MagicSpeed MS700 - Cruise control WAECO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MagicSpeed MS700 WAECO in PDF-formaat.
| Technische Kenmerken | Model: WAECO MagicSpeed MS700 |
|---|---|
| Type apparaat | Draagbare koelcompressor |
| Koelcapaciteit | Niet gespecificeerd |
| Voeding | 12V DC |
| Afmetingen | Niet gespecificeerd |
| Gewicht | Niet gespecificeerd |
| Gebruik | Ideaal voor reizen, kamperen en buitenactiviteiten |
| Onderhoud | Regelmatig reinigen van filters en controleren van elektrische verbindingen |
| Veiligheid | Alleen gebruiken met een geschikte stroombron |
| Algemene informatie | Beperkte garantie, raadpleeg de handleiding voor details |
Veelgestelde vragen - MagicSpeed MS700 WAECO
Gebruikersvragen over MagicSpeed MS700 WAECO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Cruise control in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MagicSpeed MS700 - WAECO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MagicSpeed MS700 van het merk WAECO.
GEBRUIKSAANWIJZING MagicSpeed MS700 WAECO
Montagehandleiding en gebruiksaan-wijzing
Leest u deze gebruikshandleiding, voordat u de apparatuur installeert.
Inhoud
Afbeeldingen bij de montagehandleiding 3-12
Inhoud 153
Aanwijzingen voor het gebruik van de montagehandleiding. 153
Veiligheids- en montageaanwijzingen 154
Leveringsomvang 156
Benodigd gereedschap 157
Bedieningsmodule 157
Variabeluuitslag van de bowdenkabel. 157
Kabeluitslag veranderen 158
Bevestiging van de bowdenkabel 158
Elektronicamodule. 159
Kabelboom 159
Diagnosemodus 165
Veiligheidsvoorzieningen 167
Instel-/leermodus 168
Bediening van de cruise control 173
Functiestest 174
Foutopsporing en storingsopheffing 175
Toebehoren 177
Instelmodus 179
Aanwijzing afvalbeheer 180
Technische gegevens 180
Aanwijzingen voor het gebruik van de montagehandleiding

Waurschuwing! Veiligheidsinstructie!
Veronachtzaming kan tot schade aan personen en materialen leiden.

Let op! Veiligheidsinstructie!
Veronachtzaming leidt tot materielle schade en heeft een negatieve invloed op het functioneren van cruise control MS-700.
De ruit staat voor montagestappen, die u UIT要去eren.
Om de montage probleemloos te latent verlopen, deutsche montage- en bedieningshandleiding voor het begin van de montage doorlezen. Mocht de handleiding Niet op al uw vragen antwoord geen of mochten sommige montagestappen u Niet duidelijk zichn, leg uw vraag dan beslist voor aan once technische Dienst.
Veiligheids- en montageaanwijzingen

Waarschuwing! Ondeugdelijke kabelverbindingen können tot gevolg hebben, dat door kortsluiting:
- kabelbrand ontstaat
- de airbag geactiveerd worden
- elektronische besturingsonderdelen beschadigd worden
- elektrische functies (knipperlicht, remlicht, claxon, contact, verlichting)uitvallen

Neem waarom de volgende aanwijzingen in acht:
Bij werkzaamheden aan de bekabeling van het voertuig gelden de volgende klemaanduidingen:
30 (ingang van accu plus direct)
15 (geschakelde plus, ache ter de accu)
31 (teruggeleiding vanaf de accu, massa)
58 (parkeerlicht) (achteruittrijlicht)
De veiligste manier van verbinden is om de kabeluiteinden aan elkaar te solderen en ze daarna te isoleren.
Gebruik bij verbindingen die weeer losgemaakt要去en worden alleen geisoleerde kabelschoenen, stekers en vlokstekerhulzen. Geen lusterklemmen gebruiken.
Voor het verbinden van kabels met kabelschoenen, stekers en vlakstekerhulzen een krimptang gebruiken.
Bij kabelaansluitingen aan 31 (massa):
de kabel met kabelschoen en getande borgring aan een voertuigeigen massaschroef vastmaken of met kabelschoen, plaatschroef en getande borgring aan de carrosseriebeplating vastschroeven.
Let op goede massaverbindungen!

Waarschuwing! Vanwege kortsluitingsgevaar voor werkzaamheden aan de elektrische bedrading van het voertuig algtd de klem van de minpool van de accu losmaken.
Bij voertuigen met extra accu ook waar de klem van de minpool verwijdersen.

Let op! Bij het losmaken van de klem van de minpool van de accu verliezen alle vluchtige opslagmedia van de comfortelektronica hun gevevens.
Veiligheids- en montageaanwijzingen
De volgende gegevens moeten, afhankelijk van de uitrusting van het voertuig, opnieuw worden ingegeven:
radiocode · voertuigklok · tijdschakelklok · boardcomputer · zitpositie
Aanwijzingen voor de instelling kut u in de desbetreffende gebruikshandleiding nalezen.

Let op! Voor het meten van de spanning in elektrische bedrading mag alleen een voltmeter (zie B 2) worden gezruikt.

Let op! Om schade te voorkomen要去oor voldoende vrij ruimte voor het doorschieten van de boor worden gezorgd. leder boorgat afbramen en met roestbeschemingsmiddel behandelen.

Let op! Let er bij het aanleggen van de elektrische aansluitingen op dat deze: 1. Niet sterk geknikt en verdraaid worden
-
nied langs randen schuren
-
nied zonder bescherming door scherpgerande doorvoeringen worden aangelegd.

