
R3 Terugkeer installatie Zone 3 LAAG (*) 3/4"
U Uitgang sanitair water 3/4"
E Ingang sanitair water 3/4"
C Recirculatie (*)
G Gastoevoer
S Condensafvoer
CA Aanzuigleiding ø 80
CS Afvoerleiding ø 80 - Coaxiaal ø 60/100
(*) Met optionele kit
OPMERKING: Voor normale onderhoudswerkzaamheden is het aanbevolen om aan de rechterkant van de ketel minstens 40 cm ruimte te laden om het zijpaneel achteraan weg te nemen.
Afb. 1/b
1.3 HOOFDCOMPONENTEN
1.3.1 Mistral HE 32 BE (Afb. 2)

1 Bedieningspaneel
2 Veiligheidthermostaat 100°C
3 Luchtdrukregelaar
4 Transductor druk van het water
5 Sonde terugkeer verwarming (SR)
6 Pomp installatie
7 Kraan om de ketel af te laten
8 Elektrode voor detectie
9 Transformator voor ontsteking
0 Elektrode voor ontsteking
1Ventilator
2 Gasklep
3 Beveiligingsklep installatie 3 bar (294 kPa)
4 Sonde aanvoer met bol (SM)
Afb. 2
1.3.2 Mistral HE 32/50 BE (Afb. 2/a)

1 Bedieningspaneel
2 Veiligheidthermostaat 100°C
3 Expansievat sanitair
4 Kraan om de installatie te vullen
5 Transductor druk van het water
6 Sonde terugkeer verwarming (SR)
7 Pomp installatie
8 Hydraulische afsluiter
9 Inox boiler (50 liter)
10 Kraan om de boiler af te laten
11 Kraan om de ketel af te laten
12 Elektrode voor detectie
13 Transformator voor ontsteking
14 Elektrode voor ontsteking
15Ventilator
16Verdeelklep
17Gasklep
19 Beveiligingsklep installatie 3 bar (294 kPa)
20 Sonde aanvoer met bol (SM)
Afb. 2/a
1.3.3 Mistral HE 32/110 BE (Afb. 2/b)

1 Bedieningspaneel
2 Veiligheidthermostaat 100°C
3 Expansievat sanitair
4 Luchtdrukregelaar
5 Transductor druk van het water
6 Sonde terugkeer verwarming (SR)
7 Pomp installatie
8 Beveiligingsklep boiler 7 bar (686 kPa)
9 Inox boiler (110 liter)
10 Kraan om de boiler af te laten
11 Hydraulische afsluiter
12 Elektrode voor detectie
13 Transformator voor ontsteking
14 Elektrode voor ontsteking
15 Ventilator
16Verdeelklep
17 Gasklep
18 Beveiligingsklep installatie 3 bar (294 kPa)
20 Kraan om de ketel af te laten
21 Sonde aanvoer met bol (SM)
Afb. 2/b
| MISTRAL HE 32 BE 32/50 BE 32/110 BE | ||||
| Thermisch vermogen nominaal G20; G31 (80-60°C) (Pn max) | kW | 29,0 | 29,0 | 29,0 |
| Thermisch vermogen nominaal G25 (80-60°C) (Pn max) | kW | 24,93 | 24,93 | |
| Thermisch vermogen nominaal G20; G31 (50-30°C) (Pn max) | kW | 31,7 | 31,7 | 31,7 |
| Thermisch vermogen nominaal G25 (50-30°C) (Pn max) | kW | 27,25 | 27,25 | |
| Thermisch vermogen gereduceerd G20; G31 (80-60°C) (Pn min) | kW | 14,3 | 14,3 | 14,3 |
| Thermisch vermogen gereduceerd G25 (80-60°C) (Pn min) | kW | 12,29 | 12,29 | 12,29 |
| Thermisch vermogen gereduceerd G20; G31 (50-30°C) (Pn min) | kW | 15,8 | 15,8 | 15,8 |
| Thermisch vermogen gereduceerd G25 (50-30°C) (Pn min) | kW | 13,58 | 13,58 | 13,58 |
| Branderbelasting verwarming (*) | ||||
| Nominaal G20; G31 (Qn max - Qnw max) | kW | 29,5 | 29,5 | 29,5 |
| Nominaal G25 (Qn max - Qnw max) | kW | 25,36 | 25,36 | 25,36 |
| Gereduceerd G20; G31 (Qn min - Qnw min) | kW | 14,7 | 14,7 | 14,7 |
| Gereduceerd G25 (Qn min - Qnw min) | kW | 12,64 | 12,64 | 12,64 |
| Min/max. nuttig rendement (80-60°C) | % | 97,3/98,2 | 97,3/98,2 | 97,3/98,2 |
| Min/max. nuttig rendement (50-30°C) | % | 107,4/107,5 | 107,4/107,5 | 107,4/107,5 |
| Nuttig rendement 30% van belasting (40-30°C) | % | 108,5 | 108,5 | 108,5 |
| Rendementsverlies bij stilstand bij 50° (EN 15502-1:2021+A1:2023) | W | 195 | 451 | 532 |
| Voedingsspanning | V-Hz | 230-50 | 230-50 | 230-50 |
| Opgenomen elektrische vermogen (Qn max) | W | 90 | 90 | 90 |
| Opgenomen elektrische vermogen (Qn min) | W | 64 | 64 | 64 |
| Elektrische isolatiegraad | IP | X4D | X4D | X4D |
| Energie-efficiëntie | ||||
| Klasse seizoensgebonden energie-efficiëntie verwarming | A | A | A | |
| Seizoensgebonden energie-efficiëntie verwarming | % | 92 | 92 | 92 |
| Geluidsvermogen verwarming | dB [A] | 46 | 49 | 47 |
| Klasse energie-efficiëntie sanitair water | -- | B | B | |
| Energie-efficiëntie sanitair water | % | -- | 65 | 64 |
| Verklaard profiel sanitair vulwater | -- | XL | XXL | |
| Regelbereik verwarming | °C | 20/80 | 20/80 | 20/80 |
| Waterinhoud ketel | L | 15,2 | 20,7 | 20,9 |
| Maximum bedrijfsdruk (PMS) | bar (kPa) | 3 (294) | 3 (294) | 3 (294) |
| Maximum temperatuur (T max) | °C | 85 | 85 | 85 |
| Inhoud expansievat verwarming | L | 11 | 11 | 11 |
| Druk expansievat verwarming | bar (kPa) | 1 (98) | 1 (98) | 1 (98) |
| Regelbereik sanitair water | °C | -- | 10/65 | 10/65 |
| Specifiek sanitair debiet (EN 13203) | l/min | -- | 18,7 | 25,1 |
| Continu sanitair debiet (Δt 30°C) | l/min | -- | 13,9 | 13,9 |
| Min/max. (PMW) druk warm water | bar (kPa) | -- | 0,2/7,0 (19,6/686) | 0,2/7,0 (19,6/686) |
| Capaciteit boiler | L | -- | 50 | 110 |
| Sanitair expansievat | L | -- | 2,5 | 4,0 |
| Recuperatietijd van 25 tot 55°C | min | -- | 6'20" | 12'45" |
| Temperatuur rook bij max. debiet (80-60°C) ** | °C | 84,6 | 84,6 | 84,6 |
| Temperatuur rook bij min. debiet (80-60°C) ** | °C | 59 | 59 | 59 |
| Temperatuur rook bij max. debiet (50-30°C) ** | °C | 56 | 56 | 56 |
| Temperatuur rook bij min. debiet (50-30°C) ** | °C | 40 | 40 | 40 |
| Min/max. rookdebiet | g/s | 7,1/14,3 | 7,1/14,3 | 7,1/14,3 |
| Min/max. CO2-debiet (G20/G25) | % | 9,0/9,0 | 9,0/9,0 | 9,0/9,0 |
| Min/max. CO2-debiet (G31) | % | 10,0/10,0 | 10,0/10,0 | 10,0/10,0 |
| NOx afgemeten (EN 15502-1:2021+A1:2023) | mg/kWh | 48 | 48 | 48 |
| Land van bestemming | FR - BE | |||
| [FR] | G20/G25; G31 | |||
| Brandstof | [BE] | G20/G25 | ||
| PIN-nummer | 1312CR6182 | |||
| [FR] | II2Er3P | |||
| Categorie | [BE] | I2EIS) | ||
| [FR] | B23P-B53P-C13-C33-C43-C53-C63-C83-C93 | |||
| Classificatie toestel | [BE] | B23P-C13-C33-C43-C53-C83-C93 | ||
| NOx klasse (EN 15502-1:2021+A1:2023) | 6 (< 56 mg/kWh) | |||
| Gewicht ketel | kg | 124 | 145 | 175 |
| Insputstukken hoofdgas | ||||
| Aantal | n° | 1 | 1 | 1 |
| Diameter straalpijpen (G20/G25) | ø mm | 6,5 | 6,5 | 6,5 |
| Diameter straalpijpen (G31) | ø mm | 4,6 | 4,6 | 4,6 |
| Verbruik bij max./min. vermogen (G20/G25) | m3/h | 3,12/1,55 | 3,12/1,55 | 3,12/1,55 |
| Verbruik bij max./min. vermogen (G31) | kg/h | 2,29/1,14 | 2,29/1,14 | 2,29/1,14 |
| Gasvoedingsdruk (G20) | mbar (kPa) | 20 (1,96) | ||
| Gasvoedingsdruk (G25) | mbar (kPa) | 25 (2,45) | ||
| Gasvoedingsdruk (G31) | mbar (kPa) | 37 (3,62) | ||
(*) Thermisch vermogen berekend aan de hand van het laag verwarmingsvermogen (HLV)
(**) Testen uitgevoerd met afzonderlijke schoorstenen ø 80, minimum lengte.
1.5 WERKINGSSCHEMA
AANDACHT
In het geval van NIET GEBRUIK van de optionele Sime zonekits en in aanwezigheid van een verwarmingssysteem met automatische 2-weg afsluitsystemen (bijv. zonekleppen, thermostatische kleppen, elektrothermische kleppen, enz.) is het VERPLICHT om een door -passage tussen de stroomopwaartse van het automatische 2-weg onderscheppingssysteem en de terugkeer 1.5.1 Mistral HE 32 BE (Afb. 3)

text_image
28 M R 31 19 34 10 11 2 7 3 4 33 S 8 12 22 6 GKINGONHEALTAZTEMPERATURA
TEMPERATUUR Art. nr. 8100903

text_image
21 M R 29 24 23 10 20 20 22 22 31 R1 R M1 M 28 28KONFIZONA KALTONE HZONA ZINSSAG
TEMPERATUUR Art. nr. 8100901

text_image
21 29 10 23 26 20 24 22 25 27 28 20 31 31 R2 R M2 M 28CONFIGURATIE KIT 1 ZONE HOOG - 2 ZONES LAAG
TEMPERATUUR Art. nr. 8100902

flowchart
graph TD
A["Valve 21"] --> B["Actuator 29"]
C["Valve 23"] --> B
D["Valve 26"] --> E["Actuator 20"]
F["Valve 24"] --> G["Actuator 25"]
H["Valve 28"] --> I["Actuator 22"]
J["Valve 27"] --> K["Actuator 22"]
L["Valve 20"] --> M["Actuator 20"]
N["Valve 22"] --> O["Actuator 22"]
P["Valve 25"] --> Q["Actuator 25"]
R["Valve 27"] --> S["Actuator 27"]
T["Valve 28"] --> U["Actuator 28"]
V["R2"] --> W["Return Line"]
X["R3"] --> Y["Return Line"]
Z["R"] --> AA["Return Line"]
AB["M3"] --> AC["Return Line"]
AD["M"] --> AE["Return Line"]
AF["M2"] --> AG["Return Line"]
LEGENDE
1 Gietijzeren ketelromp
2 Expansievat verwarming
3 Ontluchtingsklep
4 TVeiligheidthermostaat 100 °C
5 ---
6 Gasklep
7 Ventilator
8 Pomp installatie
9 ---
10 Beveiligingsklep installatie 3 bar (294 kPa)
11 Transductor druk van het water
12 Kraan om de ketel af te laten
19 Sonde terugkeer verwarming (SR)
20 Pomp installatie zone
21 Automatische ontluchting
22 Eenrichtingsklep
23 Afvoer hydraulische collector
24 Handmatige ontluchting
25 Veiligheidthermostaat lage temperatuur
26 Mengklep
27 Sonde aanvoer zone
28 Kraan aanvoer installatie (niet geleverd)
29 Hydraulische collector
30 ----
31 Kraan terugkeer installatie (niet geleverd)
33 Sifon condensafvoer
34 Na-condensator
KOPPELINGEN
M Aanvoer installatie Zone 1 HOOG
R Terugkeer installatie Zone 1 HOOG
M1 Aanvoer installatie Zone 2 H00G
R1 Terugkeer installatie Zone 2 H00G
M2 Aanvoer installatie Zone 2 LAAG
R2 Terugkeer installatie Zone 2 LAAG
M3 Aanvoer installatie Zone 3 LAAG
R3 Terugkeer installatie Zone 3 LAAG
G Gastoevoer
S Condensafvoer
Afb. 3
1.5.2 Mistral HE 32/50 - 32/110 BE (Afb. 3/a)

flowchart
graph TD
A["1"] --> B["2"]
B --> C["3"]
C --> D["4"]
D --> E["5"]
E --> F["6"]
F --> G["7"]
G --> H["8"]
H --> I["9"]
I --> J["10"]
J --> K["11"]
K --> L["12"]
L --> M["13"]
M --> N["14"]
N --> O["15"]
O --> P["16"]
P --> Q["17"]
Q --> R["18"]
R --> S["19"]
S --> T["20"]
T --> U["21"]
U --> V["22"]
V --> W["23"]
W --> X["24"]
X --> Y["25"]
Y --> Z["26"]
Z --> AA["27"]
AA --> AB["28"]
AB --> AC["29"]
AC --> AD["30"]
AD --> AE["31"]
AE --> AF["M"]
AE --> AG["R"]
AE --> AH["G"]
AI["MBS"] --> AJ["18"]
AK["RBS"] --> AL["14"]
AM["U"] --> AN["30"]
AO["C"] --> AP["30"]
AQ["E"] --> AR["30"]

