MagicSafe MS 660 - Alarmsysteem DOMETIC - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MagicSafe MS 660 DOMETIC in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over MagicSafe MS 660 DOMETIC
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Alarmsysteem in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MagicSafe MS 660 - DOMETIC en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MagicSafe MS 660 van het merk DOMETIC.
GEBRUIKSAANWIJZING MagicSafe MS 660 DOMETIC
Montagehandleiding en gebruiksaanwijzing ....150
DA
Alarmanlæg
Lees deze handleiding voor de montage en de ingebruikname zorgvuldig door en bewaar hem. Geef de handleiding bij het doorgeven van het product aan de gebruiker.
Inhoudsopgave
1 Verklaring van de symbolen....151
2 Veiligheids- en montage-instructies....151
3 Omvang van de levering 154
4 Toebehoren....154
5 Gebruik volgens de voorschriften .....155
6 Technische beschrijving ....155
7 MagicSafe monteren .....157
8 MagicSafe elektrisch aansluiten 161
9 Werking testen ....170
10 MagicSafe programmeren....173
11 MagicSafe gebruiken....180
12 Storingen zoeken ....192
13 Onderhouden en reinigen....193
14 Garantie....193
15 Afvoeren ....193
16 Technische gegevens....194
1 Verklaring van de symbolen

WAARSCHUWING!
Veiligheidsaanwijzing: Het niet naleven kan leiden tot overlijden of ernstig letsel.

VOORZICHTIG!
Veiligheidsaanwijzing: Het niet naleven kan leiden tot letsel.

LET OP!
Het niet naleven ervan kan leiden tot materiële schade en de werking van het product beperken.

INSTRUCTIE
Aanvullende informatie voor het bedienen van het product.
2 Veiligheids- en montage-instructies
De fabrikant kan in de volgende gevallen niet aansprakelijk worden gesteld voor schade:
• montage- of aansluitfouten
- beschadiging van het product door mechanische invloeden en overspanningen
- veranderingen aan het product zonder uitdrukkelijke toestemming van de fabrikant
- gebruik voor andere dan de in de handleiding beschreven toepassingen
Neem de veiligheidsinstructies en voorschriften van de fabrikant van het voertuig en het garagebedrijf in acht!

WAARSCHUWING!
Ontoereikende leidingverbindingen kunnen tot gevolg hebben, dat door kortsluiting
- kabelbranden ontstaan,
- de airbag wordt geactiveerd,
- elektronische besturingsinrichtingen worden beschadigd,
- elektrische functies uitvallen (knipperlicht, remlicht, claxon, contact, licht).

LET OP!
In verband met kortsluitingsgevaar moet voor werkzaamheden aan het elektrische syteem van het voertuig altijd de minpool worden losgekoppeld.
Bij voertuigen met een extra accu moet ook hier de minpool worden losgekoppeld.
Neem daarom de volgende instructies in acht:
- Gebruik bij werkzaamheden aan de volgende leidingen alleen geïsoleerde kabelschoenen, stekkers en vlaksteker-kabelschoenen:
- 30 (ingang van accu plus direct)
- 15 (geschakelde plus, achter accu)
- 31 (retourleiding vanaf accu, massa)
– L (richtingaanwijzers links) - R (richtingaanwijzers rechts)
Gebruik geen kroonstenen.
- Gebruik een krimptang voor het verbinden van de kabels.
-
Schroef de kabel bij aansluitingen aan leiding 31 (massa)
-
met kabelschoen en getande ring aan een massaschroef van het voertuig of
- met kabelschoen en plaatschroef aan de carrosserieplaat.
Let op een goede massaverbinding!
Bij het loskoppelen van de minpool van de accu verliezen alle vluchtige geheugens van de elektronica voor comfortvoorzieningen de opgeslagen data.
- De volgende data moet u afhankelijk van de voertuiguitrusting opnieuw instellen:
- r a d i o c o d e
- vo er tu i g k l o k
- tijdschakelklok
- bo or d c o m p u t e r
- stoelinstelling
Instructies voor het instellen vindt u in de betreffende gebruiksaanwijzing.
Neem bij de montage de volgende instructies in acht:

VOORZICHTIG!
- Bevestig de in het voertuig te monteren delen zodanig, dat deze in geen geval (hard remmen, verkeersongeval) los kunnen raken en tot verwondingen bij de inzittenden van het voertuig kunnen leiden.
- Bevestig onderdelen die afgedekt onder bekledingen moeten worden aangebracht zodanig, dat ze niet losraken of andere onderdelen en leidingen beschadigen en geen functies van het voertuig (besturing, pedalen etc.) kunnen beperken.
- Neem altijd de veiligheidsinstructies van de fabrikant van het voertuig in acht.
Een paar werkzaamheden (bijv. aan beveiligingssystemen zoals AIR-BAG etc.) mogen alleen door geschoolde vaklui uitgevoerd worden.

LET OP!
- Let er bij het boren op dat er ook achter het te doorboren oppervlak genoeg ruimte is voor de boor, zo kunt u schade voorkomen.
- Ontbraam elk boorgat en behandel de boorgaten met antiroestmiddel.
Neem bij werkzaamheden aan elektrische onderdelen de volgende instructies in acht:

LET OP!
- Gebruik voor het controleren van de spanning in elektrische leidingen alleen een diodetestlamp of een voltmeter.
Testlampen met een lampbehuizing gebruiken te veel stroom, hierdoor kan de elektronica in het voertuig worden beschadigd.
- Let er bij het leggen van de elektrische aansluitingen op dat deze
- niet worden geknikt of verdraaid,
- niet langs randen schuren,
- niet zonder bescherming door doorvoeren met scherpe randen worden gelegd.
- Isoleer alle verbindingen en aansluitingen.
- Borg de kabels tegen mechanische belasting met kabelverbinders of isolatieband, bijv. aan de aanwezige leidingen.
3 Omvang van de levering
| Nr. in afb. 4, pagina 4 | Aantal Omschrijving |
| 1 1 Besturingstoestel | |
| 2 2 Handzender | |
| 3 1 Elektronische sleutel | |
| 4 1 Sleutelhouder en status-LED | |
| 5 1 Motorkap-contactschakelaar | |
| 6 2 Ultrasone sensoren | |
| 7 1 Ultrasone module | |
| 8 1 Aansluitkabel | |
| - 2 Waarschuwingssticker | |
| - 1 Bevestigings- en montagemateriaal | |
4 T o e b e h o r
Ale toebehoren verkrijgbaar (niet in de leveringsomvang inbegrepen):
| Omschrijving | Artikelnr. |
| Extra sirene | MS-620SI |
| Extra sirene met back-upfunctie | MS-670SI |
| Draadloze handzender | 9101300009 |
| Elektronische sleutel | MS-670-EK |
| Radiotelegrafische bewegingsmelders | 9101600003 |
| Radiotelegrafische magneetsensor | 9101600002 |
| Gasmelder MSG150 | 9600000368 |
| Servomotor | ML-11 |
| Afsluitdiode 1N4007 | 600535 |
5 Gebruik volgens de voorschriften
MagicSafe MS660 (artikelnr. 9600000369) is een alarmsysteem voor montage in auto's en campers. Het dient als bijkomende bescherming tegen diefstal van het voertuig en zijn inhoud.
6 Technische beschrijving
6.1 Beschrijving van de werking
MagicSafe MS660 is een alarmsysteem, die over twee ultrasone sensoren beschikt. De installatie is ontworpen voor voertuigen met een boordspanning van 12 V en wordt aangesloten op de claxon van het voertuig of op een extra alarmsirene.
Het MagicSafe-alarmsysteem beschermt voertuigen en hun inhoud tegen diefstal. Bij inschakeld alarmsysteem wordt een alarm geactiveerd, wanneer
- een deur, de kofferruimte of de motorkap worden geopend,
- het contact wordt ingeschakeld of
- door de sensoren in de binnenruimte van het voertuig een beweging wordt gemeld.
Over deze functies beschikt uw MagicSafe MS660:
- Activering of deactivering via handzender In het geval dat de handzender verloren raakt of defect is, kan het alarmsysteem met de elektronische sleutel of het persoonlijke identificatienummer (PIN-code) worden gedeactiveerd.
- Binnenruimtebewaking via ultrasone sensoren
- Programmeerbare uitgang voor comfortfuncties Hiermee kunt u bijv. via de activering van het alarmsysteem elektrisch bediende ruiten sluiten.
- Ingang voor de aansluiting van extra deurcontacten of een contactschakelaar voor de motorkap of de kofferruimte
- Aansluiting van gasmelder MSG150 (toebehoren)
- Draadloos programmeren van max. 15 extra radiotelegrafische sensoren (toebehoren):
- Radiotelegrafische bewegingsmelder voor binnenruimtebewaking
- Radiotelegrafische magneetsensoren voor de bewaking van bijv. dakboxen, opbergvakken en ramen in campers
6.2 Bedieningselementen handzenders
De handzenders hebben de volgende bedieningselementen:
| afb. 5, pagina 4 Omschrijving Functie |
| 1 Toets „sluiten“ Alarmsysteem activeren |
| 2 Toets „COMFORT“ Comfort-uitgang activeren |
| 3 Toets „openen“ Alarmsysteem deactiveren |
| 4 Controle-LED (blauw) |
6.3 Mogelijke bedrijfstoestanden van MagicSafe
Het alarmsysteem kent de volgende vijf bedrijfstoestanden:
- Bedrijfsklaar
Het alarmsysteem is permanent bedrijfsklaar, zodra het ingebouwd en correct aangesloten is. Het systeem activeert in deze bedrijfstoestand echter geen alarm.
- Inschakeltijd
Het alarmsysteem heeft een inschakeltijd van ca. 30 s.
Als optische indicatie voor de inschakeltijd brandt de status-LED op de sleutelhouder.
- Geactiveerd
Als het alarmsysteem geactiveerd is, kan het een alarm genereren. Dit is het geval als er bijv. een deur wordt opengebroken, de motorkap wordt geopend of als iemand het voertuig binnentreedt. Als u weer wilt gaan rijden, moet u het alarmsysteem deactiveren. Dan is het systeem opnieuw in de bedrijfstoestand „bedrijfsklaar”.
Als optische indicatie voor de activering brandt de status-LED op de sleutelhouder.
- Alarm geactiveerd
Als er een alarm is geactiveerd, wordt dit door optische en akoestische signalen aangegeven.
- Werkplaatsmodus
U kunt de zogenaamde werkplaatsmodus instellen, bijv. om het voertuig te laten inspecteren of repareren (zie hoofdstuk „Werkplaatsmodus instellen” op pagina 189). In de werkplaatsmodus blijven alle opgeslagen instellingen behouden, ook als de verbinding met de accu wordt verbroken. Het alarmsysteem kan zonder handzender of elektronische sleutel worden geactiveerd en gedeactiveerd.
Als optische indicatie voor de inschakeltijd brandt de status-LED op de sleutelhouder om de 15 seconden.
7 MagicSafe monteren

