Solo T 1593.7 HDA Comfort - Tractor AL-KO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Solo T 1593.7 HDA Comfort AL-KO in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Solo T 1593.7 HDA Comfort AL-KO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Solo T 1593.7 HDA Comfort - AL-KO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Solo T 1593.7 HDA Comfort van het merk AL-KO.
GEBRUIKSAANWIJZING Solo T 1593.7 HDA Comfort AL-KO
1 Over deze gebruikershandleiding .... 50
1.1 Symbolen op de titelpagina...... 50
1.2 Verklaring van pictogrammen en sig- naalwoorden.... 50
2 Productomschrijving 50
2.2 Mogelijk foutief gebruik 51
2.3 Symbolen op het apparaat .... 51
2.4 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen .... 51
2.5 Productoverzicht 52
3 Veiligheidsinstructies 53
3.1 Gebruiker 53
3.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen.. 53
3.3 Veiligheid op de werkplek 53
3.4 Veiligheid van personen, dieren en eigendommen 53
3.5 Veiligheid van het apparaat.... 54
3.6 Geluidsbelasting.... 54
3.7 Omgang met benzine en olie 54
4 Trekker uitpakken en monteren .... 54
5 Bedieningselementen 55
5.1 Standaard dashboard (01) 55
5.2 Rem-/koppelingspedaal 55
5.3 Bediening van de versnellingsbak (rijsnelheid).... 55
5.4 Aandrijving hydrostaat.... 56
5.5 Bediening maaier 56
6 Ingebruikname 56
6.1 Maaier controleren 56
6.2 Vullen met olie.... 56
6.3 Vullen met brandstof 56
6.4 Bandendruk controleren.... 56
6.5 Grasopvangbak monteren.... 57
6.6 De veiligheidsvoorzieningen controle- ren 57
6.6.1 Contactschakelaar van de hand- rem controleren .... 57
6.6.2 Contactschakelaar van de maai-er controleren.... 58
6.6.3 Contactschakelaar van de stoel controleren .... 58
6.6.4 Contactschakelaar van de gras- opvangbak controleren .... 58
6.6.5 Contactschakelaar van het uit-werpkanaal controleren.... 58
7 De trekker gebruiken.... 58
7.1 Essentiële voorbereidende maatregelen.... 58
7.2 Gebruik van toebehoren 59
7.3 Gazontrekker schuiven.... 59
7.4 De motor starten en afstellen 59
7.5 Met de trekker rijden.... 60
7.5.1 Rit voorbereiden bij temperaturen onder de 10 °C.... 60
7.5.2 Met hydrostaat (pedaalbedie- ning) rijden 60
7.5.3 Rijden en maaien op hellingen..... 60
7.5.4 Maaien met de gazontrekker ..... 60
8 De gazontrekker reinigen 62
8.1 De grasopvangbak reinigen.... 62
8.2 De behuizing, motor en transmissie reinigen.... 63
8.3 Het uitwerpkanaal reinigen 63
9 Transport.... 63
10 Onderhoud en verzorging.... 63
10.1 Onderhoudsplan 63
10.2 Smeerplan 64
10.3 Wielen verwisselen.... 64
10.4 Startbatterij 65
10.5 De maaier demonteren.... 66
10.6 V-snaar vervangen 66
11 Opslag.... 66
12 Hulp bij storingen.... 67
13 Garantie.... 69
1 OVER DEZE GEBRUIKERSHANDLEIDING
De Duitse versie is de originele gebruiksaanwijzing. Alle andere taalversies zijn vertalingen van de originele gebruiksaanwijzing.
■ Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik.
Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodat u erin het antwoord op uw vragen kunt terugvinden wanneer u informatie over het apparaat nodig hebt.
Draag het apparaat alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere personen over.
■ Lees en neem de veiligheids- en waarschuwingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in acht.
De gazontrekkers worden geleverd in verschillende uitvoeringsvarianten. Houd er rekening mee dat de afbeeldingen licht kunnen afwijken van het origineel. Indien u moeilijkheden zou hebben om de beschrijvingen te begrijpen, neem contact op met een erkende reparatiewerkplaats of de fabrikant.
■ Neem de meegeleverde montagehandleiding en de gebruikshandleiding van de benzine-motor in acht.
1.1 Symbolen op de titelpagina
Symbool Betekenis

Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik.

Gebruiksaanwijzing

Gebruik het benzineapparaat niet in de buurt van open vlammen of hittebronnen.
1.2 Verklaring van pictogrammen en signaalwoorden

GEVAAR!
Wijst op een direct gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt.

WAARSCHUWING!
Wijst op een potentieel gevaarlijke situa- tie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden.

VOORZICHTIG!
Wijst op een potentieel gevaarlijke situa- tie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot een licht of middelzwaar letsel kan leiden.
LET OP!
Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële schade kan leiden.

OPMERKING
Speciale aanwijzingen voor meer duidelijkheid en een beter gebruik.
De gazontrekkers met achteruitworp worden in verschillende uitvoeringen geproduceerd. Let er bij de volgende beschrijvingen in deze gebruiksaanwijzing op dat u de beschrijving leest die bij uw gazontrekker hoort.
Kenmerken van uw gazontrekker:
■ Versnellingsbak: Hydrostaat
■ Meskoppeling: elektromagnetisch
Achteruitworp
■ Bakleging: Telescopische hendel
Er zijn ook verschillen in mulchsystemen, motor-type, motorvermogen en maaibreedte.
Typeverschillen:
Maaibreedte
■ Type versnellingsbak (T3 en T2)
Bakvolume 220 l of 300 l
De gazontrekker is bedoeld voor het maaien van privétuinen rond het huis en hobbytuinen met een max. helling van 10° (18 %). Andere toepassin-
gen, zoals bijv. mulchen, zijn enkel toegestaan wanneer het originele toebehoren wordt gebruikt en de maximale belastingswaarden worden ge-respecteerd.
Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Elke andere toepassing, alsook een verboden om- of aanbouw, worden beschouwd als niet beoogd gebruik en leiden tot uitsluiting van de garantie, het verlies van de conformiteit (CE-markering) en de afwijzing van elke verantwoordelijkheid vanwege de fabrikant wat betreft schade aan de gebruiker of derden.
2.2 Mogelijk foutief gebruik
De gazontrekker is niet gemaakt voor bedrijfsmatig gebruik in openbare parken, op sportterreinen, in de land- en bosbouw.

WAARSCHUWING!
Gevaren door overbelasting van de gazontrekker!
Let er bij het gebruik van een aanhangwagen vooral op dat u de toegestane aanhangergewichten en hellingen omhoog/omlaag niet overschrijdt. Overschrijding hiervan kan het remvermogen van de gazontrekker overbelasten en kan tot gevaarlijke situaties leiden!

OPMERKING
Houd er rekening mee dat de gazontrekker geen wegvergunning heeft en dus niet op de openbare weg mag rijden!
2.3 Symbolen op het apparaat

Lees voor de ingebruikname de gebruiksaanwijzing door!

Houd tijdens het maaien andere personen, vooral kinderen en dieren, op afstand van het werkgebied.

Trek de contactsleutel uit voordat u onderhouds- en reparatiewerkzaamheden uitvoert!

Let op: gevaar! Blijf met uw handen en voeten bij de maaier van- daan!