text_image
KONZIONATIAT TEMPERATURA HOGE TEMPERATUUR Art. nr. 8100903 (atleen voor 32/110 ErP) 21 29 24 23 10 20 20 31 31 28 28 M R M M
text_image
KORI GLUNAKRA-ZONDO GASSA ZONE LAAG TEMPERATUUR Art. nr. 8100901 (alleen voor 32/110 ErP) 21 29 2626 10 20 24 2525 27 2828 22 31 31 R2 R M2 M
flowchart
graph TD
A["31"] --> B["R2"]
C["31"] --> D["R3"]
E["31"] --> F["R"]
G["28"] --> H["M3"]
I["28"] --> J["M"]
K["27"] --> L["M3"]
M["27"] --> N["M"]
O["26"] --> P["M2"]
Q["25"] --> R["M2"]
S["24"] --> T["M3"]
U["20"] --> V["M"]
W["10"] --> X["M3"]
Y["29"] --> Z["M"]
AA["21"] --> AB["M"]
AC["32/10 ErP"] --> AD["TEMPERATUUR Art. nr. 8100902 (alleen voor 32/110 ErP)"]
LEGENDE
1 Gietijzeren ketelromp
2 Expansievat verwarming
3 Ontluchtingsklep
4 Veiligheidthermostaat 100 °C
5 ---
6 Gasklep
7 Ventilator
8 Pomp installatie
9 Verdeelklep
10 Beveiligingsklep installatie 3 bar (294 kPa)
11 Transductor druk van het water
12 Kraan om de ketel af te laten
13 Hydraulische afsluiter
14 Inox boiler
15 Beveiligingsklep boiler 7 bar (686 kPa)
16 Expansievat sanitair
17 Kraan om de boiler af te laten
18 Magnesium anode
19 Sonde terugkeer verwarming (SR)
20 Pomp installatie zone
21 Automatische ontluchting
22 Eenrichtingsklep
23 Afvoer hydraulische collector
24 Handmatige ontluchting
25 Veiligheidthermostaat lage temperatuur
26 Mengklep
27 Sonde aanvoer zone
28 Kraan aanvoer installatie (niet geleverd)
29 Hydraulische collector
30 Kraan ingang sanitair (niet geleverd)
31 Kraan terugkeer installatie (niet geleverd)
32 Sonde boiler (SB)
33 Sifon condensafvoer
34 Na-condensator
KOPPELINGEN
M Aanvoer installatie Zone 1 H00G
R Terugkeer installatie Zone 1 H00G
M1 Aanvoer installatie Zone 2 HOOG
R1 Terugkeer installatie Zone 2 H00G
M2 Aanvoer installatie Zone 2 LAAG
R2 Terugkeer installatie Zone 2 LAAG
M3 Aanvoer installatie Zone 3 LAAG
R3 Terugkeer installatie Zone 3 LAAG
MBS Aanvoer solarboiler (alleen voor vers. 32/110 BE)
RBS Terugkeer solarboiler (alleen voor vers. 32/110 BE)
S Condensafvoer
E Ingang sanitair water
U Uitgang sanitair water
C Recirculatie
Afb. 3/a
2 INSTALLATIE
2.1 VENTILATIE LOKAAL VAN DE KETEL
De ketels MISTRAL HE kunnen zonder beperkingen van opstelling en aanvoer van verbrandingslucht in om het even welke huiselijke omgeving worden geinstalleerd.
2.2 AANSLUITING VAN HET SYSTEEM
Om de verwarmingsinstallatie te behoeden voor schadelijke corrosie, aanslag of bezinksel, is het van zeer groot belang om vooraleer het toestel te installeren eerst het systeem te spoelen, in overeenstemming met de norm UNI-CTI 8065, met behulp van geschikte producten, zoals Sentinel X300 (nieuwe installations), X400 en X800 (oude installations) of Fernox Cleaner F3.
De volledige instructies worden bij de producten meegeleverd, maar voor meer uitleg u kunt altijd rechtstreeks contact opnemen met de fabrikant
Na het spoelen van het systeem, is het gebruik aanbevolen van remmers zoals Sentinel X100 of Fernox Protector F1 om het systeem te beschermen tegen corrosie of aanslag. Het is belangrijk om de concentratie van de remmer na iedere wijziging aan het systeem en bij iedere onderhoudsinterventie te controleren, volgens de voorschriften van de fabrikanten (bij de verkopers zijn speciale tests verkrijgbaar). De afvoer van de veiligheidsklep moet worden aangesloten op een opvangtrechter om eventuele afgelaten stoffen bij een interventie op te vangen.
Wanneer de verwarmingsinstallatie zich op een verdieping hoger ten opzichte van de ketel bevindt, is het noodzakelijk om op de aanvoer- en terugkeerleidingen van de installatie afsluitkranen te installeren, beschikbaar in optionele kits.
OPGEPAST: Het niet spoelen van de verwarmingsinstallatie en het niet gebruiken van een geschikte remmer doen de garantie van het toestel vervallen.
De gasaansluiting dient te gebeuren in overeenstemming met de nationale reglementen NBN D 51.003/NBN D 61.002/NBN D 61.001. Bij het bepalen van de afmetingen van de gasleidingen, van teller tot module, moet men zowel met het debiet in volume (verbruik) in m3/u als met de densiteit van het geanalyseerde gas rekening houden.
De doorsnede van de leidingen waaruit de installatie bestaat, moeten van die aard zijn dat ze een voldoende gastoevoer garanderen om de maximale aanvraag te dekken en het drukverlies tussen teller en elk verbruikstoestel te beperken tot niet meer dan:
- 1,0 mbar voor gas van de tweede groep (G20 - G25)
- 2,0 mbar voor gas van de derde groep (G31).
Aan de binnenkant van de mantel is een sticker aangebracht waarop de technische identificatiegegevens staan vermeld en de gassoorl waarvoor de ketel is voorzien.
2.3.1 Kit aansluitingskranen (optie)
Om de hydraulische aansluitingen op de leidingen van de installatie uit te voeren, worden een kit met kranen geleverd, Art. nr. 8091827.
2.3.2 Accessoires systeem met zones (optie)
Wanneer men de verwarmingsinstallatie in meerdere zones wil verdelen met hoge en lage temperatuur (vloerverwarmingssystemen, levert SIME voor de vers. MISTRAL HE 32 BE - MISTRAL HE 32/110 BE de volgende kits:
- kit twee zones hoge temperatuur Art. nr. 8100903
- kit één zone hoge en één zone lage temperatuur Art. nr. 8100901
- kit één zone hoge en twee zones lage temperatuur Art. nr. 8100902.
ledere verpakking bevat gedetailleerde instructies over de montage van de componenten.
2.3.3 Filter op de gasleiding
Op de gasklep zit standaard een filter gemonteerd op de ingang, die echter niet in staat is om alle onzuiverheden die in het gas en in de distributieleidingen zitten tegen te houden. Om een slechte werking van de klep te vermijden, of in zekere gevallen zelfs de uitsluiting van de beveiliging waarmee deze is voorzien, is het aanbevolen om op de gasleiding een geschikte filter te installeren.
2.3.4 Thermische isolatie van leidingen (afb. A)
Zodra de installatiewerkzaamheden zijn voltooid, is het noodzakelijk om de blootliggende buisonderdelen en fittingen te isoleren met behulp van een thermisch isolerende buis van geschikte grootte.

Het vullen van de ketel wordt uitgevoerd door de vulkraan die aangebracht moet zijn op de retourleiding van de installatie in de versies MISTRAL HE 32 BE. In de versies MISTRAL HE 32/50 - 32/110 BE moeten daarentegen kranen (A-B) geopend worden en moet de vulling plaatsvinden tot de druk die door de transductor aangeduid wordt tussen 1 en 1,5 bar (98 en 147 kPa) ligt. Is het vullen klaar sluit dan de kranen (A-B). Wanneer de druk boven de voorziene limiet is gestegen, moet men de druk beperken door de aflaat van de ketel te bedienen.
2.4.1 De boiler leegmaken (Afb. 4)
Om de boiler leeg te maken moet men de ketel uitzetten, de afsluitkranen sluiten en de speciale aflaatkraan (C) openen.

text_image
ALL 02 05w → 13w OPGEPAST: Het vullen van het systeem moet koud gebeuren, met de ketel in stand-by en de installatie-pomp uit. Alleen in deze omstandighe- den zal de water-druktransductor nauwkeurig de druk van de instal- latie signaleren. C C Afb. 42.5 TOEGESTANE SOORTEN UITLATEN EN KANALEN (TABEL A)
WAARSCHUWINGEN
- De afvoerleiding en de aansluiting op het schoorsteenkanaal moeten gerealiseerd worden in overeenstemming met de voorschriften en nationale en plaatselijke wetgeving die van kracht zijn in het land waar het apparaat gebruikt wordt.
- Het is verplicht om onbuigzame leidingen, die bestand zijn tegen temperaturen, condenswater, mechanische druk en waterdicht zijn, te gebruiken.
- Niet-geïsoleerde afvoerkanalen zijn mogelijke bronnen van gevaar.
- De afvoerkanalen voor rookgassen kunnen worden vervaardigd uit kunststof, bestand tot een maximumtemperatuur van 120°C, of uit roestvrij staal.
2.6 INSTALLATIE COAXIALE LEIDING ø 60/100 (Afb. 5)
De ketel wordt geleverd, voorzien voor aansluiting van coaxiale afvoerleidingen die men in de meest geschikte richting kan oriënteren, volgens de vereisten van het lokaal.
TABEL A
| Afvoer | Beschrijving FR BE | Coaxiale kanalen | Gescheiden kanalen | ||
| 60/100 80 | |||||
| B23P | Afzuigen verbrandingslucht in de ruimte en rookgasafvoer buiten.NOTA: opening voor verbrandingslucht ( 6 cm^2 × kW ) | X | X | ||
| B53P | Afzuigen verbrandingslucht in de ruimte en rookgasafvoer buiten.NOTA: opening voor verbrandingslucht ( 6 cm^2 × kW ) | X | X | ||
| C13 | Een apparaat dat bedoeld is om via zijn leidingen aan een horizontale aansluiting te worden gekoppeld, waardoor zowel de toevoer van verbrandingslucht als de afvoer van rookgassen via concentrische of redelijk dicht bij elkaar gelegen openingen mogelijk is (* Qn Max < 70 kW = binnen 50 cm, Qn Max > 70 kW = binnen 100 cm), zodat het onder vergelijkbare windomstandigheden staat. | X | X | X | |
| C33 | Een apparaat dat bedoeld is om via zijn leidingen aan een dakterminal te worden gekoppeld, waardoor zowel de toevoer van verbrandingslucht als de afvoer van rookgassen via concentrische of redelijk dicht bij elkaar gelegen openingen mogelijk is (* Qn Max < 70 kW = binnen 50 cm, Qn Max > 70 kW = binnen 100 cm), zodat het onder vergelijkbare windomstandigheden staat. | X × X | X | ||
| C43 | Afvoer en aspiratie in gescheiden rookkanalen, maar onder vergelijkbare windomstandigheden. De ketels van type C4 zijn geschikt voor aansluiting op een natuurlijk trek rookkanaal met een maximale depressie van 0,5 mbar. De temperatuur van de oververhitte verbrandingsgassen bedraagt 98 °C | X × X | X | ||
| C53 | Gescheiden afvoer en afzuiging aan de muur of op het dak en hoe dan ook in verschillende zones.NOTA: de afvoer en de afzuiging mogen nooit op tegenovergestelde muren geplaatst worden. | X × X | |||
| C83 | Afvoer via een enkele of gezamenlijke schoorsteen en aanzuiging door de wand. De ketels van type C8 zijn geschikt voor aansluiting op een natuurlijk trek rookkanaal met een maximale depressie van 2 mbar. De temperatuur van de oververhitte verbrandingsgassen bedraagt 98 °C | X × X | |||
| C93 | Gescheiden afvoer en aanzuiging in gemeenschappelijke rookgaskanaal. Minimale doorsnede van verbrandingsluchtkanaal 60 mm | X × X | |||
| C63 | Afvoer en afzuiging gerealiseerd met in de winkel verkrijgbare buizen die afzonderlijk gecertificeerd worden. De temperatuur van de oververhitte verbrandingsgassen bedraagt 98 °C. De maximaal toegestane recirculatie is 10 ten opzichte van de nominale CO2 vermeld in de tabel "Technische kenmerken". De afvoer- en aanzuigopeningen mogen nooit op tegenovergestelde wanden worden geplaatst. Het apparaat mag niet worden aangesloten op een gezamenlijk rookkanaal dat onder positieve druk werkt. | X | |||
P: rookgasafvoersysteem ontworpen om te werken bij positieve druk. Minden mérés mm-ben értendő.
De maximale horizontale lengte van de leiding mag niet meer dan 3,0 meter bedragen. Bij installatie met afvoer via het dak, is het mogelijke een lengte in verticale recht lijn van 3,7 m te bereiken, met inbegrip van de concentrische bocht op de uitgang van de ketel.
Indien het drukverlies meer dan 4 mm H20 bedraagt, moet ter garantie van de correcte werking van het toestel de parameter voor de installateur PAR 9 worden ingesteld zoals vermeld in TABEL 1-1/a (zie puntje 3.3 voor toegang tot de sectie PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR).
Gebruik uitsluitend oorspronkelijke accessoires van SIME en zorg ervoor dat de aansluiting op correcte wijze gebeurt, zoals aangegeven in de instructies die bij de accessoires worden meegeleverd. De schema's van Afb. 5 illustreren enkele voorbeelden van verschillende wijzen voor coaxiale afvoer.
Tijdens de installatie doet men er goed aan zich te houden aan de voorschriften die door de normen worden opgelegd en enkele praktische tips indachtig te zijn:
- Wanneer de aanzuigleiding langer is dan 1 meter bij rechtstreekse aanzuiging van buiten, is het aanbevolen om te isoleren om tijdens bijzonder strenge perioden de vorming van dauw aan de buitenkant van de leiding te voorkomen.
- Wanneer de afvoerleiding buiten het gebouw of in koude omgevingen is uitgewerkt, moet men isoleren om te vermijden dat de brander niet wil starten. In deze gevallen moet men op de leidingen een systeem voor condensopvang voorzien.
- Wanneer men met de leidingen door brandbare wanden gaat, moet men het passagestuk van het afvoerkanaal voor
de rookgassen isoleren met een cupel in glaswol met een dikte van 30 mm, densiteit 50 kg/m³.
- Voor ketels met coaxiale afvoerpijpen is het niet nodig om minimale afstanden tot brandbare wanden in acht te nemen, omdat de temperatuur van de pijp tijdens normaal bedrijf van de ketel nooit hoge temperaturen bereikt (het temperatuurverschil tussen de wand en de omgeving overschrijdt nooit 60 K).
De totale maximale lengte, verkregen door de lengten van de aanzuigleiding en afvoerleiding op te tellen, wordt bepaald door het laadverlies van de afzonderlijk aangebrachte accessoires en mag niet meer dan 15,00 mm H2O bedragen.
Indien het drukverlies meer dan 4 mm H20 bedraagt, moet ter garantie van de correcte werking van het toestel de parameter voor de installateur PAR 9 worden ingesteld zoals vermeld in
1 Set coaxiale buis Art. nr. 8096250
2a Verlengstuk L. 1000 Art. nr. 8096150
2b Verlengstuk L. 500 Art. nr. 8096151
3 Verticaal verlengstuk L. 140 met aansluitingen Art. nr. 8086950
4a Extra bocht van 90° Art. nr. 8095850
4b Extra bocht van 45° Art. nr. 8095950
5 Doorvoerpan Art. nr. 8091300
6 Eindstuk dakdoorvoer L. 1285 Art. nr. 8091205
| Model Lengte buisø 60/100L H | |||
| Min | |||
| Max | |||
| 32 BE 3,0 m | -- 3,7 m | ||
| 32/50 BE 3 | 0 m -- | 3,7 m | |
| 32/110 BE | 3,0 m | -- 3,7 m | |

- De installatie van iedere aanvullende bocht 90° ø 60/100, vermindert het beschikbare stuk met 1,0 meter.
- De installatie van iedere aanvullende bocht 45° vermindert het beschikbare stuk met 0,5 meter.
- Verzeker u er tijdens de montage van dat de set coaxiale buis (1) horizontaal is geplaatst.
NB: Bij het aanbrengen van de accessoires wordt geadviseerd om de binnenzijde van de afdichtingen met producten met bestanddelen op siliconenbasis te smeren en geen olie en vet in het algemeen te gebruiken.
VERTICALE AFVOERLEIDING
Ter garantie van de correcte werking van het toestel stel de parameter voor de installateur PAR 9 in zoals vermeld in TABEL 1 (zie puntje 3.3 voor toegang tot de sectie parameters voor de installateur).
TABEL 1
Ter garantie van de correcte werking van het toestel stel de parameter voor de installateur PAR 9 in zoals vermeld in TABEL 1/a (zie puntje 3.3 voor toegang tot de sectie parameters voor de installateur).
TABEL 1/a
| MAX. LENGTELEIDING (m) | PAR 9(lange schoorstenen) |
| 0 - 1,0 | 2 |
| 1,0 - 2,0 | 3 |
| 2,0 - 3,0 | 4 |
Afb. 5
TABEL 2 (zie puntje 3.3 voor toegang tot de sectie PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR).
Raadpleeg Tabel 3 en het praktische voorbeeld in afb. 6 voor het laadverlies van de accessoires.
2.7.1 Type afvoer (Afb. 7 - Afb. 7/a)
Om dit soort afvoer uit te voeren, beveel aan afb. 7.
Het volledige gamma accessoires die nodig zijn om aan alle installatievereisten te voldoen, staat in afb. 7/a weergegeven.
Bescherm de aanzuiging met het optionele accessoire Art. nr. 8089501.
De totale maximale lengte, verkregen door de lengten van de aanzuigleiding en afvoerleiding op te tellen, wordt bepaald door het laadverlies van de afzonderlijk aangebrachte accessoires en mag niet meer dan 15,00 mm H2O bedragen.
TABEL 3
| Accessoires ø 80 Laadverlies (mm H 20) | |
| Aanzuiging Afvoer |
Bocht 90° MF 0,30 0,40
Bocht a 45° MF 0,25 0,35
Verlengstuk L. 1000 (horizontaal) 0,30 0,30
Verlengstuk L. 1000 (verticaal) 0,30 0,30
| Eindstuk op de muur | 0,10 | -- |
| Eindstuk op de muur | -- | 0,35 |
| Eindstuk uitgang via het dak * | 1,20 0,25 |
* Het verlies van het aanzuigaccessoire omvat de collector Art. nr. 8091400
Voorbeeld berekening van toegelaten installatie omdat de som van het laadverlies van de afzonderlijk aangebrachte accessoires minder (is dan 15,00 mm H2O:
| Aanzuiging | Afvoer | |
| 10 meter horizontale buis ø 80 x 0,30 | 3,00 | - |
| 10 meter horizontale buis ø 80 x 0,30 | - | 3,00 |
| 2 bochten 90° ø 80 x 0,30 | 0,60 | - |
| 2 bochten 90° ø 80 x 0,40 | - | 0,80 |
| 1 eindstuk ø 80 | 0,10 | 0,35 |
| Totaal laadverlies | 3,70 | + 4,15 = 7,85 mm H2O |
Afb. 6

text_image
Indien het drukverl res meer dan 4 mn van de correcte we meter voor de insLEGENDE
CA Toevoer
CS Afvoer
OPGELET!
Indien het drukverlies voor de afzonderlijke accessoires meer dan 4 mm H2O bedraagt, moet ter garantie van de correcte werking van het toestel stel de parameter voor de installateur PAR 9 in zoals vermeld in TABEL 2 (zie puntje 3.3 voor toegang tot de sectie parameters voor de installateur).
TABEL 2
| DRUKVERLIES (mm H2O) (lange schoorstenen) | PAR ? |
| 0 - 4 | 0 |
| 4 - 7 | 1 |
| 7 - 10 | 2 |
| 10 - 13 | 3 |
| 13 - 15 | 4 |

