UATYA50BFC2Y1 - Airconditioning DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis UATYA50BFC2Y1 DAIKIN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over UATYA50BFC2Y1 DAIKIN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Airconditioning in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding UATYA50BFC2Y1 - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. UATYA50BFC2Y1 van het merk DAIKIN.
GEBRUIKSAANWIJZING UATYA50BFC2Y1 DAIKIN
Gebruikershandleiding
Eenheid monoblok-rooftop
Manual de operación
16.1.4 Functies van de c.pCO-controller 110
17 Snelle inbedrijfstelling 111
17.1 Hoofdfuncties 111
17.2 Het apparatus aan- en uitschakelen 111
17.2.1 Het apparatus aan- en uitschakelen via het display 111
17.2.2 Het apparatus aan- en uitschakelen via een extern vrijgavesignaal 111
17.2.3 Het apparatus aan- en uitschakelen via het BMS 111
17.3 Setpoints wizgen 112
17.3.1 Setpoints wizzigen via het display 112
17.3.2 Setpoints wizzigen via het BMS 112
17.4 Taalinstelling 112
17.5 Datum en tijd instellen 113
17.6 Tijdsintervallen instellen 113
18 Grafische aspecten van het display 114
18.1 Grafische conventies 114
18.1.1 Iconen en symbolen 114
19 De maskers 116
19.1 De maskerstructuur 116
19.1.1 Het maskernenu 117
19.2 Navigatie:tussen de menu's 118
19.2.1 Info 118
19.2.2 Verzoek 118
19.2.3 Synopsis 119
19.2.4 Login 120
20 Softwarefuncties 121
20.1 Introductie 121
20.2 Beheer van de setpoints 122
20.2.1 Dynamische instelling 122
20.2.2 Dynamisch setpoint van buitenluchtsonde bij koeling 123
20.2.3 Dynamisch setpoint van buitenluchtsonde bij verwarming 124
20.3 Temperatuurregeling 125
20.3.1 Temperatuurregeling bij koeling 126
20.3.2 Temperatuurregeling bij verwarming 128
20.3.3 Uitschakeling van de verwarming in functie van de buitenluchttemperatuur. 130
20.4 Vochtigheidsregeling 131
20.4.1 Relatieve-vochtigheidsregeling met proportionele regeling 132
20.5 Luchtbevochtiging 133
20.5.1 Aanvullende functies van de geintegreerde luchtbevochtiger 133
20.6 Luchtontvochtiging 133
20.7 Regeling van de elektrische voeding 134
20.7.1 Fasevolgorde 134
20.7.2 Minimale/maximale spanning 134
20.7.3 Snelle herstart 134
20.8 Besturing van de schuifkleppen 135
20.8.1 Besturing van de schuifkleppen 136
20.8.2 Besturing van de schuifkleppen 136
20.8.3 Starten van de unit 136
20.8.4 Reiniging 136
20.8.5 Recirculatie 137
20.9 Bijverwarming 138
20.9.1 Besturde apparaten 139
20.9.2 Naverwarming 139
20.9.3 Activering met tijsintervallen
20.1 Introductie
20.2 Alarmtable
140
141
141
16.1 Algemeen
Informatie over het gebruik van deze handleiding.
Het doel van deze handleiding is om alle nodige informatie te verstrekken voor het gebruik van de controller en zijn software-appications in de units vermeld op het voorblad.
Deze handeigbing bevat gein informatie over de installation van de units en de bijbehorende controles en regelingen voor de eerste opstarting.
Wij danken bij voorbaat iedereen die ons meldingen toestuurt over foulten, wegatingen, secties die nadere uitleg vereisen of bewerkingen die nicht zich opgenomen in de handleiding.
16.1.4 Functies van de c.pCO-controller
De software-applicatie voor de elektronische microprocessor-controller van de c.pCO-serie is ontworpen om Rooftop-units te beheren.
Hij biedt de mogelijkheid om, via een passende configuratie, een breed assortment units met bijbehorende specifieke functies te beheren.
Met "beheer van Rooftop-units" bedoelen we "ervoor zorgen dat alle onderdelen waaruit hij bestaat veilig kunnen werkenijdens alle gebruiksfasen".
De c.pCO-serie elektronische microprocessor-controllers omvat modules van verschillende groottes. Dankzij de flexibilitit van de software maakt dit een optimaal gebruik möglichk door voor elke toepassing te kiezen voor het juiste,aantal vereiste in-en uitgangen.
Het c.pCO-bord is aangesloten op de verschillende modules en communiceert met hen door middel van een snelle betrouwbare veldbus.
De gebruikersinterface van de controller is een 4,3-inch kleurenaanraakschem.
17.1 Hoofdfuncties
Hier volgen de instructies voor wijziging van de belangrijkste besturingsfuncties van de unit.
17.2 Het apparatus aan- en uitschakelen
17.2.1 Het apparatus aan- en uitschakelen via het display
Gebruik het "Aan/Uit" pictogram op het hoofdmasker voor toegang tot het masker voor starten/stappen van de unit.

In het bovenste deel van het masker worden de status van de unit weergegeven, in het midden staat het "Aan/Uit"-pictogram.
Door het pictogram aan te raken, verandert de status van de unit van "in werkung" waar "uitgeschakeld" en vice versa.
17.2.2 Het apparatus aan- en uitschakelen via een extern vrijgavesignaal
Om de unit te kunnen aan- en uitschakelen via een extern verzoek, moet de betreffende functie werkzaam zich.
Om het apparaat aan te schakelen, moet externe vrijgave worden afgesloten. Om het uit te schakelen, moet het worden geopend.
De externe vrijgave moet worden aangesloten op de klemmen "1" en "56" van het klemmenbord.
Om de unit te kunnen aan- en uitschakelen via een extern verzoek, moet de betreffende functie werkzaam zijn.
Om het apparaat aan te schakelen, moet externe vrijgave worden afgesloten. Om het uit te schakelen, moet het worden geopend.
De externe vrijgave moet worden aangesloten op de klemmen "1" en "2" van het klemmenbord.

De externe vrijgave moet een spanningsloos contact hebben.
17.2.3 Het apparatus aan- en uitschakelen via het BMS
Om de unit te kunnen aan- en uitschakelen via het BMS, moet de betreffende functie werkzaam zijn.
Raadpleeg het specifieke document voor BMS-beheer.
17.3.1 Setpoints wizzigen via het display
Druk in het hoofdmenu op "Setpoint" om het masker te openen met de functies die de wijziging van het setpoint möglichk make.

Selecteer in hetsubmenu "Setpoint" de functie waarvoor u het setpoint wilt wijzigen.
Scroll indien nodig door de parameters totdat de setpoint-parameter verschijnt.
Selecteer de setpoint-parameter om het toetsenbordje te activeren.
Stel de nouvelle waarde in en bevestig met het groene vinkje.
De units met werkmodus-wissel haben zowel een setpoint voor koeling "ST7" als een voor verwarming "STH7".
De Waarde van het setpoint voor koeling "ST7"要去 algtd groter zich dan die voor het setpoint voor verwarming "STH7".
Als per ongeluk waarden worden ingesteld die nicht aan deze voorwaarde voldoen, activeert de controller het alarm "AL183".
Het alarm "AL183" is enkel een signalering.
17.3.2 Setpoints wizzigen via het BMS
Om het setpoint te konnen wijzigen via het BMS,要去 de betreffende functie werkzaam zijn.
Raadpleeg het specifieke document voor BMS-beheer.
17.4 Taalinstelling
Druk in het hoofdmenu op "Talen" voor toegang tot de pagina's met de beschikbare talen.

Indien de gewenste taal nicht worden weergegeven op de pagina, kan deze worden opgezocht met behulp van de pijltjes.
De gewenste taal worden geactiveerd na de selectie ervan.
17.5 Datum enijd instellen
Scroll door het hoofdmenu totdat u "Configurations" vindt en selecteer deze optie.

Selecteer in "Configuraties" de optie "Datum enijd" voor toegang tot de pagina voor wijziging van de instellenen.

Selecteer rechtsonder het schrijf-pictogram voor toegang tot de instelpagina.

Door de afzonderlijke groene waarden te selecteren, worden het virtuele toetsnbord geactiveerd waarmee u neue waarden kunt instellen. De waarde要去 na wijziging worden bevestigd met het vinkje.
Daarna要去 instelling worden opgeslagen met het opslag-pictogramrechtsonder.
Met de linkerpijl is het möglichk om terug te keren maar het vorige masker, zonder opslag van de uitgevoerde wijzigingen.
17.6 Tijdsintervallen instellen
De instelling van de tijdsintervallen vereist de toegang met een wachtwoord.
Scroll door het hoofdmenu totdat u "Parameters" vindt en selecteer deze optie.
Scroll door het menu "Parameters" totdat u "ES Energy saving" vindt.

