Comfort 2923 - Koekenpan Alde - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Comfort 2923 Alde in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Comfort 2923 Alde
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Koekenpan in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Comfort 2923 - Alde en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Comfort 2923 van het merk Alde.
GEBRUIKSAANWIJZING Comfort 2923 Alde
Hoofdstuk Blz De constructie van de ketel 221. Technische gegevens 221:1 De werking van de ketel 222. Functies van het bedieningspaneel 222:1 Het aanzetten van de gasketel 232:2 Het uitzetten van de gasketel 232:3 Hoe de verwarming het best wordt inge steld 232:4 Het instellen van de kamertemperatuur 232:5 Circulatiepomp 232:6 Electrische verwarming 232:7 Externe start 243. Warmwaterboiler 244. Onderhoud van het verwarmings systeem 245. Ontluchting van het verwarmingssysteem 245:1 Wetenswaardigheden over vloeibaar gas 256. Storingsschema 257. Garantie 268. Deze gebruiksaanwijzing dient zorgvuldig te worden gelezen voordat de ketel in gebruik wordt genomen. Deze gebruiksaanwijzing is goedgekeurd volgens CE no. 048AO-0006 voor op vloeibaargas gestookte verwarmingsketels van het type 2923 voor montage in campers, caravans of gebouwen. Het informatieplaatje en het fabricagenummer bevinden zich aan de binnenkant van de ommanteling, naast het expansievat. DE CONSTRUCTIE VAN DE KETEL1. De ketel werkt volgens het zogenaamde constante tem- peratuur principe. Dit betekent dat er altijd verwarmd water in de installatie is, dat kan gaan circuleren als de kamerthermostaat aanslaat. Er is dus geen opwarmings- tijd wanneer er warmte nodig is. Via een aanzuigkanaal aan de onderkant van de ketel wordt de verbrandingslucht naar de verbrandingsruimte geleid. Het gasblok en de brander zijn op een gemakkelijk te demonteren plaat bevestigd. Deze plaat is in de ver- brandings ruimte, in het onderste gedeelte van de ketel gemonteerd. Boven de verbrandingsruimte zit het water- gedeelte, dat bestaat uit een binnen- en een buitenpijp. De tussenruimte tussen deze twee pijpen is het eigen- lijke waterreservoir. In de binnenste pijp zit de vlamver- trager, die uit een geplooide metalen plaat bestaat. Deze plaat dient ertoe om de warme rookgassen die van de brander komen naar het watergedeelte te leiden, zodat het water wordt opgewarmd. Van de bovenkant van het water gedeelte loopt een leiding naar het expansievat. In het expansievat zit een 12 Volt circulatiepomp, die de verwarmde vloeistof door het systeem laat circuleren. Onder het expansievat zit de bedieningsunit met een thermostaatknop, een zekering, een stroomaanslui- ting en een schakelaar. Helemaal boven in de ketel zit de electrische aansluiting van de ketel. Naast de ketel is een ventilatiekanaal aangebracht, dat buitenlucht aanzuigt en deze lucht naar de ruimte rond het ver- brandings gedeelte van de ketel leidt. Deze lucht wordt door de stralings warmte verwarmd en komt door het venti latierooster aan de voorkant van de ketel de kamer in. Technische gegevens1:1 Gas: Propaan Butaan Effect: 5,4 kW (19,2 Mj/h) 6,2 kW (22,2 Mj/h) Gasverbruik: Max 420 g/h Max 480 g/h Gasdruk: 30 mbar (3 kPa) Inhoud ketel (anti-vriesmengsel): 2,6 liter Inhoud elektropatroon (anti-vriesmengsel): 1,0 liter Systeemtemperatuur in ketel: 35 - 75 °C DE WERKING VAN DE KETEL2. Als de kamerthermostaat aanslaat, start de circulatie- pomp. De vloeistof in het systeem gaat dan circuleren. De temperatuurvoeler op het watergedeelte registreert dat de watertemperatuur kouder is dan de temperatuur die met de thermostaat van de ketel is ingesteld. De hoofdbrander gaat branden en verwarmt het water dat in het systeem circuleert. Als de temperatuur de ingestelde kamertemperatuur heeft bereikt slaat de circulatie- pomp af. De temperatuurvoeler registreert dan dat de watertemperatuur de ingestelde waarde heeft bereikt en zorgt ervoor dat de hoofdbrander afslaat en dat het waakvlammetje gaat branden. Als de water temperatuur daarna weer een aantal graden zakt slaat de hoofdvlam automatisch weer aan. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat er altijd heet water in de ketel aanwezig is als de kamerthermostaat aanslaat. De functies van het bedie nings - 2:1 paneel Normale positie voor de elektropatroon. Het ver-A. warmingselement wordt gestuurd door de kamer- thermostaat. Constantpositie voor de elektropatroon. Het ver-B. warmings element wordt gestuurd door de thermo- staat van de elektropatroon. Een effect van 1000 Watt op de elektropatroon.C. Een effect van 2000 Watt op de elektropatroon. D. 230 Volt circulatiepomp voor de elektropatroon.E. 12 Volt circulatiepomp voor de ketel.F. Normale positie voor de 12 en 230 Volt circulatie-G. pomp. De pomp wordt aangestuurd door de kamer- thermo staat. Constantpositie voor de 12 en 230 Volt circulatie-H. pomp. De pomp loopt constant en de kamertempe- ratuur wordt geregeld met de thermostaatknop van de ketel, aangezien de systeemtemperatuur van de ketel kan worden in gesteld. De constantpositie kan bijv. worden gebruikt als er meerdere personen in de wagen aanwezig zijn. Als men dan dicht bij de kamer thermostaat zit bestaat de mogelijkheid dat lichaams warmte ertoe leidt dat de kamerthermostaat reageert en de pomp afslaat en dat de vloer en de ramen kou gaan afgeven. Dit wordt voorko- men als de pomp constant blijft draaien. Zekering 1 A.I. NL23
Stroomaansluiting 12 V DC. (wordt o.a. gebruikt bij J. een externe start (zie hoofdstuk 3.0). Controlelampje voor ontstekingsvonk.K. Thermostaatknop.L. Het aanzetten van de gasketel2:2 Draai de hoofdkraan van de gastoevoor open.1. Draai de thermostaatknop naar de ontstekingspositie 2. (zie g 2). Het controlelampje voor de ontstekings- vonk zal nu gaan knipperen. Druk de thermostaat helemaal in. Houd de knop 3. ingedrukt gedurende 15 seconden nadat het con- trole-lampje is uitgegaan. (De hoofdvlam brandt als het controle lampje is uitgegaan, maar om de ontstekings beveiliging open te houden, dient de ther- mostaatknop de benodigde tijd te worden ingedrukt). Laat de thermostaatknop los.4. Draai de knop naar de bedrijfspositie en stel de ge-5. wenste temperatuur in (zie hoofdstuk 2.4). Als het controlelampje direct weer gaat knipperen 6. nadat de knop is losgelaten, betekent dit dat de hoofd brander weer is uitgegaan. Druk de knop nog een keer in, maar houd hem deze keer iets langer ingedrukt. Door het kijkglaasje in de onderste mantelplaat kunt 7. U controleren of de brander brandt. Als de ketel uit gaat, moet de thermostaatknop naar de stoppositie worden gedraaid (zie g.3). Wacht drie minu- ten en steek de brander opnieuw aan. De ketel is voorzien van een automatische zelfontste- king. Als de ketel om de een of andere reden uit mocht gaan, houdt dit in dat de ketel uit zichzelf opnieuw zal trachten te starten na ca. 20 seconden (totdat de ontstekings beveiliging de gastoevoer onderbreekt). Mocht het gas opraken als de ketel in bedrijf is begint het controlelampje te knipperen totdat de ketel wordt uitgezet, of totdat de ketel opnieuw wordt gestart. Het uitzetten van de gasketel2:3 Draai de thermostaatknop rechtsom tot de stopposi-1. tie (zie g 2). Na ca 20 seconden zal een ”klikgeluid” aan geven dat de ontstekingsbeveiliging is afgesloten. Zet de circulatiepomp uit.2. Draai de hoofdkraan van de gastoevoer dicht. 