Cimera - Radiografisch bestuurbaar speelgoed Reely - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Cimera Reely in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Cimera Reely
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Radiografisch bestuurbaar speelgoed in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Cimera - Reely en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Cimera van het merk Reely.
GEBRUIKSAANWIJZING Cimera Reely
NL Gebruiksaanwijzing
1:10 Elektrische Monstertruck
"Cimera" 4WD RtR
Bestelnr. 2304801 (super combo-set) Pagina 92 - 121
Seite
- Inleiding 94
- Verklaring van de symbolen....94
- Doelmatig gebruik....95
- Omvang van de levering....95
- Noodzakelijke accessoires ....96
- Veiligheidsinstructies 97
a) Algemeen 97
b) Ingebruikname....98
c) Rijden van het voertuig....98
- Batterij- en accutips....100
a) Algemeen 100
b) Aanvullende informatie over lithium-accu's 101
- Rij-accu voor het voertuig laden 103
- Ingebruikname....104
a) Carrosserie verwijderen....104
b) Batterijen/accu's in de zender plaatsen 104
c) Zender in gebruik nemen....104
d) Plaatsen van de rij-accu in het voertuig....104
e) Rij-accu aansluiten op de rijregelaar 105
f) Rijregelaar inschakelen 105
g) Carrosserie plaatsen en bevestigen 106
h) Voertuig besturen 107
i) Rit beëindigen....108
- Rijregelaar programmeren....109
a) Programming van de neutrale en volgasinstelling....109
b) Programmeren van de speciale functies 110
c) De snelheidsregelaar opnieuw instellen....112
- Instelmogelijkheden aan het voertuig 113
a) Wielvlucht instellen....113
b) Spoor instellen....114
c) Schokdempers instellen 115
Pagina
- Reiniging en onderhoud.... 116
a) Algemeen 116
b) Voor resp. na elke rit....116
c) Banden vervangen 117
- Afvoer 118
a) Product....118
b) Batterijen/accu's 118
- Conformiteitsverklaring (DOC).... 118
- Verhelpen van storingen.... 119
- Technische gegevens 121
a) Voertuig 121
b) Afstandsbediening....121
c) LiPo-lader 121
d) LiPo-accu....121
1. Inleiding
Geachte klant,
Wij danken u voor de aankoop van dit product.
Dit product voldoet aan de nationale en Europese wettelijke voorschriften.
Om dit zo te houden en een veilig gebruik te garanderen, dient u als gebruiker deze gebruiksaanwijzing in acht te nemen!

Deze gebruiksaanwijzing behoort bij dit product. Er staan belangrijke aanwijzingen in over de ingebruikname en het gebruik. Houd hier rekening mee als u dit product doorgeeft aan derden.
Bewaar deze gebruiksaanwijzing daarom voor later gebruik!
Alle vermelde bedrijfs- en productnamen zijn handelsmerken van de respectievelijke eigenaren. Alle rechten voorbehouden.
Bij technische vragen kunt u zich wenden tot onze helpdesk.
Voor meer informatie kunt u kijken op www.conrad.nl of www.conrad.be.
2. Verklaring van de symbolen

Het symbool met het uitroepteken in een driehoek wijst op belangrijke tips in deze gebruiksaanwijzing die beslist opgevolgd moeten worden.
→ Het pijl-symbol ziet u waar bijzondere tips en aanwijzingen over de bediening worden gegeven.
Dit product is een vierwielaangedreven modelvoertuig, dat via de meegeleverde afstandsbediening draadloos bestuurd kan worden. De stuurfuncties zijn vooruit/achteruit/links/rechts (elk traploos).
De ingebouwde borstelloze motor wordt aangestuurd via een elektronische rijregelaar, de besturing via een stuurbekrachtiging.
Het voertuig (chassis en carrosserie) is rijklaar gemonteerd.
Een passende LiPo rij-accu en een LiPo-lader en 4 batterijen van het type AA/mignon voor de zender zijn ook inbegrepen.
Het apparaat is geen speelgoed en is niet geschikt voor kinderen jonger dan 14 jaar.

Houd rekening met de veiligheidsinstructies in deze gebruiksaanwijzing. Deze bevatten belangrijke informatie voor het gebruik van het product. Lees de volledige gebruiksaanwijzing voor de ingebruikname en het gebruik van het voertuig aandachtig door.
Bij het niet in acht nemen bestaan diverse gevaren zoals bijv. letselgevaar.
4. Omvang van de levering
• Rijklaar opgebouwd voertuig
• Zender (afstandsbediening)
• 3-cellige LiPo rij-accu (nominale spanning 11,1 V)
• 4 AA/mignon batterijen voor de zender
- LiPo-lader
- Stroomkabel
- Gebruiksaanwijzing voor het voertuig
- Gebruiksaanwijzing voor de afstandsbediening (zender/ontvanger) op CD
- Gebruiksaanwijzing voor de LiPo-lader op CD
Actuele gebruiksaanwijzingen
Download de meest recente gebruiksaanwijzing via de link www.conrad.com/downloads of scan de afgebeelde QR-Code. Volg de instructies op de website.

5. Noodzakelijke accessoires
Bij de levering vindt u zowel een voor het voertuig passende 3-cellige LiPo rij-accu, een LiPo-oplader en 4 AA/mignon-batterijen voor de zender. Voor het eerste gebruik van het voertuig hebt u dus geen extra accessoires nodig.
Voor een optimaal gebruik van het voertuig raden wij echter nog de volgende onderdelen aan:
- Een of meerdere extra passende rij-accu's (om na een korte pauze voor het afkoelen van de motor en rijregelaar te kunnen blijven rijden)
- Reservebatterijen (4x AA/mignon) voor de zender (als de batterijen in de zender tijdens het rijden met het voertuig leeg raken)
- Reservebanden (om versleten/beschadigde banden snel te kunnen vervangen)
- Montagestandaard (voor proefdraaien en gemakkelijk onderhoud)
- Divers gereedschap (bijv. schroevendraaier, punttang, binnenzeskantsleutel, steeksleutel)
• Persluchtspray (voor de reiniging) - Borglak (om losgeraakte schroefverbindingen weer te fixeren)
- Transporttas

De reserveonderdelenlijst vindt u op onze internetpagina www.conrad.com in het downloadbereik van het betreffende product.

In geval van schade, die ontstaat door het niet naleven van de gebruiksaanwijzing, komt de waarborg/garantie te vervallen. We zijn niet aansprakelijk voor gevolgschade!
Wij zijn niet aansprakelijk voor materiële schade of persoonlijk letsel veroorzaakt door verkeerd gebruik of het niet opvolgen van de veiligheidsinstructies! In dergelijke gevallen komt de waarborg/garantie te vervallen.
Bovendien valt schade voortvloeiend uit gewone slijtage tijdens het gebruik (bijv. versleten wielen of tandwielen) en schade door ongevallen (bijv. gebroken ophanging, beschadigd chassis, enz.) niet onder de garantie.
Geachte klant: deze veiligheidsvoorschriften hebben niet alleen de bescherming van het product, maar ook de bescherming van uw gezondheid en die van andere personen tot doel. Lees daarom dit hoofdstuk aandachtig door, voordat u het product in gebruik neemt!
a) Algemeen
Let op, belangrijke aanwijzing!
Het gebruik van het model kan materiële schade en/of persoonlijk letsel veroorzaken. Zorg er dus voor dat u voldoende verzekerd bent voor de bediening van het model, bijvoorbeeld via een aansprakelijkheidsverzekering. Als u al een aansprakelijkheidsverzekering bezit, controleer dan voor de ingebruikneming van het model bij uw verzekeringsmaatschappij of de bediening van het model wordt gedekt.
- Uit veiligheids- en vergunningsredenen is het niet toegestaan dit product zelf om te bouwen en/of te veranderen.
- Het apparaat is geen speelgoed en is niet geschikt voor kinderen jonger dan 14 jaar.
- Laat het verpakkingsmateriaal niet rondslingeren, dit kan voor kinderen gevaarlijk speelgoed zijn.
- Mocht u vragen hebben dien niet aan de hand van de gebruiksaanwijzing kunnen worden beantwoord, kunt u contact met ons (zie contactinformatie hoofdstuk 1) of met een andere vakman opnemen.
De bediening en het gebruik van op afstand bedienbare modelvoertuigen moet geleerd worden! Als u nog nooit een dergelijk voertuig bestuurd heeft, moet u heel voorzichtig rijden en u eerst vertrouwd maken met de reacties van het voertuig op de commando's van de afstandsbediening. Wees geduldig!
U mag bij het gebruik van het product geen risico's nemen! Uw eigen veiligheid en die van uw omgeving is uitsluitend afhankelijk van uw verantwoord gebruik van het model.
- Het beoogd gebruik van het voertuig vergt regelmatige onderhoudswerkzaamheden en ook reparaties. De banden zijn bijvoorbeeld onderhevig aan slijtage, of er is door een rijfout sprake van een "ongevalsschade".
Gebruik voor de door dan noodzakelijke onderhouds- of reparatiewerken uitsluitend originele reserveonderdelen!

