VOLTCRAFT HPS16010 - Laboratoriumvoeding

HPS16010 - Laboratoriumvoeding VOLTCRAFT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis HPS16010 VOLTCRAFT in PDF-formaat.

📄 106 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice VOLTCRAFT HPS16010 - page 80
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Nederlands NL

Download de handleiding voor uw Laboratoriumvoeding in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding HPS16010 - VOLTCRAFT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. HPS16010 van het merk VOLTCRAFT.

GEBRUIKSAANWIJZING HPS16010 VOLTCRAFT

GEBRUIKSAANWIJZING PAGINA 79 - 104

Geachte klant, wij danken u hartelijk voor het aanschaffen van dit Voltcraft

-product. Hiermee heeft u een uitstekend product in huis gehaald. Voltcraft

- deze naam staat op het gebied van meettechniek, laadtechniek en voedingsspanning voor onovertroffen kwaliteitsproducten die worden gekenmerkt door gespecialiseerde vakkundigheid, buitengewone prestaties en permanente innovaties. Voor ambitieuze elektronica-hobbyisten tot en met professionele gebruikers ligt voor de meest ingewikkelde taken met een product uit het Voltcraft

-assortiment altijd de perfecte oplossing binnen handbereik. Bovendien: bieden wij u de geavanceerde techniek en betrouwbare kwaliteit van onze Voltcraft

-producten tegen een nagenoeg niet te evenaren verhouding van prijs en prestaties. Daarom scheppen wij de basis voor een duurzame, goede en tevens succesvolle samenwerking. Wij wensen u veel plezier met uw nieuwe Voltcraft

-product! Alle vermelde bedrijfs- en productnamen zijn handelsmerken van de respectievelijke eigenaren. Alle rechten voorbehouden. Bij technische vragen kunt u zich wenden tot onze helpdesk. Voor meer informative kunt u kijken op www.conrad.nl of www.conrad.be81

2. VOORGESCHREVEN GEBRUIK

De programeerbare laboratoriumvoeding dient als potentiaalvrije DC-spanningsbron voor de aandrijving van laag- spanningsapparaten. De instelbare uitgang kan aan de voorkant tot max. 5 A en aan de achterkant tot de volledige nominale stroomsterkte worden ingesteld. De voorste uitgang is tot 5 A begrensd en beschermd tegen overbelas- ting. Bij een serieschakeling van de uitgangen van meerdere voedingen kunnen aanraakgevaarlijke spanningen >70 V/DC opgewekt worden. Vanaf deze spanning moeten omwille van veiligheidsredenen geïsoleerde leidingen/ meetsnoeren worden gebruikt. De aansluiting gebeurt aan de voorkant via 4 mm veiligheidsbussen, aan de achter- kant via hogestroom-schroefklembussen. De uitgangen (voor en achter) zijn met elkaar verbonden. Er moeten voldoende gedimensioneerde aansluitkabels worden gebruikt. Een te kleine ledings- doorsnede kan tot oververhitting en brand leiden. De uitgangsgegevens van de laboratoriumvoedingen zijn als volgt: Type Uitgangsspanning Uitgangsstroom

De instelling van spanning en stroom wordt traploos via digitale draairegelaars met grove en jne instelling uitgevo- erd, zodat een snelle en nauwkeurige instelling van de waarde mogelijk is. De waarden worden aangegeven op een overzichtelijke display. De stroombegrenzing voor het gebruik met constante stroom kan zonder kortsluitingsbrug vooraf worden ingesteld. De netvoeding is op afstand bedienbaar. Via een externe spanning (0 - 5 V/DC) of via een externe potentiometer (5 kOhm) kan de uitgangsspanning en de uitgangsstroom worden ingesteld. De DC-uitgang is via een schakelcon- tact in- en uitschakelbaar. Bij model HPS-11560 is bovendien een afstandssensorfunctie (sense) beschikbaar. De spanningval bij hoge laststromen kan zo worden gecompenseerd. De uitgangsspanning blijft direct aan de verbruiker absoluut stabiel en onafhankelijk van de last. Drie vrij programmeerbare opslagplaatsen kunnen met verschillende voorgeschreven spanningen en stroombegren- zingen worden bezet. De keuzeschakelaar bevindt zich aan de achterkant. Het apparaat is bestand tegen overbelasting en kortsluitingen en beschikt over een veiligheidstemperatuuruitscha- keling. De laboratoriumvoeding voldoet aan veiligheidsklasse 1. Dit product is alleen goedgekeurd voor aansluiting op een randgeaarde contactdoos met een gebruikelijke wisselspanning van 230 V/AC. Het stopcontact moet zich in de buurt van het toestel bevinden en gemakkelijk toegankelijk zijn of er moet een nood- stopinrichting aanwezig zijn.82 Het gebruik onder inwerking van ongunstige omgevingsomstandigheden is niet toegestaan. Ongunstige omstandig- heden zijn: - vocht of een te hoge luchtvochtigheid - stof en brandbare gassen, dampen of oplossingsmiddelen. - onweer resp. weersomstandigheden zoals sterk elektrostatische velden enz. Een andere toepassing dan hierboven beschreven kan leiden tot beschadiging van het product. Daarnaast bestaat het risico van bijv. kortsluiting, brand of elektrische schokken. Het complete product mag niet worden veranderd of omgebouwd! De veiligheidsvoorschriften dienen absoluut in acht te worden genomen!

