EKHH2E260PAAV3 - Ketel DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EKHH2E260PAAV3 DAIKIN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over EKHH2E260PAAV3 DAIKIN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EKHH2E260PAAV3 - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EKHH2E260PAAV3 van het merk DAIKIN.
GEBRUIKSAANWIJZING EKHH2E260PAAV3 DAIKIN
Installatie- en gebruikershandleiding
Warmtepomp voor Warm Water voor Huishoudelijk Gebruik - Type Monobloc
1 Algemene veiligheidsmaatregelen 3
1.1 Over de documentatie....3
1.1.1 Belekenis van de waarschuwingen en symbolen 3
1.2 Voor de gebruiker 3
1.3.2 Plaats van installatie 4
1.3.3 Koelmiddel 5
1.3.4 Water 6
1.3.5 Elektrisch 6
1.4 Verklarende woordenlijst....7
2 Inleiding....8
2.1 Producten 8
2.2 Disclaimer 8
4 Bouwkenmerken....11
5 Belangrijke informatie....14
5.1 Overeenstemming met Europese regelgevingen.....14
5.2 Door de omsluiting geboden beschermingsgraad..... 14
5.3 Beperkingen in het gebruik 14
5.4 Werkingslimieten....14
5.5 Fundamentele veiligheidsvoorschriften....14
5.6 Informatie over het gebruikte koelmiddel....14
6 Installatie en aansluitingen 15
6.1 Voorbereiding van de installatielocatie....15
6.1.1 Bevestigen aan de vloer 15
6.2 Aansluiting ventilatie 15
6.2.1 Bijzondere installatieomstandigheden ..... 17
6.3 Montage en aansluiting van de apparatuur....18
6.4 Aansluitingen watertoevoer....18
6.4.1 Aansluitingen condensaatafvoer 21
6.5 Integratie zonne-energiesysteem 21
6.6 Elektrische aansluitingen....22
6.6.1 Verbinding met systemen op afstand..... 22
6.7 Bedradingsschema....23
7 Inbedrijfstelling....23
8 Bediening en gebruik.... 25
8.1 De Gebruikersinterface 25
8.1.1 Display en toetsen van de interface ..... 25
8.1.2 Bedrijfslogica 26
8.1.3 Basisbeheer 26
8.2 Specifleke bewerkingen 32
8.2.1 Lijst van parameters van
de apparatuur 33
9 Onderhoud en reiniging....37
9.1 De beveiligingsinrichting resetten....37
9.2 Driemaandelijkse inspecties 38
9.3 Jaarlijkse inspecties 38
9.4 Reiniging van de ventilatiefilter 38
9.5 Magnesiumanodes 38
9.6 De ketel leegmaken 38
9.7 Inspectie van het elektrische weerstandscompartiment....39
10 Probleemoplossing....40
11 Als afval verwijderen 40
12 Productfiche 41
1 Algemene veiligheidsmaatregelen
1.1 Over de documentatie
- De documentatie is oorspronkelijk in het Engels geschreven. Alle andere talen zijn vertalingen.
- Alle in dit document vermelde voorzorgen betreffen zeer belangrijke punten en dienen dus steeds nauwgezet te worden nageleefd.
- De installatie van het systeem en alle handelingen beschreven in de installatiehandleiding moeten door een erkende installateur uitgevoerd worden.
1.1.1 Betekenis van de waarschuwingen en symbolen

GEVAAR
Duidt op een situatie die de dood of ernstige verwondingen als gevolg heeft.

Duidt op een situatie die elektrocutie kan veroorzaken.

GEVAAR: RISICO VOOR BRANDWONDEN
Duidt op een situatie die brandwonden kan veroorzaken als gevolg van extreem hoge of lage temperaturen.

GEVAAR: RISICO OP ONTPLOFFING
Duidt op een situatie die een ontploffing kan veroorzaken.

WAARSCHUWING
Duidt op een situatie die de dood of ernstige verwondingen als gevolg zou kunnen hebben.

Duidt op een situatie die kleine of kleine of matige verwondingen als gevolg zou kunnen hebben.

OPGELET
Duidt op een situatie die schade aan apparatuur of eigendom zou kunnen berokkenen.

INFORMATIE
Duidt op nuttige tips of bijkomende informatie.
Symbol
UHeg

Lees vóór de installatie eerst de installatie- en gebruiksaanwijzing en het blad met de instructies voor de bedrading.

Lees vóór onderhouds- of reparatiewerkzaamheden eerst de onderhouds- en reparatiehandleiding.

Voor meer informatie, zie de uitgebreide handleiding voor de installateur en de gebruiker.
1.2 Voor de gebruiker
- Indien u twijfels heeft over de bediening van de unit, neem contact op met uw installateur.
- Dit apparaat mag worden gebruikt door kinderen
- Dit 8 jaar en ouder en door personen met
- verminderde fysieke, sensorische of geestelijke
- capaciteiten of gebrek aan ervaring en kennis als
- zij supervisie of instructie krijgen over het veilige
- gebruik van het apparaat en als zij de gevaren in
- betrekking hiermee begrijpen. Kinderen mogen
- niet met het apparaat spelen. Reiniging en
- onderhoud door de gebruiker mogen niet worden
- uitgevoerd door kinderen zonder loezicht.

WAARSCHUWING
Om elektrische schokken of brand te vermijden:
- Spoel de unit NIET af.
• Bedien de unit NIET met natte handen. - Plaats GEEN voorwerpen die water bevatten op de unit.

OPGELET
- Plaats GEEN voorwerpen, apparatuur of uitrustingen bovenop de unit.
Zit, klim of sta NIET op de unit.
- Het volgende symbool staat vermeld op de units:

Dit betekent dat u geen elektrische en elektronische producten mag mengen met ongesorteerd huishoudelijk afval. Probeer het systeem NIET zelf te ontmantelen: het ontmantelen van het systeem en het behandelen van het koelmiddel, van olie en van andere onderdelen moeten door een erkende installateur conform met de geldende wetgeving uitgevoerd worden.
De units moeten voor hergebruik, recyclage en terugwinning bij een gespecialiseerd behandelingsbedrijf worden behandeld. Door ervoor te zorgen dat dit product op de juiste manier wordt weggeworpen, draagt u bij tot het voorkomen van mogelijke negatieve gevolgen voor milieu en menselijke gezondheid. Voor meer informatie, neem contact op met uw installateur of de plaatselijke overheid.
Indien u twijfels heeft over de installatie of de bediening van de unit, neem contact op met uw verdeler.

OPGELET
Een foute installatie of bevestiging van apparatuur, uitrustingen of accessoires kan elektrische schokken, een kortsluiting, lekken, brand of schade aan de apparatuur of uitrustingen als gevolg hebben. Gebruik alleen accessoires, optionele apparatuur/uitrustingen en reserveonderdelen die door Daikin gemaakt of goedgekeurd werden.

WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de materialen die voor de installatie en de testen gebruikt worden, voldoen aan de geldende wetgeving (bovenop de instructies beschreven in de Daikin-documentatie).

VOORZICHTIG
Draag gepaste persoonlijke beschermingsuitrustingen (beschermende handschoenen, veiligheidsbril, enz.) wanneer u het systeem installeert of onderhoudt.

GEVAAR: RISICO VOOR BRANDWONDEN
- Raak tijdens of net na bedrijf GEEN koelmiddelleidingen, waterleidingen of interne onderdelen aan. Deze kunnen te warm of te koud zijn. Geef ze de tijd om terug op een normale temperatuur te komen. Indien u deze toch moet aanraken, draag dan beschermende handschoenen.
- Raak per ongeluk lekkend koelmiddel NIET aan.

WAARSCHUWING
Neem gepaste maatregelen om te beletten dat de unit door kleine dieren als schullplaats gebruikt kan worden. Kleine dieren die in contact komen met elektrische onderdelen kunnen storingen, rook of brand veroorzaken.

VOORZICHTIG
Raak de luchtinlaat of de aluminiumlamellen van de unit NIET aan.

OPGELET
- Plaats GEEN voorwerpen, apparatuur of uitrustingen bovenop de unit. - Zit, klim of sta NIET op de unit.

OPGELET
Werkzaamheden aan de buitenunit worden best gepland bij droog weer om waterinsijpeling te voorkomen.
Conform de geldende wetgeving kan een logboek bij het product vereist worden; in dit logboek dienen dan minstens de volgende zaken bijgehouden: informatie over het onderhoud, de reparatiewerkzaamheden, de resultaten van testen, de stilstandperioden, enz.
Bovendien dienen minstens volgende informaties op een toegankelijke plaats bij het product voorzien te worden:
- Instructies om het systeem uit te schakelen in gevallen van nood
- De naam en het adres van de brandweer, de politie en een ziekenhuis
- De naam, het adres en de telefoonnummers overdag en 's nachts om onderhoud te bekomen
In Europa bevat EN378 de nodige richtlijnen voor dit logboek.
1.3.2 Plaats van installatie
- Voorzie voldoende ruimte rond de unit voor onderhoud en luchtcirculatie.
- Controleer of de plaats waarop de unit moet komen, bestand is tegen het gewicht en de trillingen van de unit.
- Zorg ervoor dat de zone goed geventileerd wordt. Blokkeer GEEN enkele van de ventilatieopeningen.
- Controleer of de unit horizontaal staat.
Installeer de unit NIET in een van de volgende plaatsen: - In mogelijke explosieve omgevingen.
- In plaatsen met toestellen of machines die elektromagnetische golven uitzenden. Elektromagnetische golven kunnen het besturingssysteem ontregelen en zo storingen aan de uitrusting veroorzaken.
- In plaatsen met brandgevaar omwille van lekkende ontvlambare gassen (zoals verdunners of benzine), koolstofvezels, ontvlambaar stof.
- In plaatsen waar corroderend gas (zoals zwavelzuurgas) geproduceerd wordt. Corrosie aan de koperleidingen of gesoldeerde onderdelen kan de oorzaak zijn dat koelmiddel gaat lekken.
1.3.3 Koelmiddel
Indien van toepassing. Voor meer informatie, raadpleeg de installatiehandleiding van uw toepassing.

WAARSCHUWING
Zet, tijdens testen, het product NOOIT onder een druk hoger dan de maximaal toegestane druk (vermeld op het naamplaatje van de unit).

WAARSCHUWING
Neem voldoende maatregelen wanneer koelmiddel zou lekken. Ventileer onmiddellijk de zone wanneer koelgas lekt. Mogelijke risico's:
- Te hoge koelmiddelconcentraties in een gesloten ruimte kunnen leiden tot een gebrek aan zuurstof.
- Als koelgas in contact komt met vuur, kan giftig gas ontstaan.

GEVAAR: RISICO OP ONTPLOFFING Wegpompen van koelmiddel
- Koelmiddellekkage. Als u koelmiddel wilt wegpompen uit het systeem, en er een lek is in het koelmiddelcircuit:
- Gebruik NIET de automatische wegpompfunctie van de unit, waarmee u al het koelmiddel van het systeem naar de buitenunit kunt verzamelen. Mogelijk gevolg: Zelfontbranding en ontploffing van de compressor omdat er lucht in de compressor terechtkomt.
- Gebruik een afzonderlijk aftapsysteem zodal de compressor van de unit NIET hoeft te werken.

WAARSCHUWING
Vang steeds het koelmiddel op. Laat ze NIET rechtstreeks vrij in de omgeving. Gebruik een vacuïmpomp om de installatie leeg te pompen.

OPGELET
- Om te voorkomen dat de compressor defect raakt, mag u NIET meer bijvullen dan de gespecificeerde hoeveelheid koelmiddel.
- Als het koelmiddelsysteem moet worden geopend, dan dient het koelmiddel te
worden behandeld volgens de geldende wetgeving.

WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat er geen zuurstof in het systeem zit. Bovendien mag er pas koelmiddel worden bijgevuld nadat er een lekkagetest en een vacuümdroogprocedure is uitgevoerd.
- Zie het typeplaatje op de unit wanneer koelmiddel in het systeem moet worden aangevuld. Daarop staan het type koelmiddel en de vereiste hoeveelheid.
- De unit werd in de fabriek met koelmiddel gevuld en sommige systemen moeten, afhankelijk van de maat en lengte van de leidingen, bijkomend met koelmiddel worden gevuld.
- Gebruik uitsluitend gereedschap dat enkel en alleen voor het soort koelmiddel bedoeld is om de vereiste drukweerstand te kunnen garanderen en om te beletten dat vreemde stoffen in het systeem terechtkomen.
- Vul als volgt met vloeibaar koelmiddel:
| Als | Dan |
| Er is een sifonbuis(d.w.z. er zou iets zoals"Met vloeistofvulsifon" opde flies moeten staan) | Vul bij met rechtopstaandefles.![]() |
| Er is GEEN sifonbuis | Vul bij met deondersteboven slaande fles.[IMAGE] |
- Open koelmiddelflessen steeds traag.
- Vul bij met koelmiddel in vloeibare vorm. Het koelmiddel in gasvormige fase toevoegen kan de normale werking verstoren.

VOORZICHTIG
Wanneer het bijvullen van koelmiddel is voltooid of tijdens een pauze, moet u de klep van de koelmiddeltank onmiddellijk sluiten. Als de klep niet onmiddellijk gesloten wordt, kan door de resterende druk extra koelmiddel worden bijgevuld. Mogelijk gevolg: Verkeerde hoeveelheid koelmiddel.
1.3.4 Water
Indien van toepassing. Voor meer informatie, raadpleeg de installatiehandleiding van uw toepassing.

