STIHL SR 450 - Blazer

SR 450 - Blazer STIHL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis SR 450 STIHL in PDF-formaat.

📄 136 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice STIHL SR 450 - page 70
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE Italiano IT Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : STIHL

Model : SR 450

Categorie : Blazer

Download de handleiding voor uw Blazer in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SR 450 - STIHL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SR 450 van het merk STIHL.

GEBRUIKSAANWIJZING SR 450 STIHL

  • 12 Doseerinrichting p. 86
  • 13 Verstuif- en strooistand p. 88
  • 14 Spuitmiddelreservoir vullen p. 91
  • 15 Werken p. 92
  • 16 Na de werkzaamheden p. 93
  • 17 Apparaat opslaan p. 93
  • 18 Luchtfilter vervangen p. 94
  • 19 Carburateur afstellen p. 94
  • 20 Bougie p. 95
  • 21 Motorkarakteristiek p. 96
  • 22 Onderhouds- en reinigingsvoorschriften p. 96
  • 23 Slijtage minimaliseren en schade voorko‐ men p. 98
  • 24 Belangrijke componenten p. 99
  • 25 Technische gegevens p. 99
  • 26 Reparatierichtlijnen p. 101
  • 27 Milieuverantwoord afvoeren p. 102
  • 28 EU-conformiteitsverklaring p. 102
  • 29 UKCA-conformiteitsverklaring Geachte cliënt(e), Het doet ons veel genoegen dat u hebt gekozen voor een kwaliteitsproduct van de firma STIHL. Dit product werd met moderne productiemetho‐ den en onder uitgebreide kwaliteitscontroles gefabriceerd. Er is ons alles aan gelegen dat u tevreden bent met dit apparaat en er probleem‐ loos mee kunt werken. Wendt u zich met vragen over uw apparaat tot uw dealer of de importeur. Met vriendelijke groet, Dr. Nikolas Stihl 1 Met betrekking tot deze handleiding p. 102

Symbolen die op het apparaat zijn aangebracht worden in deze handleiding toegelicht. Afhankelijk van het apparaat en de uitrusting kunnen de volgende symbolen op het apparaat zijn aangebracht. Benzinetank; brandstofmengsel van benzine en motorolie Hand-benzinepomp bedienen Spuit-, vernevelstand Nederlands 0458-454-9421-F 69 © ANDREAS STIHL AG & Co. KG 2022 0458-454-9421-F. VA0.M21. Gedrukt op chloorvrij gebleekt papier. Drukinkten bevatten plantaardige olie, papier is recyclebaar. Originele handleiding 0000001876_018_NLVerstuif- en strooistand Spuitmiddeltoevoer

1.2 Codering van tekstblokken

WAARSCHUWING Waarschuwing voor kans op ongevallen en letsel voor personen alsmede voor zwaarwegende materiële schade. LET OP Waarschuwing voor beschadiging van het appa‐ raat of afzonderlijke componenten.

1.3 Technische doorontwikkeling

STIHL werkt continu aan de verdere ontwikkeling van alle machines en apparaten; wijzigingen in de leveringsomvang qua vorm, techniek en uit‐ rusting behouden wij ons daarom ook voor. Aan gegevens en afbeeldingen in deze handlei‐ ding kunnen dan ook geen aanspraken worden ontleend. 2 Veiligheidsaanwijzingen en werktechniek Er zijn extra veiligheidsmaatregelen nodig bij het werken met het appa‐ raat. De gehele gebruiksaanwijzing voor de eerste ingebruikneming aandach‐ tig doorlezen en voor later gebruik goed opbergen. Het veronachtzamen van de gebruiksaanwijzing kan tot levensgevaarlijke situaties leiden. De nationale veiligheidsvoorschriften, bijv. van beroepsgroepen, sociale instanties, arbeidsin‐ spectie en andere in acht nemen. Wie voor het eerst met het apparaat werkt: door de verkoper of door een andere deskundige laten uitleggen hoe men hiermee veilig kan wer‐ ken – of deelnemen aan een cursus. Minderjarigen mogen niet met het apparaat wer‐ ken – behalve jongeren boven de 16 aar die onder toezicht leren met het apparaat te werken. Kinderen, huisdieren en toeschouwers op afstand houden. Als het apparaat niet wordt gebruikt, het appa‐ raat zo neerzetten dat niemand in gevaar kan worden gebracht. Het apparaat zo opbergen dat onbevoegden er geen toegang toe hebben. De gebruiker is verantwoordelijk voor ongevallen die andere personen of hun eigendommen over‐ komen, resp. voor de gevaren waaraan deze worden blootgesteld. Het apparaat alleen meegeven of uitlenen aan personen die met dit model en het gebruik ervan vertrouwd zijn – altijd de handleiding meegeven. Het gebruik van geluid producerende motorappa‐ raten kan door nationale en ook plaatselijke, lokale voorschriften tijdelijk worden beperkt. Het apparaat alleen dan in gebruik nemen als alle componenten in goede staat verkeren. Vooral op lekkage van het spuitmiddelreservoir letten. Het apparaat alleen compleet gemonteerd gebruiken. Voor het reinigen van het apparaat geen hoge‐ drukreiniger gebruiken. Door de harde waters‐ traal kunnen onderdelen van het apparaat wor‐ den beschadigd.

2.1 Lichamelijke gesteldheid

Wie met het apparaat werkt moet goed uitgerust en gezond zijn en een goede lichamelijke condi‐ tie hebben. Wie zich om gezondheidsredenen niet mag inspannen, moet zijn arts raadplegen of het werken met een motorapparaat mogelijk is. Alleen voor dragers van een pacemaker: het ont‐ stekingsmechanisme van dit apparaat genereert een zeer gering elektromagnetisch veld. Beïn‐ vloeding van enkele typen pacemakers kan niet geheel worden uitgesloten. Ter voorkoming van gezondheidsrisico's adviseert STIHL de behan‐ delend arts en de fabrikant van de pacemaker te raadplegen. Na gebruik van alcohol, medicijnen die het reac‐ tievermogen beïnvloeden of drugs mag niet met het apparaat worden gewerkt.

De rugnevelspuit is geschikt voor vlak boven de grond vernevelen van vloeistoffen tegen schim‐ melvorming en aantasting door ongedierte en voor de onkruidbestrijding. Bij apparaten met gemonteerde drukpomp zijn werkzaamheden Nederlands 2 Veiligheidsaanwijzingen en werktechniek 70 0458-454-9421-Fboven het hoofd mogelijk. Deze worden vooral gebruikt in de fruit- en groenteteelt, de wijn- en akkerbouw, tuinbouw, kwekerijen voor sierplan‐ ten, grasland en de bosbouw. Alleen die plantenbeschermingsmiddelen ver‐ werken die voor het gebruik met draagbare spuit‐ apparatuur zijn vrijgegeven. Het gebruik van het apparaat voor andere doel‐ einden is niet toegestaan en kan leiden tot onge‐ lukken of schade aan het apparaat. Geen wijzi‐ gingen aan het product aanbrengen – ook dit kan leiden tot ongelukken of defecten aan het appa‐ raat. Extra bij SR 450 In de verstuif- en strooistand kan het plantenbe‐ schermingsmiddel in poedervorm of als droog granulaat over een breed vlak worden verspreid. Alleen die plantenbeschermingsmiddelen ver‐ werken die voor het gebruik met draagbare ver‐ stuif- en strooiapparatuur zijn vrijgegeven.

2.3 Toebehoren en onderdelen

Alleen die onderdelen of toebehoren monteren die door STIHL voor dit apparaat zijn vrijgegeven of technisch gelijkwaardige onderdelen. Bij vra‐ gen hierover contact opnemen met een geautori‐ seerde dealer. Alleen hoogwaardige onderdelen of toebehoren monteren. Als dit wordt nagelaten, is er kans op ongelukken of schade aan de apparaat. STIHL adviseert originele STIHL onderdelen en toebehoren te monteren. Deze zijn qua eigen‐ schappen optimaal op het product en de eisen van de gebruiker afgestemd. Geen wijzigingen aan het apparaat aanbrengen – uw veiligheid kan hierdoor in gevaar worden gebracht. Voor persoonlijke en materiële schade die door het gebruik van niet-vrijgegeven aan‐ bouwapparaten wordt veroorzaakt, is STIHL niet aansprakelijk.

2.4 Kleding en uitrusting

De voorgeschreven kleding en uitrusting dragen bij het werken met, het vullen en reinigen van het apparaat. De instructies voor de veiligheid in de handleiding van het plantenbeschermingsmiddel opvolgen. Met plantenbeschermingsmiddelen in aanraking gekomen kleding direct verwisselen. De nauwsluitende kleding mag tijdens het werk niet hinderen. Bij sommige plantenbeschermings‐ middelen moet een vloeistofdicht vei‐ ligheidspak worden gedragen. Bij werkzaamheden boven het hoofd bovendien een vloeistofdicht hoofddeksel dragen. Geen kleding, sjaal, das, sieraden dragen die in de luchtaanzuigopening kunnen worden getrokken. Lang haar in een paardenstaart binden en dus‐ danig vastmaken, dat het zich boven de schouders bevindt. Vloeistofdichte en plantenbescher‐ mingsmiddelbestendige veiligheids‐ laarzen met stroeve zool dragen. Nooit blootsvoets of met sandalen werken. WAARSCHUWING Om de kans op oogletsel te reduce‐ ren een nauw aansluitende veilig‐ heidsbril volgens de norm EN 166 dragen. Erop letten dat de veilig‐ heidsbril goed zit. Een geschikte mondkap dragen. "Persoonlijke" gehoorbescherming dragen – zoals bijv. oorkappen. Het inademen van plantenbeschermingsmidde‐ len kan schadelijk zijn voor de gezondheid. Om gezondheidsrisico's of allergische reacties te voorkomen een geschikte mondkap dragen. Op de aanwijzingen van het plantenbeschermings‐ middel en de nationale veiligheidsvoorschriften, bijv. van beroepsgroepen, sociale instanties, de arbeidsinspectie en andere letten. Vloeistofdichte en plantenbescher‐ mingsmiddelbestendige handschoe‐ nen dragen.