  • Netsnoer met randaarde
  • Gebruiksaanwijzing Geactualiseerde gebruiksinstructies:

1. Open www.conrad.com/downloads in een browser of scan de afgebeelde QR-code.

2. Kies het documententype en de taal en vul het productnummer in het zoekveld in. Nadat

u de zoekopdracht heeft uitgevoerd, kunt u de weergegeven documenten downloaden.83

4. VERKLARING VAN DE SYMBOLEN

Een uitroepteken in een driehoek wijst op belangrijke instructies in deze gebruiksaanwijzing die absoluut opgevolgd dienen te worden. Een bliksemschicht in een driehoek waarschuwt voor een elektrische schok of een veiligheidsbeperking van elektrische onderdelen in het apparaat. Het “pijl”-pictogram staat voor speciale tips en bedieningsaanwijzingen. Alleen voor toepassing in droge binnenruimtes. Dit apparaat is CE-goedgekeurd en voldoet aan de betrokken Europese richtlijnen. Aardklem; deze schroef mag niet worden losgedraaid.

5. VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN

Bij schade veroorzaakt door het niet opvolgen van de gebruiksaanwijzing, vervalt het recht op garantie! Voor gevolgschade die hieruit ontstaat, zijn wij niet aansprakelijk! Voor materiële schade of persoonlijk letsel, veroorzaakt door ondeskundig gebruik of het niet op- volgen van de veiligheidsaanwijzingen, aanvaarden wij geen aansprakelijkheid! In zulke gevallen vervalt de garantie. Geachte klant, deze veiligheidsvoorschriften hebben niet alleen de bescherming van het product, maar ook van uw ge- zondheid en die van andere personen tot doel. Lees daarom dit hoofdstuk zeer aandachtig door voordat u het product gebruikt! Dit product heeft de fabriek in veiligheidstechnisch perfecte staat verlaten. Om deze status van het toestel te handhaven en een veilige werking te garanderen, moet de gebruiker de veiligheidsinstructies en waarschuwingen in acht nemen die in deze gebruiksaanwijzing zijn opgenomen.

  • Meetapparaten en accessoires zijn geen speelgoed; houd deze buiten bereik van kinderen!
  • In industriële omgevingen dienen de Arbovoorschriften ter voorkoming van ongevallen met betrekking tot elektrische installaties en bedrijfsmiddelen in acht te worden genomen. In scholen, opleidingscentra, hobbyruimten en werkplaatsen moet door geschoold personeel voldoende toezicht worden gehouden op het werken met apparaten op netvoeding.
  • Zorg dat uw handen, schoenen, kleding, de grond en de netvoeding absoluut droog zijn.
  • Bij het openen van deksels of het verwijderen van onderdelen, ook wanneer dit handmatig mogelijk is, kunnen spanningvoerende delen worden blootgelegd.84
  • Voordat het apparaat wordt geopend, moet deze van alle spanningsbronnen zijn losgekoppeld. Condensators in het toestel kunnen nog geladen zijn, ook als het toestel van alle spanningsbronnen losgemaakt werd.
  • Schakel de laboratoriumvoeding apparaat nooit meteen in nadat ze van een koude in een warme ruimte is gebracht. Het condenswater dat wordt gevormd, kan onder bepaalde omstandigheden het apparaat beschadigen. Laat het apparaat uitgeschakeld op kamertemperatuur komen.
  • De voeding wordt warm tijdens gebruik; zorg voor voldoende ventilatie. Ventilatiesleuven mogen niet worden afgedekt!
  • Stel het apparaat niet bloot aan direct zonlicht. Warmtebronnen in de onmiddellijke omgeving moeten worden vermeden. Het toestel kan oververhit raken.
  • De voeding en aangesloten verbruikers mogen niet zonder toezicht in werking zijn.
  • Zet geen voorwerpen met vloeistoffen, bijv. vazen of planten, op of naast de voeding. Als het apparaat omvalt, dan kan het toestel beschadigd raken en bestaat het gevaar van explosie of brand. Tijdens het werken met voedingsapparaten is het dragen van metalen of geleidende sieraden, zoals kettingen, armbanden, ringen o.i.d. verboden.
  • De voeding is niet voor toepassing op mensen en dieren toegestaan.
  • Stal het apparaat niet bloot aan mechanische belastingen. Een val van op geringe hoogte kan het apparaat reeds beschadigen. Trillingen moeten worden vermeden.
  • Wanneer kan worden aangenomen dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is, mag het apparaat niet meer worden gebruikt en moet het worden beveiligd tegen onbedoeld gebruik. U mag ervan uitgaan dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is indien: - het apparaat zichtbaar is beschadigd, - het apparaat niet meer functioneert en - het product gedurende langere tijd onder ongunstige omstandigheden is opgeslagen of - het apparaat tijdens transport zwaar is belast.
  • Neem ook de veiligheidsvoorschriften in acht, zoals die beschreven zijn in de afzonderlijke hoofdstuk- ken resp. in de gebruiksaanwijzingen van de aangesloten apparaten.85

