PPS11810 - Laboratoriumvoeding VOLTCRAFT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis PPS11810 VOLTCRAFT in PDF-formaat.
| Technische specificaties | Voeding: 230 V AC, 50 Hz |
|---|---|
| Gebruik | Meetapparaat voor elektrische en elektronische tests |
| Onderhoud en reparatie | Controleer regelmatig de staat van kabels en connectoren |
| Veiligheid | Draag isolerende handschoenen bij het hanteren |
| Algemene informatie | 2 jaar garantie, service na verkoop beschikbaar |
Veelgestelde vragen - PPS11810 VOLTCRAFT
Download de handleiding voor uw Laboratoriumvoeding in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding PPS11810 - VOLTCRAFT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. PPS11810 van het merk VOLTCRAFT.
GEBRUIKSAANWIJZING PPS11810 VOLTCRAFT
Geachte klant, Wij danken u hartelijk voor het aanschaffen van een Voltcraft®-product. Hiermee heeft u een uitstekend apparaat in huis gehaald. Voltcraft® - deze naam staat op het gebied van meettechniek, laadtechniek en voedingsspanning voor onovertroffen kwaliteitsproducten die worden gekenmerkt door gespecialiseerde vakkundigheid, buitengewone prestaties en permanente innovaties. Voor ambitieuze elektronica-hobbyisten tot en met professionele gebruikers ligt voor de meest ingewikkelde taken met een product uit het Voltcraft®-assortiment altijd de perfecte oplossing binnen handbereik. Bovendien bieden wij u de geavanceerde techniek en betrouwbare kwaliteit van onze Voltcraft®-producten tegen een nagenoeg niet te evenaren verhouding van prijs en prestaties. Daarom scheppen wij de basis voor een duurzame, goede en tevens succesvolle samenwerking. Wij wensen u veel plezier met uw nieuwe Voltcraft®-product! Alle voorkomende bedrijfsnamen en productaanduidingen zijn handelsmerken van de betreffende eigenaren. Alle rechten voorbehouden. Voor meer informatie kunt u kijken op www.conrad.nl of www.conrad.be. Meest recente gebruiksaanwijzing Download de meest recente gebruiksaanwijzing via www.conrad.com/downloads of scan de afgebeelde QR-code. Volg de aanwijzingen op de website op.94
De programeerbare laboratoriumvoeding dient als potentiaalvrije DC-spanningsbron voor de aandrijving van laagspanningsapparaten. De instelbare uitgang kan aan de voorkant tot max. 5 A en aan de achterkant tot de volledige nominale stroomsterkte worden ingesteld. De voorste uitgang is tot 5 A begrensd en beschermd tegen overbelasting. Bij een serieschakeling van de uitgangen van meerdere voedingen kunnen aanraakgevaarlijke spanningen >75 V/DC opgewekt worden. Vanaf deze spanning moeten omwille van veiligheidsredenen geïsoleerde leidingen/meetsnoeren worden gebruikt. De aansluiting gebeurt aan de voorkant via 4 mm veiligheidsbussen, aan de achterkant via hogestroom-schroefklembussen. De uitgangen (voor en achter) zijn met elkaar verbonden. Er moeten voldoende gedimensioneerde aansluitkabels worden gebruikt. Een te kleine ledingsdoorsnede kan tot oververhitting en brand leiden. De uitgangsgegevens van de laboratoriumvoedingen zijn als volgt: Type Uitgangsspanning Uitgangsstroom (totale, MAIN + AUX)
De instelling van spanning en stroom wordt traploos via digitale draairegelaars met grove en jne instelling uitgevoerd, zodat een snelle en nauwkeurige instelling van de waarde mogelijk is. De waarden worden aangegeven op een overzichtelijke display. De stroombegrenzing voor het gebruik met constante stroom kan zonder kortsluitingsbrug vooraf worden ingesteld. De netvoeding is op afstand bedienbaar. Via een externe spanning (0 - 5 V/DC) of via een externe potentiometer (5 kOhm) kan de uitgangsspanning en de uitgangsstroom worden ingesteld. De DC-uitgang is via een schakelcontact in- en uitschakelbaar. Drie vrij programmeerbare opslagplaatsen kunnen met verschillende voorgeschreven spanningen en stroombegrenzingen worden bezet. De keuzeschakelaar bevindt zich aan de achterkant. Met de meegeleverde software en de USB-aansluiting kan de voeding beheerd worden door een pc voor het uitvoeren van cyclische operaties. Maximaal 20 programmeerbare sets met spanning en stroom en met verschillende tijdsduren kunnen geprogrammeerd worden en de cyclische handelingen kunnen maximaal 999 maal herhaald worden.95 Het apparaat is bestand tegen overbelasting en kortsluitingen en beschikt over een veiligheidstemperatuuruitschakeling. De laboratoriumvoeding voldoet aan veiligheidsklasse 1. Dit product is alleen goedgekeurd voor aansluiting op een randgeaarde contactdoos met een gebruikelijke wisselspanning van 230 V/AC. Het eigenhandig ombouwen en/of veranderen van het product is niet toegestaan om veiligheids- en keuringsredenen (CE). Een andere toepassing dan hierboven beschreven, is niet toegestaan en kan leiden tot beschadiging van het product. Daarnaast bestaat het risico van bijv. kortsluiting, brand, elektrische schokken, enz. Lees de gebruiksaanwijzing grondig en bewaar deze voor raadpleging in de toekomst. Volg alle veiligheidsinstructies en informatie in deze handleiding op.
- Netsnoer met randaarde
Een uitroepteken in een driehoek betekent belangrijke instructies in deze handleiding die absoluut moeten worden opgevolgd. Een bliksemschicht in een driehoek waarschuwt voor een elektrische schok of een vei- ligheidsbeperking van elektrische onderdelen in het apparaat. Dit symbool kan worden gevonden bij tips of informatie over het gebruik. Alleen voor toepassing in droge binnenruimtes Dit apparaat is CE-goedgekeurd en voldoet aan de betrokken Europese richtlijnen. Aardklem; deze schroef mag niet worden losgedraaid96
5. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
Lees de gebruiksaanwijzing zorgvuldig door en let vooral op de veiligheidsinstructies. Indien de veiligheidsinstructies en de aanwijzingen voor een juiste bediening in deze gebruiksaanwijzing niet worden opgevolgd, kunnen wij niet aansprakelijk worden gesteld voor de daardoor ontstane schade aan apparatuur of persoonlijk letsel. Bovendien vervalt in dergelijke gevallen de garantie. Personen / Product
- Het product is geen speelgoed. Houd het buiten bereik van kinderen en huisdieren.