b) Ingebruikname
- De gebruiksaanwijzing voor de zender en de oplader wordt afzonderlijk meegeleverd. Houd per sé rekening met de daar vermelde veiligheidsinstructies en alle verdere informatie! Bij ondoelmatig gebruik, in het bijzonder van de de oplader, kunnen er allerlei gevaren optreden.
- Gebruik uitsluitend voor het voertuig geschikte rij-accu's. Gebruik de rijregelaar nooit via een netspanningsadapter, ook niet voor testdoeleinden.
- Dit voertuig is uitsluitend geschikt voor een LiPo rij-accu met max. 3 cellen (nominale spanning 11,1 V).
Bij gebruik van rij-accu's met meer cellen bestaat brandgevaar door oververhitting van de rijregelaar, bovendien wordt de aandrijving van het voertuig overbelast en daardoor beschadigd (bijv. differentieel). De waarborg/garantie komt te vervallen! - Schakel bij de ingebruikname steeds eerst de zender aan. Pas daarna mag de rij-accu van het voertuig met de rijregelaar verbonden en de rijregelaar ingeschakeld worden. Dit kan anders tot onvoorziene reacties van het voertuig leiden!
Ga als volgt te werk:
- Plaats het voertuig voor het aansluiten van de rij-accu op een geschikte ondergrond, zodat de wielen vrij kunnen draaien.
- Zet de rijregelaar uit.
- Als dat nog niet gebeurd is, zet dan de zender aan. Controleer diens werking (bijv. bedrijfsindicator van de zender).
- Breng op de zender de trimming voor de gas-/remfunctie in de middelste stand.
- Sluit een volledig opgeladen rij-accu met de juiste polariteit aan op de rijregelaar (rode kabel = plus/+, zwarte kabel = min/-).
- Schakel pas daarna de rijregelaar aan. Wacht vervolgens enkele seconden totdat de rijregelaar zijn zelfdiagnose heeft afgesloten.
- Controleer of het voertuig zoals verwacht op de afstandsbediening reageert (besturing en aandrijving), voordat u het van de ondergrond neemt en het met wielen op de grond plaatst.
- Als de aandrijving niet naar behoren werkt, dient u hoofdstuk 14.
c) Rijden van het voertuig
- Een verkeerd gebruik kan ernstig persoonlijk letsel en materiële schade tot gevolg hebben! Rijd daarom alleen zolang u direct zichtcontact met het model heeft. Rijd daarom ook niet 's nachts.
- Rijd alleen als uw reactievermogen niet verminderd is. Vermoeidheid of beïnvloeding door alcohol of medicijnen kan, net zoals bij een echt voertuig, verkeerde reacties tot gevolg hebben.
- Denk eraan dat u met dit modelvoertuig niet op de openbare weg, pleinen en straten mag rijden. Gebruik het ook niet zonder toestemming van de eigenaar op privéterrein.
• Rijd niet naar mensen of dieren toe! - Vermijd het rijden bij zeer lage omgevingstemperaturen. Kunststof onderdelen verliezen hierdoor aan elasticiteit, wat reeds bij een licht ongeluk grote schade kan veroorzaken.

- Rijd niet tijdens onweer, onder hoogspanningskabels of in de buurt van zendmasten.
- Laat de zender altijd ingeschakeld, zolang het voertuig in gebruik is.
- Om het voertuig weg te zetten, moet u altijd eerst de rijregelaar van het voertuig uitzetten en vervolgens de rij-accu volledig ontkoppelen van de rijregelaar. Pas nu mag de zender uitgeschakeld worden.
- Bij zwakke batterijen (of accu's) in de zender neemt de reikwijdte af. Vervang de batterijen of accu's door nieuwe.
- Als de rij-accu in het voertuig zwak wordt, zal het voertuig langzamer worden of niet meer correct op de zender reageren.
De rij-accu in het voertuig is niet alleen bestemd voor de stroomvoorziening van de motor via de rijregelaar, maar de rijregelaar genereert ook de nodige spanning/stroom voor de ontvanger en de stuurbekrachtiging.
Daarvoor is in de rijregelaar een BEC (Engels voor "Battery Eliminator Circuit", elektronische schakeling voor directe stroomvoorziening van de ontvanger zonder extra ontvangeraccu) ingebouwd.
Bij een te lage spanning van de rij-accu kan ook de spanning aan de ontvanger dalen, wat ertoe leidt dat het voertuig niet meer op de stuurbevelen van de zender reageert.
In dit geval moet u het gebruik onmiddellijk (rijregelaar uitschakelen, rij-accu loskoppelen van het voertuig, zender uitschakelen) beëindigen. Vervang daarna de rij-accu van het voertuig of laad de rij-accu weer op.
- Zowel de motor en de aandrijving alsook de rijregelaar en de rij-accu van het voertuig worden warm tijdens het gebruik. Las voor elke accuwissel een pauze van minstens 5 tot 10 minuten in.
- Laat de rij-accu voor het laden volledig afkoelen.
- Raak de motor, de rijregelaar en de accu niet aan tot deze afgekoeld zijn. Gevaar voor brandwonden!