6. BEDIENINGSELEMENTEN (Zie uitklappagina)

(1) Netschakelaar voor inbedrijfname (I = IN / O = UIT) (2) Spanningsweergave “V” (3) Stroomweergave “A” (4) Statusindicator uitgang “C.V. (gebruik bij constante stroom) (5) Statusindicator uitgang “C.C. (stroombegrenzing/gebruik bij constante stroom) (6) Statusindicator “REAR CONTROL” geeft actieve afstandsbediening of gebruik met voorgeschreven spanning aan (7) Instelregelaar voor de spanning (met toetsfunctie voor grof-/jnomschakeling) (8) Instelregelaar voor de stroombegrenzing (met toetsfunctie voor grof-/jnomschakeling) (9) Aansluitbus minpool (max. 5 A!) (10) Aansluitbus pluspool (max. 5A!) (11) Hoge-lastaansluiting pluspool (schroefklem met busfunctie) (12) Hoge-lastaansluiting minpool (schroefklem met busfunctie) (13) Schuifschakelaar voor selectie van de 4 gebruiksmodi “MODE” (14) Afstandssensoraansluiting “SENSE” (enkel bij HPS-11560) (15) Schuifschakelaar voor selectie van de drie vrij denieerbare voorgeschreven spanningsplaatsen “RECALL” (16) Aansluiting afstandsbediening “Remote Control” (17) Temperatuurgestuurde toestelventilator. Niet afdekken! (18) Beschermcontact-koude apparaataansluiting voor netsnoer (19) Zekeringhouder voor de netzekering86

7. FUNCTIEBESCHRIJVING

  • De laboratoriumvoeding werkt met geavanceerde schakel-technologie en actieve PFC (vermogenfactorcorrectie). Dit maakt een stabiele uitgangsspanning en een hoog rendement mogelijk
  • De gelijkspanningsuitgangen zijn potentiaalvrij en voorzien van een veiligheidsontkoppeling ten opzichte van de netspanning. Bijkomend gebeurt de DC-aansluiting telkens via twee gekleurde veiligheidsbussen aan de voorkant (max. 5A) en via twee hoge-lastschroefklemmen met bussen aan de achterkant (volledig nominaal stroombereik).
  • Op het overzichtelijke dubbele display worden spanning en stroom weergegeven (V = Volt = eenheid van elektri- sche spanning, A = Ampère = eenheid van elektrische stroomsterkte) en de statusindicatoren bij toestelstoringen.
  • Diverse beveiligingen, zoals bijvoorbeeld tegen overbelasting, stroombegrenzing, oververhitting enz. werden voorzien voor een veilig en betrouwbaar gebruik.
  • De koeling van het apparaat gebeurt door een temperatuurgestuurde ventilator. Er moet bijgevolg worden gelet op een voldoende luchtcirculatie.
  • Op de voeding kan de uitgangsspanning en de uitgangsstroom traploos worden ingesteld.87

De voeding is geen lader. Gebruik voor het laden van accu’s geschikte laders met een geschikte laaduitschakeling. Bij langdurig gebruik met nominale last wordt het oppervlak van de behuizing warm. Let op! Mogelijk gevaar op verbranden! Zorg daarom altijd voor voldoende ventilatie rondom de voeding en gebruik deze nooit geheel of gedeeltelijk afgedekt om eventuele schade te voorkomen. Let er bij het aansluiten van een verbruiker op de voeding op dat deze uitgeschakeld is. Een ingeschakelde verbruiker kan bij aansluiting op de uitgangsklemen van de voeding leiden tot vonkvorming, wat op haar beurt kan leiden tot beschadiging van de aansluitbussen resp. tot schade aan de aangesloten leidingen en/of hun klemmen. Schakel de voeding uit en koppel ze los van het net als ze niet wordt gebruikt. De indicatoren blijven na het uitschakelen nog enkele seconden ingeschakeld om de interne condensatoren te ontladen en de laatst ingestelde parameters op te slaan. Er dient absoluut op een voldoende grote leidingsdoorsnede van de DC-aansluitleidingen te worden gelet aangezien overbelasting tot een leidingbrand kan leiden. a) Aansluiting van het netsnoer Verbind de meegeleverde netkabel met randaarde met de netaansluiting (18) van de voeding. Controleer de aansluiting. Verbind het netsnoer met een goedgekeurd stopcontact met randaarde. De totale lengte van de netkabels tot aan de contactdoos mag niet meer zijn dan 3 m. b) Opstellen van het toestel Plaats de laboratoriumvoeding op een stabiele, vlakke en degelijke ondergrond. Let er op, dat de verluchtingsgleu- ven van het apparaat niet worden afgedekt. c) Algemeen De laboratoriumvoeding wordt gestuurd door microprocessoren en wordt via twee digitale instelregelaars (incre- mentele sensor zonder eindpositie) met toetsenfunctie bediend. Dit maakt jne en grove regeling via een regelaar mogelijk. Na het inschakelen vindt er een systeemcontrole plaats. In de beide schermen (2 en 3) wordt de teststatus weerge- geven.88 De volgorde van de meldingen is als volgt: Weergave van de actuele softwarestand. Segmenttest of de weergave met alle individuele segmenten functioneert. Daarna volgt de test van de LED-indicatoren “C.V.”, “C.C.” en “REAR CONTROL”. Systeemtest van de beschermvoorzieningen begint. De bescherming tegen overspanning wordt getest. De bescherming tegen overbelasting wordt getest. De bescherming tegen oververhitting wordt getest. Ventilatortest. De ventilator wordt kort over het gehele toeren- talbereik getest. Het ventilatortoerental neemt kort daarop hoorbaar toe. De afstandsbedieningsfunctie voor “Uitgang uit” wordt getest. Na deze stap wordt naar de normale bedrijfsweergave omge- schakeld.89 De voeding laat het gebruik in 4 modi toe. Deze modi worden via een schuifschakelaar aan de achterkant “MODE” (13) geselecteerd. De volgende modi zijn mogelijk: Normaal Normaal gebruik De instelling van spanning en stroom gebeurt aan de voorkant Preset Gebruik van opslagplaats. In het toestel kunnen drie voorgeschreven spanningen worden opgeslagen en via deze “Preset”-functie rechtstreeks worden geselecteerd. De keuze van de opslagplaats gebe- urt via de schuifschakelaar “RECALL” (15). De voorste instelregelaars zijn gedeactiveerd. Remote Ctrl Gebruik met afstandsbediening. De voeding kan via een externe spanning of een externe poti op afstand worden bediend. De afstandsinstelling kan voor spanning en stroom gebeuren. De voorste instelregelaars zijn gedeactiveerd. Set Instelbedrijf. De drie preset-plaatsen kunnen vrij worden geprogrammeerd. Opslagplaats op schuif- schakelaar “RECALL” (15) selecteren en instellingen via instelregelaar (7, 8) instellen. De individuele bedrijfsmodi worden hieronder uitgebreider beschreven. d) Het toestel handmatig op nul zetten De voeding wordt automatisch bij elke inschakeling op nul gezet. In geval u het toestel tijdens de werking op nul dient te zetten en u wilt het toestel niet opnieuw opstarten, zet het toestel handmatig op nul.