2.5 Omgang met plantenbescher‐

mingsmiddelen Voor ieder gebruik de gebruikshandleiding van het plantenbeschermingsmiddel lezen. De aan‐ wijzingen voor het mengen, het gebruik, de per‐ soonlijke veiligheidsuitrusting, het opslaan en het milieuverantwoord afvoeren opvolgen. De wettelijke voorschriften met betrekking tot de omgang met plantenbeschermingsmiddelen aan‐ houden. 2 Veiligheidsaanwijzingen en werktechniek Nederlands 0458-454-9421-F 71Plantenbeschermingsmiddelen kunnen bestand‐ delen bevatten die schadelijk zijn voor mensen, dieren, planten en het milieu – kans op vergifti‐ ging en levensgevaarlijk letsel! Plantenbeschermingsmiddelen mogen alleen door die personen worden gebruikt die een cur‐ sus hebben gevolgd voor de omgang met plan‐ tenbeschermingsmiddelen en bekend zijn met de betreffende maatregelen voor eerstehulpverle‐ ning. De gebruikshandleiding of het etiket van het plantenbeschermingsmiddel altijd bij de hand houden om in geval van nood de arts direct over het plantenbeschermingsmiddel te kunnen infor‐ meren. In geval van nood de aanwijzingen op het etiket of in de gebruikshandleiding van het plantenbeschermingsmiddel opvolgen.

2.5.1 Plantenbeschermingsmiddel mengen

De plantenbeschermingsmiddelen alleen aan de hand van de gegevens van de producent men‐ gen – door verkeerde mengverhoudingen kun‐ nen giftige dampen of een explosief mengsel ontstaan.

Vloeibaar plantenbeschermingsmiddel nooit onverdund vernevelen

Het spuitmiddel alleen in de open lucht of in goed geventileerde ruimten bijvullen

Slechts zoveel spuitmiddel voorbereiden als nodig is, om resthoeveelheden te voorkomen

Bij het mengen van de verschillende planten‐ beschermingsmiddelen de instructies in de gebruikshandleiding opvolgen – door ver‐ keerde mengverhoudingen kunnen giftige dampen of explosieve mengsels ontstaan

Verschillende plantenbeschermingsmiddelen alleen met elkaar vermengen als deze door de fabrikant hiervoor zijn vrijgegeven

Het plantenbeschermingsmiddel alleen in de open lucht of in goed geventileerde ruimten bijvullen

Het apparaat zo op een vlakke ondergrond plaatsen dat dit niet kan omvallen – het spuit‐ middelreservoir niet tot boven het max.-merk‐ teken vullen

Het apparaat bij het vullen niet op de rug dra‐ gen – kans op letsel!

Slechts zoveel plantenbeschermingsmiddel voorbereiden als nodig is, om resthoeveelhe‐ den te voorkomen

Afsluiterhendel en bij de SR 450 bovendien de doseerhendel voor het vullen dicht zetten

Bij het vullen via het waterleidingnet de vul‐ slang niet in de te vernevelen vloeistof steken – onderdruk in het leidingsysteem zou de te vernevelen vloeistof in het waterleidingsys‐ teem kunnen zuigen

Voor het vullen met het spuitmiddel eerst een test uitvoeren met schoon water en de druk‐ spuit controleren op lekkage

De dop van het spuitmiddelreservoir na het vullen goed vastdraaien

Alleen in de buitenlucht of in zeer goed geven‐ tileerde ruimten, bijv. open kassen, werken

Tijdens de werkzaamheden met plantenbe‐ schermingsmiddelen, deze niet inhaleren en niet eten, roken en drinken

Sproeiers en andere kleine onderdelen nooit met de mond uitblazen

Contact met plantenbeschermingsmiddelen voorkomen – met plantenbeschermingsmiddel vervuilde kleding direct verwisselen

Alleen werken als het windstil is Ongunstige weersomstandigheden kunnen tot verkeerde concentratie van het plantenbescher‐ mingsmiddel leiden. Overdosering kan leiden tot schade aan planten en milieu. Een te lage dose‐ ring kan leiden tot het uitblijven van resultaten. Om schade aan het milieu en planten te voorko‐ men, het apparaat nooit gebruiken:

Bij direct zonlicht Om schade aan het apparaat en ongelukken te voorkomen, het apparaat nooit gebruiken met:

Bijtende en zuurhoudende middelen

Vloeistoffen die warmer zijn dan 50 °C

Bij een werkonderbreking het apparaat niet blootstellen aan direct zonlicht en warmtebron‐ nen

Spuitmiddelen nooit langer dan een dag in het spuitmiddelreservoir bewaren

Plantenbeschermingsmiddelen alleen in hier‐ voor goedgekeurde flessen/blikken opslaan en transporteren

Plantenbeschermingsmiddel niet opslaan in flessen/blikken bestemd voor levensmiddelen, drank en voedermiddelen Nederlands 2 Veiligheidsaanwijzingen en werktechniek 72 0458-454-9421-F– Plantenbeschermingsmiddel niet opslaan in de nabijheid van levensmiddelen, drank en voe‐ dermiddelen

Plantenbeschermingsmiddel uit de buurt hou‐ den van kinderen en dieren

Het apparaat afgetapt en schoongemaakt opbergen

Plantenbeschermingsmiddel en apparaat zo opbergen, dat onbevoegden hier geen toe‐ gang toe hebben

Plantenbeschermingsmiddel en apparaat droog en vorstvrij opbergen

2.5.5 Milieuverantwoord afvoeren

De resten van het plantenbeschermingsmiddel en de spoelvloeistoffen van het apparaat niet in open water, afvoeren, sloten, greppels en goten en drainagesystemen laten stromen.

Resten en gebruikte reservoirs volgens de plaatselijke voorschriften voor afval milieube‐ wust afvoeren

2.6 Apparaat vervoeren

Altijd de motor afzetten. Bij vervoer in voertuigen:

Het apparaat zo beveiligen dat het niet kan omvallen, worden beschadigd en er ook geen benzine uit kan lopen

Het spuitmiddelreservoir moet leeg en schoon zijn

Benzine is bijzonder licht ontvlambaar – uit de buurt blijven van open vuur – geen benzine morsen – niet roken. Voor het tanken de motor afzetten. Niet tanken zolang de motor nog heet is – de benzine kan overstromen – brandgevaar! Het apparaat voor het tanken van de rug nemen. Alleen tanken als het stabiel op de grond staat en niet kan kantelen. De tankdop voorzichtig losdraaien, zodat de heersende overdruk zich langzaam kan afbou‐ wen en er geen benzine uit de tank kan spuiten. Uitsluitend op een goed geventileerde plek tan‐ ken. Als er benzine werd gemorst, het motorap‐ paraat direct schoonmaken – de kleding niet in aanraking laten komen met de benzine, anders direct andere kleding aantrekken. Op lekkages letten! Als er benzine weglekt de motor niet starten – levensgevaar door verbranding! Tank-schroefdop Na het tanken de schroef-tankdop zo vast mogelijk aandraaien. Hierdoor wordt het risico verkleind dat de tank‐ dop door de motortrillingen losloopt en er ben‐ zine wegstroomt.

2.8 Voor het starten

Voor het starten controleren of het apparaat in goede staat verkeert. Vooral als het apparaat niet op de voorgeschreven wijze (bijv. door geweld van buitenaf of door stoten of vallen) werd uitgeschakeld.

Het brandstofsysteem op lekkage controleren, vooral de zichtbare onderdelen zoals bijv. de tankdop, slangaansluitingen, hand-benzine‐ pomp (alleen bij motorapparaten met hand- benzinepomp). Bij lekkages of beschadiging de motor niet starten – brandgevaar! Het apparaat voor de ingebruikneming door een geautoriseerde dealer laten repareren

De stelhendel moet gemakkelijk in stand STOP, resp. 0 kunnen worden geplaatst

De gashendel moet soepel bewegen en van‐ zelf in de stationaire stand terugveren

Bougiesteker op vastzitten controleren – bij een loszittende steker kunnen vonken ont‐ staan, hierdoor kan het vrijkomende benzine- luchtmengsel ontbranden – brandgevaar!

Brandstofsysteem op lekkage controleren

Het spuitmiddelreservoir, de slang en doseer‐ inrichting op een goede staat en lekkage con‐ troleren

De staat van het draagstel controleren – beschadigde of versleten draagriemen vervan‐ gen Het apparaat mag alleen in technisch goede staat worden gebruikt – kans op ongelukken! 2 Veiligheidsaanwijzingen en werktechniek Nederlands 0458-454-9421-F 73271BA003 KN In geval van nood: het snel losmaken van de sluiting van de heupgordel (speciaal toebeho‐ ren), het losmaken van de schouderriem en het op de grond plaatsen van het apparaat oefenen. Tijdens het oefenen het apparaat niet op de grond gooien, om beschadigingen te voorkomen.