Het gebruik van batterijen en accu's is vandaag de dag weliswaar vanzelfsprekend, maar er bestaan toch tal van gevaren en problemen. Vooral bij LiPo-accu's met hun hoge energie-inhoud (in vergelijking met gewone NiMH-accu's) dient men verschillende voorschriften in acht te nemen, omdat er anders explosie- en brandgevaar bestaat.
Houd daarom in ieder geval rekening met de volgende informatie en veiligheidsinstructies voor de omgang met batterijen en accu's.
a) Algemeen
- Houd batterijen/accu's uit de buurt van kinderen. Bewaar batterijen/accu's buiten het bereik van kinderen.
- Laat batterijen/accu's niet rondslingeren. Er bestaat dan gevaar dat ze door kinderen of huisdieren worden ingeslikt. Neem in zo'n geval direct contact op met een arts!
- U mag batterijen/accu's nooit kortsluiten, demonteren of in het vuur werpen. Er bestaat explosiegevaar!
- Lekkende of beschadigde batterijen/accu's kunnen bij contact met de huid chemische brandwonden veroorzaken. Gebruik in dergelijke gevallen geschikte veiligheidshandschoenen.
- De vloeistof uit lekkende batterijen/accu's is chemisch en zeer agressief. Voorwerpen of oppervlakken die er mee in contact komen, kunnen ernstig beschadigd raken. Bewaar batterijen/accu's daarom op een daarvoor geschikte plaats.
- Gewone (niet-oplaadbare) batterijen mogen niet worden opgeladen. Er bestaat brand- en explosiegevaar! Niet-oplaadbare batterijen zijn uitsluitend bestemd voor eenmalig gebruik en dienen als ze verbruikt zijn, op een correcte manier te worden verwijderd. Laad uitsluitend accu's op die daarvoor bestemd zijn. Gebruik een geschikte lader.
- Als u het product langere tijd niet gebruikt (bijv. als u het opbergt), moet u de batterijen/accu's uit de zender halen om beschadigingen door lekkende batterijen/accu's te voorkomen. Koppel de rij-accu volledig los van het model en haal hem uit het model. Bewaar batterijen en de rij-accu op een droge, schone en koele plaats die voor kinderen niet toegankelijk is.
Installeer een rookmelder in de ruimte. Het risico op brand (of giftige rookontwikkeling) kan niet worden uitgesloten. Vooral accu's voor de modelbouw zijn aan hoge belastingen onderhevig (bijv. hoge laad- en ontlaadstromen, trillingen etc.).
- Vervang steeds de volledige set batterijen of accu's in de zender. Gebruik geen volle en halfvolle batterijen of accu's door elkaar. Gebruik steeds batterijen of accu's van hetzelfde type en dezelfde fabrikant. U mag nooit batterijen en accu's door elkaar gebruiken!
- Let bij het plaatsen van de batterijen/accu's in de zender resp. bij het aansluiten van een rij-accu op het model de juiste polariteit (plus/+ en min/-). Bij onjuiste poolrichting wordt niet alleen uw model, maar ook de accu beschadigd. Er bestaat brand- en explosiegevaar!
- U mag de lader en de rij-accu niet aan hoge/lage temperaturen en direct zonlicht blootstellen.
- Batterijen/accu's mogen niet vochtig of nat worden. Hetzelfde geldt voor de oplader, die wordt meegeleverd. U mag de lader alleen in droge en gesloten ruimtes gebruiken. Vochtigheid en vocht op de lader kunnen leiden tot een levensgevaarlijke elektrische schok! Bovendien bestaat er brand- en explosiegevaar door de accu!
Vooral accu's met lithium-technologie (bijv. LiPo-accu's) zijn vanwege de gebruikte chemicaliën zeer gevoelig voor vocht!
- Ontkoppel de rij-accu voor het aansluiten aan de lader volledig van uw model. Laat de rij-accu tijdens het laden nooit op een rijregelaar aangesloten. Dit kan beschadigingen aan lader, rijregelaar of rij-accu veroorzaken! Haal de rij-accu om hem te laden altijd uit het model.
- Plaats de lader en de rij-accu op een niet-brandbaar en hittebestendig oppervlak (bijv. een stenen tegel). Zorg voor voldoende afstand tot brandbare voorwerpen. Zorg voor voldoende afstand tussen de lader en de rij-accu en leg de rij-accu nooit op de lader.
- Laad geen accu's op die nog heet zijn (bijv. veroorzaakt door een hoge ontladingsstroom in het model). Laat de accu eerst tot op kamertemperatuur afkoelen, voordat u deze laadt.
- Omdat zowel het lader alsook de rij-accu warm worden tijdens het laden, moet er voor voldoende venti-latie gezorgd worden. Dek de lader en de rij-accu nooit af!
- Laad de accu's nooit zonder toezicht op. Controleer regelmatig of de accu overmatig verhit raakt of opzwelt. Als dit het geval is, bestaat er een acuut explosie- en brandgevaar! Stop direct met laden, ontkoppel de accu van de lader en breng deze naar een plek (bijv. buitenshuis) waar een exploderende resp. in brand geraakte accu geen schade kan veroorzaken.
- Koppel de rij-accu los van de lader als hij volledig opgeladen is.
- Beschadig nooit de buitenkant van een accu.
- Laad nooit beschadigde, lekkende of vervormde accu's op. Dit kan brand of een explosie tot gevolg hebben! Verwijder een dergelijke onbruikbaar geworden accu op milieuvriendelijke wijze en gebruik deze niet meer.
- Laad de accu's regelmatig na (ongeveer elke 2 à 3 maanden), omdat anders door een zelfontlading van de accu's sprake kan zijn van een diepontlading. Daardoor worden de accu's onbruikbaar!
LiPo-accu's behouden hun energie normaal gesproken gedurende meerdere maanden, maar ze worden door een diepontlading duurzaam beschadigd en kunnen niet meer worden gebruikt.
b) Aanvullende informatie over lithium-accu's
Moderne accu's gebaseerd op lithiumtechnologie beschikken over een duidelijk hogere capaciteit dan NiMH- of NiCd-accu's en wegen ook duidelijk minder. Dit maakt dit soort accu's erg interessant voor gebruik in de modelbouw en hier worden dan ook meestal zogeheten LiPo-accu's (lithiumpolymeer) gebruikt.
Voor lithium-accu's is echter bij het laden/ontladen en tijdens het gebruik de nodige zorgvuldigheid vereist.
Daarom willen wij u in de volgende hoofdstukken erover informeren, welke gevaren er bestaan en hoe deze kunnen worden voorkomen, zodat dergelijke accu's lange tijd hun capaciteit behouden.
- De buitenste laag van veel lithium-accu's bestaat meestal slechts uit een dikke folie en is daarom zeer kwetsbaar. Demonteer of beschadig de accu niet. Laat de accu niet vallen en steek er geen voorwerpen in! Vermijd iedere mechanische belasting van de accu en trek ook nooit aan de aansluitkabel van de accu! Er bestaat brand- en explosiegevaar!
Let hier ook op als de accu in het model wordt bevestigd of uit het model verwijderd wordt.
- Let er bij gebruik, op- of ontladen, transport en opslag van de accu op dat deze niet oververhit raakt. Plaats de accu niet in de buurt van warmtebronnen (zoals rijregelaar, motor) en voorkom ook de blootstelling aan direct zonlicht. Als de accu oververhit raakt, bestaat er brand- en explosiegevaar! De accu mag nooit een hogere temperatuur dan +60 °C hebben. (Neem eventuele extra informatie van de fabrikant op de accu in acht!).
- Als de accu beschadigingen aan het omhulsel toont of is opgezwollen/opgeblazen, mag de accu niet meer worden gebruikt. Laad hem niet meer op. Er bestaat brand- en explosiegevaar!
Pak de accu slechts voorzichtig vast en gebruik geschikte beschermende handschoenen. Voer de accu op milieuvriendelijke wijze af.
Bewaar dergelijke accu's in geen geval meer in een woning of een huis/garage. Beschadigde of opgeblazen lithium-accu's kunnen spontaan in brand vliegen.
- Gebruik voor het laden van lithium-accu's alleen een hiervoor geschikte lader en gebruik de juiste laad-procedure. Conventionele laders voor NiCd-, NiMH- of loodaccu's mogen niet worden gebruikt vanwege het brand- en explosiegevaar! Kies afhankelijk van de accu altijd de juiste laadprocedure.
- Als u een lithium-accu met meer dan één cel laadt, gebruik dan absoluut een zog. balancer (in de mee-geleverde oplader al geïntegreerd).
- Laad LiPo-accu's met een laadstroom van max. 1C (tenzij anders aangegeven door de fabrikant van de accu!). Dat betekent dat de laadstroom niet groter mag zijn dan de op de accu afgedrukte capaciteitswaarde (bijv. accucapaciteit 1000 mAh, max. laadstroom 1000 mA = 1 A).
- De ontlaadstroom mag niet groter zijn dan de op de accu afgedrukte waarde.
Als er bijvoorbeeld op een LiPo-accu een waarde van "20C" is aangegeven, dan is de maximale ontlaadstroom 20 keer groter dan de capaciteit van de accu (bijv. accucapaciteit 1000 mAh, max. ontlaadstroom 20C = 20 x 1000 mA = 20 A).
Anders kan de accu oververhit raken, wat tot het vervormen/opblazen van de accu of tot een explosie of brand kan leiden!
De aangegeven waarde (bijv. "20C") heeft doorgaans geen betrekking op de continue stroom, maar op de maximale stroom die de accu kortstondig kan leveren. De continue stroom mag niet hoger zijn dan de helft van de aangegeven waarde.
- Zorg ervoor dat de afzonderlijke cellen van een lithium-accu niet diep ontladen worden. Een diepontlading van een lithium-accu leidt tot onherstelbare schade/vernietiging van de accu.
Als het model niet is voorzien van een beveiliging tegen diepontlading of een optische indicatie van een te lage accuspanning, dient u tijdig te stoppen met het gebruik van het model.
8. Rij-accu voor het voertuig laden
- Het product wordt geleverd met een 3-cellige LiPo rij-accu en een hiervoor geschikte LiPo-oplader. Neem voor het opladen van de rij-accu ook de gebruiksaanwijzing van de oplader in acht.