Let op! Let erop dat de bestuurdcr voor het bedieren Niet door het stuurwiel heen hoeft te vrijpen en dat onderdelen van de Magic Speed zich nicht in het werkbereik van de airbag of in de bewegingsruimte van de hoofden van deinzittenden bevinden.
WAECO International aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van:
a) montagefouten
b) beschadigingen aan het systeme door mechanische invloeden en te hoge spanningen
c) veranderingen aan de Magic Speed die+zijn doorgevoerd zonder de uitdrukkelijke toestemming van WAECO International
d) gelebruik voor andere dan de in de montagehandleiding beschreiben doelen.
Leveringsomvang
Articlel Onderdeel-nr. Stuks Omschrijving
(zie A 1) AS86930 1 Elektronicamodule
(zie A 2) AS87110 1 Elektro-servo-apparaat
(zie A 4) WH58030 1 Kabelboom
AS86030 1 Montagekit
(zie A 5.1) 1 Hefboom
(zie A 5.2) 3 Kabelbekleding
(zie 念 A 5.3) 1 Houser voor bowdenkabel
(zie A 5.4) 1 Getande borgring M8
(zie A 5.5) 1 Bout
(zie 念 A 5.6)1 Zelfborgende moer M4
(zie 念 A 5.7)1 Borgring M4
(zie 念 A 5.8)2 Nylon borgring M5
(zie A 5.9) 1 Splitpen
(zie A 5.10) 1 Montageplaat
(zie 念 A 5.11) 1 Hoekanker voor bowdenkabel
(zie A 5.12) 1 Getande borgring M6
(zie A 5.13) 1 Moer M6
(zie A 5.14) 1 Machineschroef M6 x 12
(zie A 5.15) 1 T-stuk 5 mm
(zie A 5.16) 1 T-stuk 1/4 tot 5/16 inch
(zie A 5.17) 1 T-stuk 3/8 tot 1/2 inch
(zie A 5.18) 3 Machineschroef M6 x 15
(zie A 5.19) 1 Machineschroef M6 x 12
(zie A 5.20) 2 Draadbout, zwart
(zie A 5.21) 3 Moer M6
(zie A 5.22) 3 Verende borgring M6
(zie A 5.23) 2 Platte borgring M6
(zie 念 A 5.24)1 Speciale getande borgring M6
(zie A 5.25) 1 Kabelklem
(zie A 5.26) 1 Inbusschroef M4 x 6
(zie A 5.27) 1 Nippel
(zie A 5.28) 1 Inbusschroef M4 x 4
(zie A 5.29) 1 Inbusschroef M2
(zie A 5.30) 1 Rubbertule
(zie A 5.31) 10 Kabelbinder
(zie A 5.32) 1 Dubbelzijdig kleefband
(zie A 5.33) 2 Schroef 8 x
(zie A 6) AS40420 1 Koppelengsschakelaar
Benodigd gereedschap
In het hiernavolgende vindt u een lijst van het gereedschap dat voor een correcte montage van de cruise control benodigd is. Hoewel het möglichk is, dit apparaat ook zonder het genoemde gereedschap te monteren, adviseren wij u dit gereedschap toch bij de hand te houden. Er worden dringend aanbevolen, de verbindingen vast te solderen en zodoende stevige verbindingen tot stand te brengen.
- boormachine (zie B 1)
-krik (zie B 11)
-voltmeter (zie B2)
-schroevendraaierset (zie B 12)
-soldeerbout incl.-material (zie B3)
- steeksleutelset (zie B 13)
-zijkniptang (zie B 4)
- assteun (zie B 14)
-kabelschoentang (striptang) (zie B 5)
-
isolatieband (zie B 15)
-
krimptang (zie B 6)
-
linial (zie B 16)
-tang (zie B7)
-moersleutel (zie B 17)
-borenset (zie B8)
-ringsleutelset (zie B 18)
-
centerpons (zie B 9)
-
aufdichtingsmassa (zie B 19)
-
hamer (zie B 10)
Bedieningsmodule
Module, zie C
Variabele uitslag van de bowdenkabel
De bowdenkabel van de MS-700 kan op verschillende uitslagen worden ingesteld. De twee desbetreffende lengten bedragen 38 mm en 45 mm. De benodigde uitslag hangt op zich beurt af van de uitslag van de gasklep of die van het gaspedaal. De lenghte-uitslag van de bowdenkabel kan worden ingesteld, door de meeneemschijf op de servo te verdraaien (zie Kabeluitslag veranderen).
Om de gewenste uitslaglengte van de bowdenkabel vast te stellen, meet u de uitslag van de gasklep ofwel van het gaspediaal tussen uitgangspositie en de positie bij vol gas. Zorg ervoor dat de juiste meeneemschijf worden gemonteerd, om te voorkomen dat de originele kabel maar gasklep of gaspedaal of de bowdenkabel maar de cruise control beschadigd raken.
Kabeluitslag veränderen
Zie E. De uitslag van de bowdenkabel van de cruise control is in de uitgangspositie 38 mm. Om de uitslag van de bowdenkabel van de cruise control te veranderen, kurz u de meeneemschijf op de servo verdraaien. Verwijder het plastic van de bowdenkabel van de servo. Haal nu de bowdenkabel van de meeneemschijf. Draai de M6-moer los, waarmee de meeneemschijf bevestigd is. Monteer de meeneemschijf nu zo, dat het opschrift "45 mm" maar de plastic afdekking wijst. De uitslaglengte van de bowdenkabel is ter vergroting van de duidelijkheid op beiden zijden van de meeneemschijf afgedrukt.
Bevestiging van de bowdenkabel

Voorlichtig! Uw cruise control is weliswaar met verschillende veiligheidskenmerken uitgerust, maar toch können deze het verdraaien of inklemmen van de gaskabel of gasstang van het voertuig Niet voorkomen. Controller de originele gaskabel of de originele gasstang handmatig en door het gaspedaal in te trappen, om er zeker van te zich, dat de gasstang of -kabel adequaat functioneert en tijdens het gebruik nicht ingeklemd raakt.
Mogelijkheid 1
Montage aan de aanwezighe of extra gemonteerde gashendel. De bowdenkabel van de MS-700 wordt hierbij via de draaibare bout bevestigd. Wordt het gaspedaal met de hand bediend, dan glijdt de bowdenkabel van de MS-700 door de bout heen (zie 念 F 1, F 3 EN F 4).
Mogelijkheid 2
Montage aan de aanwezigbowdenkabel.
De bowdenkabel van de MS-700 worden hierbij met het vast met de gaskabel verbonden klemmenblok bevestigd (zie F 5, F 6 en F 7). Wordt het gaspedaal met de hand bediend, dan glijdt de bowdenkabel van de MS-700 door het klemmenblok.
Mogelijkheid 3
Sommige neue typen voertuigen haben geen gaskabel. Bij deze voertuigen is een directe verbinding met het gaspedaaloodzakelijk. De Beste montageplaats voor het elektro-servo-apparaat is desondanks de motorruimte, omdat men anders te veel last kan ondvinden van het geluid van de servomotor. De bowdenkabel van de MS-700要去 door het schutbord heb den cabine in geleid worden (zie F 8).
Elektronicamodule
De elektronicamodule moet altijd met 4mm-metaalschroeven of het meegeleverde dubbelzijdige kleefband in de cabine van het voertuig worden gemonteerd. Monteer de elektronicamodule Niet bij onderdelen die hoogspanning geleiden of opplaatsen die vochtig zijn of veel warmte afgeven. Montageplaatsen die de voorkeur hebben: Onder het dashboard aan de bestuurderszijde,chyter het handschoenenvak of het voetenbord aan de bestuurders- of de bijrijdersplaats (zie 念 G). Monteer de elektronicamodule Niet in de motorruimte.Voorafgaand aan de montage markeert u de gaten met de centerpons en boort u twee 3mm-gaten. Controller voor het boren steeds of er genoeg ruimte is voor het doorschieten van de boor.
Plaats de elektronicamodule provisorisch op de gekozen positie.
Maak de elektronicamodule Niet vast voordat u precies weet waar de kabels zullen komen. Na afloop van de montage bevestigt u de module op de gekozen positie.
Kabelboom
Nadat de montageplaats voor de elektronicamodule bepaald is, kan de kabelboom van de cruise control worden gemonteerd.
Bedieningsmodule (zie H 1) Er zijn voor vele toepassingen bedieningsmodules beschikbaar, voor meer bedieningsgemak in de auto. De bedieningsmodule van de cruise control要去enplaats worden gemonteerd, waar onder alle omstandigheden verilig gewerkt kan worden. Geschikteplaatsen�n op het dashboard of de middenconsole, afhankelijk van vorm en bereikhaarheid waarvan en ook van de bedieningsmodule zichl.
Nadat u de geschikte plaats voor de bedieningsmodule hebt bepaald, moet een 6 mm groot gat in de omgeving van de bedieningsmodule worden geboard. De kabels van de bedieningsmodule kunnen nu door dit gat maar de kabelboom van de cruise control worden geleid. De aansluitkabels van de bedieningsmodule kunnen in de connector worden geschoven en in de 8-polige lege behuizing worden gestoken. Steek de gemonteerde 8-polige connector van het bedieningsgedeelte en de 8-polige contrasteker van de hoofdkabelbundel op elkaar.
Kabelboom
Infrarood-bedieningsmodule en stuurkolom-bedieningsmodule:
Zowel bij de infrarood- als bij de stuurkolom-bedieningsmodule worden een eigen montagehandleiding meegeleverd. Deze handleidingen要去 voor de montage zorgvuldig worden doergelezen.