OPGELET
Controleer of de kwaliteit van het water voldoet aan de EU-richtlijn 98/83 EC.
1.3.5 Elektrisch

- Schakel alle elektrische voedingen UIT voordat u het deksel van de schakelkast verwijdert, elektrische bedrading aansluit of elektrische onderdelen aanraakt.
- Schakel de elektrische voeding langer dan 1 minuut uit en meet de spanning op de aansluitklemmen van de condensatoren of elektrische onderdelen van de hoofdkring vooraleer u een onderhoud uitvoert. De spanning MOET onder de 50 VDC gevallen zijn vooraleer u elektrische onderdelen mag aanraken. Raadpleeg het bedradingsschema voor de plaats van de aansluitklemmen.
- Raak elektrische onderdelen NIET aan met natte handen.
- Laat de unit NIET onbewaakt achter wanneer het servicedeksel verwijderd is.

WAARSCHUWING
Indien deze NIET standaard werd geplaatst, moet een hoofdschakelaar (of een ander middel om uit te schakelen) tussen de vaste bedrading geplaatst worden; deze schakelaar dient het contact van alle polen volledig te verbreken en te voldoen aan de vereisten van de overspanning-categorie-III-specificatie wanneer hij open staat.

WAARSCHUWING
- Gebruik ALLEEN koperdraden.
- Controleer of de lokale bedrading voldoet aan de geldende wetgeving.
- Alle lokale bedradingen dienen conform het met het product meegeleverd bedradingsschema uitgevoerd te worden.
-
Knijp NOOIT gebundelde kabels samen en controleer of ze niet met leidingen of scherpe randen in contact (kunnen) komen. Controleer of geen externe druk op de klemaansluitingen wordt uitgeoefend.
-
Vergeet niet aarddraden te leggen. de unit NIET via een nutsleiding, een piekspanningsbeveiliging of de aarding van de telefoon. Een onvolledige aarding kan elektrische schokken veroorzaken.
- Gebruik hiervoor een aparte voedingskring. Gebruik NOOIT een elektrische voeding die met een ander toestel gedeeld wordt.
- Installeer zeker de vereiste zekeringen of stroomonderbrekers.
- Plaats zeker een aardlekschakelaar. Als u dit niet doet, kan dit een elektrische schok of brand veroorzaken.
- Wanneer u de aardlekbeveiliging plaatst, controleer of deze met de inverter compatibel is (bestand tegen hoogfrequente elektrische ruis), zodat de aardlekbeveiliging zich niet onnodig opent.

OPGELET
Voorzorgsmaatregelen bij het leggen van voedingsbedrading:
- Sluit geen bedrading met een andere dikte aan op de aansluitingenblok voor de voedingsdraden (een speling op de voedingsbedrading kan abnormale verhitting als gevolg hebben).
- Wanneer u bedrading aansluit die dezelfde dikte heeft, doe dit zoals op de afbeelding hieronder getoond.



- Gebruik de aangewezen voedingsdraad en sluit deze stevig aan, borg ze vervolgens zodat er van buiten geen druk op het klemmenbord kan worden uitgeoefend.
- Gebruik een passende schroevendraaien voor het vastdraaien van de schroeven van de klemmen. Met een schroevendraaier met kleine kop beschadigt u de schroefkop waardoor u de schroef niet goed meer vast kunt draaien.
- Als u de schroeven van de klemmen te vast draait kunt u ze breken.
Leg de stroomkabels op minstens 1 meter afstand van televisietoestellen en radio's om geen interferenties te hebben. Afhankelijk van de radiogolven volstaat een afstand van 1 meter soms niet.

WAARSCHUWING
- Controleer na het beeindigen van de elektriciteit of alle elektrische
onderdelen en aansluitklemmen in de elektriciteitskast veilig zijn aangesloten.
Controleer of alle deksels dicht zijn vooraleer de unit aan te zetten.
1.4 Verklarende woordenlijst
Verdeler
Verdeler die het product verkoopt.
Technisch bekwame persoon met een erkenning om het product te installeren.
Gebruiker
Persoon die de eigenaar is van het product en/of die het product gebruikt.
Geldende wetgeving
Alle geldende internationale, Europese, nationale en plaatselijke richtlijnen, wetten, reglementen en/of voorschriften betreffende een bepaald product of domein.
Onderhoudsbedrijf
Bedrijf dat bevoegd is om de vereiste service voor het product uit te voeren of te coördineren.
Installatiehandleiding
Handleiding met instructies betreffende het installeren, het configureren en het onderhouden van een bepaald product of een bepaalde toepassing.
Bedieningshandleiding
Instructiehandleiding voor een bepaald product of een bepaalde toepassing waarin wordt uitgelegd hoe het product of de toepassing moet worden gebruikt.
Accessoires
Labels, handleidingen, informatiefiches, apparatuur en uitrustingen die met het product worden meegeleverd en die volgens de instructies in de meegeleverde documentatie geïnstalleerd moeten worden.
Optionele uitrustingen
Door Daikin gemaakte of goedgekeurde apparatuur/uitrustingen die met het product volgens de instructies in de meegeleverde documentatie gecombineerd mogen worden.
Ter plaatse te voorzien
Niet door Daikin gemaakte apparatuur/uitrustingen die met het product volgens de aanwijzingen in de meegeleverde documentatie gecombineerd mogen worden.
2 Inleiding
Deze installatie- en onderhoudshandleiding moet worden beschouwd als een integraal onderdeel van de warmtepomp (hierna de apparatuur genoemd). Bewaar ze voor latere naslag tot de warmtepomp zelf werd ontmanteld. Deze handleiding is zowel bestemd voor gespecialiseerde installateurs (monteurs - onderhoudstechnici) als voor eindgebruikers.
Ze beschrijft enerzijds de installatievoorschriften die moeten worden gevolgd om een correcte en veilige werking van de apparatuur te waarborgen, en anderzijds de manieren waarop de apparatuur moet worden gebruikt en onderhouden.
Wanneer de apparatuur wordt verkocht of van eigenaar verandert, moet de handleiding samen met de apparatuur naar de nieuwe bestemming gaan.
Alvorens de apparatuur te installeren en/of gebruiken dient u de handleiding, en in het bijzonder hoofdstuk 5 over veiligheid, grondig door te nemen.
Deze handleiding moet bij de apparatuur worden bewaard en moet te allen tijde ter beschikking zijn van het gekwalificeerde personeel dat verantwoordelijk is voor de installatie en het onderhoud van de apparatuur.
De volgende symbolen worden in de handleiding gebruikt om snel de belangrijkste informatie te kunnen vinden:

Veiligheidsinformatie

Te volgen procedures

Informatie/Suggesties
2.1 Producten
Beste klant,
We willen u van harte danken voor de aankoop van dit product.
Onze ondememing is altijd al erg begaan geweest met het milieu, en daarom worden onze producten met milieuvriendelijke technologieën en materialen gemaakt, conform RAEE-richtlijn 2012/19/EU en RoHS-richtlijn 2011/65/EU.
2.2 Disclaimer
De inhoud van deze gebruiksinstructies werd onderworpen aan een grondige controle om de conformiteit ervan met hardware en software te verifiëren. Desondanks blijft het mogelijk dat er niet-conformiteilen optreden. Bijgevolg zal geen aansprakelijkheid voor volledige conformiteit worden opgenomen.
Om technische perfectie zo goed mogelijk te benaderen, behouden wij ons het recht voor om op elk moment wijzigingen in de constructie van de apparatuur of aan gegevens aan te brengen. We aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheidsclaims die betrekking hebben op instructies, figuren, tekeningen of beschrijvingen, behoudens fouten van gelijk welke aard. De leverancier kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit een verkeerd of ongepast gebruik, of als gevolg van niet toegestane herstellingen of wijzigingen.

WAARSCHUWING!
De apparatuur kan worden gebruikt door kinderen van 8 jaar of ouder alsook door mensen met verminderde fysieke, zintuiglijke of mentale capaciteiten of door personen die niet over de vereiste ervaring of kennis beschikken, op voorwaarde dat ze onder toezicht staan of nadat ze instructies hebben gekregen over het veilige gebruik van de apparatuur en uitleg over het gebruik ervan.
Kinderen mogen niet met de apparatuur spelen. De reiniging en het onderhoud die moeten worden uitgevoerd door de gebruiker, mogen niet worden uitgevoerd door kinderen die niet onder toezicht staan.
2.3 Auteursrecht
Deze gebruiksinstructies bevatten informatie die wordt beschermd door het auteursrecht. Het is verboden om deze gebruiksinstructies of delen daarvan te fotokopiëren, dupliceren, vertalen of opnemen op geheugentoestellen zonder de voorafgaande toestemming van Daikin. Elke inbreuk hierop zal aanleiding geven tot de betaling van een compensatie voor mogelijk veroorzaakte schade. Alle rechten zijn voorbehouden, inclusief de rechten die voortvloeien uit de afgifte van octrooien of de registratie van gebruiksmodellen.
2.4 Werkingsprincipe
De apparatuur uit de 1,9 kW en 2,9 kW reeks kan warm water voor huishoudelijk gebruik produceren door gebruik te maken van warmtepomptechnologie. Een warmtepomp kan warmte-energie overbrengen van een lage-temperatuurbron naar een bron met een hogere temperatuur en omgekeerd (warmtewisselaars).
De apparatuur maakt gebruik van een watercircuit dat bestaat uit een compressor, een verdamper, een condensator en een expansieklep. In dit circuit stroomt een koelvloeistof/-gas (zie paragraaf 4.6).
De compressor creëert een drukverschil in het circuit dat ervoor zorgt dat er een thermodynamische cyclus optreedt: daarbij wordt de koelvloeistof aangezogen door een verdamper waar de vloeistof zelf verdampt bij lage druk door warmte le absorberen, waarna ze wordt gecomprimeerd en naar de condensator gevoerd waar ze wordt gecondenseerd onder hoge druk en zo de geabsorbeerde warmte afgeeft. Na de condensator loopt de vloeistof door de zogenaamde "expansieklep" en door het verlies van druk en de temperatuur begint ze te verdampen, komt ze opnieuw de verdamper binnen en begint de cyclus opnieuw.

Het werkingsprincipe van de apparatuur is als volgt (Fig. 1):
I-II: De koelvloeistof die wordt aangezogen door de compressor stroomt binnen de verdamper en terwijl ze verdampt, absorbeert ze de "ecologische warmte" van de lucht.
Tegelijk wordt de omgevingslucht aangezogen door een ventilator van de apparatuur; de lucht verliest zijn warmte terwijl hij over de ribbenbuis-batterij van de verdamper loopt;
II-III: Het koelgas stroomt binnenin de compressor en ondergaat daar een drukverhoging die leidt tot een temperatuurstijging, waardoor het wordt omgezet in sterk verhitte stoom;
III-IV: Binnenin de condensator geeft het koelgas zijn warmte af aan het water in de tank (ketel). Door dit uitwisselingsproces gaat het koelmiddel van sterk verhitte stoom over in een vloeibare toestand als gevolg van condensatie bij een constante druk en een verlaging van de temperatuur;
IV-I: De koelvloeistof loopt door de expansieklep, waarbij zowel de druk als de temperatuur ervan plots dalen en ze gedeeltelijk verdampt waardoor de druk en de temperatuur weer op hun oorspronkelijke waarden komen. De thermodynamische cyclus kan beginnen.
2.5 Beschikbare versies en configuraties
De warmtepomp kan worden ingezet in verschillende configuraties, afhankelijk van de mogelijke combinatie ervan met andere verwarmingsbronnen (bijv. zonne-energie, biomassa, enz.).
| Versie | Beschrijving configuratie |
| EKHH2E200AAV3 | Warmtepomp met luchtbron voor de productie van warm water voor huishoudelijk gebruik |
| EKHH2E200BAV33 | |
| EKHH2E260AAV3 | |
| EKHH2E260PAAV3 | Warmtepomp met luchtbron voor de productie van warm water voor huishoudelijk gebruik, voor gebruik met een zonnesysteem. |
3 Hantering en transport
De apparatuur wordt geleverd in een kartonnen doos. Ze is met drie schroeven vastgemaakt aan een pallet.
Gebruik een vorkheftruck of pallettruck met een laadcapaciteit van ten minste 250 kg om de apparatuur te lossen.
Om de
bevestigingsschroeven eenvoudiger te kunnen verwijderen, kan de verpakking met de achterzijde van de apparatuur naar beneden toe in een horizontale positie worden gelegd.
Wanneer bij het uitpakken messen of cutters worden gebruikt om de kartonnen verpakking te openen, moet dit uiterst voorzichtig gebeuren om de omsluiting van de beschadigen.

Controleer na het uitpakken of de unit helemaal intact is. Als u twijfelt, gebruik de apparatuur dan niet en roep de hulp in van een gekwalificeerd technicus.
Met het oog op de geldende regelgeving inzake milieubescherming dient u ervoor te zorgen dat alle geleverde accessoires werden verwijderd alvorens u de verpakking weggooit.