Minstens op 3 m van de plek waar werd getankt en niet in een afgesloten ruimte. Het motorapparaat wordt slechts door één per‐ soon bediend – geen andere personen toelaten in de directe werkomgeving – ook niet tijdens het starten. De motor starten zoals staat beschreven in de handleiding. Alleen op een vlakke ondergrond, op een stabi‐ ele en veilige houding letten, het apparaat goed vasthouden. Als er een tweede persoon nodig is om het appa‐ raat op de rug van de gebruiker te plaatsen, erop letten dat

het apparaat alleen stationair draait

de tweede persoon niet in de uitlaatgassen staat en uitlaatgassen inademt

de afsluiterhendel en bij de SR 450 bovendien de doseerhendel in de gesloten stand staat

de tweede persoon niet in het spuitbereik van de spuitmond staat

de tweede persoon direct na het aanbrengen van het apparaat het werkgebied verlaat

2.10 Apparaat vasthouden en bedie‐

nen 0002BA084 KN Het apparaat met beide riemen op de rug dragen – niet over één schouder dragen. De rechterhand richt de blaaspijp met behulp van de bedienings‐ handgreep – geldt ook voor linkshandigen. Alleen stapsgewijs voorwaarts werken – de lucht‐ uitstroomopening van de blaaspijp altijd in het oog houden – niet achteruit lopen – kans op struikelen! Het apparaat en het spuitmiddelreservoir recht houden. Niet voorover buigen – kans op letsel door het weglopen van vloeistof uit het spuitmid‐ delreservoir!

2.11 Verstuif- en strooistand - alleen

SR 450 In de verstuif- en strooistand kan het plantenbe‐ schermingsmiddel in poedervorm of als droog granulaat met een korrelgrootte tot zo'n 5 mm worden verstoven. De wettelijke voorschriften met betrekking tot de omgang met plantenbeschermingsmiddelen aan‐ houden. De gebruikshandleiding of het etiket van het plantenbeschermingsmiddel raadplegen. Om schade aan het apparaat en ongelukken te voorkomen, het apparaat nooit gebruiken in com‐ binatie met explosieve of licht ontvlambare mid‐ delen Geen zwavel of zwavelhoudende verbindingen in poedervorm verwerken - deze zijn zeer explosief en hebben een zeer lage ontstekingstempera‐ tuur. Afvoersysteem Tijdens de werkzaamheden kunnen er elektro‐ statische ladingen met vonkvorming ontstaan. Het gevaar is bijzonder groot bij:

extreem droge weersomstandigheden Nederlands 2 Veiligheidsaanwijzingen en werktechniek 74 0458-454-9421-F– gebruik van poedervormige verstuif-/strooimid‐ delen die een hoge stofconcentratie veroorza‐ ken 0002BA085 KN Om het risico van vonkvorming met explosie of brandgevaar te verkleinen, moet het afvoersys‐ teem volledig aan het apparaat gemonteerd zijn. Het bestaat uit een geleidende draad in de blaasinrichting die verbonden is met een metalen ketting. Om elektrostatische ladingen af te kun‐ nen voeren, moet de metalen ketting contact maken met een geleidende bodem. Niet op een niet-geleidende ondergrond (bijv. kunststof, asfalt) werken. Nooit met een ontbrekend of beschadigd afvoer‐ systeem werken.

2.12 Tijdens de werkzaamheden

De blaaspijp nooit in de richting van andere per‐ sonen gericht houden – het motorapparaat kan kleine voorwerpen met een hoge snelheid omh‐ oog slingeren – kans op letsel! Bij dreigend gevaar, resp. in geval van nood direct de motor afzetten – stelhendel in stand STOP, resp. 0 plaatsen. Het motorapparaat nooit onbeheerd laten draaien. Let op bij gladheid, regen, sneeuw, ijs, op hellin‐ gen, in oneffen terrein enz. – kans op uitglijden! Op obstakels letten: afval, boomstronken, wor‐ tels, greppels – kans op struikelen! Bij gebruik van gehoorbeschermers moet extra omzichtig en bedachtzaam worden gewerkt – omdat geluiden die op gevaar wijzen (schreeu‐ wen, alarmsignalen e.d.) minder goed hoorbaar zijn. Op tijd rustpauzes nemen om vermoeidheid en uitputting te voorkomen – kans op ongelukken! Rustig en met overleg werken – alleen bij vol‐ doende licht en goed zicht. Voorzichtig werken, anderen niet in gevaar brengen. Niet op een ladder, niet op onstabiele plaatsen werken. Bij werkzaamheden in de buitenlucht en in tuinen op micro-organismen letten waarvoor de gebruikte middelen een bedreiging kunnen vor‐ men. Niet in de buurt van elektriciteitskabels werken – levensgevaar door elektrische schokken! Bij de overgang tussen verschillende plantenbe‐ schermingsmiddelen het spuitmiddelreservoir en de slangen reinigen. Het motorapparaat produceert giftige uitlaatgassen, zodra de motor draait. Deze gassen kunnen geurloos en onzichtbaar zijn en onverbrande kool‐ waterstoffen en benzol bevatten. Nooit in afgesloten of slecht geventi‐ leerde ruimten met het motorapparaat werken. Bij het werken in greppels, slenken of op plaat‐ sen met weinig ruimte, steeds voor voldoende luchtventilatie zorgen – levensgevaar door vergif‐ tiging! Bij misselijkheid, hoofdpijn, gezichtsstoornissen (bijv. kleiner wordend blikveld), gehoorverlies, duizeligheid, afnemende concentratie, de werk‐ zaamheden direct onderbreken – deze sympto‐ men kunnen onder andere worden veroorzaakt door een te hoge uitlaatgasconcentratie – kans op ongelukken! 2 Veiligheidsaanwijzingen en werktechniek Nederlands 0458-454-9421-F 75Geluidsoverlast en uitlaatgasemissie zo veel mogelijk beperken – de motor niet onnodig laten draaien, alleen gas geven tijdens het werk. Niet roken tijdens het gebruik en in de directe omgeving van het motorapparaat – brandgevaar! Uit het brandstofsysteem kunnen ontvlambare benzinedampen ontsnappen. Als het motorapparaat niet volgens voorschrift (bijv. door geweld van buitenaf, door stoten of vallen) werd uitgeschakeld, voor het opnieuw in gebruik nemen beslist controleren of dit in goede staat verkeert – zie ook "Voor het starten". Vooral op lekkage van het brandstofsysteem en de goede werking van de veiligheidsinrichtingen letten. Een niet-bedrijfszeker motorapparaat in geen geval verder gebruiken. In geval van twijfel contact opnemen met een geautoriseerde dea‐ ler.

Afsluiterhendel en bij de SR 450 bovendien de doseerhendel dicht zetten Motor uitzetten alvorens het motorapparaat van de rug te nemen. Het motorapparaat na de werkzaamheden op een vlakke, niet-brandbare ondergrond neerzet‐ ten. Niet in de buurt van licht ontvlambare mate‐ rialen (bijv. houtspanen, boomschors, droog gras, brandstof) neerzetten – brandgevaar! Alle onderdelen van het apparaat op lekkage controleren. Na beëindiging van de werkzaamheden het apparaat, de handen, het gezicht en zo nodig de kleding grondig reinigen. Personen en dieren weghouden van plaatsen die zijn bespoten – pas na het volledig opdrogen van het plantenbeschermingsmiddel weer betreden.

Langdurig gebruik van het motorapparaat kan leiden tot door trillingen veroorzaakte doorbloed‐ ingsstoornissen aan de handen ("witte vingers"). Een algemeen geldende gebruiksduur kan niet worden vastgesteld, omdat deze van meerdere factoren afhankelijk is. De gebruiksduur wordt verlengd door:

Bescherming van de handen (warme hand‐ schoenen)

Rustpauzes De gebruiksduur wordt verkort door:

Bijzondere persoonlijke aanleg voor slechte doorbloeding (kenmerk: vaak koude vingers, kriebelen)

De mate van kracht uitgeoefend door de han‐ den (stevig beetpakken beïnvloedt de door‐ bloeding nadelig) Bij regelmatig, langdurig gebruik van het appa‐ raat en bij het herhaald optreden van de betref‐ fende symptomen (bijv. vingers kriebelen) wordt een medisch onderzoek geadviseerd.

2.15 Onderhoud en reparaties

Het motorapparaat regelmatig onderhouden. Alleen die onderhouds- en reparatiewerkzaam‐ heden uitvoeren die in de handleiding staan beschreven. Alle andere werkzaamheden laten uitvoeren door een geautoriseerde dealer. STIHL adviseert onderhouds- en reparatiewerk‐ zaamheden alleen door de STIHL dealer te laten uitvoeren. De STIHL dealers worden regelmatig geschoold en hebben de beschikking over Tech‐ nische informaties. Alleen hoogwaardige onderdelen monteren. Als dit wordt nagelaten is er kans op ongelukken of schade aan de handrugnevelspuit. Bij vragen contact opnemen met een geautoriseerde dea‐ ler. STIHL adviseert originele STIHL onderdelen te monteren. Deze zijn qua eigenschappen opti‐ maal op het apparaat en de eisen van de gebrui‐ ker afgestemd. Voor reparatie-, onderhouds- en schoonmaak‐ werkzaamheden altijd de motor afzetten – kans op letsel! – Uitzondering: afstelling carburateur en stationair toerental. De motor mag bij een losgetrokken bougiesteker of bij een losgedraaide bougie niet met behulp van het startmechanisme worden getornd – brandgevaar door ontstekingsvonken buiten de cilinder! Het motorapparaat niet in de nabijheid van open vuur onderhouden en opslaan. De tankdop regelmatig op lekkage controleren. Alleen in goede staat verkerende, door STIHL vrijgegeven bougies – zie "Technische gege‐ vens" – monteren. Bougiekabel controleren (goede isolatie, vaste aansluiting). Nederlands 2 Veiligheidsaanwijzingen en werktechniek 76 0458-454-9421-FControleer of de uitlaatdemper in een goedestaat verkeert.Niet met een defecte of zonder uitlaatdemperwerken – brandgevaar! – Gehoorschade!De hete uitlaatdemper niet aanraken – gevaarvoor brandwonden!De staat van de antivibratie-elementen beïn‐vloedt het trillingsgedrag – de antivibratie-ele‐menten regelmatig controleren.Motor afzetten voor het opheffen van storingen. 3 Apparaat completeren LET OP De slang, gaskabel en bij de SR 450 bovendiende bowdenkabel van de doseerinrichting, zijn alcorrect aangesloten. De onderdelen bij het com‐pleteren van het apparaat niet knikken!De combisleutel en de schroevendraaier zitten inde meegeleverde verpakking voor het toebeho‐ ren.

