DMT4004 - Multimeter Monacor - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis DMT4004 Monacor in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over DMT4004 Monacor
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding DMT4004 - Monacor en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. DMT4004 van het merk Monacor.
GEBRUIKSAANWIJZING DMT4004 Monacor
4.3 Meetleidingen aansluiten . . . . . . . . . . 38
5 Metingen uitvoeren . . . . . . . . . . . . . . 38
5.6 Meting van de capaciteit . . . . . . . . . . . 40
5.7 Meting van de frequentie . . . . . . . . . . 40
5.8 Meting van de relatieve pulsduur . . . . 40
6 Bijkomende functies . . . . . . . . . . . . . 41
6.1 De handmatige bereikselectie . . . . . . 41
6.2 Meetwaarde vasthouden . . . . . . . . . . 41
6.3 Meting van relatieve waarden . . . . . . . 41
7 Zekeringen vervangen . . . . . . . . . . . 41 8 Technische gegevens . . . . . . . . . . . . 42 Op de uitklapbare pagina 3 vindt u een overzicht van de bedieningselementen en de aansluitingen. 1 Overzicht van de bedienings- elementen en aansluitingen 1 Toets RANGE voor de handmatige be- reikselectie 2 Toets Hz% voor het omschakelen tussen frequentiemeting en meting van de rela- tieve pulsduur Als de draaischakelaar (10) op meting van de stroom of spanning is ingesteld, kunt u met de toets Hz% omschakelen naar me- ting van de frequentie en meting van de re- latieve pulsduur en opnieuw terugschake- len naar meting van de stroom of spanning. 3 Toets MODE voor het omschakelen van de meetfunctie (b.v. meting van gelijk- of wis- selstroom, diodetest of doorgangsmeting) 4 Jack 10 A voor het rode meetsnoer voor het meten van de stroom 400 mA – 10A 5 Jack µA/mA voor het rode meetsnoer voor het meten van de stroom tot max. 400 mA 6 Display 7 Toets HOLD voor het vasthouden van een meetwaarde 8 Toets REL voor het meten van relatieve waarden 9 Toets voor de displayverlichting: Om in te schakelen, houdt u de toets 2 se- conden ingedrukt; druk opnieuw op de toets om uit te schakelen. 10 Draaischakelaar voor het selecteren van de meetfunctie 11 Jack V Ω CAP Hz% voor het rode meet- snoer voor alle metingen die geen stroom- metingen zijn 12 Jack COM voor het zwart meetsnoer 13 Afdekhuls (2 stuks): Bij buitengebruik moe- ten deze in beide ongebruikte meetjacks (4, 5, 11) worden gestoken, zodat het ap- paraat beschermd is conform de beveili- gingsklasse IP 67.
B2 Veiligheidsvoorschriften Het apparaat is in overeenstemming met alle relevante EU-Richtlijnen en is daarom geken- merkt met . Let eveneens op het volgende:
Bij het gebruik van de afdekhulzen (13) is het apparaat conform IP 67 beschermd en kan het ook buiten worden gebruikt. Vermijd echter uitzonderlijk koude en warme plaat- sen (toegestaan omgevingstemperatuurbe- reik: 0 – 50°C).
Verwijder het vuil van de behuizing alleen met een zachte evt. licht bevochtigde doek. Gebruik zeker geen chemicaliën of schuur- middelen.
Als de geldende veiligheidsvoorschriften bij het gebruik met spanningen boven 42 V niet worden nageleefd of in geval van ongeoor- loofd of verkeerd gebruik, foutieve aanslui- ting, verkeerde bediening, overbelasting of van herstelling door een niet-gekwalificeerd persoon vervalt de garantie en de aanspra- kelijkheid voor hieruit resulterende materi- ële of lichamelijke schade. 3 Toepassingen Deze automatische digitale multimeter met een 29 mm groot LCD-display (weergave tot 4000) dient voor het meten van: – spanningen tot 1000 V /~ – stroomwaarden tot 10 A /~ – frequenties tot 10 MHz – weerstandswaarden tot 40 MΩ – capaciteiten tot 200 µF Bovendien kunt u de relatieve pulsduur van elektrische signalen en de doorlaatspanning van dioden meten. Voor de doorgangsmeting is een zoemer beschikbaar. 4 Ingebruikneming
1) Voor het inschakelen van het instrument,
plaatst u de draaischakelaar (10) van stand OFF naar de gewenste functie. Mochten er op het display (6) geen gegevens verschij- nen, breng dan een batterij aan (
2) Klap de opstellingsbeugel aan de achter-
zijde evt. open voor een betere afleesstand.