Selecteer "ES Energiebesparing" voor toegang tot de groep parameters voor instelling van de tijdsintervallen. Raadpleeg het betreffende hoofdstuk voor de logica van parameterinstelling.
Tijdens de ontwikkelingsfase van de applicatie werden bijzondere aandacht besteed aan het intuitieve gebruik van de gebruikersinterface.
18.1 Grafische conventies
Met behulp van het aanraakschemkunt u door de interface navigeren.
Sommige intuiftieve iconen zijn gebruikt als knoppen om gemakkelijkussen de maskers en menu's te bladeren.
Andere eenvoudige symbolen worden gebruikt om organen en actieve functies aan te duiden.
Hier volgen de iconen die als knappen worden gebruikt en de symbolen die aanwezig zijn op de verschillende interfacemaskers.
18.1.1 Iconen en symbolen
De iconen fungeren op het aanraakschem als fysieke toetsen om:tussen de menu's en binnen de maskers te navigeren. De volgende iconen zich aanwezig:

"loop";

"Info" icoon voor toegang tot de maskers met informatie over de software en het apparaat. Met de pijltjestoetsen kunt u bewegen binnen de actuèle "loop";


"Koud/Warm" icoon voor toegang tot het masker voor de werkmodus-wissel (koeling/verwarming) via de gebruikersinterface;

"Menu" door indrukking van deze icoon vanaf het hoofdmasker gaat u maar het masker "Menu". Door indrukking van deze icoon vanaf alle andere maskers gaat u eeniveau terug;

"Verzoek" iconoovtoegangtotde maskersdie deverschillende systemverzoekentonmepijtjestoetskunutu bewegenbinnendeactuele"loop";

"Schuifkleppen" icon voor toegang tot het masker met de werkmodus van de schuifkleppen. Met de pijtjestoetsen kut u bewegen binnen de actuèle "loop";

"Synopsis" icoon voor toegang tot het masker met het basisschema van het circuit van de unit; Door de circuitcomponenten aan te raken, krijgt u toegang tot de betreffende informatie en parameters.

Door deze icoon aan te raken, krijgt u toegang tot het alarmmenu. Als de icoon rood is, is er minstens een alarm actief; als het grijs is, is er geen alarm actief.



deze icoon aan te raken, kurz u de betreffende functie aan- of uitschakelen.
deze icoon aan te raken, kurz u maar links gaan binnendezelfde maskerloop.
deze icoon aan te raken, kutn u waar rechts gaan binnendezelfde maskerloop.

deze icoon verschijnt op de login-page na invoerig van het wachtwoord. Door deze icoon aan te raken, bevestigt u het ingevoerde wachtwoord.

deze icoon verschijnt op de login-page na invoering van de juiste inloggegevens.Door deze icoon aan te raken, keert u terug maar de "loop" van het vorige menu terwijl de toegang met geactiveerde inloggegevens behouden blijft.
Aan de hand van de volgende symbolen kut u de functies van het apparaat en hun status gemakkelijk begrijpen. Deze symbolen zich:

symbol voor ventilatiefunctie, aanwezig op alle units. Een grijs symbol betekent dat de ventilatie Niet werkt.
Een gekleurd symbol betekent dat de ventilatie werkt.

symbol voor koelfunctie. Een grijs symbol betekent dat de koeling Niet werkt. Een gekleurd symbol betekent dat de koeling werkt.

symbol voor luchtbevochtigingsfunctie. Een grijs symbol betekent dat de luchtbevochtigering Niet werkt.
Een gekleurd symbol betekent dat de luchtbevochtigering werkt.

symbol voor ontvochtigingsfunctie. Een grijs symbol betekent dat de ontvochtiguing Niet werkt. Een gekleurd symbol betekent dat de ontvochtiguing werkt.

symbol duidt een active toegang aan tot de beschemde parameters, na login. Om toegang te krijgen tot bepaalde parameters moet u eerst het wachtwoord invoeren van het profiel waarvoor u bent geaccrediteerd.

symbolloo aansluiting van USB-stick. Het symbool verschijnt wonneer een gegevensoverdracht plaatsvindt.

symbol duidt aan dat de unit werkt als verwarming. Het symbool is gemeenschappelijk voor zowel de hoofdbron als de hulpbron. Als het symbool oranje is, betekent dit dat de hoofdbron werkt. Als het symbool geel is, betekent dit dat de hulpbron werkt. Als de symbolen grijs zijn, betekent dit dat de bronnen Niet werken.


Via de gebruikersinterface krijgt u toegang tot alle informatie en instellenen van de operationele parameters van de unit. De handleiding beschrijft hoe u toegang krijgt tot de gewenste informatie en tot de parameters voor aanpassing van de verschillende functies.
19.1 De maskerstructuur
Via de gebruikersinterface krijgt u toegang tot alle informatie en instellenen van de operationele parameters van de unit. De handleiding beschrijft hoe u toegang krijgt tot de gewenste informatie en tot de parameters voor aanpassing van de verschillende functies.
Zoals vermeld in de beschrijving van de iconen, krijgt u vanuit het hoofdmaskerrechtstreeks toegang tot de belangrijkste informatie en functies. De meeste parameters en instelleningen worden getoond op maskers, onderverdeeld in een hoofdmenu en verschillende submenu's.
Om gemakkelijk door de maskers van de gebruikersinterface te navigeren, worden hieronder een hierarchisch schema van de maskerstructuur weergegeven.
- Setpoint
*Unit
19.1.1 Het maskern菜单
Vanuit het hoofdmasker, door op de Menu-icoon te drukken, krijgt u toegang tot het hoofdmenu.
In het hoofdmenu kutu met de pijltjes-iconen door alle lagere menu's bladersen.
Toegang tot menu's op een lager niveau wordt bepaald door uw inloggegevens. Sommige niveaus hebben vrij toegang. Voor andere niveaus is hetoodzakelijk om in te loggen met het profiel waarvoor u geaccrediteerd bent.
Toegang tot de verschillende menu's is möglich door aanraking van de gekleurde zone met beschrijving.
De maskers zijn makkelijk begrijpbaar en gebruiksvriendelijk dankzij de verduidelijkende teksten over de betreffende waarden en parameters.
19.2 Navigatie:tussen de menu's
Het gebruik van de maskerstructuur helptijdens het navigerenussen de menu's.
Enkele extra tips make het gemakkelijker om de iconen te gebruiken, die fungeren als toetsen om:tussen de maskers (pagina's) te navigeren.
Denk eraan dat het hoofdmasker algtd het vertrekpunt is.

Raadpleeg het hoofdstuk "Grafische conventies" voor interpretatie en gebruik van de iconen als toetsen.

In het hoofdmasker zijn er, naast de iconen "Aan/uit", ook de iconen Info", Verzoek" en Synopsis" aanwezig, die directe toegang geen tot "informatieloops", en de icoon "Menu " waarmeu u toegang krijgt tot het hoofdmenu weergegeven in de maskerstructuur.
Met de "pijtjes"-icon bladert u door de maskers van hetzelfde niveau, door indrukking van "Menu" ga u terug naar een hoger niveau.
Binnen de parameter-page's zijn er maskers met witte tekst, die wijzigbaar zijn, en met blauwe tekst, voor enkel weergave.
Door indrukking van de witte parameters wordt de bewerkingspagina geactveerd. Het "vinkje" bevestigt het ingevoerde gegeven; annuleert de input en herstelt de LAST ingevoerde Waarde.
Activeringsparameters worden aan- of uitgeschakeld door verplaatsing van de witte cirkel. Ernaast worden de bevestiging van de status vermeld.
Voor een snelle raadpleging zich veel parameters en meetwaarden aanwezig in verschillende maskerloops, die gegroepeerd worden volgens hun fonctionele uniformiteit.
19.2.1 Info
Met de "Info"-icoon op het hoofdmasker krijgt u toegang tot een maskerloop met informatie over het apparaat.
19.2.2 Verzoek
De "Verzoek"-icon op het hoofdmasker geeft toegang tot een maskerloop met de verzoekstatus van de actieve functies in de unit.
De relativieve setpoints zijn aanwezig in de verschillende verzoeekmaskers.
19.2.3 Synopsis
Dit menu is toeqankelijk door aanraking van de "Synopsis"-icoon.
"Synopsis" geeft u een algemeen overzicht van de werkmodus en belangrijkste parameters
De maskers verschillen naargelang de kenmerken van elke unit.