- Laat verpakkingsmateriaal niet zomaar rondslingeren. Dit kan gevaarlijk materiaal worden voor spelende kinderen.
- Bescherm het product tegen extreme temperaturen, direct zonlicht, sterke schokken, hoge luchtvochtigheid, vocht, ontvlambare gassen, dampen en oplosmiddelen.
- Zet het product niet onder mechanische druk.
- Als het niet langer mogelijk is het product veilig te bedienen, stel het dan buiten bedrijf en zorg ervoor dat niemand het per ongeluk kan gebruiken. Veilige bediening kan niet langer worden gegarandeerd wanneer het product: - zichtbaar is beschadigd, - niet langer op juiste wijze werkt, - tijdens lange periode is opgeslagen onder slechte omstandigheden, of - onderhevig is geweest aan ernstige vervoergerelateerde druk.
- Behandel het product met zorg. Schokken, botsingen of zelfs een val van een beperkte hoogte kan het product beschadigen.
- Neem alstublieft ook de veiligheids- en gebruiksaanwijzingen van alle andere apparaten in acht die met het product zijn verbonden.
- Producten die op het lichtnet werken, moeten buiten bereik van kinderen worden gehouden. Wees daarom extra voorzichtig wanneer u het product gebruikt in de aanwezigheid van kinderen. Zij kunnen voorwerpen in het apparaat proberen te steken door de openingen van de behuizing. Hierdoor bestaat het risico op overlijden door een elektrische schok.
- Giet nooit vloeistoffen over elektrische apparaten en plaats nooit voorwerpen gevuld met vloeistoffen (zoals bijv. vazen) op of in de buurt ervan. Een aanzienlijk risico bestaat op brand of een levensgevaarlijke elektrische schok.
- Bedien het product alleen in droge ruimtes binnenshuis. Het mag niet vochtig of nat worden. Anders bestaat er risico op een levensgevaarlijke elektrische schok!
- In scholen, trainingscentra, hobby- of doe-het-zelf workshops, moet de bediening van elektrische apparaten altijd onder supervisie staan van getraind personeel.
- Wanneer u het gebruikt op een commercieel terrein, moeten de ARBO-voorschriften ter voorkoming van ongevallen met betrekking tot elektrisch apparatuur in acht worden genomen.97
- Onderdelen onder spanning kunnen blootgelegd worden wanneer het deksel wordt geopend of bij het verwijderen van onderdelen. U moet daarom het product van alle stroomvoorzieningen ontkoppelen voordat onderhoud of reparaties uitgevoerd mogen worden. Condensatoren in het apparaat kunnen nog steeds een elektrische spanning bevatten, zelfs wanneer het apparaat van alle stroombronnen is ontkoppeld.
- Plaats kabels altijd zo, dat niemand erover kan struikelen of erin verstrikt kan raken. Er bestaat risico op verwonding.
- Draag, wanneer u werkt met elektriciteitsaanvoer of opladers, geen metalen of geleidende kettingen, armbanden, ringen etc. Verbind nooit de stroomvoorziening of oplader met personen of dieren.
- Controleer het product, iedere keer wanneer u het in gebruik neemt, op schade. Gebruik het product niet wanneer u schade waarneemt. Ontkoppel de stroomvoorziening en haal de stekker uit het stopcontact. Breng het product vervolgens naar een gespecialiseerde winkel of reparatielocatie.
- Gebruik alleen een goedwerkend stopcontact (230V~/50Hz) dat is aangesloten op het publieke elektriciteitsnetwerk.
- Trek de stekker niet aan het snoer uit het stopcontact!
- De stekker moet uit het stopcontact worden gehaald: - voordat het product wordt schoongemaakt - tijdens een onweersstorm - wanneer het product tijdens lange tijd niet wordt gebruikt.
- Zorgt ervoor dat het product tijdens ingebruikname voldoende wordt geventileerd. Plaats geen tijdschriften, dekens, gordijnen of iets soortgelijks over de ventilatieopeningen. Bewaar minstens 15 cm afstand met andere apparaten.
- Wanneer u het product installeert, zorg er dan voor dat de kabel niet doorgeprikt, geknikt of beschadigd is door scherpe randen.
- Zorg ervoor dat er geen apparaten met krachtige elektrische of magnetische velden, zoals transformatoren, motoren, draadloze telefoons en radiograsch bestuurbare apparaten zich in de buurt van het product bevinden. Deze kunnen het product beïnvloeden.
- Gebruik de oplader niet op plaatsen of in ruimten met ongunstige omstandigheden. Dit kan de gevoelige elektronica in de oplader beschadigen en kan mogelijk levensbedreigende situaties veroorzaken. Ongunstige omstandigheden zijn: - hoge luchtvochtigheid (> 80 % relatieve, condensatie) - vochtigheid stof, ontvlambare gassen, oplosdampen, benzine - hoge omgevingstemperaturen (> ong. +50 ºC) - elektromagnetische velden (motoren, transformatoren, geluidssystemen voor modelbouw etc.) of elektrostatische velden
- Het product mag niet direct in gebruik worden genomen nadat het van een koude naar een warme omgeving is gebracht. Condens kan het product beschadigen. Wacht tot het product is geacclimatiseerd voor gebruik.98 Diversen
- Raadpleeg een expert wanneer u twijfelt over het juiste gebruik, de veiligheid of het aansluiten van het apparaat.
- Onderhoud, aanpassingen en reparaties mogen alleen uitgevoerd worden door een expert of in een daartoe bevoegde winkel.
3. Regelknop uitgangsspanning
4. Regelknop uitgangsstroom
5. POWER (aan/uit) schakelaar
6. Aux. OUTPUT 5 A MAX (Extra uitvoeraansluitingen)
7. MAIN OUTPUT (Uitgangen)
8. Keuzeschakelaar voor modus
9. Selectieschakelaar voor herroepen
voor uw besturingssysteem.