Opgelet!
egelevere LiPo-oplader mag alleen worden gebruikt voor het opladen van een LiPo rij-accu.
Als u probeert een NiMH-accu met de LiPo-oplader op te laden, dan bestaat brand- en explosiegevaar!
Een LiPo-rij-accu mag alleen met een geschikte LiPo-oplader worden opgeladen (en een NiMH-accu uitsluitend via een NiMH-oplader). Let er daarom altijd op, een voor de accutechnologie passende oplader te gebruiken.
- Een rij-accu is bij de levering normaal gesproken leeg en moet worden opgeladen. Voordat een rij-accu zijn maximale capaciteit levert, moet deze meermaals ontladen en opgeladen worden.
- Bij accu's met NiMH- of LiPo-techniek leidt het opladen van deels ontladen accu's niet tot problemen. Eerst ontladen is normaal gesproken niet nodig.
- Hoogwaardige rij-accu's hebben niet alleen een grotere capaciteit om langer met het voertuig te kunnen rijden, maar deze accu's hebben onder belasting ook een hogere uitgangsspanning. Op deze manier beschikt de motor over een groter vermogen, wat zich uit in een betere acceleratie en een hogere snelheid.
- Accu's warmen tijdens het laden of het ontladen (tijdens het rijden van het voertuig) op. Laad de accu's pas op, als ze afgekoeld zijn tot op kamertemperatuur. Hetzelfde geldt na het laden; gebruik de accu pas dan, als de accu na het laden voldoende is afgekoeld.
- Gebruik alleen een oplader die geschikt is voor het gebruikte accutype (NiMH of LiPo).
- Haal de rij-accu voor het laden uit het voertuig.
9. Ingebruikname
a) Carrosserie verwijderen
Trek de vier borgclips aan de bovenkant van het voertuig eruit en verwijder de carrosserie naar boven.
b) Batterijen/accu's in de zender plaatsen
Open het batterijvak op de zender en plaats daar ofwel de batterijen ofwel volledig opgeladen accu's. Let bij het plaatsen op de juiste polariteit (plus/+ en min/-), zie opdruk in het batterijvak. Sluit het batterijvak weer.
Neem bovendien ook de apart meegeleverde gebruiksaanwijzing van de afstandsbediening in acht.
c) Zender in gebruik nemen
Schakel de zender aan en zet de trimming voor de stuur- en rijfunctie elk in de middelste positie.
Als de zender over een dualrate-functie beschikt, moet deze worden uitgeschakeld resp. zo worden ingesteld dat de stuurinslag niet wordt beperkt.
Neem bovendien ook de apart meegeleverde gebruiksaanwijzing van de afstandsbediening in acht.
d) Plaatsen van de rij-accu in het voertuig

Opgelet!
U mag de rij-accu nog niet met de rijregelaar verbinden. Neem eerst de zender in gebruik, zie hoofdstuk 9. b) en 9. c).
Belangrijk!
Dit voertuig is geschikt voor een LiPo rij-accu met max. 3 cellen (nominale spanning 11,1 V).
Bij gebruik van rij-accu's met meer cellen bestaat brandgevaar door oververhitting van de rijregelaar, bovendien wordt de aandrijving van het voertuig overbelast en daardoor beschadigd (bijv. differentieel). De waarborg/garantie komt te vervallen!
Controleer of de accu het bij de rijregelaar passende stekkersysteem heeft en of de polariteit correct is (rode kabel = plus/+, zwarte kabel = min/-).
Verwijder de beugel (A) van de accuhouder door de beide veiligheidsclips (B) eruit trekken en de beugel naar boven toe af te nemen.
Plaats nu de rij-accu zo dat de aansluitkabel van de accu naar achter wijst. Anders kan de aansluitkabel het stuur-mechanisme belemmeren.
Plaats de beugel weer op de accuhouder en bevestig deze met de veiligheidsclips.

e) Rij-accu aansluiten op de rijregelaar

Om te vermijden dat de wielen plots beginnen te draaien en zodoende ook het voertuig begint te rijden (bijv. als de trimregelaar voor de aandrijving versteld is), moet u het modelvoertuig op een geschikte verhoging plaatsen (of op een startbox) zodat de wielen bij een storing vrij kunnen draaien.
Steek uw hand niet in de aandrijving. Houd de wielen niet vast.
Zet nu de snelheidsregelaar uit (schakelstand "OFF"). Naast de aan-uitschakelaar (A) bevindt zich de setuptoets (B) die voor het programmeren van de rijregelaar wordt gebruikt (zie hoofdstuk 10).
Neem als dat nog niet is gebeurd eerst de zender in gebruik (zie hoofdstuk 9. b) en c).
Sluit daarna de rij-accu aan op de rijregelaar. Let daarbij op de juiste polariteit (rode kabel = plus/+, zwarte kabel = min/-).
Gebruik bij het verbinden van de accustekker met de aansluiting van de rijregelaar geen geweld. Let erop dat de kabels niet in de aandrijving van het voertuig of in het stuurmechanisme terecht kunnen komen. Gebruik eventueel kabelbinders om de kabels te fixeren.

text_image
ON OFF A Bf) Rijregelaar inschakelen
Schakel de rijregelaar in (schakelstand "ON" zie de afb. in hoofdstuk 9. e). Wacht vervolgens enkele seconden (gasremhendel op de zender in de neutrale stand laten, niet bewegen). De rijregelaar meet de accuspanning, afhankelijk hiervan zal de motor geluidssignalen laten horen.
• 2 geluidssignalen: LiPo-accu met 2 cellen of 6-cellige NiMH rij-accu herkend
• 3 geluidssignalen: LiPo-accu met 3 cellen herkend

Belangrijk!
erspanningsherkenning (en daarmee de uitschakeling van de aandrijving bij een lege LiPo-accu om deze tegen de schadelijke gevolgen van volledige ontlading te beschermen) is gebaseerd op de herkenning van accuspanning bij het inschakelen van de rijregelaar.
Sluit daarom alleen een volledig opgeladen rij-accu op de rijregelaar aan.

Bevindt zich de gas-remhendel (of de trimregelaar van de rijfunctie) bij het inschakelen van de rijregelaar niet in de neutraalstand is, dan brandt de led op de rijregelaar snel in rood. De aandrijving kan dan om veiligheidsredenen niet worden geactiveerd. Laat de gas-remhendel op de zender los en controleer ook de instelling van de trimregelaar van de rijfunctie op de zender. Wanneer de trimafstelling niet voldoende is, is een programmering van de neutraalstand nodig, zie hoofdstuk 10. a).
Controleer nu de aandrijf- en stuurfuncties van het voertuig.
Informatie over het programmeren van de rijregelaar kunt u lezen in hoofdstuk 10. b).

Belangrijk!
Als een LiPo-accu als aandrijfaccu wordt gebruikt, controleer dan in de basisinstellingen van de snelheidsregelaar of de onderspanningsbescherming geactiveerd is (normaal gesproken 3,2 V/cel). Als de onderspanningsherkenning uitgeschakeld is, kan een diepteontlading van de LiPo-accu optreden, wat deze onklaar maakt.
Wordt een NiMH-accu gebruikt voor het rijden, dan moet u de onderspanningsherkenning uitschakelen of op een lager voltage instellen dan voor een LiPo-accu, zie hoofdstuk 10. b).
De led op de rijregelaar is uit in de neutraalstand resp. brandt rood bij vooruit- en achteruitrijden. Bij het vooruitrijden en volgas brandt tevens een groene led.
g) Carrosserie plaatsen en bevestigen
Plaats nu de carrosserie op de houders en beveilig deze met de in het begin verwijderde borgclips.
h) Voertuig besturen
Plaats het voertuig op de grond. Steek uw vingers niet in de aandrijving en houd het voertuig niet vast aan de wielen.

De volgende afbeeldingen dienen alleen als illustratie van de functies. Deze hoeven niet met de uitvoering van de meegeleverde zender overeen te komen!
- Gas-remhendel loslaten (neutrale stand), voertuig rolt uit resp. beweegt niet (evt. trimregelaar voor de rijfunctie op de zender corrigeren)

- Vooruitrijden, gas-remhendel langzaam in richting van de greep duwen

- Vooruitrijden en dan remmen (het voertuig vertraagt; rolt niet langzaam uit), de gas-remhendel zonder onderbreking van de greep wegtrekken

Vooruitrijden, remmen en dan achteruitrijden: De gas-remhendel zonder onderbreking van de greep wegtrekken (remmen); als het voertuig tot stilstand komt de gas-remhendel kort (ca. 1 seconde) in neutraal zetten, dan gas-remhendel van de greep wegtrekken (het voertuig rijdt nu achteruit)

Remmen Als het voertuig stil staat,

Als de gas-remhendel direct zonder onderbreking van het vooruit naar achteruit wordt gewisseld vindt er een remfuncie van de aandrijving plaats (voertuig rijdt niet achteruit).
Indien direct van vooruit- naar achteruitrijden moet worden gewisseld, moet de gas-remhendel eerst van de hand- greep weggetrokken worden en in de neutraalstand worden gezet. Als het voertuig tijdens deze fase vooruitrijdt, wordt daardoor ook de remprocedure uitgevoerd. Als de gas-remhendel nu een tweede keer van de greep wordt weggetrokken rijdt het voertuig achteruit.