text_image
Ø80 CS CAAfb.7

text_image
OPGELET: Vo len C53 moge en aanzuigle uitmonden op tegenover elk ø 80 leidingen in polypropyleen 12 nr. 8077450 (6 stuks) art. nr. 8077351 (6 stuks) t. nr. 8077350 (6 stuks) . 8089501 . nr. 8091500 8089500 nr. 8077451 (6 stuks) 400 3091300 L. 1381 Art. nr. 8091204 flaat Art. nr. 8091401 25 L. 885 Art. nr. 8091210 van de accessoires wordt geadvi- ran de afdichtingen met productenOPGELET: Voor de modelen C53 mogen de afvoeren aanzuigleidingen niet uitmonden op wanden die tegenover elkaar liggen.
1 Set met afzonderlijke leidingen in polypropyleen ø 80 kabeljauw. 8089912
2 Bocht van 90° MF Art. nr. 8077450 (6 stuks)
3a Verlengstuk L. 1000 Art. nr. 8077351 (6 stuks)
3b Verlengstuk L. 500 Art. nr. 8077350 (6 stuks)
4 Afvoereindstuk Art. nr. 8089501
5 Set int.-ext. ringen Art. nr. 8091500
6 Inlaateindstuk Art. nr. 8089500
7 Bocht van 45° MF Art. nr. 8077451 (6 stuks)
9 Collector Art. nr. 8091400
10 Doorvoerpan Art. nr. 8091300
11 Eindstuk dakdoorvoer L. 1381 Art. nr. 8091204
12
13 Verbinding afzuiging/aflaat Art. nr. 8091401
14 Coaxiale aflaat ø 80/125 L. 885 Art. nr. 8091210
NB: Bij het aanbrengen van de accessoires wordt geadviseerd om de binnenzijde van de afdichtingen met producten met bestanddelen op siliconenbasis te smeren en geen olie en vet in het algemeen te gebruiken.
Afb. 7/a

text_image
8089501Afb. 7/b
Indien het drukverlies meer dan 4 mm H20 bedraagt, moet ter garantie van de correcte werking van het toestel de parameter voor de installateur PAR 9 worden ingesteld zoals vermeld in TABEL 2 (zie puntje 3.3 voor toegang tot de sectie PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR).
Omdat de maximale lengte van de afvoerbuis wordt bepaald door het laadverlies van de afzonderlijk aangebrachte accessoires op te tellen, moet men Tabel 1 raadplegen voor de berekening.
2.9 PLAATSING VAN DE AFVOEREINDSTUKKEN
De afvoereindstukken van de toestellen met geforceerde trek kunnen geplaatst
worden zoals bepaald door de normen NBN D 51.003 en NBN B 61.002.
2.10 MODBUS WERKWIJZE (Afb. 9)
Dit wordt uitgevoerd met de kaart RS-485 Art. nr. 8092243, die afzonderlijk moet worden aangevraagd en die men aan de achterkant van het bedieningspaneel aanbrengt.
In dit geval gaat men op de volgende manier te werk:
- Stel de DIP SWITCH van de kaart in op MODBUS werkwijze.
- Kies de communicatieconfiguratie geschikt voor het aanwezige MODBUS netwerk (PAR 17 INST) volgens de beschrijving in Tabel PAR 17 INST.
2.11 ELEKTRISCHE AANSLUITING
De ketel is voorzien van een elektrische voedingskabel die bij SIME moet worden aangevraagd wanneer die moet worden vervangen. De voeding dient te gebeuren met enkelfasige spanning 230V - 50Hz via een hoofdschakelaar beschermd door zekeringen met minstens 3 mm afstand lussen de contacten. Respecteer de polariteit L - N en de aardingsaansluiting.
OPMERKING: Het toestel moet op een efficiënte aardingsinstallatie worden aanges loten. SIME wijst alle verantwoordelijkheid af voor letsels aan personen of schade aan voorwerpen die voortvloeien uit het ontbreken van een aardingsaansluiting op de ketel.
In geval van schade moet de voedingskabel

-- = Niet geactiveerd
1...31 = Slave van 1 tot 31
(OPGEPAST: Vermijd om de ketel te benoemen met hetzelfde getal dat al aan andere toestellen is toegekend)
PAR 17 CONFIGURATIE MODBUS
-- = Niet geactiveerd
1...30 = Fabriekswaarde: 25
(Zie Tabel PAR 17 INST)
OPGEPAST: Na het instellen van de parameters is het aanbevolen om de ketel uit en opnieuw aan te zetten.
Afb. 9
TABELLA DELLE VARIABILI MODBUS / MODBUS BOILER VARIABLES LIST
| Modbus address | Variable description | Type | Read / Write | U.M. | Min value | Max value | Descrizione / Function | |
| Digital variables (COILS) | ||||||||
| 1 | B oiler CH EmpublRe | D | R/W | - | 0 | 1 | Richiesta riscaldamento zona 1 | Request CH zone 1 |
| 2 | Boiler DHW Enable | D | R/W | - | 0 | 1 | Abilitazione preparazione ACS | Enable DHW preparation |
| 3 | B oiler Water Filtration D R | /R/W | - | 0 | 1 Non usato | Not used | ||
| 32 | Boiler CH Mode D R - 0 | 1 | Stato riscaldamento zona 1 | State CH zone 1 | ||||
| 33 | Boiler DHW Mode | D | R | - | 0 | 1 | Stato preparazione ACS | State preparation DHW |
| 34 | Boiler Flame Status | D | R | - | 0 | 1 | Stato presenza fiamma | State presence flame |
| 35 | Boiler Alarm Status | D | R | - | 0 | 1 | Stato presenza allarme | State presence alarm |
| Analog/integer variables (REGISTERS Word 16 bit) | ||||||||
| 1 | Boiler CH Primary Setpoint | A | R/W | 0,1°C | 20,0 | 80,0 | Setpoint riscaldamento zona 1.Se viene ricevuto un valore fuori range equivale a nessun valore ricevuto e viene mantenuta la termoregolazione di caldaia a punto fisso o a curva climatica. | Setpoint CH zone 1.If you receive a value out of range so the value isn't received and the boiler temperature control is maintained of fixed point or a temperature curve. |
| 2 | Boiler DHW Primary Setpoint | A | R/W | 0,1°C | 20,0 | 80,0 | Setpoint circuito primario durante la preparazione ACS (al posto di PAR 66 caldaia).Se viene ricevuto un valore fuori range equivale a nessun valore ricevuto e viene utilizzato il valore di regolazione presente in caldaia. | Setpoint CH during ACS preparation (for PAR 66 installer parameters)If you receive a value out of range the value isn't received and it is used the boiler value regulation . |
| 3 | Boiler DHW Setpoint | A | R/W | 0,1°C | 10,0 | 80,0 | Setpoint acqua calda sanitaria.Se viene ricevuto un valore fuori range equivale a nessun valore ricevuto e viene utilizzato il valore di regolazione presente in caldaia. | Setpoint ACS.If you receive a value out of range the value isn't received and it is used the boiler value regulation. |
| 4 | Outside Temperature MB | A | R/W | 0,1°C | -55,0 | 95,0 | Valore di temperatura esterna comunicato via ModBus.Se viene ricevuto un valore fuori range equivale a nessun valore ricevuto. Nel caso di conflitto la caldaia dà la priorità al valore della sonda ad essa collegata. | External value of temperature by MobBus.If you receive a value out of range the value isn't received. In case of conflict the boiler will give priority to the value of the probe connected to it. |
| 5 | Boiler CH Curve Slope | A | R/W | 0,1 | 3,0 | 40,0 | Pendenza della curva climatica della zona 1 (utilizzato al posto della curva impostata in caldaia).Se viene ricevuto un valore fuori range equivale a nessun valore ricevuto e viene utilizzato la curva climatica presente in caldaia. | Slope of heating curve of zone 1 (it is used instead of the curve set in the boiler).If you receive a value out of range the value isn't received and it is used the boiler heating curve. |
| 6 | Boiler CH Curve Displacement | A | R/W | 0,1 | -5,0 | 5,0 | Valore di shift del set ambiente della zona 1 (utilizzato al posto dello shift impostato in caldaia).Se viene ricevuto un valore fuori range equivale a nessun valore ricevuto e viene utilizzato lo shift presente in caldaia. | Shift value of room zone 1 set (it is used instead of the shift set in the boiler).If you receive a value out of range the value isn't received and it is used the boiler heating curve. |
| 7 | Boiler Delta-T CH | A | R/W | 0,1 | 10,0 | 40,0 | Valore di setpoint Delta-T (Mandala - Rilorno) | Value setpoint Delta-T (Delivery - Return) |
| 64 | Boiler DHW Water Temperature | A | R | 0,1°C | 0,0 | 100,0 | Temperatura Sonda Acqua calda sanitaria | DHW temperature sensor |
| 65 | Boiler Primar y Water Temperature | A | R | 0,1°C | 0,0 | 100,0 | Temperatura Sonda Circuito Primario (Mandala) | CH temperature sensor (Delivery) |
| 66 | Boiler Return Water Temperature | A | R | 0,1°C | 0,0 | 100,0 | Temp. Sonda Ritorno Circuito Primario (NO cascata) | CH temperature sensor (Return) (No cascade) |
| 67 | Boiler Flue Gas Temperature | A | R | 0,1°C | 0,0 | 200,0 | Temperatura Sonda Fumi (NO cascata) | Smoke temperature sensor (No cascade) |
| 68 | Boiler Relative Modulation Level | A | R | 0,1% | 0,0 | 100,0 | Livello Modulazione (0%=Minima Potenza - 100%=Massima Potenza)Valore Pressione Acqua Circuito Primario | Modulation level: (0%= minimum power 100%= maximum power)Pressure value water CH |
| 69 | Boiler Primary Water Pressure | A | R | 0,1 bar | 0,0 | 6,0 | ||
| 70 | Boiler Outside Temperature | A | R | 0,1°C | -100,0 | 100,0 | Valore di temperatura esterna letto dalla caldaia tramite la sonda ad essa collegata. | Outside temperature read from the boiler through the probe connected to it |
| 129 | Boiler Current Minute | I | R/W | - | 0 | 59 | Non usato | Not used |
| 130 | Boiler Current Hour I | R/W | - | 0 | 23 | Non usato | Not used | |
| 131 | Boiler Current Day of the Week | I | R/W | - | 1 = Lun | 7 = Dom | Non usato | Not used |
| 132 | Boiler Current Day of the Month | I | R/W | - | 1 | 31 | Non usato | Not used |
| 133 | Boiler Current Month | I | R/W | - | 1 | 12 | Non usato | Not used |
| 134 | Boiler Current Year | I | R/W | - | 2000 | 2200 | Non usato | Not used |
| 192 | Boiler Alarm Code | I | R | - | 0 | 100 | Codice numerico visualizzato durante anomalia caldaia (Master se in cascata). | Numeric code shown during boiler error (If Master is in cascade) |
| 193 | Boiler Slave 1 Alarm Code | I | R | - | 0 | 100 | Codice numerico visualizzato durante anomalia caldaia slave 1 (Solo cascata) | Numeric code shown during slave 01 error (Only cascade) |
| 194 | Boiler Slave 2 Alarm Code | I | R | - | 0 | 100 | Codice numerico visualizzato durante anomalia caldaia slave 2 (Solo cascata) | Numeric code shown during slave 02 error (Only cascade) |
| 195 | Boiler Slave 3 Alarm Code | I | R | - | 0 | 100 | Codice numerico visualizzato durante anomalia caldaia slave 3 (Solo cascata) | Numeric code shown during slave 03 error (Only cascade) |
| 196 | Boiler Slave 4 Alarm Code | I | R | - | 0 | 100 | Codice numerico visualizzato durante anomalia caldaia slave 4 (Solo cascata) | Numeric code shown during slave 04 error (Only cascade) |
| 197 | Boiler Slave 5 Alarm Code | I | R | - | 0 | 100 | Codice numerico visualizzato durante anomalia caldaia slave 5 (Solo cascata) | Numeric code shown during slave 05 error (Only cascade) |
| 198 | Boiler Slave 6 Alarm Code | I | R | - | 0 | 100 | Codice numerico visualizzato durante anomalia caldaia slave 6 (Solo cascata) | Numeric code shown during slave 06 error (Only cascade) |
| 199 | Boiler Slave 7 Alarm Code | I | R | - | 0 | 100 | Codice numerico visualizzato durante anomalia caldaia slave 7 (Solo cascata) | Numeric code shown during slave 07 error (Only cascade) |
| 200 | Boiler Combustion Parameter (Par1) | I | R | - | 0 | 199 | Valore del PAR 1 in caldaia (Master se in cascata) | PAR 1 value (if Master is in cascade) |
| 201 | Boiler Hydraulic Parameter (Par2) | I | R | - | 0 | 199 | Valore del PAR 2 in caldaia (Master se in cascata) | PAR 2 value (if Master is in cascade) |
COMANDI MODBUS SUPPORTATI / MODBUS COMMANDS SUPPORTED
worden vervangen door een reservekabel met dezelfde eigenschappen (type X). De montage moet worden uitgevoerd door professioneel gekwalificeerd personeel.
2.11.1 Aansluiting chronothermostaat
Verwijder de bestaande brug en sluit daarna de chronothermostaat aan zoals aangegeven in het elektrische schema van de ketel (zie Afb. 10). De chronothermostaat die men moet gebruiken moet klasse II zijn, in overeenstemming met de norm EN 60730.1 (potentiaalvrij elektrisch contact).
2.11.2 Aansluiting afstandsbediening SIME HOME (accessoire op aanvraag)
De ketel is voorzien voor aansluiting op een afstandsbediening die op aanvraag wordt geleverd (Art. nr. 8092280/81). Met de afstandsbediening SIME HOME kan men de gebruikersbedieningen van de ketel op afstand gaan beheren, met uitzondering van de deblokkering. Wanneer het display van de ketel op de afstandsbediening is aangesloten, verschijnt het volgende bericht:

Volg de instructies in de verpakking voor de montage en het gebruik van de afstandbediening.
OPMERKING: Het is niet nodig om PAR 10 te configureren omdat de kaart van de ketel standaard al is ingesteld voor werking met de voorziening SIME HOME (PAR 10 = 1).
2.11.3 Aansluiting EXTERNE SONDE (accessoire op aanvraag)
De ketel is voorzien voor aansluiting op een sonde voor de buitentemperatuur, die op aanvraag wordt geleverd (Art. nr. 8094101), waarmee autonoom de temperatuurwaarde van de aanvoer van de ketel kan worden
geregeld in functie van de buitentemperatuur.
Volg de instructies in de verpakking voor de montage. Men kan correcties uitvoeren op de waarden die door de sonde worden gemeten met behulp van PAR 11.
2.11.4 Combinatie met verschillende elektronische toestellen
Hierna volgen enkele voorbeelden van systemen en combinaties met verschillende elektronische toestellen. Waar nodig worden de parameters vermeld die op de ketel moeten worden ingesteld.
De elektrische aansluitingen op de ketel verwijzen naar de afkorting die in het schema staat vermeld (Afb. 10).
De bediening van de zoneklep wordt geactiveerd bij iedere aanvraag voor verwarming van zone 1 (zowel door de TA1 of de CR).
Beschrijving van de componenten vermeld in de schema's van de installatie van 1 tot 14:
M Aanvoer installatie Zone 1 H00G
R Terugkeer installatie Zone 1 H00G
CR Afstandsbediening SIME HOME
SE Sonde buitentemperatuur
TA 1-2-3-4 Omgevingsthermostaat van de zone
VZ 1-2 Zoneklep
CT 1-2 Chronothermostaat van de zone
RL 1-2-3-4 Relais van de zone
EXP Uitbreidingskaart ZONA MIX
Art. nr. 8092234/INSOL
Art. nr. 8092235
VM Mengklep driewegs
1 BASISINSTALLATIE
INSTALLATIE MET EEN DIRECTE ZONE EN OMGEVINGSTHERMOSTAAT OF MET AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

text_image
CR SE - -CR - -SE - -TA1 TA M R Z2 BASISINSTALLATIE
INSTALLATIE MULTIZONE MET KLEPPEN, OMGEVINGSTHERMOSTATEN EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
SE["SE"] -->|M| M
M --> R
M --> TA1["TA"]
M --> TA2["TA2"]
TA1 --> VZ["VZ"]
TA2 --> VZ1["VZ1"]
TA1 --> VZ2["VZ2"]
VZ --> Z1["Z↓"]
VZ1 --> Z2["Z↓"]
VZ2 --> Z3["Z↓"]
style SE fill:#f9f,stroke:#333
style TA1 fill:#ccf,stroke:#333
style TA2 fill:#ccf,stroke:#333
style VZ fill:#cfc,stroke:#333
style VZ1 fill:#cfc,stroke:#333
style VZ2 fill:#cfc,stroke:#333
3 BASISINSTALLATIE
INSTALLATIE MULTIZONE MET POMPEN, OMGEVINGSTHERMOSTATEN EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
SE["SE"] --> M["M"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
SA["SA"] --> TA1["TA1"]
SA --> SE["SE"]
TA1 --> RL1["RL"]
TA1 --> RL2["RL2"]
TA1 --> RL1
TA1 --> RL2
TA1 --> RL1
TA1 --> RL2
TA1 --> RL1
TA1 --> RL2
TA1 --> RL1
TA1 --> RL2
TA1 --> RL1
TA1 --> RL2
TA1 --> RL1
TA1 --> RL2
TA1 --> RL1
TA1 --> RL2
TA1 --> RL1
TA1 --> RL2
TAL1["TA1"] --> RL1
TAL1 --> RL2
TAL2["TA2"] --> RL1
TAL2 --> RL2
TAL1 --> RL1
TAL2 --> RL2
TAL1 --> RL1
TAL2 --> RL2
TAL1 --> P["P"]
TAL2 --> P1["P1"]
TAL1 --> P2["P2"]
TAL2 --> P2
P --> Z1["Z↓"]
P1 --> Z2["Z↓"]
P2 --> Z3["Z↓"]
4 BASISINSTALLATIE
INSTALLATIE MULTIZONE MET KLEPPEN, OMGEVINGSTHERMOSTATEN, AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN EXSTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)
INSTELLINGEN PARAMETERS