De "Info"-iconen op de maskers geben toegang tot informatie en parameers van de betreffende component.
19.2.4 Login
Het is essentieel om in te loggen met het toegewezen profiel, om toegang te krijgen tot de gereserveerde menu's en om de betreffende parameters te konnen wijzigen.
Om in te loggen moet u:
- het toegangsniveau dat vereist is voor uw inloggegevens selecteren;
- op het veldje "wachtwoord" klikken, de waarde van uw toegangsniveau invoeren en bevestigen met het vinkje;
- het wachtwoord bevestigen met het groene pijitjerechtsonder.

Het "wachtwoord" van de gebruiker is "100"
Het servicewachtwoord is "4321"
Als het ingevoerde "wachtwoord" correct is, gaat het hangslot open en verschijnt het toegangssymbol voor uwiveau.
Gebruik het groene pijltje linksonder om terug te keren maar het hoofdmenu.


De icoon "mannetje met pijl" aan de linkerkant zorgt voor het verlaten van het toegangsniveau.
Zolang de toegang actief is, zal het bijbehorende symbool aanwezig zich in de rechterbovenhoek van alle maskers, behalte op het hoofdmasker.
Na een zekereijd van inactiviteit op het scherm worden de login automatisch verlaten.
20.1 Introductie
Voor beheer van de unit is de controller voorzien van specifieke software.
De software bestaat uit een geheel van functies toegewijd aan de möglichke werkconditions van de units.
In de volgende hoofdstukken worden alle functies beschreiben die door de software worden beheerd, van de algemene functies die in alle units aanwezig zijn, tot de functies voor specifiekes versies of modellen.

Sommige beschreiben functies zijn möglichk alleen beschikbaar op specifieke versies of afmetingen, of op bepaalde accessoires.
In de beschrijving van de verschillende functies worden het als vanzelfsprekend beschouwd dat de lezer beschikt over de nodige competentie over de bediening van de units en kennis heeft van de betreffende hydraulische of koelcircuits. Alle weergegeven beschrijvingen, instellenen en parameters hebben betrekking op correct geinstalleerde units in overeenstemming met de betreffende documentatie.
20.2 Beheer van de setpoints
Het setpoint voor regeling hangt voornamelijk af van de parameters "ST1" en "STH1".
Hieronder staan de relatieve parameters voor het instelbare minimum en maximum setpoint.
| Parameter Min. Max. | ME Beschrijving | ||
| ST1 ST2 ST3 °C Mechanische koelting - Temperatuur-setpoint | |||
| STH1 STH2 ST3 °C | Mechanische verwarming / Bijverwarming in wintermodus - Temperatuur-setpoint | ||
Er bestaan enkele aanvullende functies waarmee u een offset-waarde bij deze setpoint-waarden=kunt optellen of aftrekken.

Elke automatische variatie van het setpoint worden in ieder geval binnen de relatieve drempels opgenomen.

Met parameter "SD2" is het möglichk om te beslissen bij welke bewerking de setpoint-varatie actief is. De enige beschikbare functie is die ingeschakeld in de fabriek.
Het dynamische setpoint is een functie die door de fabrikant is ingeschakeld.
Hieronder staan de referentieparameters voor het beheer van het dynamische setpoint.
| Parameter Min. Max. | ME Beschrijving | |||
| ST1 ST2 ST3 | °C Mechanische koelng - Temperatuur-setpoint | |||
| STH1 STH2 | TH3 °C | Mechanische verwarming / Bijverwarming in wintermodus - Temperatuur-setpoint | ||
| SD2 | 0 | 2 | - | Statusen van unit waarin actief |
| SD10 | 0.0 | 55.0 | °C | Mechanische koeling - Buitenhluchttemperatuur - Compensatie-activeringsdrempel |
| SD20 | 0.0 | 55.0 | °C | Mechanische verwarming - Buitenhluchttemperatuur - Compensatie-activeringsdrempel |
20.2.2 Dynamisch setpoint van buitenluchtsonde bij koeling
Het setpoint dat is ingesteld op de waarde van parameter "ST1" worden "gecompenseerd" ten opzichte van de buitenluchttemperatuur.
De betreffende parameters worden weergegeben in de tabel.

De parameterwaarden zijn indicatief. Verschillende waarden können worden ingesteld in specifieke gevallen.
| Parameter | Waarde | ME Beschchrijving |
| ST1 27.0 °CMechanischkoeling- Temperatuur-setpoint | ||
| SD2 1 - Status | sen van unit waarin | actief |
| SD10 25.0 °C | ||
| Mechanische koeling - Buitenluchttemperatuur - Compensatie-activeringsdrempel | ||
Hieronder staat een grafische weergave.

Afb. 28 Variatie van het setpoint in functie van de luchttemperatuur bij koeling
Waar bij "Tekst" de waarde van de buitenluchttemperatuur is.
Wanner deze functie actief is, is het setpoint waarmee de controller de luchttemperatuur za beheren bij koeling als volgt:
- als de buitenluchttemperatuur lager is dan de waarde ingesteld in parameter "SD10", dan is het setpoint voor regeling gewiek aan de waarde van parameter "ST1";
- als de buitenluchttemperatuur hoger is dan de waarde ingesteld in parameter "SD10" vermeerderd met de waarde van parameter "SD11", dan is het setpoint voor regeling de som van de waarden van de parameters "ST1" en "SD12",
- als de buitentemperatuur ligtussen de waarden van parameter "SD10" en de som van de waarden van de parameters "SD10" en "SD11", dan varieert de waarde van het setpoint voor regeling proportioneelussen de waarde van parameter "ST1" en de som van de waarden van de parameters "ST1" en "SD12".

De parameter "SD12" kan zowel positieve als negatieve waarden aannemen. Bij negatieve waarden moet de parameter "SD12" worden afgetrokken van de waarde van parameter "ST1".
20.2.3 Dynamisch setpoint van buitenluchtsonde bij verwarming
Het setpoint dat is ingesteld op de waarde van parameter "STH1" worden "gecompenseerd" ten opzichte van de buitenluchttemperatuur.
De betreffende parameters worden weergegeben in de tabel.

De parameterwaarden zijn indicatief. Verschillende waarden können worden ingesteld in specifieke gevallen.
| Parameter | Waarde | ME Beschrijving |
| STH1 40 °C | ||
| SD20 15.0 °C | ||
| SD21 10.0 °C | Mechanische verwarmung - Buitenluchttemperatuur - Activeringsdrempel | |
| SD22 5.0 °C | ||
Hieronder staat een grafische weergave.

Afb. 29 Variatie van het setpoint in functie van de luchttemperatuur bij verwarming
Waar bij "Tekst" de waarde van de buitenluchttemperatuur is.
Wanner deze functie actief is, is het setpoint waarmee de controller de luchttemperatuur za beheren bij verwarming als volgt:
- als de buitenluchttemperatuur hoger is dan de waarde ingesteld in parameter "SD20", dan is het setpoint voor regeling gewiek aan de waarde van parameter "STH1";
- als de buitenluchttemperatuur lager is dan de waarde ingesteld in parameter "SD20" verminderd met de waarde van parameter "SD21", dan is het setpoint voor regeling de som van de waarden van de parameters "STH1" en "SD22",
- als de buitentemperatuur ligtussen de waarden van parameter "SD20" en het verschil van de waarden van de parameters "SD20" en "SD21", dan varieert de waarde van het setpoint voor regeling proportioneelussen de waarde van parameter "STH1" en de som van de waarden van de parameters "STH1" en "SD22".

De parameter "SD22" kan zowel positieve als negatieve waarden aannemen. Bij negatieve waarden moet de parameter "SD22" worden afgetrokken van de waarde van parameter "STH1".
20.3 Temperatuurregeling
De koel- en verwarmingsapparaten worden beheerd op basis van de temperatuurwaarde gemeten door de regelsonde. De proportionele band identificeert het instelbereik van de airconditioner en kan onafhankelijk waarden aannemen bij verwarming en koeling.
De dode zone identificiert het verbodsbereik van de apparaten rond het setpoint (het gebruik ervan beantwoordt aan de eis om schommelingen in de regeling te vermijden).
Het volgende diagram illustreert het gedrag van de verwarmings- en koelapparatuur.

