JX90 - Grasmaaier JOHN DEERE - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis JX90 JOHN DEERE in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding JX90 - JOHN DEERE en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. JX90 van het merk JOHN DEERE.
GEBRUIKSAANWIJZING JX90 JOHN DEERE
Original Instruction Nederlands
Originele gebruiksaanwijzing Español
Verklaring van het op de machine aangebrachte typeplaatje..................................................................... 2
Beschrijving van de componenten................................ 8
- Voorbereidende werkzaamheden p. 8
- Geleidestangen omhoog plaatsten (Afbeelding A1 + E1 + B1 ) p. 8
- Montage van de startstang (Afbeelding G3 + L1 ) p. 9
- Opvangzak aan de maaier hangen (Afbeelding R1 + S1 ) p. 9
- Instellen van de maaihoogte (Afbeelding I ) p. 9
- Starten van de motor (Afbeelding S2 + C + E ) p. 10
- Gebruik zonder opvangzak p. 12
- 16 Het maaien p. 12
- Maaien op hellingen p. 12
- Oliepeilcontrole p. 12
- Controle van de bedrijfsveiligheid p. 12
- Tijdelijke beperkingen p. 12
- Tips voor de verzorging van het gazon p. 12
- Maaien (Afbeelding M ) p. 12
- Mulchen p. 13
- Wat verstaat men onder mulchen? p. 13
- Hoe bereikt men een perfect gesneden gazon? p. 13
- Ombouw naar achteruitworp (Afbeelding U2 + S1 ) p. 13
- 17 Verzorging en onderhoud van de maaier p. 14
- Reiniging (Afbeelding O ) p. 14
- Opbergen p. 14
- Neerklappen van de geleidestangen (Afbeelding A1 ) p. 14
- Transport en beveiliging van het apparaat (Afbeelding N ) p. 14
- Onderhoud van de messenbalk p. 15
- Bijslijpen en uitbalanceren van de messenbalk (Afbeelding Q ) p. 15
- Vervangen van de messenbalk p. 15
- Onderhoud van de voorwielen p. 15
- Onderhoud van de achterwielaandrijving (Afbeelding R ) p. 15
- Onderhoud van de aandrijving p. 15
- Het vervangen van de remkoppeling en de aandrijf-Vriem p. 15
- Bijregelen van de messen-rem-bowdenkabel p. 16
- 10 Inschakelen van het maaisysteem (Afbeelding H3 ) . 10 11 Uitschakelen van het maaisysteem (Afbeelding I3 ) . 10 12 Uitschakelen van de motor (Afbeelding I3 + G3 + Y2 ) p. 11
- 13 Stoppen in geval van nood p. 11
- 18 Onderhoud van de motor p. 16
- Olie wisselen p. 16
- Schoonmaken resp. vervangen van de luchtfilter (Afbeelding W ) p. 16
- Controle van de bougie (Afbeelding Y ) p. 17
- Overwinteren van de motor volgens voorschrift (of bij langdurige stilstand) p. 17
- 14 Rijaandrijving p. 11
- Bediening van de achterwielaandrijving (Afbeelding G ) p. 11
- Regelen van de snelheid (Afbeelding H ) p. 11
- 15 Grasopvanginrichting p. 11
- Gebruik met grasopvangzak p. 11
- Turbosignaal (vulstandsindicatie van de grasopvangzak) (Afbeelding J + K ) p. 11
- Leegmaken van de opvangzak (Afbeelding I3 + L ) 12 19 Oorzaken van storingen en het verhelpen daarvan Technische gegevens . zie binnenzijde boekomslag (achter) Conformiteitverklaring voor Technische gegevens p. 17
CE conformiteitsteken
Gegarandeerd geluidsdrukniveau INLEIDING Lieve tuinvriendin, lieve tuinvriend, Wanneer bij de fierheid op een verzorgde gazon nog de vreugde aan het werken in de tuin bijkomt, dan weet men eerst, wat men aan zijn tuingereedschappen heeft. Met uw nieuwe gazonmaaier van JOHN DEERE heeft u een goede keuze gemaakt. Hij verenigt het hoge prestatievermogen van een traditie-onderneming met de innovaties van moderne hightech. Dat voelt u, wanneer u ermee werkt, en het verheugt u, wanneer u het fantastisch resultaat ziet. Maar voor u met de gazonverzorging start, hier enige belangrijke informatie, die u absoluut in acht dient te nemen. Lees deze gebruiksaanwijzing zorgvuldig, voor u de maaier voor het eerst in gebruik neemt, om u met de correcte bediening en het onderhoud van de machine vertrouwd te maken en om letsels of schade aan uw gazonmaaier te vermijden. Gebruik de gazonmaaier voorzichtig. De op het toestel aangebrachte pictogrammen wijzen u op de belangrijkste voorzorgsmaatregelen. De betekenis van de pictogrammen is verduidelijkt op de openklapbare pagina. De veiligheidsinstructies in deze gebruiksaanwijzing zijn gekenmerkt met symbolen. De verklaring van de symbolen vindt u in de tabel op de volgende pagina. De omschrijvingen links en rechts hebben steeds betrekking op de in rijrichting geziene linker of rechter zijde van het toestel. Hoe nauwkeuriger u de technische aanwijzingen in acht neemt, hoe betrouwbaarder uw gazonmaaier van JOHN DEERE zal functioneren. Wij wijzen u er op, dat schade aan de maaier, die door bedieningsfouten is ontstaan, niet onder de wettelijke garantieplicht vallen. Wij wensen u veel vreugde bij de verzorging van uw gazon en uw grondstuk.
WAARSCHUWING Gebruiksaanwijzing en algemene veiligheidsvoorschriften lezen en in acht nemen. Bij het gebruik conform de voorschriften hoort ook het opvolgen van de door de producent voorgeschreven bedrijfs-, onderhouds- en instandhoudingvoorwaarden. WAARSCHUWING Derden uit de gevaarszone verwijderd houden! Het contact met de roterende messenbalk kan tot zware letsels leiden. Omhoog geslingerde voorwerpen kunnen zware letsels veroorzaken. Maai nooit, terwijl personen, bijzonder kinderen, of dieren in de omgeving zijn. WAARSCHUWING Benzine is licht ontvlambaar en uiterst explosief. Uitlopende benzine en olie op de hete motor zijn licht ontvlambaar. Brand en explosies kunnen zware letsels en materiële schade veroorzaken. Terwijl de motor loopt of bij hete machine mag de tankdop niet geopend en geen benzine bijgevuld worden. Bij lopende motor moet de oliepeilstaaf steeds vast ingeschroefd zijn. WAARSCHUWING Benzine is licht ontvlambaar en uiterst explosief. Brand en explosies kunnen zware letsels en materiële schade veroorzaken. Roken en open vuur zijn bij het tanken verboden. WAARSCHUWING Let op voor scherpe messen! Het contact met de roterende messenbalk kan tot zware voetletsels leiden. De motor alleen achter de maaier staand starten. Er op letten, dat de voeten niet onder de behuizing komen. WAARSCHUWING Let op voor scherpe messen! Het contact met de roterende messenbalk kan tot zware hand- en voetletsels leiden. Bij lopende motor/messen de door de lengte van de stuurboom geboden veiligheidsafstand aanhouden. Er op letten, dat handen en voeten niet onder de behuizing komen. WAARSCHUWING Omhoog geslingerde voorwerpen kunnen zware letsels veroorzaken. Voor het maaien, bijzonder van met loof bedekte oppervlakken, alle stenen, stokken, draden en andere vreemde voorwerpen van het gazon verwijderen. Het toestel nooit met beschadigde of ontbrekende veiligheidsinrichtingen gebruiken. Voor de eerste ingebruikneming de bevestiging van de messenschroef controleren, daarna de messenbalk regelmatig op vaste zitting, slijtage en schade onderzoeken. Een versleten of beschadigd mes uitwisselen. Voor het starten van de motor controleren, of de gereedschappen verwijderd zijn. VOORZICHTIG Uitlaat en motor bereiken bij het gebruik zeer hoge temperaturen. Verbrandingsgevaar! Voor onderhouds- en reinigingswerkzaamheden de machine tenminste 15 minuten laten af-koelen. Het toestel nooit met beschadigd of zonder veiligheidsrooster van de uitlaat gebruiken. VOORZICHTIG Als bij werkzaamheden aan het apparaat de bougiestekker niet eraf wordt getrokken, zou de motor gestart kunnen worden en zware verwondingen het gevolg kunnen zijn. Vóór onderhouds- en reparatiewerkzaamheden de motor afzetten, de bougiestekker eraf trekken en de contactsleutel, indien voorhanden, uittrekken. Bougiestekker nooit bij lopende motor eraf trekken. Gevaar: elektrische schok! Betreffende reinigings- of onderhoudsinstructies in de gebruiksaanwijzing raadplegen.
