RT 4097 - Grasmaaier STIHL - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis RT 4097 STIHL in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding RT 4097 - STIHL en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. RT 4097 van het merk STIHL.
GEBRUIKSAANWIJZING RT 4097 STIHL
DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Geachte cliënt(e), Wij zijn blij dat u hebt gekozen voor STIHL. Wij ontwikkelen en produceren onze producten in topkwaliteit in overeenstemming met de behoeften van onze klanten. Zo ontstaan producten met een hoge betrouwbaarheid, ook bij extreme belasting. STIHL staat ook voor service met topkwaliteit. Onze dealers staan garant voor deskundig advies en instructie alsmede een uitgebreide technische begeleiding. Wij danken u voor uw vertrouwen in ons en wensen u veel plezier met uw STIHL product. Dr. Nikolas Stihl
BELANGRIJK! VOOR GEBRUIK GOED
DOORLEZEN EN BEWAREN. Gedrukt op chloorvrij, gebleekt papier. Papier is recycleerbaar. Flap is vrij van halogeen.
Over deze gebruiksaanwijzing 114 Algemeen 114 Instructie voor het lezen van de gebruiksaanwijzing 114 Beschrijving van het apparaat 116 Voor uw veiligheid 117 Algemeen 117 Training – Gebruik van de machine 118 Transport van de zitmaaier 119 Tanken – omgaan met benzine 119 Kleding en uitrusting 120 Vóór het werken 120 Tijdens het werken 121 Onderhoud en reparaties 123 Opslag bij langdurige bedrijfsonderbrekingen 125 Afvoer 125 Toelichting van de symbolen 126 Leveringsomvang 126 Werkzaamheden vóór de eerste ingebruikname 126 Bedieningselementen 127 Contactslot 127 Gashendel met chokefunctie (RT 4097 S, RT 4097 SX, RT 4112 S) 127 Gashendel (RT 4112 SZ) 128 Chokeknop (RT 4112 SZ) 128 Schakelaar maaiwerk 129 Veiligheidsschakelaar achteruit maaien 129 Keuzehendel rijrichting 130 Stuurwiel 130 Verstellen bestuurdersstoel 130 Aandrijfpedaal 130 Rempedaal 131 Handrem 131 Hendel snijhoogteverstelling 132 Hendel voor vrijloop transmissie 132 Elektronica 133 Zelfdiagnose bij het starten 133 Defect aan de zitmaaier tijdens bedrijf 133 Storing in de elektronica 134 Aanwijzingen voor werken 134 Maaisessie 134 Veiligheidsvoorzieningen 135 Apparaat in gebruik nemen 135 Brandstof bijtanken 136 Verbrandingsmotor starten 136 Verbrandingsmotor uitschakelen 137 Rijden 137 Remmen 138 Snijhoogte instellen 138 Maaien 138 Trekken van lasten 139 Gebruik op hellingen 139 Maaiwerk 139 Maaiwerk demonteren 139 Maaiwerk monteren 141 Onderhoud 143 Onderhoudsschema 143 Apparaat reinigen 144 Motorkap openen 145 Motorkap sluiten 145 Veiligheidsvoorzieningen controleren 145 Maaimessen onderhouden 146 Inbouwpositie van het maaiwerk controleren 148 Brandstofkraan 1480478 192 9910 A - NL
Deze gebruiksaanwijzing is een originele gebruiksaanwijzing van de fabrikant in de zin van de EG-richtlijn 2006/42/EC. STIHL werkt voortdurend aan de ontwikkeling van zijn producten; wijzigingen in de levering qua vorm, techniek en uitvoering zijn daarom voorbehouden. Op basis van gegevens of afbeeldingen uit dit boekje kunnen bijgevolg geen aanspraken worden gemaakt. Het is mogelijk dat in deze gebruiksaanwijzing modellen worden beschreven die niet in elk land verkrijgbaar zijn. Deze gebruiksaanwijzing is auteursrechtelijk beschermd. Alle rechten blijven voorbehouden, met name het recht op het kopiëren, vertalen en het verwerken met elektronische systemen.
2.2 Instructie voor het lezen van de
gebruiksaanwijzing Afbeeldingen en teksten beschrijven bepaalde bedieningsstappen. Alle pictogrammen die op het apparaat zijn aangebracht, worden in deze gebruiksaanwijzing toegelicht. Kijkrichting: kijkrichting bij gebruik ´links´ en ´rechts´ in de gebruiksaanwijzing: de gebruiker staat achter het apparaat en kijkt in de rijrichting naar voren. Hoofdstukverwijzing: naar de desbetreffende hoofdstukken en paragrafen met nadere uitleg wordt met een pijltje verwezen. Het volgende voorbeeld bevat een verwijzing naar een hoofdstuk: (Ö 4.) Markeringen van tekstpassages: de beschreven aanwijzingen kunnen zoals in de volgende voorbeelden gemarkeerd zijn. Handelingen waarbij ingrijpen van de gebruiker vereist is: ● Bout (1) met een schroevendraaier losdraaien, hendel (2) activeren ... Algemene opsommingen: – productgebruik bij sport- of wedstrijdevenementen Teksten met aanvullende betekenis: tekstpassages met aanvullende betekenis zijn met één van de onderstaand beschreven symbolen gemarkeerd om deze in de gebruiksaanwijzing extra te accentueren. Bandenspanning 149 Wielen vervangen 149 Smeren 151 Inhoud van de motorolie controleren 151 Motorolie verversen 151 Motorolie bijvullen 152 Koplamp vervangen 152 Zekeringen 153 Accuvak 153 Accu 154 Opladen van de accu via de oplaadstekker 155 Verbrandingsmotor 156 Transmissie 156 Opslag 156 Stilleggen bij langere onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze) 156 Na langere bedrijfspauzes (bijv. winterpauze) 157 Transport 157 Standaard reserveonderdelen 157 Accessoires 157 Milieubescherming 157 Slijtage minimaliseren en schade voorkomen 158 EU-conformiteitsverklaring 159 Grasmaaier met bestuurdersstoel en verbrandingsmotor (STIHL RT) 159 Technische gegevens 159 Afmetingen 161 REACH 161 Defectopsporing 161 Onderhoudsschema 164 Leveringsbevestiging 164 Servicebevestiging 164
gebruiksaanwijzing Gevaar! Gevaar voor ongevallen en ernstig letsel. Bepaalde handelingen zijn noodzakelijk of verboden. Waarschuwing! Kans op letsel. Bepaalde handelingen voorkomen mogelijk of waarschijnlijk letsel. Voorzichtig! Minder ernstig letsel of materiële schade dat/die door bepaalde handelingen kan worden voorkomen.115 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Afbeeldingen met tekstpassages: Bedieningsstappen met directe verwijzing naar de afbeelding vindt u onmiddellijk na de afbeelding met bijbehorende positienummers. Voorbeeld: Contactsleutel (1) in het contactslot (2) steken. Teksten met afbeeldingverwijzing: afbeeldingen die het gebruik van het apparaat toelichten, vindt u geheel aan het begin van de gebruiksaanwijzing. Het camerasymbool koppelt de afbeeldingen op de pagina's met afbeeldingen met het desbetreffende tekstgedeelte in de gebruiksaanwijzing. Aanwijzing Informatie voor een beter apparaatgebruik en om een mogelijk oneigenlijk gebruik te vermijden. 10478 192 9910 A - NL
3. Beschrijving van het
Tijdens de werkzaamheden met het apparaat moeten de voorschriften ter preventie van ongevallen beslist in acht worden genomen. Vóór de eerste inbedrijfstelling moet u de hele gebruiksaanwijzing goed doorlezen. Bewaar de gebruiksaanwijzing voor later gebruik zorgvuldig op een veilige plaats. Volg de gebruiks- en onderhoudsinstructies in de afzonderlijke gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor. Deze veiligheidsmaatregelen zijn onontbeerlijk voor uw veiligheid, maar deze opsomming is niet uitputtend. Gebruik het apparaat altijd verstandig en met verantwoordelijkheidsgevoel, en denk erom dat de gebruiker aansprakelijk wordt gesteld voor ongevallen met andere personen of voor schade aan hun eigendommen. Leen het apparaat inclusief accessoires alleen uit aan personen die met dit model en de bediening ervan vertrouwd zijn. De gebruiksaanwijzing is onderdeel van het apparaat en moet altijd worden meegegeven. Controleer of de gebruiker lichamelijk, zintuigelijk en geestelijk in staat is om het apparaat te bedienen en ermee te werken. Als de gebruiker met lichamelijke, zintuigelijke of geestelijke beperkingen daartoe in staat is, mag de gebruiker er alleen onder toezicht of na instructie door een verantwoordelijke persoon mee werken. Controleer of de gebruiker meerderjarig is of conform nationale regelgeving onder toezicht voor een beroep wordt opgeleid. Gebruik het apparaat alleen als u uitgerust bent en een goede lichamelijke en geestelijke conditie hebt. Als u een verminderde gezondheid heeft, dient u uw arts te vragen of u met het apparaat kunt werken. Na het gebruik van alcohol, drugs of medicijnen die de reactiesnelheid nadelig beïnvloeden, mag niet met het apparaat worden gewerkt. Opgelet – Gevaar voor ongevallen! De zitmaaier is alleen voor het maaien van gras bestemd. Een andere toepassing is niet toegestaan. Het apparaat kan met originele accessoires van STIHL worden uitgerust. Hierdoor kan het apparaat ook voor andere toepassingen worden gebruikt. Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar. Om persoonlijk letsel van de gebruiker of andere personen te vermijden, mag het apparaat bijvoorbeeld niet worden gebruikt voor (onvolledige opsomming): – het snoeien van rankgewas, – het hakselen en klein hakken van boom- en heggensnoeisel, – het schoonmaken van voetpaden (opzuigen, wegblazen), 1 Stuurwiel 2 Bestuurdersstoel 3 Achterwiel 4 Verstelhendel voor de snijhoogte 5 Deflectorklep 6 Maaiwerk 7 Voorwiel 8 Koplampen 9 Bumper (RT 4097 S, RT 4112 S, RT 4112 SZ) 10 Motorkap 11 Tankdop 12 Keuzehendel rijrichting (vooruit - achteruit) 13 Contactslot 14 Handremhendel 15 Maaiwerkschakelaar 16 Gashendel met chokefunctie (RT 4097 S, RT 4097 SX, RT 4112 S) 17 Gashendel (RT 4112 SZ) 18 Chokeknop (RT 4112 SZ) 19 Drankhouder 20 Opbergvak 21 Veiligheidsschakelaar achteruit maaien 22 Trekhaak
4. Voor uw veiligheid
Levensgevaar door verstikking! Verstikkingsgevaar voor kinderen bij het spelen met verpakkingsmateriaal. Houd verpakkingsmateriaal altijd buiten het bereik van kinderen.0478 192 9910 A - NL
– sneeuwruimen met behulp van het maaiwerk, – gazononderhoud op dakbeplantingen, – het egaliseren van bodemoneffenheden, zoals molshopen, – voor het transporteren van maaigoed. U mag met de machine niet aan het verkeer deelnemen. Het vervoer van personen (met name van kinderen) en dieren is niet toegestaan. Voorwerpen mogen niet op het apparaat maar uitsluitend met behulp van een door STIHL goedgekeurde aanhanger (accessoire) worden vervoerd. De laadgrenzen moeten worden aangehouden. (Ö 12.8) Bij het gebruik op openbare terreinen, parken, sportvelden, langs wegen en op land- en bosbouwbedrijven moet u bijzonder behoedzaam te werk gaan. De machine mag niet worden gebruikt bij sport- en wedstrijdevenementen. Om veiligheidsredenen is het verboden wijzigingen aan het apparaat aan te brengen, behalve vakkundige montage van toebehoren en combi-apparaten die door STIHL zijn goedgekeurd. Bovendien heeft dit tot gevolg, dat uw garantie vervalt. Neem voor informatie over goedgekeurde toebehoren en combi-apparaten contact op met uw STIHL vakhandelaar. Vooral elke wijziging aan het apparaat waardoor het vermogen, het toerental van de verbrandingsmotor of de rijsnelheid wordt veranderd, is verboden. Het apparaat is uitgevoerd met elektronica die niet mag worden gewijzigd of verwijderd. De apparaatsoftware mag om veiligheidsredenen nooit worden gewijzigd of gemanipuleerd. Opgelet! Gevaar voor de gezondheid door trillingen! Een overmatige belasting door trillingen kan schade aan de bloedsomloop en het zenuwstelsel veroorzaken, vooral bij personen met circulatiestoornissen. Raadpleeg een arts wanneer er symptomen optreden die door de trillingen zouden kunnen zijn veroorzaakt. Dergelijke symptomen treden voornamelijk op in de vingers, handen of polsen en zijn bijvoorbeeld (onvolledige opsomming): – gevoelloosheid, –pijn, – slappe spieren, – huidverkleuringen, – onaangenaam kriebelen. Houd de duwstang tijdens het werken stevig maar niet verkrampt met beide handen op de daarvoor bedoelde plaatsen vast. Plan de werktijden zodanig dat hoge belasting gedurende langere tijd wordt voorkomen.
4.2 Training – Gebruik van de machine
Maak uzelf vertrouwd met de bedieningselementen en stelelementen en met het gebruik van het apparaat. De gebruiker moet weten hoe het gereedschap en de verbrandingsmotor van het apparaat snel kunnen worden gestopt. Het apparaat mag alleen worden gebruikt door personen die de gebruiksaanwijzing hebben gelezen en die met de bediening van het apparaat vertrouwd zijn. Elke gebruiker moet vóór de eerste ingebruikname vragen om een deskundige en praktische instructie. De verkoper of een andere deskundige moet aan de gebruiker uitleggen, hoe hij veilig met het apparaat kan werken. Bij deze instructie moet de gebruiker er vooral op worden gewezen, – dat deze tijdens het werken met het apparaat uiterst zorgvuldig en geconcentreerd te werk moet gaan. – dat het gebruik van de rem niet helpt om een zitmaaier die van een helling afglijdt, onder controle te krijgen. De oorzaken voor het verlies van controle over de zitmaaier kunnen onder andere zijn: – onvoldoende grip van de wielen, – te snel rijden, – onjuist remmen, – ondeskundig gebruik (o.a. sportevenementen), – ontoereikende kennis van eventuele gevolgen die met de bodemgesteldheid samenhangen, met name op een helling (zie onder hoofdstuk "Voor uw veiligheid", kopje "Werken op hellingen"), – onjuist vasthaken van lasten en slechte verdeling van de last. Ook wanneer u het apparaat volgens de voorschriften bedient, blijven er risico's bestaan.119 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL
4.3 Transport van de zitmaaier
De zitmaaier kan door het eigen gewicht zware kneuswonden veroorzaken. Ga bij het laden en lossen van de zitmaaier tijdens het transport in een voertuig of aanhangwagen met grote voorzichtigheid te werk. Deze zitmaaier mag niet worden gesleept. Gebruik voor het transport op de openbare weg een geschikt voertuig of een geschikte aanhanger. De zitmaaier moet bij het transport op een laadvlak worden bevestigd, zoals in deze gebruiksaanwijzing beschreven staat. Ook moet de handrem worden aangetrokken. (Ö 15.) Voor het transport moet de aandrijving van het maaimes resp. de combi-apparaten worden losgekoppeld. Houd u bij het transport van het apparaat aan de plaatselijke voorschriften, met name wat betreft de laadveiligheid en het transport van voorwerpen op laadoppervlakken. Het apparaat, vooral de verbrandingsmotor en geluiddemper, na het laden en voor verder transport volledig laten afkoelen. Het laadvlak en de omgeving van de geluiddemper en verbrandingsmotor dienen tijdens het transport vrij te worden gehouden van brandbare materialen zoals stro, bladeren of gedroogde grasresten.