WAARSCHUWING!
Onderdelen van de verpakking (nietjes, kartonnen dozen, enz.) mogen niet binnen het bereik van kinderen blijven omdat ze gevaarlijk zijn.
(*) Opmerking: Daikin kan ervoor kiezen om het type verpakking te veranderen.
Zolang de apparatuur niet in gebruik wordt genomen, dient u ze te beschermen tegen atmosferische invloeden.
Posities die zijn toegelaten voor transport en hantering:

Tijdens het hanteren en installeren van het product is het verboden om het bovenste deel van de apparatuur op welke manier dan ook te belasten, aangezien dit geen structureel onderdeel is.

WAARSCHUWING!
Overeenkomstig het bovenstaande (zie "Posities die zijn toegelaten voor transport en hantering") mag de apparatuur enkel tijdens de laatste km horizontaal worden getransporteerd. Ondersteun daarbij de onderzijde van de ketel zodat niet tegen de bovenzijde moet worden geleund, die geen structureel onderdeel is. Wanneer de apparatuur horizontaal wordt getransporteerd, moet het display naar de bovenzijde toe gericht worden.
Posities die niet toegelaten zijn voor transport en hantering:

| 1 | Warmtepomp. |
| 2 | Bedieningspaneel. |
| 3 | Omsuiting in diepgetrokken ABS. |
| 4 | Stalen tank (ketel) gemoffeld overeenkomstig UNI-normen (capaciteit: 200; 260 liter). |
| 5 | Bovenste ketelsonde. |
| 6 | Onderste ketelsonde. |
| 7 | Vulpunt koelmiddel. |
| 8 | Ventilator hercirculatie omgevingslucht. |
| 9 | Expansieklep. |
| 10 | Ribbenverdamper met hoge efficiëntie.De hoeveelheid toegevoerde vloeistofwordt geregeld door een daartoe voorzienethermostaatkraan. |
| 11 | Luchtinlaat (∅ 160 mm). |
| 12 | Luchtuitlaat (∅ 160 mm). |
| 13 | Hermelisch gesloten roterende compressor. |
| 14 | Vervangbare magnesiumanode. |
| 15 | (1,5 kW – 230 W) Elektrischverwarmingselement. |
| 16 | Afvoerleiding condensorpomp. |
| 17 | Retour condensor. |
| 18 | Vervangbare magnesiumanode. |
| 19 | Verbinding warm-wateruitlaataansluiting (G 1"). |
| 20 | Hercirculatiefitting (G 3⁄4"). |
| 21 | Inlaat, spiraalfitting voor zonne-energiesysteem(G 1"1⁄4; 1 m2 wisseloppervlak). |
| 22 | Condensaatafvoer (G 1/2"). |
| 23 | Uitlaat, spiraalfitting voor zonne-energiesysteem (G 1"1⁄4; 1 m2 wisseloppervlak). |
| 24 | Verbinding koud-waterinlaataansluiting (G 1"). |
| 25 | 50 mm polyurethaanisolatie. |
| 26 | Veiligheidsdrukschakelaar met automatischereset. |
| 29 | Luchtinlaatfilter. |
| 30 | 1⁄2"G fitting voor sonde-immersiehuls |

| 1,9 kW | |||||
| Beschrijvingen | m.e. | EKHH2E200AAV3 | EKHH2E260AAV3 | EKHH2E260PAAV3 | EKHH2E200BAV33 |
| Opbrengst thermisch vermogen WP | kW | 1,82 | |||
| Totaal thermisch vermogen | kW | 3,4 | |||
| Opwarmtijd (1) | u.min. | 8:17 | 10:14 | 10:14 | |
| Opwarmtijd in BOOST-modus (1) | u.min. | 3:58 | 5:06 | 5:06 | |
| Thermisch verlies (2) | W | 60 | 70 | 71 | |
| Elektrische gegevens | |||||
| Elektrische voeding | V | 1/N/230 | |||
| Frequentie | Hz | 50 | |||
| Beschermingsgraad | IPX4 | ||||
| Maximale absorptie WP | kW | 0,53 | |||
| Gemiddelde absorptie | kW | 0,43 | |||
| Verwarmingselement + maximale absorptie WP | kW | 2,03 | |||
| Vermogen elektrisch verwarmingselement | kW | 1,5 | |||
| Max. stroomsterkte in WP | A | 2,4 | |||
| Vereiste overbelastingsbeveiligingen | A | Zekering T 16A / 16A automatische schakelaar, kenmerk C(le verwachten tijdens installatie op voedingsystemen) | |||
| Interne beveiliging | Enkelvoudige veiligheidsthermostaat met manuele resetop een resistief element | ||||
| Bedrijfsomstandigheden | |||||
| Min.+ max. temperatuur luchtinlaat warmtepomp (90% R.V.) | °C | -7÷38 | |||
| Min. + max temperatuur plaats van installatie | °C | 5÷38 | |||
| Werkingstemperatuur | |||||
| Max. instelbare temperatuur WP - ECO-cyclus | °C | 56 | |||
| Max. instelbare temperatuur in AUTOMATISCHE cyclus | °C | 70 | |||
| Compressor | Roterend | ||||
| Compressorbeveiliging | Thermische stroomonderbreker met automatische reset | ||||
| Beveiliging thermodynamisch circuit | Veiligheidsdrukschakelaar met automatische reset | ||||
| Ventilator | Centrifugaal | ||||
| Diameter uitstootafvoer | mm | 160 | |||
7:05
3:02
53
| Omwentelingen per minuut | omw/min | 1650÷2100 | |||
| Nominale luchtcapaciteit | m^3/h | 350÷500 | |||
| Max. beschikbare drukhoogte | Pa | 120 | |||
| Motorbeveiliging | Interne thermische stroomonderbreker met automatische reset | ||||
| Condensor | Aan de buitenzijde omwikkeld, niet in contact met water | ||||
| Koelmiddel | R134a | ||||
| Belasting | g | 900 900 | 900 1300 | ||
| Wateropslag | |||||
| Nominale wateropslagcapaciteit | I | 196 252 | 242 196 | ||
| Max. hoeveelheid warm water die kan worden gebruikt Vmax ( ^3 ) | I | 275 342 | 342 266 | ||
| Spiraal voor aansluiting op zonne-energiesysteem | m^2 | Nvt Nvt | 1,0 m | 2 | Nvt |
| Kathodische bescherming | Mg Anode∅26x400 mm | 1 x Mg anode∅26x250 mm+1 x Mg anode∅26x250 mm | Mg anode∅26x400 mm | ||
| Isolatie | 50 mm polyurethaanschuim met hoge dichtheid | ||||
| Ontdooien | Actief met heet-gasklep | ||||
| Afmetingen | mm | H1707xD600xD _max 650 | H2000xD600xD _min 650 | H2000xD600xD _max 650 | H1744xD600xD _min 650 |
| Transportgewicht | kg | 103 115 | 132 105 | ||
| Geluidsvermogen binnen Lw(A) ( ^4 ) | dB(A) | 53 | |||
| Automatische anti-legionella desinfectiecyclus ( ^5 ) | JA | ||||
| Maximumdruk in bedrijf | Bar | 7 | |||
| ( ^1 ) temperatuur binnenkomende lucht 7°C (6°C), temperatuur opslagomgeving ketel 20°C, water opgewarmd van 10°C tot 55°C, (conform UNI EN 16147-2011 en 2017)( ^2 ) metingen uitgevoerd conform UNI EN 12897-2006( ^3 ) metingen suitgevoerd conform UNI EN 16147-2011 en 2017( ^4 ) metingen uitgevoerd conform EN 12102-2013( ^5 ) automatische activering elke 30 dagen waarop de pomp in bedrijf is | |||||
5 Belangrijke informatie
5.1 Overeenstemming met Europese regelgevingen
Deze warmtepomp is bestemd voor huishoudelijk gebruik conform de volgende Europese richtlijnen:
- Richtlijn 2011/65/EU betreffende de beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (RoHS);
- Richtlijn 2014/30/EU – Elektromagnetische compatibiliteit (EMC);
- Richtlijn 2014/35/EU – Laagspanningsrichtlijn (LVD);
• Richtlijn 2009/125/EG – Ecodesign-richtlijn.
5.2 Door de omsluiting geboden beschermingsgraad
De beschermingsgraad van de apparatuur is gelijk aan: IPX4.
5.3 Beperkingen in het gebruik

WAARSCHUWING!
Deze apparatuur werd niet ontworpen en is niet bestemd voor gebruik in gevaarlijke omgevingen (door de aanwezigheid van mogelijk ontploffingsgevaar – volgens de ATEX-normen of met een vereiste IP-graad die hoger ligt dan die van de apparatuur) of in toepassingen die veiligheidskenmerken vereisen (met foutentolerantie, storingsbeveiliging) zoals in stroomonderbrekingssystemen en/of -technologieën of in andere contexten waarin een storing in de apparatuur zou kunnen leiden tot de dood of verwonding van mensen of dieren of tot ernstige schade aan voorwerpen of het milieu.

N.B.
Storingen of defecten aan dit product kunnen schade veroorzaken (aan mensen, dieren en goederen). Om dergelijke schade te voorkomen moet er een afzonderlijk controlesysteem met alarmfuncties worden voorzien. Verder moet er een back upsysteem worden gezien voor gevallen waarin de apparatuur niet meer werk!
5.4 Werkingslimieten
De hierboven genoemde apparatuur mag enkel worden gebruikt voor het opwarmen van warm water voor huishoudelijk gebruik binnen de voorziene werkingslimieten.
Ze mag enkel worden geïnstalleerd en in bedrijf genomen voor het beoogde gebruik in gesloten
verwarmingsinstallaties die beantwoorden aan norm EN 12828.

N.B.
Daikin zal in geen enkel geval aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer de apparatuur wordt gebruikt voor andere doeleinden dan degene waarvoor ze werd ontworpen en in gevallen waarin ze foutief werd geïnstalleerd of gebruikt.

WAARSCHUWING!
Het is verboden om de apparatuur te gebruiken voor andere doeleinden dan degene waarvoor ze werd ontworpen. Elk ander gebruik wordt als ongeschikt beschouwd en is daarom niet toegelaten.

N.B.
Bij het ontwerpen en bouwen van de systemen werden de geldende lokale regels en voorschriften in acht genomen.
5.5 Fundamentele veiligheidsvoorschriften
- Deze apparatuur is bestemd voor gebruik door volwassenen;
- De apparatuur mag niet worden geopend of gedemonteerd wanneer ze op het stroomnet is aangesloten;
- Raak de apparatuur niet met natte of vochtige lichaamsdelen aan wanneer u op blote voeten loopt;
- Giet of sproei geen water op of over de apparatuur;
- Ga nooit op de apparatuur staan of zitten, en zet er ook niets op.
5.6 Informatie over het gebruikte koelmiddel
Deze apparatuur bevat fluorhoudende broeikasgassen die onder het Kyoto-protocol vallen. Laat dergelijke gassen nooit rechtstreeks vrij in de omgeving.
Koelmiddeltype: HFC-R134a.

N.B.
Deze apparatuur mag uitsluitend worden onderhouden en verwijderd door gekwalificeerd personeel.
6 Installatie en aansluitingen

WAARSCHUWING!
Deze apparatuur mag uitsluitend worden geïnstalleerd, in bedrijf gesteld en onderhouden door gekwalificeerd en bevoegd personeel. Probeer de apparatuur niet zelf te installeren.
6.1 Voorbereiding van de installatielocatie
De apparatuur moet worden geïnstalleerd op een geschikte plaats om een normale afstelling en gebruik te waarborgen en om gewone en buitengewone onderhoudswerkzaamheden mogelijk te maken.
Het is dan ook belangrijk om voldoende werkruimte te voorzien, zoals getoond in Fig. 2.

text_image
Y1 X1 X2 ≥500 kg kg X3Fig. 2 – Minimumafmetingen
| Model | X1 | X2 | X3 | Y1 |
| mm | mm | mm | mm | |
| EKHH2E200AAV3 | 650 | 650 | 200 | 300 |
| EKHH2E200BAV33 | ||||
| EKHH2E260AAV3 | ||||
| WKHH2E260PAAV3 |
Verder moet de locatie waar de unit wordt geïnstalleerd:
- Beschikken over geschikte leidingen voor de toevoer van water en stroom;
- Beschikbaar zijn en klaar voor aansluiting op de condensaatafvoer;
-
Beschikbaar zijn en voorzien van geschikte afvoerleidingen voor het geval de boiler defect raakt, de veiligheidsklep wordt geactiveerd of leidingen/aansluitingen breken;
• Over opvangsystemen beschikken voor het geval er zich ernstige waterlekken voordoen;
• Voldoende verlicht zijn (waar van toepassing); -
Een volume hebben van ten minste 20 m ^3 ;
- Vorstvrij en droog zijn.

WAARSCHUWING!
Om de voortplanting van mechanische trillingen te voorkomen mag de apparatuur niet worden geïnstalleerd op vloerplaten met houten balken (bijv. in lofts).
6.1.1 Bevestigen aan de vloer
Om het product aan de vloer te bevestigen, bevestigt u de meegeleverde beugels zoals aangegeven in fig. 3.

text_image
Fig. 3 – Bevestigings- beugelsBevestig de unit vervolgens aan de vloer met behulp van geschikte, niet meegeleverde pluggen, zoals weergegeven in fig. 3a.

text_image
Fig. 3a – Bevestigen aan de vloer6.2 Aansluiting ventilatie
Naast de ruimte zoals beschreven in paragraaf 6.1 vereist de warmtepomp een geschikte ventilatie.
Er dient daartoe een specifieke luchtleiding le worden voorzien zoals getoond in de volgende figuur (Fig. 4a en 4b).