1. Druk en houd de VOLTAGE regelknop circa 30 seconden ingedrukt om de MENU modus te openen. “CCO” en

“no” worden weergegeven.

2. Draai de CURRENT regelknop totdat “CCO” en “YES” worden weergegeven.

3. Druk eenmaal op de CURRENT regelknop om het toestel op nul te zetten. “YES” brandt in het display om het

succesvol op nul zetten te bevestigen.

4. Druk op de VOLTAGE regelknop om de MENU modus af te sluiten.90

e) Normaal gebruik Bij normale werking laat de voeding zich via de voorste instelregelaar bedienen. Let erop dat de schuifschakelaar “MODE” zich in de stand “Normal” bevindt. Verwijder de aangesloten verbruiker van de uitgang (9 en 10 of 11 en 12). Schakel de voeding in via de aan/uit-schakelaar (1). Het display (2 en 3) licht op en na een korte zelftest verschijnt de spannings- en stroomaanduiding. Stel voor elke spanningsinstelling eerst de stroombegrenzing in. Een te hoge stroomwaarde kan uw aansluit- leidingen beschadigen, een te lage stroomwaarde (<1 A) kan de uitgangsspanning begrenzen. Stroombegrenzing instellen De begrenzing van de uitgangsstroom is een beschermingsmechanisme, om de verbruiker of de aansluitdraden te beschermen. De stroombegrenzing kan zonder kortsluiting aan de uitgang vooraf worden ingesteld. De voeding levert dan maximum de vooraf ingestelde stroom. Verwijder de aangesloten verbruiker van de voeding. Schakel de voeding in via de aan/uit-schakelaar (1). Het display (2 en 3) licht op en na een korte zelftest verschijnt de spannings- en stroomaanduiding. Stel de stroombegrenzing op de instelregelaar “CURRENT” volgens uw gebruik in. Draai aan de regelaar en de stroombegrenzingswaarde verschijnt. Als er binnen de 3 seconden geen instelling gebeurt, schakelt het scherm naar de actuele stroo- maanduiding terug. Om de stroombegrenzing in te stellen, draait u de instelregelaar naar links of rechts. Na het inschakelen is het jn-instelbereik (0,1 A) altijd actief. Dit wordt door een licht helderder getal weergegeven. Druk kort vooraan op de draairegelaar. De decimaalwaarde (1,0 of 0,1) van het instelbereik verandert bij elke druk. Wanneer u draait, verandert de waarde. De instelling kan grof (bij de eenheden) of jn (bij de tientallen) gebeuren. Als de gewenste stroomwaarde werd ingesteld, schakelt het scherm na ca. 3 seconden automatisch naar de normale weergave terug. Wordt de vooraf ingestelde stroomsterkte tijdens het normale gebruik bereikt, dan schakelt de voeding over op stroombegrenzing en vermindert daarbij de spanningswaarde. Dit bedrijf wordt aangegeven met de rode statusindicatie “C.C.” (5).91 Uitgangsspanning instellen De uitgangsspanning kan op de instelregelaar “VOLTAGE” (7) worden ingesteld. De grove en jne regeling gebeurt op dezelfde wijze zoals bij de instelling van de stroombegrenzing. Door het grote regelbereik is het mogelijk dat de spannignsinstelling ca. 1-2 seconden nodig heeft om van een hoge naar een lage spanningswaarde over te gaan. Bij normaal gebruik werkt het apparaat in de constante spanningsmodus. Dit betekent dat de voeding een vooraf ingestelde, constante spanning afgeeft. Deze werking wordt aangegeven met de groene statusindica- tor “C.V.” (4). Aansluiten van een verbruiker Let bij het aansluiten van een verbruiker op dat deze uitgeschakeld met de voeding wordt verbonden. De max. stroomopname van de aan te sluiten verbruiker mag de aanduidingen uit de technische gegevens niet overschrijden. Bij het in serie schakelen van de uitgangen van meerdere voedingen ontstaan aanraakgevaarlijke spanningen (> 70 VDC), die levensgevaarlijk kunnen zijn. Vanaf deze spanning mogen alleen geïsoleerde accessoires (aansluitleidingen, meetleidingen, enz.) worden gebruikt. Voorkom het gebruik van niet-geïsoleerde leidingen en contacten. Deze lege plaatsen dienen door geschikt, moeilijk ontvlambaar isolatiemateriaal of andere maatre- gelen te worden afgedekt om tegen rechtsreeks contact en kortsluiting te beschermen. Let op een voldoende sectie van de geleiders voor de verwachte stroomsterkte. Op