3) Plaats de draaischakelaar na gebruik weer
in de stand OFF. Het apparaat schakelt ook automatisch uit, als het 15 minuten lang niet wordt gebruikt. Eén minuut voordat het apparaat automa- tisch uitschakelt, weerklinken vijf korte sig- naaltonen, bij het uitschakelen een langere toon. Om opnieuw in te schakelen, drukt u op een toets of beweegt u de draaischakelaar.
4.1 De batterij aanbrengen
of vervangen Als er na het inschakelen geen gegevens ver- schijnen op het display (6) of als het symbool links op het display een verbruikte batterij aan- geeft, moet u een 9 V-blokbatterij aanbrengen resp. de batterij vervangen.
1) Klap aan de achterzijde de opstellingsbeugel
omhoog en verwijder beide middelste schroe- ven voor het deksel van het batterijvakje.
2) Neem het deksel weg en breng een 9 V-blok -
batterij aan zoals aangegeven in het vak.
3) Sluit het batterijvak weer af.
Als de detector voor een langere periode niet ge- bruikt wordt, moet u de batterijen eruit nemen. Zo vermijdt u dat het apparaat eventueel wordt beschadigd door uitlopen van de batterij. Wanneer het apparaat definitief uit be- drijf wordt genomen, bezorg het dan voor milieuvriendelijke verwerking aan een plaatselijk recyclagebedrijf. Geef lege of defecte batterijen niet met het gewone huisvuil mee, maar verwijder ze als KGA (bijvoorbeeld de inzamelbox in de ge- specialiseerde elektrozaak). WAARSCHUWING Met dit apparaat kunnen levensgevaarlijke span- ningen worden gemeten. Bij het meten van span- ningen vanaf 42 V dient u uiterst zorgvuldig te werk te gaan!
1. Draag veiligheidshandschoenen als be-
scherming tegen elektrische schokken.
2. Let er bij het aanbrengen van de meetcon-
tacten op dat u uw vingers achter de af- schuifbeveiliging plaatst.
3. Bij beschadigingen van het meettoestel of
de meetsnoeren mag u geen metingen uit- voeren. Beschadigde meetsnoeren moe- ten door originele meetsnoeren worden vervangen.
B4.2 Sticker OPGELET! aanbrengen Bij het apparaat worden stic- kers geleverd met instructies in acht talen. Kleef de sticker met de instructies in uw taal op de hiervoor voorziene plaats op het deksel van het batterijvakje!
4.3 Meetleidingen aansluiten
Het instrument is uitgerust met vier meetjacks:
1. De jack COM (12) is voor alle metingen de
gemeenschappelijke (
) jack. Verbind het zwarte meetsnoer met deze jack.
2. De jack V Ω CAP Hz% (11) is voor alle
metingen de gemeenschappelijke (+) jack, behalve bij stroommetingen. Verbind het rode meetsnoer met deze jack.
3. Voor stroommetingen tot 400 mA moet het
rode meetsnoer met de jack µA/mA (5) wor- den verbonden.
4. Voor stroommetingen tussen 400 mA en
10 A moet het rode meetsnoer met de jack 10A (4) worden verbonden. BELANGRIJK! Als het meettoestel buiten wordt gebruikt, moeten de bijgeleverde afdek- hulzen (13) in de twee ongebruikte meetjacks worden geplugd. Pas dan is het apparaat be- schermd conform de beveiligingsklasse IP 67. 5 Metingen uitvoeren Haal de meetpennen van het meetobject, alvo- rens naar een andere meetfunctie om te scha- kelen. Anders kan het instrument worden be- schadigd!
5.1 Meting van de spanning
1) Plaats de draaischakelaar (10) in de stand
V. Na het inschakelen is steeds de modus
Meting van gelijkspanning geselecteerd: op het display (6) verschijnt links bovenaan de melding “DC” . Voor het meten van wissel- spanningen schakelt u met de toets MODE (3) naar de weergave “AC”. Met de toets MODE kunt u ook weer terugschakelen naar de meting van gelijkspanning.
2) Het rode meetsnoer moet op de jack V Ω
CAP Hz% (11) zijn aangesloten. Opgelet! Het meetsnoer mag niet verbon- den zijn met de jack 10A (4) of µA/mA (5), anders bestaat er gevaar op beschadiging van het instrument of het meetobject.
3) Houd de meetpennen op het meetobject en
lees de waarde af op het display. Als bij het meten van gelijkspanning de rode meetpen met de negatieve pool en de zwarte meet- pen met de positieve pool is verbonden, dan verschijnt op het display een minteken vóór de gemeten waarde.