3.1 De harmonicaslang op de

► Brede slangklem (1) met de positiemarkerin‐gen naar rechts gericht op de blaaspijp (2)schuiven

► De glijring (3) met de brede lip naar linksgericht op de aansluitmond van de blaas‐pijp (2) schuiven► De harmonicaslang (4) op de glijring (3) schui‐ ven

► Slangklem (1) op de harmonicaslang (4)schuiven► Positiemarkeringen van slangklem (1) en deblaaspijp (2) ten opzichte van elkaar uitlijnen –zoals afgebeeld► Slangklem (1) met de bout (5) bevestigen – deblaaspijp (2) moet nog te verdraaien zijn

3.2 Harmonicaslang op het knie‐

stuk monteren – alleen SR 430

► Smalle slangklem (1) met de positiemarkerin‐gen naar links gericht op het kniestuk (2)schuiven► Harmonicaslang (3) op het kniestuk (2) schui‐ ven 3 Apparaat completeren Nederlands0458-454-9421-F 771

► Slangklem (1) op de harmonicaslang (3) schuiven ► Positiemarkeringen van slangklem (1) en het kniestuk (2) ten opzichte van elkaar uitlijnen – zoals afgebeeld ► Slangklem (1) met de bout (4) bevestigen

3.3 Afleidersysteem monteren –

0002BA069 KN ► Afleiderdraad (1) en de ketting (2) met de bout (3) op het blaasventilatorhuis monteren

3.4 Harmonicaslang op het knie‐

► Afleiderdraad (1) in de harmonicaslang (2) schuiven Nederlands 3 Apparaat completeren 78 0458-454-9421-F4

► Smalle slangklem (3) met de positiemarkerin‐ gen naar links gericht op het kniestuk (4) schuiven ► Afleiderdraad (1) door de sleuf van de slang‐ klem (3) steken ► Harmonicaslang (2) op het kniestuk (4) schui‐ ven

► Slangklem (3) op de harmonicaslang (2) schuiven ► Positiemarkeringen van slangklem (3) en het kniestuk (4) ten opzichte van elkaar uitlijnen – zoals afgebeeld ► Slangklem (3) met bout (5) bevestigen – erop letten dat de afleiderdraad door de groef is gestoken

3.5 Bedieningshandgreep instellen

en bevestigen ► Het apparaat op de rug nemen en het draag‐ stel afstellen – zie "Draagstel"

► Bedieningshandgreep (1) in de lengterichting verschuiven en afstellen op armlengte – afstand tussen de uitlaatopening van de spuit‐ mond (2) en de bedieningshandgreep (1) moet minimaal a = 500 mm bedragen 0002BA058 KN

0002BA012 KN ► De slang en de gaskabel en bij de SR 450 bovendien de bowdenkabel van de doseerin‐ richting met de houder (4) in de 6e vouw (pijl) van de harmonicaslang fixeren 4 Gaskabel afstellen Na de montage van het apparaat of na een lan‐ gere gebruiksduur kan het nodig zijn de gaska‐ belafstelling te corrigeren. De gaskabel alleen afstellen bij een compleet gemonteerd apparaat. 4 Gaskabel afstellen Nederlands 0458-454-9421-F 790002BA013 KN ► De gashendel in de volgasstand plaatsen – tot aan de aanslag ► De bout in de gashendel voorzichtig tot aan de eerste weerstand in de richting van de pijl draaien. Daarna nogmaals een slag verder indraaien 5 Draagstel

5.1 Draagstel afstellen

373BA003 KN ► De riemuiteinden naar beneden trekken – de riemen worden strak getrokken ► Het draagstel zo afstellen, dat de rugplaat ste‐ vig en goed tegen de rug aan ligt

5.2 Draagstel losmaken

373BA004 KN ► Schuifklem opwippen 6 Brandstof De motor draait op een brandstofmengsel van benzine en motorolie. WAARSCHUWING Direct huidcontact met brandstof en het inade‐ men van brandstofdampen voorkomen.

STIHL adviseert het gebruik van STIHL MotoMix. Dit kant-en-klare brandstofmengsel bevat geen benzol, is loodvrij, kenmerkt zich door een hoog octaangetal en biedt altijd de juiste mengverhou‐ ding. STIHL MotoMix is voor de langst mogelijke levensduur van de motor gemengd met STIHL tweetaktmotorolie HP Ultra. MotoMix is niet in alle exportlanden leverbaar.

6.2 Brandstof mengen

LET OP Brandstoffen die niet geschikt zijn of met een afwijkende mengverhouding, kunnen leiden tot ernstige schade aan de motor. Benzine of motor‐ olie van een mindere kwaliteit kan de motor, keerringen, leidingen en brandstoftank beschadi‐ gen.

Alleen benzine van een gerenommeerd merk met een octaangetal van minimaal 90 RON gebruiken – loodvrij of loodhoudend. Benzine met een alcoholpercentage van meer dan 10% kan bij motoren met handmatig instel‐ bare carburateurs storingen veroorzaken, daarom mag deze benzine voor deze motoren niet worden gebruikt. Motoren met M-Tronic leveren met benzine met een alcoholpercentage tot 27% (E27) het volle motorvermogen.

Als brandstof zelf wordt gemengd, mag alleen een STIHL tweetaktmotorolie of een andere hoogwaardige motorolie van de klasse JASO FB, JASO FC, JASO FD, ISO-L-EGB, ISO-L-EGC of ISO-L-EGD worden gebruikt. STIHL schrijft de tweetaktmotorolie STIHL HP Ultra of een gelijkwaardige hoogwaardige motor‐ olie voor om de emissiegrenswaarden gedu‐ rende de machinelevensduur te kunnen waarbor‐ gen. Nederlands 5 Draagstel 80 0458-454-9421-F6.2.3 Mengverhouding Bij STIHL tweetaktmotorolie 1:50; 1:50 = 1 deel olie + 50 delen benzine

Hoeveelheid ben‐ zine STIHL tweetakt‐ olie 1:50 Liter Liter (ml) 1 0,02 (20) 5 0,10 (100) 10 0,20 (200) 15 0,30 (300) 20 0,40 (400) 25 0,50 (500) ► In een voor brandstof vrijgegeven jerrycan eerst motorolie bijvullen en vervolgens ben‐ zine en goed mengen

6.3 Brandstofmengsel opslaan

Benzine alleen bewaren in voor brandstof vrijge‐ geven jerrycans op een veilige, droge en koele plaats, beschermd tegen licht en zonnestralen. Het brandstofmengsel veroudert – alleen de hoe‐ veelheid die nodig is voor enkele weken men‐ gen. Het brandstofmengsel niet langer dan 30 dagen bewaren. Door de inwerking van licht, zon, lage of hoge temperaturen kan het brand‐ stofmengsel sneller onbruikbaar worden. STIHL MotoMix kan echter tot 5 jaar probleem‐ loos worden bewaard. ► De jerrycan met brandstofmengsel voor het tanken goed schudden WAARSCHUWING In de jerrycan kan zich druk opbouwen – de dop voorzichtig losdraaien. ► De benzinetank en de jerrycan regelmatig grondig reinigen De restbrandstof en de voor de reiniging gebruikte vloeistof volgens voorschrift en milieu‐ bewust opslaan en afvoeren! 7 Tanken

7.1 Apparaat voorbereiden

0002BA086 KN ► De tankdop en de omgeving ervan voor het tanken reinigen zodat er geen vuil in de tank valt ► Het apparaat zo neerleggen dat de tankdop naar boven is gericht

7.2 Schroef-tankdop opendraaien

002BA447 KN ► Tankdop linksom draaien tot deze van de tankopening kan worden genomen ► Tankdop wegnemen

Bij het tanken geen benzine morsen en de tank niet tot aan de rand vullen. STIHL adviseert het STIHL vulsysteem (speciaal toebehoren).

7.4 Schroef-tankdop dichtdraaien

002BA448 KN ► Tankdop aanbrengen ► Tankdop tot aan de aanslag rechtsom draaien en met de hand zo vast mogelijk aandraaien 7 Tanken Nederlands 0458-454-9421-F 818 Ter informatie voor het starten LET OP Het beschermrooster voor de luchtaanzuigope‐ ning tussen de rugplaat en de motorunit voor het starten bij stilstaande motor controleren en indien nodig, reinigen.