de voeding zijn twee uitgangen beschikbaar. Deze uitgangen voeren altijd dezelfde uitgangsspanning. Het verschil ligt echter in de stroombelastbaarheid. Aan de voorste bussen (9 en 10) kan slechts een stroom van max. 5 A worden afgenomen. Er is een automatische stroombegrenzing geïntegreerd. De schroefbussen op de achterkant zijn voor de volledige nominale stroom bestemd. Vanaf 20 A uitgangsstroom is de schroefklemfunctie van de bussen aan de achterkant aangewe- zen om een oververhitting van de steekbussen te vermijden. Verwijder de aangesloten verbruiker van de uitgang. Schakel de voeding in via de aan/uit-schakelaar (1). De bedrijfsindicator (2/3) licht op en op het display worden spanning en stroom weergegeven. Stel de parameters in naar wens zoals beschreven in het hoofdstuk “In gebruik nemen”. Controleer nogmaals de correct ingestelde uitgangsspanning.92 Verbind de pluspool (+) van de verbruiker met de rode bus „+“ en de minpool (-) met de blauwe bus „-„ van de betreffende uitgang (vooraan = “AUX. OUTPUT”, achteraan = “MAIN OUTPUT”). De aangesloten verbruiker kan nu worden ingeschakeld. De stroomopname van de aangesloten verbruiker wordt op het display (3) in ampere (A) weergegeven. f) Gebruik van opslagplaats “Preset” en “Set” Op het toestel kunnen drie voorgeschreven spanningen incl. stroominstellingen via de “Set”-functie worden opgesla- gen en via de “Preset”-functie rechtstreeks worden geselecteerd. Af fabriek zijn alle drie opslagplaatsen (P1, P2, P3) vooringesteld. Deze zijn als volgt toegewezen: Geheugen Type P1 P2 P3 Spanning Stroom Spanning Stroom Spanning Stroom HPS-11530 5 V Maximum 13,8 V Maximum 15 V Maximum HPS-11560 15 V HPS-13015 25 V HPS-13030 25 V HPS-16015 55 V Let erop dat er geen verbruikers zijn aangesloten. Activeer de “Preset”-functie via de schuifschakelaar “MODE” (13) aan de achter- kant. Zet de schakelaar in de stand “Preset”. De LEDindicator “REAR CONTROL” (6) op de voorkant licht op. De voorste draairegelaars zijn nu gedeactiveerd93 Selecteer op de schuifschakelaar “RECALL” (15) aan de achterkant de overeenkomstige opslagplaats “P1, P2 of P3”. De overeenkomstige uitgangsspanning wordt op de display (2) weergegeven. De verbruiker kan worden aangesloten en ingeschakeld. Om de voorgeschreven spanningsfunctie te deactiveren schuift u de schuifschakelaar “MODE” (13) terug naar de positie “Normal”. De LED-indicator “REAR CONTROL” (6) dooft uit. Het wordt bij normaal gebruik van de voeding omgeschakeld (DC-verbruiker altijd op voorhand verwijderen!) Opslagplaats zelf toewijzen “Set” Alle drie de opslagplaatsen kunnen met gebruikseigen waarden voor uitgangsspanning en stroombegrenzing worden ingevuld. Let erop dat er geen verbruikers zijn aangesloten. U gaat hiervoor als volgt te werk: Activeer de “Set”-functie via de schuifschakelaar “MODE” (13) aan de achterkant. Zet de schakelaar in de stand “Set”. De LEDindicator “REAR CONTROL” (6) op de voorkant licht op. Selecteer op de schuifschakelaar “RECALL” (15) aan de achterkant de overeenkomstige opslagplaats “P1, P2 of P3”. De overeenkomstige waarden voor spanning en stroom worden op het display (2/3) weergegeven. Via de voorste draairegelaar (7 en 8) kunnen de gewenste uitgangsspanning en de stroombegrenzing worden ingesteld. Herhaal deze desgewenst deze stappen met de andere opslagplaatsen. Als alle parameters zijn ingesteld, schuift u de schuifschakelaar “MODE” (13) terug naar de positie “Preset” voor het gebruik met voorgeschreven spanning of de stand “Normal” voor standaardgebruik.94 g) De uitvoer-voorinstellingen (P1/P2/P3) op de fabriekswaarden terugzetten De voeding stelt het voorinstellen van drie spanningswaarden (waaronder stroominstellingen) toe door middel van drie geheugenplaatsen: P1, P2, en P3. In geval u de geheugenplaatsen tijdens de werking naar de fabriekswaarden wilt terugzetten, voer het volgende uit:

1. Druk en houd de VOLTAGE regelknop circa 30 seconden ingedrukt om de MENU modus te openen. “CCO” en

“no” worden weergegeven.