INSTRUCTIE
Als u niet over voldoende technische kennis over het monteren en aansluiten van componenten in voertuigen beschikt, dient u het alarm-systeem door een vakman in het voertuig te laten inbouwen.
7.1 Benodigd gereedschap (afb. 1, pagina 3)
Voor inbouw en montage hebt u de volgende gereedschappen nodig:
- rolmaat (4)
- center (5)
- hamer (6)
- set boren (7)
- boormachine (8)
• schroevendraaier (9)
Voor de elektrische aansluiting en de controle daarvan hebt u de volgende hulpmiddelen nodig:
• diodetestlamp (1) of voltmeter (2)
- heteluchtpistool (10)
- krimptang (11)
- evt. soldeerbout (12)
- evt. soldeertin (13)
- isolatieband (14)
- warmtekrimpslang
- evt. kabeldoorvoerbuisjes
Voor het bevestigen van de kabels hebt u eventueel nog meer schroeven en kabelbinders nodig.
7.2 Besturingstoestel monteren
▶ Kies een geschikte montageplaats (afb. 6, pagina 5).

INSTRUCTIE
Neem bij de keuze van de montageplaats de onderstaande instructies in acht.
▶ Monteer het besturingstoestel
- in de passagiersruimte,
- met de hoofdaansluitkabel naar onderen,
- onder het dashboard,
- niet binnen het invloedbereik van sterke elektrische velden, bijv. ontstekingskabels of centrale besturingselektronica,
-
niet direct bij luchtuitblazers.
-
Gebruik indien mogelijk aanwezige boringen in het voertuig.
▶ Schroef het besturingstoestel met de meegeleverde schroeven vast of gebruik dubbelzijdig plakband.
7.3 Ultrasone module monteren
Kies een geschikte montageplaats in de buurt van het besturingstoestel.
▶ Schroef de ultrasone module met de meegeleverde schroeven vast of gebruik dubbelzijdig plakband.
7.4 Ultrasone sensoren monteren
Kies geschikte montageplaatsen op de linker en rechter A-stijl.
Richt de ultrasone sensoren op het midden van de achterruit.
▶ Schroef de compacte ultrasone sensoren met de meegeleverde schroeven vast.
Leg de kabels achter de A-stijl en via het dashboard naar de ultrasone module.
7.5 Motorkap-contactschakelaar monteren
Deze schakelaar dient u enkel te monteren als het voertuig nog niet over een dergelijke schakelaar beschikt.
▶ Kies een geschikte plaats in de motorruimte.
▶ Boor een gat met een diameter van 8 mm.
Let er bij de montage op dat de afstand tot de gesloten kap minimaal 22 mm en maximaal 27 mm bedraagt.
Bepaal deze afstanden met bijv. kneedmassa.
U kunt de minimale afstand bijv. door het verkorten van de schakelaar nog verkorten.
▶ Controleer na de montage de schakelfunctie.
7.6 Sleutelhouder monteren

INSTRUCTIE
Let bij de keuze van de montageplaats op de kabellengtes.
Kies een geschikte montageplaats in de buurt van het dashboard.
▶ Boor een gat met een diameter van 15 mm.
▶ Steek de sleutelhouder in de boring tot deze vastklikt.
7.7 Alarmsirene monteren (toebehoren)
In plaats van de voertuigclaxon kunt u een alarmsirene aansluiten (bijv. artikelnr. MS-620SI of MS-670SI).

LET OP!
Let er bij de montage op, dat de montageplaats niet in het spatwaterbereik en niet in de buurt van het uitlaatsysteem ligt.
▶ Monteer de alarmsirene in de motorruimte.
7.8 Extra radiotelegrafische sensoren monteren (toebehoren)
Radiotelegrafische magneetsensor monteren (afb. 7, pagina 5)
Met de radiotelegrafische magneetsensoren kunt u bijv. dakboxen of opbergvakken en ramen in campers beveiligen.
Neem bij de montage de volgende aanwijzingen in acht:
- Monteer de radiotelegrafische magneetsensoren in de binnenruimte van het voertuig.
- De afstand tussen magneten (3) en sensor (1) mag niet meer bedragen dan 15 mm.
- Richt de sensor zodanig, dat de LED (2) van de magneet (3) af wijst.
▶ Schroef de magneten (3) op de deur of op het raam.
Bevestig de sensor(1) met dubbelzijdig plakband aan het vaststaande onderdeel (bijv. deur- of raamkozijn).
Dek daarbij de schroeven op de bodem niet af met plakband.
▶ Test of de afstand klein genoeg is:
Als u de deuren opent, moet de LED (2) één keer kort oplichten.
Radiotelegrafische bewegingsmelder monteren
Neem bij de montage van de bewegingsmelder de volgende aanwijzingen in acht:
- Kies de montageplaats zodanig, dat de binnenruimte van het voertuig volledig wordt bewaakt (afb. 8, pagina 5).
- De bewegingsmelder kan bewegingen op een afstand van maximaal 12 m herkennen. Hij kan geen bewegingen herkennen achter vaste voorwerpen zoals tussenwanden.
Gebruik indien nodig meerdere bewegingsmelders.
• Probeer dode hoeken te vermijden door een goede positionering.
- Monteer de bewegingsmelder niet hoger dan 2 m boven de bodem van het voertuig.
- Monteer de bewegingsmelder niet in de buurt van warmtebronnen zoals radiateurs of warmeluchtblazers.
Druk de behuizing van de bewegingsmelder aan beide kanten licht in en neem deze van de achterwand (afb. 9, pagina 6).
▶ Schroef de achterwand op een geschikte montageplaats.
Zet de behuizing weer op de achterwand en laat deze vastklikken.
7.9 Gasmelder MSG150 monteren (toebehoren)
▶ Monteer de gasmelder zoals beschreven in de bijbehorende handleiding.
8 MagicSafe elektrisch aansluiten