flowchart
graph TD
A["CR"] --> B["SE"]
B --> C["M"]
C --> D["R"]
D --> E["VZ"]
E --> F["Z"]
F --> G["VZ1"]
G --> H["Z"]
H --> I["VZ2"]
I --> J["Z"]
J --> K["VZ2"]
K --> L["Z"]
L --> M["VZ2"]
M --> N["VZ1"]
N --> O["VZ2"]
O --> P["VZ1"]
P --> Q["VZ2"]
Q --> R["VZ1"]
R --> S["VZ2"]
S --> T["VZ1"]
T --> U["VZ2"]
U --> V["VZ2"]
V --> W["VZ1"]
W --> X["VZ2"]
X --> Y["VZ2"]
Y --> Z["VZ1"]
Z --> AA["VZ2"]
AA --> AB["VZ2"]
AB --> AC["VZ1"]
AC --> AD["VZ2"]
AD --> AE["VZ2"]
AE --> AF["VZ1"]
AF --> AG["VZ2"]
AG --> AH["VZ2"]
AH --> AI["VZ1"]
AI --> AJ["VZ2"]
AJ --> AK["VZ2"]
AK --> AL["VZ1"]
AL --> AM["VZ2"]
AM --> AN["VZ2"]
AN --> AO["VZ1"]
AO --> AP["VZ2"]
AP --> AQ["VZ2"]
AQ --> AR["VZ1"]
AR --> AS["VZ2"]
Om de afstandsbediening (CR) als paneel op afstand van de ketel en niet als omgevingsreferentie te gebruiken, moet men instellen: PAR 7 = 0
5 BASISINSTALLATIE
INSTALLATIE MULTIZONE MET KLEPPEN, OMGEVINGSTHERMOSTATEN, AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["CR"] --> B["PEaking Unit"]
B --> C["SE"]
C --> D["M"]
D --> E["R"]
E --> F["TA1"]
E --> G["TA2"]
F --> H["VZ"]
G --> I["VZ1"]
H --> J["Z1"]
I --> K["Z2"]
J --> L["Ground"]
K --> M["Ground"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#ffc,stroke:#333
style H fill:#cfc,stroke:#333
style I fill:#cfc,stroke:#333
style J fill:#fcc,stroke:#333
style K fill:#fcc,stroke:#333
style L fill:#cfc,stroke:#333
INSTELLINGEN PARAMETERS
Wanneer de afstandsbediening (CR) als omgevingsreferentie voor een zone wordt gebruikt, moet men instellen: PAR 7 = 1
Stel de tijd in om de zoneklep VZ te openen:
- met externe sonde moet men de klimaatcurve instellen van de zone dag 1 met PAR 25 en van de zone nacht 2 met PAR 26,
- zonder externe sonde gaat men naar de set van de zone dag 1 door op de toets te drukken en de waarde te wijzigen met de toetsen + en - . Ga naar de set van de zone nacht 2 door tweemaal op de toets te drukken en de waarde te wijzigen met de toetsen + en - .
8 INSTALLATIE MET DUBBELE AANVOERTEMPERATUUR
INSTALLATIE MULTIZONE MET POMPEN, CHRONOTHERMOSTATEN EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
SE["SE"] --> M["M"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
CT1["CT1"] --> RL1["RL1"]
CT1 --> RL2["RL2"]
CT2["CT2"] --> RL2
P1["P1"] --> ZND["ZONE DAG (70°C)"]
P2["P2"] --> ZND
ZND --> ZND_NACHT["ZONE NACHT (50°C)"]
ZND_NACHT --> ZND_ND
style SE fill:#f9f,stroke:#333
style M fill:#ccf,stroke:#333
style R fill:#cfc,stroke:#333
style S1 fill:#fcc,stroke:#333
style_ZND_DAG["ZONE DAG (70°C)"] --> ZND_NACHT
style ZND_NACHT --> ZND_ND
style ZND_NACHT --> ZND_ND_NACHT
style ZND_ND_NACHT --> ZND_ND
10 INSTALLATIE MET BOILER OP AFSTAND NA DE HYDRAULISCHE SCHEIDER

flowchart
graph TD
SE["SE"] --> TA1["TA1"]
TA1 --> M["M"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
SI --> PB["PB"]
PB --> SB["SB"]
SB --> BOILER["BOILER"]
BOILER --> Z1["Z↓"]
Z1 --> P1["P1"]
P1 --> P2["P2"]
P2 --> Z2["Z↓"]
Z2 --> RO["RO"]
RO --> TA1
RO --> TA2["TA2"]
TA1 --> RL1["RL1"]
TA2 --> RL2["RL2"]
Wanneer men de boiler aansluit, is het volgende nodig:
- configureer de parameter installateur PAR 2=10.
- sluit de boilerpomp [PB] elektrisch aan op de klemmen 18-20 van de connector CN9 op de kaart van de ketel.
- sluit de boilersonde L = 6 m (SB) elektrisch aan, afzonderlijk aan te vragen Art. nr. 6231332, op de klemmen 5-6 van de connector CN5 op de kaart van de ketel.
11 INSTALLATIE MET MENGVENTIEL
INSTALLATIE MET EEN DIRECTE ZONE, EEN GEMENGDE ZONE, EEN KIT ZONAMIX (Art. nr. 8092234), AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["TA1"] --> B["CR"]
B --> C["CR TA1"]
C --> D["SE"]
D --> E["EXP"]
F["TLA2"] --> G["RL2"]
G --> H["RL2"]
I["SI"] --> J["VM"]
J --> K["P1"]
K --> L["IP"]
L --> M["Z↓"]
N["P2"] --> O["Z↓"]
P["EXP"] --> Q["Exp"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#cfc,stroke:#333
style H fill:#fcc,stroke:#333
style I fill:#ffc,stroke:#333
style J fill:#cfc,stroke:#333
style K fill:#fcc,stroke:#333
style L fill:#cfc,stroke:#333
style M fill:#fcc,stroke:#333
style N fill:#ffc,stroke:#333
style O fill:#cfc,stroke:#333
style P fill:#fcc,stroke:#333
INSTELLINGEN PARAMETERS
Om de afstandsbediening (CR) als paneel op afstand van de ketel en niet als omgevingsreferentie te gebruiken, moet men instellen: PAR 7 = 0
12 INSTALLATIE MET MENGKLEP
INSTALLATIE MET TWEE DIRECTE ZONES, TWEE GEMENGDE ZONES, EEN KIT ZONAMIX (Art. nr. 8092234) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
SE["SE"] --> M["M"]
M --> R["R"]
R --> SI["SI"]
SI --> P2["P2"]
P2 --> VM["VM"]
VM --> TA1["TA1"]
TA1 --> TA2["TA2"]
TA2 --> TA3["TA3"]
TA3 --> RL3["RL3"]
TA3 --> RL4["RL4"]
TA4["TA4"] --> RL3
TA4 --> RL4
P2 --> IP["IP"]
IP --> IP1["IP"]
IP1 --> P3["P3"]
P3 --> P4["P4"]
P4 --> Z1["Z1"]
Z1 --> Z2["Z2"]
Z2 --> Z3["Z3"]
Z3 --> Z4["Z4"]
13 INSTALLATIE MET MENGKLEP
INSTALLATIE MET TWEE ONAFHANKELIJKE GEMENGDE ZONES, TWEE KITS ZONAMIX (Art. nr. 8092234) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["TA1"] --> B["VA"]
C["TA2"] --> D["VA"]
E["SE"] --> F["Capacitor M"]
G["EXP"] --> H["Capacitor EXP"]
I["SI"] --> J["VM"]
K["P1"] --> L["VM"]
M["IP"] --> N["VM"]
O["Z1"] --> P["VM"]
Q["Z1"] --> R["VM"]
S["IP"] --> T["VM"]
U["IP"] --> V["VM"]
W["PI"] --> X["VM"]
Y["PI"] --> Z["VM"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style C fill:#f9f,stroke:#333
style E fill:#f9f,stroke:#333
style G fill:#f9f,stroke:#333
style I fill:#f9f,stroke:#333
style J fill:#ccf,stroke:#333
style K fill:#ccf,stroke:#333
style L fill:#ccf,stroke:#333
style M fill:#ccf,stroke:#333
style N fill:#ccf,stroke:#333
style O fill:#ccf,stroke:#333
style P fill:#ccf,stroke:#333
style Q fill:#ccf,stroke:#333
style R fill:#ccf,stroke:#333
style S fill:#ccf,stroke:#333
style T fill:#ccf,stroke:#333
style U fill:#ccf,stroke:#333
style V fill:#ccf,stroke:#333
14 SOLARINSTALLATIE
INSTALLATIE MET TWEE ONAFHANKELIJKE GEMENGDE ZONES, EEN DIRECTE ZONE, TWEE KITS ZONAMIX (Art. nr. 8092234), EEN KIT INSOL (Art. nr. 8092235), AFSTANDSBEDIENING SIME HOME (Art. nr. 8092280/81) EN EXTERNE SONDE (Art. nr. 8094101)

flowchart
graph TD
A["Sensor S1"] --> B["SE"]
B --> C["Component SB"]
C --> D["EXP (INSOL)"]
D --> E["Model MISTRAL HE 32 BE"]
E --> F["MR"]
F --> G["SI"]
G --> H["R"]
H --> I["Control Valve M"]
I --> J["CR"]
J --> K["VM"]
K --> L["P1"]
L --> M["IP"]
M --> N["VentilatorConvector"]
N --> O["VentilatorConvector"]
O --> P["TA1"]
P --> Q["TA2"]
Q --> R["P2"]
R --> S["TA2"]
S --> T["TA1"]
T --> U["P3"]
U --> V["Feedback to CR"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style E fill:#ccf,stroke:#333
2.12 ELEKTRISCH SCHEMA (Afb. 10)

text_image
TPA (5 VDC) VERDE-GREEN VCC GND OUT ARANC IO-ORANGE NERO-BLACK SR (5 VDC) BLU-BLUE SM (5 VDC) NERO-BLACK PRF EV1-2 MARRONE-BROWN BLU-BLUE 32 35 36 CN2 49 CN3 58 FN1-2 CN1 72 69 CN12 CN13 CN4 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 JP1 SE (5 VDC) CR SB (5 VDC) TA1 (24 VRAC) TA2 (24 VRAC) 0...10VDC N 230 V 50 Hz BLU-BLUE MARRONE-BROWN BLU-BLUE C N11 CN10 CN18 31 26 25 21 C A BROWN-MARRONE BLU-BLUE EXP (24 VRAC) OP (24 VAC) PI MARRONE-BROWN BLU-BLUE MARRONE NERO BLU VD ER EA TRA CN9 20 18 CN7 69 CN14 17 72 11 MARRONE-BROWN BLU-BLUE N AUX - L AUX - L VZ - TA1 230V N VZ - AR - AR - EUR 17 16 15 14 13 12 11 TRA EA Voor de werking 0 ... 10VDC: - Verwijder de brug JP1 - Sluit de positieve kabel van het signaal aan op klem 10 van de CN6Voor de werking 0 ... 10VDC:
- Verwijder de brug JP1
- Sluit de positieve kabel van het signaal aan op klem 10 van de CN6
- Sluit de negatieve kabel van het signaal aan op klem 4 van de CN4.
LEGENDE
F1-2 Zekering (4 AT - 250 V)
TRA Transformator voor ontsteking
PI Pomp installatie
V Ventilator
PF Drukregelaar rookgassen
EA Elektrode ontsteking
ER Elektrode meting
EV1-2 Spoel gasklep
TS Veiligheidthermostaat
VD Verdeelklep (indien geinstalleerd)
SM Sonde aanvoer met bol
SR Sonde terugkeer verwarming
TPA Transductor druk van het water
TA1 Omgevingsthermostaat Zone 1
JP1 Selectie TA2 of 0-10 VDC
TA2 Omgevingsthermostaat Zone 2
SB Sonde boiler (32/50 - 32/110 BE)
CR Afstandsbediening CR 73 (optie)
SE Sonde buitentemperatuur (optie)
OP Programmeerklok (optie)
EXP Uitbreidingskaart
AR Alarm op afstand
VZ Zoneklep
AUX Hulpaansluiting
TF Thermostaat rookgassen
GC Condensaat vlotter
OPMERKING: Sluit de TA1 aan op de klemmen 7-8 nadat de brug is verwijderd.
CODES WISSELSTUKKEN CONNECTOREN:
CN1 Art. nr. 6319189
CN2 Art. nr. 6319191
CN3 Art. nr. 6319192
CN4 Art. nr. 6316203
CN5 Art. nr. 6316200
CN6 Art. nr. 6316202
CN7 Art. nr. 6316204
CN9 Art. nr. 6319190
CN12 Art. nr. 6299991
CN13 Art. nr. 6319161
CN14 Art. nr. 6293569
WAARSCHUWING
Het is verplicht:
- Het gebruik van een omnipolaire magnetothermische schakelaar, een lijnzijdige isolator, die voldoet aan de EN-normen en die volledige ontkoppeling mogelijk maakt in de omstandigheden van overspanningscategorie III (dwz met een afstand van ten minste 3 mm tussen de open contacten).
- Respecteer de verbinding L (fase) - N (neutraal).
- Dat de speciale voedingskabel alleen wordt vervangen door een reservekabel die is besteld en aangesloten door professioneel
gekwalificeerd personeel.
- Sluit de aardkabel aan op een effectief aardingssysteem. De fabrikant is niet verantwoordelijk voor schade die wordt veroorzaakt door het niet aarden van het apparaat en het niet naleven van de bedradingsschema's.
HET IS VERBODEN
Gebruik de waterslangen om het apparaat te aarden. Invia commenti
Afb. 10
3 KENMERKEN
3.1 BEDIENINGSPANEE (Afb. 11)

text_image
5 1 SET ALL+18.8 °C (E30) 2 - 1111 RESET 3 42 - BESCHRIJVING VAN DE BEDIENINGEN

FUNCTIETOETS ON/OFF
ON = Ketel elektrisch gevoed
OFF = Ketel elektrisch gevoed maar niet beschikbaar voor de werking. De beveiligingsfuncties zijn echter wel actief.

TOETS MODUS ZOMER
Wanneer men deze toets indrukt, werkt de ketel alleen op aanvraag van sanitair water

TOETS MODUS WINTER
Wanneer men deze toets indrukt, werkt de ketel in verwarming

TOETS SET SANITAIR
Wanneer men deze toets indrukt, wordt de temperatuurwaarde weergegeven

Wanneer deze toets één keer wordt ingedrukt, wordt de temperatuurwaarde van het verwarmingscircuit 1 weergegeven. Wanneer de toets een tweede keer wordt ingedrukt, wordt de temperatuurwaarde van het verwarmingscircuit 2 weergegeven. Wanneer de toets een derde keer wordt ingedrukt, wordt de temperatuurwaarde van het verwarmingscircuit 3 (installatie met drie zones) weergegeven.

TASTO RESET
Hiermee kan men de werking resetten na

TOETS VERMEERDEREN EN VERMINDEREN
Wanneer men de toets indrukt, wordt de ingestelde waarde vermeerderd of verminderd
1 - BESCHRIJVING ICONEN VAN HET DISPLAY

ICOON MODUS ZOMER

ICOON MODUS WINTER

ICOON MODUS SANITAIR

MODUS VERWARMING

NSCHAAL VERMOGEN
De segmenten van de balk gaan proportioneel oplichten met het vermogen dat door de ketel wordt afgegeven

WERKING BRANDR EN BLOKKERING

ICOON RESET VEREIST
ICOON WERKING SCHOORSTEENVEGER

SECONDAIRE DIGITS
De ketel geeft de drukwaarde van de installatie weer (correcte waarde tussen 1 en 1,5 bar)

HOOFDDIGITS
De ketel geeft de ingestelde waarden en de status weer
ICOON AANWEZIGHEID INTEGRATIEVE BRONNEN
3 - TOETSEN VOORBEHOUDEN VOOR DE INSTALLATEUR (toegang parameters INST en parameters OEM)

VERBINDING VOOR PC
Uitsluitende te gebruiken met de programmeerkit van SIME en alleen door bevoegd personeel. Geen andere elektronische toestellen (fotocamera's, telefoons, mp3-spelers enz.) aansluiten. Gebruik een gereedschap om de dop te verwijderen en plaats die na gebruik terug.
OPGEPAST: Communicatiepoort gevoelig voor elektro- statische ontladingen.
Vóór het gebruik is het aanbevolen om een geaard metalen oppervlak aan te raken om zich elektrostatisch te ontladen.

INFORMATIETOETS
Door de toets meermaals na elkaar in te drukken, kan men de parameters doorlopen.

TOETS WERKING SCHOORSTEENVEGER
Door de toets meermaals na elkaar in te drukken, kan men de parameters doorlopen.