WAARSCHUWING Het contact met de roterende mesbalk kan leiden tot zware hand- en voetverwondingen. Omhoog geslingerde voorwerpen kunnen zware verwondingen veroorzaken. Het maaiwerk uitschakelen, bij apparaten zonder messenrem de motor uitschakelen. In elk geval wachten totdat het maaimes stilstaat: – bij het rijden buiten het gazon op wegen of straten; – voordat de snijhoogte wordt ingesteld; – voordat de grasopvangzak wordt gedemonteerd; Altijd de motor afzetten: – wanneer de maaier moet worden opgetild of gekanteld, bv. voor het transport; – wanneer de machine gedurende korte tijd zonder toezicht blijft; – vóór het bijtanken. – voordat de mulchstop wordt verwijderd. VOORZICHTIG Het contact met de scherpe kanten van de messenbalk kan tot letsels leiden. Bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden steeds veiligheidshandschoenen dragen.
Het toestel is uitsluitend bestemd voor het maaien van grasperken en gazon in het kader van de tuin- en landschapsverzorging ("Gebruik conform de voorschriften"). Elke verder leidende toepassing geldt als niet conform de voorschriften; voor hieruit resulterende schade is de producent niet aansprakelijk; het risico hiervoor draagt alleen de gebruiker. Bij het gebruik conform de voorschriften hoort ook het nakomen van de door de producent voorgeschreven bedrijfs-, onderhouds- en instandhoudingvoorwaarden.
Bij gebruik in openbare plantsoenen, parken, op sportvelden, langs de weg en op land- en bosbouwbedrijven moet u bijzonder voorzichtig te werk gaan.
De maaier mag niet worden gebruikt in het bijzonder voor het snoeien van bosjes, hagen en struiken, het snoeien van klimgewassen, begroeiing op daken en in balkonbloembakken of het afzuigen of schoonblazen van voetpaden.
Niet toegelaten is het gebruik van eender welke, niet door JOHN DEERE vrijgegeven anvullings- en aanbouwtoestellen. Bij het gebruik van zulke aanvullings- en aanbouwtoestellen vervallen de CE-conformiteit en de aanspraak op garantie. Eigenmachtige veranderingen aan deze gazonmaaier sluiten een aansprakelijkheid van de producent voor de daaruit resulterende schade uit.
Algemene veiligheidsinstructies Voor uw eigen veiligheid en voor een zo optimaal mogelijke werking van uw machine raden wij u aan deze bedieningshandleiding zorgvuldig door te lezen. Neem de tijd om kennis te nemen van de bedieningselementen en de machine juist te gebruiken.
Wij wijzen u erop dat de bestuurder of gebruiker van de machine aansprakelijk is voor het in gevaar brengen van andere personen, hun eigendommen en ongevallen waarbij deze betrokken zijn.
Deze bedieningshandleiding hoort bij de machine en moet bij eventuele verdere verkoop aan de nieuwe eigenaar worden overhandigd.
Laat nooit kinderen en personen onder 16 jaar en andere personen die geen kennis hebben genomen van de bedieningshandleiding de machine gebruiken. Wij wijzen u op het volgende: De minimumleeftijd van gebruikers kan regionaal verschillen.
Wijs iedereen die met het apparaat gaat werken op de mogelijke gevaren en hoe ongevallen kunnen worden vermeden. Dit toestel mag alleen door personen gebruikt, onderhouden en gerepareerd worden, die hiermee vertrouwd en over de gevaren geïnstrueerd werden.
Dit apparaat is niet ervoor bedoeld om te worden gebruikt door personen (inclusief kinderen) met beperkte fysieke, sensorische of mentale vermogens en/of bij gebrek aan kennis, tenzij een voor hun veiligheid verantwoordelijke persoon op hen toeziet en hen aanwijzingen geeft hoe het apparaat gebruikt moet worden. Deze toezichthouder moet van tevoren beslissen of de persoon met beperkte fysieke, sensorische of mentale vermogens voor deze activiteit geschikt is.
Maai nooit in het bijzijn van andere personen, met name kinderen, of dieren.
Berg de machine veilig op. Niet gebruikte machines moeten in een droge, gesloten ruimte buiten bereik van kinderen worden bewaard. Voorbereidende maatregelen
Tijdens het maaien dienen altijd stevige schoenen of veiligheidsschoenen en lange broeken te worden gedragen. Maai niet op blote voeten of op sandalen. Draag een veiligheidsbril ter bescherming van de ogen. Controleer voor en tijdens het maaien het te bewerken gebied en verwijder alle stenen, stokken, kabels en andere voorwerpen die kunnen worden gegrepen en weggeslingerd. Wanneer met de maaier loof moet worden opgezogen, dan moeten vooraf eveneens alle stenen en andere vreemde voorwerpen verwijderd worden. Wanneer dit wegens de op het gazon liggende bladeren niet gevrijwaard kan worden, dan mag er geen loof worden opgezogen. Wanneer u voor het onderhoud van uw gazon ook een autonome maaier gebruikt, moeten de volgende veiligheidsinstructies met betrekking tot werkoppervlak van de autonome maaier in acht worden genomen: – vóór de werkzaamheden op deze oppervlakken (maaien, verticuteren, enz.) moet altijd het bereik van de begrenzingskabel worden gecontroleerd. – wanneer de kabels in de aarde zijn gelegd, moeten deze worden gecontroleerd, er mogen geen kabels te zien zijn, speciale aandacht is geboden voor het laadstation. – wanneer de begrenzingskabels bovengronds zijn gelegd, moeten deze direct op de ondergrond gespannen verlopen en niet slap rondslingeren in het gras. De kabels moeten voldoende door begrenzingsnagels gefixeerd zijn, zie gebruiksaanwijzing. – de begrenzingsnagels mogen niet uitsteken, anders moeten ze ingedrukt worden. – rondslingerende kabelresten voor de maaier verwijderen. Bij de hierboven beschreven omstandigheden bestaat het gevaar dat de kabel door het werkgereedschap naar binnen getrokken en opgewikkeld wordt, wat kan leiden tot ernstige verwondingen.
- Naar beneden hangende takken en soortgelijke hindernissen kunnen de gebruiker verwonden of het maaien belemmeren. Vóór het maaien op mogelijke hindernissen zoals bijv. naar beneden hangende takken letten en deze snoeien of verwijderen. WAARSCHUWING – Benzine is licht ontvlambaar en uiterst explosief. Brand en explosies kunnen zware letsels en materiële schade veroorzaken. – Benzine alleen in een goedgekeurde jerrycan en voor kinderen ontoegankelijk bewaren. – Tank niet in het voertuig, op een laadvloer of een aanhanger met kunststofbekleding vullen. Tank voor het vullen met brandstof niet in de nabijheid van het voertuig en steeds op de bodem afzetten. – Tank alleen in de open lucht met een koude motor. Tijdens het tanken zijn roken en open vuur verboden. – Met benzine aangedreven apparaten die zich op een laadvlak of een aanhanger bevinden, niet vanuit de pomp voltanken, maar voltanken met een draagbare jerrycan. – Tank benzine voor u de motor start. – Open de tankdop niet en tank geen benzine bij een draaiende motor of als het apparaat heet is. – Probeer de motor niet te starten als u benzine heeft gemorst. Verwijder in plaats daarvan het apparaat van de met benzine vervuilde plek en veeg de overgelopen brandstof van de motor af. Probeer de motor niet te starten voordat de benzinedampen zijn vervlogen. – Sluit benzinetank en jerrycan om veiligheidsredenen weer volledig af. – Vervang bij beschadiging de benzinetank en de tankdop.