3. Kopieer de directory hcs van de CD naar de computer’s applicatie directory of een andere locatie
4. Open het bestand hcs.exe in de directory hcs. Het programma start op.99
De voeding is geen lader. Gebruik voor het laden van accu’s geschikte laders met een geschikte laaduitschakeling. Bij langdurig gebruik met nominale last wordt het oppervlak van de behuizing warm. Let op! Mogelijk gevaar op verbranden! Zorg daarom altijd voor voldoende ventilatie rondom de voeding en gebruik deze nooit geheel of gedeeltelijk afgedekt om eventuele schade te voorkomen. Let er bij het aansluiten van een verbruiker op de voeding op dat deze uitgeschakeld is. Een ingeschakelde verbruiker kan bij aansluiting op de uitgangsklemen van de voeding leiden tot vonkvorming, wat op haar beurt kan leiden tot beschadiging van de aansluitbussen resp. tot schade aan de aangesloten leidingen en/of hun klemmen. Schakel de voeding uit en koppel ze los van het net als ze niet wordt gebruikt. De indicatoren blijven na het uitschakelen nog enkele seconden ingeschakeld om de interne condensatoren te ontladen en de laatst ingestelde parameters op te slaan. Er dient absoluut op een voldoende grote leidingsdoorsnede van de DC- aansluitleidingen te worden gelet aangezien overbelasting tot een leidingbrand kan leiden. Aansluiting van het netsnoer
1. Verbind de meegeleverde netkabel met randaarde met de netaansluiting (18) van de voeding.
Controleer de aansluiting.
2. Verbind het netsnoer met een goedgekeurd stopcontact met randaarde. De totale lengte van de
netkabels tot aan de contactdoos mag niet meer zijn dan 2 m. Opstellen van het toestel Plaats de laboratoriumvoeding op een stabiele, vlakke en degelijke ondergrond. Let er op, dat de verluchtingsgleuven van het apparaat niet worden afgedekt. Algemeen De laboratoriumvoeding wordt gestuurd door microprocessoren en wordt via twee digitale instelregelaars (incrementele sensor zonder eindpositie) met toetsenfunctie bediend. Dit maakt jne en grove regeling via een regelaar mogelijk. Na het inschakelen vindt er een systeemcontrole plaats. In de beide schermen (2 en 3) wordt de teststatus weergegeven. De volgorde van de meldingen is als volgt: Weergave van de actuele softwarestand.100 Segmenttest of de weergave met alle individuele segmenten functioneert. Daarna volgt de test van de LED-indicatoren “C.V.”, “C.C.” en “REAR CONTROL”. Systeemtest van de beschermvoorzieningen begint. De bescherming tegen overspanning wordt getest. De bescherming tegen overbelasting wordt getest. De bescherming tegen oververhitting wordt getest. Ventilatortest. De ventilator wordt kort over het gehele toerentalbereik getest. Het ventilatortoerental neemt kort daarop hoorbaar toe. De afstandsbedieningsfunctie voor “Uitgang uit” wordt getest. Na deze stap wordt naar de normale bedrijfsweergave omgeschakeld.101 De voeding laat het gebruik in 4 modi toe. Deze modi worden via een schuifschakelaar aan de achterkant “MODE” (8) geselecteerd. De volgende modi zijn mogelijk: Normaal Normaal gebruik De instelling van spanning en stroom gebeurt aan de voorkant Preset Gebruik van opslagplaats. In het toestel kunnen drie voorgeschreven spanningen worden opgeslagen en via deze “Preset”-functie rechtstreeks worden geselecteerd. De keuze van de opslagplaats gebeurt via de schuifschakelaar “RECALL” (15). De voorste instelregelaars zijn gedeactiveerd. Remote Ctrl Gebruik met afstandsbediening. De voeding kan via een externe spanning of een externe poti op afstand worden bediend. De afstandsinstelling kan voor spanning en stroom gebeuren. De voorste instelregelaars zijn gedeactiveerd. Set Instelbedrijf. De drie preset-plaatsen kunnen vrij worden geprogrammeerd. Opslagplaats op schuifschakelaar “RECALL” (9) selecteren en instellingen via instelregelaar (3, 4) instellen. De individuele bedrijfsmodi worden hieronder uitgebreider beschreven. Toegevoegde functies De transformator wordt automatisch gereset telkens wanneer u deze inschakelt. In het geval dat u het apparaat tijdens gebruik wilt resetten en niet wilt herstarten, voer dan een handmatige reset uit.
1. Houd de bedieningsknop VOLTAGE ongeveer 30 seconden ingedrukt om de MENU-modus te
openen. “CCO” en “no” worden weergegeven.
2. Draai de bedieningsknop CURRENT totdat “CCO” en “YES” worden weergegeven.
3. Druk eenmaal op de bedieningsknop CURRENT om het apparaat te resetten. “YES” zal op de
display verschijnen om een geslaagde reset te bevestigen.
Bij normale werking laat de voeding zich via de voorste instelregelaar bedienen. Let . erop dat de schuifschakelaar “MODE” zich in de stand “Normal” bevindt. Verwijder de aangesloten verbruiker van de uitgang (6 of 7). Schakel de voeding in via de aan/uit-schakelaar (5). Het display (1) licht op en na een korte zelftest verschijnt de spannings- en stroomaanduiding. Stel voor elke spanningsinstelling eerst de stroombegrenzing in. Een te hoge stroomwaarde kan uw aansluitleidingen beschadigen, een te lage stroomwaarde (<1 A) kan de uitgangsspanning begrenzen. Stroombegrenzing instellen De begrenzing van de uitgangsstroom is een beschermingsmechanisme, om de verbruiker of de aansluitdraden te beschermen. De stroombegrenzing kan zonder kortsluiting aan de uitgang vooraf worden ingesteld. De voeding levert dan maximum de vooraf ingestelde stroom.
1. Verwijder de aangesloten verbruiker van de voeding.
2. Schakel de voeding in via de aan/uit-schakelaar (5). Het display (1) licht op en na een korte zelftest
verschijnt de spannings- en stroomaanduiding.
3. Stel de stroombegrenzing op de instelregelaar “CURRENT” (4) volgens uw gebruik in.
4. Draai aan de regelaar en de stroombegrenzingswaarde verschijnt.
Als er binnen de 3 seconden geen instelling gebeurt, schakelt het scherm naar de actuele stroomaanduiding terug.