4) Tijdens het meten van wisselspanning kunt
u met de toets Hz% (2) naar de meting van de frequentie en van de relatieve pulsduur omschakelen. De ingangsgevoeligheid is echter niet zo hoog en het frequentiebereik is niet zo groot als bij een meting in de draai- schakelaarstand Hz%: Meetbereik Gevoeligheid Frequentiebereik 4V~ ≥ 1,5 V~ 5 Hz – 10 kHz 40 V~, 400 V~ ≥ 10 V~ 5 Hz – 20 kHz ≥ 20 V~ 5 Hz – 200 kHz 1000 V~ ≥ 420 V~ 50 Hz – 1 kHz WAARSCHUWING Houd rekening met on- voor ziene spanningen op meetobjecten. Condensa- toren bijvoorbeeld kunnen zelfs bij uitgeschakelde spanningsbron onder ge- vaarlijke spanning staan.
Met dit instrument mag u geen metingen uitvoeren in stroomkringen met coronaont- ladingen (hoogspanning). Levensgevaar!
De maximaal te meten spanning mag niet meer dan 1000 V¿/~ bedragen. Anders dreigt er levensgevaar voor de gebruiker! WAARSCHUWING Het meten van stroom- kringen met een span- ning van meer dan 42 V mag uitsluitend worden uitgevoerd door perso- nen die de gevaren bij contact kennen en ge- paste veiligheidsmaatregelen kunnen treffen. Zorg ervoor dat u bij metingen met contact- gevaar nooit alleen werkt. Vraag om een tweede persoon. Voedingsspanning:1 x 9 V-blokbatterijOm het gevaar van een elek-trische schok te vermijden,moeten de meetpennen vande aansluitjacks en de meet-punten worden afgehaald,alvorens de behuizing teopenen.Als bescherming tegen over-spanningen en brandgevaarzijn er zekeringen ingebouwd.Vervang defecte zekeringenalleen door zekeringen vanhetzelfde type! F 10 AH / 1000 V F 500 mAH / 1000 V OPGELET!
BOm terug naar het meten van de wisselspan- ning te schakelen, drukt u een- of tweemaal op de toets Hz%, zodat op het display opnieuw “AC” en “V” wordt weergegeven.
5.2 Meting van de stroom
De te meten stroom mag niet meer dan 10 A bedragen!
Stroomwaarden tussen 1 A en 10 A mogen niet langer dan 30 seconden worden geme- ten. Anders kunt u het instrument en de meetsnoeren beschadigen.
1) Voor metingen tot 400 mA sluit u het rode
meetsnoer aan op de jack µA/mA (5) en voor metingen van 400 mA tot 10 A op de jack 10A (4). Bij onbekende stroomwaarden begint u de meting uit voorzichtigheid met het 10 A-bereik. Opgelet! Voer in geen geval een span- ningsmeting uit, als het meetsnoer met de jack µA / mA of 10A is verbonden. Het meet- toestel en de spanningsbron kunnen im- mers worden beschadigd.
2) Plaats de draaischakelaar (10) naargelang
de te meten stroom in de volgende stand:
3) Na inschakelen is steeds de modus Meting
van gelijkstroom geselecteerd: op het dis- play (6) verschijnt links bovenaan de mel- ding “DC” . Voor het meten van wissel- stroom schakelt u met de toets MODE (3) naar de weergave “AC” om. Met de toets MODE kunt u ook weer terugschakelen naar de meting van gelijkstroom.
4) Sluit het meettoestel via de meetsnoeren
aan op de te meten stroomkring en lees de meetwaarde af op het display. Als bij het meten van gelijkstroom de rode meetpen met de negatieve pool en de zwarte meet- pen met de positieve pool is verbonden, dan verschijnt op het display een minteken vóór de gemeten waarde. Als de meetstroom in een meetbereik de toegestane waarde overschrijdt, weerklin- ken waarschuwingssignalen, en op het dis- play verschijnt de melding “OL.” (overload = overbelasting). Selecteer het volgende ho- gere bereik.
5) Tijdens een meting van de wisselstroom kan
met de toets Hz% (2) naar het meten van de frequentie en van de relatieve pulsduur wor- den omgeschakeld. De ingangsgevoelig- heid is echter niet zo hoog en het frequen- tiebereik is niet zo groot als bij een meting in de draaischakelaarstand Hz%: Om terug te schakelen naar het meten van wisselstroom, drukt u een- of tweemaal op de toets Hz%, zodat op het display opnieuw “AC” en “A”, “mA” of “µA” wordt weergegeven.