Fig. 4 – Voorbeeld van een aansluiting met twee leidingen achteraan (optioneel)

Fig. 4a – Voorbeeld van een luchtuitlaatleiding
Verder is het belangrijk dat ook de ruimte zelf waarin de apparatuur wordt geïnstalleerd, voldoende wordt geventileerd.
Een alternatieve oplossing wordt getoond in de volgende figuren (Fig. 4 en 4a). Die oplossing bestaat uit een tweede leidingen die lucht van buiten aantrekt in plaats van rechtstreeks uit de ruimte.

Fig. 4b – Voorbeeld van een aansluiting met twee leidingen
Zorg er bij de installatie van elke luchtleiding voor dat:
- Het gewicht ervan geen negatieve invloed heeft op de apparatuur zelf;
- Er onderhoudswerkzaamheden aan kunnen worden uitgevoerd;
- Ze op passende wijze worden beschermd zodat er niet toevallig materiaal in de apparatuur zelf terecht kan komen;
- Ze de maximaal toegestane lengte van 6 meter (met 2 bochtstukken van 90°) niet overschrijdt.
- Het maximaal toegestane totale drukverlies voor alle componenten, inclusief doorgaande gaten voor aansluiting op een buitenmuur, in het leidingsysteem niet hoger ligt dan 120 Pa.

Tijdens de werking zal de warmtepomp de omgevingstemperatuur gewoonlijk verlagen als de leiding voor de buitenlucht niet is uitgevoerd.

Samen met de afvoerleiding die lucht naar buiten voert moet een gepast beschermrooster worden geïnstalleerd om te voorkomen dat er vreemde materialen in de apparatuur lerechtkomen. Om een optimale werking van de apparatuur te garanderen, moet het gekozen rooster een zo laag mogelijk drukverlies genereren.

Voorkom de vorming van condensaat: isoleer de luchtuitlaatleidingen en aansluitingen van de afdekking van de luchtleiding met een stoomwerende thermische bekleding van gepaste dikte.

Om lawaai van de doorstroming te voorkomen, kunnen indien nodig geluiddempers worden geïnstalleerd.
Voorzie de leidingen, de doorgaande openingen in de wand en de aansluitingen op de warmtepomp met systemen die mogelijke trillingen dempen.

WAARSCHUWING!
Het gelijktijdige gebruik van een vuurhaard met open rookgassysteem (zoals een open haard) en de warmtepomp creëert een gevaarlijk verlies van de omgevingsdruk. Dit zou ertoe kunnen leiden dat uitlaatgassen terug naar de omgeving zelf stromen.
Gebruik de warmtepomp dus nooit samen met een vuurhaard met open rookgassysteem.
Gebruik en kel (goedgekeurde) gesloten vuurhaarden met afzonderlijke leiding voor de verbrandingslucht.
Houd de deuren naar de ketelruimte gesloten en hermetisch afgedicht als ze geen toevoer van verbrandingslucht gemeenschappelijk hebben met onbewoonde ruimtes.
6.2.1 Bijzondere installatieomstandigheden
Een van de specifieke kenmerken van een verwarmingssysteem met warmtepomp is dat de temperatuur van de lucht die uit de woning wordt afgevoerd bij deze units gewoonlijk aanzienlijk lager is. Niet alleen is deze afgevoerde lucht kouder dan de omgevingslucht, hij is ook volledig ontvochtigd. Deze lucht kan dan ook terug in de woning worden ingevoerd om specifieke omgevingen of kamers te koelen in de zomermaanden.
Bij de installatie van deze optie wordt de afvoerleiding gesplitst, waarbij er twee afsluiters worden aangebracht ("A" en "B") zodat de luchtstroom ofwel naar binnen (Fig. 5a) of naar buiten (Fig. 5b) wordt gevoerd.

text_image
Aflaulier "A" dicht Aflaulier "B" open Bullen nimte Birrenruite Fig. 5a – Voorbeeld installatie zomer
text_image
Afsluiter "A" open Afsluiter "B" dicht Eutteroumte Binnoroumte Fig. 5b – Voorbeeld installatie winter6.3 Montage en aansluiting van de apparatuur
De apparatuur moet worden geïnstalleerd op een stabiel, vlak vloeroppervlak waarop zich geen trillingen kunnen voordoen.

text_image
Luchtinlaat ØD Luchtuitlaat L M A B E F G H I J K C O N ØZ1Fig. 6 – Globale afmetingen
| (versles 260) | A | B | C | ∅∅D | E | F | G |
| mm | mm | mm | mm | mm | mm | mm | |
| 650 | 2000 | 600 | 160 | 1391 | 1190 | 1085 | |
| H | I | J | K | L | M | N | |
| mm | mm | mm | mm | mm | mm | mm | |
| 980 | 860 | 275 | 70 | 150 | 380 | 195 | |
| O | ∅∅P | Q | R | ||||
| mm | mm | mm | mm | ||||
| 337.5 | 10 | 850 |
| (versles 2001) | A | B | C | ∅∅D | E | F | G |
| mm | mm | mm | mm | mm | mm | mm | |
| 650 | 15041714 | 600 | 160 | 8911101 | 670795 | ||
| H | I | J | K | L | M | N | |
| mm | mm | mm | mm | mm | mm | mm | |
| / | 590 | 275 | 70 | 150 | 380 | 195 | |
| O | ∅∅P | Q | R | ||||
| mm | mm | mm | mm | ||||
| 337,5 | 10 | 535560 |
6.4 Aansluitingen watertoevoer
Sluit de koud-waterinlaat en de uitlaatleidingen aan op de juiste aansluitpunten (Fig. 7).
De onderstaande tabel vermeldt de kenmerken van de aansluitpunten.
| Pos. | Beschrijving | Aansluiting/opening |
| 1 | Leiding koud-waterinlaat | G 1" |
| N | Leiding warm-wateruitlaat | G 1" |
| O | Condensaatafvoer | G 1⁄2" |
| P | Hercirculatieleiding | G 3⁄4" |
| Q | Spiraal voor zonne-energie | G 1""1/4 |
| 6 | Sonde-immersiehuls(enkel bij modellen die daarmee zijn uitgerust) | 1⁄2"G |

Fig. 7 – Aansluitingen watertoevoer
De volgende figuur (Fig. 8) toont een voorbeeld van een aansluiting van de watertoevoer.

flowchart
graph TD
① --> IN
IN --> ②
② --> ③
③ --> OUT
③ --> ④
④ --> ⑤
⑤ --> ⑥
⑥ --> ⑦
⑦ --> OUT
⑧ --> ⑨
⑨ --> ⑩
⑩ --> ⑪
⑪ --> ⑫
⑫ --> ⑬
⑬ --> ⑭
⑭ --> ⑮
⑮ --> ⑯
⑯ --> ⑰
⑰ --> ⑱
⑱ --> ⑲
⑲ --> ⑳
⑳ --> ⑴
① Waterinlaatleiding:
② Afsluiter.
③ Automatische thermostatische mengapparatuur
© Wamtepomp
⑤ Hercirculatiepomp
© Veerbelaste terugslagklep
⑦ Leiding warm-wateruillaat
⑥ Veiligheidsklep
© Inspecteerbaar uileinde van de afvoerleiding
① Aftapkraan
Expansievat
⑰ Drukregelaar
⑪ Manometer
Fig. 8 – Voorbeeld van het watertoevoersysteem

text_image
Aansluiting kotel Koud-waterincoat Aansluiting aftapkraanFig. 8a – Voorbeeld veiligheidsklep zware reeks

N.B.
Het is verplicht om op de koud-
waterinlaatleiding een vuilfilter te installeren.
De apparatuur mag niet werken met een waterhardheid van minder dan 12°F; als de waterhardheid daarentegen erg hoog
is (hoger dan 25°F) is het aan te raden om een waterontharder te gebruiken die correct is geijkt en wordt gecontroleerd; in een dergelijk geval mag de resulterende hardheid niet lager worden dan 15°F.

OPMERKING!
We raden de installateur van het systeem aan om een 7-bar veiligheidsklep te installeren op de koud-waterinlaatleiding (Fig. 8a).

N.B.
De overdrukbeveiliging moet regelmatig worden bediend om kalkafzettingen te verwijderen en te controleren of ze niet is geblokkeerd (Fig. 8a)

N.B.
Voor een correcte installatie van de apparatuur moet een hydraulische veiligheidsgroep die beantwoordt aan norm UNI EN 1487:2002 worden voorzien. Een dergelijke groep omvat minstens: een afsluiten, een terugslagklep, een regelinrichting voor de terugslagklep, een veiligheidsklep, een inrichting om de waterstroom te onderbreken (Fig. 8a)

N.B.
De afvoerslang die is verbonden met de overdrukbeveiliging moet gelijkmatig afhellen (helling > 3°) en geïnstalleerd zijn in een plaats waar ijsvorming niet mogelijk is (Fig. 8a)

WAARSCHUWING!
Als er geen expansievat is geïnstalleerd, dient u ervoor te zorgen dat er in de koudwaterinlaat geen enkele niet-terugslagklep is geïnstalleerd.

WAARSCHUWING!
De warmtepomp voor de productie van warm water voor huishoudelijk gebruik kan water verwarmen tot meer dan 60°C. Als beveiliging tegen brandwonden is het daarom nodig om een automatische menginrichting met thermostaat te installeren op de warm-waterleiding (Fig. 8).
6.4.1 Aansluitingen condensaatafvoer
Condensaat dat tijdens de werking van de warmtepomp wordt gevormd stroomt door een gepaste afvoerleiding (G 1/2") die binnen een bekleding loopt en uitmondt aan de zijde van de apparatuur.
Ze moet op een leiding worden aangesloten via een sifon zodanig dat het condensaat vrij kan stromen (Fig. 9a of 9b).

text_image
Ø20 ≥ 60Fig. 9a – Voorbeeld van aansluiting condensaatafvoer via sifon

text_image
G ½" ≥ 60Fig. 9b – Voorbeeld van aansluiting condensaatafvoer via sifon met wateropvang
6.5 Integratie zonne- energiesysteem
De volgende figuur (Fig. 10) toont een voorbeeld van een integratie van een zonne-energiesysteem.

flowchart
graph TD
A["①"] --> B["②"]
B --> C["③"]
C --> D["④"]
D --> E["⑤"]
E --> F["⑥"]
F --> G["⑦"]
G --> H["⑧"]
H --> I["⑨"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333
style G fill:#cfc,stroke:#333
style H fill:#fcc,stroke:#333
style I fill:#ffc,stroke:#333
① Leiding koud-waterinlaat
② Pomp en accessoires zonne-energiesysteem
Zonnecollectoren
① Warmtepomp
⑤ Hercirculatiepomp
© Veerbelaste terugslagklep
© Aflapkraan
© Spiraal zonne-energiesysteem
© Leiding warm-wateruitlaat
Fig. 10 – Voorbeeld van integratie zonne-energiesysteem
6.6 Elektrische aansluitingen
Het toestel wordt geleverd met een voedingskabel (mocht deze vervangen moeten worden, gebruik dan alleen originele reserveonderdelen die door de fabrikant of zijn onderhoudsagent zijn geleverd). Ze wordt van stroom voorzien door middel van een flexibele kabel en een steker/contactdoos-combinatie (Fig. 11 en Fig. 12). Er is een geaarde Schuko-contactdoos met aparte beveiliging nodig voor de aansluiting op de netvoeding.

Het is raadzaam om een controle uit te voeren op het elektrische systeem om de conformiteit met de geldende regelgeving te verifiëren.
Controleer of het elektrische systeem bestand is tegen het maximale stroomverbruik van de boiler (zie het typeplaatje), wat betreft de grootte van de kabels en hun conformiteit met de geldende regelgeving. Het is verboden om stekkerdozen, verlengkabels of adapters te gebruiken. Het toestel moet voorzien zijn van een aardingsaansluiting. Het is verboden om leidingen van de water-, verwarmings- en gassystemen te gebruiken voor de aarding van het toestel.
Controleer vóór het gebruik van de machine of de netspanning overeenkomt met de waarde die op het typeplaatje van het toestel is aangegeven.
De fabrikant van het toestel kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die wordt veroorzaakt door het niet aarden van het systeem of door abnormaliteiten in de elektrische voeding. Om het toestel van de netvoeding los te koppelen, gebruikt u een weepolige schakelaar die voldoet aan alle geldende CEI-EN-voorschriften (minimale afstand tussen de contacten 3 mm, schakelaar bij voorkeur voorzien van een zekering). Het toestel moet voldoen aan Europese en nationale normen en moet worden beveiligd met een differentieelschakelaar van 30 mA.