5. Om de stroombegrenzing in te stellen, draait u de instelregelaar naar links of rechts. Na het
inschakelen is het jn-instelbereik (0,1 A) altijd actief. Dit wordt door een licht helderder getal weergegeven. Druk kort vooraan op de draairegelaar. De decimaalwaarde (1,0 of 0,1) van het instelbereik verandert bij elke druk. Wanneer u draait, verandert de waarde.
6. De instelling kan grof (bij de eenheden) of jn (bij de tientallen) gebeuren.
7. Als de gewenste stroomwaarde werd ingesteld, schakelt het scherm na ca. 3 seconden
automatisch naar de normale weergave terug. Wordt de vooraf ingestelde stroomsterkte tijdens het normale gebruik bereikt, dan schakelt de voeding over op stroombegrenzing en vermindert daarbij de spanningswaarde. Dit bedrijf wordt aangegeven met de rode statusindicatie “C.C.” (1).103 Uitgangsspanning instellen De uitgangsspanning kan op de instelregelaar “VOLTAGE” (3) worden ingesteld. De grove en jne regeling gebeurt op dezelfde wijze zoals bij de instelling van de stroombegrenzing. Door het grote regelbereik is het mogelijk dat de spannignsinstelling ca. 1-2 seconden nodig heeft om van een hoge naar een lage spanningswaarde over te gaan. Bij normaal gebruik werkt het apparaat in de constante spanningsmodus. Dit betekent dat de voeding een vooraf ingestelde, constante spanning afgeeft. Deze werking wordt aangegeven met de groene LED-statusindicator “C.V.” (1). Aansluiten van een verbruiker Let bij het aansluiten van een verbruiker op dat deze uitgeschakeld met de voeding wordt verbonden. De max. stroomopname van de aan te sluiten verbruiker mag de aanduidingen uit de technische gegevens niet overschrijden. Bij het in serie schakelen van de uitgangen van meerdere voedingen ontstaan aanraakgevaarlijke spanningen (> 75 V/DC), die levensgevaarlijk kunnen zijn. Vanaf deze spanning mogen alleen geïsoleerde accessoires (aansluitleidingen, meetleidingen, enz.) worden gebruikt. Voorkom het gebruik van niet-geïsoleerde leidingen en contacten. Deze lege plaatsen dienen door geschikt, moeilijk ontvlambaar isolatiemateriaal of andere maatregelen te worden afgedekt om tegen rechtsreeks contact en kortsluiting te beschermen. Let op een voldoende sectie van de geleiders voor de verwachte stroomsterkte. Op de voeding zijn twee uitgangen beschikbaar. Deze uitgangen voeren altijd dezelfde uitgangsspanning. Het verschil ligt echter in de stroombelastbaarheid. Aan de voorste bussen (6) kan slechts een stroom van max. 5 A worden afgenomen. Er is een automatische stroombegrenzing geïntegreerd. De schroefbussen op de achterkant zijn voor de volledige nominale stroom bestemd. Vanaf 20 A uitgangsstroom is de schroefklemfunctie van de bussen aan de achterkant aangewezen om een oververhitting van de steekbussen te vermijden.
1. Verwijder de aangesloten verbruiker van de uitgang.
2. Schakel de voeding in via de aan/uit-schakelaar (5). De bedrijfsindicator (1) licht op en op het
display worden spanning en stroom weergegeven.
3. Stel de parameters in naar wens zoals beschreven in het hoofdstuk “In gebruik nemen”.
4. Controleer nogmaals de correct ingestelde uitgangsspanning.
5. Verbind de pluspool (+) van de verbruiker met de rode bus „+“ en de minpool (-) met de blauwe bus
„-„ van de betreffende uitgang (vooraan = “AUX. OUTPUT” (6), achteraan = “MAIN OUTPUT” (7)).104 De aangesloten verbruiker kan nu worden ingeschakeld. De stroomopname van de aangesloten verbruiker wordt op het display (1) in ampere (A) weergegeven.
10. GEBRUIK VAN OPSLAGPLAATS “PRESET” EN “SET”
Op het toestel kunnen drie voorgeschreven spanningen incl. stroominstellingen via de “Set”-functie worden opgeslagen en via de “Preset”-functie rechtstreeks worden geselecteerd. Af fabriek zijn alle drie opslagplaatsen (P1, P2, P3) vooringesteld. Deze zijn als volgt toegewezen: Geheugen Type P1 P2 P3 Spanning Stroom Spanning Stroom Spanning Stroom PPS 11810 5 V Maximum 13.8 V Maximum 15 V Maximum PPS 11360 5 V Maximum 13.8 V Maximum 25 V Maximum PPS 11603 5 V Maximum 13.8 V Maximum 55 V Maximum PPS 13610 5 V Maximum 13.8 V Maximum 15 V Maximum PPS 16005 5 V Maximum 13.8 V Maximum 25 V Maximum PPS 11815 5 V Maximum 13.8 V Maximum 55 V Maximum Let erop dat er geen verbruikers zijn aangesloten. Ook het geheugen kan met de geleverde software worden ingesteld, zie het hoofdstuk
BEHEER MET DE PC SOFTWARE.105
1. Activeer de “Preset”-functie via de schuifschakelaar
“MODE” (8) aan de achterkant.
2. Zet de schakelaar in de stand “Preset”. De LEDindicator
“REAR CONTROL” (2) op de voorkant licht op. De voorste draairegelaars zijn nu gedeactiveerd.
3. Selecteer op de schuifschakelaar “RECALL” (9) aan
de achterkant de overeenkomstige opslagplaats “P1, P2 of P3”.
4. De overeenkomstige uitgangsspanning wordt op de
5. De verbruiker kan worden aangesloten en ingeschakeld.
6. Om de voorgeschreven spanningsfunctie te deactiveren schuift u de schuifschakelaar “MODE” (8)
terug naar de positie “Normal”. De LED-indicator “REAR CONTROL” (2) dooft uit. Het wordt bij normaal gebruik van de voeding omgeschakeld (DC-verbruiker altijd op voorhand verwijderen!) Opslagplaats zelf toewijzen “Set” Alle drie de opslagplaatsen kunnen met gebruikseigen waarden voor uitgangsspanning en stroombegrenzing worden ingevuld. Let erop dat er geen verbruikers zijn aangesloten.
1. Activeer de “Set”-functie via de schuifschakelaar
“MODE” (8) aan de achterkant. Zet de schakelaar in de stand “Set”. De LED indicator “REAR CONTROL” (2) op de voorkant licht op.