4.4 Tanken – omgaan met benzine
Bewaar de brandstof uitsluitend in geschikte en goedgekeurde reservoirs (jerrycans). Schroef de tankdoppen van de jerrycans altijd goed erop en draai de doppen stevig vast. Om veiligheidsredenen moeten defecte afsluitingen worden vervangen. Houd benzine uit de buurt van vuur, permanent vuur, warmtebronnen en andere ontstekingsbronnen. Niet roken! Tank alleen in de buitenlucht en rook niet tijdens het tanken. Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen. De benzine moet vóór het starten van de verbrandingsmotor worden bijgevuld. Bij een draaiende verbrandingsmotor of hete machine mag de tankdop niet worden geopend en mag er geen benzine worden bijgevuld. Tankdop voorzichtig en langzaam openen. Wacht de drukcompensatie af en verwijder pas daarna de tankdop helemaal. Gebruik voor het bijtanken een geschikte trechter of een vulpijp, zodat er geen brandstof op de verbrandingsmotor en de behuizing of het gazon kan uitstromen. Tank de brandstoftank niet te vol! Vul de brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulplug, zodat de brandstof ruimte heeft om uit te zetten. Volg ook de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor op. Als er benzine is overgelopen, mag u de verbrandingsmotor pas starten nadat u het met benzine verontreinigde oppervlak hebt gereinigd. Start de verbrandingsmotor niet voordat de benzinedampen zijn verdampt (droog vegen). Gemorste brandstof moet meteen worden afgeveegd. Verwissel van kleding als er benzine op is gemorst. De tankdop moet elke keer na het tanken goed worden geplaatst en vastgeschroefd. De machine mag niet zonder vastgeschroefde originele tankdop worden gebruikt. Om veiligheidsredenen moet u de brandstofleiding, brandstoftank, tankdop en aansluitingen regelmatig op beschadigingen, veroudering (scheuren), een stevige bevestiging en lekkages controleren en zo nodig vervangen (neem contact op met een vakhandelaar, STIHL raadt de STIHL vakhandelaar aan). Als de tank moet worden geleegd, moet dit in de buitenlucht worden uitgevoerd. Gebruik geen drankflessen of soortgelijke zaken om brandstoffen en smeermiddelen af te voeren of op te slaan, zoals bijv. benzine. Personen, met name kinderen, zouden in de verleiding kunnen komen om eruit te drinken. Sla het apparaat nooit op in een gebouw met benzine in de tank. Ontstane benzinedampen kunnen met open vuur of vonken in aanraking komen en ontbranden. Zet de machine en de brandstoftank niet in de buurt van verwarmingen, warmtestralers, lasapparaten en andere warmtebronnen. Explosiegevaar! Levensgevaarlijk! Benzine is giftig en in hoge mate ontvlambaar.0478 192 9910 A - NL
4.5 Kleding en uitrusting
Draag tijdens werkzaamheden altijd stevige schoenen met grip. Werk nooit op blote voeten of bijvoorbeeld op sandalen. De machine mag alleen met een lange broek en nauwe kleding aan in gebruik worden genomen. Draag nooit losse kledingstukken die aan draaiende onderdelen (bedieningshendel) kunnen blijven hangen – ook geen sieraden, geen stropdassen en geen sjaals. Bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden en tijdens het vervoer van de machine ook telkens stevige handschoenen dragen en lang haar samenbinden en bedekken (hoofddoek, muts enz.). Bij het slijpen van het maaimes moet altijd een geschikte veiligheidsbril worden gedragen. Tijdens het werken ontstaat lawaai. Lawaai kan het gehoor beschadigen. Draag gehoorbescherming.
Het moet duidelijk zijn, dat er alleen personen met het apparaat werken die de gebruiksaanwijzing kennen. Controleer het brandstofsysteem vóór ingebruikname van het apparaat op lekkage, met name de zichtbare onderdelen, zoals bijv. tank, tankdop, slangverbindingen. Verbrandingsmotor bij lekkage of schade niet starten – Brandgevaar! Apparaat vóór ingebruikname door vakhandelaar laten repareren. Het opstappen en het afstappen van het apparaat moet bij gemonteerd maaiwerk via de linkerzijde gebeuren. Aan de rechterkant bevindt zich de deflectorklep waarop nooit mag worden gestaan. Neem de gemeentelijk voorgeschreven tijden voor het gebruik van tuinapparatuur met verbrandingsmotor of elektromotor in acht. Controleer het complete terrein waarop de machine wordt gebruikt en verwijder alle stenen, stokken, kabels, botten en andere voorwerpen die door de machine omhoog kunnen worden geslingerd. Hindernissen (bijv. boomstronken, wortels) kunnen in het hoge gras eenvoudig over het hoofd worden gezien. Markeer daarom vóór het maaien alle in het gazon verborgen vreemde voorwerpen (hindernissen) die niet verwijderd kunnen worden. Vóór het gebruik van het apparaat moeten alle defecte, versleten en beschadigde onderdelen worden vervangen. Onleesbare of beschadigde waarschuwingsaanwijzingen op het apparaat moeten worden vervangen. Stickers en alle verdere vervangingsonderdelen zijn verkrijgbaar bij uw STIHL vakhandelaar. Gebruik de machine nooit met beschadigde of ontbrekende veiligheidsvoorzieningen. Op het maaiwerk moet steeds de vastgeschroefde uitwerpnippel (uitwerpkanaal op maaiwerk) goed gemonteerd zijn. Deze mag niet beschadigd zijn en zo nodig door een vakman worden vervangen. Controleer de werking van de rem voor elke inbedrijfstelling. (Ö 12.5) Controleer vóór elk gebruik: – of het snijgereedschap en de complete snijeenheid (maaimes, messenkoppeling, messenrem, bevestigingsbout, maaiwerkbehuizing) in onberispelijke staat verkeren. Er moet vooral worden gecontroleerd op veilige montage, schade en slijtage. – of de tankdop stevig vastgeschroefd is. – of de tank en de brandstofbevattende delen en de tankdop in onberispelijke staat verkeren. – of de veiligheidsvoorzieningen in onberispelijke staat verkeren en goed werken. – of de banden (luchtdruk, beschadigingen, slijtage) en het frame in onberispelijke staat verkeren. De schroefverbindingen moeten op correcte montage worden gecontroleerd. Alle onderhoudswerkzaamheden die in het onderhoudsschema worden vermeld onder de rubriek "Vóór het in bedrijf nemen" moeten in elk geval worden uitgevoerd. (Ö 14.1) Neem indien nodig contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.121 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL
4.7 Tijdens het werken
Werk nooit als er personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. Let erop, dat gras nooit in de richting van derden wordt uitgeworpen. Werk niet met het apparaat bij regen, onweer en met name niet bij blikseminslaggevaar. Uitlaatgassen: Het apparaat genereert giftige uitlaatgassen zodra de verbrandingsmotor is ingeschakeld. Deze gassen bevatten giftig koolmonoxide, een kleur- en reukloos gas, en andere schadelijke stoffen. De verbrandingsmotor mag nooit in afgesloten of slecht geventileerde ruimtes in werking worden gezet. De uitlaatgassen van de verbrandingsmotor worden tussen de beide voorwielen naar voor uitgestoten. Tijdens het werken met het apparaat moet erop worden gelet, dat dit gedeelte steeds schoon blijft en nooit wordt afgedekt, zodat de uitlaatgassen niet opstuwen. Starten: De machine mag alleen vanuit de bestuurdersstoel worden gestart. Start de machine op een vlakke ondergrond, niet op een helling. De verbrandingsmotor mag alleen in een goed geventileerde werkruimte worden gestart, vooral in garages moet op voldoende beluchting worden gelet. Voordat u de verbrandingsmotor start, koppelt u het snijgereedschap, de combi- apparaten en de aandrijving los en trapt u het rempedaal krachtig in. Houd bij het starten altijd voldoende afstand tussen uw voeten en het snijgereedschap. Start de verbrandingsmotor nooit door kortsluiten van de klem van de startmotor. Bij het overbruggen van het normale schakelcircuit van de startmotor kan de zitmaaier plotseling in beweging komen. Start de verbrandingsmotor nooit wanneer u benzinelucht ruikt – explosiegevaar! Werken: Werk alleen bij daglicht of bij goede kunstverlichting. Bij het rijden buiten het gazon of wanneer er niet wordt gemaaid, moeten de maaimessen worden losgekoppeld en moet het maaiwerk in de hoogste snijstand worden gezet. U moet om in het gras verborgen voorwerpen heenrijden (beregeningsinstallaties, palen, waterkranen, fundamenten, stroomkabels enz.). Rijd nooit over dergelijke voorwerpen heen. Bij het werken met extra combi-apparaten wordt aanbevolen het maaiwerk te demonteren – zie gebruiksaanwijzing van de combi-apparaten. Houd het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vast. Voorzichtigheid is met name bij het rijden op gazons en andere oneffen terreinen geboden, omdat het stuurwiel bij het rijden in putten, over heuvels en bij schokken enz. vanzelf kan verdraaien. Gevaar voor letsel aan handen en vingers! Wanneer er tijdens het werken een defect aan de tank, de tankdop of aan brandstofvervoerende onderdelen (brandstofleidingen) wordt vastgesteld, moet de verbrandingsmotor meteen worden uitgeschakeld. Neem vervolgens contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Let op kuilen (gaten) in het terrein en andere onzichtbare gevaarlijke plekken. Hindernissen kunnen in het hoge gras eenvoudig over het hoofd worden gezien. Rijd steeds met een gepaste snelheid. Gebruik het apparaat uiterst behoedzaam wanneer u in de buurt van hellingen, terreinkanten, sloten en dijken werkt. Houd met name voldoende afstand tot dergelijke gevarenzones. Levensgevaar door vergiftiging! Stop onmiddellijk met werken bij misselijkheid, hoofdpijn, zichtstoornissen (bijv. blikvernauwing), slecht horen, duizeligheid of een verminderd concentratievermogen. Deze symptomen kunnen onder andere door een te hoge concentratie uitlaatgassen worden veroorzaakt. Let op – Kans op letsel! Let op het werkbereik van het maaimes. Houd handen of voeten nooit tegen of onder draaiende onderdelen. Raak het ronddraaiende maaimessen nooit aan. Blijf altijd uit de buurt van de uitwerpopening. Houd altijd voldoende veiligheidsafstand in acht.0478 192 9910 A - NL
Ga met name voorzichtig te werk op onoverzichtelijke plekken, bosjes, bomen en andere hindernissen waarachter zich personen, met name kinderen, of dieren kunnen bevinden. Stop de zitmaaier meteen en schakel de maaimessen uit wanneer er iemand binnen het maaibereik komt. Houd de zone vóór het voertuig voortdurend in de gaten. Let op hindernissen om deze tijdig te kunnen ontwijken. Controleer voordat u achteruit rijdt altijd de zone achter de zitmaaier en koppel indien aanwezig het combi-apparaat los. Maai nooit achteruit als dit niet beslist noodzakelijk is. Wees bij het achteruit rijden bijzonder voorzichtig en controleer voorafgaand aan het maaien het gehele gebied achter de zitmaaier grondig. Laat als u met een groep aan het werk bent, de anderen steeds tijdig weten wat u van plan bent. Neem de veiligheidsafstand in acht! Verlaag steeds de rijsnelheid voordat u van richting verandert, zodat u altijd de machine onder controle houdt en de zitmaaier ook niet kan kantelen. Let bij het werken in de buurt van wegen en bij het oversteken van verkeerswegen op andere verkeersdeelnemers. Wees bijzonder voorzichtig bij het maaien in de buurt van wegen, fietspaden en wandelpaden. Weggeslingerde onderdelen kunnen ernstig letsel en zware schade tot gevolg hebben. Wanneer de zitmaaier met combi- apparaten wordt gebruikt, moeten steeds de meegeleverde aanwijzingen en veiligheidsvoorschriften worden gevolgd. Schakel de aandrijving uit, schakel de verbrandingsmotor uit en wacht tot de maaimessen volledig stilstaan, trek de handrem aan en verwijder de contactsleutel: – voordat u blokkeringen of verstoppingen verwijdert, – voordat u de zitmaaier gaat controleren, reinigen of eraan gaat werken, – als een maaimes een vreemd voorwerp heeft geraakt. Zoek naar beschadigingen aan de machine en aan het snijgereedschap en laat de vereiste reparaties uitvoeren voordat u de machine opnieuw start, – als het apparaat abnormaal hard begint te trillen. Een onmiddellijke controle is noodzakelijk. – bij het achterlaten of het transport van het apparaat. Schakel de verbrandingsmotor uit en wacht totdat de maaimessen geheel stil staan: – vóór het bijvullen van brandstof. Werken op hellingen: Op hellingen gebeuren vaak ongevallen doordat men de controle over de machine verliest of doordat deze omvalt. Dit kan leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel. Er bestaat geen "veilige" helling. Bij het rijden op met gras begroeide hellingen is bijzondere opmerkzaamheid vereist. Om veiligheidsredenen mag het apparaat niet op hellingen steiler dan 10° (17,6 %) worden gebruikt. Kans op letsel! Een stijging van de helling van 10° betekent een verticale stijging van 17,6 cm bij een horizontale lengte van 100 cm. Voor gegarandeerd voldoende smering van de verbrandingsmotor moeten bij het gebruik van het apparaat op hellingen ook de instructies in de meegeleverde gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor in acht worden genomen. Wanneer u de helling niet achterwaarts omhoog kunt rijden of als u niet zeker bent, is het aan te raden om de helling niet op te rijden. Start of stop bij voorkeur niet op hellingen. Gebruik de machine niet op plekken zoals hellingen of sloten waar deze kan kantelen of wegglijden. De kans op kantelen of wegglijden wordt groter naarmate de ondergrond losser of vochtiger is. Rijd op hellingen altijd in de lengterichting. Bij het dwars rijden is er meer kans op kantelen. Wijzig bij ritten op hellingen niet abrupt de snelheid of de richting. Voor het maaien onder zulke omstandigheden dient de zitmaaier voorzichtig, rustig en gelijkmatig te worden bediend. Verander op hellingen niet van richting. Keer op hellingen alleen wanneer dit onvermijdelijk is; rijd indien mogelijk langzaam en in brede bogen bergafwaarts.123 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Maai geen nat gras, vooral niet op hellingen, omdat de wielen op nat gras minder grip hebben. De zitmaaier kan dan wegglijden en is niet meer onder controle te houden. Bij het rijden op hellingen mag de transmissie niet via de vrijloop van de transmissie worden ontgrendeld. Wees bij het bedienen van combi- machines uiterst voorzichtig (andere gewichtsverdeling op de machine). Probeer de zitmaaier nooit te stabiliseren door een voet op de grond te zetten. Wanneer de wielen doorschieten of wanneer het voertuig bij het rijden op een helling bergopwaarts blijft steken, moet de maaimessen of het combi-apparaat worden uitgeschakeld. Verlaat vervolgens de helling door langzaam recht bergafwaarts naar beneden te rijden. Trekken van lasten: Wees bij het trekken van lasten bijzonder voorzichtig om het gevaar van ernstig of zelfs dodelijk letsel door het kantelen van de zitmaaier te voorkomen. Gebruik voor het transporteren van voorwerpen uitsluitend door STIHL goedgekeurde accessoires. Het transport op de zitmaaier is niet toegestaan. Gebruik voor het trekken van lasten uitsluitend de trekhaak. Lasten mogen nooit op de asbehuizing of op een andere plek boven de trekhaak worden bevestigd. Zie voor gegevens over de treklast en het draagvermogen het hoofdstuk "Trekken van lasten". (Ö 12.8) Overschrijden van de aangegeven last is gevaarlijk en kan schade aan het apparaat (verbrandingsmotor, transmissie enz.) tot gevolg hebben. De lasten moeten bij het transporteren op hellingen zodanig worden aangepast dat een veilige bediening van de zitmaaier (bijv. remmen, van richting veranderen, wegrijden) nog altijd gegarandeerd is. Controleer of de lasten deskundig en stevig zijn bevestigd. Voor het bevestigen van lasten moeten transportbanden worden gebruikt. Verdeel de last gelijkmatig. De overeenkomstige extra gewichten (accessoire) gebruiken wanneer het in de gebruiksaanwijzing van het toestel wordt beschreven. Neem geen korte bochten. Wees uitermate voorzichtig bij het achteruitrijden. Wijzig de snelheid of de richting niet abrupt. Stoppen en uitschakelen: De zitmaaier mag uitsluitend op een vlakke ondergrond worden uitgeschakeld. Controleer of de zitmaaier volledig stil staat voordat u van de zitmaaier af stapt. Houd rekening met de uitloop van het snijgereedschap. Het duurt enkele seconden voordat het snijgereedschap helemaal tot stilstand is gekomen. Vóór het verlaten van de bestuurdersstoel de maaimessen of de aandrijving naar de combi-apparaten uitschakelen, het maaiwerk en alle combi-apparaten laten zakken, alle stuurhendels in de neutrale standen zetten, de handrem aantrekken, de verbrandingsmotor uitschakelen en de contactsleutel eruit trekken. Bewaar de contactsleutel zodanig dat uitsluitend bevoegde personen er toegang toe hebben.