Rijd niet op hellingen van meer dan 10° (18%)!
Gevaar: niet betreden!
Gevaar voor brandletsel door hete oppervlakken onder de afdekking!
2.4 Veiligheids- en
beveiligingsvoorzieningen

WAARSCHUWING!
Gevaar door beveiligingsvoorzieningen die verwijderd of gemanipuleerd zijn!
Elk gebruik met verwijderde of gemanipuleerde beveiligingsvoorzieningen is verboden. Defecte beveiligingsvoorzieningen moeten onmiddellijk worden gerepareerd of vervangen!
De beveiligingsvoorzieningen omvatten vooral:
Remcontactschakelaar
■ Maaiercontactschakelaar
■ Contactschakelaar grasopvangbak
■ Stoelcontactschakelaar
Afdekkingen maaier
■ Contactschakelaar uitwerpkanaal
2.5 Productoverzicht

1 Motorkap 10 Bakontgrendeling (alleen 300 l)
2 Stuur 11 Houder met gasdrukdemper
3 Instrumentenpaneel 12 Versnellingsbak-bypass
4 Vergrendelingshendel voor rempedaal 13 Maaihoogte-instelling
5 Bestuurdersstoel 14 Maaier
6 Vulniveauweergave 15 Versnellingsbakbediening achteruit
7 Handgreep van de grasopvangbak 16 Versnellingsbakbediening vooruit
8 Bedieningshendel van de grasopvangbak 17 Rempedaal
9 Grasopvangbak
3 VEILIGHEIDSINSTRUCTIES

GEVAAR!
Levensgevaar en gevaar voor zeer ernstig letsel!
Onbekendheid met de veiligheidsinstructies en bedieningsinstructies kan bijzonder ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben.
Volg alle veiligheidsinstructies en bedieningsinstructies in deze gebruiksaanwijzing op evenals in de gebruiksaanwijzingen waarnaar wordt verwezen, voordat u het apparaat gebruikt.
Bewaar alle bijgeleverde documenten voor toekomstig gebruik.
3.1 Gebruiker
■ Personen van jonger dan 16 jaar en personen die de gebruikershandleiding niet hebben gelezen, mogen het apparaat niet gebruiken. Eventuele landspecifieke veiligheidsvoorschriften voor de minimumleeftijd van de gebruiker naleven.
Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
3.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen
- Om letsel aan hoofd en ledematen evenals gehoorschade te voorkomen, moet verplicht beschermende kleding en uitrusting worden gedragen.
De kleding moet doelmatig (nauwsluitend) zijn en mag bij het gebruik niet hinderen. Bij lang haar beslist een haarnetje dragen. Nooit losse kledingstukken of accessoires dragen die in het apparaat kunnen worden getrokken, bijv. sjaals, wijde shirts, lange halskettingen.
De persoonlijke beschermingsmiddelen bestaan uit:
Gehoorbescherming en veiligheidsbril - lange broek en stevige schoenen
Beschermende handschoenen
3.3 Veiligheid op de werkplek
■ Alleen bij daglicht of zeer helder kunstlicht werken.
■ Het apparaat alleen op een vaste en vlakke ondergrond en niet op stijle hellingen gebruiken.
■ Op stabiliteit letten.
3.4 Veiligheid van personen, dieren en eigendommen
- Gebruik het apparaat alleen voor werkzaamheden waarvoor het is bedoeld. Niet-reglementair gebruik kan letsel en materiële schade veroorzaken.
De gebruiker is verantwoordelijk voor eventueel letsel bij derden en voor materiële schade.
■ Houd anderen uit de buurt van de gevarenzone.
■ Schakel het apparaat alleen in als er geen personen of dieren in het werkgebied aanwezig zijn.
■ Houd een veiligheidsafstand aan tot personen en dieren of schakel het apparaat uit als personen of dieren naderen.
■ Laat nooit passagiers meerijden op het apparaat.
■ Houd de stroom van uitlaatgassen nooit gericht op personen of dieren, of op brandbare producten en voorwerpen.
Grijp niet in het aanzuig- en luchtfilter als de motor draait. De draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Schakel het apparaat altijd uit wanneer u het niet nodig heeft, bijv. bij het verplaatsen naar een ander werkgebied, bij onderhoudswerkzaamheden, bij het tanken van het benzineoliemengsel.
■ Maai niet wanneer het onweert. Geen bescherming tegen blikseminslag.
■ Maai altijd dwars op de helling.
De gazontrekker kan door zijn eigen gewicht ernstig letsel veroorzaken. Bij het laden en lossen van de gazontrekker voor transport in een voertuig of een aanhangwagen moet extra voorzichtig worden gehandeld.
■ Deze gazontrekker mag niet worden weggesleept. Gebruik voor het transport op openbare verkeerswegen een geschikt voertuig. -
Gebruik de gazontrekker niet in slecht geventileerde werkomgevingen (bijv. garage). De uitlaatgassen bevatten giftig koolmonoxide en andere schadelijke stoffen.
Schakel het apparaat bij een ongeval onmiddellijk uit om verder letsel en materiële schade te voorkomen. -
Gebruik het apparaat nooit met versleten of defecte onderdelen. Versleten of defecte onderdelen kunnen ernstig letsel veroorzaken.
- Gebruik uitsluitend originele reserveonderde-
len en origineel toebehoren.
■ Voor elk gebruik: Controleer alle veiligheids- voorzieningen zoals beschreven in deze gebruiksaanwijzing.
■ Bewaar het apparaat buiten het bereik van kinderen.
Instrueer kinderen en jongeren niet met het apparaat te spelen.
3.5 Veiligheid van het apparaat
■ Het apparaat alleen gebruiken onder de volgende omstandigheden:
■ De machine is niet vervuild.
De machine vertoont geen beschadigingen.
Alle bedieningselementen werken.
■ Het apparaat niet overbelasten. Het is voor lichte particuliere werkzaamheden bedoeld. Overbelasting leidt tot beschadiging van de machine.
- Het apparaat nooit gebruiken met versleten of defecte onderdelen. Defecte onderdelen altijd vervangen door oorspronkelijke reserveonderdelen van de fabrikant. Wanneer het apparaat met versleten of defecte onderdelen wordt gebruikt, kan tegenover de fabrikant geen aanspraak op garantie worden geemaakt.
■ Reparatiewerkzaamheden mogen uitsluitend worden uitgevoerd in de vakhandel of op onze Servicevestigingen.
3.6 Geluidsbelasting
Een zekere geluidsbelasting door dit apparaat is onvermijdelijk. Plan luidruchtige werkzaamheden gedurende acceptabele en daarvoor geschikte tijden. Respecteer rusttijden en beperk de duur van het werk tot het minimum. Voor uw persoonlijke bescherming en ter bescherming van personen die zich in de buurt bevinden, moet geschikte gehoorbescherming worden gedragen.
3.7 Omgang met benzine en olie
■ Explosie- en brandgevaar:
Bij het ontsnappen van een benzine-lucht-
mengsel ontstaat potentieel explosieve atmo-
sfeer. Door een ondeskundige omgang met
brandstoffen kunnen deze ontsteken, explo-
deren en ontbranden, wat tot zwaar letsel en
zelfs sterfgevallen kan leiden. Neem het volgende in acht:
■ Rook nooit, terwijl u met benzine werkt.
■ Werk uitsluitend in de buitenlucht met benzine en nooit in afgesloten ruimten.
- Neem beslist altijd de volgende gedragsregels in acht.
- Transporteer en bewaar benzine en olie uitsluitend op in goedgekeurde voorraadvaten. Zorg ervoor dat de opgeslagen benzine en olie niet toegankelijk zijn voor kinderen.
Zorg ervoor, om bodemvervuiling (milieubescherming) te vermijden, dat bij het tanken geen benzine en geen olie in de aarde terechtkomt. Gebruik bij het tanken een trechter.
Tank het apparaat nooit af in gesloten ruimten. Op de vloer kunnen zich benzinedampen verzamelen waardoor het tot een explosieve verbranding of zelfs explosie kan komen.
■ Veeg gemorste benzine altijd onmiddellijk op van het apparaat of de vloer. Laat de doeken waarmee u benzine afgeveegd heeft, op een goed geventileerde plaats drogen voordat u deze weggooit. Anders kan spontane zelfont-branding optreden.
Bij het morsen van benzine ontstaan benzin-edampen. Start het apparaat daarom nooit op dezelfde plaats, maar altijd op een plaats die minimaal 3 m daarvan is verwijderd.
Vermijd huidcontact met producten van minerale oliën. Adem geen benzinedampen in. Draag altijd veiligheidshandschoenen om brandstof bij te vullen. Vervang en reinig de beschermende kleding regelmatig.
- Let erop dat uw kleding niet in contact komt met benzine. Vervang uw kleding onmiddel- lijk wanneer benzine op uw kleding terecht- gekomen is.
■ Tank het apparaat nooit af, bij draaiende of hete motor.
4 TREKKER UITPAKKEN EN MONTEREN
Neem de bijgevoegde montagehandleiding in acht bij het uitpakken en afmonteren van de trekker.