2. Draai de VOLTAGE regelknop totdat “rPr” en “no” worden weergegeven.

3. Draai de CURRENT regelknop totdat “rPr” en “YES” worden weergegeven.

4. Druk eenmaal op de CURRENT regelknop om de vooringestelde waarden terug te zetten. “YES” brandt wanneer

de waarden met succes zijn teruggezet.

5. Druk op de VOLTAGE regelknop om de MENU modus af te sluiten.95

h) Gebruik met afstandsbediening “Remote Ctrl” Via de ingebouwde “Remote Control”-aansluiting van de afstandsbediening (16) kan de spannings- en stroominstel- ling met een externe spanningsbron of door een externe, instelbare weerstand (kort “poti”) gebeuren. De aansluiting van de afstandsbediening gebeurt met de “Remote Control”-inbouwstekker (16) aan de achterkant. Voor de aanslui- ting werd een Remote-bus inbegrepen. Bij gebruik met afstandsbediening moet de stroomstuurpad altijd mee aangesloten zijn, aange- zien de uitgang anders in de stroombegrenzingsmodus “C.C.” schakelt en de uitgangsspanning wordt begrensd. Voorbereiding van de aansluiting van de afstandsbediening Verwijder de zijdelingse schroeven van de ingebrepen steekbus en verwijder met een kleine draaibeweging de voorste, zwarte contactbus. Voer achteraan door de metalen huls vijf aansluitleidingen met een leidingsdoorsnede van minstens 0,34mm

. Sol- deer zorgvuldig deze leidingen aan de soldeerlippen nr. 1, 2, 3, 4 en 5 van de zwarte contactbus vast. Let er daarbij op dat er geen kortsluiting ontstaat. De nummers van de soldeerlippen zijn aan het zwarte isoleerlichaam aangebracht. Markeer de losse leidingsuiteinden met de overeenkomstige contactnummers (1-5) om te voorkomen dat ze verwisseld raken. Plaats de zwarte contactbus in omgekeerde volgorde in de metalen huls en schroef deze zorgvuldig vast. De contacttoewijzing gebeurt als volgt: Contact 1 Interne stuurspanning + 5 V/DC (<50 mA) Contact 2 Spanningsinstelling Contact 3 Stroominstelling Contact 4 Referentiemassa (“Ground”) Contact 5 Uitgang Aan/uit Contact 6 - 8 Niet bezet96 Sturing via externe spanningsbron De voeding kan met een externe spanningsbron van 0 tot 5V/DC over het gehele bereik voor spanning en stroom op afstand worden bediend. Voor het vervangen gaat u als volgt te werk: Verbind de aansluitleidingen van de Remote-bus zoals afgebeeld: Spanningsinstelling “U”: Spanningsinstelling “I“: Aansluiting 2 tot pluspool (+) van de externe stuur- spanning Aansluiting 3 tot pluspool (+) van de externe stuur- spanning Aansluiting 4 tot minpool (-) van de externe spannings- bron Aansluiting 4 tot minpool (-) van de externe spannings- bron De spanning op de aansluiting van de afstandsbediening mag 5 V niet overschrijden. De aansluitingen mogen niet worden kortgesloten. Schakel de voeding uit en verbind dan de Remote-bus met de Remote-aansluiting op de achterkant. Schroef de buitenste bevestigingsring vast. Regel de spanning van de externe spanningsbron op 0 V. Schakel uw voeding in. Stel de MODE-schakelaar in de positie “Remote Ctrl” op de achterkant in. De indicatie “REAR CON- TROL” licht op. Via een externe spanningsbron kan nu de gewenste uitgangswaarde worden ingesteld. Controleer het totale instelbereik op haar correcte werking. De uitgangsspanning kan op het display worden gecontroleerd. Sluit bij de controle van de stroomregelling de hoofduitgang (11, 12) aan de achterkant met een voldoende dikke kabel kort (minst. 8 mm2). Controleer het totale instelbereik op haar correcte werking. Als de afstandsbedieningsfunctie niet meer nodig is, stelt u de MODE-schakelaar in de stand “Normal” in.97 Sturing via een regelbare weerstand (Poti) De voeding kan met een externe Poti (5 Kohm) over het gehele bereik voor spanning en stroom op afstand worden bediend. Voor het vervangen gaat u als volgt te werk: Verbind de aansluitleidingen van de Remote-bus zoals afgebeeld: Spanningsinstelling “U”: Spanningsinstelling „I“: Aansluiting 1 op het einde van de weerstand Aansluiting 1 op het einde van de weerstand Aansluiting 2 op het middelste glijcontact van de weerstand Aansluiting 3 op het middelste glijcontact van de weerstand Aansluiting 4 op het tweede uiteinde van de weerstand Aansluiting 4 op het tweede uiteinde van de weerstand De aansluitingen 1 en 4 mogen niet worden kortgesloten. Schakel de voeding uit en verbind dan de Remote-bus met de Remote-aansluiting op de achterkant. Schroef de buitenste bevestigingsring vast. Schakel uw voeding in. Stel de MODE-schakelaar in de positie “Remote Ctrl” op de achterkant in. De indicatie “REAR CONTROL” licht op. Via de externe poti kunnen de gewenste uitgangswaarden worden ingesteld. Controleer het totale instelbereik op haar correcte werking. De uitgangsspanning kan op het display worden gecontroleerd. Sluit bij de controle van de stroomregelling de hoofduitgang (11, 12) aan de achterkant met een voldoende dikke kabel kort (minst. 8 mm