4.8 Onderhoud en reparaties
Zet het apparaat voorafgaand aan reinigings-, instel-, reparatie- en onderhoudswerkzaamheden op een stevige, vlakke ondergrond, trek de handrem aan, schakel de verbrandingsmotor uit en laat deze afkoelen en trek de contactsleutel eruit. Bedenk dat het bewegen van snijgereedschap het draaien van de andere snijgereedschap tot gevolg heeft. Voor werkzaamheden rondom de verbrandingsmotor, het uitlaatspruitstuk en de geluiddemper eerst het apparaat laten afkoelen – ook bij alle onderhoudswerkzaamheden aan het maaiwerk. De temperaturen kunnen tot 80° C en meer oplopen. Kans op brandwonden! Reiniging: Na het gebruik moeten de complete zitmaaier en de combi-apparaten worden gereinigd. Verwijder in elk geval alle grasresten omdat het vocht in het gras na verloop van tijd beschadigingen veroorzaakt. STIHL raadt het gebruik van een hogedrukreiniger af. (Ö 14.2) Maaiwerk demonteren bij reinigingswerkzaamheden. Maaiwerk nooit met waterstralen (b. v. tuinslang) of door aankoppelen in waterplassen reinigen. Rijd voor het reinigen (bijv. van het frame van de zitmaaier) nooit dicht langs een rand of een sloot.0478 192 9910 A - NL
Om brandgevaar te voorkomen, moet u de verbrandingsmotor, de koelvinnen, het accuvak, het gedeelte rondom de tank en de uitlaat vrij houden van gras, bladeren of uitstromende olie (vet). Onderhoudswerkzaamheden: Er mogen alleen onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd die in deze gebruiksaanwijzing vermeld staan. Alle andere werkzaamheden dient u door een vakhandelaar te laten uitvoeren. Neem altijd contact op met een vakhandelaar als u niet over de vereiste kennis en gereedschappen beschikt. STIHL raadt aan onderhoudswerkzaamheden en reparaties uitsluitend door de STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren. STIHL vakhandelaren volgen regelmatig cursussen en krijgen voortdurend technische informatie ter beschikking gesteld. Gebruik uitsluitend gereedschappen, accessoires of combi-apparaten die voor dit apparaat door STIHL zijn goedgekeurd of technisch gelijkwaardige onderdelen, om de kans op ongevallen met letsel of schade aan het apparaat te voorkomen. Neem bij vragen contact op met een vakhandelaar. Originele STIHL gereedschappen, accessoires en vervangingsonderdelen zijn wat betreft hun eigenschappen optimaal op het apparaat en de behoeften van de gebruiker afgestemd. Originele STIHL vervangingsonderdelen zijn herkenbaar aan het STIHL onderdeelnummer, het STIHL logo en eventueel het STIHL symbool op de onderdelen. Op kleine onderdelen kan ook alleen het teken staan. De zitmaaier en alle combi-machines moeten een keer per jaar door een vakhandelaar worden geïnspecteerd. (Ö 14.1) Houd waarschuwings- en instructiestickers altijd leesbaar en schoon. Beschadigde of verloren gegane stickers moeten via uw STIHL vakhandelaar door nieuwe originele stickers worden vervangen. Let er bij het vervangen van een onderdeel door een nieuw onderdeel op dat het nieuwe onderdeel van dezelfde stickers is voorzien. Om veiligheidsredenen moeten brandstofbevattende onderdelen (brandstofleiding, brandstofkraan, brandstoftank, tankdop, aansluitingen enz.) regelmatig op beschadigingen en lekkages worden geïnspecteerd en indien nodig door een erkende vakman worden vervangen (STIHL raadt de STIHL vakhandelaar aan). Voorafgaand aan werkzaamheden aan of in de buurt van elektrische componenten moet de minkabel (–) op de accu worden losgekoppeld. Het apparaat is met talloze veiligheidsvoorzieningen uitgerust. Deze voorzieningen mogen niet worden verwijderd of gemodificeerd (bijv. overbrugd) en moeten regelmatig worden geïnspecteerd. Werkzaamheden aan de veiligheidsvoorzieningen mogen uitsluitend door een erkende monteur worden uitgevoerd. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Zorg ervoor dat alle moeren, bouten en schroeven, met name de mesbevestigingsbouten, goed zijn vastgedraaid zodat het apparaat veilig functioneert. Om veiligheidsredenen moeten versleten of beschadigde onderdelen meteen worden vervangen. Vanwege het gewicht van de zitmaaier is bij werkzaamheden onder de machine grote voorzichtigheid geboden. Neem daarom contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Deze beschikt over een werkput of een hydraulische werkbrug. Controleer of de voor- en achterwielen goed vastzitten. Houd de zitmaaiers en de combi- apparaten voortdurend in onberispelijke staat, alle veiligheidsvoorzieningen moeten aanwezig en in onberispelijke staat zijn. Controleer of de banden voldoende spanning hebben. De in de gebruiksaanwijzing vermelde bandenspanning mag niet worden overschreden. Werk aan de maaimessen uitsluitend met dikke werkhandschoenen en met de uiterste voorzichtigheid. Controleer de werking van de rem met regelmatige korte tussenpozen en laat eventueel de vereiste instellingen of onderhoudswerkzaamheden door een erkende vakhandelaar uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Elektrisch systeem en accu: Ter voorkoming van vonkvorming als gevolg van kortsluiting moet steeds eerst de minkabel (–) op de accu worden losgekoppeld en als laatste weer erop worden aangesloten.125 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Rook bij ongeacht welke werkzaamheden aan de accu nooit. Houd vonken, open vuur en andere warmtebronnen ver van de accu. Bij het gebruik van startkabels is bijzondere voorzichtigheid geboden. Neem de desbetreffende instructies in acht ter voorkoming van schade aan de zitmaaier (in elk geval de starter maximaal 10 seconden ingedrukt houden). (Ö 12.2) Voor het opladen van de accu met behulp van een ander laadsysteem moeten de aanwijzingen in het hoofdstuk "Accu laden" worden opgevolgd. (Ö 14.19) Open nooit de accu en laat deze niet vallen. Laad de accu altijd op in een gesloten, goed geventileerde, droge en tegen weersinvloeden beschermde ruimte. Sluit de aansluitingen van de accu niet kort. Vervormde of defecte (lekkende) accu's mogen niet meer worden gebruikt en moeten worden vervangen en milieuvriendelijk worden afgevoerd. Neem de nationale voorschriften in acht. Bij defecte accu's kan vloeistof uitlekken. Voorkom aanrakingen met de huid! Bij onbedoeld contact met water afspoelen. Indien de vloeistof in aanraking komt met de ogen, spoelt u deze eerst met water en consulteert u een arts. Uitstromende accuvloeistof kan huidirritatie, brandwonden en bijtende plekken veroorzaken. Inspecteer de aansluitkabels op de accu regelmatig visueel op beschadigingen. Laat beschadigde kabels vervangen door een erkende monteur. De zekeringen mogen nooit worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven capaciteit (ampère).
4.9 Opslag bij langdurige
bedrijfsonderbrekingen Laat de verbrandingsmotor afkoelen voordat u het apparaat in een afgesloten ruimte plaatst. Bewaar de zitmaaier met een lege tank en de brandstofvoorraad in een afsluitbare en goed geventileerde ruimte. Bewaar de machine nooit met benzine in de tank in binnenruimtes waar eventuele benzinedampen met open vuur of vonken in aanraking kunnen komen. Als de tank moet worden afgetapt (b v. stilleggen voor de winterpauze), mag de brandstoftank uitsluitend in de open lucht worden geledigd (tank b v. in de open lucht leegrijden door de verbrandingsmotor te laten draaien). Sla het apparaat in een veilige staat op. De contactsleutel moet er altijd worden uitgehaald en op een veilige plek worden bewaard om het onbevoegd of ondeskundig gebruik door kinderen en andere personen te voorkomen. Reinig de zitmaaier voor het opslaan (bijv. winterpauze) grondig. Droge grasresten en bladeren in de buurt van de geluiddemper kunnen ontbranden. Gevaar voor ontbranding! Verricht voor het opslaan alle noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden (o.a. smeren). (Ö 14.1) Wanneer de zitmaaier gedurende langere tijd buiten werking wordt gesteld, moeten de accukabels worden losgekoppeld. STIHL raadt aan de accu te demonteren en deze volledig opgeladen in een droge en afgesloten ruimte op te slaan. (Ö 14.18) Beveilig accu's tegen gebruik door onbevoegden (bijv. kinderen). Laat het apparaat volledig afkoelen voor dat u het bedekt.
Afvalproducten zoals gebruikte olie of brandstof, gebruikte smeermiddelen, filters, accu's en soortgelijke slijtageonderdelen zijn slecht voor mensen en dieren en kunnen het milieu beschadigen. Ze moeten derhalve op de juiste wijze worden afgevoerd. Neem contact op met het recyclingcenter of uw vakhandelaar voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Voer een apparaat aan het eind van de levensduur ervan op de daarvoor bestemde wijze af. Maak het apparaat onbruikbaar voordat het als afval wordt verwerkt. Verwijder ter voorkoming van ongevallen in het bijzonder de contactsleutel, de accu en de bougiekabel aan de verbrandingsmotor. Kans op letsel door het maaimes! Laat ook een oude zitmaaier aan het eind van de levensduur nooit zonder toezicht staan. Bewaar de machine en in het bijzonder de maaimessen altijd buiten het bereik van kinderen.0478 192 9910 A - NL
De accu moet gescheiden van de machine worden afgevoerd. Zorg dat accu’s veilig en milieuvriendelijk worden afgevoerd. Opgelet! Lees vóór ingebruikname de gebruiksaanwijzing en de veiligheidsinstructies en volg deze op. Kans op letsel! Vóór alle werkzaamheden aan het snijgereedschap en onderhouds- en reinigingswerkzaamheden de contactsleutel eruit trekken. Opgelet! Afstand houden. Opgelet! Houd bij een draaiende verbrandingsmotor rekening met wegslingerende onderdelen – werk met een deflectorklep. Kans op letsel! Rijd of maai niet op hellingen van meer dan 10° (17%). Kans op kantelen! Gevaar voor letsel! Houd andere personen uit de gevarenzone. Opgelet! Kom bij een draaiende verbrandingsmotor nooit binnen het werkbereik van de maaimessen. Kans op letsel! Maaiwerk niet betreden. Kans op brandwonden! Hete oppervlakken niet aanraken. Onderdelen van verbrandingsmotoren, met name geluiddempers, worden extreem heet. ● Inhoud van de motorolie controleren. (Ö 14.12) ● Brandstof bijtanken. (Ö 12.1) ● Brandstofkraan openen. (Ö 14.8) ● Bandenspanning optimaliseren. (Ö 14.9)
5. Toelichting van de
Pos. Omschrijving Stk. A Basistoestel 1 B Contactsleutel 2 Gebruiksaanwijzing 1 Gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor
7. Werkzaamheden vóór de
Contactsleutel (1) in het contactslot (2) steken. Door te draaien aan de contactsleutel kunnen de volgende vier posities worden gekozen: Verbrandingsmotor uit: De verbrandingsmotor is uitgeschakeld of wordt stilgelegd. Het licht is uitgeschakeld, de contactsleutel kan worden verwijderd. Licht aan (bedrijf met licht): Draaiende verbrandingsmotor: Het licht wordt ingeschakeld, de verbrandingsmotor loopt verder. Uitgeschakelde verbrandingsmotor: Het licht wordt ingeschakeld. Ontsteking aan en verbrandingsmotor loopt: De ontsteking wordt ingeschakeld, het licht is uitgeschakeld. Na het starten springt de contactsleutel automatisch terug in deze positie en draait de verbrandingsmotor. Verbrandingsmotor starten: Wanneer aan alle veiligheidstechnische aspecten voor het starten is voldaan en de contactsleutel in deze positie wordt gedraaid, start de verbrandingsmotor. Bij het loslaten van de contactsleutel springt deze weer terug in de positie "Verbrandingsmotor draait".
8.2 Gashendel met chokefunctie
(RT 4097 S, RT 4097 SX, RT 4112 S) Chokestand: Gashendel (1) geheel naar voor in de chokestand schuiven (op klikstand letten).
8. Bedieningselementen
Aanwijzing De contactsleutel kan alleen worden ingestoken en uitgetrokken in de stand verbrandingsmotor uit (STOP). Het contactslot mag alleen met de passende contactsleutel worden bediend. Gebruik nooit een schroevendraaier of een soortgelijk voorwerp. Aanwijzing Bij uitgeschakelde verbrandingsmotor wordt in de posities "Licht aan" en "Contact aan" na 20 seconden een signaaltoon geactiveerd. Het geluidssignaal geeft aan dat de accu wordt ontladen. Contactsleutel voor deactiveren van de signaaltoon in positie "Verbrandingsmotor uit" draaien of verbrandingsmotor starten. Aanwijzing Tijdens het starten met een koude verbrandingsmotor moet de gashendel bij de modellen RT 4097 S, RT 4097 SX en RT 4112 S in de chokestand worden gezet. Voorkom schade aan het apparaat! Bij een draaiende verbrandingsmotor mag de gashendel niet in de chokestand staan. Zet na het starten de gashendel onmiddellijk in de stand MAX.0478 192 9910 A - NL
Toerental van de verbrandingsmotor instellen: Wanneer de gashendel (1) naar onder of naar boven wordt geschoven, verandert het verbrandingsmotortoerental en bij een ingeschakeld maaiwerk het toerental van de maaimessen. Positie MAX: Wanneer de gashendel (1) naar voor in de richting van de MAX-markering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verhoogd. Positie MIN: Wanneer de gashendel (1) naar achter in de richting van de MIN-markering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verlaagd.
8.3 Gashendel (RT 4112 SZ)
Toerental van de verbrandingsmotor instellen: Wanneer de gashendel (1) naar onder of naar boven wordt geschoven, verandert het verbrandingsmotortoerental en bij een ingeschakeld maaiwerk het toerental van de maaimessen. Positie MAX: Wanneer de gashendel (1) naar voor in de richting van de MAXmarkering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verhoogd. Positie MIN: Wanneer de gashendel (1) naar achter in de richting van de MINmarkering wordt gezet, wordt het verbrandingsmotortoerental verlaagd.
8.4 Chokeknop (RT 4112 SZ)
Voor het starten met een koude verbrandingsmotor heeft het model RT 4112 SZ een extra chokeknop. Choke activeren: Aanwijzing Maai uitsluitend bij een maximaal toerental van de verbrandingsmotor. De gashendel moet in de MAX-positie staan. Aanwijzing Tijdens het starten met een koude verbrandingsmotor moet de gashendel bij het model RT 4112 SZ in de MAX-stand worden gezet. Daarnaast moet ook de chokeknop worden bediend. Aanwijzing Maai uitsluitend bij een maximaal toerental van de verbrandingsmotor. De gashendel moet in de stand MAX staan. Aanwijzing Bij het starten van de zitmaaier met een warme verbrandingsmotor moet de chokeknop niet worden uitgetrokken. BELANGRIJK: Druk zodra de verbrandingsmotor loopt de chokeknop weer terug in de uitgangspositie.129 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Trek vóór het starten de chokeknop (1) tot aan de aanslag uit. Choke deactiveren: Druk de chokeknop tot aan de aanslag in.
8.5 Schakelaar maaiwerk
Met de schakelaar maaiwerk kan bij een draaiende verbrandingsmotor het maaiwerk worden ingeschakeld of uitgeschakeld. De maaimessen in het maaiwerk beginnen te draaien of vallen stil. Maaiwerk inschakelen: Druk de schakelaar maaiwerk (1) aan de bovenzijde tot aan de aanslag in. Maaiwerk uitschakelen: Druk de schakelaar maaiwerk (1) aan de onderzijde tot aan de aanslag in.
8.6 Veiligheidsschakelaar achteruit
maaien Met de veiligheidsschakelaar achteruit maaien wordt het maaiwerk vrijgegeven voor het maaien in de rijrichting achteruit. Indien geen vrijgave volgt, wordt het maaiwerk uit veiligheidsoverwegingen automatisch ontkoppeld. Voor het achteruit maaien de veiligheidsschakelaar achteruit maaien (1) binnen een vastgelegd tijdsvenster met de linkervoet een keer kort indrukken. 1 Vrijgave bij ontkoppeld maaiwerk: ● Zitmaaier stoppen en de rijrichting achteruit kiezen. (Ö 8.7) ● Veiligheidsschakelaar achteruit maaien met de linkervoet een keer kort indrukken. ● Maaiwerk inkoppelen en achteruit maaien binnen 5 seconden starten. (Ö 8.5) Een vrijgave is ook tot 1 seconde na het starten mogelijk. 2 Vrijgave bij ingeschakeld maaiwerk: ● Veiligheidsschakelaar achteruit maaien bij lopend maaiwerk met de linkervoet een keer indrukken. ● Binnen 5 seconden in de rijrichting achteruit omschakelen en verder maaien. (Ö 8.7) Een vrijgave is ook tot 1 seconde na het wisselen van rijrichting mogelijk. Aanwijzing Schakel het maaiwerk niet in hoog gras of in de laagste snijstand in. Maaiwerk enkel bij draaiende verbrandingsmotor aankoppelen en bij maximum toerental van de verbrandingsmotor. Voor de veiligheid kan enkel ingeschakeld worden als de operator op de bestuurdersstoel zit (veiligheidsinrichting) Als de veiligheidschakelaar achteruit maaien permanent wordt ingedrukt, dan moet de schakelaar binnen een tijdsvenster worden losgelaten en opnieuw worden bediend.0478 192 9910 A - NL
8.7 Keuzehendel rijrichting
De keuzehendel rijrichting heeft twee standen. U kunt de rijrichting vooruit of achteruit kiezen. Rijrichting kiezen: Rijrichting vooruit: Zet de keuzehendel rijrichting (1) in de voorste stand. Rijrichting achteruit: Zet de keuzehendel rijrichting (1) in de achterste stand.