Het voertuig rijdt dus na vooruit te zijn gereden pas achteruit, wanneer de gashendel nogmaals van de greep wordt weggeduwd. Dit is nodig voor de remfunctie; het beschermt de aandrijving ook tegen overbelasting door een onmiddellijke omschakeling van vooruit- naar achteruitrijden.
Bedien de gashendel op de zender heel voorzichtig en rij in het begin niet te hard, tot u vertrouwd bent met de reacties van het voertuig op de bediening. Maak geen snelle en schokkende bewegingen met de bedieningselementen van de zender.
Richt nooit met de antenne van de zender direct op het voertuig omdat het bereik dan sterk afneemt. Het grootste bereik wordt behaald als de antenne van de zender en het voertuig telkens verticaal staan en parallel aan elkaar liggen.
Als het voertuig de neiging heeft om naar links of rechts te trekken, moet u de trimregelaar voor de besturing overeenkomstig instellen op de zender.
Bij het wisselen tussen vooruit- en achteruitrijden dient de gas-remhendel op de zender zich kort (ca. 1 seconde) in de neutrale stand te bevinden (neutrale stand = hendel loslaten, niet bewegen). Als de gashendel direct zonder onderbreking van vooruit- naar achteruitrijden wordt geduwd, treedt de remfunctie van de motor in werking (het voertuig rijdt niet achteruit).
U moet het rijden onmiddellijk stopzetten als u ongewone reacties van het voertuig op de commando's van de zender registreert of als het voertuig niet meer reageert. Dit kan worden veroorzaakt door een zwakke rij-accu, zwakke batterijen in de zender of een te grote afstand tussen het voertuig en de zender.
Ook een opgerolde antenne van de ontvanger, storingen op het gebruikte zendkanaal (bijv. draadloze transmissies door andere apparaten, Bluetooth ^® , WLAN) of ongunstige zend-/ontvangstvoorwaarden kunnen een oorzaak zijn voor ongewone reacties van het voertuig.
Aangezien de stroomvoorziening van de ontvanger afkomstig is van de rijregelaar/rij-accu, leidt een zwakke of lege rij-accu tot ongewenste bewegingen van het voertuig (bijv. het schokken van de stuurservo).
De spanning van de rij-accu daalt bijvoorbeeld bij volgas kortstondig zo ver, dat de ontvanger niet meer de benodigde bedrijfsspanning krijgt. Het voertuig versnelt dan wel maar de stuurservo reageert niet juist. Beëindig dan onmiddellijk het gebruik van het voertuig en gebruik een nieuwe, volledig opgeladen rij-accu.
Als de rij-accu leeg is moet u minstens 5 - 10 minuten wachten totdat de motor en de rijregelaar voldoende zijn afgekoeld. Start pas daarna een nieuwe rit met een volle rij-accu.
i) Rit beëindigen
Om het rijden te beëindigen gaat u als volgt te werk:
- Laat de gashendel op de zender los zodat deze in de neutrale stand staat en laat het voertuig uitrollen.
- Als het voertuig tot stilstand komt schakelt de rijregelaar uit (schakelstand "OFF").
Raak de wielen of de aandrijving hierbij niet aan en beweeg in geen geval de gas-remhendel op de zender! Houd het voertuig niet aan de wielen vast!

Opgelet!
Motor, rijregelaar en rij-accu worden tijdens het gebruik zeer warm! Raak deze onderdelen meteen na het rijden daarom niet aan, kans op brandwonden!
- Koppel de rij-accu los van de rijregelaar. Maak de stekkerverbinding volledig los.
- Pas daarna mag de zender uitgeschakeld worden.
10. Rijregelaar programmeren
a) Programmering van de neutrale en volgasinstelling
Als het voertuig in de neutraalstand van de gas-remhendel van de zender niet stil blijft staan kunt u op de zender de trimregelaar van de rijfunctie corrigeren.
Is het trimbereik onvoldoende groot (of als de trimregelaar al bijna het einde van de instellingsmogelijkheden heeft bereikt) dan kunt u de neutraalstand en de volgasinstelling voor het voor- of achteruitrijden opnieuw programmeren.
Ga daarbij als volgt te werk:
- Zet de zender aan, laat de gas-remhendel in de neutraalstand staan. Zet de trimregelaar voor de rijfunctie in de middelste stand.
- Zet de rijregelaar uit. Houd de setup-toets (8) ingedrukt en zet de snelheidsregelaar aan ("ON").
- Vervolgens knippert de rode led van de snelheidsregelaar en laat de motor pieptonen horen. Laat de setuptoets weer los.

text_image
ON OFF A BAls u de setup-toets niet loslaat wordt na een paar seconden de programmeermodus geactiveerd.(zie hoofdstuk 10. b). Schakel in dat geval de snelheidsregelaar uit en ga nogmaals zoals hierboven beschreven te werk.

De pieptonen worden door een korte aansturing van de borstelloze motor veroorzaakt. Afhankelijk van de motor is deze pieptoon echter erg zacht. Let dan op het knipperen van de led van de snelheidsregelaar.
- Laat de gas-remhendel van de zender los zodat deze in de neutraalstand staat.
- Druk kort op de setup-toets (B), de groene led van de snelheidsregelaar knippert één keer en bovendien hoort u een pieptoon. De neutraalstand is in het geheugen opgeslagen.
- Zet de gas-remhendel van de zender in de volgasstand voor het vooruitrijden, trek de hendel in de richting van handgreep en houd hem daar vast.

Opgelet!
gas-remhendel van de zender tijdens het programmeren niet of niet ver genoeg verplaatst, kan het na het afsluiten van het programmeren zo zijn dat het voertuig al op minuscule bewegingen van de gas-remhendel van de zender reageert of soms zelfs oncontroleerbaar wordt. Voer dan een nieuwe programmering uit.
- Druk kort op de setup-toets (B), de groene led van de snelheidsregelaar knippert tweemaal kort en u hoort twee pieptonen. De volgasinstelling voor het vooruitrijden is in het geheugen opgeslagen.
- Zet de gas-remhendel van de zender in de volgasstand voor het achteruitrijden en schuif de hendel weg van de handgreep.
- Druk kort op de setup-toets (B), de groene led van de snelheidsregelaar knippert driemaal kort en u hoort drie pieptonen. De volgasinstelling voor het achteruitrijden is in het geheugen opgeslagen.
- Laat de gas-remhendel los zodat deze weer in de neutraalstand staat.
- Wacht minstens 3 seconden, dan wordt de instelmodus automatisch verlaten en is de snelheidsregelaar klaar om gebruikt te worden met de geprogrammeerde nieuwe instellingen.
b) Programmeren van de speciale functies

De snelheidsregelaar is in de fabriek al met de nuttigste instellingen voorgeprogrammeerd.
Als een LiPo-accu als rij-accu wordt gebruikt, controleer dan in de basisinstellingen van de snelheidsregelaar of de onderspanningsbescherming geactiveerd is (normaal gesproken 3,2 V/cel). Als de onderspanningsherkenning uitgeschakeld is, kan een diepteontlading van de LiPo-accu optreden, wat deze onklaar maakt.
Wordt een NiMH-accu gebruikt voor het rijden, dan moet u de onderspanningsherkenning uitschakelen of op een lager voltage instellen dan voor een LiPo-accu.
De programmering is zeer eenvoudig met de setup-toets uit te voeren.
Ga voor het programmeren als volgt te werk:
- Zet de zender aan, laat de gas-remhendel in de neutraalstand staan.
- Schakel de snelheidsregelaar uit ("OFF").
- Houd de setup-toets (B) naast de aan-uitknop (A) ingedrukt en zet daarna de snelheidsregelaar aan ("ON").
Houd de setup-toets (B) ingedrukt en laat deze niet los. - De rode led van de snelheidsregelaar knippert en de motor laat pieptonen horen (setup-toets ingedrukt houden).

text_image
ON OFF A B- Na enige tijd knippert de led groen (setup-toets ingedrukt houden).
Het aantal maal dat u een groen knippersignaal ziet (1x.....5x), geeft aan welke instelfunctie uitgekozen is.
Groene led knippert 1x + 1 pieptoon: Rijfunctie vooruit/achteruit resp. alleen vooruit
Groene led knippert 2x + 2 pieptonen: Remmen op de motor
Groene led knippert 3x + 3 pieptonen: Onderspanningsherkenning voor LiPo
Groene led knippert 4x + 4 pieptonen: Startmodus bij het beginnen met rijden
Groene led knippert 5x + 5 pieptonen: Remkracht