LET OP!
Bij voertuigen met katalysator moet u de benzinepomp uitzetten terwijl u met de elektrische aansluitingen bezig bent.
Het volledige schakelschema voor het alarmsysteem vindt u in afb. 11, pagina 7.
Nr. Omschrijving
| 1 9-polige stekker van de aansluitkabel (CV) |
| 2 15-polige stekker van de aansluitkabel (alarm) |
| 3 Comfortuitgang |
| 4 Alarmsirene met back-upfunctie (MS-670SI) |
| 5 Massageregelde ingang voor optionele toebehorenmodules |
| 6 Massageregelde uitgang voor optionele toebehorenmodules |
| 7 Startblokkering (bijv. naar benzinepomp, naar de startmotor) of claxon/sirene (MS-620SI) |
| 8 Motorkap-contactschakelaar |
| 9 Startblokkering (bijv. naar benzinepomp, naar de startmotor) of claxon/sirene (MS-620SI) |
| 10, 11 Knipperlichten |
| 12 Antenne |
| 13 Voertuigaccu (startaccu) |
| 14 Geschakelde plus (contact, klem 15) |
Nr. Omschrijving
15 3-polige stekker voor de aansluiting op de ultrasone module
16 Ultrasone sensoren
17 Rode stekkerverbinding ultrasone sensor – ultrasone module
18 Ultrasone module
19 Witte stekkerverbinding ultrasone sensor - ultrasone module
20 Gelijktijdige aansluiting op deurcontactschakelaar en contactschakelaar van de kofferruimte (enkel met blokkeerdioden!)
21 Aansluiting enkel aan deurcontactschakelaar (zonder blokkeerdiode!)
22 Rode stekkerverbinding sleutelhouder
23 Witte stekkerverbinding sleutelhouder
24 Sleutelhouder incl. status-LED
Alle stekkers zijn gecodeerd, zodat u ze niet verkeerd kunt aansluiten.
8.1 Kabels aanleggen
Let er bij het leggen van de kabels op dat deze
- niet te sterk worden geknikt of verdraaid,
- niet langs randen schuren,
- niet zonder bescherming door openingen met scherpe randen worden gelegd (afb. 3, pagina 4).

LET OP!
Controleer voor het boren of er geen elektrische kabels of andere delen van het voertuig door boren, zagen en vijlen beschadigd kunnen raken (afb. 2, pagina 4).
Gebruik voor het leggen van de kabels in de motor- of kofferruimte zo veel mogelijk reeds aanwezige openingen met rubberstoppen.
Als er geen openingen aanwezig zijn, maak dan een boring van ca. 13 mm diameter en zet een kabeldoorvoer in.

INSTRUCTIE
Trek de stekkerbussen van de kabels door de kabeldoorvoer, voordat u de doorvoer in de carrosserie aanbrengt.
Leg de kabels zodanig naar de motor- of kofferruimte, dat zij in geen geval beschadigd kunnen raken (bijv. door steenslag).
▶ Isoleer alle niet-gebruikte kabeleinden.
8.2 Aansluitkabels aansluiten op het besturingstoestel
▶ Steek de stekker van de aansluitkabel op de bijbehorende aansluitingen op het besturingstoestel.
8.3 Aansluitleidingen van de 15-polige stekker aansluiten
Zwart (P1)
Deze leiding is de antenne en moet niet worden aangesloten.
Leg de antenne op een afstand van minimaal 1 cm verwijderd van metalen onderdelen
Rood (P2)
▶ Sluit deze leiding op een permanent +12 V geleidende leiding aan (klem 30).
Zwart/wit (P3)
▶ Sluit deze leiding op de linker knipperlichtleiding van het voertuig aan.
Zwart/groen (P4)
▶ Sluit deze leiding op de rechter knipperlichtleiding van het voertuig aan.
Groen/geel (P5) en groen (P10), in de fabriek als startonderbreking gepland
Deze leidingen dienen voor de onderbreking van een willekeurig stroomcircuit (bijv. benzinepomp, startmotor etc.). De uitgang (groen/geel) mag met maximaal 10 A worden belast.
▶ Verbreek de leiding van de verbruiker (afb. 10 1, pagina 6) naar massa (afb. 10 A, pagina 6) of naar de accu (afb. 10 B, pagina 6).
▶ Sluit de groene en de groen/geele leiding aan, zoals afgebeeld in afb. 10, pagina 6.
Als alternatief kan op de leiding geel/groen (P5) de sirene MS-620SI of de voertuigclaxon worden aangesloten (zie softwarefunctie nr. 13 en 9).
Sirene MS-620SI (toebehoren) aansluiten
Sluit de gele en de groen/gele leiding aan op de sirene MS-620SI, zoals afgebeeld in afb. 12, pagina 8.
▶ Programmeer softwarefunctie nr. 13 op „alarmuitgang”.
▶ Programmeer softwarefunctie nr. 9 op „sirene“.
Voertuigclaxon aansluiten
Sluit de gele en de groen/gele leiding aan op de voertuigclaxon, zoals afgebeeld in afb. 13, pagina 8.
▶ Programmeer softwarefunctie nr. 13 op „alarmuitgang“.
▶ Programmeer softwarefunctie nr. 9 op „claxon“.

LET OP!
Bij de aansluiting van de voertuigclaxon moet een arbeidsstroomrelais met vrijloopdiode met een belastbaarheid van minimaal 20 A worden gebruikt.
Vrije insteekplaat (P6)
Vrij.
Oranje (P7)
▶ Sluit deze leiding op een aansluiting aan die door het contact wordt geschakeld (klem 15).
Grijs (P8)
▶ Sluit deze leiding op de motorkap-contactschakelaar (afb. 11 8, pagina 7) aan. In de fabriek is een schakelaar aangebracht, die bij geopende motorkap gesloten is.
Wanneer een originele schakelaar moet worden gebruikt, die bij geopende motorkap geopend is, kan dit worden geprogrammeerd in het besturings-toestel, zie hoofdstuk „Functie 15 (Ingang motorkapcontact)” op pagina 177.
Blauw (P9)
Dit is de signaalleiding van de ultrasone module. Deze eindigt in de 3-polige connector (afb. 11 15, pagina 7).
Groen (P10)
Zie P5.
Zwart (P11)
▶ Sluit deze leiding op massa aan (klem 31).
Rood (P12)
Verbindt de sleutelhouder met het besturingstoestel.
Geel (P13)

INSTRUCTIE
De kofferruimte-contactschakelaar moet enkel worden aangesloten, als bij het openen van de kofferruimte de verlichting van de bijrijdercel (interieurverlichting) donker blijft. Gebruik in dit geval in de gele leiding twee dioden zoals aangegeven op het schakelschema (afb. 11 20, pagina 7).
Sluit deze leiding aan op de deurcontactschakelaar van het bestuurderdeur en indien nodig ook op de kofferruimte-contactschakelaar. In de fabriek is een schakelaar aangebracht, die bij geopende deur gesloten is. Wanneer de schakelaar bij geopende deur geopend is, kan dit in het besturings-toestel worden geprogrammeerd, zie hoofdstuk „Functie 16 (Ingang deurcontact/kofferruimte)” op pagina 177.

INSTRUCTIE
Als de aansluiting van de gele leiding op de deur-contactschakelaar van uw voertuig niet mogelijk is, moet u bij het programmeren van nieuwe handzenders, elektronische sleutels of radiotelegrafische sensoren de gele leiding tegen massa leggen (zie hoofdstuk „Handzender, elektronische sleutel en radiotelegrafische sensoren programmeren / PIN-code aflezen“ op pagina 184).
Zwart (P14)
Verbindt de sleutelhouder met het besturingstoestel.
Wit + zwart (P15)
De witte leiding biedt een extra massageregelde uitgang voor optionele toebehorenmodules.
De zwarte leiding is de massaleiding van de ultrasone module.
8.4 Aansluitleidingen van de 9-polige stekker aansluiten (centrale vergrendeling)
MagicSafe beschikt over universele aansluitingen voor centrale vergrendelingen, zodat standaard ingebouwde centrale vergrendelingen en motorische extra vergrendelingen daaraan aangesloten kunnen worden.
Aan de centrale vergrendeling aansluiten
▶ Ga de schakelfunctie van de originele centrale vergrendeling na.
Hiervoor hebt u het schakelschema van de centrale vergrendeling nodig. Dit krijgt u bij uw voertuigdealer.
Als er geen originele schakelschema's ter beschikking staan, moet u de functie van de stuurleidingen, die van het besturingstoestel van de centrale vergrendeling naar de voertuigdeur lopen, meten.