TOETS VERMINDEREN
De ingestelde standaardwaarden worden gewijzigd.
TOETS VERMEERDEREN
De ingestelde standaardwaarden worden gewijzigd.
4 - VERLICHTE BALK
Blauw = Werking
Rood = Werkingsstoring
5 - PROGRAMMEERKLOK (optie)
Mechanische klok (Art. nr. 8092228) of digitale klok (Art. nr. 8092229)
3.2 TOEGANG TOT DE INFORMATIE VOOR DE INSTALLATEUR
Om naar de informatie voor de installateur te gaan, drukt men op de toets (3 Afb. 12). Bij iedere druk op de toets gaat men naar de volgende informatie. Als de toet ( ) niet wordt ingedrukt, verlaat het systeem de functie automatisch. Als er geen uitbreidingskaart (ZONAMIX of INSOL) is aangesloten, wordt de betreffende info niet weergegeven. Lijst met info.
- Weergave buitentemperatuur alleen met

text_image
-5°C- Weergave temperatuur sonde voor aanvoer van de verwarming (SM)

text_image
* 111° 40°C 2- Weergave temperatuur sonde sanitair SS) alleen voor instantketels

text_image
50°C 3- Weergave temperatuur sonde hulpelement of sonde boiler (SB)

text_image
55°C 4- Weanglaxeatempenarjuran aundestorokgassen

text_image
* 1111° ▼ 55°C 5- Weergave temperatuur verwarming met betrekking tot het eerste circuit

text_image
58°C 6- Weergave temperatuur verwarming met betrekking tot het tweede circuit

text_image
51°C 7- Weergave ionisatiestroom in μA

text_image
* 1111¹ ▼ 3.1 8- Weergave toerental ventilator in rpm x 100 (bijvoorbeeld 4.800 en 1850 rpm)

text_image
* 1111 48 9
text_image
18.5 g- Weergave werkingsuren van de brander in u x 100 (bijvoorbeeld 14.000 en 10)

text_image
140 10
text_image
* 1111^1 ▼ 0.1 10- Weergave aantal inschakelingen van de brander x 1.000 (bijvoorbeeld 97.000 en 500)

text_image
* 97 11
text_image
0.5- Weergave totaal aantal van de storingen

text_image
* 1111 18 12- Weergave toegangen parameters installateur (bijvoorbeeld 140 toegangen)

text_image
140 13- Teller toegangen parameters OEM (bijvoorbeeld 48 toegangen)

text_image
* 1111' 48 14- Teller toegangen parameters CASCADE OEM (bijvoorbeeld 05 toegangen)

text_image
* 111' 05 15- Weergave sanitair debiet debietmeter (bijvoorbeeld 18 l/min en 0,31 l/min) of status debietregelaar (respectievelijk ON en OFF)

text_image
18 17
text_image
0.3 17
text_image
* * 17 17
- Weergave waarde sonde aanvoer gemengde installatie met kaart ZONAMIX 1 (ingang S2)

- Weergave veiligheidthermostaat ZONAMIX (ingang S1) respectievelijk ON en OFF


- Weergave pomp met kaart ZONAMIX 1 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave bediening openen klep met kaart ZONA MIX 1 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave bediening sluiten klep met kaart ZONAMIX 1 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave waarde van de sonde aanvoer installatie gemengd met kaart ZONAMIX 2

- Weergave veiligheidthermostaat met kaart ZONA MIX 2 (ingang S1) respectievelijk ON en OFF


- Weergave pomp met kaart ZONAMIX 2 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave bediening openen klep met kaart ZONAMIX 2 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave bediening sluiten klep met kaart ZONAMIX 2 (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave waarde temperatuur solarsonde S1 met solarkaart INSOL

- Weergave waarde temperatuur solarsonde S2 met solarkaart INSOL

- Weergave waarde temperatuur solarsonde S3 met solarkaart INSOL

33.3WanglaveasolarmelaisRatRelsotarkadin(respectNévelijk ON en OFF)


- Weergave solarrelais R2 met solarkaart INSOL (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave solarrelais R3 met solarkaart INSOL (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave status debietregelaar solar (respectievelijk ON en OFF)


- Weergave waarde % bediening pomp PWM
- Weergave temperature verwarming met betrekking tot het derde circuit


- Weergave code fout laatste storing

- Weergave code fout voorlaatste storing

-
Softwareversie op RS-485 (bijvoorbeeld versie 01)
-
Softwareversie op kaart EXP [config. ZONAMIX]


- Waarschuwingscode

- Softwareversie op 2° kaart EXP [config. ZONAMIX]

3.3 TOEGANG TOT DE PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR
Om naar de parameters voor de installateur te gaan, drukt men 2 seconden lang tegelijk op de toetsen en [3 Afb. 12]. Parameter PAR 23 wordt bijvoorbeeld op de volgende manier op het display van het bedieningspaneel weergegeven:

De parameters worden doorlopen met de toetsen en, de ingestelde standaardwaarden worden gewijzigd met de toetsen en.
Na 60 seconden keert het display automatisch naar de standaardweergave terug, of men kan op een van de bedieningstoetsen (2 Afb. 12) drukken om terug te keren, behalve dan op de toets RESET.
3.3.1 Vervanging van de kaart of reset van de parameters
Wanneer de elektronische kaart wordt vervangen of gereset, moeten PAR 1 en PAR 2 worden geconfigureerd opdat de ketel opnieuw zou starten; deze configuratie gebeurt door aan elk type ketel de volgende waarden te associëren:
| GAS KETEL | PAR 1 | |
| METHAAN(G20-G25) | 32 BE32/50 BE 5232/110 BE | |
| PROPAAN(G31) | 32 BE32/50 BE 5732/110 BE |
PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR
| SNELCONFIGURATIE | |||||
| PAR | BESCHRIJVING | RANGE | EENHEIDSMAAT | STAP | STANDAARD- |
| 1 | Configuratie verbranding | -- = ND1 ... 63 | = | = | |
| 2 | Hydraulische configuratie | -- = ND1 ... 14 | = | = | |
| 3 | Uurprogrammering 2 | 1 = DHW + P. Recirculatie2 = DHW3 = P. Recirculatie | = | = | |
| 4 | Deactivering druktransductor | 0 = Gedeactiveerd1 = Geactiveerd 0-4 BAR2 = Geactiveerd 0-6 BAR3 = Geactiveerd 0-4 BAR [NO ALL 09]4 = Geactiveerd 0-6 BAR [NO ALL 09] | = | = | |
| 5 | Toewijzing hulprelais AUX | 1 = AL. op afstand2 = P. Recirculatie3 = Automatisch laden4 = Alarm op afstand NC5 = Warmtepomp6 = Zoneklep 2 | = | = | |
| 6 | Verlichte balk spanning aanwezig | 0 = Gedeactiveerd1 = Geactiveerd | = | = | |
| 7 | Toewijzingen kanalen SIME HOME | 0 = Niet toegewezen1 = Circuit 12 = Installatie met drie zones | = | = | |
| 8 | Toerental ventilator Stap inschakeling | 0,0 ... 81 | rpm x 100 | 0,1van 0,1tot19,91van 20 tot 81 | 0,0 |
| 9 | Lange schoorstenen | 0 ... 20 | % | 1 | 0 |
| 10 | Configuratie aangesloten toestel | 1 = SIME HOME2 = CR 533 = RVS 43.1434 = RVS 46.5305 = RVS 61.843 | = | = | 1 |
| 11 | Correctie waarden externe sonde | -5 ... +5 | °C | 1 | 0 |
| 12 | Duur achtergrondverlichting | -- = Altijd0 = Nooit1 ... 199 | sec x 10 | 1 | 3 |
| 13 | Snelheid modulerende pomp | -- = Geen modulatieAU = Automatische modulatie30 ... 100 = % instelbare modulatie | % | 10 | -- |
| 14 | Instelling tweede ingang TA | -- = Contact TA5 ... 160 = Ingang 0...10VDC | -- | -- | -- |
| 15 | Adres cascade | -- = Niet geactiveerd0 = Master1 ... 7 = Slave | -- | 1 | -- |
| 16 | Adres ModBus | -- = Niet geactiveerd1 ... 31 = Slave | -- | 1 | -- |
| 17 | Configuratie communicatie ModBus | 1 ... 30 | -- | 1 | 25 |
| 19 | Type installatie | 0 = Twee zones1 = Drie zones | -- | -- | 0 |
| SANITAIR - VERWARMING | |||||
| PAR | BESCHRIJVING | RANGE | EENHEIDSMAAT | STAP | STANDAARD |
| 20 | Minimumtemperatuur verwarm. Zone 1 | PAR 64 OEM ... PAR 21 | °C | 1 | 20 |
| 21 | Maximumtemperatuur verwarm. Zone 1 | PAR 20 ... PAR 65 OEM | °C | 1 | 80 |
| 22 | Helling curve verwarm. Zone 1 | 3 ... 40 | -- | 1 | 20 |
| 23 | Minimumtemperatuur verwarm. Zone 2 | PAR 64 OEM ... PAR 24 | °C | 1 | 20 |
| 24 | Maximumtemperatuur verwarm. Zone 2 | PAR 23 ... PAR 65 OEM | °C | 1 | 80 |
| 25 | Helling curve verwarm. Zone 2 | 3 ... 40 | -- | 1 | 20 |
| 26 | Minimumtemperatuur verwarm. Zone 3 | PAR 64 OEM ... PAR 27 | °C | 1 | 20 |
| 27 | Maximumtemperatuur verwarm. Zone 3 | PAR 26 ... PAR 65 OEM | °C | 1 | 80 |
| 28 | Helling curve verwarm. Zone 3 | 3 ... 40 | -- | 1 | 20 |
| 29 | Δt verwarming | 10 ... 40 | °C | 1 | 20 |
| 30 | Tijd nacirculatie verwarming | 0 ... 199 | Sec. | 10 | 30 |
| 31 | -- | -- | -- | -- | -- |
| 32 | Vertraging activering pomp Zone 1 | 0 ... 199 | 10 sec. | 1 | 1 |
| 33 | Vertraging opnieuw inschakelen | 0 ... 10 | Min. | 1 | 3 |
| 34 | Drempel activering integratieve bronnen | -- , -10 ... 40 | °C | 1 | "--" |
| 35 | Antivries ketel | 0 ... +20 | °C | 1 | 3 |
| 36 | Antivries externe sonde | -5 ... +5 | °C | 1 | -2 |
| 37 | Verzadigingsbereikmodulatie debietmeter | -- = Gedeactiveerd0 ... 100 | % | 1 | 100 |
| 38 | Tijd nacirculatie sanitair | 0 ... 199 | Sec. | 1 | 0 |
| 39 | Anti-legionella functie[alleen boiler] | 0 = Gedeactiveerd1 = Geactiveerd | -- | -- | 0 |
| KETEL | PAR 2 |
| Boiler met verdeelklep en boilersonde (HOGE INERTIE) | 10 |
| Boiler met dubbele pomp en boilersonde 11 (HOGE INERTIE) | |
| Boiler met verdeelklep en therm. boiler of alleen verwarming (HOGE INERTIE) | 12 |
| Boiler met dubbele pomp en thermostaat boiler (HOGE INERTIE) | 13 |
| Alleen verwarming en sonde antivries 14 (HOGE INERTIE) |
OPMERKING: vanbinnen in het deurtje bovenaan van het bedieningspaneel van de ketel is een etiket aangebracht waarop de in te voeren waarde staat van PAR 1 en PAR 2 (Afb. 18/c).
3.3.2 Waarschuwing
Wanneer de ketel werkt maar niet optimaal presteert en er geen enkel alarm actief is, drukt men op de toets tot info 70 verschijnt en de waarschuwingscode met betrekking tot het de storing die zich voordoet. Wanneer de optimale werking weer is hersteld, verschijnt in de info 70 de weergave "--". Hierna volgt de tabel met de codes die in waarschuwing kunnen worden weergegeven:
| CODE | BESCHRIJVING |
| E0 | Werking bij beperking van het vermogen (at tussen aanvoer en terugkeer groter dan 40°C) |
| E1 | Externe sonde in kortsluiting (SE) |
| E2 | Functie voorverwarming actief |
| E3 | TBD |
| E4 | TBD |
| E5 | TBD |
| E6 | TBD |
| E7 | TBD |
| E8 | TBD |
| E9 | TBD |
PARAMETERS VOOR DE INSTALLATEUR
UITBREIDINGSKAART
| PAR BESCHRIJVING RANGE EENHEIDSMAAT STAP STANDAARD INSTELLING | |||||
| 40 Aantal uitbreidingskaarten 0 ... 3 = 1 0 | |||||
| 41 Looptijd klep mix | 0 ... 199 | 10 sec. 1 12 | |||
| 42 | Prioriteit sanitair op gemengde zone | 0 = Parallel1 = ABsoluut | = | = | 1 |
| 43 | Droging vloerlaag | 0 = Gedeactiveerd1 = Curve A2 = Curve B3 = Curve A+B | = | = | 0 |
| 44 | Type solarinstallatie | 1 ... 8 = 1 1 | |||
| 45 | Δt pomp solarcollector | PAR 74 OEM - 1... 50 | °C | 1 | 8 |
| 46 | Vertraging integratie solar | "--", 0 ... 199 | Min. | 1 | 0 |
| 47 | Tmin solarcollector | "--", -30 ... 0 | °C | 1 | -10 |
| 48 | Tmax solarcollector | "--", 80 ... 199 | °C | 1 | 120 |
RESET PARAMETERS
| PAR BESCHRIJVING RANGE EENHEIDSMAAT STEP STANDAARD INSTELLING | ||||
| 49 * Reset standaardparameters -- , 1 = = = [PAR 1 - PAR 2 gelijk aan “- -”] | ||||
| * Wanneer men problemen heeft om de huidige instelling te begrijpen of bij abnormaal of onbegrijpelijk gedrag van de ketel, is het aanbevolen om de beginwaarden van de parameters terug te zetten door PAR 49 = 1 en de PAR 1 en PAR 2 in te stellen zoals uitgelegd onder punt 3.3.1. |
3.4 AANGESLOTEN EXTERNE SONDE (Afb. 12)
Wanneer de externe sonde aanwezig is, zijn de verwarmingsinstellingen (SET) af te leiden uit de klimaatcurven in functie van de buitentemperatuur en in ieder geval beperkt binnen de bereikwaarden beschreven onder punt 3.3 (parameters PAR 22 voor zone 1, PAR 25 voor zone 2 en PAR 28 voor zone 3). De in te stellen klimaatcurve kan geselecteerd worden van waarde 3 tot 40 (met stappen van 1). Door de helling te verhogen voorgesteld door de curven van Afb. 12, verhoogt men ook de temperatuur van de aanvoer van de installatie in overeenstemming met de buitentemperatuur.
OPMERKING: Bovendien moet men de parameter installateur PAR 20=50, PAR 23=50 en PAR 26=50 instellen.
3.5 FUNCTIES VAN DE KAART
De elektronische kaart is voorzien van de volgende functies:
- Antivriesbescherming van het circuit verwarming en sanitair (ICE).
- Systeem voor ontsteking en detectie van de vlam.
- Instelling via het bedieningspaneel van het vermogen en van het gas voor de werking van de ketel.
- Antiblokkering van de pomp die enkele seconden wordt gevoed na 24u inactiviteit.
- Anti-legionella bescherming voor ketel met accumulatieboiler.
- Schoorsteenveger die via het bedie- ningspaneel kan worden geactiveerd.
- Variabele temperatuur met aangesloten externe sonde. Dit is instelbaar via het bedieningspaneel en is zowel op de verwarmingsinstallatie circuit 1 als op de verwarmingsinstallatie circuit 2 en 3 actief en gedifferentieerd.
- Beheer van drie onafhankelijke verwarmingscircuitinstallaties.
- Automatische regeling van het vermogen voor inschakeling en maximumvermogen voor verwarming. De regelingen worden automatisch beheerd door de elektronische kaart om een maximale gebruiksflexibiliteit op het systeem te verzekeren.
- Interface met de volgende elektronische toestellen: afstandsbediening SIME HOME, warmteregelaar RVS, aansluiting op de beheerkaart voor gemengde zones ZONAMIX Art. nr. 8092234, op de solarkaart INSOL Art. nr. 8092235 en op de kaart RS-485 om tot 8 ketels in cascade te beheren of een communicatie te implementeren van het Modbus-type (slave RTU-RS485, Reference Guide PI-MBUS-300 Rev. J) Art. nr. 8092243. Voor de configuratie van de toestellen met de kaart van de ketel, moet men de parameter installateur PAR 10 instellen.
- Functie anticondensig, voorverwarming body (symbol “+” vóór cijferig belangrijkste) en anti-inertie.