OPMERKING
Neem ook de meegeleverde gebruikshandleiding van de benzinemotor in acht.

WAARSCHUWING!
Gevaren door onvolledige montage!
De gazontrekker mag niet worden gebruikt voordat hij volledig is gemonteerd!
Voer alle montagewerkzaamheden uit die in de montagehandleiding worden beschreven. Vraag in geval van twijfel vóór de ingebruikname aan een vakman of de montage correct werd uitgevoerd!
Controleer of alle veiligheids- en beschermingsinrichtingen aanwezig zijn en functioneren!
5 BEDIENINGSELEMENTEN
Hierna worden de bedieningselementen van de gazontrekker met achteruitworp beschreven. Let erop dat u de beschrijving leest die bij uw gazontrekker hoort.
5.1 Standaard dashboard (01)
Regeling van het motortoerental (01/2)

OPMERKING
Houd er rekening mee dat de bediening van de regelaar in rijmodus de snelheid beïnvloedt!
Bij regelaar met geïntegreerde choke:
door de regelaar (01/2) te verschuiven, wordt het motortoerental verhoogd en verlaagd en in de bovenste stand wordt de choke ingeschakeld.

Choke inschakelen: schuif de regelaar helemaal naar boven tot aan het choke-symbool. Gebruik deze positie uitsluitend om de motor te starten.
Tip: Sommige trekkervarianten zijn uitgerust met een aparte choke-knop (01/1) op het dashboard. Deze moet dan bijkomend worden uitgetrokken om de trekker te starten. Schuif de knop langzaam weer terug wanneer de motor draait!

Maaien: in deze stand draait de motor met het maximale toerental.

Stationair bedrijf: in deze stand draait de motor met het laagste toerental.
Contactslot (01/3, 05)
| Stand Werking | |
| 0 Motor uit. | De contactsleutel kan worden uitgetrokken. |
| I Koplampen aan. | Nadat de motor is gestart, worden in deze stand de koplampen ingeschakeld. |
| II Bedrijfsstand wanneer de motor draait. | |
| III Startstand om de motor te starten. | Laat de sleutel los, zodra de motor draait. Deze springt dan terug naar bedrijfsstand II. |
5.2 Rem-/koppelingspedaal
Rem: Wanneer u het rem-/koppelingspedaal (03/1) volledig indrukt, wordt de rem op de versnellingsbak ingeschakeld en de trekker afgeremd.
Handrem: Wanneer u de parkeerhendel (03/2, 01/5) omhoog trekt als het rem-/koppelingspedaal (03/1) wordt ingedrukt, wordt de rem vergrendeld. Door het pedaal opnieuw in te drukken, wordt de rem losgelaten.
5.3 Bediening van de versnellingsbak (rijsnelheid)
De gazontrekkers zijn uitgerust met een hydrostaat (pedaalbediening).
Om vooruit en achteruit te rijden, zijn aan de rechterkant twee aparte pedalen ondergebracht.
| Rijrich-ting | Beschrijving |
| Vooruit Druk op het voorste pedaal (02/1) om vooruit te rijden. | |
| Achteruit Druk op het achterste pedaal (02/2) om achteruit te rijden.Opmerking: Als alleen het pedaal voor achteruitrijden wordt ingedrukt, wordt de maaier uitgeschakeld.Maaien tijdens het achteruitrijden: zie Hoofdstuk 7.5.4.2 "Maaibedrijf bij achteruitrijden", pagina 61. | |
5.4 Aandrijving hydrostaat
De hydrostaat wordt bediend door twee pedalen (02/1 en 02/2).
Om weg te rijden, schakelt u terwijl de motor draait eerst de handrem (01/5) uit en drukt u vervolgens op het pedaal (02/1) om vooruit te rijden of op het pedaal (02/2) om achteruit te rijden.
Hoe verder u het pedaal indrukt, hoe sneller u in de gekozen richting rijdt.
Vooruitrijden: Druk op het voorste pedaal (02/1).
Achteruitrijden: Druk op het achterste pedaal (02/2).
5.5 Bediening maaier
Maaihoogte instellen
De maaier van de trekker kan in verschillende stappen in de hoogte worden versteld met een verstelhendel (04/1) rechts van de bestuurders-zitplaats.
- Beweeg de verstelhendel (04/1) in de gewenste richting. Hendel omlaag betekent kleine maaihoogte, hendel omhoog, grote maaihoogte.
Maaier inschakelen
Elektrische inschakeling: Rechts naast de bestuurdersstoel bevindt zich een schakelaar (04/2). Schakel hiermee de maaier in.
6 INGEBRUIKNAME

WAARSCHUWING!
Gevaren door onvolledige montage!
De gazontrekker mag niet worden gebruikt voordat hij volledig is gemonteerd! Voer alle montagewerkzaamheden uit die in de montagehandleiding worden beschreven. Vraag in geval van twijfel vóór de ingebruikname aan een vakman of de montage correct werd uitgevoerd! Controleer of alle veiligheids- en beschermingsinrichtingen aanwezig zijn en functioneren!
6.1 Maaier controleren
Voor het gebruik moet altijd visueel worden geïn- specteerd of het snijmechanisme, de bevesti- gingsbouten en de totale snijeenheid versleten of beschadigd zijn. Om een onbalans te vermijden, moeten versleten of beschadigde messen door nieuwe worden vervangen.
6.2 Vullen met olie
Voor de eerste ingebruikname moet de motor met olie worden gevuld. Neem hiervoor de handleiding van de motorfabrikant in acht. Houd er ook rekening mee dat het oliepeil regelmatig moet worden gecontroleerd en dat olie eventueel moet worden bijgevuld.
6.3 Vullen met brandstof

WAARSCHUWING!
Gevaren bij de omgang met brandstof!
Brandstof vat uiterst gemakkelijk vlam. Maak de brandstoftank alleen leeg in de openlucht! Rook niet! Tank niet wanneer de motor draait of heet is!
Gebruik bij het tanken van brandstof een geschikte vultrechter of vulbuis om zo te voorkomen dat er brandstof wordt gemorst op de motor, de behuizing of op de ondergrond.
Uit veiligheidsoverwegingen moeten de brandstoftankdop en andere tankdoppen worden vervangen wanneer deze beschadigd zijn.
Wanneer brandstof is overgelopen, mag de motor niet worden gestart. De trekker moet worden verwijderd van de plaats die bevuild is met brandstof en de verspilde brandstof moet met een doek worden geabsorbeerd en weggeveegd van de bodem, de motor en de behuizing.
Er mag geen poging tot starten worden ondernomen, tot de brandstofdampen verdampt zijn.
Sla brandstof enkel op in de containers die daar- voor voorzien zijn.
Gebruik loodvrije benzine, min. RON 91.
Tank vullen
- Zet de motor eventueel uit en trek veiligheidshalve de contactsleutel uit.
- Wacht tot de motor een beetje is afgekoeld (explosiegevaar door ontstoken brandstof!).
- Open de motorkap.
- Open de tankdop (06/1) en vul de brandstof. Opmerking: Doe de brandstoftank niet te vol!
- Sluit de tankdop (06/1).
- Sluit de motorkap.
6.4 Bandendruk controleren
■ Controleer de bandendruk regelmatig.
■ Lees de vereiste luchtdruk af op de banden (aanbevolen 1 bar).