Voorzichtig! Zorg ervoor dat de bestuurdcr voor het bedieren van de module zichn hand Niet door het stuurwiel heb noeft te steken.
Groen/rood, zwart, roze/rood en blauw/rood
Voer de 4-aderige kabel voor het elektro-servo-apparaat waar de motorruimte door een waarvoor geschikt gat dat reeds voorhanden is of door een gemaaakt gat; zich dat gat af met de meegeleverde rubberen doorvoertule. Steek de 4 draden in de lege stekkerbehuizing en verbind ze met het elektro-servo-apparaat. Houd rekening met de kleurcoding op het lege stekkerhuis.
Oranje kabel
Verbind de oranje kabel met een geschakelde plus (klem 15). Zorg ervoor dat de geschakelde plus de volledige gebruiksspanning (12 V) ontvangt en dat de kabel bijuitgeschakeld contact spanningsloos is.

Aanwijzing! Controller met een voltmeter dat de door u gekozen voeding via het contact de volledige accuspanning ontvangt. De zekeringskast is meestale een geschikteplaats voor montage. Het is Niet aan te bevelen, de oranje kabel met de voeding van de voertuigfuncties (ACC) te verbinden.
Groene kabel
Verbind de groene kabel met een voorhanden voertuigmassa-aansluitpunt of met een blankmetalen aansluiting van de carrosserie. De gebruikelijksteplaats als centrale voertuigmassa is de linker ofrechtter A-stijl.
Bruine en bruin-witte kabel
Verbind de bruine en de bruin-witte kabel met de remlichtschakelaar (zie H 2).
Kabelboom
Wanner er meer dan twee kabels van de remlichtschakelaar uitgaan, gebruik dan een voltmeter om de twee benodigde kabels te identificeren. Eén van de twee originele kabels aan de remlichtschakelaar要去en permanente plus (klem 30, 12 V) of een geschakelde plus (klem 15) zijn. Op de tweede originele kabel要去 bij ingedrukt rempedaal een spanning van +12 Volt staan. Zo gauw de rem wordt losgelaten, mag op de kabel geen spanningeer staan.
Mocht op de remlichtschakelaar een lagere spanning dan +12V gemeten worden, dan is het möglichk dat uw voertuig met een digitaal remsystem is uitgerust. In dat geval要去en de bruine kabels als volgt worden aangesloten: De bruin-witte kabel要去e en gezekerde, geschakelde plus (klem 15) worden aangesloten. De bruine kabel wordt aangesloten op de originele kabel die maar de remlichten voert. Op deze kabel staat bij ingedrukt rempedaal +12V en bij Niet-ingedrukt rempedaal O V. Deze kabels vindt u möglichk direct bij dechteruitrijlichten of in de kabelstreng die maar de achterzijde van het voertuig loopt.
Gele en blauwe signaalkabel
(aansluiting van het snugheids- of het toerental-signaal) Er+zijn twee verschillende mogelijkheden om een referentiesignaal voor de cruise control af te leiden:
1. Snelheidssignaal
Het spelheidssignaal geeft de werkelijk gereden spelheid waar. Dit type signaal要去 steeds worden gebruikt bij voertuigen met automatische versnellingsbak, is darüber ook geschikt voor toepassing bij handmatig geschakelde voertuigen, mits waar bij tevens een schakeling worden geinstalleerd die voorkomt dat het toerental te hoog oploopt (zie pagina 161).
2. Motortoerental (UPM)
Het motortoerental-signal geeft het motortoerental (UPM, omw/min) aan. De voertuigslheid is hierbij zo lang afhankelijk van het motortoerental, als een bepaalde versnelling ingeschakeld blijft. Het motortoerental-signal kan als referentiesignaal worden gebruikt bij handmatig geschakelde voertuigen. Ook hier要去chter een schakeling worden geinstalleerd die voorkomt dat de motor te veel toeren maakt (zie pagina 162).
Kabelboom
De cruise control is uitgerust met twee kabels, die gebrukt können worden voor de signaalregistratie.
1. Blauwe kabel
Voor de registratie van het snelheidssignaal en het toerental-signaal met spanningenussen 1,5 en 24 Volt en frequencies van 6Hz tot 8,5kHz . De blauwe kabel要去 gebruikt worden voor alle signalen die binnen voornoemde bereiken vallen, dus zowel voor het snelheidssignaal als voor het motortoerental.
2. Gele kabel
Deze dient alleen ter registratie van het toerental-siignaal met spanningen tussen 6 en 250 Volt en frequencies van 6 tot 488Hz . De gele kabel要去uitsluitend voor de registratie van toerental-signalen met een spanning van >20 Volt worden gebruikt. Verder mag de gele kabel alleen worden gebruikt in die geallen of toepassingen, waar bij tevens een toerentalbegrenzer vereist is, dan wel het toerental-siignaal binnen het bereik 6 - 250 Volt ligt.
Toerentalbegrenzer
Wordt een snelheidssignaal als signaalbron gebrukt bij handmatig geschakelde voertuigen, dan moet tevens een toerentalbegrenzer aanwezig zijn, om beschadiging van de motor te voorkomen. Wordt het koppelingspedaal ingeduwd verwijl de cruise control geactiveerd is, dan moet de cruise control zichzelf automatisch uitschakelen,,ondat anders schade aan de voertuigmotor kan ontstaan.
Er zich twee soorten toerentalbegrenzer:
- Wort de blauwe kabel voor de overdracht van het snelheidssignal gebruikt, dan kan de gele kabel worden aangesloten voor de overdracht van het motortoerental, om zo deoodzakelijkke motorbeveiliging te waarborgen. Zie hiervoor ook de alinea over het registrareren van snelheidsimpulssignalen.
- Er kan ook een koppelengsschakelaar worden gebruikt, wanner geen geschikt toerental-si gnal aanwezig is. Deze koppelengsschakelaar moet aan het koppelingspedaal worden gemonteerd, zodat de cruise control zichzelf automatisch uitschakelt wanner het koppelingspedaal worden ingeduwd (zie H 4).
Kabelboom
De registratie van een signaal is algijd afhankelijk van de in het voertuig gezebruekte transmissie.
Voertuigen met automatische transmissie
Bij deze voertuigen要去 de blauwe kabel worden gezruikt, die dan worden aangesloten voor de overdracht van het snugheidssignaal. Hiervoor mag beslist Niet het toerentalsignaal worden gezruikt. Bij voertuigen met automatische versnellingsbak is verder geen extra toerentalbegrenzer vereist. Zie hiervoor ook de alinea over het registereren van adequate snugheidsimpulssignalen. Wordt bij een voertuig geen snugheidssignaal verwonden dat voldoende geschikt is, dan kan het als optie verkrijgbare magneetsensorbouwpakket dan wel de optionele snugheidsimpulsgeber worden gemonteerd (zie Optioneel toebehoren, pag. 178).
Handgeschakelde voertuigen