Fig. 11 – Schuko-wandcontactdoos

Fig. 12– Steker apparatuur
6.6.1 Verbinding met systemen op afstand
De apparatuur is zodanig ontworpen dat ze kan worden verbonden met andere energiesystemen op afstand (fotovoltaïsche en zonne-energiesystemen). De gebruikersinterface heeft twee digitale ingangen met de volgende functies:
x Digitaal 1: Ingang van het zonne-energiesysteem. Wanneer er een vrij contact tot stand wordt gebracht tussen klemmen 30 en 31 (kabel: bruin/geel) en de watertemperatuur die wordt gemeten door onderste sonde hoger ligt dan SP8, slopt de warmtepomp en wordt het water verwarmd door de zonnepanelen; de warmtepomp slaat weer aan wanneer het contact wordt verbroken en de door C13 ingestelde tijd is verstreken of direct als de temperatuur gemeten bij de onderste sonde lager is dan SP8.
x Digitaal 2: Ingang van fotovoltaïsch systeem. Wanneer er een vrij contact tot stand wordt gebracht tussen klemmen 31 en 32 (kabel: groen/wil) en de warmtepomp de SP5-temperatuur bereikt (standaardinstelling 62°C) wordt de nominale warm-watertemperatuur verhoogd met 7°C. Het is mogelijk om de parameter SP6 te veranderen (bijv.: een temperatuurverhoging van 62°C naar 70°C) zodanig dat, wanneer er voldoende FV elektrische energie is, de warmte-evolutie van 62°C naar 70°C wordt gerealiseerd door het elektrische immersie-verwarmingselement (als SP6 en SP5 gelijk zijn zal het elektrische verwarmingselement nooit worden geacliveerd).
6.6.1.1 Werking verbinding met systemen op afstand
Voor verbinding met digitale ingangen is de apparatuur voorzien van een extra kabel met 4 kernen die al werd aangesloten op de printplaat van de gebruikersinterface (binnenin de apparatuur - Zie Fig. 14). De verbinding met energiesystemen op afstand moet tot stand worden gebracht door een gekwalificeerd installateur (aansluitdozen, klemmen en verbindingskabels). De volgende figuren tonen een voorbeeld van een verbinding met een systeem op afstand (Fig. 13 en Fig. 13a).

Fig. 13 – Voorbeeld van een verbinding op afstand

text_image
Fig. 14 – Kabels voor verbinding met een systeem op afstand6.7 Bedradingsschema

text_image
Digitale ingang 1 Digitale ingang 2 30 31 31 32 Fig. 13a – Detail van een verbinding op afstandOm toegang te krijgen tot de kabel met 4 kernen voor verbinding met een systeem op afstand moet het bovenste deksel van de ketel worden verwijderd (zie paragraaf 9.1 Fig. 18) en moet de kabel naar buiten worden gevoerd door de daartoe voorziene opening die al aanwezig is in de achterwand, zoals getoond in Fig. 14.

Controleer of de apparatuur is verbonden met de aardingskabel.

WAARSCHUWING!
Controleer of de lijnspanning overeenstemt met de spanning die staat vermeld op het identificatieplaatje van de apparatuur.
De inbedrijfstelling moet gebeuren door de volgende procedures uit le voeren:
- Vul de ketel via de waterinlaatkraan en controleer de pakkingen en aansluitingen op mogelijke lekken. Zet de bouten of aansluitingen indien nodig beter vast;
- Let erop dat de maximaal toegestane druk vermeld in het hoofdstuk "algemene technische gegevens" niet wordt overschreden;
- Controleer of de beveiligingsinrichting van het watercircuit goed werkt;
- Stop de steker in de wandcontactdoos;
- Wanneer de steker in zit, staat de ketel in standby. Het display blijft uitgeschakeld en de aan-toets gaat branden;
- Druk op de aan-toets (zie paragraaf 8.1.3). De apparatuur wordt opgestart in "ECO"-modus (standaardinstelling) 5 minuten nadat de toets werd ingedrukt.
8 Bediening en gebruik
De bediening van de apparatuur gebeurt via een gebruikersinterface die toelaat om:
- De bedrijfsmodus te selecteren;
- De werkingsparameters te wijzigen;
- Noodsituaties weer te geven en beheren;
- De status van de systeemonderdelen te controleren.
De term "starten" zoals die verder in dit document wordt gebruikt, betekent omschakelen van de status Stand -by naar AAN; de term "uitschakelen" betekent omschakelen van de status AAN naar Stand-by.
De term "geavanceerde procedure" zoals die verder in dit document wordt gebruikt, verwijst naar specifieke procedures van de apparatuur die worden beschreven in de paragrafen over "geavanceerd beheer".
8.1 De Gebruikersinterface
Via de gebruikersinterface (Fig. 16) kan de werking van de apparatuur worden gecontroleerd en aangepast. De interface bestaat uit een display en de volgende toetsen:
• toets Aan/Stand-by;
• toets SET (Instelling);
• toets OMLAAG;
• toets OMHOOG.
Display
loels SET oels Aan/Sland-by t loels loels OMLAAG OMHOOG
Fig. 16 – Gebruikersinterface
8.1.1 Display en toetsen van de interface
8.1.1.1 De toets Aan/Stand-by
Met deze toets kunt u:
• De apparatuur inschakelen (status AAN);
- De apparatuur in de status Stand-by zetten (in deze toestand kan de apparatuur automatisch worden ingeschakeld op vooraf bepaalde
Installatie- en gebruikershandleiding
moment en zal ze autonoom de anti-legionella- en ontdooifuncties activeren).
Als de apparatuur wordt ingeschakeld, zal de status worden getoond waarin ze zich bevond toen ze laatst werd uitgeschakeld.
8.1.1.2 De toets [SET]
Met deze toets kunt u:
• Ingestelde keuzes of waarden bevestigen.
8.1.1.3 De toets [OMHOOG]
Met deze toets kunt u:
- Naar boven bladeren door de lijst van parameters;
• De waarde van een parameter verhogen.
8.1.1.4 De toets [OMLAAG]
Met deze toets kunt u:
- Naar beneden bladeren door de lijst van parameters;
• De waarde van een parameter.
8.1.1.5 De display van de interface
Via het display van de interface (Fig. 17) kan de volgende informatie visueel worden weergegeven:
- Ingestelde temperaturen;
- Alarmen/Foutcodes;
- Statusberichten;
• Bedrijfsparameters.
Fig. 17 – Display van de gebruikersinterface
| LED Compressor | Als dit lampje brandt, is de compressor actief. |
| Als dit lampje knippert:Is de compressor aan het opstarten.Worden de bedrijfsinstellingen aangepast. | |
| LED Ontdooien | Als dit lampje brandt, is de ontdooifunctie actief |
| LED MF | Als dit lampje brandt, is het elektrische verwarmingselement actief |
| LED Ventilator | Als dit lampje brandt, is de ventilator actief |
| LED Onderhoud | Als dit lampje brandt, moet de luchtfilter (als die is geinstalleerd) onderhouden worden | |
| LED Alarm | Als dit lampje brandt, moet u de lijst met alarmen bekijken en de in deze handleiding beschreven procedure volgen | |
| LED Graden Celsius | Als dit lampje brandt, worden de temperaturen vermeld in graden Celsius | |
| LED Graden Fahrenheit | Als dit lampje brandt, worden de temperaturen vermeld in graden Fahrenheit. | |
| LED Aan/Stand-by | Als dit lampje brandt, staat de apparatuur in de stand-bymodus.Als het knippert, werd de apparatuur manueel in-/uitgeschakeld tijdens een in-/uitschakelpariode in een bepaald tijdslot. | |
| HACCP | Niet gebruikt |
8.1.1.6 Waarschuwingen
| Loc | Het toetsenbord is vergrendeld (zie paragraaf 8.1.3.3). |
| dEFr | De ontdoolfunctie is actief en het is niet mogelijk om andere functies te activeren. |
| Antl | De anti-legionellafunctie is actief. |
| ObSt | De "Overboost"-functie is actief. |
| ECO | De "Economy"-functie is actief. |
| Auto | De "Automatic"-functie is actief. |
8.1.2 Bedrijfslogica
8.1.2.1 Bedrijfsmodi
De apparatuur kan in de volgende modi worden gebruikt:
• Bedrijfsmodus AUTOMATIC:
Deze modus gebruikt de hernieuwbare energie van de warmtepomp hoofdzakelijk als ondersteuning, en ook de elektrische verwarmingselementen kunnen worden ingeschakeld. Deze laatste warmtebronnen worden geactiveerd als de watertemperatuur onder een bepaald niveau zakt, of wanneer een temperatuur van meer dan SP5vereist is;
• Bedrijfsmodus ECONOMY:
Deze modus gebruikt enkel de hemieuwbare energie van de warmtepomp zonder de elektrische verwarmingselementen ooit te activeren. Het duurt langer om deze modus te activeren, maar hij zorgt wel voor een aanzienlijke energiebesparing;
• Bedrijsfmodus OVERBOOST:
In deze modus kan water snel worden opgewarmd door zowel de warmtepomp als de elektrische verwarmingselementen te gebruiken. Deze functie kan handmatig worden ingeschakeld wanneer de temperatuur van het water in de
opslagtank lager is dan SP3. Op het einde van het opwarmingsproces wordt de functie automatisch uitgeschakeld en keert de apparatuur automatisch terug naar de modus Automatic of Economy, afhankelijk van welke van deze functies voordien door de gebruiker was ingesteld;
• Bedrijfsmodus ANTI-LEGIONELLA
Deze functie wordt gebruikt als anti-bacteriële behandeling door de temperatuur van het water te verhogen tot 60°C. Deze functie wordt periodiek en, in ieder geval, elke 30 dagen automatisch geactiveerd, ongeacht de bedrijfsmodus die op dat ogenblik actief is;
Deze functie is noodzakelijk om vorstafzettingen die zich kunnen vormen en de warmteoverdracht belemmeren, te verwijderen. Ze wordt automatisch geactiveerd wanneer de apparatuur bij lage omgevingstemperaturen werkt.

Wanneer de apparatuur voor de eerste keer wordt ingeschakeld, is ze vooraf ingesteld in de ECO (Economy) modus met een ingestelde watertemperatuur van 55°C, en dit om de grootst mogelijke energiebesparing te realiseren door enkel hernieuwbare energie te gebruiken. Het gebruik van deze functie garandeert de gebruiker een energiebesparing van ongeveer 70% ten opzichte van een normale elektrische ketel.
8.1.3 Basisbeheer
8.1.3.1 De apparatuur manueel in-/uitschakelen
- Houd de -toets 1 seconde ingedrukt: de LED Aan/Stand-by zal uit/aan gaan.
- De apparatuur kan ook in bepaalde timeslots worden in-/uitgeschakeld; de parameters HOn en HOF zijn zichtbaar (paragraaf 8.1.3.6).

Manueel in-/uitschakelen heeft altijd voorrang op de timeslot-werking.

Als het toetsenbord vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) of als er een geavanceerde procedure loopt, zal de apparatuur niet op de gewone manier kunnen worden in-/uitgeschakeld.

Telkens wanneer de apparatuur wordt ingeschakeld, worden er een aantal interne inspecties uitgevoerd alvorens de warmtepomp wordt geactiveerd. Dit wordt aangegeven doordat het indicatorlampje van de compressor ✉ gaat knipperen. Zodra de inspecties zijn uitgevoerd (ongeveer 5 minuten), blijft het indicatorlampje branden wat erop wijst dat de unit is ingeschakeld.
8.1.3.2 De bedrijfsmodus (AUTOMATIC, ECONOMY en OVERBOOST) wijzigen
8.1.3.2.1 Bedrijfsmodus AUTOMATIC
Voer de volgende procedure uit om de bedrijfsmodus AUTOMATIC handmatig te starten:
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Houd de -toets 1 seconde ingedrukt, "Auto" begint te knipperen;
- Druk opnieuw op de -toërs om te bevestigen en de bedrijfsmodus AUTOMATIC te starten. Om de procedure te beeindigen:
- Druk op de -toets om de procedure te beëindigen zonder de modus te wijzigen.
8.1.3.2.2 Bedrijfsmodus ECO (Economy)
Voer de volgende procedure uit om de bedrijfsmodus ECONOMY handmatig te starten:
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3), dat er geen andere geavanceerde procedure loopt en dat de apparatuur niet in de bedrijfsmodus OVERBOOST staat;
- Houd de -toels 1 seconde ingedrukt, "ECO" begint te knipperen;
- Druk opnieuw op de -toer om te bevestigen en de bedrijfsmodus ECONOMY te starten.
Om de procedure te beëindigen: - Druk op de -tdells om de procedure te beëindigen zonder de modus te wijzigen.
8.1.3.2.3 Bedrijfsmodus OVERBOOST
Voer de volgende procedure uit om de bedrijfsmodus OVERBOOST handmatig te starten:
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Houd de ▼-toets 1 seconde ingedrukt, "ECO" of "Auto" begint te knipperen;
- Druk op de ▲- of ▼-toetsen tot "ObSt" op het display knippert;
- Druk opnieuw op de -toets om te bevestigen en de bedrijfsmodus OVERBOOST te starten. Om de procedure te beeindigen:
- Druk op de -toells om de procedure te beëindigen zonder de modus te wijzigen.
8.1.3.3 Het toetsenbord vergrendelen/ontgrendelen
Voer de volgende procedure uit om het toetsenbord te vergrendelen:
- Zorg dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Houd de - einde -toetsel 1 seconde ingedrukt: op het display zal gedurende 1 seconde "Loc" verschijnen.
Als het toetsenbord vergrendeld is, kunnen er geen acties op de interface van het toetsenbord worden uitgevoerd.