OPMERKING
1 PSI = 0,07 bar.
Met een gewone in de handel verkrijgbare voetpomp kan de bandendruk worden gecontroleerd en lucht worden bijgevuld.
6.5 Grasopvangbak monteren
De gazontrekkers worden geleverd met grasopvangbak. Houd er rekening mee dat de afbeeldingen iets kunnen verschillend van het origineel.
De vulniveauweergave van de grasopvangbak instellen
De vulniveauweergave meldt via een signaaltoon wanneer de grasopvangbak moet worden leeggemaakt.
Afhankelijk van de aard van het maaisel kan de vulniveauweergave in 6 standen worden ingesteld. Bij droog maaisel stelt u de vulniveauweergave in op een kortere stand. Bij nat of vochtig maaisel stelt u de vulniveauweergave in op een langere stand. Hierdoor wordt het niveau tot waar de grasopvangbak wordt gevuld beïnvloed.
- Zet de motor uit. zie Hoofdstuk 7.4 "De motor starten en afstellen", pagina 59.
- Verwijder de grasopvangbak zie Hoofdstuk 8.1 "De grasopvangbak reinigen", pagina 62.
- Stel de vulniveauweergave (07/1) in afhankelijk van de staat van het maaisel (07/a) en laat deze in de gewenste stand vastklikken.
- Haak de grasopvangbak weer vast zie Hoofdstuk 6.5 "Grasopvangbak monteren", pagina 57.
Grasopvangbak erin hangen (220 l)
- Houd de grasopvangbak met één hand vast aan de handgreep (08/1) en met de andere hand aan de opening aan de achterzijde (08/2).
- Plaats de grasopvangbak symmetrisch op de geleiding (08/3). Lijn daarbij de twee markeringen op de behuizing en op de grasopvangbak ten opzichte van elkaar uit.
- Kantel de grasopvangbak met de andere hand iets naar voren (08/a), zodat het voorste deel van de grasopvangbak vastklikt.
- Zwenk nu de grasopvangbak weer naar beneden (08/b).
- Controleer of de grasopvangbak correct is bevestigd.
Grasopvangbak erin hangen (300 l)
- Vergrendel de gasdrukdempers op de bevestigingsbeugels van de grasopvangbak (11/1).
- Houd de grasopvangbak met één hand vast aan de handgreep (08/1) en met de andere hand aan de opening aan de achterzijde (08/2).
- Plaats de grasopvangbak symmetrisch op de geleiding (08/3). Lijn daarbij de twee markeringen op de behuizing en op de grasopvangbak ten opzichte van elkaar uit.
- Kantel de grasopvangbak met de andere hand iets naar voren (08/a), zodat het voorste deel van de grasopvangbak vastklikt.
- Zwenk nu de grasopvangbak weer naar beneden (08/b).
- Controleer of de grasopvangbak correct is bevestigd.
- Vergrendel de gasdrukdempers op de bevestigingspunten van het trekkerframe (11/2).
6.6 De veiligheidsvoorzieningen controleren
De veiligheidsvoorzieningen moeten vóór elke start van de gazontrekker worden gecontroleerd.

WAARSCHUWING!
Gevaar bij de controle van de veiligheidsvoorzieningen!
De controle van veiligheidsvoorzieningen mag enkel vanaf de bestuurdersstoel worden uitgevoerd en wanneer er geen personen of dieren in de buurt zijn!
Voer alle controles op een vlakke ondergrond uit, zodat de gazontrekker niet onbedoeld kan rollen.
6.6.1 Contactschakelaar van de handrem controleren
De contactschakelaar van de handrem zorgt ervoor dat de motor alleen kan worden gestart wanneer de handrem is aangetrokken.
Voorwaarde: De motor staat uit.
- Neem plaats op de bestuurdersstoel.
- Druk het rempedaal (03/1) in om de handrem uit te schakelen.
- Probeer de motor te starten (contactsleutel in stand III) (05).

OPMERKING
De motor mag niet starten!
6.6.2 Contactschakelaar van de maaier controleren
De contactschakelaar van de maaier zorgt ervoor dat de motor niet kan worden gestart wanneer de maaier is geactiveerd.
- Motor staat uit.
- Neem plaats op de bestuurdersstoel.
- Druk het rempedaal (03/1) in en schakel de handrem in (03/2, 01/5).
- Schakel de maaier in.
- Probeer de motor te starten (contactsleutel in stand III) (05).

OPMERKING
De motor mag niet starten!
6.6.3 Contactschakelaar van de stoel controleren
De contactschakelaar van de stoel zorgt ervoor dat de motor wordt uitgeschakeld zodra er zich niemand meer op de bestuurdersstoel bevindt en de maaier is ingeschakeld.
- Neem plaats op de bestuurdersstoel.
- Druk het rempedaal (03/1) in en schakel de handrem in (03/2, 01/5).
- Start de motor en laat hem draaien met het maximale toerental.
- Schakel de maaier in.
- Ontlast de stoel door op te staan (niet afstappen!).

OPMERKING
De motor moet uitschakelen!
6.6.4 Contactschakelaar van de grasopvangbak controleren
De contactschakelaar op de grasopvangbak zorgt ervoor dat de motor wordt uitgeschakeld zodra de grasopvangbak niet correct is opgehangen en de maaier is ingeschakeld.
- Neem plaats op de bestuurdersstoel.
- Druk het rempedaal (03/1) in en schakel de handrem in (03/2, 01/5).
- Start de motor en laat hem draaien met het maximale toerental.
- Schakel de maaier in.
- Til de lege grasopvangbak lichtjes op of bedien de openingsschakelaar.

OPMERKING
De motor moet uitschakelen!
6.6.5 Contactschakelaar van het uitwerpkanaal controleren
De contactschakelaar van het uitwerpkanaal zorgt ervoor dat de gazontrekker niet kan worden gestart wanneer het uitwerpkanaal is gedemon- teerd.
-
Grasopvangbak verwijderen.
-
Verwijder het uitwerpkanaal (15):
■ Draai de oogbouten (15/1) los.
■ Trek het uitwerpkanaal (15/2) iets naar buiten.
-
Neem plaats op de bestuurdersstoel.
-
Druk het rempedaal (03/1) in en schakel de handrem in (03/2, 01/5).
-
Start de motor.