Afb. 30 Grafische weergave van temperatuurregelaars
| Parameter Min. Max. | ME Beschrijving | ||
| ST1 ST2 ST3 °C Mechanische koelting - Temperatuur-setpoint | |||
| ST4 0.0 25.0 °C Mechanische koelting - Proportionele regeling - Activeringsdifferenziel | |||
| ST5 0.0 25.0 °C | |||
| ST6 0.0 25.0 °C Mechanische koelting - Proportionele regeling - Offset | |||
| ST9 0.7 - Regelsonde | |||
| ST11 | 0 2 - Type temperatuurregeling | ||
| PID70 | 0 10000 | - Mechanische koeling - Kp | |
| PID71 | 0 10000 | - Mechanische koeling - Ki | |
| PID72 | 0 10000 | - Mechanische koeling - Kd | |
| PID76 | 0.0 25.0 °C Mechanische koelting - Dode band | ||
| PID78 | 0 2 - Mechanische koeling - Positie dode band | ||
| STH1 | 10.0 35.0 °C | Mechanische verwarming / Bijverwarming in wintermodus - Temperatuur-setpoint | |
| STH4 | 0.0 25.0 °C | Mechanische verwarming - Proportionele regeling - Activeringsdifferenziel | |
| STH5 | 0.0 25.0 °C | Mechanische verwarming - Proportionele regeling - Neutrale activeringszone | |
| STH6 | 0.0 | 25.0 °C | Mechanische verwarming - Proportionele regeling - Offset |
Afhankelijk van de waarde ingesteld in parameter "ST9" voor koeling en "STH9" voor verwarming is de regelsonoe:
- 0 =uitblaaslucht-temperatuursonde;
- 1 = retourlicht-temperatuursonde;
Afhankelijk van de waarde ingesteld in parameter "ST11" voor koeling en "STH11" voor verwarming is de temperatuurregeling van het volgende type:
20.3.1 Temperatuurregeling bij koeling
De temperatuurregeling bij verwarming van de unit gebeurt in functie van de parameter "STH9", die de regelsonoe bepaalt door de voor het setpoint ingestelde temperatuur (parameter "STH1"), en van parameter "STH11", die het type regeling instelt.
Bij "proportionele regeling" zal de controller de beschikbare brunnen activeren met vermeerdering van de door de regelsonde afgelezen waarde ten opzichte van het ingestelde setpoint.
Bij " cascade regeling" activeert de controller de bronnen en houdt de uitblaaslucht-temperatuur onder controle.
Bij "PID regeling" activeert de controller de beschikbare bronnen bij vermeerdering van het verzoek. De controller berekent het verzoek en vergelijk de door de regelsonoe afgelezen waarde ten opzichte van het ingestelde setpoint en+zijn variatie in de tijd, met toepassing van de PID-parameters.
Proportionele temperatuurregeling
Wanner de parameter "ST11" ingesteld is op "0", worden de proportionele regeling geactiveerd.
De parameters voor "proportionele temperatuurregeling" worden vermeld in de tabel.

De parameterwaarden zijn indicatief. Verschillende waarden können worden ingesteld in specifieke gevallen.
| Parameter | Waarde | ME Beschrijving |
| ST1 24.0 °C Temperatuur-setpoint | ||
| ST4 2.0 °C Proportionele regeling | - Koeling - Activeringsdifferentieel | |
| ST5 0.1 °C Proportionele regeling | - Koeling - Neutrale activeringszone | |
| ST6 0.1 °C Proportionele regeling | - Koeling - Offset | |
Hieronder staat een grafische weergave.

Afb. 31 Grafische voorstelling van het verzoek voor koeling
Buiten de parameters in de tabel, staan de volgende afkortingen op de grafiek:
- SdR = regelsonde;
- % = percentuale Waarde van het verzoek.
Cascade temperatuurregeling
Wanner de parameter "ST11" ingesteld is op "1", worden de " cascade regeling" geactiveerd.
Deze functie voldoet aan het verzoek van de installmente en houdt de uitblaaslucht-temperatuur binnen de comfortwaarden.
Dit vindt plaat met berekening van een virtuelt setpoint vertrekkende van het ingestelde setpoint, gecorrigeerd met de waarde van de retourlucht-temperatuur.
De correctie van het setpoint gebeurt op een dynamische wijze in functie van de temperatuurvariatie van deuitblaaslucht.
De parameters voor " cascade temperatuurregeling" worden vermeld in de tabel.

De parameterwaarden zijn indicatief. Verschillende waarden können worden ingesteld in specifieke gevallen.
| Parameter | Waarde | ME Beschrijving |
| ST42 24.0 °C | Cascade regeling - | Setpoint unit |
| ST43 0.5 °C | Mechanische koeling | - Cascade regeling - Offset moduswissel |
| ST44 4.0 °C | Mechanische koeling | - Cascade regeling - Werkdifferenzieel |
| ST45 15.0 °C | Mechanische koeling | - Cascade regeling - Min. uitblaasluchtsetpoint |
Hier volgt de grafische voorstelling van de besturing.

Afb. 32 Variatie van het uitblaasluchtsetpoint met " Cascade regeling" bij koeling
Buiten de parameters in de tabel, staan de volgende afkortingen op de grafiek:
- Spd =uitblaasluchtsetpoint;
- Tra = retourluchttemperatuur;
- AOC = automatische werkmodus-wissel.
20.3.2 Temperatuurregeling bij verwarming
De temperatuurregeling bij verwarming van de unit geleurt in functie van parameter "STH9", die de regelsonoe befaat door de voor het setpoint ingestelde temperatuur (parameter "STH1"), en van parameter "STH11", die het type regeling instelt.
Bij "proportionele regeling" zal de controller de beschikbare brunnen activeren met verminding van de door deregelsono afgelezen waarde ten opzichte van het ingestelde setpoint.
Bij " cascade regeling" activeert de controller de bronnen en houdt de uitblaaslicht-temperatuur onder contro.
Bij "PID regeling" activeert de controller de beschikbare bronnen bij vermeerdering van het verzoek. De controller berekent het verzoek en vergelijk de door de regelsonde afgelezen waarde ten opzichte van het ingestelde setpoint en+zijn variatie in de tijd, met toepassing van de PID-parameters.
Proportionele temperatuurregeling
Wanner de parameter "STH11" ingesteld is op "0", worden de proportionele regeling geactiveerd.
De betreffende parameters worden weergegeben in de tabel.

De parameterwaarden zijn indicatief. Verschillende waarden können worden ingesteld in specifieke gevallen.
| Parameter | Waarde | ME Beschrijving | |
| STH1 20.0 °C | Mechanische verwarming / Bijverwarming in wintermodus - Temperatuur-setpoint | ||
| STH4 2.0 °CMechanischereverming-Mechnische regeling-Activeringsdifferenziel | |||
| STH5 0.0 °CMechanischereverming-Mechanische regeling-Neutrale activeringszone | |||
| STH6 0.0 °CMechanischereverming-Mechanische regeling-Offset | |||
Hier volgt de grafische voorstelling.

Afb. 33 Grafische voorstelling van het verzoek voor stapsgewijze verwarming
Buiten de parameters in de tabel, staan de volgende afkortingen op de grafiek:
- SdR = regelsonde;
- % = percentuale waarde van het verzoek.
Cascade temperatuurregeling
Wanner de parameter "ST11" ingesteld is op "1", worden de " cascade regeling" geactiveerd.
Deze functie voldoet aan het verzoek van de installmente en houdt de uitblaaslucht-temperatuur binnen de comfortwaarden.
Dit vindt plaat met berekening van een virtuelt setpoint vertrekkende van het ingestelde setpoint, gecorrigeerd met de waarde van de retourlucht-temperatuur.
De correctie van het setpoint gebeurt op een dynamische wijze in functie van de temperatuurvariatie van deuitblaaslucht.
De parameters voor " cascade temperatuurregeling" worden vermeld in de tabel.

De parameterwaarden zijn indicatief. Verschillende waarden können worden ingesteld in specifieke gevallen.
| Parameter | Waarde | ME Beschrijving |
| ST42 24.0 °C | Cascade regeling - Setpoint unit | |
| STH46 0.5 °C | Mechanische verwarming - Cascade regeling - Offset moduswissel | |
| STH47 4.0 °C | Mechanische verwarming - Cascade regeling - Werkdifferenziel | |
| STH49 30.0 °C | Mechanische verwarming - Cascade regeling - Max. uitblaasluchtsetpoint | |
Hier volgt de grafische voorstelling van de besturing.