5.3 Meting van de weerstand
Zorg dat er geen spanning aanwezig is bij het meten van een weerstand, en meet deze steeds afzonderlijk. Anders is de meting on- juist. Hiervoor moet de weerstand mogelijk uit de schakeling losgesoldeerd worden. Plaats de draaischakelaar (10) in de stand Ω en houd de meetpennen tegen de weerstand. Lees de weerstandswaarde af op het display. Zolang er geen weerstand tussen de meetpen- nen bestaat of de meetpunten niet zijn kortge- sloten, geeft het display met “OL.” een onein- dige waarde aan.
Met de doorgangszoemer stelt u kabelonder- brekingen vast.
Voer een doorgangsmeting nooit door als er nog spanning aanwezig is. Het instrument kan worden beschadigd en de meting is on- juist.
1) Plaats de draaischakelaar (10) in de stand
. Boven op het display wordt het symbool voor diodemeting weergegeven.
2) Schakel met de toets MODE (3) om naar de
doorgangsmeting. Boven op het display wordt het zoemersymbool weergegeven .
3) Houd de meetpennen op de betreffende
Bde wordt tot 400 Ω op het display weergege- ven. Bij hogere waarden verschijnt de over- belastingsmelding “OL.”
Zorg dat er geen spanning aanwezig is bij het meten van een diode, en meet deze steeds afzonderlijk. Anders is de meting on- juist. Hiervoor moet de diode mogelijk uit de schakeling losgesoldeerd worden. Plaats de draaischakelaar (10) in de stand . Boven op het display wordt het symbool voor diodemeting weergegeven. Als u de meetpennen tegen de diode in doorlaatrichting houdt, wordt de doorlaatspanning tot 0,999 V weergegeven. Hierbij is de rode meetpen ver- bonden met de positieve pool van de meet- stroom (ca. 0,3 mA). Bij kortsluiting van de diode wordt een waarde in de buurt van 0 V weergegeven. Als “OL.” op het display verschijnt, is de doorlaat- spanning van de diode groter dan 1 V (b.v. LEDʼs) of is de diode onderbroken, in sperrich- ting aangesloten (diode ompolen) of is er geen contact met de meetpennen.
5.6 Meting van de capaciteit
Met de DMT-4004 kunnen condensatoren met een capaciteit tot 200 µF worden gemeten. Plaats de draaischakelaar (10) in de stand CAP en houd de condensator tegen de meet- pennen. De meetprocedure kan enkele secon- den in beslag nemen, zodat de correcte meet- waarde pas na een tijdje wordt weergegeven. Als de capaciteit groter is dan 200 µF, wordt “OL.” weergegeven voor het overschrijden van het meetbereik.
5.7 Meting van de frequentie
Met het apparaat kunt u frequenties tot 10 MHz meten. De gevoeligheid bedraagt: Plaats de draaischakelaar (10) in de stand Hz%. Houd de meetpennen op de meetpunten en lees de frequentie af op het display. In het wisselspanningsbereik en in de wis- selstroombereiken is eveneens een meting van de frequentie mogelijk (
hoofdstuk 5.1 en 5.2).
5.8 Meting van de relatieve pulsduur
Met het instrument kunt u de relatieve pulsduur in % meten. De relatieve pulsduur geeft de ver- houding weer tussen de positieve signaal- sterkte en de pulsperiodeduur, b.v.: Meetbereik: . . . . . . 0,1 % bis 99,9 % Gevoeligheid: . . . . . < 0,5 V~ Frequentiebereik: . . 5 Hz – 150 kHz De positieve signaalsterkte moet 100 µs– 100 ms duren.
1) Plaats de draaischakelaar in de stand Hz%.
De meting van de frequentie is ingescha- keld.
2) Schakel met de toets Hz% (2) naar de me-
ting van de relatieve pulsduur. Rechts op het display wisselt de weergave “Hz” naar
3) Houd de meetpennen op de meetpunten en
lees de relatieve pulsduur af op het display.
4) Druk opnieuw op de toets Hz% om terug te
schakelen naar de meting van de frequen- tie. In het wisselspanningsbereik en in de wissel- stroombereiken is eveneens een meting van de relatieve pulsduur mogelijk (
6,5msx 100% = 65% 10ms Frequentie Gevoeligheid ≤ 1 MHz < 0,5 V~ > 1 MHz > 3 V~ WAARSCHUWING Meet een condensator nooit in geladen toestand of aangesloten bedrijfs- spanning. Anders loopt u het risico van een elektri- sche schok. Bovendien is de meting foutief. Schakel de voedingsspanning uit en ontlaad de condensator. Pas dan kunt u de conden- sator uit de schakeling lossolderen.