line
| x | y=20°C | y=10°C | y=0°C | y=-10°C | y=-20°C | y=-30°C | | ---- | ------ | ------ | ----- | ------- | ------- | ------- | | 40 | 40 | 60 | 80 | 100 | 110 | 120 | | 35 | 35 | 55 | 75 | 95 | 105 | 115 | | 30 | 30 | 50 | 70 | 90 | 100 | 110 | | 27.5 | 25 | 45 | 65 | 85 | 95 | 105 | | 25 | 20 | 40 | 60 | 80 | 90 | 100 | | 22.5 | 15 | 35 | 55 | 75 | 85 | 95 | | 20 | 10 | 30 | 50 | 70 | 80 | 90 | | 17.5 | 5 | 25 | 45 | 65 | 75 | 85 | | 15 | 0 | 20 | 40 | 60 | 70 | 80 | | 12.5 | -5 | 15 | 35 | 55 | 65 | 75 | | 10 | -10 | 10 | 30 | 50 | 60 | 70 | | 7.5 | -15 | -5 | 25 | 45 | 55 | 65 | | 5 | -20 | -10 | 20 | 40 | 50 | 60 | | 2.5 | -25 | -15 | 15 | 35 | 45 | 55 | The chart displays a line graph with multiple lines representing different parameter values (labeled on the lines). The x-axis is labeled 'Temperature (°C)' and the y-axis is labeled 'Value' (likely 'Y' or 'Temperature'). Values are annotated on the lines: '40', '35', '30', '27.5', '25', '22.5'.LET OP: De curves zijn berekend met een omgevingstemperatuur van 20°C. De gebruiker kan de ketelbedieningen gebruiken om de omgevingsset waarvoor de curve berekend is met ±5°C te wijzigen.
Afb. 12
3.6 SONDES VOOR TEMPERATUURMETING
In Tabel 5 staan de weerstandwaarden [Δ] vermeld, die men verkrijgt op de sondes verwarming, sanitair en rookgassen bij het variëren van de temperatuur.
Wanneer de sonde aanvoer verwarming (SM) en terugkeer verwarming (SR) onderbroken zijn, werkt de ketel in beide services niet.
Wanneer de sonde van de boiler (SB) onderbroken is, werkt de ketel maar voor de modulatie van het vermogen tijdens de fase sanitair niet uit.
TABEL 5
| Temperatuur [°C] | Weerstand (Δ) |
| 20 | 12.100 |
| 30 | 8.313 |
| 40 | 5.828 |
| 50 | 4.161 |
| 60 | 3.021 |
| 70 | 2.229 |
| 80 | 1.669 |
3.7 ELEKTRONISCHE ONTSTEKING
De inschakeling en detectie van de vlam wordt aangestuurd door twee elektroden op de brander, die interventietijden bij onopzettelijk uitschakelen of gebrek aan gas binnen een seconde verzekeren.
3.7.1 Werkingscyclus
De inschakeling en detectie van de vlam wordt aangestuurd door twee elektroden op de brander, die interventietijden bij onopzettelijk uitschakelen of gebrek aan gas binnen een seconde verzekeren.
- Geen gas
De elektrode voor ontsteking blijft max. 10 sec. lang ontladingen geven; wanneer wordt vastgesteld dat er geen ontsteking is in de brander, dan wordt de storing gesignaleerd.
Dit kan gebeuren bij de eerste inschakeling of na lange perioden van inactiviteit omdat er lucht in de gasleiding aanwezig is. Dit kan veroorzaakt zijn door de gaskraan die gesloten is of door een van de spoelen van de klep die een onderbroken wikkeling hebben, waardoor het openen niet kan gebeuren.
- De elektrode voor ontsteking geeft geen ontlading
In de ketel wordt alleen gedetecteerd dat het gas naar de brander is geopend, na 10 sec. wordt de storing gesignaleerd.
Dit kan veroorzaakt zijn door onderbreking van de kabel van de elektrode of door een onjuiste verbinding om de aansluitingspunten. De elektrode is geaard of sterk versleten: hij moet worden ver-
vangen. De elektronische kaart is defect.
- Er wordt geen vlam gedetecteerd
Vanaf het moment van de inschakeling merkt men dat de elektrode continu ontladingen geeft, hoewel de brander al aan is. Na 10 sec. wordt de ontlading gestopt, de brander gaat uit en de storing wordt gesignaleerd.
Dit kan veroorzaakt zijn door onderbreking van de kabel van de elektrode of door een onjuiste verbinding om de aansluitingspunten. De elektrodeis geaard of sterk versleten: hij moet worden vervangen. De sifon voor de condensafvoer of de daarop aangesloten leidingen zijn verstopt. Ga over tot de reiniging. Als het probleem aanhoudt, controleer dan de na-condensator. De elektronische kaart is defect.
Door een onverwachte onderbreking van de spanning valt de brander onmiddellijk stil, wanneer de ketel terug spanning krijgt, zal die automatisch opnieuw in werking lreden.
3.8 BESCHIKBARE
PREVALENTIE (Afb. 13)
De resterende prevalentie voor de verwarmingsinstallatie is in functie van het debiet door de grafiek in de figuur voorgesteld.

line
| DEBIET (l/h) | RESTERENDE PREVALENTE (mbar) | | ------------ | ---------------------------- | | 0 | 750 | | 500 | 630 | | 1000 | 480 | | 2000 | 300 | | 5000 | 150 || Debiet (l/h) | RESTERENDE PREVALENTIE (mbar) |
| 0753 | |
| 300691 | |
| 600591 | |
| 900 | 414 |
| 1200 | 217 |
| 1300 | 146 |
Afb. 13
4 GEBRUIK EN ONDERHOUD
OPGEPAST: Vooraleer interventies op de ketel uit te voeren, moet men controleren of de ketel en haar onderdelen afgekoeld zijn om gevaar van brandwonden te wijten aan de hoge temperaturen te voorkomen.
De ketel is standaard uitgerust met een gasklep model SIT 848 SIGMA (Afb. 14).
4.2 GASAFSTELLINGEN
4.2.1 Configuratie voedingsbrandstof
Om naar de parameters voor de installateur te gaan, drukt men 5 seconden lang tegelijk op de toetsen 📁 en 📅 [3 Afb. 11].
Men kan de waarde van de parameters wijzigen met de toetsen - en + . Op het display van het paneel wordt parameter PAR 1 weergegeven.
Als de ketel in kwestie bijvoorbeeld op methaangas (G20-G25) is, verschijnt de SET 52:

Om die naar propaan (G31) te veranderen, moet men de SET 57 instellen door de toets + herhaaldelijk in te drukken.

Na 10 seconden keert het display automa- tisch naar de standaardweergave terug.
4.2.2 Afstelling gasklep (CO2)
Controleer de CO2-waarden met een verbrandingsanalysator.
Volgorde van de handelingen:
1) Druk enkele seconden lang op de knop
2) Druk enkele seconden lang op de knop + zodat de ketel naar maximaal vermogen gaat.
3) Zoek de CO2-waarden op het maximaal vermogen, zoals hierna vermeld, met behulp van de sluitverdeler (5 Afb. 14):
MAX vermogen CO₂ (methaan) CO₂ (propaan) 9,0 ±0,2 10,0 ±0,2
4) Druk enkele seconden lang op de knop ☐.
5) Zoek de CO2-waarden op het minimaal vermogen, zoals hierna vermeld, met behulp van de stelschroef OFF-SET (6 Afb. 14):
MIN vermogen CO₂ (methaan) CO₂ (propaan) 9,0 ±0,2 10,0 ±0,2
6) Druk meermaals op de toetsen en - om de druk te controleren; voer indien nodig de gepaste correcties uit.
7) Druk opnieuw op de toets 📋 om de functie te verlaten.
Het is mogelijk om de afstelling van de klep uit te voeren door de p GAS [Afb. 15] te meten. Op het einde van de afstellingsequentie is het in ieder geval noodzakelijk om de CO2 met een verbrandingsanalysator te controleren.
Volgorde van de handelingen:
1) Druk enkele seconden lang op de knop 📄.
2) Druk enkele seconden lang op de knop + zodat de ketel naar maximaal vermogen gaat.
3) Zoek de p GAS-waarden op het maximaal vermogen, zoals hierna vermeld, met behulp van de sluitverdeler (5 Afb. 14):
MAX vermogen Δp GAS (methaan) Δp GAS (G31) 39,8 42,2
4) Druk enkele seconden lang op de knop ☐.
5) Zoek de Δp GAS-waarden op het minimaal vermogen, zoals hierna vermeld, met behulp van de stelschroef OFF-SET [6 Afb. 14]:
MIN vermogen Δp GAS (methaan) Δp GAS (G31) 11,3 11,7

text_image
1 2 EV1 EV2 3 4 5 6LEGENDE
1 Drukaansluiting voorgeschakeld
2 Drukaansluiting tussenin
3 Ingang signaal lucht (VENT)
4 Drukaansluiting nageschakeld
5 Sluitverdeler
6 OFF-SET
Afb. 14
6) Druk meermaals op de toetsen en ☐ om de druk te controleren; vvoer indien nodig de gepaste correcties uit
7) Druk opnieuw op de toets om de functie te verlaten.
4.4 ONDERHOUD
Om de werking en de efficiëntie van het toestel te verzekeren, is het noodzakelijk om die aan systematische, regelmatige controles te onderwerpen. De frequentie van de controles hangt af van het soort toestel en van de bijzondere omstandigheden van installatie en gebruik; men doet er in ieder geval goed aan om een jaarlijkse controle door technisch gekwalificeerd personeel te laten uitvoeren.
Normaal gezien moet men de volgende
interventies uitvoeren:
- Schoonmaak van de tussenruimten van de ketelromp door de speciaal voorziene buisveger van boven naar beneden te doen gaan.
- De hoofdbrander schoonmaken en aan- slag van de elektroden verwijderen.
- Controle van het systeem voor evacuatie van de verbrandingsproducten.
- Inschakeling, uitschakeling en werking van het toestel controleren.
- Na het monteren van alle gasaansluitingen moet men de dichting testen met behulp van zeepsop of speciale producten, vermijd het gebruik van vrije vlammen.
4.4.1 Werking schoorsteenveger (Afb. 18)
Om de controle van de verbranding van de
ketel uit te voeren, drukt men enkele seconden lang op de toets voor de installateur.
De functie schoorsteenveger wordt geactiveerd en blijft 15 minuten lang actief.
Vanaf dat moment begint de ketel te werken in verwarming op maximaal vermogen met uitschakelen op 80°C en opnieuw inschakelen op 70°C (OPGEPAST: Gevaar voor te hoge temperaturen bij systemen op lage temperatuur die niet beveiligd zijn. Vooraleer de functie schoorsteenveger te activeren, moet men controleren of de radiatorkleppen of eventuele zonekleppen geopend zijn).
De test moet ook in werking sanitair worden uitgevoerd. Om die uit te voeren, volstaat het om na de activering van de functie schoorsteenveger warm water via een of meerdere kranen te nemen. In die omstandigheden werkt de ketel op maximaal vermogen met het sanitair gecontroleerd tus-
Δp lucht

1 Gasklep
2 Luchtdrukregelaar
3 Aansluiting ventilator (+)
4 Aansluiting gasmenger (-)
5 Straalpijp
6 Digitale manometer
7 Ingang signaal lucht (VENT)
8 Lucht/gasmenger
9 Drukaansluiting nageschakeld
Afb. 15
sen 60°C en 50°C. Tijdens de test moeten de kranen van het warm water geopend blijven. Wanneer tijdens de 15 minuten waarin de functie schoorsteenveger aan het werk is de toetsen + and - worden ingedrukt, gaat de ketel respectievelijk over naar maximaal en minimaal vermogen.
De functie schoorsteenveger wordt na 15 minuten automatisch gedeactiveerd of door opnieuw op de toets te drukken.
4.4.2 Functie droging vloerlaag (Afb. 18/a)
De functie droging vloerlaag behoudt de vloer op een vooraf gedefinieerd temperatuurprofiel en is alleen geactiveerd bij systemen gecombineerd met de kit gemengde zone ZONAMIX Art. nr. 8092234.
Men kan de temperatuurprofielen selecteren via instelling van de parameter installateur PAR 43:
0 = Functie gedeactiveerd
1 = Instelling curve A
2 = Instelling curve B
3 = Instelling curve A + B
De uitschakeling van de functie geschiedt door op de toets OFF (terugkeer van PAR 43 naar waarde 0) te drukken, of automatisch op het einde van de functie.
De set van de gemengde zone volgt het verloop van de geselecteerde curve en bereikt maximaal 55°C.
Tijdens deze functie worden alle aanvragen voor warmte (verwarming, sanitair, antivries en schoorsteenveger) genegeerd. Tijdens de werking geeft het display de resterende dagen weer tot de voltooiing van de functie (vb. hoofddigits -15 = er resten nog 15 dagen tot het einde van de functie). De grafiek in Afb. 18/a geeft het verloop van de curves weer.
OPGEPAST:
- Respecteer de bepalingen van de persoon die de vloer heeft gelegd.
- De werking is alleen verzekerd als de systemen correct worden uitgevoerd (hydraulische installatie, elektrische installatie, het geheel van de onderdelen)! Het niet naleven van voornoemde bepalingen kan schade aan de vloer veroorzaken!
4.4.3 Accumulatieboiler (Afb. 18/b)
De accumulatieboiler in inox is uitgerust met een magnesiumanode. Ga te werk zoals aangegeven in de figuur om naar de magnesiumanode te gaan.
De magnesiumanode moet jaarlijks worden gecontroleerd en worden vervangen als die versleten is, anders vervalt de garantie van de boiler.

TVw Set temperatuur gemengde zone
Tag Periode in dagen
x Begindag
A Curve A
B Curve B
Afb. 18/a
Het is aanbevolen om op de ingang van het sanitaire water van de boiler een afsluit-klep aan te brengen, die niet alleen zorgt om volledig te sluiten maar ook om het debiet bij afname te regelen.
Wanneer de ketel geen sanitair warm water produceert, moet men controleren of de lucht correct is afgelaten via de manuele ontluchtingen nadat de hoofdschakelaar werd uitgezet.
4.4.4 Demontage expansievat
Ga als volgt te werk om het expansievat te demonteren:
- Controleer of het water uit de ketel werd gelaten.
- Verwijder de afdekking van de mantel en de flexibele leiding van het vat.
- Verwijder de bevestigingsbeugel van het vat en haal die naar boven weg.
Vooraleer het systeem te vullen, moet men
controleren of het expansievat voorbelast is op een druk van 0,8÷1 bar.
4.4.5 Zijpaneel (Afb. 18/c)
Om het zijpaneel achteraan bij de versies MISTRAL HE 32 BE - MISTRAL HE 32/110 BE weg te nemen tijdens de onderhoudswerkzaamheden, gaat men te werk zoals aangegeven in de Afb. 18/c.
Vers. 32/50 BE

Druk kort (circa 1 seconde) op toets [4] om de werkmodus van de pomp te selecteren.
De betreffende leds geven iedere keer de afstelmodus (2) en de ingestelde karakteristieke curven (3) aan.
Bij punt 4.4.6.4 staan de mogelijke combinaties en de betekenis daarvan.
Wanneer LED (1) een defect aangeeft, stopt de pomp en probeert herstartcyclussen uit te voeren. Als de storing verholpen is, gaat de pomp automatisch opnieuw van start.
4.4.6.1 Ontluchting van de pomp
De ontluchtingsfunctie van de pomp wordt actief door lang (3 seconden) op toets (4) te drukken waarna de ontluchting automatisch plaatsvindt.

De fabrieksinstelling wordt geactiveerd door op toets (4) te drukken en die ingedrukt te houden en de pomp te deactiveren.
Door de pomp te herstarten, zal hij werken met de fabrieksinstellingen (leverstatus).
4.4.6.3 Handmatige herstart
Wanneer een blokkering gedetecteerd wordt, probeert de pomp automatisch te herstarten. Als de pomp niet herstart wordt, activeer dan de handmalige herstart door lang (5 seconden) op
toets (4) te drukken en die vervolgens los te laten. De herstartfunctie zal maximaal 10 minuten geactiveerd zijn. Na de herstart toont de aanduiding van de leds de eerder ingestelde waarden. Als de storing niet wordt verholpen, moet de pomp vervangen worden.
4.4.6.4 Instelling van de werkmodus van de pomp
| LED-aanduidingRegelmodusKarakteristie- | kcurve | |
| 1. Constant toerenka | II | |
| 2. Constant toerenka | I | |
| 3. Variabel | drukverschil Δp-v | III |
| 4. Variabel | drukverschil Δp-v | II |
| 5. Variabel | drukverschil Δp-v | I |
| 6. Variabel | drukverschil Δp-v | III |
| 7. Variabel | drukverschil Δp-v | II |
| 8. Variabel | drukverschil Δp-v | I |
| 9. Constant toerenka | III | |
- Door 9 keer op de toets te drukken, wordt de basisinstelling hersteld (constant toerental / karakteristiekcurve III).

text_image
Variabel drukverschil Δp-v (I, II, III) Aanbevolen in geval van verwarmingssystemen met dubbele aanvoer met radiatoren, voor de beperking van de stromingsgeluiden op de thermostatische kleppen. De pomp halveert de opvoerhoogte in geval van afname van het debiet in het leidingennet. Er wordt energie bespaard dankzij de aanpassing van de opvoerhoogte op grond van het afgenomen benodigde debiet en de stromingsnelheid. Drie voorgeprogrammeerde karakteristiekcurven (I, II, III) waaruit gekozen kan worden. Aanbevolen in geval van stralingspanelen of leidingen van grote afmetingen en voor alle toepassingen die geen variabele karakteristiekcurven van de installatie hebben (zoals bijv. laadpompen boilers) en verwarmingsinstallaties met enkele aanvoer met radiatoren. De afstelling handhaaft de ingestelde opvoerhoogte onafhankelijk van het verplaatste debiet. Drie voorgeprogrammeerde karakteristiekcurven (I, II, III) waaruit gekozen kan worden. Constant toerental (I, II, III) Aanbevolen voor de installaties met stabiele weerstand die een constant debiet vereisen. De pomp werkt in drie stadia die met vaste, voorgeprogrammeerde toerentallen overeenkomen (I, II, III). WAARSCHUWING Fabrieksinstelling: Constant toerental, karakteristiekcurve III4.4.6.5 Eventuele storingen, oorzaken en mogelijke oplossingen van de pomp
| Kleur LED Eventuele storing Oorzaak Mogelijkke oplossing | |||
| Rood-Groen knipperend | Werking turbine | Het hydraulische systeem van de pomp wordt gevoed maar de pomp heeft geen netspanning | - Controleer de netspanning |
| Droge werking Lucht in de pomp | - Controleer de afwezigheid van lekken in de installatie | ||
| Overbelasting | De motor draait moeizaam. Het aantal toeren is lager ten opzichte van de gewone werking | - Controleer de netspanning- Controleer het debiet/de druk van de installatie- Controleer de kenmerken van het water van de installatie; reinig de installatie door puin weg te nemen | |
| Rood knipperend | Onder-/overbelasting | Te lage/hoge voedingsspanning - Controleer de netspanning | |
| Overmatige temperatuur Overmatige temperatuur binnenin de pomp | - Controleer het temperatuurniveau van het water in verhouding tot het niveau van de omgevingstemperatuur.- Controleer de netspanning- Controleer de omgevingsvoorwaarden voor de werking | ||
| Kortsluiting Stroom van de motor te hoog - Controleer de netspanning | |||
| Rood brandt permanent | Stilstand wegens "permanente blokkering" | Rotor geblokkeerd | - Activeer de handmatige herstart |
| - VERVANG DE POMP | |||
| Defect van de elektronische kaart en/of de motor | - VERVANG DE POMP | ||
| LED Uitgeschakeld | Stilstand | Ontbreken elektrische voeding | - Controleer de aansluiting op de elektrische voeding |
| LED defect - | Controleer of de pomp kan werken | ||
| Elektronische kaart defect | - VERVANG DE POMP | ||
4.5 WERKINGSSTORINGEN
Wanneer er zich een werkingsstoring voordoet, verschijnt er op het display een alarm en wordt de blauw verlichte balk rood.
Hierna vermelden we de beschrijvingen van de storingen met bijhorend alarm en de oplossing:
Interventie van de drukregelaar van de rookgassen. Indien de toestand die leidde tot activering van de storing meer dan twee minuten duurt, voert de ketel een geforceerde stop van dertig minuten uit. Op het einde van de geforceerde stop probeert de ketel opnieuw in te schakelen.