LET OP!
Sluit MagicSafe enkel via de stuurleidingen van de centrale vergrendeling en niet via andere leidingen aan.
De aansluiting op andere leidingen dan de stuurleidingen of het gebruik van een verkeerd schakelschema kan leiden tot een defect aan de centrale vergrendeling en de handzender.
▶ Ga de aansturingstijd van de centrale vergrendeling na.
Bij sommige voertuigen, bijv. Mercedes, kan het zijn dat de aansturingstijd van 0,7 s niet voldoende is om de centrale vergrendeling volledig aan te sturen. In dergelijke gevallen moet u de aansturingstijd met de softwarefunctie 3 (Impulsduur van de deursluitcontacten) op 3 s instellen, zie hoofdstuk „Softwarefuncties“ op pagina 173.
▶ Sluit MagicSafe conform het betreffende schakelschema aan:
- Voertuigen zonder servomotor in de deur van de bestuurder (de deur van de bestuurder kan niet vanuit de deur van de passagier ver- en ontgrendeld worden) of voor centrale vergrendeling met onderdruk, zonder elektrische stuurleiding: afb. 14, pagina 9
Hiervoor hebt u ook de servomotor artikelnr. ML-11 voor de deur van de bestuurder nodig.
- Twee van min op + 12 V schakelende leidingen: afb. 15, pagina 9
- Twee + 12 V impulssturende leidingen: afb. 16, pagina 10
- Twee min-impuls sturende leidingen: afb. 17, pagina 10
- Een open en min-impuls sturende leiding: afb. 18, pagina 11
- Een + 12 V en min-impuls sturende leiding: afb. 19, pagina 11
- Aansluiting op centrale vergrendeling MagicLock ML44 en ML22: afb. 20, pagina 12
Nr. in afb. 15 tot afb. 19
Omschrijving
1 Besturingstoestel van de centrale vergrendeling van het voertuig
▶ Isoleer de niet-aangesloten leidingen.
Grijs/wit (P4)
Deze leiding biedt een extra massageregelde ingang voor optionele toebehoren-modules (bijv. magneetcontactschakelaar met draad).
Blauw (P5)
Op deze leiding kunt u de externe back-upsirene MS-670SI (toebehoren) aansluiten.
▶ Sluit de blauwe leiding aan op de sirene MS-670SI, zoals afgebeeld in afb. 11, pagina 7.
Grijze leiding van de MS-670SI
Als u de motorklep-contactschakelaar van de MS660 hebt gemonteerd (zie hoofdstuk „Motorkap-contactschakelaar monteren“ op pagina 159), moet u de grijze leiding van de sirene MS-670SI hiermee verbinden.
▶ Sluit één zijde van de grijze leiding aan op de leiding van de motorkap-contact-schakelaar.
▶ Sluit de andere zijde van de grijze leiding aan op de grijze leiding (P8) van de MS660.
Groen/rood
Deze leiding dient als comfortuitgang. De comfortuitgang geleidt massa en kan maximaal met 1 A worden belast.

LET OP!
Bij aansluiting van verbruikers met een stroomgebruik van meer dan 1 A (bijv. dimlicht) moet een extra arbeidsstroomrelais worden gebruikt.
Met de comfortfunctie kunt u bijv.:
- ramen sluiten
- schuifdak sluiten
- dimlicht inschakelen
- kofferruimte of tankdop ontgrendelen
• standverwarming inschakelen.

INSTRUCTIE
Voor de comfortfuncties hebt u afhankelijk van uw installatie een comfortmodule of een arbeidsstroomrelais met vrijloopdiode nodig.
8.5 Resterende aansluitleidingen aansluiten (afb. 11, pagina 7)
Sleutelhouder aansluiten
▶ Steek de rode, tweepolige stekker (22) van de aansluitkabel op de rode bus (22) van de sleutelhouder.
▶ Steek de witte, tweepolige stekker (23) van de aansluitkabel op de witte bus (23) van de sleutelhouder.
Ultrasone module aansluiten
▶ Steek de witte, driepolige stekker (15) op de aansluiting van de ultrasone module (18).
Ultrasone sensoren aansluiten
▶ Steek de rode stekker van de kabel van de ultrasone sensor (17) op de rode aansluiting van de ultrasone sensor (17).
▶ Steek de witte stekker van de kabel van de ultrasone sensor (19) op de witte aansluiting van de ultrasone sensor (19).
8.6 Gasmelder MSG150 (toebehoren) aansluiten (afb. 21, pagina 12)
▶ Scheid de 12V-stekker van de gasmelderkabel.
▶ Verwijder ongeveer 10 cm van de buitenisolatie aan het einde van de kabel.
▶ Sluit de zwarte leiding op massa aan (klem 31).
▶ Verbind de gele en de oranje leiding van de gasmelder met de witte leiding van MS660.
▶ Sluit de rode leiding op een permanent +12 V geleidende leiding aan (klem +30). De leiding moet met een zekering van 1 A zijn beveiligd.
Als de gasmelder ook als hoofdalarm op het alarmsysteem moet worden geschakeld, sluit u de beide relaiscontacten als volgt aan:
▶ Sluit relaiscontact 1 (1) op massa (klem 31) aan.
▶ Sluit het relaiscontact 2 (2) op de grijs/witte leiding van MS660 aan.
9 Werking testen
9.1 Handzender testen
▶ Test alle schakelfuncties met beide handzenders.
Als de installatie niet op de handzender reageert, moet u de betreffende handzender programmeren (zie hoofdstuk „Handzender, elektronische sleutel en radiotelegrafische sensoren programmeren / PIN-code aflezen“ op pagina 184).

INSTRUCTIE
De reikwijdte van de handzenders kan door massiefmetalen onderdelen en sterke elektrische velden worden beperkt. Deze ligt in de regel bij 10 m tot 20 m.
9.2 Centrale vergrendeling testen
Als u het alarmsysteem activeert (zie hoofdstuk „MagicSafe activeren“ op pagina 181), moet MagicSafe bij een aangesloten centrale vergrendeling het voertuig vergrendelen.
Als u het alarmsysteem deactiveert (zie hoofdstuk „MagicSafe deactiveren“ op pagina 182), moet MagicSafe het voertuig opnieuw ontgrendelen.
Als u de softwarefunctie 11 („Vergrendelen/ontgrendelen met contact“) geprogrammeerd hebt, moet MagicSafe ca. 5 s na het inschakelen van het contact bij gesloten deuren de centrale vergrendeling vergrendelen. Na het uitschakelen van het contact opent MagicSafe de centrale vergrendeling opnieuw.
Als de centrale vergrendeling niet zoals beschreven werkt, ga dan als volgt te werk:
▶ Controleer de elektrische aansluiting aan de centrale vergrendeling.
▶ Controleer of uw voertuig de softwarefunctie 3 („Impulsduur van de deursluitcontacten“) ondersteunt (zie hoofdstuk „Programmeren“ op pagina 179).
▶ Controleer welke waarde voor de softwarefunctie 3 ingesteld is.
9.3 Gevoeligheid van de ultrasone sensoren testen
De gevoeligheid van de ultrasone sensoren stelt u op de ultrasone module in.
Draai de instelschroef aan de onderzijde van de ultrasone module in de richting „+” om de gevoeligheid te verhogen of ...
draai de instelschroef van de ultrasone module in de tegengestelde richting, om de gevoeligheid te verlagen.
- Om de ultrasone module te deactiveren moet u de instelschroef van de ultrasone sensor tot de aanslag in tegengestelde richting van „+“ draaien.

INSTRUCTIE
Als de ultrasone sensoren te gevoelig zijn ingesteld, kan door voorbijrijdende voertuigen een alarm worden veroorzaakt. Stel daarom de gevoeligheid zorgvuldig en niet te hoog in.
Ga als volgt te werk om de juiste instelling te vinden:
▶ Deactiveer het alarmsysteem (zie hoofdstuk „MagicSafe deactiveren“ op pagina 182).
▶ Open de voorste zijruiten ongeveer 20 cm.
▶ Activeer het alarmsysteem bij gesloten deuren, motorkap en kofferruimte.
▶ Beweeg van buitenaf een object bij het voertuig naar binnen:
- Als er een alarm wordt geactiveerd, voordat u het object het voertuig in beweegt, moet u de gevoeligheid verminderen.
- Als er geen alarm wordt geactiveerd, moet u de gevoeligheid verhogen.