De pieptonen worden door een korte aansturing van de borstelloze motor veroorzaakt. Afhankelijk van de motor is deze pieptoon echter erg zacht. Let dan op het knipperen van de led van de snelheidsregelaar.
- Wanneer de gewenste instelfunctie wordt weergegeven die u wilt veranderen (bijv. onderspanningsbeveiliging, led knippert 3x groen + 3 pieptonen van de motor), dan laat u de setup-toets weer los (een tabel met de instelmogelijkheden vindt u op de volgende pagina).
- Nu knippert de rode led weer. Het aantal knipperlichtsignalen geeft daarbij aan welke instelwaarde actief is (bijv. onderspanningsbeveiliging 3,0 V/cel, rode led knippert 4x kort + 4 pieptonen van de motor).
- Door kort op de setup-toets te drukken kan de ingestelde waarde worden gewijzigd, waarop het aantal knippersignalen van de led (en de pieptonen van de motor) dienovereenkomstig anders wordt.
- Zet de snelheidsregelaar uit om de Instelmodus te verlaten en de geprogrammeerde waarden op te slaan in het geheugen. Als u daarna de snelheidsregelaar weer aanzet is deze met de nieuw ingestelde waarden klaar om gebruikt te worden.
- Moet een van de instellingen worden gewijzigd, ga dan te werk als hierboven beschreven..
| Rode LED knippert.... (+ pieptoon) | ||||||||||
| Functie | Groene LED knippert(+ pieptoon) | 1x kort | 2x kort | 3x kort | 4x kort | 1x lang | 1x lang,1x kort | 1x lang,2x kort | 1x lang,3x kort | |
| 1 | Rijfunctie | 1x kort | Vooruit/rem | Vooruit/Rem/Achteruit | ||||||
| 2 | Motorrem | 2x kort | 0% | 5% | 10% | 15% | 20% | 25% | 30% | 40% |
| 3 | Onderspannings-bescherming | 3x kort | Uitgeschakeld | 2,6 V/cel | 2,8 V/cel | 3,0 V/cel | 3,2 V/cel | 3,4 V/cel | ||
| 4 | Startmodus | 4x kort | Langzaam | Normaal | Snel | Zeer snel | ||||
| 5 | Maximale remkracht | 5x kort | 25% | 50% | 75% | 100% | ||||
De grijs gemarkeerde waarden zijn de door de fabrikant uitgevoerde standaardinstellingen op het tijdstip van het drukken van deze gebruiksaanwijzing. Mogelijk heeft de rijregelaar van uw voertuig een andere basisinstelling; let dan op het aantal knipperingen van de rode led.
Beschrijving van de instelfuncties
- Functie #1, groene led knippert 1x kort: Rijfunctie
De snelheidsregelaar kan ingesteld worden op de rijfunctie "vooruit/remmen" of op "vooruit/remmen/achteruit".
Door de instelling "vooruit/remmen" wordt het achteruitrijden uitgeschakeld, iets wat vaak bij wedstrijden verlangd wordt.
- Functie #2, groene led knippert 2x kort: Remmen op de motor
Als u op de zender gas mindert dan wel de gas-remhendel op de zender in de neutraalstand zet, dan mindert het voertuig vanzelf snelheid. Dit is exact hetzelfde als remmen op de motor in een "echte" auto als het gaspedaal losgelaten wordt zonder het rempedaal in te drukken.
Bovendien komt dit overeen met de remfunctie van een conventionele elektromotor (een borstelloze motor beschikt niet over sterke magneten die de rotor afremmen).
- Functie #3, groene led knippert 3x kort: Onderspanningsbeveiliging
Wordt een LiPo-accu gebruikt, dan moet er beslist op gelet worden dat de onderspanningsbeveiliging juist ingesteld en aangezet is (wij bevelen minsten 3,0 V per cel aan). Bij gebruik van een LiPo-accu zonder onderspanningsbeveiliging, of bij een te lage instelling, wordt de LiPo-accu door een diepteontlading permanent beschadigd!
Als de snelheidsregelaar bij een 3-cellige LiPo-accu (volledig geladen ca. 12,6 V) en een uitschakelspanning van 3,2 V/cel een accuspanning van 9,6 V meet, dan schakelt de motor uit om een diepteontlading van de LiPo-accu te voorkomen.
Wordt een NiMH-accu gebruikt om te rijden, dan moet u de onderspanningsbeveiliging uitzetten. Als alternatief stelt u de onderspanningsbeveiliging op 2,6 V/cel.
Als de spanning van NiMH-/NiCd-accu's na het inschakelen van de rijregelaar onder de 9 V ligt, interpreteert de rijregelaar dit als een 2-cellige LiPo-accu. De uitschakeling zal dan bij 5,2 V (2 x 2,6 V) plaatsvinden.
Ligt de spanning van een 6-cellige NiMH-/NiCd-accu echter boven de 9 V (bijvoorbeeld bij accu's met relatief hoge spanning resp. net geplaatste accu's), interpreteert de rijregelaar dit als een 3-cellige LiPo-accu. De uitschakeling zal dan bij 7,8 V (3 x 2,6 V) plaatsvinden, wat natuurlijk niet de bedoeling is. In dit geval moet u de onderspanningsbeveiliging uitschakelen.
- Functie #4, groene led knippert 4x kort: Startmodus bij het beginnen met rijden
Afhankelijk van de instelling wordt er dan met meer of minder kracht gestart bij het rijden. Hoe hoger de ingestelde waarde, hoe meer stroom de motor uit de accu onttrekt en hoe hoogwaardiger de accu moet zijn.
Een hogere ingestelde waarde moet daarnaast alleen voor rijden op een rulle ondergrond worden gebruikt omdat anders de aandrijving (aandrijving, differentielen) overbelast kan worden.
- Functie #5, groene led knippert 5x kort: Maximale remkracht
De snelheidsregelaar levert afhankelijk van de stand van de hendel van de zender een proportioneel remvermogen. Het maximale remvermogen is bij volledige uitslag instelbaar op 25 %, 50 %, 75 % en 100 %.
Het instellen van een hogere waarde (bijv. 100 %) verkort de remweg maar heeft een negatieve invloed op de levensduur van de aandrijving (in het bijzonder op het motortandwiel en het hoofdtandwiel).
c) De snelheidsregelaar opnieuw instellen
Met deze functie kunnen alle instellingen die u in de snelheidsregelaar geprogrammeerd hebt naar de fabrieksinstellingen worden teruggezet (zie grijze markeringen in de tabel in hoofdstuk 10. b).
Ga als volgt te werk:
- Zet de zender aan. Laat de gas-remhendel in de neutraalstand staan, beweeg de hendel niet.
- Schakel de rijregelaar in (schuifschakelaar in de richting van de setup-toets bewegen). Het voertuig moet nu bedrijfsklaar zijn, op de rijregelaar brandt geen led.
- Houd de setup-toets langer ingedrukt tot de rode en de groene led tegelijk langzaam knipperen.
- Schakel nu de rijregelaar uit (schakelstand "OFF", zie de afbeelding in hoofdstuk 10. a) of b). Daarna zijn alle instellingen gewist en de basisinstellingen teruggezet, zie tabel in hoofdstuk 10. b).
Voor een nieuwe programmering van de rijregelaar leest u hoofdstuk 10. a) en b).

Belangrijk!
Als een LiPo-accu als rij-accu wordt gebruikt, controleer dan in de basisinstellingen van de snelheidsregelaar of de onderspanningsbescherming geactiveerd is (normaal gesproken 3,2 V/cel). Als de onderspanningsherkenning uitgeschakeld is kan een diepteontlading van de LiPo-accu optreden, wat deze onklaar maakt.
Als een NiMH-accu wordt gebruikt voor het rijden, dan moet u de onderspanningsherkenning uitschakelen of op een lager voltage instellen dan voor een LiPo-accu, zie hoofdstuk 10. b), functie #3).
11. Instelmogelijkheden aan het voertuig
a) Wielvlucht instellen
De wielvlucht kenmerkt de hoek van de wielen t.o.v. de verticale as.