). Controleer het totale instelbereik op haar correcte werking. Als de afstandsbedieningsfunctie niet meer nodig is, stelt u de MODE-schakelaar in de stand “Normal” in.98 Uitgang op afstand bedienen (aan/uit) De DC-uitgang kan via een schakelcontact in- en uit worden geschakeld. Voor het vervangen gaat u als volgt te werk: Verbind de aansluitleidingen van de Remote-bus zoals afgebeeld. Contacteer aansluitingen 4 en 5 met een potentiaalvrij schakelcontact. Als de uitgang is uitgeschakeld, knipperen de statusindicatoren “C.V.” (4) en “C.C.” (5). Het uitleesvenster geeft daarop de huidige instellingen van de uitgangsspanning (2) en van de uitgangsstroom (3) aan. Als de uitgang is uitgeschakeld, kunnen de uitgangswaarden met de instelregelaars voor spanning (7) en stroombegrenzing (8) worden vastgelegd. Aan de contacten 4 en 5 mag geen spanning worden aangelegd. Schakel de voeding uit en verbind dan de Remote-bus met de Remote-aansluiting op de achterkant. Schroef de buitenste bevestigingsring vast. Schakel uw voeding in. Stel de MODE-schakelaar in de positie “Remote Ctrl” op de achterkant in. De indicatie “REAR CONTROL” licht op. Bij een open schakelcontact is de DC-uitgang actief, bij een gesloten schakelcontact wordt de DC- uitgang uitgeschakeld. Controleer de schakelfunctie op haar correcte werking. Bij een uitgeschakelde DC-uitgang verschijnt “O P OFF” op het display. Als de afstandsbedieningsfunctie niet meer nodig is, stelt u de MODE-schakelaar in de stand “Normal” in.99

9. “SENSE”-FUNCTIE (ENKEL HPS-11560)

De HPS 11560 heeft een automatische spanningsregeling voor de hoge-stroomuitgang aan de achterkant. Daartoe worden twee afzonderlijke meetlijnen parallel met de aansluitleidingen aangesloten. Op deze beide meetleidingen wordt de spanningsval gemeten, die op de aansluitleidingen optreedt. Deze spanningsval wordt door de laboratori- umvoeding in evenwicht gebracht zodat de werkelijk ingestelde spanning aan de verbruiker is aangesloten. Voor het vervangen gaat u als volgt te werk: Verbind altijd eerst de toevoerleidingen van de voeding met de verbruiker. Let op de juiste polariteit. Druk de klemmenontgrendeling op de SENSE-aansluiting aan de achterkant met een kleine schroevendraaier naar binnen en steek de leidingen in de klemopeningen. Controleer of ze vast zitten. Verbind nu de beide “SENSE”-leidingen in de juiste poolrichting met de verbruiker. De leidingsdoorsnede voor de “SENSE”-leidingen moet minstens 0,34mm

bedragen. Verwijder de verbindingen altijd in omgekeerde volgorde (eerste de “SENSE”-leidingen en dan de aansluitleidingen). Let erop dat de SENSE-leidingen zo dicht mogelijk bij het aansluitpunt van de verbruiker contact maken. Let beslist op de juiste polariteit. Sluit de “SENSE”-leidingen nooit kort!

10. BESCHERMINGSVOORZIENINGEN

Er werden op de voeding verschillende automatische beschermvoorzieningen geïntegreerd die de voeding tegen beschadigingen beschermen. De geactiveerde beschermvoorzieningen worden met lettercodes op het display weer- gegeven en gelijktijdig wordt de DC-uitgang uit veiligheidsoverwegingen uitgeschakeld. Als een beschermvoorziening actief is, moet de verbruiker onmiddellijk worden uitgeschakeld en van de voeding worden afgeklemd. Om de uitgang te heractiveren, schakelt u de voeding uit. Wacht tot alle indicatoren zijn uitgedoofd. Schakel de voeding opnieuw in. De voeding moet opnieuw normaal functioneren. Indien dit het geval niet is, kunt u contact opnemen met onze klantenservice.100 De volgende weergaven zijn mogelijk: Uitschakeling bij overspanning Aan de DC-uitgang werd een hogere vreemde spanning vastgesteld dan deze die de voeding toestaat. De uitgang wordt uitgeschakeld. Het spanningsniveau voor de uitschakeling zijn in de techn. gegevens vermeld. Uitschakeling bij oververhitting De geïntegreerde temperatuursensor heeft een te hoge systeemtemperatuur vastgesteld. Om oververhitting te voorkomen wordt de uitgang uitgeschakeld. Schakel de voeding uit en laat minstens 30 minuten afkoelen. Controleer na het inschakelen of de ventilator of de ventilatieopneningen geblokkeerd zijn. In de inschakel-zelftestfase moet de ventilator hoorbaar lopen. Indien dit het geval niet is, kunt u contact opnemen met onze klantenservice. Uitschakeling bij overbelasting Bij overbelasting aan de DC-uitgang wordt normaal gezien de stroombegrenzing actief. Indien dit het geval niet is, wordt een tweede beschermfunctie actief. Schakel onmiddellijk na het verschijnen van deze waarschuwingsmelding de voeding uit en controleer de aansluitgegevens van de verbruiker. Verwijder de verbruiker van de DC- uitgang van de leiding. Schakel de voeding opnieuw in en controleer de functie. Als de foutmelding blijft bestaan, kunt u contact opnemen met onze klantenservice.