8.1 Overzicht bedieningshand‐

8.2 Functies van de stelknop

Werkstand F Motor draait of kan worden gestart. Traploze bediening van de gashendel (2) mogelijk. Motor Stopp 0 Ontstekingssysteem wordt onderbroken, de motor slaat af. De stelhendel (1) grijpt in deze stand niet aan, maar veert terug in de werkstand. De ontsteking is automatisch weer ingeschakeld. Begrenzerstand

De gashendelstand kan in twee standen worden vergrendeld: 2431BA019 KN

a 1/3 gas b 2/3 gas Voor het opheffen van de begrenzing:

Stelknop (1) weer in de werkstand F plaatsen Standgas

De gashendel (2) kan in elke willekeurige stand worden gearrêteerd. Voor het opheffen van de begrenzing:

Stelknop (1) weer in de werkstand F plaatsen 9 Motor starten/afzetten

9.1 Voor het starten

► Afsluiterhendel (1) voor de spuitmiddeltoevoer dicht zetten

Afhankelijk van de exportuitvoering gemonteerd Nederlands 8 Ter informatie voor het starten 82 0458-454-9421-F9.1.1 Extra bij SR 450: 0002BA052 KN

► Doseerhendel (2) voor verstuif- en strooistand dicht zetten

► Veiligheidsvoorschriften in acht nemen LET OP Het apparaat alleen op een schone en stofvrije ondergrond starten, zodat er geen stof door het apparaat wordt aangezogen. 0002BA019 KN

► Balg (3) van de hand-benzinepomp ten min‐ ste 8-maal indrukken – ook als de balg met benzine is gevuld

De chokeknop (4) indrukken en in de stand c draaien

De chokeknop (4) indrukken en in de stand o draaien Deze instelling geldt ook als de motor al even heeft gedraaid, maar nog koud is. 9 Motor starten/afzetten Nederlands 0458-454-9421-F 839.2.3 Starten 0002BA087 KN ► Het apparaat zo op de grond plaatsen dat het stabiel staat – erop letten dat de uitstroomope‐ ning niet op personen is gericht ► Een stabiele houding aannemen: het apparaat met de linkerhand op het huis vasthouden en met een voet ervoor zorgen dat het apparaat niet wegschuift ► Met de rechterhand de starthandgreep lang‐ zaam tot aan de eerst voelbare aanslag uit‐ trekken – en vervolgens snel en krachtig ver‐ der trekken – het startkoord niet tot aan het uiteinde uittrekken – kans op breuk! ► De starthandgreep niet terug laten schieten – maar laten vieren zodat het startkoord correct kan worden opgerold ► Verder starten tot de motor draait

0002BA024 KN ► Gashendel indrukken – de chokeknop (4) springt automatisch in de bedrijfsstand e

9.3.1 Bij zeer lage temperaturen

► Iets gas geven – de motor even warm laten draaien

0002BA025 KN ► De stelhendel in stand 0 plaatsen – de motor slaat af – de stelhendel veert terug in de uit‐ gangsstand

9.5 Verdere aanwijzingen met

betrekking tot het starten De motor slaat in de koudestartstand c of bij het accelereren af

Chokeknop in stand o draaien – verder star‐ ten tot de motor draait Nederlands 9 Motor starten/afzetten 84 0458-454-9421-FDe motor start niet in de warmestartstand o

Chokeknop in stand c draaien – verder star‐ ten tot de motor draait De motor slaat niet aan ► Controleren of alle bedieningselementen cor‐ rect zijn afgesteld ► Controleren of de tank met benzine is gevuld, zo nodig tanken ► Controleren of de bougiesteker stevig op de bougie is gedrukt ► Startprocedure herhalen Alle benzine werd verbruikt ► Na het tanken de balg van de hand-benzine‐ pomp ten minste 8-maal indrukken – ook als de balg met benzine is gevuld ► De chokeknop afhankelijk van de motortempe‐ ratuur instellen ► Motor opnieuw starten 10 Gebruiksvoorschriften

10.1 Tijdens de werkzaamheden

De motor nog even stationair laten draaien als hij voordien lange tijd onder vollast heeft gedraaid, tot de meeste warmte door de koelluchtstroom is afgevoerd. Dit om te voorkomen dat de compo‐ nenten op de motor (ontstekingssysteem, carbu‐ rateur) door warmteophoping te zwaar worden belast.

10.2 Na de werkzaamheden

Als het werk even wordt onderbroken: de motor laten afkoelen. Het apparaat met lege benzine‐ tank op een droge plaats, niet in de buurt van ontstekingsbronnen, opbergen tot het moment dat het apparaat weer wordt gebruikt. Bij langdu‐ rige stilstand – zie "Apparaat opslaan". 11 Bepalen van de hoeveel‐ heid spuitvloeistof

Bij lage gewassen is dit het product van de lengte maal de breedte van het veld. Bij hoge gewassen wordt het oppervlak bij bena‐ dering berekend uit de lengte van de rijen maal de gemiddelde hoogte van het gewas. De uit‐ komst moet met het aantal rijen worden verme‐ nigvuldigd. En als het gewas aan beide zijden wordt behandeld, nogmaals met 2 worden ver‐ menigvuldigd. De oppervlakte in hectaren wordt verkregen door het aantal vierkante meters te delen door

Voorbeeld: Een veld met een lengte van 120 m en een breedte van 30 m moet met een insectenbestrij‐ dingsmiddel worden behandeld. Oppervlakte: 120 m x 30 m = 3600 m

11.2 Benodigde hoeveelheid bestrij‐

dingsmiddel berekenen Aan de hand van de gebruiksaanwijzing van het te gebruiken bestrijdingsmiddel berekenen:

De benodigde hoeveelheid bestrijdingsmiddel voor 1 hectare (ha)

De concentratie (mengverhouding) van het bestrijdingsmiddel De benodigde hoeveelheid bestrijdingsmiddel voor 1 ha vermenigvuldigen met het berekende oppervlak in ha. Het resultaat is de benodigde hoeveelheid bestrijdingsmiddel voor het te behandelen oppervlak. Voorbeeld: Volgens de gebruikshandleiding is per ha een hoeveelheid bestrijdingsmiddel van 0,4 liter (I) in een concentratie van 0,1% nodig voor de toe‐ passing. Hoeveelheid bestrijdingsmiddel: 0,4 (l/ha) x 0,36 (ha) = 0,144 l

11.3 Benodigde hoeveelheid spuit‐

vloeistof berekenen De benodigde hoeveelheid spuitvloeistof wordt als volgt berekend:

= hoeveelheid bestrijdingsmiddel in l K = concentratie in %

= benodigde hoeveelheid spuitvloeistof in l Voorbeeld: De berekende hoeveelheid bestrijdingsmiddel bedraagt 0,144 l. De concentratie is volgens de gebruikshandleiding 0,1%. Hoeveelheid spuitvloeistof: 10 Gebruiksvoorschriften Nederlands 0458-454-9421-F 850,144 l x 100 = 144 l 0,1%

11.4 Loopsnelheid bepalen

Voor aanvang van de werkzaamheden met de volgetankte rugnevelspuit op de rug een proef‐ traject afleggen met een met water gevuld reser‐ voir. De spuitlans zo heen en weer bewegen (pendelen), als bij gebruik in de praktijk. Hierbij de afgelegde afstand na circa 1 minuut bereke‐ nen. Bij dit proeftraject tegelijkertijd de gekozen werk‐ breedte controleren. Bij lage gewassen is de doelmatige werkbreedte 4-5 m. De werkbreedte met paaltjes afbakenen. De uitkomst van de in de berekening afgelegde afstand in meters, gedeeld door de tijd in minu‐ ten is de loopsnelheid in meters per minuut (m/ min). Voorbeeld: De afgelegde afstand in een minuut werd bepaald op 10 m. Loopsnelheid: 10 m = 10 m/min 1 min

11.5 Doseerinstelling bepalen

De instelwaarde van de doseerinrichting wordt als volgt berekend:

= hoeveelheid spuitvloeistof

= opbrengst b = werkbreedte A = oppervlak Voorbeeld: Met de eerder berekende waarden en een werk‐ breedte van 4 m, leidt dit tot de volgende instel‐ ling voor de doseerinrichting: 144 l x 10 (m/min) x 4 m = 1,6 l/min 3600 m

Een hectare (ha) moet in m

Voor het instellen van de berekende opbrengst – zie "Doseerinrichting". 12 Doseerinrichting

Met behulp van de afsluiterhendel (1) wordt de spuitmiddeltoevoer geopend of gesloten. ► Stand A (afsluiterhendel loodrecht bovenin) – doorvoer vrijgegeven ► Stand B (afsluiterhendel horizontaal onderin) – doorvoer afgesloten

Tot de leveringsomvang behoren verschillende doseerstukken, waarmee de onderling verschil‐ lende opbrengsten kunnen worden ingesteld. 0002BA103KN

Doseerstuk "standaard" (A) met doseerstan‐ den 1 tot 6 Nederlands 12 Doseerinrichting 86 0458-454-9421-F– ULV-doseerstuk

(B) met doseerstanden 0,5 tot 0,8

12.3 Doseerstuk verwisselen

0002BA065 KN ► Het aangebrachte doseerstuk naar boven toe uit de houder trekken ► Het nieuwe doseerstuk tot aan de aanslag in de houder plaatsen

monteren Bij gebruik van het ULV-doseerstuk moet boven‐ dien de meegeleverde zeef worden gemonteerd. SR 430 SR 450 0002BA066 KN ► De zeef in de houder drukken tot deze vast‐ klikt Uitbouwen 0002BA067 KN ► De zeef uit de houder wippen – zoals afge‐ beeld

2431BA022 KN ► Doseerstuk (1) draaien – de opbrengst is trap‐ loos instelbaar Stand 1 = minimale doorstroming Stand 6 = maximale doorstroming De cijfermarkeringen op het doseerstuk moeten hierbij in lijn worden gebracht met de nok (2) onder het doseerstuk. De stand "E" op het ULV-doseerstuk dient voor het aftappen van het spuitmiddelreservoir. Deze stand niet gebruiken voor het vernevelen/ verstrooien van spuitmiddelen – zie "Na gedane werkzaamheden".