2. Selecteer op de schuifschakelaar “RECALL” (9) aan de
achterkant de overeenkomstige opslagplaats “P1, P2 of P3”. De overeenkomstige waarden voor spanning en stroom worden op het display (1) weergegeven.
3. Via de voorste draairegelaar (3 en 4) kunnen de gewenste uitgangsspanning en de
stroombegrenzing worden ingesteld.
4. Herhaal deze desgewenst deze stappen met de andere opslagplaatsen.
5. Als alle parameters zijn ingesteld, schuift u de schuifschakelaar “MODE” (8) terug naar de
positie “Preset” voor het gebruik met voorgeschreven spanning of de stand “Normal” voor standaardgebruik.106 Vooraf ingestelde uitgangswaarden (P1/P2/P3) resetten naar de standaard fabriekswaarden U kunt in deze transformator vooraf drie spanningswaarden (inclusief stroominstellingen) instellen door middel van de drie geheugenplekken: P1, P2 en P3. Als u de geheugenplekken wilt resetten naar de standaard fabriekswaarden, gaat u als volgt te werk:
1. Houd de bedieningsknop VOLTAGE ongeveer 30 seconden ingedrukt om de MENU-modus te
openen. “CCO” en “no” worden weergegeven.
2. Draai de bedieningsknop VOLTAGE totdat “rPr” en “no” worden weergegeven.
3. Draai de bedieningsknop CURRENT totdat “rPr” en “YES” worden weergegeven.
4. Druk eenmaal op de bedieningsknop CURRENT om de vooraf ingestelde waarden te resetten.
“YES” zal oplichten wanneer de waarden succesvol zijn gereset.
5. Druk op de bedieningsknop VOLTAGE om de MENU-modus te verlaten.
Opslagplaatsen naar de fabrieksinstellingen terugzetten
1. Schakel de voeding uit.
2. Druk vooraan gelijktijdig op de beide draairegelaars en houd deze ingedrukt.
3. Schakel uw voeding in. Nadat de indicatoren oplichten laat u beide draairegelaars los. De af
fabriek vooringestelde parameters zijn opnieuw beschibkaar.107
11. REMOTE CONTROL OPERATION “REMOTE CTRL”
Via de ingebouwde “Remote Control”-aansluiting van de afstandsbediening (10) kan de spannings- en stroominstelling met een externe spanningsbron of door een externe, instelbare weerstand (kort “poti”) gebeuren. De aansluiting van de afstandsbediening gebeurt met de “Remote Control”- inbouwstekker (10) aan de achterkant. Voor de aansluiting werd een Remote-bus inbegrepen. Bij gebruik met afstandsbediening moet de stroomstuurpad altijd mee aangesloten zijn, aangezien de uitgang anders in de stroombegrenzingsmodus “C.C.” schakelt en de uitgangsspanning wordt begrensd. Voorbereiding van de aansluiting van de afstandsbediening
1. Verwijder de zijdelingse schroeven van de ingebrepen steekbus en verwijder met een kleine
draaibeweging de voorste, zwarte contactbus.
2. Voer achteraan door de metalen huls vijf aansluitleidingen met een leidingsdoorsnede van
. Soldeer zorgvuldig deze leidingen aan de soldeerlippen nr. 1, 2, 3, 4 en 5 van de zwarte contactbus vast. Let er daarbij op dat er geen kortsluiting ontstaat. De nummers van de soldeerlippen zijn aan het zwarte isoleerlichaam aangebracht. Markeer de losse leidingsuiteinden met de overeenkomstige contactnummers (1-5) om te voorkomen dat ze verwisseld raken. Plaats de zwarte contactbus in omgekeerde volgorde in de metalen huls en schroef deze zorgvuldig vast. De contacttoewijzing gebeurt als volgt: Contact 1 Interne stuurspanning + 5 V/DC (<50 mA) Contact 2 Spanningsinstelling Contact 3 Stroominstelling Contact 4 Referentiemassa (“Ground”) Contact 5 Uitgang Aan/uit Contact 6 – 8 Niet bezet108 Sturing via externe spanningsbron De voeding kan met een externe spanningsbron van 0 tot 5V/DC over het gehele bereik voor spanning en stroom op afstand worden bediend. Voor het vervangen gaat u als volgt te werk: Verbind de aansluitleidingen van de Remote-bus zoals afgebeeld:
- Aansluiting 2 tot pluspool (+) van de externe stuurspanning.
- Aansluiting 4 tot minpool (-) van de externe spanningsbron. Stroominstelling “I“:
- Aansluiting 3 tot pluspool (+) van de externe stuurspanning.
- Aansluiting 4 tot minpool (-) van de externe spanningsbron. De spanning op de aansluiting van de afstandsbediening mag 5V niet overschrijden De aansluitingen mogen niet worden kortgesloten.
1. Schakel de voeding uit en verbind dan de Remote-bus met de Remote-
aansluiting op de achterkant. Schroef de buitenste bevestigingsring vast.
2. Regel de spanning van de externe spanningsbron op 0 V.
3. Schakel uw voeding in.
5. Via een externe spanningsbron kan nu de gewenste uitgangswaarde
worden ingesteld. Controleer het totale instelbereik op haar correcte werking. De uitgangsspanning kan op het display worden gecontroleerd. Sluit bij de controle van de stroomregelling de hoofduitgang (7) aan de achterkant met een voldoende dikke kabel kort (minst. 8 mm
). Controleer het totale instelbereik op haar correcte werking. Als de afstandsbedieningsfunctie niet meer nodig is, stelt u de MODE-schakelaar in de stand “Normal” in.109 Sturing via een regelbare weerstand (Poti). De voeding kan met een externe Poti (5 Kohm) over het gehele bereik voor spanning en stroom op afstand worden bediend. Voor het vervangen gaat u als volgt te werk: Verbind de aansluitleidingen van de Remote-bus zoals afgebeeld: Spanningsinstelling “V”
- Aansluiting 1 op het einde van de weerstand.
- Aansluiting 2 op het middelste glijcontact van de weerstand.
- Aansluiting 4 op het tweede uiteinde van de weerstand. Stroominstelling “I“:
- Aansluiting 1 op het einde van de weerstand.
- Aansluiting 3 op het middelste glijcontact van de weerstand.