INSTRUCTIE voor cabrio's en voertuigen met vouwdaken
Bij voertuigen met textiel- of kunststofdaken moet de gevoeligheid van de ultrasone sensoren sterk worden verminderd of geheel buiten werking worden gesteld.
▶ Controleer door op het gesloten dak te kloppen of MagicSafe bij bewegingen van het dak een alarm activeert.
9.4 Overige alarmingangen testen
▶ Controleer één voor één de functie van de overige alarmingangen, door telkens een alarm uit te lokken.
▶ Tel daarna de knippersignalen van de status-LED.
Als de knippersignalen niet met de opgegeven waarde overeenkomen, dient u de aansluitingen en kabelverbindingen te controleren.
| Aantal knipper-signalen | Oorzaak van het alarm |
| 0(status-LED uit) | Geen alarm geactiveerd |
| 1 Spanningsverliessensor | |
| 2 Ultrasone sensoren (binnenruimte) | |
| 3 Deur-/kofferruimtecontactschakelaars | |
| 4 Motorkap-contactschakelaar | |
| 5 Contact | |
| 7 Extra alarmingang | |
| 8 Radiotelegrafische sensor | |
| 9 Batterij in handzender te zwak | |
9.5 Optische en akoestische signalen testen
▶ Activeer een alarm.
Tijdens het alarm moeten alle knipperlichten aangestuurd worden en de voertuig-claxon of de status-LED het alarm signaleren.
10 MagicSafe programmeren
10.1 Softwarefuncties
MagicSafe biedt u verschillende softwarefuncties die u volgens de volgende tabel kunt veranderen.
Vet gemarkeerde waarden markeren de fabrieksinstelling.
| Nr. Softwarefunctie | Toets „sluiten” | Toets „openen” |
| 1 Sirenetoon – bevestigingstoon bij activering en deactivering | Aan Uit | |
| 2 Spanningsverliessensor Aan Uit | ||
| 3 Impulsduur van de deursluit-contacten | 0,7 s 3 s | |
| 4 Comfort-sluitfunctie (→ nr. 19) | Aan Uit | |
| 5 Startonderbreking (→ nr. 13) | Aan Uit | |
| 6 Automatische reactivering Aan Uit | ||
| 7 Zelfactivering | Aan Uit | |
| 8 Schakeltijd van comfortuitgang (→ nr. 18) | 20 s 1 s | |
| 9 Kiezen sirene/voertuigclaxon (→ nr. 13) | Sirene | Claxon |
| Nr. | Softwarefunctie | Toets „sluiten” | Toets „openen” |
| 10 | Vergrendeling van de centrale vergrendeling bij zelfactivering | AanUit | |
| 11 | Vergrendelen/ontgrendelen met contact | AanUit | |
| 12 | Alarmdetectie voor extra sensoren | Extra sensor | Extra sensor en ultrasone sensor |
| 13 | Functie extra relaisStartonderbreking | (→nr.5) | Alarmuitgang(→nr.9) |
| 15 | Ingang motorkapcontact Schakelaar geopend bij geopende kap (12 V gemeten) | Schakelaar gesloten bij geopende kap (0 V gemeten) | |
| 16 | Ingang deurcontact/kofferruimte Schakelaar geopend bij geopende deur (12 V gemeten) | Schakelaar gesloten bij geopende deur (0 V gemeten) | |
| 18 | Car Finder / comfortfunctie aan Car Finder Comfortuitgang | aan(→nr.8) | |
| 19 | Schakeltijd voor comfort-sluitfunctie | 25 s (auto) | Manueel(→nr.4) |
| 20 | Deactivering defecte deur-contacten | AanUit | |
| 24 | Optische signalen | Noodknipperlichten | Knipperlichten |
10.2 Toelichting op softwarefuncties
Functie 1 (Sirenetoon – bevestigingstoon bij activering en deactivering)
Deze functie maakt een bevestigingstoon van de sirene mogelijk bij het activeren en deactiveren van het alarmsysteem.

INSTRUCTIE
Door activeren van de bevestigingstoon als akoestische bevestiging voldoet het alarmsysteem niet meer aan het voorschrift 95/56/EC. De goedkeuring voor uw voertuig vervalt onder de geldigheid van deze richtlijn!
Functie 2 (Spanningsverliessensor)
Met deze functie kan de spanningsverliessensor worden geactiveerd of gede-activeerd. De sensor reageert bij een belasting van de voertuigaccu van minimaal 12 watt en activeert een alarm.
Functie 3 (Impulsduur van de deursluitcontacten)
Bij sommige voertuigen (bijv. Mercedes-Benz) is het mogelijk, dat de aansturingstijd van 0,7 s niet voldoende is om de centrale vergrendeling volledig aan te sturen. In deze gevallen moet u de aansturingstijd op 3 s instellen met deze softwarefunctie.
Functie 4 (Comfort-sluitfunctie)
Daarmee wordt de comfort-sluitfunctie geactiveerd of gedeactiveerd, zie hoofdstuk „Comfort-sluitfunctie gebruiken“ op pagina 187.
Functie 5 (Startonderbreking)
Met deze functie schakelt u de startonderbreking in of uit.
De startonderbreking activeert:
- 30 s nadat het contact is uitgeschakeld (bedrijfstoestand „bedrijfsklaar“, zie hoofdstuk „Mogelijke bedrijfstoestanden van MagicSafe“ op pagina 156)
- 60 s nadat het alarmsysteem met de afstandsbediening is gedeactiveerd (bedrijfstoestand „bedrijfsklaar“, zie hoofdstuk „Mogelijke bedrijfstoestanden van MagicSafe“ op pagina 156)
Deze functie kan alleen worden gebruikt, als functie 13 op „startonderbreking“ is geprogrammeerd.
Functie 6 (Automatische reactivering)
Deze functie reactiveert het alarmsysteem, wanneer deze per ongeluk of onbemerkt werd gedeactiveerd. Dat gebeurt, als het alarmsysteem gedeactiveerd werd en er binnen ca. 40 s geen deur werd geopend.
Functie 7 (Zelfactivering)
Als de functie geprogrammeerd is op „aan”, activeert het alarmsysteem bij uitgeschakeld contact vanzelf ca. 10 s, nadat de laatste deur werd gesloten. De deactive-ring met de handzender is nog steeds mogelijk.
Functie 8 (Schakeltijd van comfortuitgang)
U kunt kiezen tussen 20 s (bijv. voor de regeling van het dimlicht, Coming Home-functie) of 1 s (bijv. voor het openen van de achterklep). Deze functie kan alleen worden gebruikt, als functie 18 op „comfortuitgang aan” is geprogrammeerd.
Functie 9 (Kiezen sirene/voertuigclaxon)
Deze functie legt vast, of de voertuigclaxon of een externe sirene (bijv. MS-620SI) wordt gebruikt. Bij de instelling „sirene“ schakelt het relais constant in voor 30 s. Bij de instelling „claxon“ schakelt het relais voor de duur van 30 s in seconderitme in en uit. Deze functie kan alleen worden gebruikt, als functie 13 niet op „startonderbreking“ is geprogrammeerd.
Functie 10 (Vergrendeling van de centrale vergrendeling bij zelfactive-ring)
Hiermee wordt vastgelegd, of een zelfactivering van het alarmsysteem de centrale vergrendeling van het voertuig moet vergrendelen of niet. Deze functie kan alleen worden gebruikt, als functie 7 op „aan“ is geprogrammeerd
Functie 11 (Vergrendelen/ontgrendelen met contact)
Als deze functie is geactiveerd, kunt u bij ingeschakeld contact het voertuig door het indrukken van de toets „sluiten“ vergrendelen. Het alarmsysteem wordt in dit geval niet geactiveerd.
De centrale vergrendeling ontgrendelt het voertuig automatisch, als het contact wordt uitgeschakeld.
Als alternatief kan het voertuig op ieder moment door het indrukken van de toets „openen“ worden ontgrendeld.
Functie 12 (Alarmdetectie voor extra sensoren)
MagicSafe beschikt over een extra alarmuitgang (grijs/witte leiding). Met deze functie legt u vast, of alleen deze sensor het alarm kan activeren of dat deze enkel in combinatie met de ultrasone sensoren mag activeren.
Functie 13 (Functie extra relais)
In de fabriek wordt deze functie als startonderbreking gebruikt. Deze wordt al in de bedrijfstoestand „bedrijfsklaar“ actief en niet pas in geval van een alarm.
Deze functie kan alleen worden gebruikt, als functie 5 op „aan“ is geprogrammeerd.
Als de functie 13 op „alarmuitgang“ wordt geprogrammeerd, kan dit relais in geval van een alarm een extra melder (bijv. een pager) of een extra sirene of claxon activeren. In dit geval vervalt de startonderbreking.
De opties sirene of claxon kunnen door de functie 9 worden vastgelegd.
Functie 15 (Ingang motorkapcontact)
Daarmee legt u vast, hoe de motorkap-contactschakelaar geschakeld wordt.
In de fabriek is het systeem voor een gesloten schakelaar bij geopende kap ingesteld (spanning 0 V). Als de gebruikte schakelaar bij geopende kap geopend moet zijn (spanning 12 V) moet de functie 15 op „Schakelaar geopend bij geopende kap” worden geprogrammeerd.
Functie 16 (Ingang deurcontact/kofferruimte)
Daarmee legt u vast, hoe de deurcontactschakelaar en de kofferruimte-contactschakelaar worden geschakeld.
In de fabriek is het systeem voor een gesloten schakelaar bij geopende deur / motorkap ingesteld (spanning 0 V). Als de gebruikte schakelaar bij geopende deur / geopende kofferruimte-kap geopend moet zijn (spanning 12 V) moet de functie 16 op „Schakelaar geopend bij geopende deur“ worden geprogrammeerd.