3. N.B. Een ketel die is uitgezet of uitgegaan mag pas na 3 minuten weer opnieuw worden ontstoken. Hoe de verwarming het best wordt 2:4 inge steld Om een aangename verwarming en een zuinige ver- branding te verkrijgen is het belangrijk, dat de water- temperatuur van het systeem optimaal wordt ingesteld. Bij lage buitentemperatuur is een hogere water- temperatuur nodig dan bij meer normale temperatuur- verhoudingen. De ideale instelling van de thermostaat- knop wordt bereikt als de circulatiepomp voor ca 75% van de tijd in bedrijf is. Als de ketel koud is, mag de thermostaat gedurende de eerste 10 minuten niet op maximum worden gezet. Zet de thermostaat de eerste 10 minuten in de middenpositie. De getallen op de knop van de thermostaat corre- sponderen met het aantal graden van de water- temperatuur in de ketel volgens de gegevens van g. 4. Bij koud weer kunnen de gasverwarming en de elektro- patroon gelijktijdig in bedrijf worden gesteld. Op deze manier wordt een maximaal effect van de ketel verkregen. Als de ketel wordt gebruikt in hoog gelegen gebieden, verandert het kookpunt van het vloeistofmengsel van- wege het luchtdrukverschil. Als deze situatie zich voor- doet moet de systeemtemperatuur van de unit worden verlaagd in verhouding tot de hoogte waarop men zich bevindt (zie g 5). Om het principe van een op water gebaseerd ver- warmingssysteem goed te kunnen benutten is het van belang dat de circulatielucht vrij kan passeren onder bedkasten en achter de rugkussens. Als de wagen wordt voorzien van vaste vloerbedekking, moet er voor worden gezorgd dat de inzuigopeningen van de warmte- wisselaars vrij blijven. Het is ook belangrijk dat kussens en dekens de luchtcirculatie achter de rugkussens niet belemmeren. Het instellen van de kamer tempera tuur2:5 Door middel van de kamerthermostaat kan de in de wagen gewenste temperatuur worden ingesteld. De draaiknop van de thermostaat is voorzien van een schaal van 5 - 30 °C. De circulatiepomp2:6 Om het opgewarmde water in het systeem te laten cir- culeren is een circulatiepomp nodig. Voor de standaard- uitvoering van de gasketel is een pomp van 12 Volt geinstalleerd. De unit kan bovendien worden uitgebreid met een elektropatroon die is voorzien van een 230 Volt circulatiepomp. De keuze van de pomp die gebruikt gaat worden, en tevens de keuze tussen thermostaataansturing en con- stant gebruik wordt gedaan op het bedieningspaneel. Elektrische verwarming2:7 Als er een elektropatroon is gemonteerd kan deze al- leen worden gebruikt indien er een 230 Volt electrische aansluiting aanwezig is. De elektropatroon wordt in twee uitvoeringen geleverd. Eén zonder en één met circulatie pomp. Het effekt van de elektropatroon ligt op 1000 en 2000 Watt. Het gewenste effect wordt via het bedienings paneel geselecteerd. Aan de binnenkant van de bemanteling van de elektropatroon zitten twee thermo staten. De ene thermostaat zorgt ervoor dat de elektropatroon een constante bedrijfstemperatuur van 80 °C houdt, terwijl de andere als een beveiliging tegen oververhitting functioneert, voor het geval dat de spiraal om de een of andere reden zou droogkoken. Als deze beveiliging het systeem heeft geblokkeerd kan deze weer worden teruggezet door het resetknopje aan de zijkant van de elektropatroon in te drukken (zie g. 6A). Zorg ervoor dat textiel en ander brandbaar materiaal niet in contact kan komen met de elektropatroonunit. N.B.! Alle electrische reparaties en/of ingrepen moe- ten worden gedaan door een vakman. NL24