- Controleer voor gebruik altijd visueel of de messen, de bevestigingsbouten en de gehele maaieenheid versleten of beschadigd zijn. Vervang versleten of beschadigde messen en bevestigingsbouten ter voorkoming van onbalans. Gebruik
Het machine mag niet in explosiegevaarlijke omgeving worden gebruikt.
Laat de verbrandingsmotor niet draaien in afgesloten ruimten waarin zich gevaarlijke verbrandingsgassen kunnen ophopen. Gevaar voor vergiftiging!
Dragers van pacemakers mogen bij draaiende motor geen motoronderdelen aanraken die onder spanning staan.
Opgelet! Apparaat niet voor aanzuigopeningen van ruimtebeluchtingstoestellen laten lopen.
Bougiestekker nooit bij lopende motor eraf trekken. Gevaar: elektrische schok!
Geen koptelefoon dragen om naar de radio of muziek te luisteren. Veiligheid bij het onderhoud en het bedrijf vereisen onbeperkte aandacht.
Maai alleen bij daglicht of met voldoende licht. Bestuur de machine stapvoets.
De rijsnelheid aan de persoon en het terrein aanpassen. Verhoog de snelheid langzaam, totdat u de bij u passende rijsnelheid hebt bereikt.
Bijzonder voorzichtig zijn als onoverzichtelijke hoeken, struiken, bomen of andere hindernissen het zicht kunnen beïnvloeden. Niet te dicht op terreinhellingen, greppels en taluds afrijden. De machine kan plotseling over de kop gaan, als een wiel over de rand van een klip of een greppel rijdt of een rand plotseling zakt.
Voorzichtig bij het maaien onder speeltoestellen (bv. schommels). Het apparaat zou in een onveilige positie kunnen komen. Er bestaat gevaar voor letsel.
De machine niet tijdens ziekte, moeheid of onder invloed van alcohol, medicijnen of drugs bedienen.
Indien mogelijk moet het gebruik van het toestel bij nat weer worden vermeden. Er bestaat gevaar voor uitglijden.
Zorg ervoor dat u op hellingen altijd stevig staat. Maai op een helling in dwarsrichting, nooit naar boven of naar beneden. Wees bijzonder voorzichtig als u op een helling van rijrichting verandert.
Maai niet op overmatig steile hellingen! Het maaien op hellingen beïnhoudt principieel gevaren. De grasmaaier bezit een zeer groot vermogen, zodat hij nog op hellingen met een neigingsgraad van max. 30° neiging kan maaien. Om veiligheidsredenen bevelen wij echter dringend aan, dit theoretisch vermogenspotentieel niet volledig te gebruiken. Principieel mogen handmatig bestuurde grasmaaiers bij hellingen van meer dan 15° niet worden gebruikt.
Wees bijzonder voorzichtig als u de machine omkeert of deze naar u toe trekt.
Bij achterwaartse bewegingen met de machine kunt u struikelen. Vermijd achteruitlopen. Vermijd abnormale lichaamshoudingen. Zorg ervoor dat u stevig staat en niet uw evenwicht verliest.
Houd de door de lengte van de stuurboom bepaalde veilige afstand aan.
Om een afglijden van het toestel tijdens het dragen te verhinderen, dient u het toestel steeds vast te nemen met de daarvoor voorziene grijpinrichtingen (draaggreep, behuizing, duwstangeinden of onderste gedeelte van de duwstang). Niet vastnemen aan de uitwerpklep!
Neem voor het optillen of dragen het gewicht van de machine in acht (zie technische gegevens). Het optillen van grote gewichten kan leiden tot problemen met de gezondheid.
Til de machine nooit op en draag deze nooit met draaiende motor.
- Gebruik de machine nooit met beschadigde of ontbrekende veiligheids- en bescherminrichtingen. Veiligheidsinrichtingen zijn: – Veiligheidsschakelbeugel Schakelbeugel voor messenrem op het moment van gevaar loslaten: De mesbalk moet binnen drie seconden tot stilstand komen. De functie van de veiligheidsschakelbeugel mag niet buiten werking worden gesteld. Men moet controleren of de veiligheidsschakelbeugel werkt zoals voorgeschreven. Als dat niet het geval is, moet hij door een erkend vakbedrijf gerepareerd worden. Om de goede werking van de veiligheidsinrichting te garanderen moet de schakelbeugel, het schakelhuis met bowdenkabel en de messenrem regelmatig, echter ten minste eenmaal per maaiseizoen, door een erkend vakbedrijf gecontroleerd worden. Bescherminrichtingen zijn: – Behuizing, grasopvangzak, uitwerpklep, deflector Deze bescherminrichtingen beschermen tegen letsels door omhoog geslingerde voorwerpen. Het toestel mag niet met beschadigde behuizing c.q. zonder reglementair bevestigde opvangzak resp. deflector of tegen de behuizing aanliggende uitwerpklep worden gebruikt.
Behuizing Deze beveiligingsvoorziening beschermt tegen letsel door contact met de roterende mesbalk. Het apparaat mag niet met beschadigde behuizing worden gebruikt. Erop letten dat handen en voeten niet onder de behuizing komen.
Afdekkingen van de riemaandrijving, motorafdekkingen Deze beveiligingsvoorzieningen beschermen tegen letsel door bewegende onderdelen. Het apparaat mag niet met beschadigde c.q. zonder op de voorgeschreven wijze bevestigde afdekkingen
Veiligheidsrooster voor de uitlaat De motor/uitlaat wordt zeer heet. Het veiligheidsrooster beschermt tegen verbrandingen. Het toestel niet zonder veiligheidsrooster voor de uitlaat gebruiken. De bescherminrichtingen mogen niet veranderd worden.
Wijzig de basisafstelling van de motor niet of jaag hem niet over zijn toeren.
Tijdens het startproces de aandrijving, indien voorhanden, niet inschakelen. Let er bij het in bedrijf nemen op dat uw voeten op een veilige afstand van het maaisysteem staan. Bij het inschakelen van het maaisysteem mag u de machine niet kantelen, maar mag u deze, indien noodzakelijk, alleen zodanig schuin plaatsen dat de snijdgereedschap van de gebruiker af wijst maar echter slechts zover als dit absoluut noodzakelijk is.
Houd handen en voeten altijd uit de buurt van draaiende onderdelen. Zorg ervoor dat handen en voeten niet onder de behuizing komen. Houd u altijd verwijderd van de uitwerpopening. Stop de motor, trek de bougiestekker eraf, vergewis u ervan dat alle bewogen delen volledig stilstaan en dat de contactsleutel, indien voorhanden, uitgetrokken is: – als de machine verlaten wordt; – voordat u de machine controleert, reinigt of er werkzaamheden aan uitvoert; – voordat u blokkeringen loswerkt of verstoppingen in het uitwerpkanaal elimineert; – als er een vreemd voorwerp werd geraakt; – als de machine abnormaal begint te trillen. Wanneer er een vreemd voorwerp werd getroffen en als de machine blokkeert, bijv. als u tegen een hard voorwerp rijdt, moet u een vakhandelaar laten controleren of er onderdelen van de machine beschadigd of vervormd zijn. Ook de mogelijk noodzakelijke reparaties steeds door een geautoriseerde vakwerkplaats laten uitvoeren. Indien de machine ongewoon sterk begint te vibreren, is een onmiddellijke controle door de vakhandelaar noodzakelijk. Schakel het maaisysteem uit, overtuig u ervan, dat de messenbalk stilstaat: – bij het niet op het gazon rijden op wegen of straten; – wanneer u de maaihoogte wilt regelen; – voor u de grasopvangzak afneemt; – voor de mulchprop wordt verwijderd. Schakel de motor uit, overtuig u ervan dat de contactsleutel, indien voorhanden, afgetrokken is: – als u de maaier moet optillen of moet kantelen, bijv. voor transport; – als u de machine even verlaat; – voordat u bijtankt. Indien de motor een benzinekraan bezit, dient deze na het maaien dicht te worden gedraaid. Onderhoud en opslag
Zorg ervoor dat alle schroefverbindingen goed zijn vastgeschroefd en dat het toestel in een veilige arbeidstoestand is. U mag alleen bij uitgeschakeld maaisysteem de uitwerpklep openen en de grasopvangzak verwijderen of de mulchprop verwijderen. Bewaar de machine nooit met benzine in de tank in een gesloten ruimte waarin eventueel benzinedampen met open vuur of vonken in contact kunnen komen of kunnen ontvlammen. Uitlaat en motor bereiken tijdens het gebruik zeer hoge temperaturen. Voor onderhouds- en reinigingswerkzaamheden de machine tenminste 15 minuten laten afkoelen.