De Beste oplossing voor handgeschakelde voertuigen is om het snelheidssignaal via de blauwe kabel te lately verlopen en de gele kabel als toenentalbegrenzer te gebruiken, werkend via toenental-signaal of koppelingschakelaar. Zie hiervoor ook de alinea over het vaststellen van geschikte snelheidsimpulssignalen. Wordt bij een voertuig geen geschikt snelheidssignaal gezonden, dan kan het als optie verkrijgbare magneetsensor-bouwpakket dan wel de optionele snelheidsimpulsgeber worden gemonteerd. Wordt bij een voertuig geen snelheidssignaal gezonden, dan kan het toenental-signaal via de blauwe kabel verlopen, ofwel kan de gele kabel op de negatieve pool van de ontstekingsspoel (klem 1) worden aangesloten. In deze situation is geen extra toenentalbegrenzer meer nodig, waarbij het motortoerental door de cruise control bewaakt wordt. Bij gebruik van een toenental-signaal is de minimumsnelheid waarbij de cruise control geactiveerd wordt, afhankelijk van de versnelling, die op dat moment ingeschakeld is.
Registraratie van het snugheids- of het toerental-siŋnaal
Er zijn meerere mogelijkheden, ten behoeve van de cruise control het signal van het toerental of de slelheid vast te stellen. In de navolgende paragraaf treft u verschillende mogelijkheden aan om het signal te identificeren.
Kabelboom
Snelheidssignalen
Bij handgeschakelde voertuigen要去beste en toerentalbegrenzer worden geinstalleerd.
a. Via de motoraansturing overgedragen snelheidssignaal.
Spanning: tousen 1,5 en 24 Volt; frequentie: tousen 6Hz en 8,5 kHz.
b. Elektronische toerentalmeter - aan de achechterkant van de instrumentengroep of als deel van de instrumentengroep.
Spanning: tussen 1,5 en 24 Volt; frequentie: tussen 6 Hz en 8,5 kHz.
c. Snelheidssensor - is op de transmissie geinstalleerd en omvat in het algemeen 3 kabels.
Spanning: tussen 1,5 en 24 Volt; frequentie: tussen 6 Hz en 8,5 kHz.
d. Autoradio - in de buurt van de radio, wanner de wagon over een ISO-verbinding beschikt. De snelheidsimpuls bevindt zich hierbij in kamer 3, aansluitpen 1 of 5.
Spanning: tousen 1,5 en 24 Volt; frequentie: tousen 6Hz en 8,5 kHz.
Mortortoerentialsignalen
a. Via de motoraansturing overgedragen motortoerentalsignaal.
1.5-24 Volt.
b. Elektronische toerentalmeter - op de achterkant van de instrumentengroep.
Spanning: tussen 1,5 en 24 Volt; frequentie: tussen 6 en 488 Hz.
c. Aansluitklem op de W+-pool van de dynamo, op sommige dynamo's bevindt zich een extra aansluitklem. Deze aansluitklem is bij sommige voertuigen Niet bezet, waardoor een verbinding met de dynamooodzakelijk is. Spanning: 6 - 250 Volt; frequentie: tussen 6 en 488 Hz.
d. Negativcpe pool van de ontstekingsspoel (klem 1) - bij dit soort verbinding moet de gele kabel worden gezruikt.
Spanning: 6 - 250 Volt; frequenie: tussen 6 en 488 Hz.
Voor het controlleren van het gekozen signala dient u een voltmeter te gebruiken en als volgt te werk te gaan: verbind de rode kabel van de voltmeter met het door u gekozen snelheidssignaal, en de zwarte kabel van de voltmeter met de voertuigmassa. Breng nu het voertuig op de laagste snelheid, waar bij de cruise control nog worden geactiveerd, en meet de effectieve spanning van het signaal. Let erop dat alle digitale voltmeters de effectieve spanning meten, wanner zich voor het meten van wisselspanningen worden gebruikt.
Diagnosemodus
De cruise control beschikt over een selfdiagnose-modus. De selfdiagnose is in drie gedeelten opgeedeeld (A, B en C), voor het testen van alle elementen en functies van de cruise control. Voordat u de selfdiagnose start, moet u nogmaals alle kabelverbindingen op correcte aansluiting controleren.
Zet de handversnelling in de vrijloop, dan wel de automatische versnelling in de parkeerstand, en trek de handrem aan.
Voor het starten van de diagnosefunctie met akoestische weergave schakelt u bij ingedrukte SET-knop het contact IN. Bij ingeschakeld contact en ingedrukte SET-knop hoort u een akoestisch bevestigingsignaal, zolang u de SET-knop ingedrukt houdt.
Mocht u binnen een seconde nadat u de SET-knop hebts losgelaten, nog een akoestisch signaal horen, dan is er een stuuringang geschakeld, bijvoorbeeld de koppelengsschakelaar. Controller nogmaals de kabelverbindingen.
Diagnosemodus A
Controle van de elektronische onderdelen en van de elektrische aansluitingen
De LED in de elektronicamodule en de geintegreerde zoemer geben parallel de correcte functies van de elektrische bedrading en van de componenten wee.
Bij een contrôle achteraf van de componenten is het Niet beslistoodzakelijk, de besturingsapparatuur vrij te leggen, waar dat de akoestische signalen parallel met de optische signalen optreden.
Via de LED resp. de zoemer worden het gebruikmaken van resp. het beschikbaar zijn van de volgende signalen bevestigd:
SET-knop
RES-knop
Rem
Koppelingsschakelaar
Snelheidssignaal in de leermodus
Toerental-signaal in de leermodus
Het akoestische en het optische signaal worden maximaal per ingang 10 seconden lang voortgebracht, om er zeker van teijken dat verdere meldingen Niet worden onderdukt. Mocht bij het gebruik van een van voornoemde functies geen akoestisch resp. optisch signaal optreden, controllerer dan de elektrische bedrading.
Diagnosemodus
Diagnosemodus B
Na het succesvol afluien van test A kan verdergegaan worden met test B. In deze diagnosemodus kan het functioneren van de servo worden getest. Zet de handversnelling in de vrijloop, dan wel de automatische versnelling in de parkeerstand, en trek de handrem aan. Start de motor terwijl u de SET-knop ingedrukt houdt. Wanner de motor loopt, de SET-knop waar loslaten. Schakel nu de cruise control met de ON/OFF-knop in. De LED in de besturingsapparatuur Licht op. Druk de SET-knop in en houdt deze ingedrukt. Het motortoerental要去 langzaam stijgen (let op:That het toerental Niet te hoog oplopen). Druk de RES-knop in en houdt deze ingedrukt. Het motortoerental要去 langzaam kleiner worden. Door het indrukken van de rem of de koppeling, ofwel door het indrukken van de ON/OFF-schakelaar,要去 het motortoerental wee deralen tot het stationaire niveau. Zet het contact af om de diagnosemodus te verlaten.
Diagnosemodus C
Diagnosemodus C wirdt gebruikt om het snelheidssignaal resp. het toerental-signaal te testen. Start de motor verwijl u de SET-knop ingedrukt houdt. Wanner de motor loopt, de SET-knop waar loslaten. Breng de snelheid van uw auto op ca. 50~km / u . Schakel de cruise control in met de ON/OFF-knop op het bedieningsgedeelte. De LED in de besturingsapparatuur moet nu ca. een keer per seconde knipperen en er moet ca. eenmaal per seconde een akoestisch signaal te horen zich. Is dit nicht het geval, voer dan het instellings- en leerprogramma uit. Schakel om de diagnosemodus te verlaten bij stilstaand voertuig het contact uit.