EXTERNE START 3. (alleen van toepassing indien een elektropatroon is gemonteerd) Wilt U dat de wagen is opgewarmd als U arriveert? In dat geval kan Uw buurman of de campingbeheerder de verwarming starten zonder naar binnen te gaan. Een voorwaarde is in dit geval dat er een elektropatroon is gemonteerd en dat er een adapter (artikel nr. 2921 520) op de elektropatroonunit is aangesloten. Ga op de volgende manier te werk: Zet de adapter in een 230 Volt stopcontact.1. Zet het 12 Volt contactstekkertje in het stekkercontact 2. op het bedieningspaneel van de ketel (zie g. 1J). Stel het gewenste effect voor de circulatiepomp in op 3. het bedieningspaneel. Zet de hoofdschakelaar in de wagen uit.4. Leg de 230 Volt kabel uit, naar een electriciteitspaal 5. of naar de stroomkast van de wagen. Als dan de verwarming gestart moet worden, kan de 6. stekker van de stroomkabel in de het paalcontact of in de stroomkast van de wagen worden gestoken. De elektropatroon en de circulatiepomp starten dan 7. dankzij de adapter die de stroomspanning naar 12 Volt transformeert. WARMWATERBOILER4. Deze gasketel kan worden uitgerust met een roest- vrijstalen boiler van het z.g. voorraadtype. Deze boiler heeft een volume van 7 liter en levert bij maximaal ge- bruik een hoeveeiheid van 12,5 liter water van 40 °C. Als de boiler gebruikt moet worden dient de gasver- warming 20 minuten van te voren worden aangestoken en op maximale verwarming worden ingesteld om een maximale hoeveelheid warm water te verkrijgen. Als de elektro patroon wordt gebruikt moet een langere op- warmtijd in acht worden genomen. De boiler moet altijd goed gespoeld worden, voordat deze in gebruik wordt genomen, vooral als deze lange tijd niet is gebruikt. N.B.! Hoewel de boiler tegen vorst is beschermd, moet deze toch worden afgetapt als het risico voor vorst zich voordoet en de wagen niet wordt gebruikt. Tap de boiler op de volgende manier af: Leeg het waterreservoir. Draai de aftapkraan van de waterleiding open (g 6b) en open ook de ontluchting- snippel van de boiler (g 6c) en laat het water dat in de boiler zit eruit lopen. Als er geen aftapkraan is gemon- teerd, kan ook de slang van de nippel aan de boiler wor- den losgemaakt. Laat het geheel op deze manier staan totdat de wagen weer in gebruik wordt genomen. ONDERHOUD VAN HET 5.
VER WAR MINGS SYSTEEM
Controleer regelmatig het vloeistofniveau in het expan- sievat van de ketel. Als de ketel koud is, dient het niveau ca. 1 cm boven het minimumstreepje te staan. Het systeem moet worden gevuld met water en 40% anti-vries van hetzelfde soort als in automotoren wordt gebruikt (geen dieselmotoren). Indien de installatie aan temperaturen lager dan -25 °C wordt blootgesteld moet het anti-vriesgehalte worden verhoogd, doch niet meer dan tot 50%. Het anti-vriesgehalte moet worden gecontroleerd voor- dat water wordt bijgevuld, om te verhinderen dat de concentratie van anti-vries in het mengsel te hoog wordt. Het anti-vriesmengsel moet om de twee jaar worden ververst, omdat de eigenschappen van de anti-vries, zoals b.v. roestwering slechter worden. Het verwarmingssysteem mag nooit zonder antivries- vloeistof komen te staan. Als het vloeistofniveau zakt om een andere reden dan gewone verdamping, moeten alle verbindingen, de aftapkraan en ontluchtingsnippels worden gecontroleerd op lekkage. Als er anti-vriesvloeistof heeft gelekt, moet dit worden weggespoeld en drooggeveegd. Ook het gassysteem moet regelmatig op lekkage wor- den gecontroleerd, zodat aansluitingen, verbindingen en slangen niet lekken. De slangen die voor het gas worden gebruikt moeten om de twee jaar worden ver- vangen, aangezien deze uitdrogen en scheurtjes krijgen, hetgeen lekkage tot gevolg kan hebben. Het bijvullen van de vloeistof: Zorg ervoor dat de caravan / camper horizontaal staat voordat er wordt bijgevuld, zodat er geen luchtzakken kunnen ontstaan. Controleer eerst of alle ontluch tings- nippels en kranen dicht zijn. Verwijder de bovenste frontplaat (zie g 7) trek deze eerst naar boven, met de onderkant naar buiten gericht en daarna naar beneden. Draai de moer van de pomp los en til de pomp op. Giet het mengsel van water en anti-vries voorzichtig in het expansievaatje. N.B. Alcohol mag niet als vorstwerend middel wor- den gebruikt. Er mag geen radiatorcement in het systeem worden