Om brandgevaar te vermijden houdt u motor, geluiddemper (uitlaat) en brandstoftank vrij van gras, bladeren of uitlopende olie (vet). Bij het op de zijkant leggen erop letten dat er geen olie of benzine uitloopt. Brandgevaar! Laat de motor afkoelen, voordat u de machine neerzet in gesloten ruimtes. De machine niet opslaan in de buurt van open vlammen of vuurbronnen zoals bijv. boilers of verwarmingen. Controleer de grasopvanginstallatie regelmatig op slijtage en werking.
Controleer ook elke keer voor het maaien de staat van de messen en kijk of de messen goed vastzitten. Een versleten of beschadigd mes moet absoluut worden vervangen.
Op goede zitting van de bougiestekker letten! Aanraken is alleen gevaarlijk zolang de bougiestekker niet zoals voorgeschreven geïnstalleerd is. Het vervangen, bijslijpen en uitbalanceren van het mes moet worden uitgevoerd door een erkend vakbedrijf. Door een foutief gemonteerde meskoppeling kan de mesbalk losraken, wat tot ernstige verwondingen kan leiden. Een ondeskundig geslepen en niet uitgebalanceerd mes kan sterke trillingen veroorzaken en de grasmaaier beschadigen.
Vervang om veiligheidsredenen versleten of beschadigde onderdelen. Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd veiligheidshandschoenen. Voer onderhouds- en reinigingswerkzaamheden alleen uit als de motor is uitgeschakeld en de bougiestekker is afgetrokken.
Bougiestekker nooit bij lopende motor eraf trekken! Gevaar: elektrische schok.
Indien de tank geledigd dient te worden, dan moet dit in open lucht en bij koude motor te gebeuren. Er op letten, dat er geen brandstof wordt gemorst. Om vrijwarings- en veiligheidsredenen mogen alleen originele reserveonderdelen gebruikt worden.
Veiligheidsbedieningshendel voor de messenrem Aandrijfbedieningshendel Variobediening Tankdop Verstelling maaihoogte Brandstofkraan Bougie Draaggreep Luchtfilter Olievulopening met oliestaaf Uitwerpklep Greep starterkabel Bedieningshendel voor de motor Inschakelhendel maaisysteem
VOORBEREIDENDE WERKZAAMHEDEN Voor de montage bevinden zich de volgende afzonderlijke delen in de verpakking:
- Maaier met gemonteerde stuurboom
- Opvangdoek, opvangzakframe
- Gereedschapszakje met volgende inhoud: – Bedieningshandleiding met Conformiteitsverklaring – Bougiesleutel – Diverse montageonderdelen. Mocht er toch een onderdeel ontbreken, neem dan contact op met uw gespecialiseerde vakhandelaar. Geleidestangen omhoog plaatsten (Afbeelding A1 + E1 + B1 )
De Z-vormig samengeklapte geleidestangen naar boven toe uit elkaar trekken A1 . Wanneer het bovenste en het onderste deel van de geleidestangen in één lijn liggen, de beide greepmoeren met de hand vastschroeven E1 . Aan het onderste deel van de geleidestangen de einden zover uit elkaar drukken, dat de naar binnen wijzende arrêteernokken aan beide zijden in de overeenkomstige boringen vastklikken B1 . Er kunnen drie verschillende geleidestanghoogten worden ingesteld. De greepmoeren aan beide zijden met de hand vastschroeven B1 . De kabel aan beide zijden in de kabelgeleiding leggen. Daardoor wordt een vastklemmen van de kabel verhinderd bij het omklappen van de geleidestangen E1 . De bowdenkabels met behulp van de kabelbanden uit de gereedschapszakje aan de onderste geleidestang bevestigen.
VOORZICHTIG Bij de activering van de hoogteverstelling van de duwboom kan het gebeuren dat de boom ongewild omslaat bij het losdraaien van de geribde moeren B1 voor de bevestiging van het onderstuk aan de behuizing (maar zo ver losdraaien, dat de boom vrij kan worden bewogen) en het losspringen van de vergrendelingsnokken uit de boringen van de boombevestiging. Bovendien kunnen er tussen onderstuk van de duwboom en boombevestiging/behuizing plaatsen ontstaan waar u zich kunt kneuzen. Er bestaat verwondingsgevaar! Montage van de startstang (Afbeelding G3 + L1 )
De bedieningshendel in de stand STOP schuiven G3 . De starterkabel (1) uittrekken en door een draaiende beweging in de houder van de starterhandgreep (2) haken L1 . Opvangzak aan de maaier hangen (Afbeelding R1 + S1 )
Het frame van de opvangzak met de beugel vooraan in het opvangdoek plaatsen. Erop letten dat de beschermhoeken van het opvangdoek de achterste hoeken van het frame van de opvangzak omhullen. De bovenste naden van het opvangdoek aan de beugel uitlijnen. De profielen van de opvangzak op de stangen van het frame drukken R1 . De uitwerpklep van de maaier naar boven openen. Til de opvangzak op met de draaggreep, plaats de schans (1) R1 aan de opening van de opvangzak en hang deze met zijn beide zijdelingse haken boven in de maaierbehuizing S1 . De uitwerpklep op de opvangzak klappen. Instellen van de maaihoogte (Afbeelding I ) Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3 – De maaihoogte wordt ingesteld aan de linkerzijde van de maaimachine. – Druk met de duim de toets in (1) en druk de hefboom omhoog of omlaag in de gewenste positie (2). – Zodra u de druktoets loslaat, klikt de pal in de gewenste maaihoogte in. – De markering links op het huis geeft de maaihoogte aan. BELANGRIJK Het maaien op de laagste snijhoogte mag alleen gebeuren op vlakke en gladde grasmatten! Gelieve er rekening mee te houden dat de onderste snijhoogte-instellingen alleen bij optimale omstandigheden gebruikt mogen worden. Als u de snijhoogte te laag kiest, dan kan de grasnerf beschadigd en onder bepaalde omstandigheden zelfs vernield worden. Naast de snijhoogte beïnvloedt ook de rijsnelheid het snijbeeld en vangresultaat. Snijhoogte en rijsnelheid aanpassen aan de hoogte van het te snijden het gras.
Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3 Alle boutverbindingen en de bougiestekker controleren op juiste montage. De bouten beter vastschroeven, indien nodig! Hierbij vooral de bevestiging van de messenbalk controleren (zie hiervoor hoofdstuk „Onderhoud van de messenbalk“). De bevestigingsschroef van de messen dient steeds door een vakwerkplaats te worden vastgeschroefd. Wanneer de messenschroef te vast of te los wordt aangeschroefd, kunnen messenkoppeling en messenbalk beschadigd worden of loskomen, wat tot zware letsels kan leiden. Let u er op dat alle veiligheidsinrichtingen correct zijn bevestigd en dat zij niet beschadigd zijn. Olie bijvullen (Afbeelding Y1 ) Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3 BELANGRIJK Schade vermijden! De motor wordt zonder olie geleverd. De motor moet voor het starten met olie worden gevuld. Vóór de eerste start motorolie (hoeveelheid en kwaliteit zie technische gegevens) met een trechter na het losschroeven van de oliepeilstok in deze opening vullen. – De maaier op effen bodem parkeren. – Olie langzaam tot aan de vulopening vullen. Niet te vol maken. – Olieniveau controleren. Oliepeilstok verwijderen. De peilstok met een schone lap afvegen, weer insteken, niet vastdraaien. Daarna de peilstok
er weer uittrekken en het olieniveau aflezen. De olie moet zich tussen de markeringen "ADD" en "FULL"bevinden. Eventueel olie navullen. Het olieniveau mag echter niet boven de FULL-markering liggen. Oliepeilstok in de motor weer insteken en vastdraaien. Na het eerste vullen het bord „NO OIL“ (GEEN OLIE) boven aan de motor verwijderen. Brandstof invullen Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3
Gebruik als tankvulling alleen verse en schone loodvrije standaard brandstof. Brandstof met maximaal 10% ethanol is acceptabel. De brandstofkraan dient gesloten te zijn Y2 ! Benzinedop losdraaien. Brandstof m. b. v. een trechter tot max. onderkant van de vulpijp invullen. Benzinedop weer aanbrengen en vastdraaien.