Door het stuurwiel (1) naar links L of naar rechts R te draaien, verandert u de rijrichting van de zitmaaier. Hoe verder het stuurwiel (1) wordt gedraaid, des te kleiner wordt de draaicirkel.
8.9 Verstellen bestuurdersstoel
De stoel kan traploos worden versteld. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Bestuurdersstoel naar voor klappen. Beide vleugelmoeren (1) losdraaien. Bestuurdersstoel in de gewenste stand zetten. Beide vleugelmoeren (1) vastschroeven.
Met behulp van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid van het apparaat traploos geregeld. Aanwijzing Voordat u de keuzehendel rijrichting activeert, moet u eerst het aandrijfpedaal loslaten. Bij een ingedrukt aandrijfpedaal is de keuzehendel rijrichting om veiligheidsredenen geblokkeerd en kan deze niet worden bediend. De zitmaaier komt niet in beweging als u alleen de keuzehendel rijrichting bedient. Waarschuwing! Houd het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vast. Aanwijzing Controleer vóór het induwen van het aandrijfpedaal of de juiste rijrichting op de keuzehendel rijrichting is geselecteerd. Na het aantrekken van de handrem of het induwen van het rempedaal kan uit veiligheidsoverwegingen het aandrijfpedaal niet worden ingeduwd.131 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Stoppen: Haal uw voet van het aandrijfpedaal (1). Rijsnelheid verlagen: Laat het aandrijfpedaal (1) iets opkomen. Rijsnelheid verhogen: Duw het aandrijfpedaal (1) in.
Met behulp van het rempedaal kan het apparaat tijdens het rijden worden afgeremd of in stilstand worden geblokkeerd. Trap het rempedaal (1) in. Hoe krachtiger het rempedaal (1) wordt ingetrapt, des te meer worden de achterwielen afgeremd.
Door de aangetrokken handrem worden de achterwielen van de machine geblokkeerd. Daardoor wordt voorkomen dat de zitmaaier zichzelf in beweging kan zetten (b.v. op hellingen enz.). Handrem aantrekken: Duw het rempedaal (1) met uw voet tot aan de aanslag naar beneden in en houd vast. Trek de handremhendel (2) naar boven. ● Laat het rempedaal weer los. De handrem is geactiveerd wanneer het rempedaal ingetrapt blijft. ● Laat de handremhendel los. Deze klapt naar onderen. De achterwielen zijn geblokkeerd. Handrem loszetten: Aanwijzing! Als het rempedaal wordt ingetrapt, worden beide achterwielen afgeremd. De rem werkt alleen op de beide achterwielen. Waarschuwing! Gebruik het apparaat nooit als de rem defect is. Laat een defecte rem altijd door een vakhandelaar repareren of afstellen. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Probeer nooit zelf de rem te onderhouden. Aanwijzing Controleer vóór het aantrekken van de handrem elke keer de werking van de rem.0478 192 9910 A - NL
Duw met uw voet het rempedaal (1) korte tijd in. ● Het rempedaal keert terug naar de oorspronkelijke uitgangspositie (de niet-ingetrapte toestand). De handrem is gedeactiveerd en de achterwielen zijn niet meer geblokkeerd.
8.13 Hendel snijhoogteverstelling
Met de hendel snijhoogteverstelling kunnen 7 snijstanden worden ingesteld. Hendel snijhoogteverstelling ontgrendelen: Ontgrendelen met gemonteerd maaiwerk: Hendel snijhoogteverstelling (1) naar binnen (naar bestuurdersstoel) trekken en vasthouden. Ontgrendelen met gedemonteerd maaiwerk: hendel snijhoogteverstelling (1) licht naar onder drukken en vasthouden. Hendel snijhoogteverstelling (1) naar binnen (naar bestuurdersstoel) trekken en vasthouden. ● De hendel snijhoogteverstelling is ontgrendeld en de snijstand kan worden versteld. Hendel snijhoogteverstelling vergrendelen: Hendel snijhoogteverstelling (1) langzaam met de hand naar buiten duwen tot de hendel snijhoogteverstelling in een klikstand vastklikt.
8.14 Hendel voor vrijloop transmissie
De transmissie kan met behulp van de hendel voor vrijloop transmissie worden losgekoppeld (bijv. voor het duwen van het apparaat) of worden vastgekoppeld (voor de wielaandrijving). Kans op letsel! Voor het ontgrendelen van de hendel snijhoogteverstelling de hendel aan de greep goed vasthouden. Om veiligheidsredenen de hendel snijhoogteverstelling alleen ontgrendelen terwijl het apparaat stil staat. Het ontgrendelingsverloop van de hendel voor snijhoogteverstelling is afhankelijk van het feit of het maaiwerk gemonteerd of gedemonteerd is. Waarschuwing! Kans op kneuzingen! De hendel voor vrijloop transmissie mag uitsluitend op een vlakke ondergrond worden uitgetrokken, omdat het apparaat zichzelf in beweging kan zetten. Bij het parkeren van het apparaat met een losgekoppelde transmissie moet altijd de handrem worden aangetrokken.133 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Transmissie loskoppelen: Trek de hendel voor vrijloop transmissie (1) tot de aanslag naar buiten. Transmissie inschakelen: Trek de hendel voor vrijloop transmissie (1) tot de aanslag naar binnen. De zitmaaier is uitgevoerd met elektronica die elke keer vóór het starten en tijdens het bedrijf alle veiligheidsvoorzieningen controleert en zo een veilig gebruik waarborgt.
9.1 Zelfdiagnose bij het starten
Voorafgaand aan het starten van de verbrandingsmotor voert de elektronica een zelfdiagnose uit. Hierbij worden schakelaars, kabels enz. gecontroleerd op hun goede werking. Activeren van de zelfdiagnose: ● Ga op de bestuurdersstoel zitten. ● Zet de handrem los. (Ö 8.12) ● Draai de contactsleutel in de positie "Contact aan" (Ö 8.1) – bedien hierbij geen schakelaar en geen pedaal. Zelfdiagnose zonder storing: Een korte pieptoon wordt geactiveerd – de elektronica is geactiveerd en de zitmaaier is startklaar. ● Start de verbrandingsmotor. (Ö 12.2) Zelfdiagnose met storing: Een ononderbroken pieptoon of drie opeenvolgende pieptonen worden geactiveerd. Een ononderbroken pieptoon duidt op een storing in de elektronica of een verkeerd aangesloten accu. ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (Ö 8.1) ● Controleer de polariteit van de accuaansluitingen en sluit de kabel eventueel juist aan. (Ö 14.18) ● Herhaal de zelfdiagnose. Als de ononderbroken pieptoon ook na de correcte aansluiting van de accu actief blijft, is er een elektronicadefect. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Drie opeenvolgende pieptonen wijzen op een elektrisch defect (kortsluiting) of defect aan de zitcontactschakelaar. De verbrandingsmotor kan niet worden gestart. ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (Ö 8.1) ● Laat de vakhandelaar een gedetailleerde diagnose uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
9.2 Defect aan de zitmaaier tijdens
bedrijf De elektronica houdt toezicht op een veilige toestand tijdens het werken. Bij een elektrisch defect (kortsluiting, losse stekker, kabelbreuk) worden drie opeenvolgende pieptonen geactiveerd. De verbrandingsmotor wordt uitgeschakeld. Werkwijze: ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (Ö 8.1) ● Activeer de zelfdiagnose. (Ö 9.1) Aanwijzing De hendel voor vrijloop transmissie bevindt zich achter het rechter achterwiel. De hendel voor vrijloop transmissie mag uitsluitend worden uitgetrokken wanneer de zitmaaier wordt verplaatst.
In zeldzame gevallen kan er tijdens het gebruik een storing in de elektronica zelf optreden. Een ononderbroken pieptoon wordt geactiveerd en de verbrandingsmotor valt stil. Werkwijze: ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor uit". (Ö 8.1) ● Activeer de zelfdiagnose. (Ö 9.1) ● Start de verbrandingsmotor opnieuw. (Ö 12.2)
Algemene aanwijzingen: Tijdens het maaien wordt het grasafval zijdelings van het maaiwerk over een grote oppervlakte uitgeworpen en blijft nadien op de bodem liggen. Daar het grasafval over een grote oppervlakte uitgeworpen wordt dient men met volgende punten rekening te houden: ● Let op de rijrichting. ● Maai uitsluitend bij een maximaal toerental van de verbrandingsmotor. (Ö 8.2), (Ö 8.3) ● Het gazon dient droog te zijn. Nat grasafval leidt door het hogere gewicht tot zwadvorming. ● De maaimessen moeten in goede staat zijn (scherp, niet beschadigd). (Ö 14.6) ● Pas de rijsnelheid aan de staat van het gazon aan. (Ö 8.10) ● De gepaste snijstand kiezen – niet te kort maaien. (Ö 12.6) Rijrichting bij het maaien: Tijdens het maaien moet op de juiste rijrichting gelet worden. De maairichting steeds zo kiezen dat het grasafval altijd op het reeds gemaaide gazondeel uitgeworpen wordt. Hierdoor wordt het grasafval gelijkmatig uitgeworpen en verdeeld. Verder wordt een overbelasting van het apparaat vermeden door te grote hoeveelheden gras. Voorbeeld: Maaien in spiraalvorm Als het defect niet kan worden verholpen, is een gedetailleerde diagnose vereist. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Als het defect niet kan worden verholpen, is een gedetailleerde diagnose vereist. Neem contact op met uw vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan.
10. Aanwijzingen voor
werken Waarschuwing! Kans op letsel! Neem vóór elke ingebruikname alle informatie door voor het veilig werken met de machine. Werk op hellingen altijd bijzonder opmerkzaam en voorzichtig. Aanwijzing Controleer voor het maaien of het maaiwerk goed is ingebouwd. Kies bij de eerste ingebruikname van uw apparaat een vlakke, effen ondergrond en maai als proef rechte en iets overlappende stroken. Gras moet altijd in droge staat worden gemaaid. Let op - Brandgevaar! Overbelasting van aandrijving maaiwerk vermijden. Door overbelasting kan de V-riem voortdurend gaan slippen waardoor uiteindelijk brandgevaar als gevolg van oververhitting ontstaat. Vreemde geluiden, bijv. een knarsende V-riem (schurend geluid), zijn tekenen van overbelasting. Daarom in hoog gras nooit met een verstopt uitwerpkanaal maaien; indien nodig een mulch-kit (speciale accessoire) gebruiken. Het maaiwerk moet vooral bij de V- riem steeds worden ontdaan van ontvlambaar materiaal (gras, bladeren, enz.) en regelmatig worden schoongemaakt, om brandgevaar te voorkomen. Het maaien wordt linksom uitgevoerd, en van buiten naar binnen. Hierdoor wordt het grasafval op het reeds gemaaide gazondeel uitgeworpen.135 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL ● Aan de buitenrand van het gazon starten en naar binnen toe werken, ● rijrichting linksom kiezen. Vermijden van verstoppingen in het maaiwerk / in de uitwerpopening: Om verstoppingen in de uitwerpopening van het maaiwerk te voorkomen dient deze tijdens het maaien steeds in het oog worden gehouden, en indien nodig gereinigd worden. Indien de uitwerpopening van het maaiwerk over een korte afstand reeds verstopt geraakt, verminder dan de rijsnelheid of kies een hogere snijstand. Als het probleem aanhoudt, is de oorzaak waarschijnlijk gelegen in botte messen of beschadigde of versleten vleugels van de maaimessen. Maaimes slijpen of vervangen. Bovendien moeten de binnenzijde van maaiwerk, het uitwerpopening en het maaimes na elk gebruik worden gereinigd, zodat er geen grasresten aankoeken. Bemesten: Bij het maaien worden er permanent voedingsstoffen aan de bodem onttrokken. Deze kunnen door middel van een hoogwaardige gazonmest weer worden aangevuld. In de regel volstaan drie bemestingssessies per maaiseizoen. Hierbij moet het gazon droog zijn om te voorkomen dat de mest aan de grassprieten blijft kleven, waardoor deze verbranden. Besproei het gazon achteraf met water om de mest in elk geval van de sprieten te spoelen. (Volg de verwerkingsinstructies van de fabrikant op.) Bodemontziend werken: De belangrijkste factoren voor bodemontziend werken zijn de gehanteerde techniek en de vochtigheid van de bodem. Voor een goed maairesultaat moet de rijsnelheid worden aangepast aan de staat van het te maaien gras (lengte en volheid) en aan de vochtigheidsgraad van het gazon. Bij te kort genomen bochten neemt de belasting op de grasnerf toe. Dit levert met name bij een nat gazon slechte maairesultaten op, omdat de wielen in het zachte gazon wegzakken. Voor een veilige bediening en ter voorkoming van onjuist gebruik is het apparaat van verschillende veiligheidsvoorzieningen voorzien. Voor het starten van de verbrandingsmotor moet in elk geval: – het maaiwerk moet uitgeschakeld zijn, – het rempedaal ingeduwd of de handrem aangetrokken zijn. De verbrandingsmotor wordt uitgeschakeld als de gebruiker: – de bestuurdersstoel verlaat terwijl het maaiwerk is ingeschakeld, – de bestuurdersstoel verlaat terwijl de handrem niet is aangetrokken. Geïntegreerde messen-uitlooprem: Na het uitschakelen komen de maaimessen pas na 5 seconden tot stilstand. ● Lees het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (Ö 4.) ● Maak uzelf vertrouwd met de bedieningselementen van de machine. (Ö 8.) ● Neem vóór de ingebruikname het onderhoudsschema door en voer al het noodzakelijk onderhoud uit. (Ö 14.1)
11. Veiligheidsvoorzieningen
Kans op letsel! Bij een eventueel defect aan een van de veiligheidsvoorzieningen mag het apparaat niet in bedrijf worden genomen. Neem contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. Aanwijzing Na het inschakelen van het maaiwerk draaien de maaimessen en is er een windgeruis te horen. De uitlooptijd duurt even lang als het windgeruis na het uitschakelen. Dit kan met een stopwatch worden gemeten.
● Controleer vóór elke inbedrijfstelling of alle veiligheidsvoorzieningen functioneren. De veiligheidsinrichtingen mogen niet ontbreken of worden beschadigd, overbrugd of gewijzigd. (Ö 11.)
12.1 Brandstof bijtanken
Maximale tankinhoud: 9liter Advies: Verse merkbrandstoffen, gegevens over de brandstofkwaliteit (octaangetal) vindt u in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor. – Loodvrije benzine. Vulprocedure: ● Schakel de verbrandingsmotor voor het bijtanken uit en laat deze afkoelen (handwarm). (Ö 12.3) ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) Brandstof langzaam en voorzichtig vullen. Om overlopen te vermijden zal het vullen in meerdere stappen opgedeeld worden. Tussen de verschillende stappen de vultrechter wegnemen en visueel de inhoud van de tank controleren. Hoe meer brandstof reeds werd gevuld, des te kleiner moeten de hoeveelheden per stap worden. Vul de brandstoftank nooit tot boven de onderkant van de vulplug, zodat de brandstof ruimte heeft om uit te zetten. Tankdop: Tankdop (1) losdraaien (let op de pijlrichting) en wegnemen. ● De brandstof met behulp van een gepaste vultrechter (niet meegeleverd) bijvullen (zie vulprocedure). Tankdop (1) bevestigen en indraaien (let op de pijlrichting). Vervolgens de tankdop (1) handvast vastdraaien. ● Veeg gemorste brandstof droog en laat deze even verdampen, voordat de verbrandingsmotor wordt gestart.