INSTRUCTIE
De kofferruimte-contactschakelaar moet enkel worden aangesloten, als bij het openen van de kofferruimte de verlichting van de bijrijdercel (interieurverlichting) donker blijft.
Functie 18 (Car Finder / comfortfunctie aan)
Met deze functie legt u vast of de toets „COMFORT“ extra comfortfuncties (bijv. Coming Home-functie) schakelt of dat deze als Car Finder moet werken. In het tweede geval worden de knipperlichten voor 10 min geactiveerd. Door opnieuw op de toets „COMFORT“ te drukken gaan de knipperlichten uit, het alarmsysteem blijft geactiveerd.
Wanneer deze functie op „Car Finder“ geprogrammeerd is, kan functie 8 (comfortfunctie) niet worden gebruikt.
Functie 19 (Schakeltijd voor comfort-sluitfunctie)
Om de comfort-sluitfunctie te kunnen gebruiken, moet de functie 4 op „aan“ geprogrammeerd zijn. In dit geval wordt het sluiten zolang geactiveerd als de toets „sluiten“ ingedrukt wordt gehouden. Bij voertuigen met een in de fabriek aange-brachte comfort-sluitmodule kunnen dan bijv. de ramen of het schuifdak worden gesloten. Als alternatief kan het sluiten op een vaste duur van 25 s worden geprogrammeerd.
Functie 20 (Deactivering defecte deurcontacten)
Bij voertuigen zonder vertraging van de interieurverlichting moet deze functie op „uit“ geprogrammeerd blijven (fabrieksinstelling).
Bij voertuigen met vertraging van de interieurverlichting kan deze functie op „aan” worden geprogrammeerd, om per ongeluk openstaande deuren te herkennen. Dit heeft tot gevolg dat tijdens de eerste 15 s na activering van het alarmsysteem de deur nog kan worden gesloten, om dit in het alarmcircuit te behouden. Als de deur na deze 15 s wordt gesloten, wordt deze niet meer bewaakt.
Functie 24 (Optische signalen)
In de fabriek is de aansluiting op de knipperlichtleidingen gepland. Bij een alarm wekken de beide knipperlichtuitgangen van het alarmsysteem een +12 V-interval-signaal op.
Als u de optische signalen via de noodknipperlichtschakelaar wilt aansluiten, moet u deze functie programmeren op „noodknipperlichten“. In dit geval wordt uit beide knipperlichtuitgangen van het alarmsysteem een kort massasignaal geschakeld. Na beëindiging van het alarm (30 s) wordt er nog een massasignaal voor het uitschakelen van de noodknipperlichtinstallatie geschakeld.
10.3 Programmeren
Programmeermodus starten
▶ Deactiveer het alarmsysteem met de afstandsbediening: Druk op de toets „openen”.
▶ Open de bestuurderdeur en schakel het contact in.
▶ Houd de toets „openen“ ingedrukt en schakel het contact uit.
▶ Laat de toets „openen“ los.
√ De status-LED brandt. U bevindt zich nu in de programmeermodus.

INSTRUCTIE
Na 30 s zonder een toets in te drukken wordt de programmeermodus automatisch beëindigd.
Functie programmeren
De functies worden geprogrammeerd door op basis van het nummer van de functie de toets „sluiten“ of „openen“ meerdere keren in te drukken, zei tabel pagina 173.
Voorbeeld: U wilt de comfort-sluitfunctie activeren. Dit is functie 4. Druk voor het activeren 4 keer op de toets „sluiten”.
Voor de bevestiging van ieder indrukken van de toets gaat de status-LED kort uit. Voor de bevestiging van de programmeerstap gaat de status LED voor 2 s uit. De gewenste waarde wordt opgeslagen.
▶ Voer alle gewenste programmeerstappen uit.
▶ Schakel om de programmering af te sluiten het contact in.
11 MagicSafe gebruiken
11.1 Functietabel
In de volgende tabel vindt u een lijst van alle functies en hoe u deze activeert.
| Functie Voorwaarde | Toets „sluiten” | Toets „openen” | Toets „COMFORT” | |
| Activeren Contact uit ● | ||||
| Deactiveren Contact uit | ● | |||
| Alarmsysteem geactiveerd | ||||
| Met de hand vergrendelen/ontgrendelen van de deuren van binnen | Contact aan ● | |||
| Activeren zonder binnen-ruimtebewaking | Contact uit ● ● (30 s) | |||
| Paniekmodus Contact uit | ● ● (1 s) | |||
| Alarmsysteem geactiveerd | ||||
| Comfortuitgang Contact uit | ● | |||
| Alarmsysteem geactiveerd | ||||
| Comfortuitgang Contact uit | ● | |||
| Alarmsysteem gedeactiveerd |
● Betreffende toets indrukken
● ● (1 s) Toets twee keer achter elkaar indrukken binnen 1 s
● ● (30 s) Toets twee keer achter elkaar indrukken binnen 30 s
11.2 MagicSafe activeren
Ga als volgt te werk om het alarmsysteem manueel te activeren:
▶ Sluit de deuren van het voertuig.
Druk op de toets „sluiten“ van de handzender voor ca. 1 s.
√ De noodknipperlichten knipperen 2x.
√ Het alarmsysteem wordt na ca. 30 s geactiveerd. Voor de bevestiging knippert de status-LED.
Bij voertuigen met centrale vergrendeling worden bij de activering van het alarm-systeem de deuren en de kofferruimte vergrendeld. Als het voertuig een originele comfortfunctie heeft (bijv. elektrische ruiten of elektrisch schuifdak) worden ook deze vergrendeld. U kunt deze comfortfunctie met de toets „COMFORT“ apart aansturen (zie hoofdstuk „Comfort-sluitfunctie gebruiken“ op pagina 187).
Als het alarmsysteem bij geopende deur, motor- of kofferruimtekap wordt gactiveerd, knippert de status-LED met een ritme van 3 s, om de storing aan te geven.
Wanneer de deur, motor- of kofferruimtekap binnen de volgende 15 s wordt gesloten, wordt deze weer betrokken bij het alarm. Als de deur, motor- of kofferruimtekap na deze 15 s wordt gesloten, wordt deze niet bewaakt.
Alarmsysteem zo activeren, dat het voertuig bezet kan blijven
U kunt het alarmsysteem zo instellen dat het alarmsysteem geen alarm activeert, wanneer een beweging in de binnenruimte van het voertuig wordt geregistreerd, bijv. om een huisdier in het voertuig te laten.
Ga hiervoor als volgt te werk:
▶ Druk twee keer op de toets „sluiten“ binnen 30 s.
√ Het knipperlicht knippert een keer.
Alarmsysteem automatisch weer activeren
U kunt MagicSafe zodanig instellen, dat het alarmsysteem automatisch weer wordt geactiveerd (softwarefunctie 7 „zelfactivering“, fabrieksinstelling is gedeactiveerd), als niet binnen 30 s nadat u het alarmsysteem hebt gedeactiveerd, het voertuig wordt gebruikt (deur openen of contact inschakelen). Dit wordt weergegeven door het twee keer knipperen van het knipperlicht.
Daarbij wordt geen rekening gehouden met de centrale vergrendeling. Als u wilt, dat door de zelfactivering de centrale vergrendeling ook de deuren worden vergrendeld, activeert u de softwarefunctie 10 „vergrendeling van de centrale vergrendeling bij zelfactivering“ (fabrieksinstelling is gedeactiveerd).
Ga als volgt te werk om het alarmsysteem te deactiveren:
Druk op de toets „openen“ van de handzender voor ca. 1 s.
√ De noodknipperlichten knipperen 1x.
√ Als u het alarmsysteem met de centrale vergrendeling verbonden hebt, worden alle deuren ontgrendeld.
MagicSafe zonder handzender deactiveren
Als u niet meer weet waar u de handzender hebt gelaten, als de batterijen leeg zijn of de handzender beschadigd is, kunt u het alarmsysteem met de elektronische sleutel deactiveren.
▶ Open de deur met de autosleutel.
√ Het alarmsysteem activeert een alarm.
▶ Steek de elektronische sleutel in de sokkel.
√ Het alarmsysteem wordt gedeactiveerd.
Als ook de elektronische sleutel zoek is, kan het alarmsysteem met behulp van de PIN-code worden gedeactiveerd. Om de 5-cijferige PIN-code in te voeren, gaat u als volgt te werk:
▶ Open de bestuurdersdeur met de contactsleutel en activeer hierdoor een alarm.
▶ Wacht 30 s totdat het alarm uitgaat.
√ De status-LED brandt constant.
▶ Schakel binnen 5 s het contact voor 1 s in en weer uit.
√ De status-LED begint te knipperen.
▶ Tel het aantal knippersignalen tot het aantal dat overeenkomt met het eerste nummer van uw PIN-code.
1x knipperen = cijfer 1, 2x knipperen = cijfer 2, ..., 9x knipperen = cijfer 9, 10x knipperen = cijfer 0.
▶ Schakel na de betreffende knippercode, als de LED uit is, het contact voor 1 s in en weer uit. Daarmee bevestigt u het cijfer.
√ De status-LED begint opnieuw te knipperen.
▶ Bevestig op dezelfde wijze alle cijfers van de PIN-code.
Voorbeeld: De PIN-code van de installatie is „01234“.
- Status-LED knipper 10x (= cijfer 0), vervolgens contact in- en weer uitschakelen.
- Status-LED knipper 1x (= cijfer 1), vervolgens contact in- en weer uitschakelen.
- Status-LED knipper 2x (= cijfer 2), vervolgens contact in- en weer uitschakelen.
- Status-LED knipper 3x (= cijfer 3), vervolgens contact in- en weer uitschakelen.
- Status-LED knipper 4x (= cijfer 4), vervolgens contact in- en weer uitschakelen.
De PIN-code is ingevoerd.
√ Als u de PIN-code correct hebt ingevoerd, bevindt het alarmsysteem zich in de werkplaatsmodus, zie hoofdstuk „Werkplaatsmodus instellen“ op pagina 189. Als u de PIN-code verkeerd hebt ingegeven, begint het alarm opnieuw. Herhaal in dit geval de procedure van voor af aan.