Negatieve
wilevlucht

Positieve
wielvlucht
(Bovenkant van het wiel is naar binnen gericht) (Bovenkant van de wielenis naar buiten gericht)
De instelling van de wielen op de beide afbeeldingen boven is overdreven weergegeven, om het verschil tussen negatieve en positieve wielvlucht te tonen. Voor de instelling van het modelvoertuig mag een dergelijke extreme instelling natuurlijk niet plaats vinden!
- Een negatieve wielvlucht van de voorwielen verhoogt de zijdelingse krachten van de wielen bij het nemen van bochten, de sturing reageert sneller, de stuurkrachten worden kleiner. Tegelijkertijd wordt het wiel in de asrichting op de loopas gedrukt. Daarmee wordt de axiale lagerspeling gecompenseerd, het rijgedrag wordt rustiger.
- Een negatieve wielvlucht aan de achterwielen vermindert de neiging van de achterkant van het voertuig om in bochten te oversturen.
- De instelling van een positieve wielvlucht daarentegen vermindert de zijdelingse krachten op de banden en dient principieel niet te worden gebruikt.
Wielvlucht aan de voor of achteras instellen:
De verstelling van de wielvlucht gebeurt door het verdraai- en van de schroef (A) van de bovenste ophanging.
Gebruik een geschikte steeksleutel voor het draaien (niet inbegrepen).
Aangezien deze schroef een linkse en rechtse schroefdraad heeft, hoeft u de ophanging voor het verplaatsen van de wielvlucht niet te demonteren.

Het spoor (toespoor = afb. "A", uitspoor = afb. "B") geeft de hoek van de wielen ten opzichte van de rijrichting aan.
Tijdens het rijden worden de wielen door de rolweerstand vooraan uit elkaar gedrukt en staan daarom niet meer exact parallel t.o.v. de rijrichting.
Ter compensatie kunnen de wielen van het stilstaand voertuig zo ingesteld worden dat ze vooraan lichtjes naar binnen wijzen. Dit toespoor zorgt tegelijkertijd voor een betere zijdelingse geleiding van de banden en zodoende voor een directere reactie van de besturing.
Als u een zachtere reactie van de besturing wenst, kan dit via de instelling van een uitspoor bereikt worden, d.w.z. de wielen van het stilstaand voertuig wijzen naar buiten.

Een spoorhoek van meer dan 3° toespoor (A) of uitspoor (B) leidt tot problemen in de handling en vermin- derde snelheid. Bovendien neemt de slijtage van de banden hierdoor toe.
De bovenstaande afbeelding toont een sterk overdreven instelling, die alleen ter verduidelijking van het verschil tussen toespoor en uitspoor dient. Wordt voor een dergelijke instelling bij het voertuig gekozen, kan dit slechts nog zeer moeilijk worden bestuurd!
Spoor aan de vooras instellen:
Het toe-/uitspoor aan de vooras kan worden ingesteld door de spoorstangarm (A) te verdraaien. Aangezien deze zowel een linkse en rechtse schroefdraad heeft, hoeft u hem voor het verstellen niet te demonteren.
Draai altijd beide spoorstangarmen gelijkmatig (linker en rechter voorwiel), aangezien anders de trimming op de zender moet aangepast (of zelfs de aansturing door de stuurbekrachtiging door het verplaatsen van de stang van de stuurbekrachtiging).

Spoor aan de achteras instellen:
Het toe-/uitspoor aan de achteras kan worden ingesteld door de spoorstangarm (A) te verdraaien. Aangezien deze zowel een linkse en rechtse schroefdraad heeft, hoeft u hem voor het verstellen niet te demonteren.
Draai altijd beide spoorstangarmen gelijkmatig (linker en rechter achterwiel).

Op het bovenste uiteinde van de schokdemper kan de instelling van de veervoorspanning door aan een kartelwiel (A) te draaien worden uitgevoerd.
De schokdempers van het voertuig kunnen in verschillende posities op de onderste draagarm (B) of op de bovenkant van de demperbrug (C, alleen mogelijk op de achteras) worden gemonteerd. De fabrikant heeft hier echter al een optimale positie gekozen, dus een verandering moet alleen door professionele bestuurders worden doorgevoerd.
Stel de schokdempers van een as altijd gelijk in (aan de linker en rechter kant van de voor- of achteras), omdat anders het rijgedrag nadelig wordt beïnvloed.
Professionele rijders kunnen ook veren met een andere hardheidsgraad gebruiken of de schokdempers met een demperolie met ander viscositeit vullen.
Zoals bij een "echte" auto zijn de schokdempers (resp. de rubberen afdichtingen in de schokdempers) van het modelvoertuig onderhevig aan slijtage. Loopt de olie uit de schokdempers (bijv. ophanging is zeer sterk geölied, druppelsporen) moeten de dichtingen of de schokdempers worden vervangen.
12. Reiniging en onderhoud
a) Algemeen
Voor de reiniging of het onderhoud moet de rijregelaar uitgezet worden en moet de rij-accu volledig van de rijregelaar worden losgekoppeld. Schakel de zender vervolgens uit. Indien u zojuist met het voertuig heeft gereden, dient u alle onderdelen (bijv. motor, rijregelaar enz.) eerst volledig te laten afkoelen.
Verwijder na het rijden stof en vuil van het gehele voertuig. Gebruik bijv. een schone kwast met lange haren en een stofzuiger. Persluchtsprays kunnen ook van pas komen.
U mag geen reinigingssprays of gewone schoonmaakmiddelen gebruiken. Daardoor kan de elektronica beschadigd raken, bovendien leiden dergelijke middelen tot verkleuringen aan de kunststof onderdelen of de carrosserie.
Was het voertuig nooit een hogedrukreiniger af.
Voor het afvegen van de carrosserie kunt u een zachte en iets bevochtigde doek gebruiken. Wrijf niet te hard. Anders ontstaan er krassen.
b) Voor resp. na elke rit
Door de trillingen van de motor en schokken tijdens het rijden kunnen er onderdelen en schroefverbindingen losraken.
Controleer daarom voor resp. na iedere rit de volgende posities:
- Vaste zit van de wielmoeren en alle schroefverbindingen van het voertuig
- Bevestiging van rijregelaar, aan/uit-schakelaar, ontvanger
- Adhesie van de banden op de velgen resp. de toestand van de banden
- Bevestiging van alle kabels (deze mogen niet in bewegende delen van het voertuig terecht komen)
- Functie van de ventilator op de rijregelaar
→ Controleer bovendien voor resp. na ieder gebruik het voertuig op beschadigingen. Indien u beschadigingen vaststelt, mag het voertuig niet gebruikt worden resp. in gebruik worden genomen.
Mochten versleten voertuigonderdelen (bijv. banden) of defecte onderdelen van het voertuig (bijv. een gebroken ophanging) vervangen moeten worden, mag u enkel originele reserveonderdelen gebruiken.
c) Banden vervangen
De banden zijn op de velg gefixeerd, zodat u zich niet los kunnen raken van de velg. Wanneer de banden zijn versleten, moet daarom het gehele wiel worden vervangen.
Na het losmaken van de wielmoeren (A) en verwijder de sluitring (B). Trek vervolgens het wiel van de wielas (D).
Mogelijkerwijze blijft de wielmeenemer-moer (C) bij het eraf halen van het achterwiel op de velg steken of raakt hij los van de wielas (D). Let er dan op dat de meenemerpen (E) niet eruit valt en verloren gaat.
Wanneer later het wiel opnieuw wordt gemonteerd dient per sé gecontroleerd te worden, dat de meenemerpen (E) precies in het midden van de wielas (D) steekt in de overeenkomstige groef in de wielmeenemer-moer (C) komt te liggen.

Bij een ontbrekende meenemerpen (E) kan geen draaimoment van de motor naar het wiel worden overgedragen, het wiel draait vrij door.
Vervolgens wordt het nieuwe wiel geplaatst zodat de binnenzeskant binnen aan de velg precies op de wielmeenemermoer (C) steekt.
Plaats de sluitring (B) weer op de wielas (D) en schroef het wiel met de wielmoer (A) vast.
Let hierbij op de juiste rangschikking van de wielmoer (A) bij het vastschroeven. De wielmoer is een zgn. stopmoer; aan één kant van de stopmoer bevindt zich een kunststof inzetstuk. Deze moet bij het vastschroeven naar buiten zijn gericht.
Pas tijdens het vastschroeven geen geweld toe, aangezien het wiel anders moeizaam draait, waardoor de aandrijving beschadigd kan raken.
13. Afvoer
a) Product

Elektronische apparaten zijn recyclebare stoffen en horen niet bij het huisvuil. Voer het product aan het einde van zijn levensduur volgens de geldende wettelijke bepalingen af.

ijder de geplaatste batterijen/accu's en gooi deze afzonderlijk van het product weg.
b) Batterijen/accu's
Als eindverbruiker bent u conform de KCA-voorschriften wettelijk verplicht om alle lege batterijen/accu's in te leveren; batterijen/accu's mogen niet met het huisvuil meegegeven worden.