Afb. 34 Variatie van het uitblaasluchtsetpoint met " Cascade regeling" bij verwarming
Buiten de parameters in de tabel, staan de volgende afkortingen op de grafiek:
- Spd =uitblaasluchtsetpoint;
- Tra = retourluchttemperatuur;
- AOC = automatische werkmodus-wissel.
Als de retourluchttemperatuur lager is dan het verschil van de waarden ingesteld in de parameters "ST42" - "STH46", dan zal de waarde van het uitblaaslichtsetpoint graduatel verhogen, van de waarde van parameter "ST42" tot die van parameter "STH49", binnen de differentieel ingesteld in parameter "STH47".
20.3.3 Uitschakeling van de verwarming in functie van de buitenluchttemperatuur.
De waarde van de buitenluchttemperatuur worden gebruikt om de verwarmingsbronnen van de unit uit te schakelen.
Uitschakeling gebeurt door hoge en lage temperatuur.
De betreffende parameters worden weergegeben in de tabel.

De parameterwaarden zijn indicatief. Verschillende waarden können worden ingesteld in specifieke gevallen.
| Parameter | Waarde | ME Beschrijving | |
| STH14 -20.0 °C | Mechanische verwarming - Uitschakeldrempel voor lage buitenluchttemperatuur | ||
| STH15 30.0 °C | Mechanische verwarming - Uitschakeldrempel voor hoge buitenluchttemperatuur | ||
| STH123 -30.0 °C Bijverwarming - Uitschakeldrempel voor lage buitenluchttemperatuur | |||
| STH124 50.0 °C Bijverwarming - Uitschakeldrempel voor hoge buitenluchttemperatuur | |||
De verwarming verkreten m.b.v. het koelcircuit is uitgeschakeld ten gevolge van:
- lage buitenluchttemperatuur, als deze daalt onder de waarde ingesteld in parameter "STH14"; aanschakeling vindt terugplaats wonneer de temperatuurtering stijgt boven de waarde ingesteld in parameter "STH14" verhoogd met +1^
- hoge buitenluchttemperatuur, als deze stigt boven de waarde ingesteld in parameter "STH15"; aanschakeling vindt terug plaat swaren er temperatuur terug daalt onder de waarde ingesteld in parameter "STH15" verlaagd met + 1 °C.
Bijverwarming is uitgeschakeld door:
- lage buitenluchttemperatuur, als deze daalt onder de waarde ingesteld in parameter "STH123".Aanschakeling vindtteringplaats wonneer de temperatuur terug stijgt boven die waarde ingesteld in parameter "STH123" verhoogd met +1^
- hoge buitenluchttemperatuur, als deze stijgt boven de waarde ingesteld in parameter "STH124"; aanschakeling vindt terug plaat swaren de temperatuur terug daalt onder de waarde ingesteld in parameter "STH124" verlaagd met + 1 °C.
20.4 Vochtigheidsregeling
De vochtigheidsregelaars worden beheerd op basis van de door de regelsonde gemeten waarde. De gemeten waarde worden vergeleken met de gewenste waarde (setpoint) en op basis van het verschil worden de meest geschikte apparaten geactiveerd.
De proportionele band identifieert het instelbereik van de airconditioner en neemt bezelfde waarden aan voor zowel luchtbevochtiging als ontvochtiging.
De dode zone identificiert het verbodsbereik van de apparaten rond het setpoint (het gebruik ervan beantwoordt aan de eis om schommelingen in de regeling te vermijden).
Het volgende diagram illustreert het gedrag van de luchtbevochtigings- en ontvochtigingsapparatuur.

Afb. 35 Grafische weergave van vochtigheidsregelaars
De betreffende parameters worden weergegeben in de tabel.
| Parameter Min. Max. | ME Beschrijving | ||
| HU1 HU2 HU3 | % Setpoint relatieve vochtigheid | ||
| HU4 0.0 25.0 % Afsteldifferentieel | relatieve vochtigheid | ||
| HU5 0.0 10.0 % Neutrale afstelzone | relatieve vochtigheid | ||
| HU6 HU7 HU8 | g/kg Setpoint absolute vochtigheid | ||
| HU9 0.0 10.0 g/kg Afsteldifferentieel | absolute vochtigheid | ||
| HU10 0.0 10.0 g/kg Neutrale afstelzone | absolute vochtigheid | ||
| HU11 | 0 | 1 | - Type besturing van vochtigheid |
Afhankelijk van de waarde ingesteld in parameter "HU11", is de referentiewaarde voor de vochtigheid:
-0=relatief;
-1=absolut.
20.4.1 Relatieve-vochtigheidsregeling met proportionele regeling
Door instelling van de parameter "HU11" op "0", worden de luchtvochtigheid aangepast aan de relatieve waarde. De regeling van de relatieve vochtigheid geleurt in functie van de parameter "HU14", die bepaalt op welke sonde het setpoint-behoud moet worden gegarandeerd, en de parameter "HU12", die het type regeling bepaalt. De betreffende parameters worden weergegeven in de tabel.

De parameterwaarden zijn indicatief. Verschillende waarden können worden ingesteld in specifieke gevallen.
Parameter
Waarde | ME Beschrijving
HU4 5.0% Afsteldifferentieel relatjeve vochtigheid
HU5 0.5% Neutrale afstelzone relatieve vochtigheid
Hieronder staat een grafische weergave.