OPMERKING
De motor mag niet starten!
7 DE TREKKER GEBRUIKEN

WAARSCHUWING!
Gevaren door ontoereikende kennis van de gazontrekker!
Lees de gebruikshandleiding nauwkeurig voordat u start!
Neem vooral alle veiligheidsinstructies in acht!
Voer alle montagewerkzaamheden en alle werkzaamheden voor de ingebruikname nauwgezet uit. Informeer in geval van twijfel bij de fabrikant!
7.1 Essentiële voorbereidende maatregelen
Draag tijdens het maaien altijd stevig schoeisel en een lange broek. Maai nooit blootsvoets of met open sandalen.
- Controleer het terrein waarop de gazontrekker wordt gebruikt volledig en verwijder alle stenen, stokken, draden, beenderen en andere vreemde voorwerpen die kunnen worden gegrepen en weggeslingerd. Ook tijdens het maaien moet naar vreemde voorwerpen worden uitgekeken.
■ Voer alle werkzaamheden uit die in de ingebruikname zijn beschreven. Dit geldt vooral
voor de controle van de veiligheidsvoorzieningen.
- Gebruik enkel de koppelinrichting om lasten te trekken! Overschrijd de belasting niet.
■ Het transport van voorwerpen op de gazontrekker is verboden!
7.2 Gebruik van toebehoren

WAARSCHUWING!
Gevaar door foutief toebehoren of foutief gebruik van het toebehoren!
Gebruik altijd enkel het originele toebehoren van de fabrikant van de trekker! Neem de gebruiksvoorschriften in de bijgevoegde gebruikershandleiding in acht!
Het gebruik van niet toegestaan toebehoren of het foutief gebruik kan grote gevaren voor de gebruiker en derden veroorzaken. De gazontrekker zou overbelast kunnen worden. Dit kan zware ongevallen veroorzaken.
7.3 Gazontrekker schuiven

VOORZICHTIG!
Gevaar bij het duwen op hellingen!
Duw de gazontrekker enkel op een horizontale ondergrond! Op hellingen zou de gazontrekker ongecontroleerd bergaf kunnen rollen.
Bij hydrostaataandrijving
De bypasshendel (12/1) bevindt zich in de wielkast rechtsachter. Bypass-ontgrendeling:
- Trek de bypasshendel (12/1) uit en hang naar boven op.
- Rem loszetten. De gazontrekker kan nu worden verschoven.
- Bypass-hendel (12/1) na het schuiven terugzetten om de hydrostatische versnellingsbak weer in werking te stellen.
7.4 De motor starten en afstellen

WAARSCHUWING!
Letselgevaar door blikseminslag
Het apparaat heeft geen bescherming tegen een blikseminslag.
■ Maai niet wanneer het onweert.
Start de motor
-
Neem plaats op de bestuurdersstoel.
-
Druk het rempedaal (03/1) aan de linkerkant volledig in en vergrendel het met de parkeer-hendel (03/2).
- Controleer of de maaier NIET is ingeschakeld. Controleer daarvoor de positie van de tuimelschakelaar (04/2).
- Plaats de regelaar (01/2) voor het motortoe- rental tegen de bovenste aanslag. Naarge- lang de uitrustingsvariant bevindt het choke- symbool zich daar. Indien dit niet zo is, trek de afzonderlijke choke-knop uit (01/1).
- Steek de contactsleutel in het contactslot (01/3, 05).
- Draai de contactsleutel in stand 'III' en houd deze zo lang in deze stand tot de motor draait.
Opmerking: Om de startbatterij te ontzien, mag de startpoging niet langer dan ongeveer 5 seconden duren.
- Laat vervolgens de contactsleutel los, die automatisch in stand 'II' springt.
- Zet de regelaar (01/2) voor het motortoerental op bedrijfsstand. Bij een uitrustingsvariant met choke-knop drukt u deze opnieuw in (01/1).
Zet de motor uit
- Schakel de maaier uit (04/2).
-
Zet de regelaar (01/2) voor het motortoerental op stationaire stand.
-
Druk het rempedaal (03/1) in en vergrendel het met de parkeerhendel (03/2).
-
Draai de contactsleutel (05) naar stand '0'.
-
Trek de contactsleutel uit.

WAARSCHUWING!
Gevaar door hete motor!
Let er bij het uitschakelen van de motor op dat hete motoronderdelen (zoals de uitlaatdemper) geen voorwerpen of materialen in de nabije omgeving, kunnen ontsteken!
7.5 Met de trekker rijden

WAARSCHUWING!
Gevaar door onaangepaste snelheid!
Rijd vooral in het begin langzaam om aan het rij- en remgedrag van de trekker te wennen!
Voor elke richtingsverandering moet de rijsnelheid zodanig worden verminderd dat de bestuurder altijd de controle over de gazontrekker behoudt en deze daarbij niet kan omkantelen!
Uw trekker wordt aangedreven door een hydrostaat(pedaalbediening).
7.5.1 Rit voorbereiden bij temperaturen onder de 10 °C
- Controleer of de maaier NIET is ingeschakeld. Controleer daarvoor de tuimelschakelaar (04/2).
- Start de motor en laat hem ong. 30 seconden lang warmdraaien om de viscositeit van de versnellingsbakolie te optimaliseren. Daarna kunt u met de trekker rijden. De maaier mag pas worden ingeschakeld als de motor enkele minuten heeft gedraaid.
7.5.2 Met hydrostaat (pedaalbediening) rijden
-
Druk het rempedaal (03/1) in en vergrendel het met de parkeerhendel (03/2).
-
Stel de maaier in op de grootste maaihoogte (04/1).
-
Start de motor.
-
Druk de rem in (03/1).
-
Druk langzaam op het voetpedaal voor de gewenste rijrichting:
■ Vooruit: Voetpedaal (02/1)
Achteruit: Voetpedaal (02/2)
-
Hoe verder u het pedaal indrukt, hoe sneller de trekker zich in de gewenste richting verplaatst.
-
Laat het voetpedaal los en druk het rempe- daal (03/1) in om te stoppen.

OPMERKING
Trek altijd, wanneer u de trekker verlaat, de parkeerhendel aan bij ingeduwd rempedaal, zodat de trekker niet kan wegrollen!
7.5.3 Rijden en maaien op hellingen

WAARSCHUWING!
Gevaar door fout bij het rijden op hellingen!
Wees bijzonder voorzichtig bij het rijden op hellingen! Er bestaat geen „veilige“ helling.
Neem daarvoor vooral de volgende veiligheidsinstructies in acht!
Wanneer de wielen doordraaien of wanneer het voertuig bij het omhoogrijden op een helling blijft steken, schakel de maaier en de hulpstukken uit. Rijd daarna langzaam en recht vooruit de helling af!
Door het extra gewicht van een volle grasopvangbak neemt het kantelgevaar van de gazontrekker toe!
Rijd niet op hellingen van meer dan 10° (18 %). Voorbeeld: dat komt overeen met een hoogteverschil van 18 cm over een lengte van een meter.
■ Rijd niet met schokken.
■ Rem niet met schokken.
■ Houd de rijsnelheid laag.
■ Rijd altijd dwars op de helling.
■ Versnel niet stevig.
■ Stuur niet met schokken.
7.5.4 Maaien met de gazontrekker
Voor een goed maairesultaat moet de rijsnelheid worden aangepast aan de gazonomstandigheden. Kies voor het maaien maximaal 2/3 van de mogelijke rijsnelheid met het pedaal. De maximale snelheid van de trekker is uitsluitend bestemd voor de rijmodus zonder ingeschakelde maaier.
Doorgaans bedraagt de maaihoogte 4 - 5 cm. Dit komt overeen met het 2e of 3e raster van de hoogteverstelling (04/1). Als het gras vochtig en nat is, maait u met een hogere maaihoogte.
Als het gras erg hoog is, is het raadzaam om in twee stappen te maaien. Stel de maaier bij de eerste stap op maximale maaihoogte. Bij de tweede stap kunt u deze dan op de gewenste hoogte instellen.
7.5.4.1 De maaier inschakelen

OPMERKING
Het maaiwerk mag pas worden ingeschakeld wanneer de motor al ongeveer een minuut is warmgedraaid!
Wanneer u de maaier inschakelt, mag de gazontrekker niet in hoog gras staan.
- Start de motor.
- Zet de regelaar (01/2) voor het motortoerental op bedrijfsstand.
- Zet de maaier met de hendel (04/1) op de hoogste maaihoogte.
- Schakel de maaier in met de tuimelschakelaar (04/2) (stand 'I').
- Zet de maaier met de hendel (04/1) op de gewenste maaihoogte.
- Begin te rijden met de gazontrekker.
7.5.4.2 Maaibedrijf bij achteruitrijden

OPMERKING
Wanneer enkel het pedaal voor achter- uitrijden wordt ingedrukt, wordt de maai- er uitgeschakeld.
- Druk de knop "achteruitmaaien" (01/4) in en binnen 5 seconden het pedaal (02/2) om achteruit te rijden.