12.2 Verbrandingsmotor starten
Neem vóór het starten de volgende punten in acht ● Lees het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (Ö 4.) ● Motoroliepeil controleren. (Ö 14.12) ● Grasresten uit het maaiwerk en de motorruimte verwijderen. ● Brandstofpeil controleren. Kans op letsel! Om veiligheidsredenen mag de machine niet op hellingen steiler dan 10° (17,6 %) worden gebruikt. 17,6 % helling betekent een verticale stijging van 17,6 cm bij 100 cm horizontale lengte. Om morsen van brandstof te voorkomen, gebruik voor het vullen van de brandstof een geschikte trechter (wordt niet meegeleverd) gebruiken. Kans op letsel! Lees vóór het starten het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (Ö 4.) Start het apparaat uitsluitend wanneer de gebruiker op de bestuurdersstoel zit. Tijdens het werken (bijv. maaien) moet de gashendel altijd in de MAX-stand staan. Voorkom schade aan het apparaat! Start de verbrandingsmotor niet, weet dat bij meerdere tevergeefse startpogingen de verbrandingsmotor kan "verzuipen“. De contactsleutel mag bij het starten nooit langer dan maximaal 10 seconden in de stand "Verbrandingsmotor starten" worden gehouden.137 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL ● Controleer vóór elke ingebruikname of de rem goed werkt. (Ö 12.5) ● Stel alle specifieke instellingen (van de bestuurdersstoel) op het apparaat in. Niet bij een draaiende verbrandingsmotor! ● Start het apparaat niet als er personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. Startvolgorde Het apparaat moet in de volgende volgorde worden gestart. ● Open de brandstofkraan. (Ö 14.8) ● Trap het rempedaal vóór het starten tot aan de aanslag in en houd het ingetrapt of trek de handrem aan. (Ö 8.11), (Ö 8.12) ● Schakelaars maaiwerk controleren: Het maaiwerk moet uitgeschakeld zijn. (Ö 8.5) ● Steek de sleutel in het contactslot en draai deze in de stand "Contact aan" of "Verbrandingsmotor draait". (Ö 8.1) ● Bij een koude verbrandingsmotor: RT 4097 S, RT 4097 SX, RT 4112 S: Zet de gashendel in de chokestand. (Ö 8.2) RT 4112 SZ: Zet de gashendel in de MAX-stand en trek aan de chokeknop. Bij warme verbrandingsmotor: Zet de gashendel in de MAX-stand. (Ö 8.3) ● Draai de contactsleutel in de stand "Verbrandingsmotor starten". De verbrandingsmotor start. Laat de contactsleutel los zodra de verbrandingsmotor draait. Deze springt vanzelf terug in de stand "Contact aan" of "Verbrandingsmotor draait". ● RT 4097 S, RT 4097 SX, RT 4112 S: Zet de gashendel bij draaiende verbrandingsmotor in de MAX-stand terug. Let op de klikstand! (Ö 8.2) RT 4112 SZ: Druk de chokeknop in. (Ö 8.4) ● De verbrandingsmotor draait. De voet kan van het rempedaal worden gehaald.
12.3 Verbrandingsmotor uitschakelen
De verbrandingsmotor moet in de volgende volgorde worden uitgeschakeld: ● Rem het apparaat af totdat het stil staat. ● Maaiwerk uitschakelen. (Ö 8.5) ● Gashendel in de MIN-stand zetten. (Ö 8.2), (Ö 8.3) ● Contactsleutel in de stand "verbrandingsmotor uit" draaien. De verbrandingsmotor schakelt uit, ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Eventueel de brandstofkraan sluiten. (Ö 14.8) ● De contactsleutel eruit trekken en zodanig bewaren dat uitsluitend bevoegde personen toegang ertoe hebben.
De volgende punten moeten vóór het rijden in acht worden genomen: ● Controleer vóór elke rit of de rem goed werkt. (Ö 8.11) ● Hendel van de transmissievrijloop inschakelen. (Ö 8.14) ● Breng het apparaat tot stilstand en schakel daarna pas de keuzehendel voor de rijrichting om. Vooruit rijden: ● Verbrandingsmotor starten. (Ö 12.2) ● Keuzehendel rijrichting in de voorste stand (rijrichting vooruit) zetten. (Ö 8.7) ● Handrem loszetten, indien aangetrokken. (Ö 8.12) Vóór het uitschakelen van de verbrandingsmotor het maaiwerk uitschakelen. (Ö 8.5) Kans op letsel! Als de machine na het uitschakelen van de verbrandingsmotor wordt verlaten, moet de contactsleutel om veiligheidsredenen worden verwijderd. Bewaar de contactsleutel op een plek waartoe alleen bevoegde personen toegang hebben, om gebruik door kinderen of andere personen die niet vertrouwd zijn met de machine, te voorkomen. Bovendien moet voor het verlaten van de machine altijd de handrem worden aangetrokken. (Ö 8.12) Waarschuwing! Kies op ongebaande paden altijd een lagere rijsnelheid. Elke keer dat u van rijrichting verandert, met name op hellingen, moet de rijsnelheid overeenkomstig worden verminderd. Om een optimale koeling van de transmissie te verzekeren moet de rijsnelheid uitsluitend via het aandrijfpedaal bij een maximaal toerental van de verbrandingsmotor worden geregeld.0478 192 9910 A - NL
● Door het induwen van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid geregeld en zet het apparaat zich voorwaarts in beweging. Achteruit rijden: ● Verbrandingsmotor starten. (Ö 12.2) ● Keuzehendel rijrichting in de achterste stand (rijrichting achteruit) zetten. (Ö 8.7) ● Handrem loszetten, indien aangetrokken. (Ö 8.12) ● Door het induwen van het aandrijfpedaal wordt de rijsnelheid geregeld en zet het apparaat zich achterwaarts in beweging.
● Rijsnelheid verlagen. ● Rempedaal gelijkmatig induwen totdat het apparaat tot stilstand komt.
12.6 Snijhoogte instellen
● Rem het apparaat af totdat het stil staat. (Ö 12.5) ● Hendel snijhoogteverstelling ontgrendelen en vasthouden. (Ö 8.13) ● De snijhoogte kan in 7 standen worden ingesteld door de hendel snijhoogteverstelling omhoog en omlaag te bewegen. ● Hendel snijhoogteverstelling vergrendelen. (Ö 8.13) Snijstand 1: snijhoogte 35 mm Snijstand 7: snijhoogte 90 mm
Vóór het maaien: ● Hoofdstuk "Opmerkingen bij het werken" lezen en opvolgen. (Ö 10.) ● Stel tijdens het maaien altijd het maximale motortoerental in. De maaimessen zijn voor dit toerental geoptimaliseerd, zo wordt het beste maairesultaat en het beste snijvermogen gegenereerd. Het maaiwerk in de volgende volgorde koppelen: ● Verbrandingsmotor starten. (Ö 12.2) ● Gashendel in de MAX-stand zetten. (Ö 8.2), (Ö 8.3) ● Zitmaaier op het te maaien gazon rijden. Schakel het maaiwerk niet in hoog gras of in de laagste snijstand in. Maaiwerk alleen koppelen als het apparaat al op het te bewerken gazon staat. ● Vooruit maaien: rijrichting vooruit (Ö 8.7) kiezen, aansluitend het maaiwerk door indrukken van de schakelaar maaiwerk koppelen. (Ö 8.5) Achteruit maaien: rijrichting achteruit (Ö 8.7) kiezen, en veiligheidsschakelaar achteruit maaien (Ö 8.6) eenmaal kort indrukken, aansluitend het maaiwerk door indrukken van de schakelaar maaiwerk binnen 6 seconden koppelen. (Ö 8.5) Tijdens het maaien: ● Gashendel in de MAX-stand zetten. (Ö 8.2), (Ö 8.3) ● De rijsnelheid altijd aan de grashoogte of de snijstand aanpassen. Kies bij hoog gras of de laagste snijstand een lage rijsnelheid. Rijrichting wisselen bij gekoppeld maaiwerk: ● Voor het achteruit maaien de veiligheidsschakelaar achteruit maaien binnen een vastgelegd tijdsvenster (5 seconden vóór of 1 seconde na het omschakelen) een keer kort indrukken. (Ö 8.6) ● Apparaat op het gazonvlak tot stilstand brengen en de gewenste rijrichting met de hendel keuze rijrichting instellen. (Ö 8.7) ● Maaien verderzetten. Kans op letsel! Vóór het remmen de rijsnelheid verlagen door het aandrijfpedaal minder hard in te duwen. Indien mogelijk, niet bij volle snelheid plotseling remmen. Kans op letsel! Verstel om veiligheidsredenen de snijhoogte alleen als het apparaat stil staat. Wordt het maaiwerk tijdens het rijden ingeschakeld, dan wordt het toerental van de verbrandingsmotor door de extra belasting (aanloop maaimessen) bij het starten van de maaimessen gedurende korte tijd lager.139 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Het maaimes in de volgende volgorde uitschakelen: ● rijd naar een reeds gemaaid gazon of selecteer de hoogste snijstand van het maaiwerk. (Ö 8.13) ● Maaiwerk uitschakelen door opnieuw op de maaiwerkschakelaar te drukken. (Ö 8.5)
12.8 Trekken van lasten
Maximaal gewicht aanhanger op vlakke ondergrond = 250 kg Maximaal gewicht aanhanger bij een maximale stijging van 10° = 100 kg Maximale kogeldruk = 40 kg Maximale treklast = 40 kg
12.9 Gebruik op hellingen
● Controleer vóór elk gebruik op een helling of de rem goed werkt. (Ö 12.5) ● Op hellingen altijd in de lengterichting rijden. Bij het dwars rijden is er meer kans op kantelen – let op de maximum helling. (Ö 4.7) ● Op hellingen vermijden om van richting te veranderen, als dat toch noodzakelijk blijkt te zijn moet u hierbij uiterst voorzichtig te werk gaan.
13.1 Maaiwerk demonteren
● Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Contactsleutel eruit trekken. ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Hoogste snijstand kiezen. (Ö 8.13) Kans op letsel! Houd na het uitschakelen van het maaiwerk rekening met de uitloop. Het duurt even (tot. 5 seconden) voordat het maaimes tot stilstand komt. (Ö 11.) Kans op letsel! Controleer vóór het vasthaken van lasten altijd of de rem goed functioneert. (Ö 8.11) De rijeigenschappen van de machine veranderen tijdens het transport van lasten (langere remweg, minder snel rijden bij het veranderen van richting enz.). Hoe zwaarder de last, hoe meer de rijeigenschap verandert! Voorkom schade aan het apparaat! Op hellingen wordt de maximale treklast minder. Een treklast van 40 kg aan de trekhaak wordt op een vlakke ondergrond bereikt bij het trekken van een aanhanger met een gewicht van 250 kg.
Kans op letsel! Lees voorafgaand aan alle werkzaamheden aan het maaiwerk het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (Ö 4.)0478 192 9910 A - NL
V-riem ontspannen: Spanveer (2) naar achter trekken, afhaken en afleggen. Verwijder de afdekking V-riem voor: ● Wielen tot aan de aanslag naar links draaien. Bout (8) achter het rechter voorwiel (9) losmaken. Montageplaat (7) naar voor drukken en vasthouden. Afdekking voor V-riem (6) naar omlaag klappen. Riemafdekking ligt op de V-riem. V-riem loshaken: Montageplaat (7) naar voor drukken en vasthouden. V-riem (10) naar voor trekken en weghalen. Maaiwerk achter loshaken: ● Laagste snijstand kiezen. (Ö 8.13) Borgsplitpen (5) uittrekken. Maaiwerk (1) iets omhoog tillen en vasthouden. Maaiwerk (1) van de maaiwerkophanging achter (4) losmaken. ● Herhaal de procedure aan andere kant. Gevaar voor knellen! Controleer bij het lostrekken van de borgsplitpen of er zich geen lichaamsdelen (hand, vingers, voet, enz.) direct onder het maaiwerk bevinden. Kans op letsel! De hendel snijhoogteverstelling bevindt zich na het loshaken van het maaiwerk aan de achterzijde onder spanning. Onmiddellijk na het losmaken de hendel snijhoogteverstelling voorzichtig in de hoogste snijstand zetten. Aanwijzing Voor een snellere demontage moet worden gelet op de volgorde en precies worden aangehouden.141 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL ● Het maaiwerk langzaam en voorzichtig neerleggen. ● Hendel snijhoogteverstelling voorzichtig in de hoogste snijstand zetten. Voorkant maaiwerk loshaken: Borgsplitpen (5) uittrekken. Maaiwerk iets optillen en van de maaiwerkophanging voor (3) losmaken. Het maaiwerk voorzichtig loslaten. ● Herhaal de procedure aan andere kant. ● Het maaiwerk langzaam en voorzichtig neerleggen. Maaiwerk verwijderen: ● Hoogste snijstand kiezen. (Ö 8.13) Maaiwerk (1) met een lichte draaibeweging aan de kant van de deflectorklep (11) uittrekken.
13.2 Maaiwerk monteren
● Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Contactsleutel eruit trekken. ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Wielen tot aan de aanslag naar links draaien. ● Hendel snijhoogteverstelling voorzichtig in de hoogste snijstand zetten. (Ö 8.13) Maaiwerk inschuiven: ● Voor het inschuiven de V-riem zo plaatsen dat deze bij opgehangen maaiwerk aan de opening van de V- riemafdekking toegankelijk is. Het maaiwerk (1) van rechts met de V- riemafdekking (6) vooraan inschuiven. Daarbij het maaiwerk door een lichte draaibeweging centraal onder het apparaat plaatsen. Maaiwerk voor vasthaken: ● Laagste snijstand kiezen. (Ö 8.13) Gevaar voor knellen! Controleer vóór het loshaken of er zich geen lichaamsdelen (hand, vingers, voet, enz.) direct onder het maaiwerk bevinden. Na het loshaken van het maaiwerk klapt de voorste maaiwerkophanging automatisch omhoog. Kans op letsel! Lees voorafgaand aan alle werkzaamheden aan het maaiwerk het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door en volg de instructies op. (Ö 4.) Kans op letsel! De hendel snijhoogteverstelling bevindt zich na het loshaken van het maaiwerk onder spanning. Wees uitermate voorzichtig bij de montage van het maaiwerk.0478 192 9910 A - NL
Maaiwerkophanging voor (3) naar beneden trekken en houden. Maaiwerk met een hand licht optillen en daarbij de ophangbouten aan het maaiwerk in de boring van de maaiwerkophanging voor (3) insteken. Borgsplitpen (5) door de boring van de ophangingsbouten steken. ● Herhaal de procedure aan andere kant. Maaiwerk achter vasthaken: ● Maaiwerk aan de achterzijde met één hand optillen en vasthouden. De boringen van de maaiwerkophanging achter moeten met de ophangbouten van het maaiwerk op één lijn liggen. Ophangbouten van het maaiwerk (1) in de boring van de maaiwerkophanging achter (4) steken. Borgsplitpen (5) door de boring van de ophangingsbouten steken. ● Herhaal de procedure aan andere kant. V-riem aanbrengen: Montageplaat (7) naar voor drukken en vasthouden. V-riem (10) naar voor trekken en met de V-riemafdekking (6) opheffen. V-riem (10) in de juiste volgorde (zonder verdraaien) in de V-riempoelie inhangen. Afdekking V-riem voor monteren: Montageplaat (7) naar voor drukken en vasthouden. Afdekking voor V-riem (6) naar omhoog klappen. Montageplaat (7) naar achter brengen en aan beide lippen van de V-riemafdekking (6) inhaken. Aanwijzing Vóór het vasthaken controleren of het maaiwerk correct is vastgehaakt aan de voorste maaiwerkophanging. Kans op letsel! In de laagste snijstand staat de hendel voor snijhoogteverstelling onder spanning. Tijdens de montage van het maaiwerk de hendel voor snijhoogteverstelling niet aanraken. V-riem zonder verdraaien aan de V- riempoelie vasthaken.143 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Montageplaat door indraaien van de schroef (8) vastklemmen. Schroef (8) vastschroeven. V-riem spannen: ● Laagste snijstand kiezen. (Ö 8.13) Spanveer (2) naar achter trekken en aan de uitsparing aan het maaiwerk (1) ophangen Algemene onderhoudsaanwijzingen: ● Houd het onderhoudsschema en de onderhoudsintervallen nauwkeurig aan. ● Volg de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden van de verbrandingsmotor in de gebruiksaanwijzing op. Voor onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden: ● Plaats het apparaat op een vlakke en stevige ondergrond. ● Schakel de verbrandingsmotor uit. (Ö 12.3) ● Trek de handrem aan. (Ö 8.12) ● Laat de verbrandingsmotor en geluiddemper volledig afkoelen. Voor de volgende onderhouds- en reparatiewerkzaamheden verwijzen wij u naar de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor: – Luchtfilter vervangen. – Gegevens van de motorolie (type, vulhoeveelheid olie enz.). – Bougie controleren en vervangen. – Brandstoffilter vervangen. – Reinigen van de verbrandingsmotor.
14.1 Onderhoudsschema
Alle gegevens in het onderhoudsschema moeten nauwkeurig worden opgevolgd. Bij niet-inachtneming van het onderhoudsschema kan aanzienlijke schade aan de machine worden veroorzaakt. Kans op letsel! Na de montage van het maaiwerk een visuele inspectie uitvoeren en daarbij controleren op correcte montage. Aansluitend een werkingcontrole uitvoeren. Erop letten, dat er geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. De functietest alleen uitvoeren wanneer de gebruiker op het apparaat zit.