Afb. 36 Relatieve-vochtigheidsregeling
20.5 Luchtbevochtiging
De controller kan de luchtbevochtig regelen door middel van een in de unit geintegreerde luchtbevochtiger. Alle controller-parameters die betrekking hebben op het beheer van de geinstalleerde luchtbevochtiger geprogrammeerd in de fabriek.
20.5.1 Aanvullende functies van de geinteggreerde luchtbevochtiger
Het beheer van de luchtbevochtiger omvat enkele aanvullende functies, die hieronder worden beschreven.
20.5.1.1 Handmatige waterafvoer
De handmatige waterafvoerfunctie zorgt voor de volledig ledig van de cilinder van de bevochtiger. Deze functie kan worden geactiveerd vanaf de webpagina, na inloggen met het service-niveau. Als de luchtbevochtiger stoom produeert, worden de productie onmiddelijk gestopt wanneer de functie worden geactiveerd.
20.5.1.2 Voorafgaande reiniging
Met de Voorafgaande-reinigungssfunctie kunt u de waterleidingen en de cilinder van de bevochtiger reinigen. De cilinder worden 3 keer gezuld en geledigd om eventuele onzuiverheden in de ledingen en in de cilinder te verwijderen; Het is raadzaam om de functie te activeren na deuitvoering van hydraulische aansluitingen of na verranging van de cilinder; Deze functie kan worden geactiveerd vanaf de webpagina, na inloggen met het service-niveau. Als de luchtbevochtiger stoom produeert, worden de productie onmiddelijk gestopt wanner de functie worden geactiveerd.
20.5.1.3 Afvoer bij inactiviteit
Om waterstagnatie in de cilinder van de bevochtiger te voorkomen, met möglichke proliferatie van algen of bacteriën (bv. legionella) als geolg, wordt de functie "afvoer bij inactivite" geactveerd wonneer de cilinder langer dan 72 uur (opeenvolgend) met water gemuld blijft zonder stoomproductie: de cilinder wordt geledigd en blijft leeg totdat er een niewu verzoek voor stoomproductie worden ingediend. De functie is alotijd actief en het inactiviteititsinterval staat vast.
20.6 Luchtontvochtiging
Luchtontvochtiging is vereistijdens de afkoelfase, waar het van nature plaatsvindt.
Wanner er geluktijdig een verzoek voor koeling en ontvochtig aanwezig is, activeert de controller de compressoren op basis van de "grootste" van de twee verzoeken.
Het is möglichk dat het temperatuursetpoint worden bereikt wanner het vochtigheidssetpoint nog nicht is bereikt. In dit geval dwingt de controller verdere koeling af, door de temperatuur onder het setpoint te brengen.
Om overmatige verlaging van de luchttemperatuur in de kamer te voorkomen, gebruikt de regelaar de verwarmingsapparaten in de unit om de lucht na te verwarmen.
20.7 Regeling van de elektrische voeding
De units können worden uitergerust met beveiligingen gegen onjuiste aansluitingen van de fasevolgorde of spanningsvariations buiten de voorziene drempels.
De beveiligingen bestaan uit relais die, door middel van hun elektrisch contact, het alarm signaleren op een digitale ingang van de controller (de betreffende digitale ingang is weergegeven in het elektrische schema).
Het is möglichk om een relais in de unit te installeren voor controle van de juiste fasevolgorde, of een relais om de voedingsspanning te regelen, of een relais dat beiden functies beheert.
20.7.1 Fasevolgorde
De controle over een foute fasevolgorde op de unit vindt plaats door een specifiek relais. Het relais opent bij verkeerde aansluiting van de fasevolgorde een elektrisch contact, waardoor het alarm "AL55" verschijnt op het display van de controller.
Een verkeerde aansluiting van de fasevolgorde kan alleen te wijten aan een foute uitvoering van de installatione van de unit of wanner er interventries werden uitgevoerd op de voedingslijn.
Om de juiste aansluiting te makes, moet de unit worden losgekoppeld van de voeding. Het alarm verdwijnt bij de volgende start.
20.7.2 Minimale/maximale spanning
De controller is in staat om situates te beheren waar bij de variatie in de voedingsspanning van de unit te sterk afwikt van de verwachtte waarden.
20.7.3 Snelle herstart
De activering van de "Snelle herstart"-functie dankzij aanwezigheid van een "ultracap" die de elektrische voeding waar de controller behoudt, zorgt voor een maximale vermindering van de vertraging bij herstart van de compressoren van de unit.
Dit is möglich ondat de controller de minimale "UIT" -tijd begint te tellen op het ogenblick dat de "black-out" isuitgeschakeld.
De controller detecteert via een digitale ingang de problemen met de hoofdstroomvoorziening en behandelt deze als alarmen.
Om de integritie van de compressoren te waarborgen, beheert de controller het maximale aantal starts per eer aan de hand van de vertraging+tussen twee opeenvolgende starts.
De snelle herstart na "black-out" is afhankelijk van het verzoek voor temperatuurregeling. Buiten de activeringsoffset van ten minste een compressor, moet er een verzoek voor koeling of ontvochtig aanwezig zich.
De "Snelle herstart"-functie heeft hoe dan ook geen invloed op de integritiet van de compressoren, door in ieder geval het aanlal snelle starts binnen het uur en de dag te beperken.
20.8 Besturing van de schuifkleppen
Naast de luchtverversing in de omgeving, kan de controller andere functies beheren die verband honden met de verbetering van het comfort en zuinige verbruik van het system.
Het aantal schuifkleppen aanwezig in de unit bepaalt de functies die kuren worden beheerd:
-
unit met 2 schuifkleppen enkel voor luchtverversing;
-
unit met 3 schuifkleppen met free cooling/free heating-functionie;
-
units met 4 kleppen, wonneer naast gratis koeling / Gratis verwarming ook een warmteterugwinningssysteme is aangebracht.
De besturing van de schuifkleppen kan op een lineaire of proportionele wijze plaatsvinden.
Unit met 2 schuifkleppen
De units met 2 schuifkleppen hebben een klep voor buienluchtverversing en een voor luchtrecirculatie.
Hun werkig is normala gezien complementair: het openingspercentage van de buitenluchtklep is gelijk aan het sluitingspercentage van de recirculatieklep.
Unit met 3 schuifkleppen
De units met 3 schuifkleppen hebben een klep voor buitenluchtverversing, een voor uitsotingslucht en een voor luchtrecirculatie.
Normaal gezien is de opening van de buitenluchtklep gelijk aan die van de uitstotingsklep, verwijl de opening van de recirculatieklep complementair is aan de andere kleppen: het openingspercentage van de buitenluchtklep en dat van de uitstotingsklep is gelijk aan het sluitingspercentage van de recirculatieklep.
Unit met 4 schuifkleppen
De units met 4 schuifkleppen haben, buiten de kleppen voorzien op de units met 3 schuifkleppen, ook een vierde klep. De vierde klep is ook voor buitenluchtverversing.
De vierde klep zorgt voor de passage van de buitenlucht doorheen de warmtehersteller, wanner het warmteherstel is aangeschakeld, en is geslotenijdens de "free cooling"-functie.
Als de grootte van de warmtehersteller ongeschikt is voor het volledige luchtdebiet in de unit, dan is er ook een vijfde klep aanwezig. Dit is een extra uitsotingsklep die gebruikt wordenijdens de "free cooling"-functie om de warmtewisselaar voor recuperatie te overbruggen.
De betreffende parameters worden weergegeben in de tabel.
| Parameter Min. Max. | ME Beschrijving | |||
| DA43 0.0 50.0 | °C | Buitenlucht - Beperkte opening door buitenluchttemperatuur - Temperatuurdrempel zomer | ||
| DA44 -20.0 | 16.0 °C | Buitenlucht - Beperkte opening door buitenluchttemperatuur - Temperatuurdrempel winter | ||
| DA45 0 | 100 % | Buitenlucht - Beperkte opening door buitenluchttemperatuur - Min. opening | ||
| DA52 | 0 | 3 | - | Buitenlucht - Inbedrijfsstellung - Configuratie |
| DA54 | 0 | 999 | Min. | Buitenlucht - Inbedrijfsstellung - Duur reiniging |
20.8.1 Besturing van de schuifkleppen
De controller voorziet in twee besturingswijzen van de schuifkleppen: "standaard" en "adaptief".
Wanner de schuifkleppen een vaste positie要去en behouden, bijvoorbeeld voor de juiste aanvoer van verse lucht, is het möglichk dat bepaalde systeemcondities verhinderen dat het klepssignaal het gewenste luchtpercentage kan garanderen.
20.8.1.1 "Standard" besturing
De "standaard" besturing zorgt ervoor dat de schuifkleppen hun positie behouden, ongeacht het efectieve percentage verse lucht.
20.8.1.2 "Adaptieve" besturing
De "adaptieve" besturing corrigeert de opening van de schuifkleppen volgens het percentage vereiste verse lucht. Deze sturing kan enkel actief zijn wanner er een luchtmengel-sonde aanwezig is.
De controller berekent de theoretische waarde van het luchtmensgel aan de hand van de temperatuurwaarden van de retourlucht, de buitenlucht en het relatieve openingspercentage van de schuifkleppen.
De controller vergelijk de berekende waarde van het luchtmengsel met de gemeten waarde en corrigeert m.b.v. een PID-regelaar het dempersignaal totdat het verschil is wegewerkt.
20.8.2 Besturing van de schuifkleppen
De controller kan de aanpassing van de schuifkleppen lineair of proportioneel regelen.
Door "lineaire" besturing kan het schuifklep worden geopend met een hellingshoek gewiek aan het vereiste openingspercentage.
Door "proportionele" besturing konnen de schuifkleppen zich instellen met een luchtdoorgangsopening gelijk aan het vereiste openingspercentage van de maximum beschikbare opening.