INSTRUCTIE
Let erop, dat bij iedere programmering van nieuwe handzenders of draadloze radiotelegrafische sensoren (magneetcontactschakelaars of bewegingsmelders) de PIN-code wordt gewijzigd! Daarom is het belangrijk, bij iedere programmering de nieuwe PIN-code in de handleiding te noteren.
11.4 Centrale vergrendeling met MagicSafe schakelen

INSTRUCTIE
Bij het vergrendelen met de handzender moet het contact ingeschakeld zijn. Anders wordt ook het alarmsysteem geactiveerd.
Als uw voertuig beschikt over een centrale vergrendeling, kunt u de deuren van binnen automatisch vergrendelen of ontgrendelen. Deze functie is in de fabrieks-instelling uitgeschakeld. Om deze te activeren gaat u als volgt te werk:
Programmeer de softwarefunctie 11 „vergrendelen/ontgrendelen met contact“ op „aan“, zie hoofdstuk „Softwarefuncties“ op pagina 173.
Nu wordt bij ingeschakeld contact door het indrukken van de toets „sluiten“ voor 3 s de centrale vergrendeling van het voertuig vergrendeld. Het alarmsysteem blijft gedeactiveerd.
Als u het contact uitschakelt, worden de deuren zonder vertraging ontgrendeld.
11.5 Handzender, elektronische sleutel en radiotele-grafische sensoren programmeren / PIN-code aflezen

INSTRUCTIE
- Programmeer alle handzenders, elektronische sleutels en radiotelegrafische sensoren (toebehoren), die u wilt gebruiken in dezelfde programmeerfase. Dat geldt ook voor de handzenders, die u reeds gebruikt hebt of radiotelegrafische sensoren die reeds zijn geprogrammeerd!
- Programmeer eerst de handzenders en de elektronische sleutels, vervolgens indien aanwezig de radiotelegrafische bewegingsmelders (toebehoren) en daarna de radiotelegrafische magneetsensoren (toebehoren).
Ga als volgt te werk, om handzenders, elektronische sleutels, radiotelegrafische sensoren (bijv. radiotelegrafische bewegingsmelders, radiotelegrafische magneetsensoren – toebehoren) te programmeren:
Naar de programmeermodus schakelen
▶ Deactiveer het alarmsysteem door het indrukken van de toets „openen“.
▶ Open de deur van het voertuig.
Wanneer u geen deur-contactschakelaar hebt aangesloten, verbindt u de gele leiding van de MS660 met een massapunt.
Houd deze verbinding gedurende de totale programmering in stand.
▶ Schakel het contact in.
▶ Druk de toets „COMFORT“ in en houd deze ingedrukt.
▶ Schakel het contact uit.
▶ Laat de toets los.
√ U bevindt zich in de programmeermodus.
√ Als bevestiging knippert de status-LED 10x en brandt daarna continu.

INSTRUCTIE
Als u binnen 10 s geen toets indrukt, verlaat u de programmeermodus weer.
Handzender programmeren
▶ Druk op de toets „COMFORT“ van de handzender.
√ De status-LED gaat uit en de waarde wordt opgeslagen.
√ Als status-LED weer permanent brandt, is de handzender geprogrammeerd en kunt u verder gaan met de volgende.

INSTRUCTIE
Verlaat de programmeermodus pas, als u alle handzenders, elektronische sleutels en radiotelegrafische sensoren geprogrammeerd hebt, die u gebruiken wilt. Handzenders en radiotelegrafische sensoren, die in deze programmeerfase niet geprogrammeerd worden, worden automatisch door het systeem afgemeld. Ze kunnen pas weer gebruikt worden, nadat ze opnieuw geprogrammeerd zijn.
▶ Steek de elektronische sleutel in de sleutelhouder op het dashboard.
√ De status-LED gaat uit en de waarde wordt opgeslagen.
√ Als status-LED weer permanent brandt, is de elektronische sleutel geprogrammeerd en kunt u verder gaan met de volgende.
Radiotelegrafische bewegingsmelders (toebehoren) programmeren
▶ Schakel de bewegingsmelder in met de schakelaar.
√ De rode status-LED op de bewegingsmelder knippert.
√ De bewegingsmelder is geprogrammeerd.
Radiotelegrafische magneetsensor (toebehoren) programmeren
Onderbreek het contact van de magneetsensor (bijv. door het openen van een met de radiotelegrafische sensor beveiligde deur).
√ De rode status-LED op de magneetsensor knippert 1x.
√ De magneetsensor is geprogrammeerd.
PIN-code aflezen
Als alle handzenders en radiotelegrafische sensoren (toebehoren) zijn geprogrammeerd, begint de status-LED na 10 s te knipperen. Deze volgorde geeft de nieuwe, actuele PIN-code weer.
Status-LED knippert 10x, vervolgens 2 s pauze = cijfer 0
Status-LED knippert 1x, vervolgens 2 s pauze = cijfer 1
Status-LED knippert 2x, vervolgens 2 s pauze = cijfer 2
Status-LED knippert 3x, vervolgens 2 s pauze = cijfer 3
Status-LED knippert 4x = cijfer 4
De PIN-code 01234.

INSTRUCTIE
- Noteer deze PIN-code en bewaar hem goed (bijv. aan het einde van deze handleiding, zie pagina 195)!
- De PIN-code verandert bij iedere nieuwe programmering van handzenders.
Programmeermodus verlaten
▶ Schakel het contact in.
▶ Schakel het contact uit.
▶ Als u de gele leiding van de MS660 voor de programmering met een massapunt hebt verbonden, koppelt u deze verbinding los.
▶ Isoleer de gele leiding en berg deze op.
Handzender testen
▶ Test de handzender.
Als een handzender niet werkt, moeten alle handzenders opnieuw worden geprogrammeerd.
11.6 Comfort-sluitfunctie gebruiken
Als het voertuig met een comfortmodule is uitgerust en de softwarefunctie 4 „comfort-sluitfunctie” is geactiveerd, kunt u met de handzender bijv.:
- ramen sluiten
- schuifdak sluiten
- kofferruimte of tankdop vergrendelen
- dimlicht inschakelen
• standverwarming inschakelen
Ga hiervoor als volgt te werk:
Druk op de knop „sluiten“ en houd deze ingedrukt totdat bijv. de ramen van het voertuig compleet zijn gesloten.