Kans op letsel! Lees vóór alle onderhouds- en reparatiewerken eerst het hoofdstuk "Voor uw veiligheid", met name de paragraaf "Onderhoud en reparaties", zorgvuldig door en volg de instructies op. (Ö 4.) Trek de contactsleutel uit om een ongewild starten van de verbrandingsmotor te verhinderen. Werk uitsluitend met handschoenen. Raak het maaimes nooit aan zolang het niet stilstaat. Om veiligheidsredenen zijn onderhoudswerkzaamheden aan de rem verboden. Laat afstel- en onderhoudswerkzaamheden door een vakhandelaar uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.0478 192 9910 A - NL
Onderhoudswerkzaamheden vóór elk gebruik: Voor een krachtige en veilige werking en ter voorkoming van storingen is het van belang om van de staat van het apparaat op de hoogte te zijn. Daarvoor zijn de volgende inspecties vóór elke start nodig (visuele inspectie): – Bandenspanning. (Ö 14.9) – Slijtage van en schade aan banden. – Lekkage van de brandstofleidingen. – Motoroliepeil (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor). – Brandstofpeil. – Algemene visuele controle van het apparaat en het maaiwerk. Vooral de beschermkappen moeten op beschadigingen worden gecontroleerd. – Goede bevestiging van de schroefverbindingen. Onderhoudswerkzaamheden na elk gebruik: – Reinigen van het apparaat (maaiwerk, uitwerpopening van het maaiwerk) en eventuele combi-apparaten. – Let op de gegevens voor het reinigen van de verbrandingsmotor (zie de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor). – Reinig de transmissie door grasresten of andere verontreinigingen af te vegen. Onderhoudswerkzaamheden na de eerste 10 bedrijfsuren (eerste inbedrijfstelling): – Een inspectie door uw vakhandelaar wordt aanbevolen. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Onderhoudswerkzaamheden na elke 25 uren gebruikstijd: – Controle van de messenbevestiging en scherpte van het mes, op slijtagegrens van de maaimessen letten. Onderhoudswerkzaamheden na elke 50 bedrijfsuren: – Algemene smering. – Inbouwpositie van het maaiwerk controleren. (Ö 14.7) Onderhoudswerkzaamheden na elke 100 bedrijfsuren: – Vervangen van de maaimessen. – Een inspectie door een vakhandelaar laten uitvoeren. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.
14.2 Apparaat reinigen
● Schakel de verbrandingsmotor uit. (Ö 12.3) ● Trek de handrem aan. (Ö 8.12) ● Neem de sleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek. ● Demonteer het maaiwerk. (Ö 13.1) Aanwijzing Bij een zware belasting, met name bij professioneel gebruik, kunnen kortere onderhoudsintervallen dan de hier vermelde noodzakelijk zijn. Tevens kunnen extreme omstandigheden zoals een zanderige of steenachtige bodem, stof enz. tot kortere onderhoudsintervallen leiden dan in de gebruiksaanwijzing worden aangegeven. Om de 100 bedrijfsuren of een keer per jaar moet er een inspectie door een dealer worden uitgevoerd. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Aanwijzing Bij de inspectie door de vakhandelaar wordt de werking van de rem gecontroleerd en wordt de rem indien nodig onderhouden. Daarnaast worden alle noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan de transmissie uitgevoerd. Voorkom schade aan het apparaat! Richt waterstralen (hogedrukreinigers) nooit op motoronderdelen, pakkingen, elektrische onderdelen (accu, kabelboom enz.) en lagers. Dit kan leiden tot beschadigingen of dure reparaties. Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen. Dergelijke reinigingsmiddelen kunnen kunststoffen en metalen zodanig beschadigen dat de veiligheid van uw STIHL apparaat mogelijk in het geding komt. Als u vuil niet met water, met een borstel of met een doek kunt verwijderen, raadt STIHL aan een speciaal reinigingsmiddel te gebruiken (bijvoorbeeld STIHL speciale reiniger). Demonteer het maaiwerk altijd voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden.145 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL ● Verwijder eerst de aangekoekte grasresten in de maaiwerkbehuizing met een houten staaf. ● Reinig de onderkant van het maaiwerk met een borstel en water. ● Let er bij het reinigen van de bovenzijde van het maaiwerk op dat er geen water op de V-riem terechtkomt en richt nooit waterstralen op de openingen van de afdekkingen. ● Verwijder grasresten uit het maaiwerk, de motorruimte en de transmissie. Reinig koelvinnen van de verbrandingsmotor en transmissie. ● Reinig de maaimessen met een borstel en water; klop voor het losmaken van vervuiling in geen geval op de maaimessen (bijvoorbeeld met een hamer).
14.3 Motorkap openen
Motorkap (1) met één hand in de handgreep (2) nemen en met een lichte ruk naar boven openen. Motorkap (1) tot aan de aanslag naar voor klappen.
14.4 Motorkap sluiten
Motorkap (1) voorzichtig en langzaam dichtklappen en in het slot laten springen.
14.5 Veiligheidsvoorzieningen
controleren Remcontactschakelaar controleren: ● De gebruiker moet op de bestuurdersstoel zitten. ● Schakel de verbrandingsmotor uit en laat deze tot stilstand komen. (Ö 12.3) ● Maaiwerk uitschakelen. (Ö 8.5) ● Het rempedaal niet intrappen (indrukken) of de handrem loszetten. De verbrandingsmotor mag niet worden gestart met een geactiveerde remcontactschakelaar! Maaiwerkcontactschakelaar controleren: ● De gebruiker moet op de bestuurdersstoel zitten. ● Rempedaal tot aan de aanslag intrappen en vasthouden. (Ö 8.11) ● Maaiwerk inschakelen. (Ö 8.5) Kans op letsel! Vóór het openen van de motorkap de verbrandingsmotor uitschakelen en enkele minuten laten afkoelen. De verbrandingsmotor moet handwarm zijn. Kans op letsel! De veiligheidsvoorzieningen mogen uitsluitend vanuit de bestuurdersstoel worden gecontroleerd. Hierbij mogen geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt zijn. Controleer ten minste eenmaal per maand of alle veiligheidsvoorzieningen goed werken. Controleer na een langere bedrijfspauze, bij weinig gebruikte apparaten of na reparaties vóór het opnieuw in gebruik nemen alle veiligheidsvoorzieningen.0478 192 9910 A - NL
De verbrandingsmotor mag niet worden gestart met een geactiveerde maaiwerkcontactschakelaar! Stoelcontactschakelaar controleren: ● De gebruiker moet op de bestuurdersstoel zitten. ● Verbrandingsmotor starten en op maximaal toerental laten draaien. (Ö 8.2), (Ö 8.3) ● Maaiwerk inschakelen. (Ö 8.5) ● Bestuurdersstoel ontlasten van het gewicht door langzaam en voorzichtig op te staan. Niet afstappen! Bij een geactiveerde stoelcontactschakelaar wordt de verbrandingsmotor uitgeschakeld! Veiligheidsschakelaar achteruit maaien controleren: ● Op de bestuurdersstoel plaats nemen – veiligheidsschakelaar achteruit maaien niet aanraken. ● Verbrandingsmotor starten (Ö 12.2) en op maximaal toerental laten draaien. (Ö 8.2), (Ö 8.3) ● Maaiwerk inschakelen. (Ö 8.5) ● Rijrichting achteruit kiezen en vertrekken. (Ö 8.7) Bij een werkende veiligheidsschakelaar achteruit maaien wordt het maaiwerk na 1 seconde ontkoppeld.
14.6 Maaimessen onderhouden
Onderhoudsinterval: Na elke 25 bedrijfsuren Onderhoudswerkzaamheden: ● Slijtagegrenzen van de maaimessen controleren. ● Zo nodig maaimes slijpen. Als het maairesultaat na verloop van tijd verslechtert, dient het maaimes te worden geslepen. Slijtagegrenzen van het mes controleren: ● Reinig maaiwerk en maaimessen zorgvuldig. (Ö 14.2) ● Demonteer het maaiwerk. (Ö 13.1) Kans op letsel! Werk uitsluitend met handschoenen. Neem altijd contact op met een vakhandelaar (STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan) als u niet over de vereiste kennis of gereedschappen beschikt. STIHL raadt aan originele STIHL reserveonderdelen te gebruiken. Raak het maaimes nooit aan zolang het niet stilstaat. Plaats het maaiwerk altijd op een slipvaste ondergrond. Kans op letsel! Een versleten maaimes kan afbreken en ernstig letsel veroorzaken. Volg daarom de onderhoudsinstructies voor het mes. Maaimessen slijten afhankelijk van de toepassing en de gebruiksduur in meer of mindere mate. Als u het apparaat op een zandige ondergrond of in droge omstandigheden gebruikt, slijten de maaimessen door een sterkere belasting sneller dan gemiddeld. Opgelet! Vernieuw bij het vervangen van het maaimes altijd ook de mesbout en de borgring. STIHL raadt in verband met het controleren van de slijtagegrenzen aan het maaiwerk te demonteren. Als u over een geschikte hefbrug beschikt, kunt u de slijtagegrenzen aan het maaimes ook controleren zonder het maaiwerk te demonteren.147 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Maaiwerk veilig neerzetten voor de controle: Zet het maaiwerk (1) tegen een muur en voorkom wegglijden met de voet. Slijtagegrenzen controleren: A = mesdikte (> 4,5 mm) B = mesbreedte (> 49 mm) Controleer de mesdikte A en mesbreedte B met behulp van een schuifmaat op meerdere plaatsen. Wanneer de slijtagegrenzen zijn bereikt of worden onderschreden, moet het maaimes (1) worden vervangen. Maaimes demonteren: ● Maaiwerk demonteren. (Ö 13.1) ● Maaiwerk tegen een muur zetten en wegglijden voorkomen. Mesbout (1) met behulp van een schroevendraaier SW17 (niet meegeleverd) losdraaien en eruit schroeven. Mesbout (1) samen met de borgring (2) verwijderen. Het maaimes (3) verwijderen. ● Herhaal de procedure aan het tweede maaimes. Maaimessen slijpen: ● Koel het maaimes tijdens het slijpen, b. b.met water. Het mes mag niet blauw worden, omdat anders de snijresultaten minder worden. ● Slijp het maaimes gelijkmatig om vibratie door onbalans te voorkomen. ● Met een snijhoek van 30° slijpen. ● Houd tijdens het slijpen rekening met de slijtagegrenzen. Balans van maaimes controleren: Schroevendraaier (1) door de middelste boring steken. Als het maaimes (2) uitgelijnd is, moet het in de afgebeelde stand staan. Kans op letsel! Draag tijdens het slijpen altijd een veiligheidsbril en handschoenen. Kans op letsel! Bij een eventuele onbalans van het maaimes moet de procedure "Maaimes slijpen" worden herhaald totdat het maaimes uitgebalanceerd is. Het maaimes mag enkel door het slijpen van de snijkanten worden gebalanceerd.0478 192 9910 A - NL
Maaimessen monteren: Voor het plaatsen van de maaimessen moet u op de volgende punten letten: ● Maaimes met de omhoog gebogen windvleugels naar boven (richting maaiwerk) monteren. Maaimes (1) plaatsen en mesbout (2 – Loctite 243 aanbrengen) met borgring (3 – op welving letten) erin draaien en vastdraaien. Aandraaimoment: 65 - 70 Nm
14.7 Inbouwpositie van het maaiwerk
controleren Onderhoudsinterval: Het maaiwerk moet worden geïnspecteerd na elke 50 uren gebruikstijd, of zo vaak als nodig (b.v. na krachtige schokken tegen het maaiwerk of bij onzuivere snede). Het maaiwerk is juist gemonteerd als het iets naar voren gekanteld is – het staat aan de voorkant iets lager dan aan de achterkant. ● Apparaat op een vlakke ondergrond zetten. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Laagste snijstand kiezen. (Ö 8.13) Hoogteverschil A =10mm
Door de brandstofkraan open en dicht te draaien, wordt de brandstofstroom in de brandstofleiding vrijgegeven of onderbroken. De brandstofkraan bevindt zich links onder de brandstoftank. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) Kans op letsel! Controleer de maaimessen vóór het inbouwen op beschadigingen (inkepingen of scheuren) en slijtage. Vervang versleten of beschadigde maaimessen. Borgring bij elke montage van de messen vervangen. Mesbout bovendien met Loctite 243 borgen en met het voorgeschreven aandraaimoment vastdraaien, een veilige bevestiging van het snijgereedschap daarvan afhankelijk is. Een gelijkmatige bandenspanning is belangrijk voor het controleren van een correcte positie. Voorafgaand aan de controle van de juiste inbouwpositie moet de bandenspanning op alle banden worden gecontroleerd en eventueel worden gecorrigeerd. (Ö 14.9)149 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL De brandstofkraan (1) wordt geopend of gesloten door aan de verstelventiel (2) te draaien.
Afdekkap van het ventiel (1) schroeven. ● Met behulp van een geschikte luchtpomp met manometer de volgende bandenspanningswaarden instellen. Voorbanden: 0,8 - 1,0 bar Achterbanden: 0,6 - 0,8 bar
14.10 Wielen vervangen
Bij beschadigingen (gaten, scheuren, snedes enz.) aan de randen het beschadigde wiel demonteren en hiermee naar uw vakhandelaar gaan. Apparaat optillen en ondersteunen: ● Apparaat op een effen en vaste ondergrond zetten en beveiligen tegen wegrollen. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. De juiste bandenspanning is belangrijk voor het verstellen van het maaiwerk en om een mooi maairesultaat te bereiken. Door een te hoge bandenspanning zou de grasnerf door de bandnoppen worden beschadigd. Kans op letsel! Kijk voor het optillen eerst hoeveel het apparaat weegt (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). (Ö 21.) Breng het apparaat indien nodig met behulp van een tweede persoon of met een krik (niet meegeleverd) omhoog. Apparaat voor het optillen tegen wegrollen beveiligen. De rem werkt alleen op de achterwielen. Apparaat voor het optillen van de achteras tegen wegrollen beveiligen. Voorkom schade aan het apparaat Bij het ondersteunen erop letten, dat het apparaat alleen met de as of met de koppeling voor de aanhangwagen op de ondergrond ligt. Het apparaat alleen aan de hiervoor bedoelde onderdelen (bijv. frame, velgen, as) optillen. Het apparaat nooit aan de kunststof delen optillen of hierop laten rusten.0478 192 9910 A - NL
Vooras: A> 230mm Achteras: B> 210mm Wiel demonteren: Afdekkap (1) lostrekken. Borgring (2) wegnemen met behulp van een schroevendraaier. Grote ring (3) en kleine ring (4) (alleen aan achterwiel gemonteerd) wegnemen. Wiel (5) van de wielas afnemen. Wiel monteren: Vóór het monteren van de wielen de volgende punten afwerken: ● Vuil van de wielas halen. ● Wielas vóór de montage dun met smeervet insmeren. Achterwielen: De pasveer (6) in de achterste wielas plaatsen. Wiel (5) – ventiel bevindt zich aan de buitenzijde – aan de pasveer doorhalen en tot de aanslag op de wielas schuiven. Kleine ring (4) en de grote ring (3) op de wielas schuiven. Voorwielen: Wiel (5) – ventiel bevindt zich aan de buitenzijde – tot de aanslag op de wielas schuiven. De grote ring (3) op de wielas schuiven. Controleer bij het demonteren van de achterwielen of de meenemers (pasveren) niet kwijtraken. Controleer vóór het monteren van de achterwielen of de meenemers (pasveren) aan beide kanten in de groef van de wielas zitten. De wielen zodanig monteren dat het ventiel zich steeds aan de buitenkant bevindt.151 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Borgring (2) in de inkeping van de wielas laten vallen. Afdekkap (1) op wielas steken. ● Apparaat optillen en de basis wegnemen. ● Apparaat voorzichtig op de bodem zetten.
Beide fusees op de vooras boven beide smeernippels aan de vooras smeren. Smering: ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Vooras ontlasten door deze te ondersteunen (optillen). (Ö 14.10) Met behulp van een vetspuit (niet meegeleverd) aan beide kanten via de smeernippel (1) smeervet erin spuiten totdat er bij de fusees iets vet uitstroomt. ● Uitgestroomd smeervet verwijderen. ● Ondersteuning van de vooras verwijderen.