gebruikt. Ontluchting van het systeem5:1 Tijdens het bijvullen van de vloeistof kunnen er lucht- zakken ontstaan afhankelijk van de manier waarop het systeem is geïnstalleerd. Als de warmte b.v. niet verder komt dan slechts één meter, ondanks dat de circulatiepomp draait, is dit een teken dat er lucht in het systeem zit. Ontluchten: Zorg ervoor dat de ketel in bedrijf is. Zet de circulatie- pomp uit. Draai eerst de ontluchtingsnippels open (zie instructieboekje van de wagen om te zien waar ze zit- ten). Laat ze open staan tot er water uit de nippels komt. Start daarna de circulatiepomp en laat deze een poosje draaien. Controleer of de leidingen en de radiatoren in de hele wagen warm worden. Als het ontluchten moeilijk gaat, kan men op de volgende manier te werk gaan: Zet de circulatiepomp uit. Krik de wagen aan de achter- zijde op, of zet de wagen op een helling (zie g. 8). Laat de wagen zo enige tijd staan, zodat de lucht naar boven kan komen.25
STORINGSSCHEMA7. Onderstaand schema kan hulp bieden bij het opsporen van storingen in de installatie. Er is een ontstekingsvonk maar de ketel start niet Is het gas op?1. Staat de hoofdkraan helemaal open?2. Als de ketel lange tijd niet heeft gebrand of als de 3. gases is verwisseld kan het langer dan normaal duren voordat de brander ontsteekt. De thermostaatknop moet helemaal worden inge-4. drukt als de ketel wordt gestart. Als de storing nog niet is verholpen, neem dan con-5. tact op met de servicewerkplaats. Er komt geen vonk Controleer of er 12 volt stroom op de installatie is 1. aangesloten. Controleer of de zekering heel is.2. Controleer of het controlelampje voor de ontsteking 3. knippert. Verwijder de onderste frontplaat. Controleer of de ka-4. bels van de ontstekingstransformator (een klein zwart kastje, precies boven de bedieningskast) en kijk of de microschakelaar (onder de thermostaat) goed vast zit en of er soms roest of aanslag op de contactstek- kertjes zit. Als de storing nog niet is verholpen, neem dan con-5. tact op met de servicewerkplaats. De ketel ontsteekt, maar gaat meteen weer uit als de thermostaat wordt losgelaten Herhaal de ontstekingsprocedure zoals beschreven 1. in hoofdstuk 2:2 (wacht eerst drie minuten voordat U de ketel opnieuw aansteekt). Zorg ervoor dat U de thermostaatknop helemaal indrukt en houd deze vast gedurende 20 - 30 seconden nadat het controle- lampje uit is gegaan. Controleer of het waakvlammetje de punt 2. van het thermoelement raakt (rechts van het waakvlammetje). Als de storing nog niet is verholpen, neem dan con-3. tact op met de servicewerkplaats. De ketel kookt Draai de thermostaat naar positie 1 (laagste temp-1. eratuur) en controleer of de hoofdvlam uitgaat, hetgeen zou moeten gebeuren. Controleer of de temperatuurvoeler op de goede 2. plaats zit vastgeklemd. Deze zit met een veerklem- metje op het ketellichaam vast, precies onder de be- dieningskast. Tussen het ketellichaam en de voeler hoort warmtegeleidende kit te zitten. Als de storing nog niet is verholpen, neem dan con-3. tact op met de servicewerkplaats. Draai de ontluchtingsnippel die op het hoogste punt zit los en houdt deze open totdat alle lucht naar buiten is gekomen. Krik daarna de wagen aan de voorkant op en herhaal bovenstaande procedure (zie g. 9). Zet de auto weer horizontaal en start de circulatiepomp. Als de toevoerleiding en de retourleiding ongeveer even warm zijn, is de lucht uit het systeem verdwenen. Bij het ontluchten van het systeem in caravans kunnen het steunwiel en de steunpoten worden gebruikt om de wagen omhoog en omlaag te krijgen. Na het bijvullen van het systeem kunnen er ook kleine luchtbelletjes ontstaan. Stop de circulatiepomp een aantal seconden, zodat de luchtbelletjes kunnen ontsnappen. Fig 8 - 9 A. Ontluchtingsnippel B. Lucht WETENSWAARDIGHEDEN OVER 6.