- Aansluiting 4 op het tweede uiteinde van de weerstand. De aansluitingen 1 en 4 mogen niet worden kortgesloten.
1. Schakel de voeding uit en verbind dan de Remote-bus met de Remote-
aansluiting op de achterkant. Schroef de buitenste bevestigingsring vast.
2. Schakel uw voeding in.
4. Via de externe poti kunnen de gewenste uitgangswaarden worden
ingesteld. Controleer het totale instelbereik op haar correcte werking. De uitgangsspanning kan op het display worden gecontroleerd. Sluit bij de controle van de stroomregelling de hoofduitgang (7) aan de achterkant met een voldoende dikke kabel kort (minst. 8 mm
). Controleer het totale instelbereik op haar correcte werking. Als de afstandsbedieningsfunctie niet meer nodig is, stelt u de MODE-schakelaar in de stand “Normal” in.110 Uitgang op afstand bedienen (aan/uit) De DC-uitgang kan via een schakelcontact in- en uit worden geschakeld. Voor het vervangen gaat u als volgt te werk:
1. Verbind de aansluitleidingen van de Remote-bus zoals afgebeeld.
2. Contacteer aansluitingen 4 en 5 met een potentiaalvrij schakelcontact.
3. Als de uitgang is uitgeschakeld, knipperen de statusindicatoren “C.V.” en “C.C.” (1). Het
uitleesvenster geeft daarop de huidige instellingen van de uitgangsspanning en van de uitgangsstroom (1) aan.
4. Als de uitgang is uitgeschakeld, kunnen de uitgangswaarden met de instelregelaars voor spanning
(3) en stroombegrenzing (4) worden vastgelegd. Aan de contacten 4 en 5 mag geen spanning worden aangelegd.
5. Schakel de voeding uit en verbind dan de Remote-bus met de Remote-
aansluiting op de achterkant. Schroef de buitenste bevestigingsring vast.
6. Schakel uw voeding in.
7. Stel de MODE-schakelaar in de positie “Remote Ctrl” op de achterkant
in. De indicatie “REAR CONTROL” licht op.
8. Bij een open schakelcontact is de DC-uitgang actief, bij een gesloten
schakelcontact wordt de DC-uitgang uitgeschakeld. Controleer de schakelfunctie op haar correcte werking.
9. Bij een uitgeschakelde DC-uitgang verschijnt “O P OFF” op het display.
10. Als de afstandsbedieningsfunctie niet meer nodig is, stelt u de MODE-
1. Plaats de keuzeschakelaar MODE in positie Normal.
2. Sluit de voeding toevoer met de USB kabel aan op de USB hub op uw computer. Sluit de USB
kabel aan op de USB poort aan de achterzijde.
3. Schakel de voeding toevoer aan.
4. Start het programma met het hcs.exe bestand. Na het opstarten wordt de voeding toevoer
bestuurd via het programma.
5. De controlelamp REAR CONTROL gaat branden. De voeding toevoer registreert de ingangen niet
meer met de voorste regelknoppen. Bedieningselementen van de software en de basisbediening
A Functie tabs Schakel de functie van het venster aan de rechterzijde tussen:
- Instelling (Setting) B Data invoer tabel Het data invoerveld voor de externe tijdprogramma functie. Het maximale aantal acties is 20.112 C Tabel opschonen Wis alle data in de data invoer tabel voor de externe tijdprogramma functie. D Start / Stop Start (Start) / Stop (Stop) het externe tijdprogramma volgens de warden in de data invoer tabel. E Lopende Cyclus Het aantal cycli dat het tijdprogramma gaat draaien. De waarde is geldig van 0 - 999, waarbij 0 een oneindige cyclus betekent. F Tabel Beschrijving Een tekst veld voor het invoeren van een tabel beschrijving. G Bestandsbeheer Exporteer tabel/instellingen als .csv le. Importeer .csv geformatteerde tabel/instellingen Print huidige scherm H Overdracht instellingen Ingestelde spanning en stroom naar de voeding toevoer overdragen. I Uitgang aan/uit Activeer/deactiveer voeding toevoer. Invoer bevestigen met de (H) knop. Het LED-display toont "O P UIT". J Stroom Het veld waar u de stroom naar de voeding toevoer kunt programmeren. Na het invoeren van de waarde, drukt u op de enter toets (H) om de instellingen over te dragen naar de voeding toevoer. Eventueel kunt u de stroom instellen door middel van de schuifregelaar. K Voltage Het veld waar u de spanning naar de voeding toevoer kunt programmeren. Na het invoeren van de waarde, drukt u op de enter toets (H) om de instellingen over te dragen naar de voeding toevoer. Eventueel kunt u de spanning instellen door middel van de schuifregelaar. L Uitgang aan/uit Activeer/deactiveer voeding toevoer. Klik op de controle. Terwijl de uitgang wordt gedeactiveerd verschijnt in het LED display "O P UIT". M Instellingen U kunt de voltage instelling en de huidige begrenzing van de voeding toevoer aezen. N Status U kunt de huidige spanning, stroom en vermogen uitgang van de voeding toevoer aezen. "C.V" is gelijk aan de C.V. indicator; "C.C." is gelijk aan de C.C. indicator.113 Intern vooringesteld geheugen Met de software kunt u het vooraf ingestelde geheugen van de voeding lezen, instellen en toepassen.
- De waarden worden automatisch in de software geladen; als dat niet het geval is, kunt u de informatie laden met een druk op de knop Read From PS.
- Als u een van de vooraf ingestelde waarden wilt gebruiken, selecteert u de betreffende optie. Druk vervolgens op de knop Set.
- Als u de voorinstelling waarden wilt wijzigen, dubbelklikt u op het spanning (Voltage) of stroom (Current) veld en stelt de gewenste waarden in met de schuifregelaars. De ingestelde waarden voor spanning en stroom moeten >0,0 (groter dan nul) zijn voor u om de instellingen over te dragen aan de stroom toevoer via de knop Set.
- Als u de tabel wilt wissen, drukt u op de knop Clear Table. Met de knoppen voor bestandsbeheer (G) kunt u de instellingen importeren, exporteren of afdrukken.114 Logboek U kunt het real-time/geregistreerde spaning/stroom-diagram van deze functie bekijken. Met de knoppen voor bestandsbeheer (G) kunt u de instellingen importeren, exporteren of afdrukken.