14.12 Inhoud van de motorolie
controleren ● Plaats het apparaat op een vlakke ondergrond. ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Verbrandingsmotor laten afkoelen. ● Open de motorkap. (Ö 14.3) ● Inhoud van de motorolie controleren volgens gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor – indien nodig motorolie bijvullen. (Ö 14.13)
14.13 Motorolie verversen
Voor informatie over voorgeschreven motorolie en vulhoeveelheid olie verwijzen wij u naar de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor. Motorolie verversen als de verbrandingsmotor handwarm is. Geschikte olieopvangbak (hou rekening met vulhoeveelheid olie) onder de olieaftapleiding zetten. Voer gebruikte olie af conform de wettelijke bepalingen. Verversingsintervallen voor olie: De aanbevolen intervallen voor het verversen van motorolie vindt u in de gebruiksaanwijzing voor de verbrandingsmotor. Motorolie aftappen: ● verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Verbrandingsmotor laten afkoelen (handwarm). ● Motorkap openen. (Ö 14.3) ● Oliedop eraf schroeven (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor). Controleer of het wiel goed vastzit. Aanwijzing Vóór het smeren moet de vooras door een juiste ondersteuning worden ontlast. De smeernippel moet elke keer vóór het smeren worden gereinigd om te voorkomen dat er vuil in de fusee komt. Verwijder uitgelopen smeervet altijd na het smeren (afvegen). Gebruik standaard smeervet. Kans op letsel! Vóór het bijvullen of verversen van de motorolie de verbrandingsmotor volledig laten afkoelen. Gevaar voor verbranding door hete motorolie!0478 192 9910 A - NL
De olieaftapleiding (1) bevindt zich aan de rechterkant van de verbrandingsmotor vlakbij de beide pedalen. ● Geschikte opvangbak voor olie eronder zetten. Olieaftapdop (1) met behulp van twee schroevendraaiers (SW19 / SW 15) eraf schroeven en afnemen. Keerring (2) afvoeren. ● Motorolie volledig aftappen. Daarna nieuwe keerring (2) op de olieaftapdop (1) steken. Olieaftapdop in de olieaftapleiding schroeven en aandraaien. Aandraaimoment: 12 - 14 Nm
14.14 Motorolie bijvullen
● Open de motorkap. (Ö 14.3) ● Inhoud van de motorolie controleren. (Ö 14.12) ● Motorolie volgens gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor vullen – een aangepaste trechter gebruiken. ● Motorkap sluiten. (Ö 14.4)
14.15 Koplamp vervangen
● Open de motorkap. (Ö 14.3) Fitting (1) ongeveer 90° draaien en eruit trekken. Lamp (2) in de richting van de fitting (1) drukken en vasthouden. Lamp (2) voorzichtig draaien en verwijderen. ● Plaats de nieuwe lamp door de bovenstaande handelingen in omgekeerde volgorde uit te voeren. Voorkom schade aan het apparaat! Zorg ervoor dat de motorolie niet beneden of boven het juiste peil komt te staan. Gebruik voor het vervangen van defecte verlichting altijd 12V- lampen met een vermogen van 6W. Typeaanduiding lamp: 12V 6W BA9s153 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Fitting (1) weer in de koplampbehuizing drukken. ● Motorkap sluiten. (Ö 14.4)
Steekzekering controleren: ● Schakel de verbrandingsmotor uit. (Ö 12.3) ● Trek de handrem aan. (Ö 8.12) ● Neem de sleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek. ● Open het accuvak. (Ö 14.17) Verwijder de steekzekeringen (1, 2). Inspecteer visueel of de draad in de kunststof (3) beschadigd (doorgebrand) is. Vervang beschadigde zekeringen. Oplaadvoorziening (1): 15 A Elektrisch systeem (2): 10 A ● Sluit het accuvak. (Ö 14.17) Hoofdzekering controleren: Nominale stroomsterkte: 150 ampère ● Schakel de verbrandingsmotor uit. (Ö 12.3) ● Trek de handrem aan. (Ö 8.12) ● Neem de sleutel uit het contactslot en bewaar deze op een veilige plek. ● Open het accuvak. (Ö 14.17) Trek de afdekking (1) los. Inspecteer visueel of de draad (2) beschadigd (doorgebrand) is. Bij een beschadigde draad moet de zekering (3) door een vakhandelaar worden vervangen. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Breng de afdekking (1) weer aan. ● Sluit het accuvak. (Ö 14.17)
● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Handrem aantrekken.(Ö 8.12) ● De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Bestuurdersstoel naar het midden plaatsen. Brandgevaar! De zekeringen mogen nooit met een draad of folie worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven capaciteit (ampère). Als er binnen korte tijd weer een zekering doorbrandt, is een defect (bijvoorbeeld kortsluiting) de mogelijke oorzaak. Neem contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan.0478 192 9910 A - NL
Accuvak openen: Lippen (1) naar de afdekking voor het accuvak (2) drukken en houden. Afdekking voor het accuvak (2) omhoog klappen. Accuvak sluiten: Afdekking voor het accuvak (2) op de zijde van de kabels in de houders hangen. Afdekking voor het accuvak (2) naar omlaag klappen. Voorzichtig op de afdekking van het accuvak (2) drukken tot dit vastklikt.
● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● De contactsleutel eruit trekken en op een veilige plek bewaren. ● Accuvak openen. (Ö 14.17) Accu bewaren: Accu (1) voor aankoppelen of loskoppelen dwars op de afdekking plaatsen. Opgelet: Veilige stand testen. Accu loskoppelen: ● Accu bewaren. (Ö 14.18) De moer (1) van de zwarte aansluitkabel (2) met behulp van twee schroevendraaiers SW8 eruit draaien en schroef (3), ring (4) en moer (1) verwijderen. Zwarte aansluitkabel (2) van de minpool (–) op de accu wegnemen. Kans op letsel! Bij het loskoppelen van de accu altijd eerst de zwarte minkabel (–) en pas dan de rode pluskabel (+) loskoppelen! Bij het aansluiten van de accu altijd eerst de rode pluskabel (+) aansluiten. De accu is onderhoudsvrij en moet alleen worden vervangen bij een beschadiging of gedemonteerd bij een langere stillegging (b.v. winterpauze). Verwijder de accu uit de machine voordat u deze afvoert. Bied de accu niet via het huisvuil aan, maar lever deze bij de vakhandelaar of het afvalpunt voor gevaarlijke stoffen in.155 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL Afdekkap (5) lostrekken. De moer (1) van de rode aansluitkabel (6) met behulp van twee schroevendraaiers SW8 van de pluspool (+) op de accu lossen en uitdraaien. Schroef (3), ring (4) en moer (1) wegnemen. Rode aansluitkabel (6) van de pluspool (+) wegnemen. ● Zo nodig de accu verwijderen. ● Bouten, ringen en moeren tot nader gebruik weer op de minpool (–) en de pluspool (+) van de accu schroeven. ● Eventueel het accuvak sluiten. (Ö 14.17) Accu aansluiten: ● Accu bewaren. ● Indien nodig bouten, ringen en moeren van de accu wegnemen. Pluspool (+): aansluitklem van de rode aansluitkabel (6) met bout (3), ring (4) en moer (1) op de pluspool van de accu aanbrengen. Schroefverbinding met behulp van twee steeksleutels SW8 vastdraaien. Aandraaimoment: 4 - 5 Nm Afdekkap (5) volledig over de schroefverbinding heen stulpen. Minuspool (–): aansluitklem van de zwarte aansluitkabel (2) met bout (3), ring (4) en moer (1) op de minuspool van de accu aanbrengen. Schroefverbinding met behulp van twee steeksleutels SW8 vastdraaien. Aandraaimoment: 4 - 5 Nm ● Accu plaatsen. Accu verwijderen: ● Accu loskoppelen. (Ö 14.18) ● Accu eruit trekken. Accu plaatsen: ● Accuvak openen. (Ö 14.17) ● Accu aansluiten. (Ö 14.18) Accu (1) plaatsen. Beide aansluitkabels goed in het accuvak opbergen. ● Accuvak sluiten. (Ö 14.17)
14.19 Opladen van de accu via de
oplaadstekker Met de oplaadstekker kan de STIHL- druppellader ACB 010 of het STIHL- diagnose-oplaadapparaat ADL 012 (beide niet meegeleverd) worden verbonden. Met de STIHL-druppellader ACB 010 is alleen een druppellading mogelijk. Met het diagnose-oplaadapparaat Controleer vóór het monteren de laadtoestand. Als de minimumspanning niet wordt bereikt, de accu nog vóór het inbouwen met een acculader volledig opladen. Minimumspanning: 11,5 V0478 192 9910 A - NL
ADL 012 is een druppellading en een volledige lading (opladen van een lege accu) mogelijk. Vóór het aansluiten: ● Lees de opmerkingen in de gebruiksaanwijzing van de STIHL- oplaadapparaten en volg deze op. ● Opmerkingen in de bijlage van de accu lezen en opvolgen. Aansluiten: ● Schakel de verbrandingsmotor uit. (Ö 12.3) ● Trek de handrem aan. (Ö 8.12) ● Open de motorkap. (Ö 14.3) Sluit op de laadstekker (1) de STIHL- druppellader ACB 010 of het STIHL- diagnose-oplaadapparaat ADL 012 aan.
14.20 Verbrandingsmotor
Neem de gebruiks- en onderhoudsinstructies in de bijgevoegde gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor in acht. Voor een lange gebruiksduur is het van belang de olie op peil te houden, regelmatig de motorolie te verversen en het luchtfilter te vervangen.
De transmissie is voor de gebruiker onderhoudsvrij. Bij inspectie van de machine door de vakhandelaar worden noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan de transmissie uitgevoerd.
● Apparaat in een droge en stofarme ruimte opslaan, buiten het bereik van kinderen of onbevoegde personen. ● Eventuele storingen aan het apparaat moeten in de regel vóór het opbergen worden verholpen, zodat de machine altijd veilig kan worden gebruikt. ● Brandstofkraan sluiten. (Ö 14.8) ● Contactsleutel uittrekken en zorgvuldig bewaren zodat onbevoegde personen, met name kinderen, de sleutel niet kunnen bemachtigen.
14.23 Stilleggen bij langere
onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze) ● Reinig zorgvuldig alle buitendelen van de verbrandingsmotor en het apparaat, vooral de koelvinnen. ● Smeer alle bewegende delen goed in met olie of vet. ● Brandstof uit de brandstoftank aftappen en carburator ledigen (bijvoorbeeld door leegrijden). ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Volg de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de verbrandingsmotor op. ● Ververs de motorolie (zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor). (Ö 14.13) ● Accu loskoppelen. (Ö 14.18) ● Accu helemaal opgeladen veilig in een koele, droge ruimte opslaan. Voorkom schade aan het apparaat! Laad de accu nooit bij draaiende verbrandingsmotor. Met de oplaadstekker kunnen alleen de STIHL-druppellader ACB 010 of het STIHL- diagnose-oplaadapparaat ADL 012 worden verbonden. Andere oplaadapparaten, zeker die met een hogere laadstroom, kunnen het apparaat beschadigen. Als de accu met behulp van andere oplaadapparaten wordt opgeladen, moet de accu vooraf worden verwijderd.157 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL
14.24 Na langere bedrijfspauzes (bijv.
winterpauze) ● Accuspanning controleren. Als de minimumspanning niet wordt bereikt, de accu nog vóór het inbouwen met een acculader volledig opladen. Minimumspanning: 11,5 V ● Accu plaatsen en aansluiten. (Ö 14.18) ● Controleer de bandenspanning op alle wielen. (Ö 14.9) ● Controleer het brandstofpeil en tank indien nodig bij. ● Eventueel de motorolie verversen. (Ö 14.13) ● Controleer de inhoud van de motorolie en vul eventueel motorolie bij. (Ö 14.12) ● Vóór het laden de hoogste snijstand kiezen. (Ö 12.6) ● Aanhanger aan de voorzijde ondersteunen om te voorkomen dat deze onder het gewicht van het apparaat omhoog klapt. ● Gebruik voor het laden een geschikte hefvoorziening of geschikte en stabiele laadhelling met voldoende breedte. ● Laadhellingen stevig plaatsen en bevestigen – op wielstand en spoorbreedte van de zitmaaier letten. (Ö 21.) ● Verdeel de last gelijkmatig over de aanhanger. ● Na het laden de laagste snijstand kiezen. (Ö 12.6) ● Verbrandingsmotor uitschakelen. (Ö 12.3) ● Apparaat op het laadoppervlak geheel naar voren schuiven. ● Handrem aantrekken. (Ö 8.12) ● Brandstofkraan sluiten. (Ö 14.8) ● Span het apparaat met geschikte bevestigingsmiddelen (gordels, kabels enz.) op de vooras of op de bumper naar voren en borg het. ● Plaats vervolgens wiggen (niet meegeleverd) onder de wielen, om onbedoeld wegrollen te voorkomen. Maaimes RT 4097 S, RT 4097 SX:
Voor het apparaat zijn nog meer accessoires verkrijgbaar. Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw STIHL vakhandelaar, het internet (www.stihl.com) of de STIHL catalogus. Grasafval hoort niet in de vuilnisbak, maar moeten worden gecomposteerd. De verpakkingen, het apparaat
Kans op letsel! Vóór het transport het hoofdstuk "Voor uw veiligheid", met name het kopje "Transport van de zitmaaier" zorgvuldig lezen en de aanwijzingen opvolgen. (Ö 4.), (Ö 4.3) Houd bij het oprijden van de laadhellingen een lage snelheid aan en voorkom dat u met de wielen over de zijkant van de laadhellingen uitsteekt en valt – Valgevaar! Wijzig de snelheid of de richting niet abrupt. Bij transport op de openbare weg mag het apparaat uitsluitend met behulp van een geschikt voertuig of een geschikte aanhanger worden getransporteerd! Niet wegslepen!
reserveonderdelen De bevestigingselementen van het maaimes (bijvoorbeeld de mesbout) moeten bij het verwisselen of monteren van een mes worden vervangen. Vervangingsonderdelen zijn bij de STIHL vakhandelaar verkrijgbaar.
Om veiligheidsredenen mag u bij dit apparaat uitsluitend door STIHL goedgekeurde accessoires gebruiken.
en de accessoires zijn van recyclebaar materiaal gefabriceerd en moeten overeenkomstig worden verwerkt. Door materiaalresten afzonderlijk en milieubewust te verwerken, ondersteunt u het hergebruik van waardevolle stoffen. Daarom moet het apparaat na afloop van de gebruikelijke levensduur als bijzonder afval worden verwerkt. Voer afvalproducten als afgewerkte olie (motorolie, transmissieolie), brandstof en accu’s altijd deskundig af. Neem de plaatselijke voorschriften in acht! Verwijder de accu voor het afvoeren uit het apparaat. Bied de accu niet via het huisvuil aan, maar lever deze bij de vakhandelaar of het afvalpunt voor gevaarlijke stoffen in. Neem contact op met het recyclingcenter of uw vakhandelaar voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten. STIHL beveelt hiervoor de STIHL vakhandelaar aan. Belangrijke aanwijzingen voor het onderhoud van de productgroep Grasmaaier met bestuurdersstoel en verbrandingsmotor (STIHL RT) De firma STIHL aanvaardt in geen geval aansprakelijkheid voor materiële schade en persoonlijk letsel die het gevolg zijn van het niet in acht nemen van de instructies in de gebruiksaanwijzing, met name betreffende veiligheid, bediening en onderhoud, of die optreden door gebruik van niet toegestane aanbouw- of vervangingsonderdelen. Neem de volgende belangrijke aanwijzingen in acht om schade of overmatige slijtage aan uw STIHL apparaat te vermijden:
1. Slijtageonderdelen
Sommige onderdelen van het STIHL apparaat zijn ook bij gebruik volgens de voorschriften aan normale slijtage onderhevig en moeten afhankelijk van de gebruikswijze en gebruiksduur tijdig worden vervangen. Dit omvat o.a.: – Maaimes –V-riem –Accu –Band – Bougie
2. Inachtneming van de voorschriften in
deze gebruiksaanwijzing Het STIHL apparaat moet zo zorgvuldig mogelijk worden gebruikt, onderhouden en opgeslagen, zoals omschreven in deze gebruiksaanwijzing. Voor alle beschadigingen die door het niet in acht nemen van veiligheids-, bedienings- en onderhoudsaanwijzingen worden veroorzaakt, is de gebruiker zelf verantwoordelijk. Dit geldt met name voor: – niet reglementair gebruik van het product. – het gebruik van niet door STIHL goedgekeurde hulpstoffen (smeermiddelen, benzine en motorolie, zie gegevens van de motorfabrikant). – niet door STIHL goedgekeurde wijzigingen aan het product. – het gebruik van gereedschappen of accessoires die niet voor het apparaat zijn goedgekeurd, niet geschikt zijn of van een minder goede kwaliteit zijn. – gebruik van het product bij sport- of wedstrijdevenementen. – gevolgschade door een product met defecte onderdelen verder te gebruiken.