Vloeibaar gas is een petroleumproduct dat ofciëel ”Liquied Petroleum Gas” wordt genoemd. Dit gas be- staat voor het grootste gedeelte uit butaan en propaan. Propaan heeft het voordeel dat het vergast tot -40 °C, terwijl butaan slecht werkt onder 10 °C. Daarom wordt bijna uitsluitend propaan als gas gebruikt. In de gases is het in vloeibare- en gasvorm verkrijgbaar. Als de gas- es wordt gevuld veranderd het gas door de compressie in vloeibaar gas. Als de gases wordt opengedraaid, wordt het vloeibare gas weer omgezet tot gewoon gas. Als vloeibaar gas verbrandt, komt er alleen CO
waterdamp vrij, net als de lucht die wijzelf uitademen. Om een goede volledige verbranding te krijgen moet er worden gezorgd voor een goede luchttoevoer. Vloeibaar gas is milieuvriendelijk en geeft geen roetvorming bij volledige verbranding. Het kan in gasessen worden bewaard voor onbepaalde tijd, zonder dat de kwaliteit verslechterd. Er bevinden zich in het gas geen giftige bestandsdelen. Daarentegen kan het inademen ervan een verdovende werking hebben, en ademnood en verstikkingssympto- men tot gevolg hebben. Deze symptomen verdwijnen snel als gewone lucht of zuurstofgas wordt ingeademd. Het risico bestaat dat lekkend gas ontsteekt, met een explosie als gevolg. Aangezien vloeibaar gas gifvrij is, is er een reukstof aan het gas toegevoegd, die een dui- delijke doordringende lucht afgeeft, zelfs als de gelekte gasconcentratie slechts een vijfde gedeelte bedraagt van de hoeveelheid die als de laagste explosiegrens wordt beschouwd. De brander werkt meestal met een lagere druk dan de druk die zich in de gases bevindt. De meest normale druk is de lage druk (max 5kPa). Deze lage druk wordt verkregen doordat het gas een reduceerventiel moet passeren. Apparaten die met lage druk werken zijn meestal geruislozer dan apparaten die een hogere werk- druk nodig hebben.26
De circulatiepomp vibreert (12 Volt) Draai de bevestigingsmoer van de circulatiepomp 1. los. Verdraai de pomp een stukje en zet hem weer vast.2. Controleer of de rubberen koppeling tussen de 3. motor en het asje recht zit en niet slingert tijdens het draaien. Controleer of er op de bodem van het expansievat 4. niets in de weg ligt, dat het vrij draaien van de pomp kan verhinderen. Als de storing nog niet is verholpen, neem dan con-5. tact op met de servicewerkplaats. De circulatiepomp (12 Volt) start niet Controleer of de schakelaar van de kamerthermo-1. staat in de positie ”ON” staat. Controleer of de ingestelde temperatuur op de 2. kamer thermostaat hoger is dan de temperatuur in de wagen. Controleer of de keuzeknop voor de circulatiepomp 3. op het bedieningspaneel op 12 Volt staat. Verwijder de gele beschermkap op de circulatiepomp 4. en controleer of de kabels goed vast zitten, en of de 12 Volt stuurstroom aanwezig is. Als de storing nog niet is verholpen, neem dan con-5. tact op met de servicewerkplaats. De ingestelde temperatuur op de kamer- thermostaat klopt niet met de temperatuur in de wagen Controleer de temperatuur in de wagen met een 1. goede thermometer. Verwijder de kap van de kamerthermostaat (druk het 2. knopje aan de rechterkant in en trek het kapje recht naar voren). Trek de knop eruit en verzet deze op zo’n manier, dat 3. het aantal graden correspondeert met de gemeten temperatuur en druk daarna de knop weer vast. Zet het kapje weer terug en controleer of de tempera-4. tuur nu goed wordt aangewezen. De elektropatroon werkt niet meer Controleer of er 230 Volt spanning in het stopcontact 1. aanwezig is. Controleer of de relais die in het mechanisme van 2. de elektropatroon zitten contact maken (er kan een zachte klik worden gehoord). Controleer of de oververhittingsbeveiliging is aan-3. gesproken. Als dit zo is, moet het knopje dat aan de zijkant van de elektropatroon zit worden ingedrukt. Als de storing nog niet is verholpen, neem dan con-4. tact op met de servicewerkplaats. Er komt te weinig water uit de warmwaterboiler Controleer of de ingestelde temperatuur op de 1. thermo staatknop van de ketel op maximum staat. GARANTIE8. De garantie van Alde is geldig vanaf de leverantiedatum en geldt alleen materiaal en fabricagefouten, onder de voorwaarde dat deze gebruiks aanwijzing werd toege- past. En de garantiekaart na aankoop is ingestuurd. N.B. Voor reparaties e.d. mogen alleen originele reserve onderdelen van Alde worden gebruikt.27
SimpelGids