Afhankelijk van de exportuitvoering behorend tot de leveringsomvang of leverbaar als speciaal toe‐ behoren

Behoort tot de leveringsomvang van het ULV-doseerstuk 12 Doseerinrichting Nederlands 0458-454-9421-F 8712.6 Opbrengst 0811BA019 KN

12.6.1 Opbrengst (l/min) zonder drukpomp

12.6.2 Opbrengst (l/min) zonder drukpomp

met ULV-sproeier Spuitlanshoek Doseer‐ stand - 30° 0° + 30

12.7 Doorstroomhoeveelheid contro‐

leren ► Het apparaat op de grond plaatsen ► Het spuitmiddelreservoir tot aan de 10 liter- markering met water vullen Apparaten zonder drukpomp ► Het doseerstuk "standaard" in de doseerstand 6 plaatsen ► Apparaat starten ► Met een horizontaal gehouden spuitlans bij vol gas de inhoud van het spuitmiddelreservoir tot aan de 5 liter-markering vernevelen en de hiervoor benodigde tijd meten De tijd voor het vernevelen van 5 liter vloeistof moet tussen de 110 en 150 seconden liggen. Bij afwijkingen ► Het spuitmiddelreservoir, de slangen en het doseerstuk op vervuiling controleren en indien nodig reinigen ► De aanzuigopening voor de blaaslucht contro‐ leren en indien nodig reinigen ► Motorafstelling controleren en indien nodig corrigeren Als deze maatregelen geen verbeteringen ople‐ veren – contact opnemen met een STIHL dealer. 13 Verstuif- en strooistand Alleen bij SR 450 aanwezig.

Met behulp van de doseerhendel (1) kan de opbrengst traploos worden ingesteld. ► Stand A (doseerhendel loodrecht naar boven) – doorlaat gesloten ► Stand B (doseerhendel parallel aan de blaas‐ pijp) – doorlaat vrijgegeven

De opbrengst is afhankelijk van de soortelijke massa en de korrelgrootte van het gebruikte materiaal. Granulaat 0 – 9 kg/min Poeder 0 – 3 kg/min Nederlands 13 Verstuif- en strooistand 88 0458-454-9421-F13.3 Ombouwen van spuit-, verne‐ velstand in verstuif- en strooi‐ stand ► Spuitmiddelreservoir geheel aftappen en reini‐ gen – zie "Na de werkzaamheden" 0002BA060 KN

► Afsluiterhendel (1) voor de spuitmiddeltoevoer dicht zetten 0002BA052 KN

► Doseerhendel (2) voor verstuif- en strooistand dicht zetten Spuitmiddelreservoir

De ingestelde werkstand wordt via de symbolen op de behuizing van de doseerinrichting aange‐ geven. ► Stand A – spuit-, vernevelstand ► Stand B – verstuif- en strooistand 0002BA062 KN ► Geschikt gereedschap (bijv. schroevendraaier) voor het losmaken van de zeef (1) in de beide uitsparingen (pijlen) schuiven ► Zeef (1) naar boven uit het spuitmiddelreser‐ voir trekken 13 Verstuif- en strooistand Nederlands 0458-454-9421-F 892

0000-GXX-1167-A0 ► Lippen (2) samendrukken en de hendel (3)naar buiten trekken

0000-GXX-1168-A0 ► Het spuitmiddelreservoir van het huis van dedoseerinrichting (4) nemen en in stand B (ver‐stuif- en strooistand) draaien

0000-GXX-1169-A0 ► De kunststof pennen en het afdichtvlak vanhet spuitmiddelreservoir goed reinigen – ermogen geen vuilresten achterblijven► De boringen en het afdichtvlak op de doseer‐inrichting (4) goed reinigen – er mogen geenvuilresten achterblijven► Het spuitmiddelreservoir op het huis van dedoseerinrichting (4) plaatsen 0000-GXX-1170-A0

► Hendel (3) op de rib (5) van het spuitmiddelre‐servoir vasthaken

► Hendel (3) naar beneden drukken tot de lip‐pen (2) duidelijk hoorbaar vastklikken in deopnames (6) van het huis► Het vastzitten van het spuitmiddelreservoircontrolerenBlaaspijp

Nederlands 13 Verstuif- en strooistand90 0458-454-9421-F► Een schroevendraaier tussen de lippen (1) van de slangklem (2) op de bedieningshand‐ greep schuiven ► De schroevendraaier rechtsom draaien – de slangklem (2) wordt ontgrendeld ► Slang (3) van de nippel trekken 0002BA037 KN

► Spuitmond (4) verdraaien tot de pennen (5) niet meer zichtbaar zijn ► Spuitmond (4) van de blaaspijp (6) trekken

13.4 Terug ombouwen naar spuit-,

vernevelstand Het ombouwen vindt plaats in omgekeerde volg‐ orde. Montage van de slang

0002BA038 KN ► De slang met de slangklem (2) op de nippel van de bedieningshandgreep schuiven ► Slangklem (2) met een tang samendrukken tot de borgstrip bij het vergrendelpunt is vergren‐ deld 14 Spuitmiddelreservoir vullen 372BA021 KN

► Pakkingring (1) in de dop mag niet zijn beschadigd, moet ingevet en schoon zijn ► Het apparaat op een vlakke ondergrond plaat‐ sen

► Afsluiterhendel (1) voor de spuitmiddeltoevoer dicht zetten 0002BA041 KN ► Het goed vermengde spuitmiddel via de zeef in het spuitmiddelreservoir gieten 14 Spuitmiddelreservoir vullen Nederlands 0458-454-9421-F 910002BA039 KN De maximale vulcapaciteit 14 liter (pijl) niet over‐ schrijden ► Dop aanbrengen en goed vastdraaien

0002BA042 KN ► Doseerhendel (1) dicht zetten ► Spuitmiddel in het spuitmiddelreservoir vullen – maximaal vulgewicht 14 kg niet overschrij‐ den – zo nodig een geschikte trechter als vul‐ hulpmiddel gebruiken ► Dop aanbrengen en goed vastdraaien 15 Werken

15.1 Spuit-, vernevelstand

Bij werkzaamheden in de spuit-, vernevelstand moet bij de SR 450 de doseerhendel dicht staan – zie "Verstuif- en strooistand" ► De opbrengst met het doseerstuk instellen – zie "Doseerinrichting" ► Afsluiterhendel openzetten – zie "Doseerin‐ richting"

Voor het gericht vernevelen van het spuitmiddel kan de spuitstraal qua vorm en richting met de te monteren roosters worden gewijzigd. Zonder spreidrooster 2431BA023 KN Spuitstraal voor grote afstanden – maximale spuitbreedte.

Voor het bespuiten van hoge planten en vlak‐ ken

Voor maximale doordringing in het bladerdek Breedstraalrooster 2431BA024 KN De spuitstraal wordt verbreed en getemperd.

Voor korte afstanden tot de planten (< 1,5 m)

Beschadigingen aan de planten, vooral in kwetsbare plantenstadia, worden gereduceerd 45° spreidrooster 372BA007 KN De spuitstraal kan in elke willekeurige richting 45° worden afgebogen.

Voor het bevochtigen van de onderzijde van de bladeren

Voor het verhogen van de opbrengst bij het naar boven gericht spuiten Nederlands 15 Werken 92 0458-454-9421-F– Voor het gericht bewerken van bodembedek‐ kers. Reduceert bij het naar beneden gericht spuiten het verwaaien van de spuitnevel door wind Duplex spreidrooster 372BA008 KN De spuitstraal wordt verdeeld en naar twee kan‐ ten afgebogen.

Gelijktijdig bespuiten van twee plantenrijen in één handeling 16 Na de werkzaamheden

2431BA014 KN ► Doseerstuk (1) in stand "6" resp. "E" draaien en resten van het spuitmiddel in een geschikte opvangcontainer gieten

16.2 Spuitmiddelreservoir reinigen

► Spuitmiddelreservoir en slangsysteem met schoon water spoelen en reinigen ► Resten van spuitmiddel en spoelvloeistof vol‐ gens voorschrift en milieuverantwoord afvoe‐ ren - instructies van de fabrikant van het plan‐ tenbeschermingsmiddel in acht nemen ► Apparaat met afgeschroefde deksel laten dro‐ gen Bij vervuild zeefelement: 0002BA062 KN ► geschikt gereedschap (bijv. schroevendraaier) voor het losmaken van het zeefelement (1) in de beide uitsparingen (pijlen) schuiven ► Zeefelement (1) naar boven uit het spuitmid‐ delreservoir trekken 0002BA045 KN

► Zeefelement (2) met schoon water en bijv. met een kwast reinigen

16.3 Na het verstuiven en strooien -

alleen SR 450 ► Spuitmiddelreservoir tijdens het werk volledig aftappen ► Doseerhendel sluiten ► Motor afzetten - zie "Motor starten/afzetten" ► Spuitmiddelreservoir met schoon water spoe‐ len en reinigen ► Spoelvloeistof volgens voorschrift en milieu‐ verantwoord afvoeren - instructies van de fabrikant van het plantenbeschermingsmiddel in acht nemen ► Apparaat met afgeschroefde deksel laten dro‐ gen 17 Apparaat opslaan ► Het apparaat op een droge, vorstvrije en vei‐ lige plaats opslaan. Beschermen tegen onbe‐ voegd gebruik (bijv. door kinderen) 16 Na de werkzaamheden Nederlands 0458-454-9421-F 9317.1 Bij buitengebruikstelling vanaf ca. 30 dagen ► De benzinetank op een goed geventileerde plaats aftappen en reinigen ► De brandstof volgens de voorschriften en mili‐ euwetgeving afvoeren ► Als er een hand-benzinepomp beschikbaar is: hand-benzinepomp ten minste 5 keer indruk‐ ken, voordat de motor wordt gestart ► De motor en deze net zo lang stationair laten draaien tot de motor afslaat ► Het apparaat goed schoonmaken, vooral de cilinderribben en het luchtfilter ► Het spuitmiddelreservoir niet gedurende lan‐ gere tijd blootstellen aan direct zonlicht, UV- stralen kunnen ervoor zorgen dat het reservoir broos wordt – kans op lekkage of breuk! 18 Luchtfilter vervangen Vervuilde luchtfilters reduceren het motorvermo‐ gen, verhogen het benzineverbruik en bemoeilij‐ ken het starten.