3. Onderhoudswerkzaamheden
Alle in het hoofdstuk "Onderhoud" vermelde werkzaamheden moeten regelmatig worden uitgevoerd. Voor zover deze onderhoudswerkzaamheden niet door de gebruiker zelf kunnen worden uitgevoerd, moeten deze aan een vakhandelaar worden overgelaten. STIHL raadt aan onderhoudswerkzaamheden en reparaties uitsluitend bij de STIHL vakhandelaar te laten uitvoeren. STIHL vakhandelaren volgen regelmatig cursussen en krijgen voortdurend technische informatie ter beschikking gesteld. Als deze werkzaamheden niet worden uitgevoerd, kan er schade ontstaan waarvoor de gebruiker verantwoordelijk is. Hiertoe behoren onder andere: – corrosie en andere gevolgschade door ondeskundige opslag. – beschadigingen aan de machine door het gebruik van kwalitatief minderwaardige reserveonderdelen.
19. Slijtage minimaliseren en
schade voorkomen159 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL – beschadigingen door niet tijdig of ondeskundig uitgevoerd onderhoud resp. beschadigingen door onderhouds- of reparatiewerkzaamheden die niet in werkplaatsen van vakhandelaars zijn uitgevoerd.
20.1 Grasmaaier met bestuurdersstoel
en verbrandingsmotor (STIHL RT) STIHL Tirol GmbH Hans Peter Stihl-Straße 5 6336 Langkampfen Oostenrijk verklaart op eigen verantwoordelijkheid dat de machine Grasmaaier met bestuurdersstoel en verbrandingsmotor (STIHL RT), overeenstemt met de volgende EU- richtlijnen: 2011/65/EU, 2000/14/EC, 2014/30/EU, 2006/42/EC, 2006/66/EC Het product is ontwikkeld in overeenstemming met de volgende normen: EN ISO 5395-1, EN ISO 5395-3; RT 4097.0 S, RT 4112.0 S, RT 4112.0 SZ: EN 61000-6-1, EN 55012; RT 4097.0 SX: EN
Voor de ontwikkeling en fabricage van de producten gelden de op de productiedatum van kracht zijnde versies van de normen. Toegepaste conformiteitsbeoordelingsprocedure: appendix VIII (2000/14/EC) Naam en adres van de bevoegde instantie: TÜV Rheinland LGA Products GmbH Tillystraße 2 D-90431 Nürnberg Samenstelling en bijhouden van de technische documentatie: Sven Zimmermann STIHL Tirol GmbH Het bouwjaar en het serienummer staan op het typeplaatje van het apparaat. Gewaarborgd geluidsniveau: 100 dB(A) Langkampfen, 2020-01-02 (JJJJ-MM-DD) STIHL Tirol GmbH namens Matthias Fleischer, Hoofd Onderzoek en Ontwikkeling namens Sven Zimmermann, Hoofd Kwaliteit
RT 4097.0 SX, RT 4097.0 S, RT 4112.0 S, RT 4112.0 SZ: Serie identificatie 6165 Verbrandingsmotor, bouwwijze Viertaktverbran- dingsmotor Brandstoftank 9 l Startinrichting Elektrostart met contactsleutel Type accu lood-gel Nominale spanning 12 V Aandraaimoment mesbout 65 - 70 Nm Wielaandrijving achterwiel traploos voor- uit/traploos achteruit Brandstofkraan ja Snijhoogte 35 - 90 mm Bandenspanning voorwielen 0,8 - 1,0 bar Bandenspanning achterwielen 0,6 - 0,8 bar Conform richtlijn 2000/14/EC:0478 192 9910 A - NL
Gegarandeerd geluidsniveau L WAd 100 dB(A) Conform richtlijn 2006/42/EC: Geluidsdrukniveau op werkplek L
86 dB(A) Onzekerheid K
Hoogste motortoerental 3100 omw/min Nominaal vermogen bij nominaal toerental 7,3 - 3100 kW - omw/min Meting conform EN ISO 5395-1/-3, EN 1032: Trillingen op de stoel (lichaamsversnel- ling) a
Meting conform EN ISO 5395-1/-3, EN 20643: Trilling op het stuur- wiel a
Opgegeven trillingskarakteristieken con- form EN 12096 Snijbreedte 95 cm Voorwielen 15x6.00-6 Achterwielen 18x8.50-8 Gewicht met maaiwerk 197 kg RT 4097.0 S: Motortype B&S Series 4155 Cilinderinhoud 500 cm
Hoogste motortoerental 3000 omw/min RT 4097.0 SX, RT 4097.0 S, RT 4112.0 S, RT 4112.0 SZ: Nominaal vermogen bij nominaal toerental 8,7 - 3000 kW - omw/min Meting conform EN ISO 5395-1/-3, EN 1032: Trillingen op de stoel (lichaamsversnel- ling) a
Meting conform EN ISO 5395-1/-3, EN 20643: Trilling op het stuur- wiel a
Opgegeven trillingskarakteristieken con- form EN 12096 Snijbreedte 95 cm Voorwielen 15x6.00-6 Achterwielen 18x8.50-8 Gewicht met maaiwerk 202 kg RT 4112.0 S: Motortype B&S Series 4175 Cilinderinhoud 500 cm
Hoogste motortoerental 2800 omw/min Nominaal vermogen bij nominaal toerental 9,4 - 2800 kW - omw/min Meting conform EN ISO 5395-1/-3, EN 1032: Trillingen op de stoel (lichaamsversnel- ling) a
Meting conform EN ISO 5395-1/-3, EN 20643: Trilling op het stuur- wiel a
RT 4097.0 S: Opgegeven trillingskarakteristieken con- form EN 12096 Snijbreedte 110 cm Voorwielen 15x6.00-6 Achterwielen 18x8.50-8 Gewicht met maaiwerk 209 kg RT 4112.0 SZ: Motortype B&S Series 7160 Cilinderinhoud 656 cm
Hoogste motortoerental 2950 omw/min Nominaal vermogen bij nominaal toerental 9,3 - 2950 kW - omw/min Meting conform EN ISO 5395-1/-3, EN 1032: Trillingen op de stoel (lichaamsversnel- ling) a
Meting conform EN ISO 5395-1/-3, EN 20643: Trilling op het stuur- wiel a
Opgegeven trillingskarakteristieken con- form EN 12096 Snijbreedte 110 cm Voorwielen 16x7.50-8 Achterwielen 20x10.00-8 Gewicht met maaiwerk 224 kg RT 4112.0 S:161 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL
REACH duidt op een EG-verordening inzake het registeren, analyseren en toestaan van chemicaliën. Voor informatie over het voldoen aan de REACH-verordening (EG) nr. 1907/2006 gaat u naar www.stihl.com/reach Storing: Startmotor draait, verbrandingsmotor slaat niet aan. Mogelijke oorzaak: – Gashendel staat in stand MIN. – Chokestand (gashendel) is niet geactiveerd. – De chokeknop is niet geactiveerd (RT 4112 SZ). – Geen brandstof in de tank. – Brandstofkraan dicht. – Er wordt te weinig brandstof aangevoerd. – Bougie vol roet of beschadigd. – Verkeerde afstand elektroden. – Bougiestekker is van de bougie losgetrokken. – Verbrandingsmotor is na meermaals opstarten "verzopen". – Luchtfilter is verstopt. – Accu bijna leeg. Oplossing: – Gashendel in stand MAX zetten. – Gashendel in chokestand zetten. (Ö 8.2) – Chokeknop bedienen (RT 4112 SZ). (Ö 8.4) – Brandstof bijvullen. – Brandstofkraan openen. (Ö 14.8) – Brandstoffilter controleren. (@) – Bougie reinigen of vervangen. (@) – Afstand elektroden instellen. (#) RT 4097.0 SX: A = 1160 mm B = 978 mm C = 1155 mm D = 1135 mm E = 1247 mm F = 1870 mm RT 4097.0 S: A = 1160 mm B = 978 mm C = 1155 mm D = 1135 mm E = 1247 mm F = 1870 mm G = 1914 mm RT 4112.0 S: A = 1316 mm B = 978 mm C = 1155 mm D = 1135 mm E = 1247 mm F = 1870 mm G = 1914 mm RT 4112.0 SZ: A = 1316 mm B = 1012 mm C = 1175 mm D = 1150 mm E = 1247 mm F = 1870 mm G = 1914 mm
# Neem eventueel contact op met een vakhandelaar. STIHL beveelt de STIHL vakhandelaar aan. @ Zie gebruiksaanwijzing verbrandingsmotor.0478 192 9910 A - NL
– Bougiestekker aansluiten; verbinding tussen bougiekabel en stekker controleren. (#) – Draai de bougie los en droog deze; zet de gashendel in de stand MIN en start meermaals zonder bougie; schroef de bougie er weer in en steek de bougiestekker vast. (@) – Luchtfilter reinigen. (@) – Laadniveau van de accu controleren en zo nodig de accu opladen. (Ö 14.19) Storing: Startmotor werkt niet. Mogelijke oorzaak: – Veiligheidsvoorzieningen blokkeren de startmotor. – Accu niet of fout aangesloten. – Accu volledig ontladen of onvoldoende geladen. – Hoofdzekering (150 A) defect. – Onjuiste massa-aansluiting op verbrandingsmotor of onderstel. – Startmotor defect. Oplossing: – Alle veiligheidsvoorzieningen in acht nemen. (Ö 11.) – Aansluitingen accu controleren. (Ö 14.18) – Accu laden. (Ö 14.19) – Hoofdzekering vervangen. (#) – Aansluitkabels op de accu en het onderstel controleren. (#) – Startmotor repareren. (#) Storing: Start slecht of het vermogen van de verbrandingsmotor wordt minder. Mogelijke oorzaak: – Water in de brandstoftank en de carburator; carburator is verstopt. – Brandstoftank is vuil. – Luchtfilter is vuil. – Bougie vol roet. – Maaien van te hoog of te vochtig gras. Oplossing: – Brandstoftank ledigen; brandstoftank, brandstofleiding en carburator reinigen.
– Brandstoftank reinigen. (#) – Luchtfilter reinigen/vervangen. (@) – Bougie reinigen. (@) – De snijstand en de rijsnelheid aanpassen aan de te maaien oppervlakte. Storing: Verbrandingsmotor wordt zeer heet. Mogelijke oorzaak: – Koelvinnen zijn vuil. – Te laag oliepeil in de motor. – V-riem versleten. Oplossing: – Koelvinnen reinigen. (@) – Controleer de inhoud van de motorolie en vul motorolie bij. (Ö 14.12) – V-riem vervangen. (#) Storing: Apparaat rijdt niet. Mogelijke oorzaak: – Transmissie losgekoppeld. – V-riem (transmissie) losgeraakt. – V-riem (transmissie) versleten of beschadigd. – Ontbrekende pasveer tussen de achteras en achterwielen. Oplossing: – Transmissie vastkoppelen (beugel vrijloop van de transmissie). (Ö 8.14) – V-riem (transmissie) vasthaken. (#) – V-riem (transmissie) vervangen. (#) – Pasveer monteren. (Ö 14.10) Storing: Sterke trillingen tijdens gebruik. Mogelijke oorzaak: – De maaimessen zijn ongebalanceerd door verkeerd slijpen of beschadigingen. – De mesbouten zijn niet goed aangetrokken. – De bevestiging van de verbrandingsmotor is niet goed aangetrokken. – V-riem beschadigd. Oplossing: – Maaimes opnieuw slijpen en balanceren of maaimes vervangen. (Ö 14.6) – Mesbout met aangegeven aanhaalkoppel vastdraaien. (Ö 14.6) – Bevestiging van de verbrandingsmotor vastzetten. (#) – V-riem vervangen. (#) Storing: Onzuivere snede, gras wordt na het maaien geel. Mogelijke oorzaak: – Maaimes bot of versleten. – Rijsnelheid is te hoog in verhouding tot de maaisituatie (snijstand, kwaliteit van het gazon). – Maximaal toerental van de verbrandingsmotor niet ingesteld (gashendel niet in stand MAX). – Maaiwerkinstelling niet in orde. – Uitwerpopening van het maaiwerk is verstopt.163 DEFRITESPT NL 0478 192 9910 A - NL – Het maaiwerk is verontreinigd met grasresten (verklevingen aan de binnenkant van de maaiwerkbehuizing). Oplossing: – Maaimes slijpen of vervangen (op slijtagegrenzen letten). (Ö 14.6) – Rijsnelheid verlagen of hogere snijstand kiezen. – Gashendel in stand MAX zetten. (Ö 8.2) – Maaiwerkinstelling controleren en indien nodig het maaiwerk juist afstellen. (Ö 14.7) – Grasresten uit de uitwerpopening van het maaiwerk verwijderen. – De binnenkant van het maaiwerk reinigen. Storing: Uitwerpopening van het maaiwerk is verstopt. Mogelijke oorzaak: – Maaimesvleugel versleten of beschadigd. – Maaien van te hoog of te vochtig gras. – De rijsnelheid is te hoog in verhouding tot de ingestelde snijstand. – Maximaal toerental van de verbrandingsmotor niet ingesteld (gashendel niet in stand MAX). – Verkeerde rijrichting bij het maaien. Oplossing: – Maaimes vervangen. (Ö 14.6) – Gazon in twee sessies maaien: 1. Maaisessie met de hoogste snijstand,
2. maaisessie met de gewenste
snijstand. – Rijsnelheid verlagen of hogere snijstand kiezen. – Gashendel in stand MAX zetten. (Ö 8.2)(Ö 8.3) – Juiste rijrichting bij het maaien kiezen. Storing: Het apparaat werpt niet gelijkmatig uit. Mogelijke oorzaak: – Gras is te vochtig en daardoor te zwaar. – Rijsnelheid is te hoog in verhouding tot de maaisituatie (snijstand, kwaliteit van het gazon). – Gras is te hoog. – Snijstand te laag ingesteld. – Maaimessen zijn bot of versleten. – Maaimesvleugel versleten of beschadigd. – Verkeerde rijrichting bij het maaien. – Maaiwerk (binnenkant) vuil door verkleefd gras (grasresten van de laatste keer maaien). Oplossing: – Wachten totdat het grasoppervlak droog is. – Rijsnelheid verlagen of hogere snijstand kiezen. (Ö 12.6)(Ö 12.4) – Gazon in twee sessies maaien: 1. maaisessie met de hoogste snijstand,
2. maaisessie met de gewenste
snijstand. – Hogere snijstand kiezen. (Ö 12.6) – Maaimes slijpen of vervangen. (Ö 14.6) – Maaimes vervangen. – Juiste rijrichting bij het maaien kiezen. (Ö 8.7) – Binnenkant van het maaiwerk schoonmaken. (Ö 14.2) Storing: Maaimessen worden niet ingeschakeld of draaien niet. Mogelijke oorzaak: – De veiligheidsvoorzieningen voorkomen dat het maaimes wordt ingeschakeld. – V-riem (maaiwerk) versleten, losgekoppeld of beschadigd. Oplossing: – Controleren of alle veiligheidsvoorzieningen voor het inschakelen van de maaimessen werken. (Ö 11.) – V-riem (maaiwerk) controleren en zo nodig vervangen. (#) Storing: Verbrandingsmotor slaat af bij het inschakelen van het maaiwerk. Mogelijke oorzaak: – Gebruiker zit niet of niet goed op de bestuurdersstoel. – Stoelcontactschakelaar of de kabels zijn defect. Oplossing: – Op de bestuurdersstoel gaan zitten of anders gaan zitten. – Stoelcontactschakelaar of kabels repareren / vervangen. (#) Storing: Maaiwerk wordt bij het achteruit rijden ontkoppeld. Mogelijke oorzaak: – Veiligheidsschakelaar achteruit maaien niet bediend. Oplossing: – Maaimes binnen het tijdsvenster vrijgeven (5 seconden voor, tot 1 seconde na het koppelen of wijzigen van de rijrichting). (Ö 8.6)0478 192 9910 A - NL
Storing: Verbrandingsmotor slaat af bij het verlaten van de bestuurdersstoel. Mogelijke oorzaak: – Handrem niet aangetrokken. – Maaiwerk ingeschakeld (veiligheidsvoorziening). Oplossing: – Handrem voor het verlaten van de bestuurdersstoel aantrekken. (Ö 8.12) – Maaiwerk voor het verlaten van de bestuurdersstoel uitschakelen. (Ö 8.5) Storing: Er klinken 3 kort op elkaar volgende akoestische signalen. Mogelijke oorzaak: – Defect in de stoelcontactschakelaar of in het elektrisch circuit (kortsluiting). Oplossing: – Contactsleutel in de positie "Verbrandingsmotor uit" draaien, zelfdiagnose uitvoeren. (Ö 9.1)
Geef deze gebruiksaanwijzing bij onderhoudswerkzaamheden aan uw STIHL vakhandelaar. Hij geeft in de voorgedrukte velden aan welke servicewerkzaamheden er zijn uitgevoerd.
23. Onderhoudsschema
Service uitgevoerd op Datum volgende servicebeurt
Notice-Facile