- Schakel tussen opgenomen schema (Import) en het real-time schema (Now) door het selecteren van de overeenkomstige optie in de hoek linksonder.
- Verschuif het diagram in tijd met de schuifregelaar Move.
- Proportioneel kunt u het formaat van de afbeelding wijzigen met de schuifregelaar Zoom.
- Lees spanning, stroom en stroomverbruik van het diagram. Deze drie eenheden zijn gemarkeerd met een kleur en kunnen gemakkelijk worden onderscheiden met gebruik van de legende.115 Instellen Taal (Language) Gekozen software taal. COMM-poort (COM Port) De verbinding tussen de pc en de voeding. Deze wordt automatisch ingesteld bij het starten van de software en het wordt afgeraden om dit handmatig te wijzigen. DataLog monstertijd (Data Log Sampling Time) Het tijdinterval tussen elke bemonstering. Bovengrens spanning (UVL) instelling (Voltage Upper Limit (UVL) Setting) Beperk de afgegeven spanning vanuit de software. Bovengrens stroom (UCL) instelling (Current Upper Limit (UCL) Setting) Beperk de afgegeven stroom vanuit de software.
- Druk op de knop OK om de instellingen toe te passen.
Er werden op de voeding verschillende automatische beschermvoorzieningen geïntegreerd die de voeding tegen beschadigingen beschermen. De geactiveerde beschermvoorzieningen worden met lettercodes op het display weergegeven en gelijktijdig wordt de DC-uitgang uit veiligheidsoverwegingen uitgeschakeld. Als een beschermvoorziening actief is, moet de verbruiker onmiddellijk worden uitgeschakeld en van de voeding worden afgeklemd. Om de uitgang te heractiveren, schakelt u de voeding uit. Wacht tot alle indicatoren zijn uitgedoofd. Schakel de voeding opnieuw in. De voeding moet opnieuw normaal functioneren. Indien dit het geval niet is, kunt u contact opnemen met onze klantenservice. De volgende weergaven zijn mogelijk: Uitschakeling bij overspanning
- Aan de DC-uitgang werd een hogere vreemde spanning vastgesteld dan deze die de voeding toestaat. De uitgang wordt uitgeschakeld.
- Het spanningsniveau voor de uitschakeling zijn in de techn. gegevens vermeld. Uitschakeling bij oververhitting
- De geïntegreerde temperatuursensor heeft een te hoge systeemtemperatuur vastgesteld. Om oververhitting te voorkomen wordt de uitgang uitgeschakeld.
- Schakel de voeding uit en laat minstens 30 minuten afkoelen. Controleer na het inschakelen of de ventilator of de ventilatieopneningen geblokkeerd zijn. In de inschakel-zelftestfase moet de ventilator hoorbaar lopen. Indien dit het geval niet is, kunt u contact opnemen met onze klantenservice.117 Uitschakeling bij overbelasting
- Bij overbelasting aan de DC-uitgang wordt normaal gezien de stroombegrenzing actief. Indien dit het geval niet is, wordt een tweede beschermfunctie actief.
- Schakel onmiddellijk na het verschijnen van deze waarschuwingsmelding de voeding uit en controleer de aansluitgegevens van de verbruiker. Verwijder de verbruiker van de DC-uitgang van de leiding.
- Schakel de voeding opnieuw in en controleer de functie. Als de foutmelding blijft bestaan, kunt u contact opnemen met onze klantenservice.
14. ONDERHOUD EN REINIGING
- Verwijder de product van de voedingsbron.
- Afgezien van een incidentele reiniging of het vervangen van een zekering is de laboratoriumvoeding onderhoudsvrij.
- Gebruik voor het schoonmaken van het apparaat een schone, droge, antistatische en pluisvrije reinigingsdoek zonder toevoeging van schurende, chemische en oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen. Netzekering vervangen Kan de laboratoriumvoeding niet meer ingeschakeld worden, dan werd waarschijnlijk de netbeveiliging aan de achterzijde (12) geactiveerd. Voor het vervangen van de netzekering gaat u als volgt te werk:
1. Schakel de netvoeding uit en verwijder alle
aansluitsnoeren en de stekker van het apparaat.
2. Druk met een geschikte sleufschroevendraaier
de zekeringhouder (12) aan de achterkant met een hendelbeweging uit de houder.
3. Vervang de defecte zekering door een nieuwe
zwakstroomzekering (5x20 mm) van hetzelfde type en met dezelfde nominale stroomsterkte. De zekeringwaarde vindt u in het hoofdstuk “Technische gegevens”.
4. Druk de zekeringinzet in de klem voor
zekeringhouder. Zekeringen zijn vervangonderdelen, en worden niet door de garantie gedekt.118
15. VERHELPEN VAN STORINGEN
U heeft met deze laboratoriumvoeding een product aangeschaft dat betrouwbaar en veilig is in het gebruik. Toch kunnen zich problemen of storingen voordoen. Hieronder vindt u enkele manieren om eventuele storingen te verhelpen: Neem altijd de veiligheidsinstructies in acht! Fout Mogelijke oorzaak De voeding kan zich niet inschakelen.
- Brandt de bedrijfsindicator op de voeding (1)?
- Controleer de netspanning (evt. netzekering in het apparaat resp. de beveiligingsschakelaar in de kabel controleren). Aangesloten verbruikers functioneren niet.
- Is de juiste spanning ingesteld?
- Is de polariteit juist?
- Controleer de technische gegevens van de verbruiker. De indicatie “REAR CONTROL” licht op. Het toestel kan via de mal” Draairegelaar kan niet worden bediend. De werking met afstandsbediening is geactiveerd. Stel de schuifschakelaar “MODE” op de achterkant in de stand “Normal”. Indicatie “O P OFF” licht op. De DC-uitgang werd via de uitgang van de afstandsbediening (10) uitgeschakeld. Verwijder de verbinding tussen contact 4 en
5. De uitgang wordt opnieuw ingeschakeld.
De uitgangsstroom wordt 5 A re begrensd, hoewel de stroominstelling hoger ligt. De voorste aansluiting wordt tot max. 5 A begrensd. Voor hoge stromen sluit u de verbruiker aan de hoofduitgang aan de achterkant aan. De indicatie “C.C.” licht op. Constante stroomwerking: De vooringestelde stroomsterkte werd overschreden. Controleer de stroomopname van uw verbruiker en vergroot ev. de stroombegrenzing van de voeding. De indicatie “C.V.” licht op. Constante spanningswerking: De voeding werkt normaal. Op de uitgang wordt de ingestelde, constante spanning uitgegeven. OVP Uitschakeling bij overspanning: Zie het hoofdstuk “Beschermvoorzieningen”.119 OtP Uitschakeling bij overtemperatuur: Zie het hoofdstuk “Beschermvoorzieningen”. OLP Uitschakelen bij overbelasting: Zie het hoofdstuk “Beschermvoorzieningen” Andere reparaties dan hierboven beschreven, mogen uitsluitend door een erkende vakman worden uitgevoerd.