Afb. 23/0
- STORING LAGE WATERDRUK "AL 02" (Afb. 23/1)
Als de druk gemeten door de transductor lager is dan 0,5 bar (49 kPa) stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 02. Vul de ketel wanneer de installatie koud is, de ketel op stand-by staat en de installatiepomp uitgeschakeld is en gebruik daarvoor de vulkraan die aangebracht moet zijn op de retourleiding van de installatie in de versies MISTRAL HE 32 BE. In de versies MISTRAL HE 32/50 -

text_image
ALL 02 05 bar → 13 bar A B C COPGEPAST: Het vullen van het systeem moet koud gebeuren, met de ketel in stand-by en de installatiepomp uit.
Alleen in deze omstandigheden zal de waterdruktransductor nauwkeurig de druk van de installatie signaleren.
Afb. 23/1
32/110 BE moeten daarentegen kranen (A-B) geopend worden en moet de vulling plaatsvinden tot de druk die door de transductor aangeduid wordt tussen 1 en 1,5 bar (98 en 147 kPa) ligt. Is het vullen klaar sluit dan de kranen (A-B).
Wanneer men meermaals de procedure om het systeem te vullen moet herha- len, is het aanbevolen om de effectieve dichting van de verwarmingsinstallatie te controleren (controleer of er geen verlies is).
Als de druk gemeten door de transductor hoger is dan 2,8 bar, stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 03.
- STORING SONDE SANITAIR "AL 04" (Afb. 23/3)
Wanneer de sonde van het sanitair [SS] geopend of in kortsluiting is, werkt de ketel wel maar voert geen modulatie van het vermogen in fase sanitair uit. Op het display verschijnt de storing AL 04.
- STORING SONDE AANVOER VERWARMING "AL 05" (Afb. 23/4)
Wanneer de sonde voor aanvoer van de verwarming (SM) geopend of in kortsluiting is, stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 05.
- BLOKKERING VLAM "AL 06" (Afb. 23/5)
Wanneer de vlamcontrole geen vlam aanwezig detecteert op het einde van een volledige sequentie voor inschakeling of als de kaart om een andere reden de vlam niet meer ziet, stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 06. Druk op de toets van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten.
Vergeet niet dat het niet afvoeren van het condensaat kan worden veroorzaakt door vuil dat de recuperator of het condensaatafvoercircuit blokkeert, doordat de condensaatafvoerleiding geplet of verbogen is, of door ijs, als de leiding niet goed geïsoleerd is en beschermd tegen lage temperaturen.
Het openen van de lijn van de aansluiting met de veiligheidsthermostaat/rook/sifon vlottercontact bepaalt het stoppen van de ketel, de vlamcontrole blijft gedurende een minuut wachten op het sluiten van de lijn en houdt de pomp van de installatie gedurende deze tijdsspanne geforceerd aan. Als de thermostaat sluit vóór deze minuut is verstreken, dan zal de ketel de normale werkingsstatus hervalten; indien dit niet het geval is, dan stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 07.

text_image
ALL 03 2.8 BarAfb. 23/2

text_image
ALL 04Afb. 23/3

text_image
ALL 05Afb. 23/4

text_image
ALL 06 RESET 2Afb. 23/5

text_image
ALL 07 RESET 2 + - 1111 RESET Condensafvoer Afb. 23/6OPMERKING 1
Bij verstopping van de condensafvoer wordt het alarm "ALL07" weergegeven. Om de brander opnieuw te starten is het nodig om de condensaatafvoer vrij te maken van de verstopping en het aanwezige alarm te resetten. Als het alarm "ALL07" wordt gereset, maar de condensaatafvoer verstopt blijft, zal de ketel proberen te herstarten, vervolgens overgaan naar het alarm "ALL01" (uitschakeling rookgasdrukschakelaar PF) en vervolgens opnieuw naar het alarm "ALL07".
OPMERKING 2
De anti-condens vlotter grijpt alleen in als de condensafvoer verstopt is BENEDEN van de sifon, terwijl als de obstructie BOVEN de sifon zit, de anti-condens vlotter niet tussenbeide komt; daarom zal het nodig zijn om tijdens het gewone onderhoud te controleren of de damprecuperator vuil is en indien nodig te reinigen.
Druk op de toets ( [RENT] ) van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten.
- STORING PARASIETVLAM "AL 08" (Afb. 23/7)
Wanneer de sectie voor vlamcontrole de aanwezigheid van een vlam detecteert, zelfs tijdens de fasen waarin er geen vlam zou moeten zijn, betekent dit dat er zich een defect heeft voorgedaan in het circuit voor vlamdetectie; de ketel stopt en op het display verschijnt de storing AL 08.
- STORING WATERCIRCULATIE "AL 09" (Afb. 23/8)
Geen watercirculatie in het primaire circuit. Als de storing zich bij de eerste aanvraag voordoet, voert de ketel tot maximum drie pogingen uit om de aanwezigheid van water in het primaire circuit te verzekeren, daarna stopt de ketel en op het display verschijnt de storing AL 09. Als de storing zich tijdens de normale werking voordoet, verschijnt de storing AL 09 onmiddellijk op het display, de brander gaat uit en de pomp van de installatie en eventueel de pomp van de boiler blijven nog 1 minuut lang aan. In dit geval heeft er zich een bruuske temperatuursverhoging in de ketel voorgedaan. Controleer of er in de ketel circulatie is en controleer of de pomp correct werkt. Om de storing te verlate,, drukt men op de toets van de bedieningen (2). Indien de storing zich opnieuw voordoet, moet men interventie van de bevoegde technische dienst aanvragen.
- STORING HULPSONDE "AL 10" (Afb. 23/9)
KETEL MET ACCUMULATIE: Storing sonde boiler (SB). Wanneer de sonde van de boiler geopend of in kortsluiting is, verschijnt op het display de storing AL 10. De

Afb. 23/7

text_image
ALL 09 2 Afb. 23/8
text_image
ALL 10 Afb. 23/9
text_image
ALL 13 RESET 2 + - 1111 RESET Afb. 23/10
text_image
ALL 14 Afb. 23/11ketel werkt wel maar voert geen modula- tie van het vermogen in fase sanitair uit.
KETEL ENKEL VERWARMING: Storing antivriessonde (SA) bij ketels die het gebruik van de antivriessonde voorzien. Wanneer de sonde geopend of in kort-sluiting is, verliest de ketel een deel van de antivrieswerking en verschijnt op het display de storing AL 10.
KETEL MET AANSLUITING OP SOLARINSTALLATIE: Storing sonde ingang sanitair (ST). Wanneer de sonde geopend of in kortsluiting is, verliest de ketel de solarwerking en verschijnt op het display de storing AL 10.
- INTERVENTIE SONDE ROOKGASSEN "AL 13" (Afb. 23/10)
Wanneer de sonde van de rookgassen (SF) in werking treedt, stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 13. Druk op de toets van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten.
- STORING DEFECT SONDE ROOKGASSEN "AL 14" (Afb. 23/11)
Wanneer de sonde van de rookgassen geopend of in kortsluiting is, stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 14.
- STORING VAN DE VENTILATOR "AL 15" (Afb. 23/12)
Het toerental van de ventilator valt niet binnen het vooraf ingestelde bereik van de snelheid. Indien de toestand die leidde tot activering van de storing meer dan twee minuten duurt, voert de ketel een geforceerde stop van dertig minuten uit. Op het einde van de geforceerde stop probeert de ketel opnieuw in te schakelen.

Afb. 23/12
- STORING EXTERNE SONDE "KNIPPEREND" (Afb. 23/13)
Wanneer de sonde voor de buitentemperatuur (SE) in kortsluiting is, knippert het symbool op het display. Tijdens deze storing blijft de ketel normaal verder werken.

Afb. 23/13
- INTERVENTIE VEILIGHEIDSTHERMO- STAAT EERSTE GEMENGDE ZONE "ALL 20" (Afb. 23/14)
Wanneer de ketel op de kaart ZONAMIX is aangesloten, zet de interventie van de veiligheidsthermostaat de pomp van de installatie gemengde zone uit, de zonemengklep wordt gesloten en op het display verschijnt de storing AL 20.
Tijdens deze storing blijft de ketel nor- maal verder werken.

Afb. 23/14
- STORING DEFECT SONDE AANVOER EERSTE GEMENGDE ZONE (Afb. 23/15)
Wanneer de ketel op de kaart ZONAMIX is aangesloten en de sonde van de aanvoer is geopend of in kortsluiting, verschijnt op het display de storing AL 21.
Tijdens deze storing blijft de ketel nor- maal verder werken.

Afb. 23/15
- INTERVENTIE VEILIGHEIDSTHERMO- STAAT TWEEDE GEMENGDE ZONE "AL 22" [Afb. 23/16]
Wanneer de ketel op de kaart ZONAMIX is aangesloten, zel de interventie van de veiligheidsthermostaat de pomp van de installatie gemengde zone uit, de zone-mengklep wordt gesloten en op het display verschijnt de storing AL 22.
Tijdens deze storing blijft de ketel nor- maal verder werken.
![SIME MISTRAL HE ErP_BE - - INTERVENTIE VEILIGHEIDSTHERMO- STAAT TWEEDE GEMENGDE ZONE "AL 22" [Afb. 23/16] - 1](/content/2026/04/725366/images/9f55158834f479ec401ac77c3488e42a7a599e0f81cee0095c71247c63ae5e98.jpg)
Afb. 23/16
- STORING DEFECT SONDE AANVOER TWEEDE GEMENGDE ZONE "AL 23" (Afb. 23/17)
Wanneer de ketel op de kaart ZONAMIX is aangesloten en de sonde van de aanvoer is geopend of in kortsluiting, verschijnt op het display de storing AL 23.
Tijdens deze storing blijft de ketel nor- maal verder werken.

Afb. 23/17
- STORING SONDE SOLARCOLLECTOR (S1) "AL 24" (Afb. 23/18)
Wanneer de solarsonde geopend of in kortsluiting is, verschijnt op het display de storing AL 24.
Tijdens deze storing blijft de ketel nor- maal verder werken maar verliest de so- larfunctie, die niet meer beschikbaar is.

Afb. 23/18
- STORING SOLARSONDE BOILER (S2) "ALL 25" (Afb. 23/19)
Wanneer de solarsonde geopend of in kortsluiting is, verschijnt op het display de storing AL 25. Tijdens deze storing blijft de ketel normaal verder werken maar verliest de solarfunctie, die niet meer beschikbaar is.

Afb. 23/19
- STORING HULPSONDE (S3) "ALL 26" (Afb. 23/20)
Wanneer de solarsonde geopend of in kortsluiting is, verschijnt op het display de storing AL 26.
Tijdens deze storing blijft de ketel normal verder werken maar verliest de solarfunctie, die niet meer beschikbaar is.

Afb. 23/20
Wanneer de hydraulische configuratie niet coherent is met de gekozen solar-rapplicatie, verschijnt op het display de storing AL 27.
Tijdens deze storing blijft de ketel normaal verder werken maar voor de solarkaart waarvoor de storing actief is, blijft alleen de antivriesfunctie van de collector beschikbaar.

Afb. 23/21
- STORING COHERENTIE INGANG (S3) ALLEEN VOOR INSTALLATIE 7 "AL 28" (Afb. 23/22)
Wanneer er een sonde in plaats van een potentiaalvrij contact is aangesloten op de ingang S3 van de kaart, verschijnt op het display de storing AL 28.
Tijdens deze storing blijft de ketel normaal verder werken maar voor de solarkaart waarvoor de storing actief is, blijft alleen de antivriesfunctie van de collector beschikbaar.

Afb. 23/22
- STORING AANTAL AANGESLOTEN KAARTEN (Afb. 23/23)
Wanneer een va de aangesloten kaarten ZONAMIX/INSOL defect is of niet com-

Afb. 23/23
municeert, verschijnt op het display de storing AL 29. Tijdens deze storing blijft de ketel normaal verder werken met uitzondering van de functie ZONAMIX/INSOL.
Wanneer de sonde terugkeer verwarming (SR) geopend of in kortsluiting is, verschijnt op het display de storing AL 30. Tijdens deze storing blijft de ketel normaal verder werken.

text_image
ALL 30 Afb. 23/24- STORING SONDE AANVOER CASCADE "ALL 31" (Afb. 23/25)
Wanneer de sonde aanvoer cascade (SMC) geopend of in kortsluiting is, verschijnt op het display de storing AL 31. Tijdens deze storing blijft de ketel normaal verder werken.

text_image
ALL 31 Afb. 23/25- STORING CONFIGURATIE INSTALLATIE MET DRIE ZONES "ALL 32" (Afb. 23/26)
Wanneer er onvoldoende kaarten RS-485 zijn aangesloten en/of als minstens één van deze kaarten geen kaart voor een gemengde zone is, stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 32. De ketel start opnieuw wanneer de correcte configuratie voor installaties met 3 zones actief is.

text_image
ALL 32 Afb. 23/26- STORING COMMUNICATIE KAART RS-485 IN MODUS MODBUS "ALL 33" (Afb.23/27)
Wanneer PAR 16 verschillend is van “- -” en er gedurende minstens vier minuten geen communicatie is tussen de kaart van de ketel en de kaart RS-485 in modus MODBUS, stopt de ketel en verschijnt op

text_image
ALL 33 Afb. 23/27het display de storing AL 33. De ketel start opnieuw wanneer de communicatie wordt hersteld of wanneer men PAR 16 = “- -” instelt.
- STORING COMMUNICATIE KAART RS-485 IN MODUS CASCADE "ALL 34" (Afb.23/28)
Wanneer PAR 15 verschillend is van “-” en er geen communicatie is tussen de kaart van de ketel en de kaart RS-485 in modus CASCADE, stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 34. De ketel start opnieuw wanneer de communicatie wordt hersteld of wanneer men PAR 15 = “-” instelt.

text_image
ALL 34 Afb. 23/28- STORING COMMUNICATIE KAART RS-485 EN KAART RS-485 "AL 35" (Afb. 23/29)
Wanneer PAR 15 verschillend is van “- -” en er geen communicatie is tussen ten minste twee kaarten RS-485, stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 35. De ketel start opnieuw wanneer de communicatie wordt hersteld of wanneer men PAR 15 = “- -” instelt.

text_image
ALL 35 Afb. 23/29OPGEPAST: Bij aansluiting in sequentie/cascade verschijnen de foutcodes 70 en 71 op het display van de afstandbediening SIME HOME:
- ALARM 70
Wanneer er een storing optreedt die de werking van de cascade blokkeert (sonde aanvoer cascade AL 31), verschijnt alarm 70 op het display van de afstandsbediening SIME HOME. Controleer de storing op de cascade.
- ALARM 71
Wanneer er een storing optreedt op een van de modules en de andere modules blijven verder werken in zoverre dit is toegestaan, verschijnt alarm 71 op het display van de afstandbediening SIME HOME. Controleer de storing op de cascade.
VOOR DE GEBRUIKER
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
- Het apparaat kan gebruikt worden door kinderen die ouder zijn dan 8 jaar en door mensen met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke capaciteiten, of zonder ervaring of de benodigde kennis, op voorwaarde dat zij onder toezicht staan of instructies ontvangen hebben over het veilige gebruik van het apparaat en de daaraan inherente gevaren begrijpen. Kinderen mogen niet met het apparaat spelen. De reiniging en het onderhoud dat door de gebruiker uitgevoerd moet worden, mag niet door kinderen zonder toezicht uitgevoerd worden.
- Voordat u met de restauratie begint, moet u ervoor zorgen dat de interne delen van de ketel zijn afgekoeld om het risico van brandwonden door hoge temperaturen te voorkomen. Zorg dat u geen gevaarlijke mechanische onderdelen (schroeven en scherpe randen van het plaatwerk) en elektrische componenten aanraakt.
- Wanneer het toestel defect, moet men het uitschakelen en niet proberen om te repareren of een rechtstreekse interventie uit te voeren. Wendt u uitsluitend tot gekwalificeerd technisch personeel.
Om de ketel in werking te stellen, moet men de volgende handelingen aandachtig volgen: open de gaskraan zodat de brandstof kan stromen en zet de hoofdschakelaar van de installatie op "aan".
Zodra er voeding is, voorziet de ketel om een controlesequentie uit te voeren; vervolgens verschijnt op het display de werkingsstatus, waarbij altijd de druk van de installatie wordt gesignaleerd.
De blauw verlichte balk geeft aan dat er spanning aanwezig is.
OPMERKING: Zodra de bedieningstoetsen (2) worden ingedrukt, gaat het display oplichten, wanneer de toetsen nogmaals worden ingedrukt, kan de vooraf gekozen werkwijze worden geactiveerd.
Winter
Druk op de toets * van de bedieningen (pos. 2) om de winterwerking (verwarming en sanitair) te activeren. Het display verschijnt zoals in de figuur voorgesteld.