Als u in dat geval op een toets drukt, zal gedurende 1 seconde "Loc" worden getoond op het display.
Om het toetsenbord te ontgrendelen:
- Houd de - er/de -toetsen 1 seconde ingedrukt: op het display zal gedurende 1 seconde "UnL" worden getoond.
8.1.3.4 De temperatuur instellen in de ECO-bedrijfsmodus (SP1)
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Druk op de sect-toets en laat weer los: op het display zal "SP1" worden getoond;
- Druk op de sec-toets en laat weer los: de compressor LED eal gaan knipperen;
- Druk binnen de 15 seconden op de - of Ae ▼-toets; de parameters r3, r4 en r5 worden zichtbaar;
- Druk op de -toats en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit: de compressor LED 2al worden uitgeschakeld;
- Druk de -toets in en laat weer los. Om de procedure te beëindigen voordat ze is voltooid:
- Voer gedurende 15 seconden geen bewerkingen uit (alle wijzigingen zullen worden opgeslagen).
8.1.3.5 De temperatuur instellen in de bedrijfsmodus Automatic (SP2)
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
• Druk op de (sec) toets en laat weer los: op het display zal "SP1" worden getoond; - Druk op de ▲- of ▼-toets lot "SP2" op het display wordt getoond;
- Druk op de set-toets en laat weer los: de compressor LED zal gaan knipperen;
- Druk binnen de 15 seconden op de - of le ▼-toets; de parameters r1, r2 en r5 worden zichtbaar;
- Druk op de -toets en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit: de compressor LED ( ) zal worden uitgeschakeld;
- Druk de -loets in en laat weer los. Om de procedure te beëindigen voordat ze is voltooid: - Voer gedurende 15 seconden geen bewerkingen uit (alle wijzigingen zullen worden opgeslagen).
8.1.3.6 Instelling van timeslots om de apparatuur in/uit te schakelen

N.B. Voordat u timeslots gaat instellen, moet u eerst de juiste dag en het precieze uur instellen zoals beschreven in paragraaf 8.1.3.14.
Om de procedure te beginnen:
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Druk op de set-toets en laat weer los: op het display zal "SP1" worden getoond.
Om het eerste timeslot in te stellen:
- Druk binnen de 15 seconden op de - of de
- toets en laat weer los om "HOn1" (tijdstip eerste inschakeling) en/of "Hof1" (tijdstip eerste uitschakeling) te selecteren; selecteer "HOn2" en "HOF2" voor het tweede tijdstip voor inschakeling/uitschakeling;
- Druk de -toets in en laat weer los;
- Druk binnen de 15 seconden op de - of de
- toets en laat weer los;
- Druk op de -toets en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit.
Om een timeslot aan een bepaalde dag van de week te koppelen:
- Voer eerst de hierboven beschreven procedure uit en druk daarna binnen de 15 seconden op de ▲- of de ▼-toets en laat weer los om "Hd1" (timeslot inschakelen voor dag 1, d.w.z. maandag) of "Hd2...7" (timeslot inschakelen voor dagen 2-7, d.w.z. dinsdag-zondag) te selecteren;
- Druk de -toets in en laat weer los;
- Druk binnen de 15 seconden op de - of de -bets en laat weer los om "1" (de eerste in-/uitschakeltijd) of "2" (de tweede in-/uitschakeltijd) te selecteren;
- Druk op de -toets en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit.
Om de procedure te beëindigen voordat ze is voltooid:
- Voer gedurende 15 seconden geen bewerkingen uit (alle wijzigingen zullen worden opgeslagen) of druk op de teets en laat weer los.

Denk goed na over het activeren van de werking met timeslots om ongewenst gebruik door gebruikers te voorkomen.
8.1.3.7 Weergave van de bedrijfsmodus
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Druk de -toets in en laat weer los: afhankelijk van de actuele bedrijfsmodus zal gedurende 3 seconden Auto/ECO/Obst/Anti worden getoond op het display.
8.1.3.8 Het geluid van het alarm dempen
Voer de volgende procedure uit om het geluid van het alarm te dempen:
- Zorg dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Druk gelijk welke toets eenmaal in.

N.B. De volgende instructies zijn uitsluitend bestemd voor gespecialiseerd technisch personeel.
8.1.3.9 Beginvoorwaarden van de verschillende bedrijfsmodi
De verschillende bedrijfsmodi kunnen pas worden geactiveerd wanneer aan specifieke voorwaarden is voldaan:
- Bedrijfsmodus AUTOMATIC Om deze functie te kunnen activeren, moet aan de volgende voorwaarde voldaan zijn: onderste sonde < SP2 – r0 (hysteresis);
- Bedrijfsmodus ECONOMY Om deze functie te kunnen activeren, moet aan de volgende voorwaarde voldaan zijn: onderste sonde < SP1 – r0 (hysteresis);
- Bedrijfsmodus OVERBOOST Om deze functie te kunnen activeren, moet aan de volgende voorwaarde voldaan zijn: onderste sonde < SP3 en bovenste sonde < SP3. Zodra een temperatuur wordt gedetecteerd die hoger ligt dan SP3 zal de Overboost-modus worden beeindigd en zal worden teruggekeerd naar de modus die daarvoor actief was.
8.1.3.10 Het Display
Als de apparatuur "AAN" staat, zal het display tijdens de normale werking de vastgestelde temperatuur tonen via parameter P5:
- Als P5 = 0 zal het display de temperatuur in het bovenste deel van de ketel tonen;
- Als P5 = 1 zal het display het actieve bedrijfsinstelpunt tonen;
- Als P5 = 2 zal het display de temperatuur in het onderste deel van de ketel tonen;
- Als P5 = 3 zal het display de temperatuur van de verdamper tonen;
- Als de apparatuur in "stand-by" staat, is het display uitgeschakeld.
8.1.3.11 Alarmen

OPMERKING
Bij een "UtL"-alarm (storing in de ventilator), zal er niet alleen een visuele waarschuwing worden getoond op het display, maar zal de apparatuur ook een geluidssignaal uitzenden dat kan worden uitgeschakeld door gelijk welke toets op het bedieningspaneel in te drukken. Het alarm wordt nooit opgeheven tenzij de apparatuur wordt uitgeschakeld of in stand-by wordt gezet. De werking van de warmtepomp wordt automatisch uitgeschakeld en werking met elektrische weerstand wordt geactiveerd om ervoor te zorgen dat er nog steeds warm water geleverd kan worden.

OPMERKING!
Bij een "UtL"-alarm moet contact worden opgenomen met de technische ondersteuningsdienst.
| AL | Alarm minimumtemperatuur |
| Oplossing:- Controleer de temperatuur die het alarm heeft veroorzaakt;- Getoonde- parameters: A0, A1, A2 en A11.Belangrijkste gevolgen:- De apparatuur zal gewoon blijven werken | |
| AH | Alarm maximumtemporatuur |
| Oplossingen:- Controleer de temperatuur die het alarm heeft veroorzaakt;- Getoonde parameters: A3, A4, A5 en A11.Belangrijkste gevolgen:- De apparatuur zal gewoon blijven werken. | |
| id | Alarm digitale ingang |
| Oplossingen:- Ga na wat de activering van de ingang heeft veroorzaakt (mogelijk kortsluiting in de signaalkabels)- Zie parameters: i0; i1 en i2;Belangrijkste gevolgen:- De compressor wordt uitgeschakeld; |
| - De ontdooifunctie zal niet worden geactiveerd. |
| iSd | Alarm apparatuur geblokkeerd |
| Oplossingen:- Ga na wat de activering van de digitale ingang heeft veroorzaakt- Zie parameters: i0; i1; 18 en i9- Zet de apparatuur uit en weer aan, of sluit de hoofdstroomtoevoer af.Belangrijkste gevolgen:- De compressor wordt uitgeschakeld;- De ontdooifunctie zal nooit worden geactiveerd. | |
| FiL | Alarm controle ventilatiefilter |
| Oplossingen:- Controleer of de filter nog schoon is (druk gelijk welke toets op het display in om het alarm uit te schakelen) | |
| UtL | Mogelijke ventilatorstoring |
| Oplossingen:- Zie parameters SP10 en C14- Controleer de toestand van de ventilatorBelangrijkste gevolgen:- De compressor en de ventilator worden uitgeschakeld;- Het water wordt verwarmd door enkel de elektrische weerstand te gebruiken. |

Als de oorzaak van het alarm werd verholpen, zal de apparatuur terugkeren naar de normale werking.
8.1.3.12 Foutmeldingen
| Pr1 | Storing in sonde in bovensste deel van de ketel |
| Oplossingen:- Controleer of het type sonde conform de instellingen van parameter P0 is;- Controleer of de sonde niet stuk is;- Controleer de verbinding tussen de sonde en de apparatuur;- Controleer de temperatuur in het bovenste deel van de ketel.Belangrijkste gevolgen:- De werking van de apparatuur wordt gestopt. | |
| Pr2 | Storing in sonde in onderste deel van de ketel |
| Oplossingen: |
- Dezelfde als bij de vorige storing maar voor de sonde in het onderste deel van de ketel. Belangrijkste gevolgen:
- De werking van de apparatuur wordt gestopt.
Pr3
Storing in sonde verdamper
Oplossingen:
- Dezelfde als bij de vorige storing maar voor de sonde van de verdamper.
- De werking van de apparatuur wordt gestopt.

Als de oorzaak van het alarm werd verholpen, zal de apparatuur terugkeren naar de normale werking.
8.1.3.13 Ontdooien
De ontdooifunctie kan als volgt worden geactiveerd:
- Automatisch, wanneer de temperatuur van de verdamper lager ligt dan de in parameter d17 ingestelde waarde (enkel als de waarde van P4 niet gelijk is aan 0);
Tussen twee ontdooiprocedures moet de compressor in ieder geval ingeschakeld geweest zijn gedurende een periode die gelijk is aan of langer dan d18 minuten. Anders zal het verzoek om de ontdooiprocedure te activeren niet worden aanvaard.
Als P4 = 1 geeft d2 de temperatuur van de verdamper aan boven dewelke de ontdooiprocedure wordt beëindigd. Als P4 = 0 of P4 = 2, zal parameter d2 niet in aanmerking worden genomen.
Als de verdamper of sonde tijdens de ontdooiprocedure boven de drempelwaarde ligt die werd ingesteld via parameters d2 en P4 = 1, dan zal het verzoek om de ontdooiprocedure te activeren niet worden aanvaard.
De ontdooiprocedure verloopt in drie stappen:
- Ontdooistap: parameter d3 bepaalt de maximale duur van deze stap. Output-status:
- De compressor is actief als d1 = 1; anders is hij uitgeschakeld;
- Het ontdooirelais is actief als d1 = 0 of d1 = 1; anders is het uitgeschakeld;
- De ventilatoren zijn ingeschakeld als d1 = 2; anders zijn ze uitgeschakeld.
- Druppelstap: parameter d7 bepaalt de duur van deze stap. Output-status:
- De compressor is uitgeschakeld;
- Het ontdooirelais is actief als d1 = 0 of d1 = 1; anders is het uitgeschakeld;
- De ventilatoren zijn uitgeschakeld.
- Droogstap. Parameter d16 bepaalt de duur van deze stap. Output-status:
- De compressor werkt overeenkomstig parameter d8; - Het ontdooirelais is actief als d1 = 0 of d1 = 1; anders is het uitgeschakeld;
- De ventilatoren zijn uitgeschakeld.

Als de "anti-legionella"- of "Overboost"-functie actief zijn, zal de ontdooiprocedure niet worden geactiveerd.
8.1.3.14 De juiste dag en het precieze uur instellen
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Druk op de -toets in en laat weer los: op het display zal de eerste beschikbare code verschijnen;
- Druk op de - of le - loets en laat weer los tot "rtc" wordt getoond;
De dag wordt weergegeven als 1...7 (waarbij 1 overeenkomt met maandag).
De dag van de week veranderen:
- Druk de -toets in en laat weer los: op het scherm zal "dd" verschijnen, gevolgd door de twee cijfers die staan voor de betrokken dag;
- Druk binnen de 15 seconden op de - of de ▼-toets en laat weer los.
Om het tijdstip te veranderen:
- Druk op de -toets en laat weer los terwijl u de dag van de maand verandert: op het scherm zal "hh" verschijnen, gevolgd door de twee cijfers die staan voor het tijdstip (de tijd wordt getoond in de 24-uren weergave);
- Druk binnen de 15 seconden op de - of de - toets en laat weer los.
Om de minuten te veranderen:
- Druk de -toats in en laat weer los terwijl u het tijdstip verandert: op het scherm zal "nn" verschijnen, gevolgd door de twee cijfers die staan voor de minuten;
- Druk binnen de 15 seconden op de ▲- of de ▼-toets en laat weer los;
- Druk op de -tdets en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit;
Om de procedure te beëindigen:
- Druk op de -toëts in en laat weer los tot het scherm de temperatuur toont die is bepaald door parameter P5 of voer gedurende 60 seconden geen andere bewerkingen uit.
Alternatief:
- Druk de -toets in en laat weer los.