Alle elektrische en elektronische apparatuur die op de Europese markt wordt gebracht, moet met dit symbool zijn gemarkeerd. Dit symbool geeft aan dat dit apparaat aan het einde van zijn levensduur gescheiden van het ongesorteerd gemeentelijk afval moet worden weggegooid. Iedere bezitter van oude apparaten is verplicht om oude apparaten gescheiden van het ongesorteerd gemeentelijk afval af te voeren. Eindgebruikers zijn verplicht oude batterijen en accu‘s die niet bij het oude apparaat zijn ingesloten, evenals lampen die op een niet-destructieve manier uit het oude toestel kunnen worden verwijderd, van het oude toestel te scheiden alvorens ze in te leveren bij een inzamelpunt. Distributeurs van elektrische en elektronische apparatuur zijn wettelijk verplicht om oude apparatuur gratis terug te nemen. Conrad geeft u de volgende gratis inlevermogelijkheden (meer informatie op onze website):
- in onze Conrad-lialen
- in de door Conrad gemaakte inzamelpunten
- in de inzamelpunten van de openbare afvalverwerkingsbedrijven of bij de terugnamesystemen die zijn ingericht door fabrikanten en distributeurs in de zin van de ElektroG
- Voor het verwijderen van persoonsgegevens op het te verwijderen oude apparaat is de eindgebruiker verantwoordelijk.
- Houd er rekening mee dat in landen buiten Duitsland andere verplichtingen kunnen gelden voor het inleveren van oude apparaten en het recyclen van oude apparaten.120
Bedrijfsspanning: 100 – 240 V/AC, 50/60 Hz Max. ingangsstroom: 1,2 A / 2,4 A 1,2 A / 2,5 A 1,0 A / 2,0 A Max. uitgangsvermogen: 180 W 180 W 150 W Uitgangsspanning: 1 – 18 V/DC 1 – 36 V/DC 1 – 60 V/DC Uitgangsstroom: 0 – 10 A 0 – 5 A 0 – 2500 mA Restspanning bij nominale last (eff.): 5 mV, 30 mA Spannings-Regeling bij 10 – 100 % lastverandering: 50 mV Spannings-Regeling bij netinstabiliteit (90 – 260 V/AC): 20 mV Stroom-Regeling bij 10 - 90% Lastverandering: 100 mA Stroom-Regeling bij netinstabiliteit (90 – 260 V/AC): 50 mA Weergavenauwkeurigheid: ±0,2% +3 dgt OVP-uitschakelniveau van V-uitgang: +2 V (1 – 5 V) +3 V (5 – 18 V) +2 V (1 – 5 V) +3 V (5 – 20 V) +4 V (20 – 36 V) +2 V (1 – 5 V) +3 V (5 – 20 V) +4 V (20 – 60 V) Rendement: 84,7 % 85,9 % 86 % Klokfrequentie: 100 – 120 kHz Arbeidsfactor met aktieve PFC: >0,95 Toestelventilator: Temperatuurgestuurd (0 – 100 %) Netzekering Traag (5 x 20 mm): F6AL250V Bedrijfstemperatuur: 0 tot +45 ºC Toegestane luchtvochtigheid: 10 – 80 %, niet condenserend Opslagtemperatuur: -15 tot +70 ºC Luchtvochtigheid tijdens opslag: 0 – 85 %, niet condenserend Bedrijfshoogte: max. 2000 m boven de zeespeigel (N.N.) Veiligheidsklasse: 1 Gewicht: 2,4 kg Afmetingen (B x H x D): 200 x 90 x 208 mm121
PPS 13610 PPS 16005 PPS 11815
Bedrijfsspanning: 100 – 240 V/AC, 50/60 Hz Max. ingangsstroom: 2,1 A / 4,6 A 2,1 A / 4,6 A 1,7 A / 3,8 A Max. uitgangsvermogen: 360 W 360 W 300 W Uitgangsspanning: 1 – 18 V/DC 1 – 36 V/DC 1 – 60 V/DC Uitgangsstroom: 0 – 20 A 0 – 10 A 0 – 5 A Restspanning bij nominale last (eff.): 5 mV, 30 mA Spannings-Regeling bij 10 – 100 % lastverandering: 50 mV Spannings-Regeling bij netinstabiliteit (90 – 260 V/AC): 20 mV Stroom-Regeling bij 10 - 90% Lastverandering: 100 mA Stroom-Regeling bij netinstabiliteit (90 – 260 V/AC): 50 mA Weergavenauwkeurigheid: ±0,2% +3 dgt OVP-uitschakelniveau van V-uitgang: +2 V (1 – 5 V) +3 V (5 – 18 V) +2 V (1 – 5 V) +3 V (5 – 20 V) +4 V (20 – 36 V) +2 V (1 – 5 V) +3 V (5 – 20 V) +4 V (20 – 60 V) Rendement: 82,5 % 82,9 % 83,3 % Klokfrequentie: 100 – 120 kHz Arbeidsfactor met aktieve PFC: >0,95 Toestelventilator: Temperatuurgestuurd (0 – 100 %) Netzekering Traag (5 x 20 mm): F6AL250V Bedrijfstemperatuur: 0 tot +45 ºC Toegestane luchtvochtigheid: 10 – 80 %, niet condenserend Opslagtemperatuur: -15 tot +70 ºC Luchtvochtigheid tijdens opslag: 0 – 85 %, niet condenserend Bedrijfshoogte: max. 2000 m boven de zeespeigel (N.N.) Veiligheidsklasse: 1 Gewicht: 2,4 kg Afmetingen (B x H x D): 200 x 90 x 208 mm122
Notice-Facile