18.1 Als het motorvermogen merk‐

► Filter (3) wegnemen ► Vervuilde of beschadigde filters vervangen ► Een nieuw filter in het filterhuis aanbrengen ► Filterdeksel aanbrengen ► De schroeven aanbrengen en vastdraaien 19 Carburateur afstellen

19.1 Basisinformatie

De carburateur is af fabriek op de standaardaf‐ stelling afgesteld. De carburateur is zo afgesteld dat de motor onder alle bedrijfsomstandigheden wordt voor‐ zien van een optimaal benzine-luchtmengsel.

19.2 Apparaat voorbereiden

► Motor afzetten ► Luchtfilter controleren – indien nodig reinigen of vervangen ► Afstelling gaskabel controleren – indien nodig afstellen – zie "Gaskabel afstellen"

19.3 Standaardafstelling

► Hoofdstelschroef (H) tot aan de aanslag linksom draaien – max. 3/4 slag ► Stelschroef stationair toerental (L) rechtsom tot aan de aanslag draaien – vervolgens 3/4 slag linksom terugdraaien

19.4 Stationair toerental instellen

► Standaardafstelling uitvoeren ► Motor starten en warm laten draaien Nederlands 18 Luchtfilter vervangen 94 0458-454-9421-F0002BA083 KN

19.4.1 Motor slaat bij stationair toerental af► Aanslagschroef stationair toerental (LA) lang‐zaam rechtsom draaien tot de motor gelijkma‐tig draait19.4.2 Onregelmatig stationair toerental,motor slaat af ondanks de gecorri‐geerde LA-afstelling, motor neemtslecht opStationaire instelling is te arm.► Stelschroef stationair toerental (L) linksomdraaien tot de motor regelmatig draait en goedopneemt – max. tot aan de aanslag19.4.3 Onregelmatig stationair toerentalStationaire instelling is te rijk.► Stelschroef stationair toerental (L) rechtsomdraaien tot de motor gelijkmatig draait en noggoed opneemt – max. tot aan de aanslagNa elke correctie van de stand van de stel‐schroef stationair toerental (L) moet meestal ookde stand van de aanslagschroef stationair toe‐rental (LA) worden gewijzigd.

19.5 Correctie van de carburateuraf‐

stelling bij gebruik op grotere hoogtes Als de motor niet optimaal draait, kan eengeringe correctie noodzakelijk zijn:► Standaardafstelling uitvoeren► Motor warm laten draaien► Hoofdstelschroef (H) iets rechtsom (armer)draaien – max. tot aan de aanslag LET OP Nadat is teruggekeerd vanuit grote hoogte, decarburateurafstelling weer terugzetten op destandaardafstelling.Bij een te arme afstelling bestaat de kans opmotorschade door een gebrek aan smering enoververhitting. 20 Bougie ► Bij onvoldoende motorvermogen, slecht star‐ten of onregelmatig stationair toerental eerstde bougie controleren.► Na ca. 100 bedrijfsuren de bougie vervangen– bij sterk ingebrande elektroden reeds eerder– alleen door STIHL vrijgegeven, ontstoordebougies gebruiken – zie "Technische gege‐vens"

20.1 Bougie uitbouwen

0002BA049 KN ► De bougiesteker (1) verticaal naar boven toelostrekken► De bougie (2) losdraaien

► Vervuilde bougie reinigen► Elektrodeafstand (A) controleren en zo nodigafstellen, waarde voor elektrodeafstand – zie"Technische gegevens"► Oorzaken van de vervuiling van de bougieopheffen20 Bougie Nederlands0458-454-9421-F 95Mogelijke oorzaken zijn:

Vervuild luchtfilter

Ongunstige bedrijfsomstandigheden

000BA045 KN WAARSCHUWING Bij een niet vastgedraaide of ontbrekende aan‐ sluitmoer (1) kunnen vonken worden gevormd. Als in een licht brandbare of explosieve omge‐ ving wordt gewerkt, kunnen brand of explosies ontstaan. Personen kunnen ernstig letsel oplo‐ pen of er kan materiële schade ontstaan. ► Ontstoorde bougies met een vaste aansluit‐ moer monteren

20.3 Bougie monteren

► Bougie in de boring schroeven en de bougies‐ teker hierop vastdrukken 21 Motorkarakteristiek Als ondanks het gereinigde luchtfilter en de cor‐ recte carburateurafstelling de motorkarakteristiek niet optimaal is, kan dit ook te wijten zijn aan de uitlaatdemper. De uitlaatdemper bij de geautoriseerde dealer op vervuiling (koolaanslag) laten controleren! STIHL adviseert onderhouds- en reparatiewerk‐ zaamheden alleen door de STIHL dealer te laten uitvoeren. 22 Onderhouds- en reinigingsvoorschriften Onderstaande gegevens zijn gebaseerd op nor‐ male bedrijfsomstandigheden. Onder zware omstandigheden (veel stofoverlast enz.) en bij lan‐ gere dagelijkse werktijden dienen de gegeven inter‐ vallen navenant te worden verkort. Voor begin van de werkzaamheden Na beëindigen van de werkzaamheden, resp. dagelijks Na elke tankvulling Wekelijks Maandelijks Jaarlijks Bij storingen Bij beschadiging Indien nodig Complete machine visuele controle (staat, lekkage) X X reinigen X Bedieningshandgreep Werking controleren X X Luchtfilter reinigen X Nederlands 21 Motorkarakteristiek 96 0458-454-9421-FOnderstaande gegevens zijn gebaseerd op nor‐ male bedrijfsomstandigheden. Onder zware omstandigheden (veel stofoverlast enz.) en bij lan‐ gere dagelijkse werktijden dienen de gegeven inter‐ vallen navenant te worden verkort. Voor begin van de werkzaamheden Na beëindigen van de werkzaamheden, resp. dagelijks Na elke tankvulling Wekelijks Maandelijks Jaarlijks Bij storingen Bij beschadiging Indien nodig vervangen X Hand-benzinepomp (indien gemonteerd) controleren X laten repareren door geautoriseerde dealer

Bougie elektrodeafstand afstel‐ len

elke 100 bedrijfsuren vervangen Aanzuigopening voor koellucht Visuele controle X reinigen X Bereikbare bouten, schroeven en moeren (behalve stelschroeven) natrekken X Spuitmiddelreservoir en slang – SR 430 visuele controle (staat, lekkage)

reinigen X Zeef in het spuitmiddelre‐ servoir reinigen, resp. vervan‐ gen X X Doseerinrichting op de blaaspijp controleren X X Antivibratie-elementen controleren X X X laten vervangen door geautoriseerde dealer

Beschermrooster voor de luchtaanzuigopening controleren X X reinigen X 22 Onderhouds- en reinigingsvoorschriften Nederlands 0458-454-9421-F 97Onderstaande gegevens zijn gebaseerd op nor‐ male bedrijfsomstandigheden. Onder zware omstandigheden (veel stofoverlast enz.) en bij lan‐ gere dagelijkse werktijden dienen de gegeven inter‐ vallen navenant te worden verkort. Voor begin van de werkzaamheden Na beëindigen van de werkzaamheden, resp. dagelijks Na elke tankvulling Wekelijks Maandelijks Jaarlijks Bij storingen Bij beschadiging Indien nodig Afleider – SR 450 controleren X vervangen X Veiligheidssticker vervangen X

STIHL adviseert de STIHL dealer 23 Slijtage minimaliseren en schade voorkomen Het aanhouden van de voorschriften in deze handleiding voorkomt overmatige slijtage en schade aan het apparaat. Gebruik, onderhoud en opslag van het apparaat moeten net zo zorgvuldig plaatsvinden als staat beschreven in de handleiding. De gebruiker is zelf verantwoordelijk voor alle schade die door het niet in acht nemen van de veiligheids-, bedienings- en onderhoudsaanwij‐ zingen wordt veroorzaakt. Dit geldt in het bijzon‐ der voor:

Niet door STIHL vrijgegeven wijzigingen aan het product

Het gebruik van gereedschappen of toebeho‐ ren die niet voor het apparaat zijn vrijgegeven, niet geschikt of kwalitatief minderwaardig zijn

Het niet volgens voorschrift gebruikmaken van het apparaat

Gebruik van het apparaat bij sportmanifesta‐ ties of wedstrijden

Vervolgschade door het blijven gebruiken van het apparaat met defecte onderdelen

23.1 Onderhoudswerkzaamheden

Alle in het hoofdstuk "Onderhouds- en reinigings‐ voorschriften" vermelde werkzaamheden moeten regelmatig worden uitgevoerd. Voorzover deze onderhoudswerkzaamheden niet door de gebrui‐ ker zelf kunnen worden uitgevoerd, moeten deze worden overgelaten aan een geautoriseerde dealer. STIHL adviseert onderhouds- en reparatiewerk‐ zaamheden alleen door de STIHL dealer te laten uitvoeren. De STIHL dealers worden regelmatig geschoold en hebben de beschikking over Tech‐ nische informaties. Als deze werkzaamheden niet of onvakkundig worden uitgevoerd kan er schade ontstaan waar‐ voor de gebruiker zelf verantwoordelijk is. Hier‐ toe behoren o.a.:

Schade aan de motor ten gevolge van niet tij‐ dig of niet correct uitgevoerde onderhouds‐ werkzaamheden (bijv. lucht- en benzinefilter), verkeerde carburateurafstelling of onvol‐ doende reiniging van de koelluchtgeleiding (inlaatsleuven, cilinderribben)

Corrosie- en andere vervolgschade ten gevolge van onjuiste opslag Nederlands 23 Slijtage minimaliseren en schade voorkomen 98 0458-454-9421-F– Schade aan het apparaat ten gevolge van gebruik van kwalitatief minderwaardige onder‐ delen

23.2 Aan slijtage onderhevige delen

Sommige onderdelen van het motorapparaat staan ook bij gebruik volgens de voorschriften aan normale slijtage bloot en moeten, afhankelijk van de toepassing en de gebruiksduur, tijdig wor‐ den vervangen. Hiertoe behoren o.a.:

Filter (voor lucht, benzine)

dempingselementen van het antivibratiesys‐ teem 24 Belangrijke componenten

14 Rooster 15 Doseerstuk 16 Spuitmond 17 Blaaspijp 18 Gashendel 19 Bedieningshandgreep 20 Stelknop 21 Afsluiterhendel voor spuitmiddeltoevoer

Doseerhendel voor verstuif- en strooistand

24 Harmonicaslang 25 Draagriem 26 Rugplaat

Eencilinder-tweetaktmotor Cilinderinhoud: 63,3 cm

Boring: 48 mm Slag: 35 mm Vermogen volgens ISO 7293: 2,9 kW (3,9 pk) Stationair toerental: 3000 1/min Motor-/blaasventilatortoe‐ rental tijdens gebruik 6800 1/min

Alleen afhankelijk van de exportuitvoering gemonteerd

Alleen SR 450 24 Belangrijke componenten Nederlands 0458-454-9421-F 9925.2 Ontstekingssysteem Elektronisch geregelde magneetontsteking Bougie (ontstoord): NGK BPMR 7 A, Bosch WSR 6 F Elektrodeafstand: 0,5 mm

25.3 Brandstofsysteem

Onafhankelijk van de stand werkende mem‐ braancarburateur met geïntegreerde benzine‐ pomp Inhoud benzinetank: 1700 cm

25.4 Blaascapaciteit

Luchtsnelheid: 90 m/s Max. luchtdoorzet zonder blaasmechanisme: 1300 m

Luchtdoorzet met blaas‐ mond: 920 m

25.5 Spuitinrichting

Inhoud spuitmiddelreser‐ voir: 14 l Resthoeveelheid spuitmid‐ delreservoir: 50 ml Maaswijdte vulzeef: 1 mm Spuitbreedte horizontaal: 14,5 m Opbrengst (vernevel-, strooicapaciteit) (zonder drukpomp met standaard- doseerstuk): 0,69 – 2,64 l/min Verdere opbrengsten met aangebouwd speciaal toebehoren – zie doseerinrichting

25.6 Spuitbeeld volgens ISO

28139:2019 Uitvoer SR 430 Doseerstand Percentage van het horizontaal opge‐ brachte medium dat na 5 m op de grond is neergeslagen 1 0,0 % 6 3,9 % ULV-blaasmond: 0,5 0,0 % 0,8 0,1 % Grotere neerslag of drift als gevolg van wind en hoge temperatuur mogelijk. Uitvoer SR 450 Doseerstand Percentage van het horizontaal opge‐ brachte medium dat na 5 m op de grond is neergeslagen 1 0,0 % 6 4,5 % ULV-blaasmond: 0,5 0,0 % 0,8 0,7 % Grotere neerslag of drift als gevolg van wind en hoge temperatuur mogelijk. Druppelgrootte SR 430 Doseerstand Dv 0,1 [µm] Dv 0,5 [µm] Dv 0,9 [µm]

Leeg: SR 430: 12,2 kg SR 450: 12,8 kg max. bedrijfsklaar gewicht (afgetankt): SR 430: 27,5 kg SR 450: 28,1 kg Max. vulgewicht spuitmiddelreservoir: SR 450: 14 kg

25.8 Geluids- en trillingswaarden

Voor het bepalen van de geluids- en trillings‐ waarden is rekening gehouden met het stationair toerental en het nominale maximumtoerental in de verhouding 1:6. Gedetailleerde gegevens m.b.t. de arbo-wetge‐ ving voor wat betreft trillingen 2002/44/EG zie www.stihl.com/vib

Voor het geluiddrukniveau en het geluidvermo‐ gensniveau bedraagt de K‑-waarde volgens RL 2006/42/EG = 2,0 dB(A); voor de trillings‐ waarde bedraagt de K‑-waarde volgens RL 2006/42/EG = 2,0 m/s

REACH staat voor een EG voorschrift voor de registratie, klassificatie en vrijgave van chemica‐ liën. Informatie met betrekking tot het voldoen aan het REACH voorschrift (EG) nr. 1907/2006 zie www.stihl.com/reach

25.13 Uitlaatgasemissiewaarde

-waarde staat weergegeven bij www.stihl.com/co2 in de productspecifieken technische gegevens. De gemeten CO

-waarde werd op een represen‐ tatieve motor volgens een genormeerde testpro‐ cedure onder laboratoriumomstandigheden bepaald en vormt geen uitdrukkelijke of impli‐ ciete garantie van het vermogen van een bepaalde motor. Door het in deze handleiding beschreven gebruik conform de voorschriften en onderhoud, wordt aan de geldende uitlaatgasemissie-eisen vol‐ daan. Bij modificaties aan de motor vervalt de typegoedkeuring. 26 Reparatierichtlijnen Door de gebruiker van dit apparaat mogen alleen die onderhouds- en reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd die in deze handleiding staan beschreven. Verdergaande reparaties mogen alleen door geautoriseerde dealers worden uit‐ gevoerd. STIHL adviseert onderhouds- en reparatiewerk‐ zaamheden alleen door de STIHL dealer te laten uitvoeren. De STIHL dealers worden regelmatig geschoold en hebben de beschikking over Tech‐ nische informaties. Bij reparatiewerkzaamheden alleen onderdelen inbouwen die door STIHL voor dit apparaat zijn vrijgegeven of technisch gelijkwaardige onderde‐ len. Alleen hoogwaardige onderdelen monteren. Als dit wordt nagelaten is er kans op ongelukken of schade aan de apparaat. STIHL adviseert originele STIHL onderdelen te monteren. Originele STlHL onderdelen zijn te herkennen aan het STlHL onderdeelnummer, aan het logo { en, indien aanwezig, aan het STlHL onderdeellogo K (op kleine onderdelen kan dit logo ook als enig teken voorkomen.). 26 Reparatierichtlijnen Nederlands 0458-454-9421-F 10127 Milieuverantwoord afvoe‐ ren Informatie over de afvoer is verkrijgbaar bij de gemeente of bij een STIHL dealer. Een onjuiste afvoer kan schadelijk zijn voor de gezondheid en voor het milieu. 000BA073 KN ► De STIHL producten inclusief de verpakking volgens de plaatselijke voorschriften bij een geschikt verzamelpunt voor recycling inleve‐ ren. ► Niet bij het huisvuil afvoeren. 28 EU-conformiteitsverklaring ANDREAS STIHL AG & Co. KG Badstr. 115 D-71336 Waiblingen Duitsland verklaart op eigen verantwoordelijkheid dat Constructie: Rugnevelspuit Merk: STIHL Type: SR 430 SR 450 Serie-identificatie: 4244 Cilinderinhoud: 63,3 cm

voldoen aan de betreffende bepalingen van de richtlijnen 2011/65/EU, 2006/42/EG en 2014/30/EU en in overeenstemming met de ten tijde van de productiedatum geldende versies van de volgende normen zijn ontwikkeld en geproduceerd: ISO 12100, EN 55012, EN 61000‑6‑1, EN ISO 28139 Bewaren van technische documentatie: ANDREAS STIHL AG & Co. KG Produktzulassung Het productiejaar en het machinenummer staan vermeld op het apparaat. Waiblingen, 15-7-2021 ANDREAS STIHL AG & Co. KG Bij volmacht Dr. Jürgen Hoffmann Hoofd van de afdeling productgoedkeuring, - regelgeving 29 UKCA-conformiteitsverkla‐ ring ANDREAS STIHL AG & Co. KG Badstr. 115 D-71336 Waiblingen Duitsland verklaart op eigen verantwoordelijkheid dat Constructie: Rugnevelspuit Merk: STIHL Type: SR 430 SR 450 Serie-identificatie: 4244 Cilinderinhoud: 63,3 cm

voldoet aan de betreffende bepalingen van de Britse richtlijnen The Restriction of the Use of Certain Hazardous Substances in Electrical and Electronic Equipment Regulations 2012, Supply of Machinery (Safety) Regulations 2008 en Elec‐ tromagnetic Compatibility Regulations 2016 en in overeenstemming met de ten tijde van de pro‐ ductiedatum geldende versies van de volgende normen is ontwikkeld en geproduceerd: ISO 12100, EN 55012, EN 61000‑6‑1, EN ISO 28139 Bewaren van technische documentatie: ANDREAS STIHL AG & Co. KG Het productiejaar en het machinenummer staan vermeld op het apparaat. Waiblingen, 15-7-2021 ANDREAS STIHL AG & Co. KG Bij volmacht Dr. Jürgen Hoffmann Nederlands 27 Milieuverantwoord afvoeren 102 0458-454-9421-FHoofd van de afdeling productgoedkeuring, - regelgeving Indice 1 Per queste Istruzioni d’uso......................103 2 Avvertenze di sicurezza e tecnica operativa