INSTRUCTIE
Als alternatief kunt u de aansturing op een vaste duur van 25 s programmeren (softwarefunctie 19, zie hoofdstuk „MagicSafe programmeren“ op pagina 173).
11.7 Alarmbron weergeven
MagicSafe slaat geactiveerde alarmen op. Het geheugen kan de laatste vijf alarmtoestanden weergeven.
Als een alarm is geactiveerd, wordt dit bij het openen van het voertuig aangegeven door een kort knipperen van de knipperlichten (0,5 s).
U kunt ook de alarmbron weergeven:
▶ Deactiveer het alarmsysteem door het indrukken van de toets „openen”.
Druk tegelijkertijd op de toetsen „sluiten“ en „openen“.
√ De status-LED geeft de laatst vijf opgeslagen alarmbronnen weer in de vorm van knippersignalen volgens onderstaande tabel:
| Aantal knippersignalen | Oorzaak van het alarm |
| 1 Spanningsverliessensor | |
| 2 Ultrasone sensoren (binnenruimte) | |
| 3 Deur- / kofferruimte-contactschakelaar | |
| 4 Motorkap-contactschakelaar | |
| 5 Contact | |
| 7 Extra alarmingang | |
| 8 Radiotelegrafische sensor | |
| 9 Batterij in handzender te zwak | |
11.8 Zelfactivering gebruiken
Zelfactivering (fabrieksinstelling is gedeactiveerd) is het automatisch op scherp stellen van het alarmsysteem na het verlaten van het voertuig. Hiervoor moeten het contact uitgeschakeld en de deuren gesloten zijn.
Ga als volgt te werk om de zelfactivering in te stellen:
▶ Programmeer softwarefunctie 7 „zelfactivering“ op „aan“.
√ Het alarmsysteem activeert zichzelf na 10 s, nadat het contact is uitgeschakeld en een deur werd geopend en weer gesloten.

INSTRUCTIE
Als u de zelfactivering ingesteld hebt, sluit de centrale vergrendeling niet de deuren, zodat u niet per ongeluk uit het voertuig gesloten wordt.
11.9 Werkplaatsmodus instellen
U kunt de zogenaamde werkplaatsmodus instellen, bijv. om het voertuig te laten inspecteren of repareren. In de werkplaatsmodus blijven alle opgeslagen instellingen behouden, ook als de verbinding met de accu wordt verbroken.
Ga hiervoor als volgt te werk:
▶ Deactiveer het alarmsysteem.
▶ Sluit alle deuren.
▶ Schakel het contact in.
▶ Druk 3 op de toets „sluiten“ binnen 5 s.
√ De werkplaatsmodus is ingeschakeld.
√ De knipperlichten branden 1x als bevestiging.
Werkplaatsmodus uitschakelen
▶ Druk op de toets „sluiten”.
√ De werkplaatsmodus is uitgeschakeld.
√ De knipperlichten lichten als bevestiging 1x op en de centrale vergrendeling opent.
11.10 Paniekmodus gebruiken
Het alarmsysteem beschikt over een paniekmodus. U kunt met de handzender het alarm activeren als u bijv. aangevallen wordt. Hierdoor kunt u aanvallers afschrikken. Voor deze functie moet het contact zijn uitgeschakeld en het alarmsysteem moet zich in de actieve modus bevinden.
Ga als volgt te werk om de paniekmodus te gebruiken:
▶ Druk 2x kort na elkaar op de toets „sluiten“.
√ De voertuigclaxon of alarmsirene wordt ingeschakeld.
√ Het knipperlicht knippert.
Paniekmodus uitschakelen
▶ Druk op de toets „openen“ van de handzender.
√ De paniekmodus wordt uitgeschakeld.
11.11 Batterijen vervangen
Neem de volgende instructies voor batterijen in acht:

WAARSCHUWING!
Houd de batterijen uit de buurt van kinderen.
- Gebruik alleen lekveilige en voor elektronische toestellen geschikte batterijen.
• Probeer batterijen nooit - opnieuw op te laden,
- te openen of
- i n v u u r t e g o o i e n .
- Voer de oude batterijen op de voorgeschreven wijze af.
Batterij van de handzender vervangen
Als de reikwijdte van de handzender merkbaar vermindert of de controle-LED bij het zenden flikkert, moet de batterij worden vervangen.
▶ Draai de schroef aan de onderkant van de handzender eruit.
▶ Open de handzender.

LET OP!
Let bij het plaatsen van de batterij op de juiste polen. De plus-pool is boven.
▶ Vervang de batterij (batterijtype CR 2032, 3 volt).
Zet de deksel van de handzender er weer op en draai de schroef er weer in.
Batterij in de radiotelegrafische bewegingsmelder (toebehoren) vervangen
Druk de behuizing van de bewegingsmelder aan beide kanten licht in en neem deze af.
▶ Vervang de batterij (blokbatterij 9 volt).
Zet de behuizing weer op de achterwand en laat deze vastklikken.
Batterij in de radiotelegrafische magneetsensor (toebehoren) vervangen
▶ Verwijder de sensor.
▶ Draai de beide schroeven op de achterzijde van de sensor eruit.
▶ Open de sensor.

LET OP!
Let bij het plaatsen van de batterij op de juiste polen. De plus-pool is boven.
▶ Vervang de batterij (batterijtype CR 2032, 3 volt).
Zet de achterzijde van de sensor er weer op en draai de schroeven er weer in.
▶ Bevestig de sensor weer.
12 Storingen zoeken
De reikwijdte van de handzender vermindert.
De batterijen zijn leeg.
U hebt de handzender verloren of de handzender is beschadigd.
▶ Deactiveer het alarmsysteem met behulp van de elektronische sleutel of de PIN-code (zie hoofdstuk „MagicSafe zonder handzender deactiveren“ op pagina 182).
De knipperlichten knipperen binnen 2 s slechts 1x in plaats van 2x, wanneer u het alarmsysteem inschakelt.
Het alarmsysteem waarschuwt u dat er nog een deur of de motorkap/achterklep open is.
▶ Deactiveer het alarmsysteem.
▶ Verhelp de oorzaak van de foutmelding.
▶ Activeer het alarmsysteem weer.
De knipperlichten knipperen slechts kort (0,5 s) in plaats van 1x lang, wanneer u het alarmsysteem inschakelt.
Het alarmsysteem heeft een alarm gegeven.
▶ Lees het alarmgeheugen uit.
Hierdoor vindt u de sensor die het alarm veroorzaakt heeft (zie betreffende tabel in hoofdstuk „Alarmbron weergeven“ op pagina 188).
U hebt het alarmsysteem enkele minuten geleden gedeactiveerd, maar het alarmsysteem is opnieuw gactiveerd.
Mogelijk heeft het alarmsysteem geregistreerd dat u niet in het voertuig gestapt bent en daarom is het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld en zijn de deuren vergrendeld, indien deze functie geprogrammeerd is (softwarefunctie 7 „Zelfactivering”).
▶ Open een deur of de motor-/kofferruimtekap om dit te vermijden.
13 Onderhouden en reinigen

LET OP!
Geen scherpe of harde voorwerpen of reinigingsmiddelen bij het reinigen gebruiken. Dit kan het product beschadigen.
▶ Reinig het product af en toe met een vochtige doek.
14 Garantie
De wettelijke garantieperiode is van toepassing. Als het product defect is, wendt u zich tot het filiaal van de fabrikant in uw land (adressen zie achterkant van de handleiding) of tot uw speciaalzaak.
Voor de afhandeling van de reparatie of garantie dient u het volgende mee op te sturen:
- defecte onderdelen,
- een kopie van de factuur met datum van aankoop,
- reden van de klacht of een beschrijving van de storing.
15 Afvoeren
▶ Laat het verpakkingsmateriaal indien mogelijk recyclen.

Als u het product definitief buiten bedrijf stelt, informeer dan bij het dichtstbijzijnde recyclingcentrum of uw speciaalzaak naar de betreffende afvoervoorschriften.

Bescherm uw milieu!
Accu's en batterijen horen niet thuis in het huishoudelijke afval.
Geef uw defecte of verbruikte of defecte accu's bij de leverancier of bij een verzamelpunt af.
Het alarmsysteem heeft een laag stroomgebruik (< 20 mA). U kunt het voertuig met geactiveerd alarmsysteem meerdere weken parkeren, zonder dat de voertuigaccu leeg raakt.
Besturingstoestel
| Bedrijfsspanning: | 12 V--- (9 - 15 V---) |
| Stroomverbruik: < 20 mA (geactiveerd) | < 7 mA (gedeactiveerd) |
| Bedrijfstemperatuur: -40 °C tot +85 °C | |
| Afmetingen (b x d x h): 105 x 100 x 25 mm | |
Handzender
| Zendfrequentie: 433,992 MHz | |
| Codering: Wisselcodesysteem | |
| Bedrijfsspanning: 3 V | |
| Reikwijdte: tot 20 m | |
| Batterijtype: CR2032, 3 V | |
| Bedrijfstemperatuur: -40 °C tot +85 °C | |
| Afmetingen (b x d x h): 54 x 39 x 12 mm |
Certificaties
Het toestel heeft het e1-certificaat en het R&TTE-certificaat.

A-00 0267
PIN-code
Noteer altijd de actuele PIN-code!
PIN-code PIN-code