STARTEN VAN DE MOTOR (Afbeelding S2 + C + E ) De motor mag alleen achter de maaier staande worden gestart. – Brandstofkraan openen S2 . – Bij koude motor de activeringshendel (1) in stand "I/I" (choke) (2) schuiven C . – De startkabel (4) langzaam uittrekken tot er een weerstand merkbaar wordt, dan snel uittrekken E , - de motor begint te lopen, de kabel langzaam terugvoeren. – Onder bepaalde omstandigheden moet het startproces herhaald worden. – Zodra de motor is aangesprongen moet de activeringshendel (1) in stand "Warme start/Bedrijf" (3) worden gezet C . – Bij bedrijfswarme motor de activeringshendel in stand "Warme start/Bedrijf" (3) schuiven en de motor starten zoals zojuist beschreven. – Als de motor niet aanspringt, ga dan te werk zoals bij het starten van de koude motor. – In stand "Warme start/Bedrijf" werkt de motor met zijn hoogste vermogen bij max. toerental dat vereist is voor een mooi snijbeeld (motortoerental = mestoerental).
VOORZICHTIG Startkabelgreep tijdens het starten stevig vastpakken. De greep zou anders uit de hand kunnen glijden. Verwondingsgevaar! 10 INSCHAKELEN VAN HET MAAISYSTEEM (Afbeelding H3 ) Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3 Het maaisysteem alleen achter de maaier staande inschakelen. In elk geval de maaier op een effen niet met hoog gras begroeide vlakte plaatsen (is het gras te lang, dan wordt daardoor het aanlopen van de mesbalk belemmerd en het starten onmogelijk). Waar dit niet mogelijk is, de grasmaaier zo schuin opstellen, dat de snijdinrichting in de van de gebruiker afgekeerde richting wijst maar echter slechts zover als dit absoluut noodzakelijk is. – De veiligheidsschakelbeugel (1) op het bovenste deel van de stuurboom drukken en vasthouden. – De hendel (2) tot aan de aanslag vlot naar voren schuiven en loslaten. De hendel komt automatisch terug in zijn uitgangspositie. BELANGRIJK Langzaam inschakelen van het maaisysteem leidt tot een overmatige slijtage van de rem- en koppelingvoeringen en een oververhitting van het volledige remkoppelingsysteem. Voor een onberispelijke functie van het startsysteem is het noodzakelijk, dat het maaisysteem overeenkomstig de bovenstaand beschreven volgorde wordt gestart. 11 UITSCHAKELEN VAN HET MAAISYSTEEM (Afbeelding I3 ) – Veiligheidsbedieningshendel voor de messenrem vlot loslaten. BELANGRIJK Op het moment dat de veiligheidsbedieningshendel wordt losgelaten, klapt deze door veerkracht weer terug in zijn uitgangspositie, de messenrem is nu geactiveerd en binnen drie seconden komt het messenbalk tot stilstand.
12 UITSCHAKELEN VAN DE MOTOR (Afbeelding I3 + G3 + Y2 )
Veiligheidsbedieningshendel voor de messenrem vlot loslaten I3 . De bedieningshendel in de stand STOP schuiven G3 . Brandstofkraan sluiten Y2 .
13 STOPPEN IN GEVAL VAN NOOD
OPGELET Verwondingen vermijden! De mesbalk moet binnen 3 seconden stoppen. Anders de volgende geautoriseerde vakwerkplaats consulteren. Veiligheidsschakelbeugel en aandrijfschakelbeugel loslaten. – De maaier stopt. – Het mes komt tot stilstand. 14 RIJAANDRIJVING Bediening van de achterwielaandrijving (Afbeelding G ) De achterwielaandrijving wordt bij lopende motor en maaiwerk in- en uitgeschakeld via de aandrijfschakelbeugel (1) aan de bovenste duwboom (2): – Aan de aandrijfschakelbeugel trekken en hem vasthouden = maaier rijdt. – Aandrijfschakelbeugel loslaten = maaier blijft staan (0-stand). Bij het rijden buiten het gazon op wegen of straten de aandrijving alleen inschakelen bij lopende motor. Regelen van de snelheid (Afbeelding H ) BELANGRIJK Het regelen van de snelheid mag alleen geschieden als de motor draait, om beschadigingen te voorkomen! De rijsnelheid wordt traploos ingesteld met de aan de linkerkant aangebrachte hendel van de variobediening. – De hendel eerst naar beneden drukken (1) om deze los te klikken en dan door omzetting de gewenste rijsnelheid instellen (2). De hendel klikt in de dichtstbijzijnde nieuwe positie weer automatisch vast. – Positie “haas” = snel (max. snelheid) – Positie “schildpad” = langzaam (min. snelheid) AANWIJZING Maaien met te hoge snelheid leidt tot een slecht snijbeeld resp. vangresultaat. Snelheid altijd aanpassen aan de gegeven omstandigheden. Bij langere afgesneden grassprieten moet een langzamere rijsnelheid worden gekozen. 15 GRASOPVANGINRICHTING Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3 Gebruik met grasopvangzak Let er bij het maaien op, dat de opvangzak op tijd wordt leeggemaakt. Het turbosignaal op de opvangzak geeft het juiste tijdstip aan om de zak leeg te maken. In plaats van de opvangzak kan er ook een deflector worden aangebracht (in de handel verkrijgbaar als accessoire bestelnr. SA592). BELANGRIJK Men moet erop letten dat bij het hanteren met de opvangzak de schans (1) R1 niet verbogen wordt. Turbosignaal (vulstandsindicatie van de grasopvangzak) (Afbeelding J + K ) Aan de bovenkant van de opvangzak is een indicatie geplaatst, waarmee men zien kan of de opvangzak leeg of vol is: – Indien de opvangzak leeg is gaat het signaal onder het maaien bol staan J . – Indien de opvangzak vol is valt het signaal in elkaar; dan moet het maaien dadelijk gestaakt en de opvangzak leeg gemaakt worden K . BELANGRIJK Indien het weefsel van de opvangzak erg vuil is gaat het signaal niet bol staan. Het weefsel moet dan worden schoongemaakt! Alleen met een luchtdoorlatende opvangzak is een foutloos opnemen van het gras mogelijk. BELANGRIJK Opvangzak niet met warm water reinigen!