WAARSCHUWING!
Kans op ongevallen bij het achteruitmaaien!
Houd het gebied achter u in de gaten tijdens het achteruitmaaien!
Achteruitmaaien enkel indien nodig!
7.5.4.3 De maaier uitschakelen

WAARSCHUWING!
Gevaar door messen die blijven draai- en!
Een (na)draaiend snijmes kan handen en voeten snijden! Houd handen en voeten daarom uit de buurt van het messensysteem!
- Schakel de maaier met de tuimelschakelaar (stand '0') uit (04/2).
De maaier kan zowel in stilstand als wanneer de trekker rijdt, worden uitgeschakeld.

WAARSCHUWING!
Gevaar voor letsel door eruit geslin- gerde voorwerpen!
Bij het kruisen van grind- en steen- slagoppervlakken kunnen voorwerpen in de draaiende maaier worden getrokken en vervolgens eruit worden geslingerd.
Schakel de maaier altijd uit wanneer u op andere ondergrond dan gras rijdt.
7.5.4.4 De grasopvangbak leegmaken

OPMERKING
Wanneer de grasopvangbak gevuld is, klinkt een akoestisch signaal. De bak moet ten laatste nu worden leegge- maakt.
■ het leegmaken van de grasopvangbak kan vanop de bestuurdersstoel worden uitgevoerd.
■ Wanneer bij ingeschakelde maaier de grasopvangbak omhoog wordt geklapt of opgehangen, slaat de motor af.
■ Wanneer de grasopvangbak niet correct is vastgeklikt, kan de maaier niet worden ingeschakeld.
De grasopvangbak met de bedieningshendel leegmaken
- Trek de bedieningshendel (09/1) uit de grasopvangbak (09/a).
- Druk de hendel in de rijrichting om de grasopvangbak te openen (09/b).
- Beweeg de grasopvangbak met de hendel naar achteren (10/a) totdat de bak vastklikt (10/b).
7.5.4.5 Mulchen
Voor een optimaal mulchresultaat moet het gras regelmatig worden gemaaid (ong. 1 tot 2 keer per week). Maai daarbij 1/3 van de hoogte van het gras af (bijv. 6 cm hoogte, 2 cm maaien). Daardoor wordt het gemaaide gras secuur in het nog resterende gazon verwerkt.
Mulching-wiggen zijn optioneel verkrijgbaar voor alle gazontrekkers.
Uitworp aan achterzijde ombouwen naar mulchen
- Grasopvangbak verwijderen.
-
Mulching-wig (13/1) in uitwerpkanaal (13/2) plaatsen.
-
Beide spanriemen (14/1) aan de oogbouten (14/2) borgen.
- Grasopvangbak erin hangen.
7.5.4.6 Maaitijd
Houd er rekening mee dat gras op verschillende tijdstippen anders groeit. Wij adviseren om bij het begin van de lente een kortere maaitijd te kiezen. Vergroot het maai-interval wanneer het gras in de loop van het jaar minder snel gaat groeien.
Kon het gras een poosje niet gemaaid worden, kies dan eerst een hogere maaihoogte-instelling en maai het twee dagen later nog eens met een lagere maaihoogte-instelling.
7.5.4.7 Hoog gras maaien
Maai het gras, wanneer dit langer is dan gewoonlijk of te vochtig, met een hogere maaihoogte-instelling. Maai het gras aansluitend nog eens met de lagere, normale instelling.
7.5.4.8 Snijmessen onderhouden
Zorg tijdens het hele maaiseizoen voor een scherp snijmes om te voorkomen dat de grashalmen afscheuren en versnipperen. Afgescheurde grashalmen krijgen bruine randen. Daardoor groeit het gras minder snel en is het vatbaarder voor ziektes.
- Controleer de scherpte van de snijmessen na elk gebruik en let op tekens van slijtage of schade! Ga indien nodig naar de service-werkplaats.
- Gebruik bij vervanging enkel originele reservemessen.
8 DE GAZONTREKKER REINIGEN
Voor een optimale werking en een lange levensduur moet de gazontrekker regelmatig worden gereinigd.
Reinig de gazontrekker na elk gebruik en verwijder aanklevend vuil.
Gebruik geen hogedrukreiniger om te reinigen. De waterstraal van een hogedrukreiniger of van een tuinslang kan de elektronica of de lagers beschadigen.
Zorg ervoor dat vooral motor, transmissie en oprolmechanismen, alsook de volledige elektronica niet in aanraking komen met water.

WAARSCHUWING!
Gevaar bij het reinigen!
Voor alle reinigingswerkzaamheden geldt:
■ zet de motor af en trek de contacts-leutel uit.
■ Trek de stekker(s) van de bou-giedoppen uit.
Nadat deze gereinigd zijn, moeten verwijderde beveiligingsvoorzieningen opnieuw worden gemonteerd.
RISICO OP BRANDWONDEN: reinig de gazontrekker pas wanneer die is afgekoeld. Motor, transmissie en uitlaatdemper zijn zeer heet!
RISICO OP SNIJWONDEN: let bij werkzaamheden aan snijwerktuigen op de scherpe messen. Bij maai-werktuigen met meerdere messen kan de beweging van het ene snij-werktuig de beweging van het andere veroorzaken!
8.1 De grasopvangbak reinigen
Verwijder hiervoor de grasopvangbak en spuit de bak van binnen en buiten af met een waterslang. Vuil dat vastkleeft moet voorzichtig, bijvoorbeeld met een borstel, worden afgeschraapt. Zorg er vooral bij grasopvangbakken met stoffen bekle- ding voor dat de stof niet wordt beschadigd.

OPMERKING
Leeg de grasopvangbak zoals beschreven voordat u begint met schoonmaken. Een volle grasopvangbak is te zwaar om veilig te kunnen verwijderen.
Verwijderen van een grasopvangbak (220 l)
- Zet de motor uit.
- Til de grasopvangbak lichtjes op.
- Verwijder de grasopvangbak naar boven.
Verwijderen van een grasopvangbak (300 l)
- Zet de motor uit.
- Maak de gasdrukdempers van de trekker los en vergrendel ze op de houders van de grasopvangbak.
- Til de grasopvangbak iets omhoog.
- Verwijder de grasopvangbak.
8.2 De behuizing, motor en transmissie reinigen
LET OP!
Beschadiging van de elektrische installatie door binnendringend water!
Zorg er bij het reinigen van de trekker voor dat er geen water in de elektrische installatie geraakt!
Spuit de motor en alle lagers (wielen, versnel- lingsbak, meslager) niet met water of een hoge- drukreiniger schoon.
Water dat binnendringt in het ontstekingssysteem, de carburateur en het luchtfilter kan storingen veroorza-ken. Water in de lagers kan leiden tot verlies van smering en dus tot vernieling van de lagers.
Gebruik voor het verwijderen van vuil en grasresten een doek, handborstels, borsteltjes met lange steel of iets gelijkardigs.
8.3 Het uitwerpkanaal reinigen
Door regelmatig reinigen wordt de vrije beweging van de maaihoogte-instelling gegarandeerd.
Het uitwerpkanaal bestaat uit twee in elkaar geschoven delen. Het onderste deel is stevig vergrendeld in de maaierbehuizing. Het bovenste deel kan eruit worden getrokken om te reinigen.
- Verwijder de grasopvangbak.
- Verwijder de schroeven (15/1) aan de linkeren rechterzijde van het uitwerpkanaal.
- Trek het uitwerpkanaal (15/2) door de achterwand naar achteren eruit.
- Reinig het bovenste en onderste uitwerpkanaal grondig.
- Steek het uitwerpkanaal in de achterwand. Zorg er daarbij voor dat het bovenste en onderste deel schoon worden samengevoegd.
- Schroef deze met de twee bevestigings- schroeven vast.
- Monteer de grasopvangbak.
9 TRANSPORT