B6 Bijkomende functies
6.1 De handmatige bereikselectie
Het meetbereik voor een meetfunctie is steeds automatisch optimaal ingesteld, als links bo- venaan het display de melding “AUTO” staat.
1) Druk op de toets RANGE (1) om een auto-
matisch geselecteerd bereik vast te houden. De melding “AUTO” verdwijnt van het dis- play.
2) Telkens u op de toets RANGE drukt, wordt
naar een volgend hoger bereik geschakeld. Hierdoor neemt de resolutie van de geme- ten waarde af, maar wordt evenwel verhin- derd dat de meter continu omschakelt, wan- neer de gemeten waarde tussen twee berei- ken schommelt. Als het hoogst mogelijke meetbereik is bereikt, schakelt u weer naar het kleinste bereik, als u nogmaals op de toets drukt. Als u een te laag bereik hebt geselecteerd, wordt “OL.” (overload = overbelast) weerge- geven.
3) Om terug te schakelen naar de automati-
sche bereikselectie, houdt u de toets RANGE ca. 2 seconden ingedrukt tot op het display opnieuw de melding “AUTO” ver- schijnt, of tot u met de draaischakelaar (10) een andere meetfunctie selecteert.
6.2 Meetwaarde vasthouden
U kunt een meetwaarde die op het display wordt weergegeven, vasthouden om b.v. de waarde beter te kunnen aflezen nadat u de meetpennen van het meetobject hebt afgeno- men. Druk hiervoor op de toets HOLD (7). Bo- venaan het display verschijnt de melding “HOLD”. Om naar de huidige meetwaarde terug te schakelen, schakelt u de functie met de toets HOLD opnieuw uit (“HOLD” gaat uit). De func- tie is ook uitgeschakeld, als met de draaischa- kelaar (10) een andere meetfunctie wordt ge- selecteerd.
6.3 Meting van relatieve waarden
Ten opzichte van een bepaalde meetwaarde kunnen resulterende afwijkingen worden weer- gegeven. De functie kan bij het meten van stroom, spanning, weerstand en capaciteit worden ingeschakeld.
1) Voer een meting uit. Bij weergave van de
gewenste referentiewaarde drukt u op de toets REL (8). Bovenaan het display ver- schijnt de melding “REL”. De functie kan niet worden ingeschakeld, als op het display de melding “OL.” staat.
2) Als de meetwaarde wijzigt, wordt de afwij-
king ten opzichte van de referentiewaarde weergegeven. De automatische bereikselectie is uitge- schakeld bij het meten van de relatieve waarden. Zodra het meetbereik wordt over- schreden, verschijnt op het display de mel- ding “OL.”.
3) Om de meting van relatieve waarden onge-
daan te maken, drukt u opnieuw op de toets REL. Druk zo nodig opnieuw op de toets RANGE om de automatische bereikselectie te activeren (houd de toets RANGE ca. 2 se- conden ingedrukt). Door het omschakelen naar een meetfunctie wordt de meting van relatieve waarden eveneens uitgeschakeld. 7 Zekeringen vervangen Als het meten van stroomwaarden niet moge- lijk is, moet u de interne zekeringen controle- ren en door gekwalificeerd personeel laten ver- vangen.
1) Draai de zes schroeven voor plaat van de
behuizing (twee schroeven bevinden zich onder de opstellingsbeugel) en neem de plaat van de behuizing weg.
2) Vervang defecte zekeringen alleen door ze-
keringen van hetzelfde type: µA- und mA-bereik: F500 mAH/1000 V 10 A-bereik: F10 AH/1000 V
3) Schroef de plaat van de behuizing opnieuw
vast. Neem het instrument pas dan opnieuw in gebruik. WAARSCHUWING Haal de meetpennen van de meetpunten en ver- breek de verbinding met de aansluitjacks, alvo- rens de behuizing te ope- nen. Anders loopt u het ri- sico van een elektrische schok.
Deze gebruiksaanwijzing is door de auteurswet beschermde eigendom van MONACOR
- INTERNATIONAL GmbH & Co. KG. Een reproductie – ook gedeeltelijk – voor eigen commerciële doeleinden is verboden.Contenidos 1 Elementos de Funcionamiento y Conexiones p. 44
- 2 Notas de Seguridad p. 45
- 3 Aplicaciones p. 45
- 4 Funcionamiento p. 45
SimpelGids