Opmerking! De diagnosemodi dienen voor het testen van alle componenten en functies van de cruise control. De cruise control maakt gebruik van een intern opgewekt referentiesignaal om de servo in diagnosemodus B te testen. In het geval de cruise control ook na succesvol voltooien van test B Niet correct in functie te brengen is, is het probleem meestal gelegen in de registratie van het snelheidssignaal.
Veiligheidsvoorzieningen
De cruise control is met talrijke veiligheidsvoorzieningen uitgerust, die de cruise control uitschakelen indien zich een of meerere van de hierna genoemde situatuies voordoen:
- Bij induwen van het rempedaal
- Bij het indrukken van de UIT-knop op de besturingsmodule
- Bij te hoge toerentallen van de motor
- Bij afremmen tot 50% van de ingestelde snugheid
- Bij accelereren tot 150% van de ingestelde能力和
- Bij uitschakelen van het contact
De cruise control schakelt zich ook uit, indien zich storingen voordoen in het functioneren van het remlicht, zoals bij defecte remlichten, een defectezekering of een losgeraakte verbinding in de remlichtschakelaar.
Om de cruise control veilig en economisch te latent functioneren要去 deze NOOIT worden gebruikt bij het rijden in files of op natte, glibberige straten.

Let op! De cruise control schakelt zich ook uit, indien zich storingen voordoen in het functioneren van het remlicht, zoals bij defecte remlichten, een defecte zekering of een losgeraakte verbinding in de remlichtschakelaar.

Let op! De cruise control beschikt weliswaar over een aantal veiligheidsvoorzieningen, maar geen waarvan is in staat, te voorkomen dat de bowdenkabel verdraaid wordt of ingeklemd raakt. Controller aanom alles twee keer!
Instel-/leermodus
Met de instel- en leermodus kuren de belangrijkste parameters van de cruise control voor zo goed als ieder voertuig optimaal worden ingesteld.
Met de drie instel- en leerm Modi worden het snelheids- respectievelijk toerental-signaal (PPM), de gevoeligheid van de overname (INIT-modus) en de regelgevoeligheid (GAINmodus) ingesteld.
Het instellen van de basisparameters kan tijdens het rijden worden uitgevoerd. Daardoor hebt u de gelegenheid, de fijnafstelling van deze parameters afzonderlijk door te voeren en zo een exacte instelling te verkrijgen. Deze instellenen können worden doorgevoerd, zichonder dat voor toegang tot de schakelaars voor bijzondere instellenen de besturingsapparatuur gedemonteerd behoeft te worden.
Het instellen resp. het afregelen geschiedt elektronisch. De ingestelde parameters worden permanent opgeslagen in de elektronicamodule, totdat het SET-UP-programma opnieuw worden opgestart.
1. Starten van de SET-UP-modus
Voor het starten van het SET-UP-programma gaat u als volgt te werk:
Schakel het contact IN en UIT, start het voertuig, trap op het rempedaal en houd de rem een minuut lang ingedrukt. Terwijl u het rempedaal induwt, drukt u de SET-knop vier koer kort,achter elkaar in.Ter bevestiging klinken 4 hoogtonige akoestische signalen.Om een van de hieronder genoemde instel- en leermodi te starten, moet u altijd bovengenoemde procedure starten.
In de automatische modus worden alle drie de parameters (PPM, GAIN en INIT) automatisch op uw voertuig afgestemd. Aan het eind van de automatische modus kurz u alle drie de parameters nog fijn-installellen.
Om in de automatische modus te komen, nadat u de onder punt 1 aangegeven stappen hebt uitgevoerd, trapt u de rem in en drukt u op de RES-knop terwijl u het rempedaal ingedrukt houdt. Ter bevestiging klinkt een laagtonig akoestisch signaal. Haal uw voet van het rempedaal. Ter bevestiging klinkt een hoogtonig akoestisch signaal. Mocht er meer dan een akoestisch signaal klinken, herhaal dan de procedure.
Breng de snelheid van uw auto op 70~km / u en houd die aan.
Druk op de SET-knop om de blauwe kabel als signal-ingang te gebruiken, of druk op de RES-knop om de gele kabel als signal-ingang te gebruiken.
Instel-/leermodus
De cruise control schakelt zichseld direct in nadat u de SET-resp. de RES-knop hebt ingedrukt, en schakelt over op de INIT-modus. In deze modus kurz u het aanspreekgedrag van de bowdenkabel optimaliseren en zo de vrijloop ervan door de servo op latent heffen. Mocht de cruise control de snelheid te traag hebben overgenomen, druk dan op de SET-knop om de waarde te verhogen.
Heeft de cruise control de snelheid te schoksgewijs overgenomen, zodate hij overstuurt, druk dan op de RES-knop. Als bevestiging voor iedere druk op de SET- resp. RES-knop werkblinkt een akoestisch signal.
Om de ingestelde waarden (PPM, INIT en GAIN) op te slaan, drukt u het rempedaal in. Nukest u opnieuw het programma aanroepen, door op de RES-knop te drukken bij ingeduwd rempedaal. Ter bevestiging klinkt een laagtonig akoestisch signaal. Haal uw voet van het rempedaal. Na het loslaten van het rempedaal werkblinkt ter bevestiging een hoogtonig akoestisch signaal. Begin het programma van voren af aan, door afhankelijk van de signaalbron de SET- resp. RES-knop in te drukken. Om het SET-UP-programma te verlaten, stopt u het voertuig en drukt bij ingeduwd rempedaal vier keer op de SET-knop. In normale gevallen zou uw cruise control nu optimala moeten zijn ingesteld voor uw voertuig.
3. PPM-installing
Mocht u Niet tevreden zijn over het instelbereik van de cruise control, dan=kunt u de PPMinstelling handmatig veranderen.
Om in de PPM-instelmodus te komen, start u eerst het SET-UP-programma.
Druk nu twee keer op de RES-knop bij ingeduwd rempedaal. Peer keer dat de knop ingedrukt worden, klinkt een laagtonig akoestisch signaal. Haal uw voet van het rempedaal. Nadat u het rempedaal hebt
losgelaten, klinken ter bevestiging twee hoogtonige akoestische signalen. Mochten deze twee hoogtonige bevestigingssignalen nicht werkklenken, voer bovengenoemde stappen dan nogmaals UIT.
Voor het instellen van de PPM-waarde brengt u de gereden snelheid op ca. 35 - 40km / u Druk nu op de SET-knop om de blauwe kabel als signal-ingang te gebruiken, of druk op de RES-knop om de gele kabel als signal-ingang te gebruiken. De cruise control schakelt zichzelf direct in nadat u de SET- of de RES-knop hebt ingedrukt, en schakelt dan maar de regel-modus. Om de ingestelde waarden (PPM) op te sloan, drukt u het rempedaal in.
Instel-/leermodus
Om het SET-UP-programma te verlaten, stopt u het voertuig en drukt bij ingeduwd rempedaal vier keer op de SET-knop.
ledere keer dat de PPM-instelling gewijzigd worden, worden alle voorafgaande INITinstellenen en ook de bij de fabricage ingestelde streewaarden overschreven; de GAINinstelling blijftECHTER onveranderd.
Mocht de cruise control nu de snelheid traag of te schokkerig overnemen, pas dan de INIT-instelling aan. Mocht de cruise control bij normala gebruik te traag of te schoksgewijs werken, dan要去 de GAIN-instelling handmatig worden veranderd.
Mocht de cruise control bij normala gebruik te traag of te schokkerig werkken, dan moet de GAIN-instelling handmatig worden veranderd.
4. INIT-modus
In de INIT-modus kutu de gevoeligheid van de overname van de snelheid instellen. Mocht de cruise control de snelheid te traag overnemen, dan moet de INIT-waarde worden verhoogd. Mocht de cruise control het snelheidssignaal te schokkerig overnemen, dan moet de INIT-waarde worden verlaagd.
Om in de INIT-instelmodus te komen, start u eerst het SET-UP-programma.
Druk drie keer op de RES-knop bij ingeduwd rempdaal. Per keer dat de knop ingedrukt wordt, klinkt een laagtonig akoestisch signaal. Haal uw voet van het rempdaal. Nadat u het rempdaal hebts losgelaten, klinken ter bevestiging drie hoogtonige signalen. Mochten们都 drie hoogtonige bevestigingsssignalen Niet werkklinken, voer bovengenoemde stappen dan nogmaalsuit.
Rijd een stukje met de auto met de cruise control afgesteld op een willekeurige snelheid, mits die maar boven de minimale snelheid van 40km / u ligt. Houd nu de SET-knop zo lang ingedrukt, tot u merkt dat de cruise control de gereden snelheid overneemt. Schakel de cruise controluit door het rempedaal in te duwen. Druk opnieuw op de SET-knop; de cruise control要去 nu de snelheid soepel overnemen. Mocht dit Niet het geval zich, dan kunt u door het indrukken van de SET-knop de INIT-waarde verhogen en deze door indrukken van de RES-knop verlagen. Per keer dat de knop ingedrukt worden, werkblinkt een akoestisch signaal.
Instel-/leermodus