WAARSCHUWING!
Gevaar voor beknelling als gevolg van kantelen van het apparaat!
Het eigen gewicht van het apparaat kan ernstig persoonlijk letsel veroorzaken.
Bij het laden en lossen van het apparaat voor transport in een voertuig of een aanhangwagen moet extra voorzichtig worden gehandeld!
Bij het transport van de gazontrekker met transportmiddelen (bijv. aanhangwagen voor personenwagens) moet de maaier worden ondersteund om de ophanging van de maaier te ontlasten.
Zorg er bij het transport voor dat het transport-middel voldoende belasting heeft en dat de gazontrekker op de juiste manier is vastgemaakt.
10 ONDERHOUD EN VERZORGING
Gevaar bij het onderhoud!
Voor alle onderhoudswerkzaamheden geldt:
■ zet de motor af en trek de contactsleutel uit.
■ Trek de stekker(s) van de bougiedoppen uit.
■ Verwijderde beveiligingsvoorzieningen moeten na het onderhoud opnieuw worden ge-monteerd.
RISICO OP BRANDWONDEN:
voer aan de gazontrekker pas werkzaamheden uit wanneer die is afgekoeld. Motor, transmissie en uitlaatdemper zijn zeer heet!
RISICO OP SNIJWONDEN:
let bij werkzaamheden aan snijwerktuigen op de scherpe messen. Bij maaiers met meerde-
re messen kan de beweging van het ene
maaimes de beweging van het andere ver-
oorzaken.
Bij het vervangen van onderdelen mogen enkel originele reserveonderdelen worden gebruikt.
- Bezoek in geval van twijfel altijd een erkende reparatiewerkplaats of neem contact op met de fabrikant.
10.1 Onderhoudsplan
Volgende werkzaamheden mogen door de gebruiker zelf worden uitgevoerd. Alle overige onderhouds-, service- en reparatiewerkzaamheden moeten door een erkende service reparatiewerkplaats worden uitgevoerd.
Denk ook aan de aanbevolen jaarlijkse smeringen conform smeerplan.

OPMERKING
Bij zware belasting en bij hoge temperaturen kunnen kortere onderhoudsintervallen nodig zijn dan in de tabel hierboven zijn vermeld.
| Activiteit Voor elk | gebruik | Na elk gebruik | Na de eerste 5 uur | Elke 25 bedrijfsuren | Elke 50 bedrijfsuren | Voor elke opslag |
| Motoroliepeil controleren)* | X | |||||
| Motorolie vervangen)* | X | X | ||||
| Luchtfilter reinigen)* | X | |||||
| Luchtfilter vervangen)* | X | |||||
| Bougie controleren)* | X | |||||
| Rem controleren (remtest op een rechte weg) | X | |||||
| Bandenspanning controleren X | ||||||
| Maaimessen controleren X | ||||||
| Controleren op losse onderdelen | X | X | ||||
| Aandrijfriem controleren (visuele controle) | X | |||||
| Reinigen van de gazontrekker | X | |||||
| Luchtaanzuigrooster op de motor reinigen)* | X | |||||
| Gras- en maairestanten van versnellingsbak verwijderen | X | X |
)* zie de gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant
10.2 Smeerplan
Om te garanderen dat de beweeglijke onderdelen vrij kunnen bewegen, adviseren we minstens jaarlijks volgende plaatsen te smeren.
Reinig alle plaatsen die gesmeerd moeten worden vóór het smeren of inspuiten met een doek. Gebruik geen water om eventuele corrosie te vermijden.
Smeerpunten:
■ Smeernippels (18/1) op de astap aan de rechter- en linkerzijde smeren met multipurposevet.
■ Bevestiging van de vooras aan het frame (18/2) besproeien met sprayolie.
Tandsegment (19/1) en stuurrondsel op de stuurinrichting smeren met multipurposevet.
■ Rollagers (17/1) en naaf op vooras (20/1) en achteras (20/2) smeren met multipurposevet.

OPMERKING
De voor- en achterwielen moeten voor het smeren van de assen en lagers worden gedemonteerd.
Draaiende onderdelen en lagers: smering van alle beweeglijke draaiende onderdelen en lagers.
10.3 Wielen verwisselen
Wielen mogen enkel op een horizontale en vaste ondergrond worden verwisseld.
- Schakel de gazontrekker uit en trek de contactsleutel uit.
- Druk het rempedaal (03/1) geheel in en blokkeer het met de parkeerhendel (03/2).
- Beveilig de gazontrekker met wielblokken te- gen wegrollen. Leg de blokken onder de kant die niet wordt opgetild.
- Til de gazontrekker met een geschikt hijswerktuig (bijv. hijswerktuig voor schaarwagens) aan die kant op waar het wiel moet worden verwisseld. Til de trekker zo ver op tot het wiel dat moet worden verwisseld vrij
kan ronddraaien.
Let op! Gevaar voor beschadiging van de apparatuur.
Zorg er bij het optillen voor dat er geen trekkerelementen worden gebogen. Gebruik het hijswerktuig enkel voor stabiele metalen onderdelen.
- Borg de gazontrekker aan een dragend element van het chassis met een stabiele basis (bijv. houten balken) zodanig dat hij niet kan zakken als de hefinrichting wegschuift of kantelt.
- Trek de beschermkap (16/1) eraf.
- Druk de borgring (16/2) met een schroeven-draaier naar beneden. Zorg ervoor dat deze niet verloren gaat.
- Trek de sluitring (16/3) los.
- Trek het wiel van de as.
Opmerking: Verlies de inlegspie niet wanneer u de achterwielen van de as trekt!
- Reinig de as en de boring in het wiel en vet deze beide in met universeel vet alvorens opnieuw te monteren.
- Steek het wiel op de as.
Opmerking: Bij het erop steken van de achterwielen moeten de groeven van de inlegspie en van het achterwiel zodanig boven elkaar staan dat de inlegspie zonder kracht erin kan worden geschoven.
- Steek de onderlegring op de as.
- Druk de borgring in de moer op de as. Wanneer u hiervoor eventueel een tang gebruikt, let erop dat u de as niet beschadigt met de tang.
- Steek de beschermkap op de as.
- Verwijder de ondersteuning en laat de trekker voorzichtig met de hefinrichting op de grond zakken.
10.4 Startbatterij
De leveromvang van de gazontrekker omvat geen oplader voor de startbatterij.
Precieze batterijnaam: zie batterijbak. De start-batterij bevindt zich onder de motorkap.
In principe is de startbatterij af fabriek opgeladen.
Veiligheidsinstructies

WAARSCHUWING!
Gevaar door verkeerde omgang met de startbatterij!
Neem de volgende punten in acht om gevaren te vermijden die kunnen ont-staan door foutieve omgang met de batterij!
De startbatterij mag niet in de buurt van open vuur worden opgeslagen of verbrand of op een verwarming worden gelegd. Er bestaat explosiegevaar.
Bewaar de startaccu in een koele, droge ruimte (10 – 15 °C) voor opslag in de winter. Temperaturen onder het vriespunt moeten vermeden worden tijdens de opslag.
Laat de startbatterij niet gedurende een langere tijd ongeladen. Wanneer de startbatterij gedurende langere tijd niet werd gebruikt, moet deze met een geschikt apparaat worden opgeladen.
Vernietig de startbatterij niet. De elektrolyt (zwavelzuur) veroorzaakt brandwonden op de huid en verbranding van de bekleding - was onmiddellijk uit met veel water.
Houd de startbatterij schoon. Wis enkel af met een droge doek. Gebruik daarvoor geen water, benzine, verdunningsmiddel of dergelijke!
■ Houd de aansluitpolen schoon en vet in met poolvet.
■ Sluit de aansluitpolen niet kort.
De startbatterij opladen
■ Voor opslag tijdens de winterpauze.
Bij langere stilstand van het apparaat (langer dan 3 maanden).