Batterijen/accu's die schadelijke stoffen bevatten, worden aangegeven met het nevenstaande symbool. Dit pictogram duidt erop dat afvoer via het huishoudelijk afval verboden is. De aanduidingen voor de zware metalen die het betreft zijn: Cd = cadmium, Hg = kwik, Pb = lood (de aanduiding staat op de batterijen/accu's bijv. onder het links afgebeelde vuilnisbaksymbool).
U kunt verbruikte batterijen/accu's gratis afgeven bij het KCA, onze filialen of overal waar batterijen/accu's worden verkocht.
Zo voldoet u aan de wettelijke verplichtingen en draagt u bij aan de bescherming van het milieu.
14. Conformiteitsverklaring (DOC)
Hiermee verklaart Conrad Electronic SE, Klaus-Conrad-Straße 1, D-92240 Hirschau dat het product voldoet aan richtlijn 2014/53/EU.

De volledige tekst van de EU-conformiteitsverklaring is als download via het volgende internetadres beschikbaar:
Kies een taal door op een vlagsymbool te klikken en voer het bestelnummer van het product in het zoekveld in; aansluitend kunt u de EU-conformiteitsverklaring downloaden in pdf-formaat.
15. Verhelpen van storingen
Het modelvoertuig werd volgens de nieuwste technische inzichten vervaardigd. Er kunnen desondanks problemen of storingen optreden. Wij willen u daarom uitleggen hoe u mogelijke storingen kunt verhelpen. Neem bovendien ook de meegeleverde gebruiksaanwijzing van de afstandsbediening in acht.
Het model reageert niet of niet juist
- Bij 2,4 GHz-zender/ontvangers moet de ontvanger worden gekoppeld met de zender. Deze procedure wordt met de Engelse term "Binding" of "Pairing" aangeduid. Het koppelen wordt normaal gesproken door de fabrikant uitgevoerd, kan uiteraard ook door uzelf worden uitgevoerd. Neem hiervoor de apart meegeleverde gebruiksaanwijzing van de zender in acht.
- Is de rij-accu van het voertuig leeg of zijn de batterijen in de zender leeg? Vervang de rij-accu of batterijen in de zender dan door nieuwe.
- Hebt u eerst de zender en daarna de rijregelaar ingeschakeld? Bij omgekeerde volgorde werkt de rijregelaar om veiligheidsredenen niet.
- Is de rij-accu correct aangesloten op de rijregelaar? Controleer de stekkerverbinding of deze eventueel verontreinigd of geoxideerd is.
- Is het voertuig te ver weg? Met een volle rij-accu en volle batterijen in de zender moet een bereik van 50 m of meer mogelijk zijn. Dit kan echter worden verminderd door omgevingsinvloeden, bijv. storingen op de zendfrequentie of de nabijheid van andere zenders (niet alleen zenders, maar ook WLAN-/Bluetooth®-apparaten die eveneens een zendfrequentie van 2,4 GHz gebruiken), van metalen onderdelen, gebouwen, enz.
De positie van de zender- en ontvangerantenne ten opzichte van elkaar heeft zeer sterke invloed op het bereik. Het is het beste als zowel de zender- als de ontvangerantenne verticaal staan (met beide antennes parallel ten opzichte van elkaar). Als de zenderantenne daarentegen op het voertuig wordt gericht heeft dit een zeer klein bereik tot gevolg!
- Controleer de juiste positie van de stekker van de rijregelaar en van de stuurservo in de ontvanger. Als de stekkers 180° gedraaid zijn aangesloten werken de rijregelaar en de stuurservo niet.
Wanneer daarentegen de stekker van de rijregelaar en stuurservo met elkaar worden verwisseld stuurt de gasremhendel op de zender de stuurservo en het draaiwiel de rijfunctie!
- Bevindt zich de gas-remhendel (of de trimregelaar van de rijfunctie) bij het inschakelen van de rijregelaar niet in de neutraalstand is, knippert de led op de rijregelaar snel in rood. De aandrijving kan dan om veiligheidsredenen niet worden geactiveerd. Laat de gas-remhendel op de zender los en controleer ook de instelling van de trimregelaar van de rijfunctie op de zender. Wanneer de trimafstelling niet voldoende is, is een programmering van de neutraalstand nodig, zie hoofdstuk 10 a).
Het voertuig blijft niet staan als de gashendel wordt losgelaten
- Corrigeer op de zender de trimregelaar voor de rijfunctie (neutrale stand instellen).
- Wanneer de ruimte in de trimafstelling niet voldoende is, doe dan een nieuwe programmering van de neutrale en de volgasstand, zie hoofdstuk 10. a).
Het voertuig wordt trager of de stuurservo reageert nog maar weinig of helemaal niet meer; het bereik tussen de zender en het voertuig is maar zeer klein
- De rij-accu is (bijna) leeg.
De stroomvoorziening van de ontvanger en zodoende ook van de stuurservo vindt plaats via de BEC van de rijregelaar. Daarom leidt een zwakke of lege rij-accu ertoe dat de ontvanger niet meer naar behoren werkt. Vervang de rij-accu door een nieuwe volledig opgeladen rij-accu (vooraf een pauze van 5 à 10 minuten inlassen, zodat de motor en de rijregelaar voldoende kunnen afkoelen).
- Controleer de batterijen/accu's in de zender.
Het voertuig rijdt niet correct rechtuit.
- Trim de besturing met behulp van de trimregelaar op de zender.
- Controleer de stuurstang, de servoarm, de servosaver en de schroefverbinding.
- Heeft het voertuig een ongeval gehad? Controleer het voertuig dan op defecte of gebroken onderdelen en vervang deze.
De besturing is tegengesteld aan de beweging van het stuurwiel op de zender
• Activeer de reverse-instelling voor de stuurfunctie op de zender.
De rijfunctie is tegenovergesteld ten opzichte van de beweging van de gas-remhendel op de zender
- Normaal gesproken moet het voertuig naar voren rijden als de gas-remhendel op de zender naar de greep toe wordt getrokken.
Als dit niet het geval is, activeert u op de zender de reverse-instelling voor de rijfunctie.
- Zou de motor los van de rijregelaar wordt gehaald, dan verwisselt u twee van de drie motorkabels met elkaar.
De besturing werkt niet of niet juist, stuuruitslag van het voertuig te gering
- Als de zender een dualrate-instelling biedt, controleer deze dan (lees de gebruiksaanwijzing van de zender). Bij een te geringe dualrate-instelling reageert de stuurservo niet meer.
- Controleer het stuurmechanisme op losse onderdelen; controleer bijv. of de servoarm juist aan de servo is bevestigd.
De rij-accu wordt warm tijdens het opladen en tijdens het rijden van het voertuig
- Dit is normaal.
Aandrijving......Borstelloze elektrische motor (2100 KV)
Vierwielaandrijving via cardanas
Differentieel in voor- en achteras
Chassis....Onafhankelijke ophanging voor/achter
Hydraulische schokdempers met spiraalveren, instelbaar
Spoor van de voor/achterwielen instelbaar
Wielvlucht van de voor/achterwielen instelbaar
Afmetingen (l x b x h)....440 x 290 x 178 mm
Bandafmetingen (b x ∅) 60 x 125 mm
Wielbasis 290 mm
Bodemvrijheid....40 mm
Gewicht.....ca. 2068 g (zonder rij-accu)
Geringe afwijkingen in afmetingen en gewicht kunnen om productietechnische redenen voorkomen.
b) Afstandsbediening
Houd rekening met de apart meegeleverde gebruiksaanwijzing van de afstandsbediening.
c) LiPo-lader
Houd rekening met de apart meegeleverde gebruiksaanwijzing van de LiPo-lader.
d) LiPo-accu
Type......LiPo, 3 cellen (nominale spanning 11,1 V); met T-aansluiting
Capaciteit....3200 mAh
Ontladingspatroon 20C
NL Dit is een publicatie van Conrad Electronic SE, Klaus-Conrad-Str. 1, D-92240 Hirschau (www.conrad.com).
Alle rechten, vertaling inbegrepen, voorbehouden. Reproducties van welke aard dan ook, bijvoorbeeld fotokopie, microverfilming of de registratie in elektronische gegevensverwerkingsapparatuur, vereisen de schriftelijke toestemming van de uitgever. Nadruk, ook van uittreksels, verboden. De publicatie voldoet aan de technische stand bij het in druk bezorgen.