Let op! De normale OMHOOG- en OMLAAG-functies van de SET- en de RESknop় in deze modus Niet beschikbaar, zodate deze knappen voor het instellen können worden gezruikt.
Om de ingestelde waarden (PPM, INIT en GAIN) op te slaan, drukt u het rempedaal in. Als de INIT-waarde worden gewijzigd, berekent de cruise control de best möglichke GAIN-waarde, en wist de vorige waarde uit het besturingsapparaat.
In normale geallen behoeft in het besturingsapparaat verder niets te worden ingesteld. Daarom verdient het aanbeveling, de SET-UP-modus te verlaten en de cruise control bij normala gebruik te testen. Om het SET-UP-programma te verlaten, stopt u het voertuig en drukt bij ingeduwd rempedaal vier koer op de SET-knop.
Mocht de cruise control bij normalaal gebruik te traag of te gevoelig reageren, dan要去 de GAIN-waarde worden gewijzigd. Hiertoe要去 de stappen 1 en 5 nogmaals worden UITgevoerd, om de GAIN-modus te starten.
5. GAIN-modus
De GAIN-waarde moet worden verhoogd, als het voertuig bij gebruik van de cruise control slelheid verliest of te traag reageert, bijvoorbeeld bij overmatig verlies van slelheid bij sterk oplopende of overmatige slelheidstoename bij dalende wegen. De GAIN-waarde moet worden verlaagd, wanner het voertuig bij gebruik van de cruise control aan slelheid wint of te schokkerig reageert. Bijvoorbeeld: u stelt een slelheid van 70~km / u in en de slelheid van het voertuig beweegt zich tussen 65 en 75~km / u bij normalaal gebruik. In normale geallen zorgt de GAIN-waarde, die berekend worden nadat de INIT-waarde is ingesteld, voor een gelijkmatige werkung van de cruise control. Is wijziging nodig, dan要去 de volgende procedure in acht worden genomen:
Om in de GAIN-instelmodus te komen, start u eerst het SET-UP-programma. Druk nu vier keer op de RES-knop bij ingeduwd rempdaal. Per keer dat de knop ingedrukt worden, klinkt een laagtonig akoestisch signaal. Haal uw voet van het rempdaal. Nadat u het rempdaal hebts losgelaten, klinken ter bevestiging vier hoogtonige signalen. Mocht denze vier hoogtonige bevestigingsignalen nicht werkklenken, voer bovengenoemde stappen dan nogmaalsuit.
Instel-/leermodus
Voor het instellen van de GAIN-waarde brengt u uw voertuig op een middelmatige slelheid. Druk op de SET-knop om de cruise control in te schakelen. Druk opnieuw op de SET-knop om de GAIN-waarde te verhogen of op de RES-knop om deze te verlagen. Per keer dat de knop ingedrukt worden, klinkt een akoestisch bevestigingsignaal. In de navolgende tekst is een bruikbare procedure beschreiben om de GAIN-waarde optimaal in te stellen, nadat u de cruise control in de instelmodus (zie boven) hebt gebracht.
Rijd met een middelmatige snelheid; druk op de SET-knop om de cruise control in te schakelen. Schakel nu de normale werkiguit, door het rempedaal in te duwen.
Verminder de gereden snelheid tot ca. 25 - 30 km/u. Druk de RES-knop in om deIRST opgeslagen snelheid opnieuw op te roepen. Let nu op de snelheidsmeter van uw voertuig. Mocht de gereden snelheid tot boven de LAST opgeslagen snelheid stijgen, dan要去 de GAIN-waarde worden verlaagd door opnieuw op de SET-knop te drukken. Mocht de cruise control de snelheid zeer traag nogmaals hebben overgenomen, druk dan op de SET-knop om de GAIN-waarde te verhogen.
Duw het rempedaal in om de ingestelde waarde op te slaan. Om de instelling te controlleren, drukt u op de RES-knop. Mocht de instelling Niet maar tevredenheid zichn, dan kurz u nu de GAIN-waarde veranderen volgens de boven beschreiben procedure.
Als de instellingaar tevredenheid is, duwt u het rempedaal in om de waarde op te slaan. Om de SET-UP-modus te verlaten: zie punt 6.
6. Verlaten van het SET-UP-programma
Om het SET-UP-programma te verlaten, stopt u het voertuig en drukt bij ingeduwd rempedaal vier koer op de SET-knop.
Ter bevestigting dat het SET-UP-programma beeindigd is, klinkt een lang, hoogtonig geluidssignaal.
Bediening van de cruise control
ON/OFF-knop
Door het eenmalig aantippen van de ON/OFF-schakelaar worden de cruise control ingeschakeld. Ter bevestiginglicht de LED op.
Is de cruise control ingeschakeld, dan worden deze door het eenmalig aantippen van de ON/OFF-schakelaar uitgeschakeld. Ter bevestiging dooft de LED.
SET-knop
- Door de SET-knop in te drukken en meteen weeer los te lien, legt u de op dat moment gereden snelheid vast. Deze gewenste snelheid worden gehandhaafd, totdat:
a) het rem- of koppelingspedaal wordt ingedrukt
b) het apparaat met de ON/OFF-knop wordenuitgeschakeld
c) de gereden snelheid lager is dan de minimale snelheid waar bij de cruise control zich inschakelt
d) bij een omhooglopende weg de snelheid met meer dan ca. 25% daalt
- Indien de SET-knop ingedrukt worden gehonden, accelereert uw voertuig. Laat men de knop los, dan houdt de cruise control de op dat moment bereekte snugheid vast en slaat deze op.
RES-knop
Wanner de RES-knop ingedrukt en meteen weeer losgelaten wordt, treedt overname van de LAST opgeslagen snelheid op, mits:
a) het apparaat met de ON/OFF-knop is ingeschakeld
b) de gereden能力和 nicht lager is dan de minimale能力和
c) het rem- of koppelingspedaal nicht worden ingetrapt
d) het contact niet tussentijds wordenuitgeschakeld
e) de op dat moment gereden snelheid nicht lager is dan 50% van de opgeslagen waarde.
Accelereren en snugelid verminderen
Nadat de cruise control geactiveerd is, hebt u nog de mogelijkheid tot fijnafstemming. Tipt u de SET-knop een keer aan, dan wordt de snelheid met ca. 1,5 km/u verhoogd. Tipt u de RES-knop een keer aan, dan wordt de snelheid met ca. 1,5 km/u verlaagd. Deze functie bildt u de mogelijkheid, uw voertuig precies aan de verkeersstroom of de snelheidsbeperking aan te passen. De cruise control beschikt over een opslagmedium, dat het aantal keren 'aantippen' opslaat. Bijvoorbeeld: U tipt 3x of 5x de SET-knop resp. de RES-knop aan en de cruise control verhoogt resp. verlaagt de gereden snelheid met ca. 4,5 of 7,5 km/u.