Leegmaken van de opvangzak (Afbeelding I3 + L ) Veiligheidsbedieningshendel loslaten I3 . De daardoor in functie gestelde messenrem brengt het mes binnen 3 seconden tot stilstand. Bij lopende motor kan nu de opvangzak als volgt geledigd worden: – Uitwerpklep openen. – De gevulde opvangzak van de maaier met de draagbeugel uit de maaier loshaken – de uitwerpklep sluit automatisch. – Opvangzak aan beugel en handgleuf op de bodem vasthouden en goed leegschudden L . Gebruik zonder opvangzak WAARSCHUWING Bij het gebruik zonder opvangzak moet de uitwerpklep aan het maaichassis steeds gesloten zijn (naar onder geklapt). 16 HET MAAIEN Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3 Maaien op hellingen LET OP De maaier kan op taluds of hellingen met een hellingspercentage van maximaal 30° worden gebruikt. Steilere hellingen kunnen tot motorschade leiden. Om veiligheidsredenen bevelen wij echter dringend aan, dit theoretisch vermogenspotentieel niet volledig te gebruiken. Principieel mogen handmatig bestuurde grasmaaiers bij hellingen van meer dan 15° niet worden gebruikt. Oliepeilcontrole Vóór elk maaien het oliepeil controleren Y1 . De motor nooit met te weinig of te veel olie laten lopen. Onherstelbare schade zou het gevolg kunnen zijn. Controle van de bedrijfsveiligheid
Voordat u gaat maaien altijd controleren of de veiligheidsschakelbeugel voor de rem van het mes foutloos functioneert. Als de schakelbeugel wordt losgelaten, moet de mesbalk binnen drie seconden blijven staan. Anders de dichtstbijzijnde geautoriseerde vakwerkplaats opzoeken. Zorg ervoor dat alle bescherminrichtingen zoals voorgeschreven aangebracht en niet beschadigd zijn! Na de eerste bedrijfsuren en laten van tijd tot tijd de goede bevestiging van alle schroeven en moeren controleren en deze eventueel aandraaien! Om gevaar te vermijden voordat u gaat maaien de toestand en goede bevestiging van het mes controleren (zie hiervoor hoofdstuk „Onderhoud van de mesbalk”). Bovendien regelmatig slijtage en bevestiging van ventilator, meskoppeling en ventilatorhuis controleren. Op goede zitting van de bougiestekker letten! Aanraken is alleen gevaarlijk zolang de bougiestekker niet zoals voorgeschreven geïnstalleerd is. Bougiestekker nooit bij lopende motor eraf trekken! Gevaar: elektrische schok. Bij blokkering van het maaiwerk, bijv. door tegen een hindernis aan te rijden, door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren of delen van de maaier beschadigd of vervormd zijn. Ook de eventueel noodzakelijke reparaties altijd door een geautoriseerde vakwerkplaats laten uitvoeren. Tijdelijke beperkingen Er bestaan plaatselijke voorschriften met betrekking tot de tijden, waarop maaiers mogen worden gebruikt. Informeert u zich a.u.b.voor het gebruik van de maaier bij de desbetreffende instantie. Tips voor de verzorging van het gazon Maaien (Afbeelding M ) Na 10 – 14 dagen begint elk gazon te verwilderen. U zult zien: hoe vaker het gemaaid wordt, des te beter en krachtiger het eruit ziet; want regelmatig maaien bevordert een gelijkmatige groei. Verwijder vóór elke maaibeurt alle vreemde voorwerpen (stenen, hout, takken enz.) van het gazon; let echter ook tijdens het maaien nog op rondslingerende voorwerpen. Maai zo mogelijk alleen droog gras. Bij natte bodem wordt de grasnerf gemakkelijk beschadigd; de wielen drukken zich in de grond en laten sporen achter. Als het gras te lang is geworden, maai het gazon dan eerst met hoge instelling van de snijhoogte in de ene richting, en daarna met lagere, door u gewenste hoogte-instelling in de breedte. Snij alleen met scherpe, foutloze messen, opdat de
grashalmen niet uitrafelen. Een zuiver snijbeeld bereikt u als u de maaier in staptempo in zo recht mogelijke banen leidt. Deze banen moeten altijd een paar centimeter overlappen, opdat er geen stroken blijven staan. Het maaien op de laagste snijhoogte mag alleen gebeuren op vlakke en gladde grasmatten! Gelieve er rekening mee te houden dat de onderste snijhoogte-instellingen alleen bij optimale omstandigheden gebruikt mogen worden. Als u de snijhoogte te laag kiest, dan kan de grasnerf beschadigd en onder bepaalde omstandigheden zelfs vernield worden. Naast de snijhoogte beïnvloedt ook de rijsnelheid het snijbeeld en het vanggedrag. De rijsnelheid aanpassen aan persoon, terrein en aan de te snijden grashoogte. Bij langere afgesneden grassprieten moet een langzamere rijsnelheid worden gekozen. Bij het maaien van hoog gras eerst een hoge instelling van de snijhoogte kiezen en daarna met lagere hoogte-instelling nog een keer maaien in de breedte. Mulchen Uw grasmaaier kan met een mulchset worden uitgerust. De overeenkomstige ombouwset voor het mulchsysteem is in de vakhandel als toebehoren verkrijgbaar (Bestelnr. Ombouwset zie originele reserveonderdelen en toebehoren). WAARSCHUWING De ombouw van de maaier op het mulchsysteem dient steeds door een geautoriseerde vakwerkplaats te worden uitgevoerd. Door een verkeerd gemonteerde messenkoppeling of door een te vast of te los aangetrokken messenschroef kan de messenbalk loskomen, hetgeen tot zware letsels kan leiden. Wat verstaat men onder mulchen? Bij het mulchen wordt het gazon gesneden en worden de afgesneden halmen gelijktijdig door een speciaal mulchmessensysteem meermaals klein gesneden. Dit mulchmessensysteem richt de grashalmen op en snijdt de halmen in zeer korte stukken, die dan gelijkmatig over het gazonoppervlak worden verdeeld. Het afgesneden gras kan nu sneller uitdrogen en verrotten, waardoor de humusvorming wordt bevorderd. De bodem wordt zo op natuurlijke wijze bemest en ook nog beschermd tegen uitdroging. Het verzamelen en verwijderen van het afgesneden gras vervalt. Het mulchconcept ondersteunt daardoor de ecologische kringloop aanzienlijk. Hoe bereikt men een perfect gesneden gazon? Bij gebruik van de mulchmaaier mag de af te snijden grashoogte niet groter dan 10 cm zijn. In één rondgang wordt nu maximaal 1/3 van de grashoogte afgesneden. Wanneer er geen goed resultaat wordt bereikt, moet er eventueel een tweede rondgang achteraan worden gedaan. Afhankelijk van de grassoort en de intensiteit van de groei moet regelmatig worden gemaaid. Mulchen vereist juist in de sterke groeifase vaker maaien dan het traditionele verzamelen, omdat anders aan deze eenderde-regel moeilijk kan worden voldaan. Om een optimaal mulchresultaat te bereiken moet u bij het mulchen in vergelijking met het traditionele maaien de snelheid van de machine verlagen om het gras de tijd te geven langer in de maaimachine te verblijven waardoor het meerdere malen gesneden kan worden. Het beste snijbeeld en resultaat wordt bereikt bij droog gras, omdat nat gras door de korte grasafsnijding snel samenkleeft en klontert. Deze grasklonten vormen rot en schimmel en het belemmeren de gewenste ecologische kringloop. Wanneer het gras toch een keer onder vochtige omstandigheden gemaaid moet worden moet het gras korter worden afgesneden, d.w.z. dat de snijhoogte 1-2 stappen hoger moet worden ingesteld dan bij droog gras. U zult merken dat wanneer u zich aan deze eenvoudige regels houdt u een gezond gazon krijgt en dat u zich het afvoeren van het afgemaaide gras bespaart. Wanneer het gras toch een keer te hoog is geworden voor mulchen, kan met enkele handgrepen de mulchmaaier worden omgebouwd voor het maaien met een gras-opvangzak. Ombouw naar achteruitworp (Afbeelding U2 + S1 ) – Motor afzetten. – Uitwerpklep optillen. – De mulchstop verwijderen uit het kanaal U2 . – De grasopvangzak in de voorziene houder aan de behuizing van de maaier hangen S1 . Een ombouw van het mulchmessysteem is niet noodzakelijk! Bij moeilijke maaiomstandigheden (bijv. nat gras) kan het wel voorkomen dat de opvangzak minder gevuld wordt. Opdat het apparaat opnieuw als mulchmaaier kan worden ingezet, moet de mulchstop weer worden ingebouwd. Hiervoor de grasopvangzak eraf nemen, de muIchstop in het uitwerpkanaal steken en de uitwerpklep sluiten.