Alle units uitgerust met kleppen zijn standard ingesteld op "proportionele" besturing.
20.8.3 Starten van de unit
Bij de start van de unit is het möglichk dat er bepalde functies zich ingesteld die speciale afstellingen van de schuifkleppen vereisen.
Als de functies "reiniging" of "recirculatie" nicht werden ingesteld bij de start van de unit, zal de controller hun opening instellen op het percentage ingesteld voor luchtverversing, ongeacht het aantal aanwezige kleppen.
20.8.4 Reiniging
Reiniging is de verranging van de omgevingslucht. Dit betekent dat alle retourlucht worden uitgestoten en alle buitenlucht in de kamer worden gestuurd.
Als de reiniging is gepland bij opstarting van de unit, moet de parameter "DA52" ingesteld zich op "1".
Tijdens de reiniging houdt de controller de uitstotings- en buitenluchtkleppen op de ingestelde maximale opening en de recirculatieklep in de overeenkomstige sluitpositie, gedurende de tijsdsduur ingesteld in parameter "DA54".
De waarde van parameter "DA53" ingesteld op "0" geeft aan dat de reiniging plaatsvindt zonder tussenkomst van luchtthermoregulation. Met de waarde van parameter "DA53" ingesteld op "1", zal de temperatuurregeling+zijn aangeschakeldijdens de reiniging.
Als reiniging plaatsvindt met actieve thermoregulatie, dan is het möglichk dat de kleppenstand worden beinvloed door bepaalde werkconditions van de compressoren.
De toets voor handmatige onderbreking van de duur (t.o.v. de duur ingesteld in parameter "DA54") knippert op het hoofdmasker wonneer de reinigingsbeurt bezig is.
20.8.5 Recirculation
Een volledige luchtrecirculatie bij opstarting van het systeme of na een reinigingsbeurt zorgt ervoor dat de ingestelde temperatuur- en vochtigheidssetpoints sneller worden bereikt.
Als alleen de luchtrecirculatie vereist is bij de start van de unit, stelt u parameter "DA52" in op "2".
Door parameter "DA52" in te stellen op "3" worden de recirculatie voorafgegaan door een reinigingsbeurt.
Terwijl recirculatie bezig is, houdt de controller de uitstotings- en buitenluchtklep gesloten en de recirculatieklep open, gedurende tijd ingesteld in parameter "DA55".
De Waarde van parameter "DA53" ingesteld op "0" geeft aan dat de reiniging plaatsvindt zonder tussenkomst van luchtthermoregulatie. Met de Waarde van parameter "DA53" ingesteld op "1", zal de temperatuurregeling zijn aangeschakeldijdens de reiniging.
Terwij de recirculatie bezig is, knippert de toets voor handmatige onderbreking t.o.v. van de duur ingesteld in parameter "DA55" op het hoofdmasker.
20.9 Bijverwarming
Naast de verwarming verkreten via het koelcircuit, kan de controller andere warmtebronnen besturen, zoals elektrische waarstanden, een warmwaterbatterij met eventuele vrijgave voor een verwarmingsketel of brander.
De logica van de controller werd ingesteld op de fabriek volgens de configuratie van de unit.
De inschakeling van de verwarming en de werklogica konnen worden aangepastaar persoonlijke wens.
De betreffende parameters worden weergegeben in de tabel.
| Parameter Min. Max. | ME Beschrijving |
| STH57 0 1 - Bijverwarming - Zomermodus - Type temperatuurregeling | |
| STH58 10.0 35.0 °C Bijverwarming - Zomermodus - Setpoint | |
| STH59 0.0 25.0 °C Bijverwarming - Zomermodus - Proportioneel - Temperatuur-offset | |
| STH60 0.0 25.0 °C Bijverwarming - Zomermodus - Proportioneel - Activeringsdifferentiel | |
| STH61 0 100 % Bijverwarming - Zomermodus - Proportioneel - Min. verzoek | |
| STH62 0 100 % Bijverwarming - Zomermodus - Proportioneel - Max. verzoek | |
| STH91 0 1 - Bijverwarming - Wintermodus - Type temperatuurregeling | |
| STH93 0.0 25.0 °C Bijverwarming - Wintermodus - Proportioneel - Temperatuur-offset | |
| STH94 0.0 25.0 °C Bijverwarming - Wintermodus - Proportioneel - Activeringsdifferentiel | |
| STH95 0 100 % Bijverwarming - Wintermodus - Proportioneel - Min. verzoek | |
| STH96 0 100 % Bijverwarming - Wintermodus - Proportioneel - Max. verzoek | |
20.9.1 Bestuurde apparaten
De controller bestuurt de volgende geinstalleerde apparaten:
-
elektrische verbessarden verdeeld in een of twee vermogensstappen;
-
een warmwaterbatterij, met analoog signaal voor regeling van de klepopening en digitale vrijgave voor besturing van een pomp die worden geactiveerd zodia de klep begint te openen. Deze besturingswijze voorziet de antivriesfunctie;
- een verwarmingsketel bestuurd door een analogog signal en door een digitale vrijgave die worden geactiveerd zodra het analoge verzoek aanwezig is. Deze besturingswijze voorziet een digitale ingang om eventuele ketelalarmen door te gehen aan de controller en de antivriesfunctie;
- een brander aangestuurd door een analoog signaal en een digitale vrijgave die worden geactiveerd zodia het analoge verzoek aanwezig is. Deze besturingswijze voorziet een digitale ingang om eventuele branderalarmen door te gehen aan de controller.
Bijverwarming kan met behulp van de parameter "STH55" worden ingeschakeld voor:
- alleen in de zomermodus, als naverwarmingijdens de ontvochtigingsfase;
- alleen in de wintermodus, als enige bron, als het koelcircuit geen cyclusomkering voorziet, of als aanvulling op de verwarming met koelcircuit;
- zowel in de zomer- als wintermodus.
Antivriesfunctie
De antivriesfungie, voorzien voor besturing van de warmwaterbatterij en verwarmingsketel, worden geactiveerd verwijde unit in werkig is, bij afwezigheid van een verwarmingsverzoek, als de buitenluchttemperatuur lager is dan de waarde ingesteld in parameter "STH136",
Wanner de antivriesfunctie wordt geactiveerd bij een warmwaterbatterij, opent de controller de stuurklep op de waarde ingesteld in parameter "STH137", en activeert hij de circulatiepomp.
Wanner de antivriesfunctie wordt geactiveerd bij een verwarmingsketel, stuart de controller het verzoek ingesteld in parameter "STH137" en het vrijgavesignaal waar de verwarmingsketel.
20.9.2 Naverwarming
Als de waarde van parameter "STH55" op "1" staat, is de bijverwarming alleen geconfigureerd voor de zomermodus, als naverwarming tijdens de ontvochtigingsfase. Afhankelijk van de waarde ingesteld in parameter "STH57" is de regeling "proportioneel" of "PID". De waarde van de "STH56" parameter identificiert de regelsonoe voor sturing, dieplaatsvindt bij het setpoint ingesteld in "STH58" parameter.
20.9.3 Activering met tijdsintervallen
De unit kan automatisch worden bestuurd via tijdsintervallen. De stopzetting, variatie van de setpoints en werkmoduswissel können worden ingesteld.
De betreffende parameters worden weergegeben in de tabel.
| Parameter Min. Max. | ME Beschrijving |
| ES1 0 144 h Tijdsinterval | 1 - Begin |
| ES2 0 144 h Tijdsinterval | 1 - Ende |
| ES3 0 144 h Tijdsinterval | 2 - Begin |
| ES4 0 144 h Tijdsinterval | 2 - Ende |
| ES5 0 144 h Tijdsinterval | 3 - Begin |
| ES6 0 144 h Tijdsinterval | 3 - Ende |
| ES7 0 15 - Wijziging van | setpoint - Maandag |
| ES8 0 15 - Wijziging van | setpoint - Dinsdag |
| ES9 0 15 - Wijziging van | setpoint - Woensdag |
| ES10 0 15 - Wijziging van | setpoint - Donderdag |
| ES11 0 15 - Wijziging van | setpoint - Vrijdag |
| ES12 0 15 - Wijziging van | setpoint - Zaterdag |
| ES13 0 15 - Wijziging van | setpoint - Zondag |
| ES14 -25.0 25 0 °C Wijziging van | setpoint - Mechanische koeling - Offset |
| ES16 -25.0 25 0 °C Wijziging van | setpoint - Mechanische verwarming - Offset |
| ES18 0 15 - Uitschakenen unit - Maandag | |
| ES19 0 15 - Uitschakenen unit - Dinsdag | |
| ES20 0 15 - Uitschakenen unit - Woensdag | |
| ES21 0 15 - Uitschakenen unit - Donderdag | |
| ES22 0 15 - Uitschakenen unit - Vrijdag | |
| ES23 0 15 - Uitschakenen unit - Zaterdag | |
| ES24 0 15 - Uitschakenen unit - Zondag | |
| ES26 0 144 h Tijdsinterval | 4 - Begin |
| ES27 0 144 h Tijdsinterval | 4 - Ende |
| ES31 0 15 - Aktivering verwarmingsmodus | Maandag |
| ES32 0 15 - Aktivering verwarmingsmodus | Dinsdag |
| ES33 0 15 - Aktivering verwarmingsmodus | Woensdag |
| ES34 0 15 - Aktivering verwarmingsmodus | Donderdag |
| ES35 0 15 - Aktivering verwarmingsmodus | Vrijdag |
| ES36 0 15 - Aktivering verwarmingsmodus | Zaterdag |
| ES37 0 15 - Aktivering verwarmingsmodus | Zondag |
U knot tot 4 tijdsintervallen instellen via het stel parameters voor begin/einde van het tijsdinterval.
Voor elk weekdag zijn de volgende bewerkingen mogelijk: een combinatie van tijdsintervallen instellen voor variatie van het setpoint, uitschakelen van de unit en wisselen van werkmodus.
De wijziging van het setpoint binnen het betreffende interval gebeurt door toepassing van een "offset" ten opzichte van de actieve operationele waarde.
De actieve operationele waarde worden bepaald door de waarde van de parameter en eventuele externe compensations.
De "offset" -waarde kan positief of negatief zich. In het eerste geval wordt de waarde bijgeteld, in het tweeede geval wordt hij afgetrokken van het operationele setpoint.
Het is möglich om een "offset" -waarde in te stellen voor de werkmodus "koeling" en eén voor de modus "verwarming".