Belangrijk! Indien u de ingestelde snelheid veel lager wilt make, gebruik waarvoor dan nicht de RES-knop. Gebruik de OFF-schakelaar, de rem of de koppeling en stel daarna met de SET-knop waar uwieve snelheid in.
Functietest
Start uw wagen en schakel de cruise control in door de ON/OFF-knop op het bedieningsgedeelte in te drukken.
Breng de gereden snelheid op ca. 40 - 50 km/u en druk de SET-knop in om de cruise control te activeren. De cruise control zou nu de snelheid soepel over要去en nemen en de gereden snelheid constant houden. De laagste snelheid, waar bij de cruise control werkt, bedraagt ca. 40 km/u.
Gevoeligheidsinstalling
Indien de cruise control Niet soepel inschakelt of het voertuig tijdens normala gebruik zichn spelheid verhoogt of verlaagt, kuren de gevoeligheidsinstelleningen van de cruise control adequaat worden aangepast. Neemt de cruise control de gereden spelheid te snel of schokkerig over, dan要去 de INIT-waarde worden verlaagd. Reageert de cruise control bij normala gebruik te schokkerig, dan要去 de GAIN-waarde worden verlaagd. Reageert de cruise control bij normala gebruik te traag, dan要去 de GAIN-waarde worden verhoogd. Alle gevoeligheidsinstelleningen+kunnen in de instelmodus worden bijgesteld. Zie hiervoort het stroomdiagram, pagina 179.
Foutopsoring en storingsopheffing
Deze paragraaf bevat een lijst van möglichke problemen, en tevens een lijst met controles die voor het oplossen van deze problemen worden aanbevolen.
De LED van de elektronicamodule Licht nicht op wanner knappen van het bedieningselement worden ingeduwd.
Controleer de 8-polige connector, die van de elektronicamodule afkomt, en vergewis u ervan dat deze volgens de voorschriften met het bedieningselement verbonden is. Controleer de kleurcodering van de verbindingsstekker van het bedieningselement en vergewis u ervan dat de klemmen correct in het bedieningselement zijn gestoken. Is dat het geval, controller dan de stroomvoorziening en de massaverbinding van de elektronicamodule. Op de oranjekleurige kabel要去 bij het inschakelen van het contact een.accuspanning van +12V staan, en de groene kabel要去 een goede verbinding met de massa hebben.
De LED van de elektronicamodule Licht Niet op wanner het rempedaal worden ingetrapt.
Vergewis u ervan dat de LED van de elektronicamodule oplicht, als op het bedieningselement knappen worden ingeduwd. Licht de LED nicht op, controlleren dan de stroomvoorziening en de massaverbinding van de elektronicamodule. Op de oranjekleurige kabel moet bij het inschakelen van het contact een accuspanning van +12 V staan, en de groene kabel moet een goede verbinding met de massa hebben.
Controleer de verbindingenaar de remlichtschakelaar met een voltmeter. De bruin-witte kabel van de elektronicamodule moet met een remlichtschakelkabel verbonden zijn die permanent of via de ontsteking gevoed wordt. De bruine kabel moet met de remlichtschakelkabel verbonden zijn die de verbinding vormtussen het lampje van het remlicht en de remlichtschakelaar. In dat geval verkrijgt men een massasignaaluit de toevoeraar het lampje van het remlicht, wanner het rempedaal Niet wordt ingetrapt, en een plussignaal (+12 V) wanner het rempedaal wél wordt ingeduwd. De bruin-witte en de bruine kabel zijn onderling uitwisselbaar. Sommige remlicht-stroomkringen worden via de ontsteking gevoed, waarom dient men de kabel te testen bij ingeschakeld contact. Uit oogpunt van veiligheid functioneert de cruise control nicht, wanner er problemen bestaan in de originele remlicht-stroomkring van het voertuig. Daarom moet worden gecontroleerd of de remlichenade quaat functioneren.
Foutopsporing en storingsopheffing
De LED knippert nicht bij ingang van een TACH-siŋaal (toerentalmeter-siŋaal via de gele kabel)
Foutief TACH-signal (toerentalmetersignaal). Controller het signal met een voltmeter of oscilloscoop. Vergewis u ervan dat het signaltussen 6 en 250 Volt ligt en dat het freiendentiebereik 6 tot 488Hz bedraagt. Nadat vastgesteld is dat de gele kabel correct verbonden is, test u het signaln nogmaals aan de elektronicamodule van de cruise control. Sluit de rode kabel van de voltmeter of de oscilloscoop aan op de gele kabel in de verbindingsstekker van de elektronicamodule. De tweede kabel van de voltmeter of oscilloscoop worden aan massa gelegd. Vergewis u ervan dat de elektronicamodule hetzelfde signaln ontvangt als de cruise control gezruikt. Mocht dit Niet het geval zich, controller dan nogmaals het geregistreerde signaln en controller tevens de gele kabel op beschadigingen.
Verkeerde PPM-insteling
Is voor de registratie van het snelheidssignalaal resp. het toerental-signal de blauwe kabel gekozen, dan werkt de cruise control Niet via het TACH-signal (gele kabel). Wijzig de PPM-instelling op het ingangsignal via de gele kabel.
De LED knippert nicht bij ingang van een snelheidssignal (snelheidssignal via de blauwe kabel)