Als u bewerkingen met timeslots wil instellen, moet u eerst de juiste dag en het precieze tijdstip hebben ingesteld zoals hierboven uitgelegd.
8.1.3.15 Configuratie parameterinstellingen
Om de procedure uit te voeren:
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Houd de - en de - loetsen 4 seconden ingedrukt: op het scherm zal "PA" (wachtwoord) verschijnen;
- Druk de -toets in en laat weer los;
- Druk binnen de 15 seconden op de - of ▲ de - foets en laat weer los om "-19" op het display te tonen;
- Druk op de -toets en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit;
- Houd ▲ - ▼ en de -toetsen 4 seconden ingedrukt: op het scherm zal de eerste parameter "SP1" verschijnen.
Een parameter selecteren:
- Druk op de - of le -toets en laat weer los.
Een parameter veranderen:
- Druk de -toets in en laat weer los;
- Druk op de - of de -toets on de waarde van de parameter te verhogen of verlagen (binnen de 15 seconden);
- Druk op de -toets en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit.
Om de procedure te beëindigen:
- Houd de - ende -toetsen 4 seconden ingedrukt of voer gedurende 60 seconden geen enkele andere bewerking uit (alle wijzigingen zullen worden opgeslagen).

Schakel de apparatuur uit en dan weer in om ervoor te zorgen dat de veranderingen aan de parameters doorgevoerd worden.
8.1.3.16 De standaard-fabrieksinstellingen herstellen
Om de procedure uit te voeren:
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Houd de - eade -toetsen 4 seconden ingedrukt: op het scherm zal "PΛ" (wachtwoord) verschijnen;
• Druk de -toets in en laat weer los;
- Druk binnen de 15 seconden op de - of le ▼-toets en laat weer los om "149" in te stellen;
- Druk op de -toets en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit;
- Houd de -ende -toetsen4 seconden ingedrukt: op het scherm zal "dEF" verschijnen;
- Druk de -toets in en laat weer los;
- Druk binnen de 15 seconden op de - of le - toets en laat weer los om "I" in te stellen;
- Druk de -toats in en laat weer los of voer gedurende 15 seconden geen enkele andere bewerking uit: op het display zal "d.F.F" gedurende 4 seconden knipperen, waarna de apparatuur de procedure zal beëindigen;
- Sluit de hoofdstroomtoevoer naar de apparatuur af. Om de procedure te beëindigen voordat ze is voltooid:
- Houd de -ende -toets 4 seconden ingedrukt tijdens de procedure (of voordat "1" wordt ingesteld: de standaard-fabrieksinstellingen zullen niet worden hersteld).
8.1.3.17 TOTAAL AANTAL BEDRIJFSUREN VAN DE COMPRESSOR
8.1.3.17.1 Algemene informatie
De apparatuur kan tot 9999 bedrijfsuren van de compressor onthouden. Als het aantal uren "9999" overschrijdt, gaat dit knipperen.
8.1.3.17.2 Weergave van de bedrijfsuren van de compressor
- Zorg dat het toetsenbord niet vergrendeld is (paragraaf 8.1.3.3) en dat er geen andere geavanceerde procedure loopt;
- Druk op de -toots-in en laat weer los: op het display zal "Pb1" verschijnen;
- Druk op de - of the -toets en laat weer los om "CH" te selecteren;
- Druk de -toells in en laat weer los.
Om de procedure te beëindigen:
- Druk op de -toets en laat weer los of voer gedurende 60 seconden geen enkele andere bewerking uit.
Alternatief:
- Druk de -toets in en laat weer los.
8.2 Specifieke bewerkingen
De apparatuur is uitgerust met een systeem dat de ventilatorsnelheid regelt en dat deze snelheid verhoogt wanneer de omgevingstemperatuur lager wordt dan -1°C. Bij hogere temperaturen blijft de ventilator draaien aan een lagere snelheid om het geluidsniveau van de apparatuur te beperken.
De apparatuur is verder ook uitgerust met een systeem voor controle van de omgevingsomstandigheden, met name de temperaturen van de binnenkomende buitenlucht. De functie die hieronder wordt beschreven, is noodzakelijk om te voorkomen dat de warmtepomp gaat werken buiten de ingestelde specificaties, wat defecten aan de compressor en daaruit resullerende werkonderbrekingen kan veroorzaken.
Telkens wanneer de apparatuur wordt gestart, wordt de ventilator geactiveerd gedurende een periode die wordt bepaald door parameter C12 en overeenkomt met 1 minuut. Daarna meet het systeem de temperatuur ban de binnenkomende lucht. Als de temperatuur gelijk aan of lager dan parameter SP9 is (-7°C), dan is niet voldaan aan de voorwaarden om de warmtepomp in te schakelen en wordt de elektrische weerstand geactiveerd. De apparatuur blijft dan met behulp van de elektrische weerstand verder opwarmen tot het instelpunt van de lopende actieve cyclus is bereikt. Het systeem controleert periodiek (elke 120 minuten) de omgevingsomstandigheden en activeert de warmtepomp-modus alleen wanneer deze omstandigheden voldoen aan de vereisten voor werking in deze modus.
8.2.1 Lijst van parameters van de apparatuur
| Omschrijving parameter | Code | M.E. | Min | Max | Standaard | Opmerkingen |
| Wachtwoord (schaduw) | PA | 0 | Functe voorbehouden voor ge-specialiseerd technisch personeel | |||
| H2O-instelling WARM ECO-cyclus | SP1 | °C/°F | r3 | r4 | 55,0 | |
| H2O-instelling WARM Automatic-cyclus | SP2 | °C/°F | r1 | r2 | 55,0 | |
| H2O-instelling KOUD | SP3 | °C/°F | 10,0 | r2 | 45,0 | |
| H2O-instelling voor stop warmtepomp | SP5 | °C/°F | r1 | 70,0 | 62,0 | |
| H2O-instelling voor activering fotovoltaïsche ondersteuning | SP6 | °C/°F | 40,0 | 100,0 | 62,0 | |
| H2O-instelling ANTI-VRIES | SP7 | °C/°F | 0 | 40 | 10 | |
| Instelpunt thermische zonnecyclus | SP8 | °C/°F | 0 | 100,0 | 40 | |
| Instelling verdamper koud | SP9 | °C/°F | -25,0 | 25,0 | -7,0 | |
| Instelling verdamper beschadigd | SP10 | °C/°F | -50,0 | 25,0 | -25,0 | |
| IJking bovenste sonde | CA1 | °C/°F | -25,0 | 25,0 | 2,0 | |
| IJking onderste sonde | CA2 | °C/°F | -25,0 | 25,0 | 0,0 | |
| IJking sonde verdamper | CA3 | °C/°F | -25,0 | 25,0 | 0,0 | |
| Type sonde | P0 | ---- | 0 | 1 | 1 | 0 = PTC1 = NTC2 = PT1000 |
| Decimaal punt | P1 | ---- | 0 | 1 | 1 | 1 = Display decimaal punt per temperatuur |
| Maateenheid | P2 | ---- | 0 | 1 | 0 | 0 = °C1 = °F |
| Functie gekoppeld aan sonde verdamper | P4 | ---- | 0 | 2 | 2 | 0 = Uitgeschakeld1 = Start-stop Ontdooien2 = Start Ontdooien |
| Lokale displaygegevens | P5 | ---- | 0 | 3 | 0 | 0 = Bovenste sonde1 = Instelpunt Werking2 = Onderste sonde3 = Sonde verdamper |
| Displaygegevens Afstand | P6 | ---- | 0 | 3 | 0 | 0 = Bovenste sonde1 = Instelpunt Werking2 = Onderste sonde3 = Sonde verdamper |
| Refresh tijd displaygegevens in tienden van een seconde | P8 | 1/10 sec | 0 | 250 | 5 | |
| Werkinstelling hysteresis | r0 | °C/°F | 0,1 | 30,0 | 7,0 | |
| Minimum instelpunt auto-cyclus | r1 | °C/°F | 10,0 | r2 | 40,0 | |
| Maximum instelpunt auto-cyclus | r2 | °C/°F | r1 | 100,0 | 70,0 | |
| Minimum instelpunt Economy-cyclus | r3 | °C/°F | 10,0 | r4 | 40,0 | |
| Maximum instelpunt Economy-cyclus | r4 | °C/°F | r3 | 100,0 | 56,0 | |
| Vergrendeling bedrijfsinstelpunt | r5 | ---- | 0 | 1 | 0 | 1 = het is niet mogelijk om dit instelpunt te wijzigen; het kan enkel worden bekeken |
| Vertraging bij opstart apparatuur | C0 | min | 0 | 240 | 5 | Compressorbeveiligingen |
| Vertraging ten opzichte van laatste AAN | C1 | min | 0 | 240 | 5 | |
| Vertraging ten opzichte van laatste UIT | C2 | min | 0 | 240 | 5 | |
| Minimale tijd AAN | C3 | sec | 0 | 240 | 0 | |
| Aantal bedrijfsuren compressor vereist voor onderhoud | C10 | h | 0 | 9999 | 1000 | 0 = Functie uitgesloten |
| Vertraging bemonstering luchttemperatuur voor koudetest verdamper | C11 | min | 0 | 999 | 120 | |
| Minimale vertraging tussen start ventilator en activering compressor voor controle temperatuur binnenkomende lucht | C12 | min | 0 | 240 | 1 | |
| Time-out thermische zonnecyclus | C13 | min | 0 | 240 | 20 | |
| Vertraging controle beschadigde ventilator | C14 | min | -1 | 240 | 20 | -1 = functie uitgeschakeld |
| Type ontdooling | d1 | ---- | 0 | 2 | 1 | 0 = Met verwarmingselement1 = Met warm gas2 = Met compressor geslopt |
| Verdampertemperatuur voor beëindiging ontdooiprocedure (enkel als P4=1) | d2 | °C/°F | -50,0 | 50,0 | 3,0 | |
| Maximale duur ontdooiprocedure | d3 | min | 0 | 99 | 8 | |
| Drempelwaarde automatische start ontdooiprocedure (verdampertemperatuur) | d17 | °C/°F | -50,0 | 50,0 | -2,0 | |
| Minimale opstarttijd compressor voor start ontdooiprocedure | d18 | min | 0 | 240 | 60 | |
| Alarm minimumniveau sonde (enkel AL1-waarschuwing) | A0 | ---- | 0 | 2 | 0 | 0 = Bovenste sonde1 = Onderste sonde2 = Sonde verdamper |
| Instelling alarm minimum (enkel AL1-waarschuwing) | A1 | °C/°F | 0,0 | 50,0 | 10,0 | |
| Type vertraging alarm minimumniveau (enkel AL1-waarschuwing) | A2 | ---- | 0 | 1 | 0 | 0 = Uitgeschakeld1 = Absoluut |
| Alarm maximumniveau sonde (enkel AH-waarschuwing) | A3 | ---- | 0 | 2 | 0 | 0 = Bovenste sonde1 = Onderste sonde2 = Sonde verdamper |
| Instelling alarm maximum (enkel AH-waarschuwing) | A4 | °C/°F | 0,0 | 199,0 | 90,0 | |
| Type vertraging alarm maximumniveau (enkel AH-waarschuwing) | A5 | ---- | 0 | 1 | 0 | 0 = Uitgeschakeld1 = Absoluut |
| Minimumniveau AL1 alarm vertraging door opstart apparatuur (enkel waarschuwing) | A6 | min | 0 | 240 | 120 | |
| Vertragingen AL1- en AH-temperatuuralarm (enkel waarschuwing) | A7 | min | 0 | 240 | 15 | |
| Alarm hysteresis | A11 | min | 0,1 | 30,0 | 2,0 | |
| Opstartinterval verwarmingselement (Anti-legionella) | H0 | dagen | 0 | 99 | 30 | |
| Instelling Anti-legionellafunctie | H1 | °C/°F | 10,0 | 199,0 | 60,0 | |
| Duur Anti-legionellafunctie | H3 | min | 0 | 240 | 2 | |
| Activering ingang zonnesysteem (Digital 1) | i0 | ---- | 0 | 2 | 2 | 0 = Ingang uitgeschakeld1 = Drukingang2 = Digitale ingang 1 |
| Type contact ingang zonnesysteem | i1 | ---- | 0 | 1 | 0 | 0 = Actief als contact gesloten is1 = Actief als contact open is |
| Findbescherming hoge/lage druk compressor | i2 | min | 0 | 120 | 0 | |
| Activering fotovoltaische ingang (Digital 2) | i3 | ---- | 0 | 1 | 1 | 0 = Ingang uitgeschakeld1 = Ingang ingeschakeld |
| Type contact fotovoltaische ingang (Digital 2) | i4 | ---- | 0 | 1 | 0 | 0 = Actief als contact gesloten is1 = Actief als contact open is |
| Aantal alarmen digitale ingangen per apparatuurblok | i8 | ---- | 0 | 15 | 0 | |
| Tijd reset teller alarmen digitale ingang | i9 | min | 1 | 999 | 240 | |
| Activering zoemer | u9 | ---- | 0 | 1 | 1 | 0 = Zoemer uitgeschakeld1 = Zoemer ingeschakeld |
| Inschakeltijd voor maandag | Hd1 | ---- | 1 | 2 | 1 | 1 = HOn1 -HOF12 = HOn2-HOF2 |
| Inschakeltijd voor dinsdag | Hd2 | ---- | 1 | 2 | 1 | 1 = HOn1 -HOF12 = HOn2-HOF2 |
| Inschakeltijd voor woensdag | Hd3 | ---- | 1 | 2 | 1 | 1 = HOn1 -HOF12 = HOn2-HOF2 |
| Inschakeltijd voor donderdag | Hd4 | ---- | 1 | 2 | 1 | 1 = HOn1 -HOF12 = HOn2-HOF2 |
| Inschakeltijd voor vrijdag | Hd5 | ---- | 1 | 2 | 1 | 1 = HOn1 -HOF12 = HOn2-HOF2 |
| Inschakeltijd voor zaterdag | Hd6 | ---- | 1 | 2 | 2 | 1 = HOn1 -HOF12 = HOn2-HOF2 |
| Inschakeltijd voor zondag | Hd7 | ---- | 1 | 2 | 2 | 1 = HOn1 -HOF12 = HOn2-HOF2 |
| Tijd eerste inschakeling timeslot | HOn1 | ---- | 00:00 | 23:59 | --:-- | --:-- = Functie uitgesloten |
| Tijd eerste uitschakeling timeslot | HOF1 | ---- | 00:00 | 23:59 | --:-- | --:-- = Functie uitgesloten |
| Tijd volgens inschakeling timeslot | HOn2 | ---- | 00:00 | 23:59 | --:-- | --:-- = Functie uitgesloten |
| Tijd volgens uitschakeling timeslot | HOF2 | ---- | 00:00 | 23:59 | --:-- | --:-- = Functie uitgesloten |
| Adres apparatuur | LA | ---- | 1 | 247 | 247 | |
| Baud Rate | Lb | ---- | 0 | 3 | 2 | 0 = 24001 = 48002 = 96003 = 19200 |
| Pariteit | LP | ---- | 0 | 2 | 2 | 0 = GEEN1 = ONEVEN2 = EVEN |
| VOORBEHOUDEN | E9 | ---- | 0 | 2 | 0 | |
9 Onderhoud en reiniging
WAARSCHUWING!
Herstellingen aan de apparatuur mogen uitsluitend door gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd. Verkeerde herstellingen kunnen ernstige gevaren voor de gebruiker met zich meebrengen. Neem contact op met de technische ondersteuningsdienst wanneer uw apparatuur moet worden hersteld.
WAARSCHUWING!
Zorg er voor elk onderhoud voor dat de apparatuur niet op het stroomnet is aangesloten en er ook niet toevallig op kan worden aangesloten. Het is dus belangrijk dat u de hoofdstroomtoevoer afsluit voordat u onderhoud-of schoonmaakwerkzaamheden aan de apparatuur uitvoert.
9.1 De beveiligingsinrichting resetten
De apparatuur is uitgerust met een veiligheidsthermostaat. Bij een handmatige reset wordt de beveiliging geactiveerd bij oververhitting.
Om ze opnieuw in te stellen, moet u:
- De hoofdstroomtoevoer naar de apparatuur afsluiten;
- Mogelijk aanwezige luchtleidingen verwijderen (zie paragraaf 6.1.1);
- Het deksel bovenaan de ketel verwijderen door de bevestigingsschroeven ervan te verwijderen (Fig. 18);
- De geactiveerde veiligheidsthermostaat via de bovenkant manueel resetten (Fig. 19). Als de beveiliging werd geactiveerd, zal de centrale pen van de thermostaat ongeveer 4 mm naar buiten toe uitsteken;
• Het deksel opnieuw monteren.
Fig. 19 – Resetten van de veiligheidsthermostaat
WAARSCHUWING!
De veiligheidsthermostaat kan worden geactiveerd door een storing in het bedieningspaneel of doordat er geen water in de tank zit.
WAARSCHUWING!
Herstellingen aan onderdelen met een beveiligingsfunctie kunnen de veilige werking van de apparatuur in het gedrang brengen. Vervang defecte elementen uitsluitend door originele reserveonderdelen.
N.B.
De activering van de thermostaat blokkeert de werking van de elektrische verwarmingselementen maar niet die van hetwarmtepompsysteem (binnen de toegestane werkingslimieten).
Fig. 18 – Verwijdering van het deksel bovenaan
9.2 Driemaandelijkse inspecties
- Visuele inspectie van de algemene toestand van de apparatuur en controle op lekken;
- Inspectie van de ventilatiefilter (zie paragraaf 9.4).
9.3 Jaarlijkse inspecties
- Inspectie om na te gaan of bouten, moeren, flenzen en aansluitingen van de watertoevoer nog goed vastzitten, aangezien die door trillingen los kunnen komen;
- Controle van de toestand van de magnesiumanodes (zie paragraaf 9.5).
9.4 Reiniging van de ventilatiefilter
In het bovenste deel van de apparatuur zit een ventilatiefilter. Die moet regelmatig worden schoongemaakt om een perfecte werking van het systeem te garanderen.
Na iedere 1000 bedrijfsuren verschijnt op het display van de apparatuur het alarm "FiL" dat aangeeft dat de filter moet worden schoongemaakt.
Om de filter schoon te maken moet u hem met uw vingers vastnemen en naar buiten trekken via de daartoe voorziene opening in de zijkant (Fig. 20).
De filter kan worden schoongemaakt door ertegen te tikken of door hem schoon te spoelen onder stromend water. Aangezien de filter gemaakt is van roestvrij staal moet hij niet periodiek worden vervangen.