Zomer
Druk op de toets van de bedieningen (pos. 2) om de zomerwerking (alleen produc-
tie van sanitair warm water) te activeren. Het display verschijnt zoals in de figuur voorgesteld.

REGELING VAN DE TEMPERATUUR VAN HET WATER VOOR VERWARMING (Afb. 25)
Om de gewenste temperatuur van het water voor verwarming in te stellen, drukt men op de toets (1) van de bedieningen (pos. 2). Wanneer de toets een eerste keer wordt ingedrukt, selecteert men de SET van het verwarmingscircuit 1.

Wanneer men de toets een tweede keer indrukt, selecteert men de SET van het verwarmingscircuit 2. Wanneer men de toets een derde keer indrukt, selecteert men de SET van het verwarmingscircuit 3 (installatie met drie zones).
Het display verschijnt zoals in de figuur voorgesteld. Wijzig de waarden met de toetsen [+ en -]
Wanneer men de toets (indrukt of gedurende 10 seconden geen enkele toets indrukt, keert men terug naar de standaardweergave.
AFSTELLONG MET EXTERNE
SONDE AANGESLOTEN (Afb. 25/a)
Wanneer een externe sonde is geïnstalleerd, wordt de waarde van de aanvoertemperatuur automatisch door het systeem geselecteerd, dat voorziet om de omgevingstemperatuur snel aan te passen in functie van de schommelingen van de buitentemperatuur.
Als men de waarde van de temperatuur wenst te wijzigen door die te verhogen of te verminderen ten opzichte van de waarde die door de elektronische kaart automatisch wordt berekend, gaat men te werk zoals in de vorige paragraaf aangegeven.
Het correctieniveau varieert met een berekende proportionele afstellingswaarde. Het display verschijnt zoals in de Afb. 25/a voorgesteld.
REGELING VAN DE TEMPERATUUR VAN HET SANITAIRE WATER (Afb. 26)
Om de gewenste temperatuur van het sanitaire water in te stellen, drukt men op de toets (4) van de bedieningen (pos. 2).
Het display verschijnt zoals in de figuur voorgesteld.
Wijzig de waarden met de toetsen ( + en - ), indrukt of gedurende 10 seconden geen enkele toets indrukt, keert men terug naar de standaardweergave.
UITSCHAKELING VAN DE KETEL (Afb. 24)
Bij korte afwezigheden drukt men op de toets (♂) van de bedieningen (pos. 2). Het display verschijnt zoals in Afb. 24 voorgesteld. Door de elektrische voeding en de toevoer van de brandstof actief te laten, is de ketel op deze manier beschermd door de systemen voor antivries en antiblokkering van de pomp.
Wanneer de ketel gedurende een lange periode niet wordt gebruikt, is het aanbevolen om de elektrische spanning weg te nemen via de hoofdschakelaar van de installatie; sluit de gaskraan en maak de waterinstallatie leeg wanneer er lage temperaturen worden voorspeld om breuk van de leidingen te vermijden door bevriezing van het water.

Verwarmingscircuit 3 (installatie met 3 zones)

Afb. 25

Wanneer er zich een werkingsstoring voordoet, verschijnt er op het display een alarm en wordt de blauw verlichte balk rood. Hierna vermelden we de beschrijvingen van de storingen met bijhorend alarm en de oplossing:
- AL01
Vraag de interventie aan van gekwalifi-
ceerd technisch personeel.
- AL 02 (Afb. 27/a)
Als de druk gemeten door de transductor lager is dan 0,5 bar (49 kPa) stopt de ketel en verschijnt op het display de storing AL 02. Vul de ketel wanneer de installatie koud is, de ketel op stand-by staat en de installatiepomp uitgeschakeld is en gebruik daarvoor de vulkraan die aangebracht moet zijn op de retourleiding van de installatie in de versies MISTRAL HE
32 BE. In de versies MISTRAL HE 32/50 - 32/110 BE moeten daarentegen kranen (A-B) geopend worden en moet de vulling plaatsvinden tot de druk die door de transductor aangeduid wordt tussen 1 en 1,5 bar (98 en 147 kPa) liegt. Is het vullen klaar sluit dan de kranen (A-B).
Wanneer men meermaals de procedure om het systeem te vullen moet herha- len, is het aanbevolen om de effectieve dichting van de verwarmingsinstallatie

text_image
ALL 02 0.5 Bar → 13 Bar A B C COPGEPAST: Het vullen van het systeem moet koud gebeuren, met de ketel in stand-by en de installatiepomp uit.
Alleen in deze omstandigheden zal de waterdruktransductor nauwkeurig de druk van de installatie signaleren.
Afb. 27/a
te controleren (controleer of er geen verlies is).
- AL 03
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- AL04
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- AL 05
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- AL 06 (Afb. 27/c)
Druk op de toets van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten. Controleer of de sifon voor de condensafvoer of de daarop aangesloten leidingen niet verstopt zijn. Ga over tot de reiniging.
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel als de storing niet verdwijnt.
- AL 07 (Afb. 27/d)
Druk op de toets van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten.
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel als de storing niet verdwijnt.
- AL08
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- AL09
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- AL 13 (Afb. 27/e)
Druk op de toets van de bedieningen (2) om de ketel opnieuw te doen starten.
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel als de storing niet verdwijnt.
- AL 14
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- AL15
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- “KNIPPEREND”
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- Van AL 20 tot AL 35
Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.
- AL 70 en AL 71
Deze alarmen verschijnen op het display van de afstandsbediening SIME HOME. Vraag de interventie aan van gekwalificeerd technisch personeel.

Condensafvoer

Wendt u uitsluitend tot technisch personeel erkend door SIME wanneer er geen LED-signaal (1) is of als die van kleur verandert (rood-groen knipperend of rood knipperend).
Als LED (1) permanent rood brandt, activeer dan de handmatige herstart door 5 seconden op toets (4) te drukken en die vervolgens los te laten.
Als de pomp niet gedeblokkeerd wordt, vraag dan om tussenkomst van geautoriseerd technisch personeel.
ONDERHOUD
Men doet er goed aan om op tijd het jaar- lijks onderhoud van het toestel te pro- programmeren, vraag deze interventie aan bij gekwalificeerd technisch personeel.
LET OP: Het is verplicht dat de speciale voedingskabel alleen wordt vervangen door een reservekabel die is besteld en aangesloten door professioneel gekwalificeerd personeel.
VERNIETIGING VAN HET APPARAAT (EUROPESE RICHTLIJN 2012/19/UE)

Alshetapparaatheteinde- vanzijnlevensduur-heeft- bereikt, DIENT HET GE- SCHEIDEN TE WORDEN VERNIETIGD volgens de geldende wettelijke voor- schriften.
ETMAGNIETWORDEN VERNIETIGD sa- menmethuishoudelijkafval.
Hetkaningeleverdwordenbijeenpuntvoorge-scheidenafvalverwerking of bij een hande-laar die dergelijke diensten levert.
Gescheidenvernietigingvoorkomteventueleschadeaanhetmilieuofuwgezondheid. Boven-dienkunnenzomaterialenwordengerecy-cleerd, wat leidt tot een aanzienlijke bespa-ring van grondstoffen en energie.

CN1 Art. nr. 6319189
CN2 Art. nr. 6319191
CN3 Art. nr. 6319192
CN4 Art. nr. 6316203
CN5 Art. nr. 6316200
CN6 Art. nr. 6316202
CN7 Art. nr. 6316204
CN9 Art. nr. 6319190
CN12 Art. nr. 629999
CN13 Art. nr. 6319161
CN14 Art. nr. 6293569
WARNUNG
| Informatie die meegedeeld moet worden voor ruimteverwarming en gemengde ketels | ||||||||
| n###o | MISTRAL HE 32 BE | |||||||
| Ketel met rookgascondensor: | Yes | |||||||
| Ketel met lage temperatuur: | Yes | |||||||
| Ketel van het type B11: | No | |||||||
| Warmtekrachtkoppelingstoestel voor ruimteverwarming: | No | Uitgerust met een bijkomend verwamingstoestel: | No | |||||
| Gemengd verwarmingstoestel: | No | |||||||
| Element | Symbool | Waarde | Unit | Element | Symbool | Waarde | Unit | |
| Nominaal thermisch vermogen | Pn | 29 | kW | Energie-efficiëntie ruimteverwarming | ns | 92 | % | |
| Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels: bruikbaar thermisch vermogen | Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels: bruikbare efficiëntie | |||||||
| Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime * | Pa | 29 | kW | Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime (*) | n4 | 88,4 | % | |
| Bij 30% van het nominaal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime ° | P1 | 9,6 | kW | Bij 30% van het nominaal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime (*) | n1 | 97,7 | % | |
| Bijkomend elektriciteits verbruik | Andere elementen | |||||||
| Met volle belasting | elmax | 0,045 kW | Warmteverlies tijdens stand-by | Pstby | 0,195 | kW | ||
| Met gedeeltelijke belasting | elmin | 0,019 kW | Energieverbruik van de ontstekingsbrander | Pign | 0 | kW | ||
| In stand-by | PSB | 0,004 kW | Nox -uits toot | NOx | 53 | mg/kWh | ||
| Voor gemengde verwarmingstoestellen: | ||||||||
| Verklaard capaciteitsprofiel | -- | Energie-efficiëntie waterverwarming | nwh | -- | % | |||
| Dagelijks energieverbruik | Qelec | -- kWh | Dagelijks brandstofverbruik | Qfuel | -- | kWh | ||
| Contactgegevens | Fonderie Sime S.p.A. Via Garbo 27, 37045 Legnago (VR) ITALIA | |||||||
| a. Hoge-temperatuurregime: terugkeertemperatuur van 60°C aan de ingang en een gebruikstemperatuur van 80°C aan de uitgang van het toestel.b. Lage temperatuur: terugkeertemperatuur (aan de ingang van de ketel) voor ketels met rookgascondensor 30°C, voor lage-temperatuurketels 37°C en voor de andere ketels 50°C.(*) De gegevens met betrekking tot het rendement wordt berekent met verbrandingswaarde Hs. | ||||||||
NL
Conforme à l'annexe IV et à l'annexe VII du règlement délégué (UE) n° 811/2013 qui intègre le règlement européen (UE) 2017/1369 Konform mit Anhang IV und Anhang VII der delegierten Verordnung (EU) Nr. 811/2013, die die europäische Verordnung (EU) 2017/1369 integriert Conform de bijlage IV en de bijlage VII van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 811/2013, die de Europese verordening (EU) 2017/1369 integreert
FICHE TECHNIQUE DE LA CHAUDIÈRE / TECHNISCH BLAD VERWARMINGSKETEL / TECHNISCHES DATENBLATT HEIZKESSEL MISTRAL HE 32/50 BE (code 8111462)
| Informatie die meegedeeld moet worden voor ruimteverwarming en gemengde ketels | ||||||||
| :nelledoM | MISTRAL HE 32/50 BE | |||||||
| Ketel met rookgascondensor: | Yes | |||||||
| Ketel met lage temperatuur: | Yes | |||||||
| Ketel van het type B11: | No | |||||||
| Warmtekrachtkoppelingstoestel voor ruimteverwarming: | No | Uitgerust met een bijkomend verwamingstoestel: | No | |||||
| Gemengd verwarmingstoestel: | Yes | |||||||
| Element | Symbool | Waarde | Unit | Element | Symbool | Waarde | Unit | |
| Nominaal thermisch vermogen | P_n | 29 | kW | Energie-efficiëntie ruimteverwarming | ns | 92 | % | |
| Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels:bruikbaar thermisch vermogen | Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels:bruikbare efficiëntie | |||||||
| Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregimea | P_4 | 29 kW | Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime (a) | n4 | 88,4 % | |||
| Bij 30% van het nominal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regimeb | P_5 | 9,6 kW | Bij 30% van het nominal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime (c) | n1 | 97,7 | % | ||
| Bijkomend elektriciteits verbruik | Andere elementen | |||||||
| Met volle belasting | eI_max | 0,045 kW | Warmteverlies tijdens stand by | Pstby | 0,451 | kW | ||
| Met gedeeltelijke belasting | eI_i+1 | 0,019 kW | Energieverbruik van de ontstekingsbrander | Pign | 0 | kW | ||
| In stand-by | PSB | 0,004 kW | Nox- uits toot | NOx | 53 | mg/kWh | ||
| Voor gemengde verwarmingstoestellen: | ||||||||
| Verklaard capaciteitsprofil | XL | Energie-efficiëntie waterverwarming | nwh | 65 | % | |||
| Dagelijks energieverbruik | Qelec | 0,105 kWh | Dagelijks brandstofverbruik | Qfuel | 32,093 | kWh | ||
| Contactgegevens | Fonderie Sime S.p.A. Via Garbo 27, 37045 Legnago (VR) ITALIA | |||||||
| a. Hoge-temperatuurregime: terugkeertemperatuur van 60°C aan de ingang en een gebruikstemperatuur van 80°C aan de uitgang van het toestel.b. Lage temperatuur: terugkeertemperatuur (aan de ingang van de ketel) voor ketels met rookgascondensor 30°C, voor lage-temperatuurketels 37°C en voor de andere ketels 50°C.(c) De gegevens met betrekking tot het rendement wordt berekent met verbrandingswaarde Hs. | ||||||||
NL
Conforme à l'annexe IV et à l'annexe VII du règlement délégué (UE) n° 811/2013 qui intègre le règlement européen (UE) 2017/1369 Konform mit Anhang IV und Anhang VII der delegierten Verordnung (EU) Nr. 811/2013, die die europäische Verordnung (EU) 2017/1369 integriert Conform de bijlage IV en de bijlage VII van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 811/2013, die de Europese verordening (EU) 2017/1369 integreert
FICHE TECHNIQUE DE LA CHAUDIÈRE / TECHNISCH BLAD VERWARMINGSKETEL / TECHNISCHES DATENBLATT HEIZKESSEL MISTRAL HE 32/110 BE (code 8111472)
| Informatie die meegedeeld moet worden voor ruimteverwarming en gemengde ketels | |||||||
| nelledoM | MISTRAL HE 32/110 BE | ||||||
| Ketel met rookgascondensor: | Yes | ||||||
| Ketel met lage temperatuur: | Yes | ||||||
| Ketel van het type B11: | No | ||||||
| Warmtekrachtkoppelingstoestel voor ruimteverwarming: | No | Uitgerust met een bijkomend verwamingstoestel: | No | ||||
| Gemengd verwarmingstoestel: | Yes | ||||||
| Element | Symbool | Waarde | Unit | Element | Symbool | Waarde | Unit |
| Nominaal thermisch vermogen | P. | 29 | kW | Energie-efficientie ruimteverwarming | ηs | 92 | % |
| Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels:bruikbaar thermisch vermogen | Voor ketels voor ruimteverwarming en gemengde ketels:bruikbare efficientie | ||||||
| Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime * | P_A | 29 | kW | Bij nominaal thermisch vermogen en bij een hoge-temperatuurregime (°) | ηl | 88,4 | % |
| Bij 30% van het nominaal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime ° | P | 9,6 | kW | Bij 30% van het nominaal thermisch vermogen en bij een lage temperatuur regime (°) | ηl | 97,7 | % |
| Bijkomend elektriciteits verbruik | Andere elementen | ||||||
| Met volle belasting | eI_-net | 0,045 kW | Warmteverlies tijdens stand-by | Pstby | 0,532 | kW | |
| Met gedeeltelijke belasting | eI_mn | 0,019 kW | Energieverbruik van de ontstekingsbrander | Pign | 0 | kW | |
| In stand-by | PSB | 0,004 kW | Nox-uitstoot | NOx | 53 | mg/kWh | |
| Voor gemengde verwarmingstoestellen: | |||||||
| Verkleard capaciteitsprofil | XXL | Energie-efficientie waterverwarming | ηvh | 64 | % | ||
| Dagelijks energieverbruik | Qelec | 0,108 kWh | Dagelijks brandstofverbruik | Qfuel | 38,263 | kWh | |
| Contactgegevens | Fonderie Sime S.p.A. Via Garbo 27, 37045 Legnago (VR) ITALIA | ||||||
| a. Hoge-temperatuuregime: terugkeertemperatuur van 60°C aan de ingang en een gebruikstemperatuur van 80°C aan de uitgang van het toestel.b. Lage temperatuur: terugkeertemperatuur (aan de ingang van de ketel) voor ketels met rookgascondensor 30°C, voor lage-temperatuurketels 37°C en voor de andere ketels 50°C.(*) De gegevens met betrekking tot het rendement wordt berekent met verbrandingswaarde Hs. | |||||||
NL
Conforme à l'annexe IV et à l'annexe VII du règlement délégué (UE) n° 811/2013 qui intègre le règlement européen (UE) 2017/1369 Konform mit Anhang IV und Anhang VII der delegierten Verordnung (EU) Nr. 811/2013, die die europäische Verordnung (EU) 2017/1369 integriert Conform de bijlage IV en de bijlage VII van de gedelegeerde verordening (EU) nr. 811/2013, die de Europese verordening (EU) 2017/1369 integreert
NOTES
sime
ENGLEBERT Alain - alain.englebert@dps-pro.com
GSM +32 495/54.04.75 - FAX +32 2/771.58.28
info@dps-pro.com - www.dps-pro.com
MALRAIN Thomas - thomas.malrain@dps-pro.com