Als de bijverwarming worden aangestuurd, za deze bij activering van de afkoeltijdsintervallen het setpoint behouden dat is ingesteld in parameter "STH58", verwijl bij activering van de verwarmingsintervallen de waarde varieert i.f.v. de "offset" -waarde.
20.1 Introductie
De controller is geprogrammeerd om de componenten van de unit veilig te beheren en hun werking aan te passen naargelang de omstandigheden, met als doel de continuiteit van de werking te behonden.
Daarom grijt de controller bij het naderen van gevaarlijke conditie in door de werkig van de unit geheel of gedeelijk te beperken.

Door deze icoon aan te raken, krijgt u toegang tot het alarmmenu. Als de icoon rood is, is er minstens een alarm actief; als het grijs is, is er geen alarm actief.
Het volgende hoofdstuk bevat de codes met relatieve beschrijvingen voor de verschillende condities die in het alarmmenu können voorkomen.
Als u een melding opmerkt, zowel tijdens de werkig als inactiviteit van de unit, is hetoodzakelijk om de bijstandsdienst onmiddelijk op de hoogte te brengen, hen de code en beschrijving van de melding te communiceren en hun instructies op te volgen.

Neem zich geen initiatieven voordat u met de bijstandsdienst heeft gecommuniceerd.
20.2 Alarmtable
Hieronder vindt u de lijst met alarmcodes, samen met hun beschrijvingen.
| Code Beschrijving Code Beschrijving | |||
| AL1 Alarm tout intern geheugen AL29 Alarm lage retourluchttemperatuar | |||
| AL5 Alarm luchtstroom van drukverschiltransducer AL30 | Alarm hogeuitblaasluchttemperatuar | ||
| AL6 | Circuit 1 - Alarm hoge druk van drukschakelaar | AL31 Alarm lageuitblaasluchttemperatuar | |
| AL7 | Circuit 2 - Alarm hoge druk van drukschakelaar | AL32 | Beperkinguitblaasluchttemperatuar geactiveerd |
| AL10 Circuit 1 - Alarm hoge druk van transducer AL33 | Circuit 1 - Externe ventilatie - Alarm thermische beveiliging | ||
| AL11 Circuit 2 - Alarm hoge druk van transducer AL34 | Circuit 2 - Externe ventilatie - Alarm thermische beveiliging | ||
| AL12 Alarm hoge vochtigkeit van retourlucht AL35 | Ventilatieuitblaaslucht - Alarm thermische beveiliging | ||
| AL13 Alarm lage vochtigkeit van retourlucht AL36 | AL36 | Ventilatie retourlucht - Alarm thermische beveiliging | |
| AL14 Alarm vuile filters AL51 | Circuit 1 - Compressor 1 - Inverter geblokkeerd | ||
| AL17 BMS - Alarm communicatiebout AL52 c.pCOe | 1 - Alarm communicatiebout | ||
| AL18 | Circuit 1 - Compressor 1 - Alarm thermische beveiliging | AL53 c.p | COe 2 - Alarm communicalefout |
| AL19 | Circuit 1 - Compressor 2 - Alarm thermische beveiliging | AL54 c.p | COe 3 - Alarm communicalefout |
| AL20 | Circuit 2 - Compressor 1 - Alarm thermische beveiliging | AL55 Alarm foute fasevolgorde | |
| AL21 | Circuit 2 - Compressor 2 - Alarm thermische beveiliging | AL57 | Circuit 1 - Compressor 1 - Alarm hoge afvoertemperatuur |
| AL26 Beperking retourluchttemperatuur geactiveerd AL58 | Circuit 2 - Compressor 1 - Alarm hoge afvoertemperatuur | ||
| AL27 Alarm lage buitenluchttemperatuur AL59 | Circuit 1 - Compressor 2 - Alarm hoge afvoertemperatuur | ||
| AL28 Alarm hoge retourluchttemperatuur AL60 | Circuit 2 - Compressor 2 - Alarm hoge afvoertemperatuur | ||
| AL61 | Alarm storing Sonde - Circuit 1 - Compressor 1 - Afvoertemperatuur | AL136 Circuit 1 - Alarm lage druk van drukschakelaar | |
| AL62 | Alarm storing Sonde - Circuit 2 - Compressor 1 - Afvoertemperatuur | AL137 Circuit 2 - Alarm lage druk van drukschakelaar | |
| AL63 | Alarm storing Sonde - Circuit 1 - Compressor 2 - Afvoertemperatuur | AL154 Alarm lekdetector | |
| AL64 | Alarm storing Sonde - Circuit 2 - Compressor 2 - Afvoertemperatuur | AL159 Alarm brand/rook | |
| AL65 Alarm storing Sonde - Retourluchttemperatuur AL160 Driver ventiel 1 - Alarm communicatiefout | |||
| AL70 | Alarm storing Sonde - Uitblaasluchttemperatuur | AL161 Driver ventiel 2 - Alarm communicatiefout | |
| AL72 | Alarm storing transducer - Drukverschil retourlucht | AL162 Luchtbevochtiger CPY - Algemeen alarm | |
| AL73 | Alarm storing transducer - Statische druk retourkanaal/Drukverschil gang | AL163 Luchtbevochtiger CPY - Algemeene melding | |
| AL74 Alarm storing Sonde - CO2 luchtkwaliteit AL164 | Luchtbevochtiger CPY - Alarm communicatiefout | ||
| AL75 Alarm storing Sonde - VOS luchtkwaliteit AL166 Inverter 1 - Alarm communicatiefout | |||
| AL78 | Alarm storing Sonde - Relatieve vochtigkeit retourlucht | AL170 Circuit 1 - Alarm lage oververhitting | |
| AL79 | Alarm storing Sonde - Relatieve vochtigkeit buitenlucht | AL171 Circuit 2 - Alarm lage oververhitting | |
| AL80 Alarm storing Sonde - Buitenluchttemperatuur AL183 | Setpoint koeling kleiner dan setpoint verwarming | ||
| AL91 | Alarm storing Sonde - Luchtmengeltemperatuur | AL184 Circuit 1 - Ontdooiing voltooid einde tijdsduur | |
| AL94 | Alarm storing transducer - Circuit 1 - Condensatiedruk | AL185 Circuit 2 - Ontdooiing voltooid einde tijdsduur | |
| AL95 | Alarm storing transducer - Circuit 2 - Condensatiedruk | AL191 Maximum aantal selle herstarts per 1 uur werk bereikt | |
| AL98 | Alarm storing transducer - Circuit 1 - Verdampingsdruk | AL192 Maximum aantal selle herstarts per 24 uur werk bereikt | |
| AL99 | Alarm storing transducer - Circuit 2 - Verdampingsdruk | AL201 Min./Max. spanning | |
| AL102 | Alarm storing Sonde - Circuit 1 - Aanzuigtemperatuur | AL203 Circuit 1 - Lage verdampingsdruk | |
| AL103 | Alarm storing Sonde - Circuit 2 - Aanzuigtemperatuur | AL204 Circuit 2 - Lage verdampingsdruk | |
| AL106 | Alarm storing transducer - Drukverschil uitblaaslucht | AL209 Extern alarm | |
| AL107 | Alarm storing transducer - Statische druk uitblaaskanaal / Drukverschil gang | AL210 Alarm storing EEPROM | |
| AL114 Circuit 1 - Laag drukverschil AL212 Alarm toegangsfout intern geheugen | |||
| AL115 Circuit 2 - Laag drukverschil AL247 Circuit 1 - Compressor 1 - Buiten omhullende | |||
| AL127 Circuit 1 - Compressor 1 - Alarm onderhoud AL250 Weerstand 1 - Alarm thermische beveiliging | |||
| AL128 Circuit 1 - Compressor 2 - Alarm onderhoud AL251 Weerstand 2 - Alarm thermische beveiliging | |||
| AL131 Circuit 2 - Compressor 1 - Alarm onderhoud AL258 Verwarmingsketel - Algemeen alarm | |||
| AL132 Circuit 2 - Compressor 2 - Alarm onderhoud AL259 Brander - Algemeen alarm | |||
| AL135 Ventilatie uitblaaslucht - Alarm onderhoud -- | |||
Índice
21 Introduccion 145
21.1 General 145