Elektronische apparaten zijn recyclebare stoffen en horen niet bij het huisvuil. Als het product niet meer werkt, moet u het volgens de geldende wettelijke bepalingen voor afvalverwer- king afvoeren. Zo voldoet u aan de wettelijke verplichtingen en draagt u bij tot de bescherming van het milieu.101

12. ONDERHOUD EN REINIGING

Afgezien van een incidentele reiniging of het vervangen van een zekering is de laboratoriumvoeding onderhoudsvrij. Gebruik voor het schoonmaken van het apparaat een schone, droge, antistatische en pluisvrije reinigingsdoek zonder toevoeging van schurende, chemische en oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen. Netzekering vervangen Kan de laboratoriumvoeding niet meer ingeschakeld worden, dan werd waarschijnlijk de netbeveiliging aan de achterzijde (19) geactiveerd. Voor het vervangen van de netzekering gaat u als volgt te werk: Schakel de netvoeding uit en verwijder alle aansluitsnoeren en de stekker van het apparaat. Druk met een geschikte sleufschroevendraaier de zekeringhouder (19) aan de achterkant met een hendelbeweging uit de houder. Vervang de defecte zekering door een nieuwe zwakstroomzekering (5 x 20 mm) van hetzelfde type en met dezelfde nominale stroomsterkte. De zekeringwaarde vindt u in het hoofdstuk “Technische gegevens”. Druk de zekeringinzet in de klem voor zekeringhouder.

13. VERHELPEN VAN STORINGEN

U heeft met deze laboratoriumvoeding een product aangeschaft dat betrouwbaar en veilig is in het gebruik. Toch kunnen zich problemen of storingen voordoen. Hieronder vindt u enkele manieren om eventuele storingen te verhelpen: Neem altijd de veiligheidsinstructies in acht!102 Fout Mogelijke oorzaak De voeding kan zich niet inscha- kelen. Brandt de bedrijfsindicator op de voeding (2)? Controleer de netspanning (evt. netzekering in het apparaat resp. de beveiligingsschakelaar in de kabel controleren). Aangesloten verbruikers functio- neren niet. Is de juiste spanning ingesteld? Is de polariteit juist? Controleer de technische gegevens van de verbruiker. De indicatie “REAR CONTROL” licht op. Het toestel kan via de mal” Draairegelaar kan niet worden bediend. De werking met afstandsbediening is geactiveerd. Stel de schuifscha- kelaar “MODE” op de achterkant in de stand “Normal“. Indicatie “O P OFF” licht op. De DC-uitgang werd via de uitgang van de afstandsbediening (16) uitge- schakeld. Verwijder de verbinding tussen contact 4 en 5. De uitgang wordt opnieuw ingeschakeld.. De uitgangsstroom wordt 5 A re begrensd, hoewel de stroominstel- ling hoger ligt. De voorste aansluiting wordt tot max. 5 A begrensd. Voor hoge stromen sluit u de verbruiker aan de hoofduitgang aan de achterkant aan. De indicatie “C.C.” licht op. Constante stroomwerking De vooringestelde stroomsterkte werd overschreden. Controleer de stroomopname van uw verbruiker en vergroot ev. de stroombegrenzing van de voeding. De indicatie “C.V.” licht op Constante spanningswerking De voeding werkt normaal. Op de uitgang wordt de ingestelde, constante spanning uitgegeven. OVP Uitschakeling bij overspanning Zie het hoofdstuk “Beschermvoorzieningen” OtP Uitschakeling bij overtemperatuur Zie het hoofdstuk “Beschermvoorzieningen” OLP Uitschakelen bij overbelasting Zie het hoofdstuk “Beschermvoorzieningen” Controleer regelmatig de technische veiligheid van het apparaat, bijv. op beschadiging van de behuizing. Zekeringen zijn vervangonderdelen, en worden niet door de garantie gedekt. Andere reparaties dan hierboven beschreven, mogen uitsluitend door een erkende vakman wor- den uitgevoerd. Als u vragen heeft omtrent het gebruik van het product, kunt u contact opnemen met onze technische helpdesk103

Rendement 85% 85% 86% 86% 89% Klokfrequentie 65 - 85 kHz 65 - 85 kHz 75 - 95 kHz 75 - 95 kHz 65 - 85 kHz Arbeidsfactor met aktieve PFC >0,95 Toestelventilator Temperatuurgestuurd (0 - 100%) Netzekering (5 x 20 mm) T3,15AL250V Glasbuis F8AL250V Glasbuis T3,15AL250V Glasbuis F8AL250V Glasbuis T4AL250V Glasbuis Bedrijfstemperatuur 0 tot +40 °C Relatieve lucht- vochtigheid

10 - 80%, niet condenserend

Colofon Dit is een publicatie van Conrad Electronic SE, Klaus-Conrad-Str. 1, D-92240 Hirschau (www.conrad.com). Alle rechten, vertaling inbegrepen, voorbehouden. Reproducties van welke aard dan ook, bijvoorbeeld fotokopie, micro- verlming of de registratie in elektronische gegevensverwerkingsapparatuur, vereisen de schriftelijke toestemming van de uitgever. Nadruk, ook van uittreksels, verboden. De publicatie voldoet aan de technische stand bij het in druk bezorgen. © Copyright 2016 by Conrad Electronic SE. V3_0116_01/SM

Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : VOLTCRAFT

Model : HPS16010

Categorie : Laboratoriumvoeding