Regelmatige verzorging is de beste garantie voor een lange levensduur en storingvrije werking! Gebruik uitsluitend originele onderdelen, want alleen deze staan borg voor veiligheid en kwaliteit! Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3 Reiniging (Afbeelding O )
BELANGRIJK Voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden de brandstofkraan sluiten Y2 , de maaier op de rechterkant leggen of beter nog voor omhoog kantelen O (bougie naar boven), aangezien er anders startmoeilijkheden kunnen optreden. Bij het omhoog kantelen van de maaier erop letten dat de uitwerpklep niet beschadigd wordt. In opgetilde toestand de maaier beveiligen! OPGELET Bij het omhoog kantelen of op de zijkant leggen erop letten dat er geen olie of benzine uitloopt. Brandgevaar! Vuil en grasresten direct na het maaien verwijderen. Voor de reiniging een borstel of doek gebruiken. OPGELET De vingers niet in de openingen van het ventilatorhuis steken en de ventilator vasthouden. Als de mesbalk bij het reinigen gedraaid moet worden, dan bestaat het gevaar dat de vingers tussen ventilator en ventilatorhuis bekneld raken! BELANGRIJK Nooit met hogedrukreiniger of normale waterstraal de omgeving van de aandrijving, motordelen (zoals ontstekingssysteem, carburateur enz.) afdichtingen en lagerplaatsen reinigen. Beschadigingen resp. dure reparaties kunnen het gevolg zijn. BELANGRIJK In de buurt van de transmissie vrij van vuil. Alle beweeglijke delen moeten vrij van vuil zijn. BELANGRIJK Indien de onderkant van de maaier per ongeluk met water werd gereinigd, absoluut nog een keer de motor starten en het maaiwerk inschakelen. Achterblijvend water kan onder bepaalde omstandigheden de constructiedelen (bijv. kogellagers) beschadigen; daarom de koppeling enkele minuten laten lopen, opdat water wordt weggeslingerd van de constructiedelen. Opbergen De machine moet altijd in schone toestand in een droge, gesloten ruimte buiten bereik van kinderen worden bewaard. Laat de motor afkoelen voordat u de machine in gesloten ruimten opbergt. Neerklappen van de geleidestangen (Afbeelding A1 )
Voor plaatsbesparende opslag of voor transport de vier geribde moeren zo ver losdraaien, dat de duwboom zonder weerstand in Z-vorm boven de motor in elkaar kan worden geklapt A1 . De vergrendelingsnokken op het onderste uiteinde van de duwboom moeten losspringen uit de boringen van de boombevestiging. – De bowdenkabels hierbij niet knikken of beknellen. VOORZICHTIG Bij het omleggen van de duwboom voor transport- en opslagdoeleinden kan de boom ongewild omslaan bij het losdraaien van de geribde moeren en het losspringen van de vergrendelingsnokken uit de boringen van de boombevestiging. Bovendien kunnen er tussen onderstuk van de duwboom, bovenstuk en boombevestiging/behuizing plaatsen ontstaan waar u zich kunt kneuzen. Er bestaat verwondingsgevaar! Transport en beveiliging van het apparaat (Afbeelding N )
Als het apparaat moet worden gedragen, dit niet aan de uitwerpklep vastpakken! Pak alleen vooraan vast aan de draaggreep en achteraan aan de uiteinden van de duwboom N . Erop letten dat het naar voren geklapte gedeelte van de duwboom niet wordt opgetild. Er bestaat gevaar voor letsel aan de uiteinden van de duwboom. Houd bij het optillen of dragen rekening met het gewicht van de machine (zie Technische gegevens). Het optillen van zware gewichten kan problemen met de gezondheid veroorzaken. Wij adviseren het apparaat altijd met twee personen te tillen of te dragen. Het apparaat staand transporteren. Het transportmiddel parkeren op vlakke ondergrond opdat het apparaat niet kan wegrollen, voordat het wordt vastgezet. De grasopvangbak uithangen en tijdens het transport apart vastmaken.
Het apparaat met toegelaten borgmiddelen (bijv. sjorriemen met spanelement) veilig bevestigen op of in het voertuig. Sjorriemen zijn riemen van synthetische vezels. Elke sjorriem is gekenmerkt. Het etiket geeft belangrijke informatie over het gebruik. – Bij ladingen die kunnen rollen wordt aanbevolen om ze direct vast te sjorren met vier spanriemen. Zet het apparaat bij de wielen zodanig vast dat het tijdens het rijden niet beweegt. OPGELET De riemen niet te strak aantrekken. Als het apparaat te stevig wordt vastgemaakt, kunnen er beschadigingen optreden. Onderhoud van de messenbalk Een scherp mes garandeert een optimale maaiprestatie. Controleer voor elke maaibeurt de toestand en de vaste zitting van het mes. Een versleten of beschadigd mes dient absoluut te worden vervangen. Bijslijpen en uitbalanceren van de messenbalk (Afbeelding Q ) WAARSCHUWING Het bijslijpen en uitbalanceren van de messenbalk steeds door een geautoriseerde vakwerkplaats laten uitvoeren. Een ondeskundig geslepen en niet uitgebalanceerd mes kan sterke vibraties veroorzaken en de gazonmaaier beschadigen. BELANGRIJK De snijvlakken van de messenbalk mogen alleen worden bijgeslepen totdat de markering (1) op de messenbalk (ring) (zie afbeelding Q ) is bereikt. OPGELET! Slijphoek van 30° in acht nemen. Uw vakbedrijf kan deze waarde (slijtagelimiet) voor u controleren! WAARSCHUWING Een mes waarbij de slijtagegrens (markering) werd overschreden kan breken en weggeslingerd worden, hetgeen zware verwondingen kan veroorzaken. Vervangen van de messenbalk WAARSCHUWING Het vervangen van de mesbalk altijd door een erkend vakbedrijf laten uitvoeren. Door een foutief gemonteerde meskoppeling of door een te vast of te los vastgedraaide messchroef kan de mesbalk losraken, wat tot ernstige verwondingen kan leiden. – Bij vervangen alleen originele messenbalken gebruiken! – Reserve messenbalken moeten duurzaam voorzien zijn van de naam en/of het teken van de producent of leverancier en het onderdeelnummer. Onderhoud van de voorwielen Eenmaal per jaar of om de 20 bedrijfsuren de lagers van de wielen inoliën. – Met een sleutel de moeren losdraaien en de wielen verwijderen. – Schuif, nadat de lagers gesmeerd zijn, de wielen op en schroef deze weer zo vast, dat de wielen nog makkelijk maar zonder speling kunnen draaien. Onderhoud van de achterwielaandrijving (Afbeelding R )
De aangedreven wielen na het verwijderen van de wielmoeren van de assen trekken. Vuil en vetresten van de wielafdekking, van het vrijlooprondsel op de aandrijfas en van het aandrijfrondsel aan de wielbinnenkant verwijderen. AANWIJZING Vrijlooprondsel niet van de as aftrekken! – Het rondselpaar (vrijlooprondsel en aandrijfrondsel in het wiel) met de rollagervet „KAJO-langetermijnvet LZR 2“, rondom zodanig invetten, dat de tussenruimtes tussen de tanden volledig zijn gevuld. – Bij het opschuiven van het aandrijfrondsel moeten de rondsels in elkaar grijpen; eventueel het wiel op de as een beetje draaien. Onderhoud van de aandrijving
Voor een onberispelijke functie van de riemaandrijving is in ieder geval vereist, dat de bowdenkabel voor het in- en uitschakelen van de rijaandrijving makkelijk beweeglijk is. De bowdenkabel is door de fabriek ingesteld en hoeft niet te worden bijgeregeld. Het vervangen van de remkoppeling en de aandrijf-V-riem Laat de remkoppeling en de aandrijf-V-riem alleen door erkend vakpersoneel uitvoeren.
Bijregelen van de messen-rem-bowdenkabel Het bijregelen van de messen-rem-bowdenkabel alleen door een vakwerkplaats laten uitvoeren.