text_image
Zijkant sieff Ventilatiefilter Fig. 20 – Details van de ventilatiefilter
N.B.
Als de filter verstopt raakt, zal dit leiden tot onvoldoende of zelfs helemaal geen ventilatie waardoor de prestaties van het warmtepompsysteem afnemen.
9.5 Magnesiumanodes
De magnesiumanode (Mg), ook "opofferingsanode" genoemd, voorkomt dat er in de ketel parasitaire stromen worden gegenereerd die roestvorming op het oppervlak van de apparatuur kunnen veroorzaken.
Magnesium is een metaal met een lager elektrochemisch potentieel dan het materiaal waarmee de binnenkant van de ketel is bekleed. Daardoor trekt het als eerste de negatieve ladingen aan die ontstaan met de opwarming van het water en die roestvorming veroorzaken. De anode offert zichzelf met andere woorden op door te roesten in plaats van de tank. De ketel is uitgerust met twee anodes, een in het onderste gedeelte en een andere in het bovenste gedeelte van de tank (de zone die het meest gevoelig is voor roestvorming).
De toestand van de magnesiumanodes moet ten minste om de twee jaar worden gecontroleerd (en beter ieder jaar). Deze controle moet worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel.
Alvorens deze procedure uit te voeren, moet:
- De toevoer van koud water worden afgesloten;
- Het water uit de tank worden afgelaten (zie paragraaf 9.6);
- De bovenste anode worden losgeschroefd en gecontroleerd op roestvorming. Als meer dan 30% van het oppervlak roestvorming vertoont, moet de anode worden vervangen;
- Dezelfde procedure worden uitgevoerd voor de onderste anode.
- De anodes zijn voorzien van passende pakkingen. Om waterlekken te voorkomen, wordt aanbevolen om voor de schroefdraden een anaeroob afdichtmiddel te gebruiken dat geschikt is voor gebruik in sanitaire en verwarmingssystemen. Zowel bij de inspectie als wanneer de anodes worden vervangen, moeten ook de pakkingen worden vervangen.
9.6 De ketel leegmaken
Het is aan te raden om het water uit de boiler af te laten wanneer de boiler gedurende een tijd niet wordt gebruikt, zeker bij lagere temperaturen.
Voordat het water wordt afgelaten, moet het toestel worden uitgeschakeld en van de netvoeding worden losgekoppeld. Ga voor het aflaten van het water uit de boiler als volgt te werk: schakel het toestel uit en haal de voedingskabel uit het stopcontact, sluit de watertoevoerkraan (zie 2 fig. 8 paragraaf 6.4), bedien de aftapkraan (zie 5 fig. 8 paragraaf 6.4). Om de watertoevoer naar de afvoer te vergemakkelijken is het aan te bevelen (als deze nog niet aanwezig is) om een slangaansluiting op de aftapkraan te installeren.

N.B.
Het is belangrijk dat het systeem bij lage temperaturen wordt leeggemaakt om te voorkomen dat het water gaat bevriezen.
9.7 Inspectie van het elektrische weerstandscompartiment
Indien u toegang had tot het weerstandscompartiment, plaats het deksel dan terug met de pijl naar boven gericht.

text_image
Fig. 21 – Het deksel terugplaatsen10 Probleemoplossing
Als er zich problemen voordoen in de apparatuur maar er geen foutmelding of alarm wordt weergegeven op het display zoals beschreven in de betrokken paragrafen hierboven, dan kan u het probleem proberen op te lossen aan de hand van de oplossingen die hieronder worden voorgesteld alvorens u contact opneemt met de technische ondersteuningsdienst.
| Probleem | Mogelijke oorzaken |
| De warmtepomp werkt niet | Er is geen elektriciteit; De steker zit niet correct in het stopcontact. |
| De compressor en/of de ventilator werken niet | De ingestelde veiligheidsperiode is nog niet afgelopen; De ingestelde temperatuur werd bereikt. |
| De warmtepomp schakelt zichzelf voortdurend in en uit | Verkeerde programmering van de parameters/instelpunten en/of hysteresiswaarden. |
| De warmtepomp blijft voortdurend ingeschakeld en schakelt zichzelf niet uit | Verkeerde programmering van de parameters/instelpunten en/of hysteresiswaarden. |
| Het elektrische verwarmingselement wordt niet ingeschakeld | Er is geen interventie vereist |

WAARSCHUWING!
Als de gebruiker het probleem niet kan oplossen, moet de apparatuur worden uitgeschakeld en moet contact worden opgenomen met de technische ondersteuningsdienst, met vermelding van het model.
11 Als afval verwijderen
Op het einde van hun levensduur worden de warmtepompen als afval verwijder conform de geldende regelgeving.

WAARSCHUWING!
Deze apparatuur bevat fluorhoudende broeikasgassen die onder het Kyoto -protocol vallen. Het onderhoud en de verwijdering mogen uitsluitend worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel.
INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKER
Conform Richtlijnen 2011/65/EU en 2012/19/EU met betrekking tot het terugdringen van het gebruik van gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur en de verwijdering ervan als afval.
Het symbool met de doorgestreepte verrijdbare afvalcontainer dat op de apparatuur of de verpakking ervan is aangebracht, betekent dat het toestel op het einde van zijn leven gescheiden van ander afval moet worden verwijderd.

De gebruiker moet de apparatuur dan ook naar een gepast afvalcentrum voor elektronisch en elektrotechnisch afval brengen, of het terugbezorgen aan de verdeler bij aankoop van een nieuw toestel, a rato van een oud toestel voor een nieuw.
Deze afzonderlijke afvalverwijdering en de daarop volgende verzending van de apparatuur die niet langer wordt gebruikt voor recycling, behandeling en/of milieuvriendelijke verwijdering zorgt er mee voor dat mogelijke negatieve effecten op het milieu en de gezondheid worden voorkomen; bovendien stimuleert ze het hergebruik en/of de recycling van materialen waaruit de apparatuur is gemaakt.
De onwettige verwijdering van de apparatuur door de gebruiker zal aanleiding geven tot administratieve boetes zoals voorzien in de geldende wetgeving. De belangrijkste materialen die worden gebruikt in de productie van de apparatuur, zijn:
Staal;
Magnesium;
- Plastic;
• Koper;
- Aluminium;
• Polyurethaan.
12 Productfiche
| Beschrijvingen | m.e. | EKHH2E200AAV3 | EKHH2E260AAV3 | EKHH2E260PAAV3 | EKHH2E200BAV33 |
| Opgegeven belastingsprofiel | L | XL | |||
| Energie-efficiëntieklasse waterverwarming onder gemiddelde klimaatomstandigheden | A+ | ||||
| Energie-efficiëntie waterverwarming in % onder gemiddelde klimaatomstandigheden | % | 123 | 127 | 127 | |
| Jaarlijks elektriciteitsverbruik in kWu onder gemiddelde klimaatomstandigheden | kWu | 835 | 1323 | 1323 | |
| Temperatuurinstellingen thermostaat van de waterverwarming | °C | 55 | |||
| Geluidsvermogenniveau Lwa binnen in dB | dB | 53 | |||
| De waterverwarming kan enkel buiten de piekuren werken | NEEN | ||||
| Specifieke voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen wanneer de waterverwarming wordt gemonteerd, geïnstalleerd of onderhouden | Zie handleiding | ||||
| Energie-efficiëntie waterverwarming in % onder koudere klimaatomstandigheden | % | 94 | 92 | 92 | |
| Energie-efficiëntie waterverwarming in % onder warmere klimaatomstandigheden | % | 135 129 | 129 149 | ||
| Jaarlijks elektriciteitsverbruik in kWu onder koudere klimaatomstandigheden | kWu | 1091 1826 | 1826 936 | ||
| Jaarlijks elektriciteitsverbruik in kWu onder warmere klimaatomstandigheden | kWu | 756 1296 | 1296 688 | ||
| Geluidsvermogenniveau Lwa buiten in dB | dB | 52 | |||
752
L
136
109
LISTA DE CONTENIDOS
Zandvoordestraat 300, B-8400 Oostende, Belgium
2020.09