Foutief snelheidssignaal Controller het signaal met een voltmeter of oscilloscoop. Vergewis u ervan dat het signaal tussen 1,5 en 24 Volt ligt en dat het freiendiebereik 6 Hz tot 8,5kHz bedraagt. Nadat gecontroleerd is dat de blauwe kabel correct verbonden is, test u het signaal nogmaals aan de elektronicamodule van de cruise control. Sluit de rode kabel van de voltmeter of de oscilloscoop aan op de blauwe kabel in de verbindingsstekker van de elektronicamodule. De tweede kabel van de voltmeter of oscilloscoop worden aan massa gelegd. Vergewis u ervan dat de elektronicamodule hetzelfde signaal ontvangt als de cruise control gebruikt. Mocht dit nicht het geval zich, controller dan nogmaals het geregistreerde signal en controller tevens de blauwe kabel op beschadigingen.
Verkeerde PPM-installung Is voor de registratie van het snelheidssignaal resp. het toerental-signaal de gele kabel gekozen, dan werkt de cruise control Niet via het snelheidssignaal (blauwe kabel). Wijzig de PPM-installling op het ingangsignal via de blauwe kabel.
Foutopsoring en storingsopheffing
Het motortoerental kan in diagnosemodus B nicht worden veranderd
Voer alle andere tests van de diagnosemodus opnieuwuit, om er zeker van te zich dat het probleem Niet door de elektrische verbindingen of de besturingsapparatuur van de cruise control wordenveroorzaakt. Schakel de ontsteking uit en verlaat de diagnosemodus.
Laat het contact enige seconden uitgeschakeld, druk opnieuw op de SET-knop en start bij ingedrukte SET-knop het voertuig opnieuw, om in de diagnosemodus te komen.
Herhaal test B. Controller de stekkerverbinding waar de servo, let er hierbij op dat de kabel goed op+zijn plaatzit en op de kleurcodering van de stekker.
Druk in diagnosemodus B op de SET-knop of de RES-knop. Nu moet u de elektromotor in de servo horen werken, terwijl u de SET-knop of RES-knop indrukt.
De cruise control werkt bij normalaal gebruik Niet gelijkmatig.
Reageert de cruise control bij normalaal gebruik te schokkerig en verandert dan de gereden snelheid, dan要去 de GAIN-waarde worden verlaagd. Reageert de cruise control bij normalaal gebruik te traag, dan要去 de GAIN-waarde worden verhoogd.
Toebehoren
Magneetsensor-set AS71430
De magnetsensor-set dient ervoor om een snelheidssignaal op te wekken. Er zijn meerere montagemogelijkheden. De magneten worden met het dubbelzijdige kleefband aan de cardanas of de aandrijfas bevestigd. Gebruik voor de uiteindelijkke bevestiging van de magneten de meegeleverde kabelbinders.
Toebehoren
Voertuigen met voorwielaandrijving (zie 念 I 1)
Blokker de allesien gegen wegrollen, trek de handrem aan en zet de versnelling in vrijloop. Til de voorzijde van het voertuig zo ver op dat genoeg werkkuimte ontstaat. Plaats steunen onder de voorkant van de wagen. Werk nooit onder een nicht veilig ondersteund voertuig. Bevestig de sensor aan de houder en bepaal de montagepositie. Deze positie moet zo zichd可能导致 bij de transmissie gelegenzem. De geschikte plaats voor montage van de magneten is het binnenste scharnier van de aandrijfas. Maak met het dubbelzijdige kleefband 2 magneten aan het scharnier vast en bevestig de gefixeerde magneten met de kabelbinder, nadat u de magneten gezijkelijk over het scharnier verdelijk hebt. De sensor moet zo worden geplaatst dat:tussen magneten en snelheidssensor een afstand van ca. 3 - 5mm bestaat. Zorg ervoor dat de afstand tussen sensor en magneten bij verticale beweging van de aandrijfas Niet verkleind wordt of groter wordt dan 5mm
Voertuigen met weiterwielaandrijving (zie 串 12)
Blokker de voorwieten gegen wegrollen en zet de versnelling in vrijloop. Til de achechterzijde van het voertuig zo ver op dat genoeg werkruimte ontstaat. Plaats steunen onder de achterkant van de wagen. Werk nooit onder een Niet veilig ondersteund voertuig. Bevestig de sensor aan de houder en bepaal de montagepositie. Deze positie要去 zo zicht mogelijk bij de transmissie gelegenzem. De geschikteplaats voor montage van de magneten is direct aan de transmissie. Maak met het dubbelzijdige kleefband 1 of 2 magneten aan de cardanas vast en bevestig de gefexeerde magneten met de kabelbinder, nadat u de magneten gelijkelijk over het scharnier verdoeffd hebt. De sensor要去 zo geplaatst worden dat tussen magneten en snelheidssensor een afstand van ca. 3 - 5mm bestaat. Zorg ervoor dat de afstand tussen sensor en magneten bij verticale beweging van de cardanas Niet verkleind wordt of groter wordt dan 5mm .
Tachogenerator MS-AA-144 (zie I 3)
De tachogenerator dient ervoor, een snelheidssignaal op te wekken bij voertuigen met een geschroefde kilometerteller. Bij gebruik van de tachogenerator bij handmatig geschakelde voertuigen is het beslistoodzakelijk, een toerentalbegrenzer te installereren.
STANDAARD-BEDRIJF
-
Start de motor
-
Toets ON/OFF op het bedietensgement indrukken
-
Remedaal intrapen on insektief houden.
-
Rempedaal intrappen en fingertrap hou
- Vier keer op de SET-toets drukken
Setup-modus
- Rempedaal intrappen
en ingrotat honden Fén keer on de BES- toets drukken - Remeda up to 10% loss rate (20%) - Rempedaal weer losiaten
Aanwijzing afvalbeheer
Houdt u er rekening mee dat elektrische apparaten veel recyclebaar en milieuubelastend materiaal bevatten. Lever uw bijdrage, ter wille van uzelf en van het milieu. Zorg ervoor dat deze componenten alleen via de waarvoor bedoelde en goedgekeurde wegen bij het afval belanden.
Technische gegevens
Bedrijffsspanning:
12
Volt
Stroomopname: max. 10,5 A
Bedrijfstemperatuur: -40 tot +85 °C
ABE-nr. 90669
Technische veranderingen voorbehonden
Erforderliga verktyg
E-Mail: verkoop@waeco.nl

WAECOSvensKAAB
Gustaf Melins gata 7