18 ONDERHOUD VAN DE MOTOR
Veiligheidsinstructie! Verklaring van de symbolen zie tabel pagina 3 WAARSCHUWING Verwondingen vermijden! Motoruitlaatgassen bevatten koolmonoxide en kunnen ernstige aandoeningen of dood tot gevolg hebben. De motor niet in gesloten ruimten, zoals garages, inschakelen, ook niet als deuren en vensters geopend zijn. De machine naar buiten bewegen voordat de motor wordt gestart. BELANGRIJK Voor de reinigings- en onderhoudswerkzaamheden brandstofkraan sluiten Y2 , de maaier op de rechter zijde leggen of beter nog, naar voren omhoog kantelen O (bougie naar boven), omdat anders startmoeilijkheden kunnen optreden. Bij het omhoog kantelen van de maaier, er op letten, dat de uitwerpklep niet beschadigd wordt. De maaier in omhoog gekantelde toestand beveiligen! OPGELET Bij het omhoog kantelen of op de zijkant leggen erop letten dat er geen olie of benzine uitloopt. Brandgevaar! Het regelmatig uitvoeren van de voorgeschreven service- en onderhoudswerkzaamheden vormt de voorwaarde voor een duurzame en storingvrije functie van de motor en bovendien een basisvoorwaarde voor garantieaanspraken. De motor vooral uitwendig altijd schoonhouden, vooral de omgeving van geluiddemper en cilinder moet altijd vrij van vreemde voorwerpen zijn (bijv. grasresten). Uitlaat en motor bereiken tijdens het bedrijf zeer hoge temperaturen. Brandbare vreemde voorwerpen zoals loof, gras enz. kunnen ontbranden. Ook een foutloze koeling is alleen gegarandeerd als de cilinderribben steeds schoon zijn. BELANGRIJK De motor nooit met een hogedrukreiniger of een normale waterstraal reinigen. Beschadigingen resp. dure reparaties kunnen het gevolg zijn. Olie wisselen
AANWIJZING Om het milieu te beschermen adviseren wij de olieverversing door een vakwerkplaats te laten uitvoeren. Bij een nieuwe motor moet de olie voor de eerste keer na 8 bedrijfsuren worden gewisseld, later om de 50 bedrijfsuren of minstens 1 keer per seizoen. – Motor warm laten draaien. – Schakel de motor uit en trek de bougiestekker los. – De olie wisselen, zolang de motor warm is. – Olie verversen kan alleen gebeuren door de afgewerkte olie weg te zuigen via de olievulpijp. Handpompen zijn verkrijgbaar in de vakhandel. Afgewerkte olie niet laten weglopen in het riool of in de grond, maar afvoeren volgens de plaatselijke milieuvoorschriften. – Na het afzuigen van de olie nieuwe, schone merkolie (hoeveelheid en kwaliteit zie technische gegevens) via de vulpijp in de maaier vullen. Oliepeilstok insteken en oliepeil controleren (zie hoofdstuk Olie invullen, zie afbeelding Y1 )! Schoonmaken resp. vervangen van de luchtfilter (Afbeelding W ) BELANGRIJK Nooit de motor met gedemonteerde luchtfilter starten of laten lopen. – Vergrendelingen (1) naar achter schuiven. – Het luchtfilterdeksel (2) vooraan aan de onderzijde vastnemen, naar voren en naar boven trekken en het deksel verwijderen. – Voorfilter (3) en papierfilter element (4) uit de luchtfilterbehuizing (5) nemen. – Papierfilter element (4) alle 100 bedrijfsuren reinigen. Bij lichte verontreiniging voorzichtig uitkloppen, bij sterke vervuiling of beschadiging vernieuwen. Papierfilter niet uitwassen, niet met perslucht uitblazen en niet inoliën. – De voorfilter (3) alle 25 bedrijfsuren reinigen. Voorfilter in warm water met een vloeibaar reinigingsmiddel wassen en volledig laten drogen. De voorfilter niet inoliën. – Na het reinigen resp. het vervangen, eerst de voorfilter en dan het papierfilter element in de behuizing (5) plaatsen.
Luchtfilterdeksel met de lus (6) in de opname (7) van de behuizing plaatsen. Het deksel naar beneden drukken en vergrendelen (1). Bij ongunstige gebruiksvoorwaarden (sterke stofontwikkeling) is een reiniging bij elke maaibeurt noodzakelijk. Papierfilter element jaarlijks of na 300 bedrijfsuren vervangen. (Bestelnr. filterelement en voorfilter zie originele reserveonderdelen en accessoires) Controle van de bougie (Afbeelding Y ) Om de slijtage van de bougie te controleren, bougiestekker aftrekken en de bougie losschroeven. Als de elektrode sterk versleten is, dan dient de bougie te worden vervangen (bestelnummer: zie originele reserveonderdelen en accessoires). De bougie kan eventueel ook met een staalborstel worden gereinigd. Vervolgens dient de elektrodeafstand te worden afgesteld op 0,7-0,8 mm. De bougie (op omkeerring letten) met de hand in de motor vastschroeven en met een dopsleutel handvast monteren. Bougiestekker erop drukken. De bougie elk jaar vervangen. Overwinteren van de motor volgens voorschrift (of bij langdurige stilstand)
Benzinetank leegmaken en motor zo lang laten draaien tot deze door gebrek aan brandstof automatisch afslaat. Schakel de motor uit en trek de bougiestekker af. Zolang de motor nog warm is, de olie afzuigen. Met verse olie (hoeveelheid en kwaliteit zie technische gegevens) bijvullen. Gras- en maaibezinksel van cilinder en koelribben, onder de motorkap en rondom de uitlaat verwijderen. De maaier moet altijd in schone toestand in een droge, gesloten ruimte buiten bereik van kinderen worden bewaard. 19 OORZAKEN VAN STORINGEN EN HET VERHELPEN DAARVAN Storingen Motor slaat niet aan Mogelijke oorzaken Brandstoftank leeg. Oplossing Zuivere en nieuwe brandstof natanken. Brandstofkraan gesluiten. Brandstofkraan openen S2 . Bougiestekker los. Bougiestekker plaatsen of door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Bougie vervangen of reinigen, afstand tussen de elektroden op 0,7-0,8 instellen Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Luchtfilter schoonmaken resp. vervangen Luchtfilter schoonmaken resp. vervangen Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Luchtfilter schoonmaken resp. vervangen Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Schakelbeugel op het bovengedeelte van de duwboom drukken H3 . De hendel tot aan de aanslag snel naar voren schuiven en loslaten H3 . Schakelbeugel en inschakelhendel maaimes moeten in de gespecificeerde volgorde worden gebruikt. Maairuimte ontdoen van gras. Spleet tussen ventilator en behuizing schoonhouden. Bougie defect resp. vuil of elektroden opgebrand. Motor krijgt te veel benzine (bougie nat). Luchtfilter vuil. Motorvermogen neemt af Luchtfilter vuil. Bougie verkoold. Motor draait onregelmatig Luchtfilter vuil. Bougie verkoold. Mes schakelt niet in Schakelbeugel niet omgeklapt. Inschakelhendel maaimes niet gebruikt De volgorde bij het inschakelen van het maaimes niet in acht genomen. Teveel grasresten onder de behuizing
Maaimachine rijdt niet Aandrijfbedieningshendel niet getrokken. Rijsnelheid kan niet worden geregeld Maaihoogte te gering. Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten bijslijpen en uitbalanceren Q . Grotere maaihoogte instellen I . Toerental van de motor te laag. Met maximaal toerental werken. Maaien met te hoge snelheid. Maaisnelheid aanpassen. Maaibanen niet voldoende overlapt. Niet op turbosignaal gelet J + K . Bij hoog gras moeten de maaibanen eventueel verder overlappen. Door een verticuteermachine te gebruiken kan de kwaliteit van het gazon merkbaar beter worden. Leegmaken van de opvangzak L . Toerental van de motor te laag. Met maximaal toerental werken. Maaihoogte te gering terwijl het gras te lang is. Maaien met te hoge snelheid. Grotere Maaihoogte instellen I . Gras is vocht. Gazon laten drogen. Messenbalk bot. Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten bijslijpen en uitbalanceren. Grotere maaihoogte instellen I . Maaier op achteruitworp ombouwen U2 + S1 en gazon eerst met hoge snij-instelling maaien. Rijsnelheid aanpassen. Sterke trillingen (vibratie) Snit onzuiver, gazon wordt geel Messenbalk bot. Gazon is warboel. Uitworp verstopt
Het gemulchte gras ziet er slecht uit: Klompen, bovenmatige maaigoedhoeveelheden, grof gemaaid Controleren of mesbalk vrij loopt. Attentie! Vóór deze werkzaamheden veiligheidsinstructies in acht nemen! Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Aan de aandrijfbedieningshendel trekken Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Door een geautoriseerde vakwerkplaats laten controleren. Mulchregel niet nageleefd (max. 1/3 van de grashoogte snijden; de te snijden grashoogte moet kleiner dan 10 cm zijn) Rijsnelheid te hoog. Grasverzameling onder het maaiwerk. Maaibanen niet voldoende overlapt. Gras is vocht. Maainsnelheid aanpassen. Grotere maaihoogte instellen I . Bij hoog gras moeten de maaibanen eventueel verder overlappen. Grotere maaihoogte instellen I . Gazon laten drogen. Neem in geval van hier niet nader beschreven storingen en defecten contact op met de dichtst bijzijnde geautoriseerde vakwerkplaats. Laat reparaties die vakkennis vereisen, altijd alleen door een vakman uitvoeren. Uw geautoriseerde vakwerkplaats is u ook graag van dienst, wanneer u de hier beschreven onderhoudswerkzaamheden liever niet zelf uitvoert.
Notice-Facile