WAARSCHUWING!
Gevaar door foutief opladen van de startbatterij!
De laadstroom van de oplader mag niet hoger zijn dan 5 A en de laadspanning mag max. 14,4 V bedragen. Bij hogere laadspanning bestaat explosiegevaar van de startbatterij!
Trek bij werkzaamheden aan de batterij altijd de contactsleutel uit.
Wij adviseren om deze onderhoudsvrije en gasdichte startbatterij met een speciaal daarvoor geschikte oplader op te laden (verkrijgbaar bij de dealer).
Lees vóór het opladen van de startbatterij de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de oplader.

VOORZICHTIG!
Risico op kortsluiting!
Sluit altijd als eerste de minkabel (-) aan de batterij af en klem deze als laatste weer aan om kortsluiting te vermijden! Trek bij werkzaamheden aan de batterij altijd de contactsleutel uit!
- Verwijder de sleutel uit het contactslot (05).
- Open de motorkap.
- Verbind de klemmen van de oplader met de aansluitpolen van de batterij.

OPMERKING
Let op de polariteit:
■ rode klem = pluspool (+)
zwarte klem = minpool (-)
- Verbind de oplader met het stroomnet en schakel het in.
10.5 De maaier demonteren
Om de trekker tijdens de winter te gebruiken en voor het vervangen van de aandrijfriem moet de maaier worden gedemonteerd.
- Voorwielen (29/1) tot aan de aanslag naar links draaien.
- Grasopvangbak (30/1) verwijderen.
- Uitwerpkanaal (15/2) verwijderen.
- Cilinderkopschroef (31/1) van de schachthouder 5-6 slagen losdraaien.
- Maaier (32/1) met de hendel van de maai-hoogte-instelling (32/2) naar de laagste stand laten zakken.
- Trekveer (33/1) van de maaier loshaken.
- Maaier (34/1) met de hendel van de maai-hoogte-instelling (34/2) weer helemaal naar boven zetten.
- V-riemkanaal (35/1) losmaken (35/a).
- V-riem (36/1) losmaken van de V-riemschijf van de motor.
-
Maaier (32/1) met de hendel van de maai-hoogte-instelling (32/2) naar de laagste stand laten zakken.
-
Borgpennen (4 stuks) (38/1) verwijderen van de bevestigingsbeugels van de maaier.
- Neem de beugel over de bouten af (38).
- Trek de maaier aan de rechterzijde - gezien in de rijrichting - zijwaarts naar buiten.
10.6 V-snaar vervangen
- Borgmoeren (6 stuks) (21/1) losdraaien.
- V-riemkanaal (22/1) losmaken.
- Rechterafdekking (23/1) van de maaier losmaken en verwijderen.
- Linkerafdekking (24/1) van de maaier losma- ken en verwijderen.
- Schroef (25/1) op de spanrol (25/2) iets losdraaien totdat de V-riem (25/3) kan worden losgemaakt.
- Neem de aandrijfriem weg.

OPMERKING
De leiding en de plaats van de aandrijf-riem verschillen naargelang het type. Neem de sticker met instructies op de maaier in acht.
Nieuwe aandrijfriem aanbrengen
- Plaats de V-riem om de enigszins losgedraai-de spanschijf en schroef de spanschijf weer vast (27, 28).
- Plaats de V-riem in de volgorde (27/a – d, 28/a – d) rond de rollen en let op de geleiding en positie van de V-riem.
11 OPSLAG
De gazontrekker moet worden bewaard op een plaats waar deze beschermd is tegen weersinvloeden, vooral tegen vochtigheid, regen en langere directe blootstelling aan zonnestralen.
Sla de gazontrekker nooit met brandstof in de tank binnen in een gebouw op waar de brandstofdampen mogelijk in contact kunnen komen met open vuur of vonken. Bewaar de gazontrekker enkel in ruimtes die geschikt zijn voor het bewaren van motorvoertuigen.
Bewaar de gazontrekker tijdens langere opslag, zoals overwintering, niet met volle brandstoftank indien mogelijk. De brandstof kan verdampen.
Voor lange opslag moet de brandstof uit de tank en de carburateur worden afgelaten om afzetting en daardoor startmoeilijkheden te voorkomen.
Raadpleeg hiervoor uw erkende reparatiewerkplaats.
12 HULP BIJ STORINGEN

VOORZICHTIG!
Gevaar voor letsel
Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermen-de handschoenen!

OPMERKING
Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.
| Storing Oorzaak Oplossing | ||
| Motor slaat niet aan. | Brandstoftekort. Tank vullen; tankontluchting controleren; brandstofffilter controleren. | |
| Slechte, vervuilde brandstof, ou-de brandstof in de tank. | Gebruik altijd verse brandstof uit schone containers; carburateur reinigen (werkplaats van de klantenservice). | |
| Luchtfilter vervuild. Luchtfilter reinigen (zie gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant). | ||
| Geen ontstekingsvonk. Bougie reinigen, evt. een nieuwe plaatsen, ontstekingskabels controleren, ontstekingssysteem controleren (werkplaats van de klantenservice). | ||
| Te veel brandstof in de motor-verbrandingsruimte door meer-dere startpogingen. | Bougie losdraaien en afdrogen. | |
| Starter werkt niet. | Lege of zwakke startaccu. Startaccu opladen. | |
| Veiligheidsschakelaar op be-stuurdersstoel werkt niet. | Correct op de bestuurdersstoel plaats-nemen; schakelaar defect. | |
| Veiligheidsschakelaar op rempe-daal werkt niet. | Rempedaal volledig indrukken. | |
| Maaier ingeschakeld. Maaier uitschakelen. | ||
| Zekering aan (+) kabel van de startaccu. | Zekering controleren, indien nodig vervangen. | |
| Motorvermogen is on-voldoende. | Te hoog of te vochtig gras. Maaihoogte corrigeren; vrije ruimte voor het maaiwerk creëren door kort achter-uit te rijden. | |
| Uitwerpkanaal/maaidek verstopt. Motor uitschakelen en contactsleutel uit-trekken!Uitwerpkanaal/maaidek reinigen. | ||
| Luchtfilter vervuild. Luchtfilter reinigen (zie gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant). | ||
| Instelling carburateur klopt niet. Instelling laten controleren (werkplaats van de klantenservice). | ||
| Messen sterk versleten. Messen vervangen (werkplaats van de klantenservice). | ||
| Rijsnelheid te hoog. Rijsnelheid verlagen. | ||
| Gazontrekker trilt sterk. | Maaier is beschadigd. Maaier controleren (werkplaats van de klantenservice). | |
| Gazontrekker vertrekt niet. | Bij hydrostaat (pedaalbediening): geen wielaandrijving. | Bypass-hendel op bedrijfsstand zetten (zie Hoofdstuk 7.3 "Gazontrekker schui-ven", pagina 59). |
| Onzuivere knip. Messen versleten, onscherp. Messen vervangen of naslijpen. Bij ge-slepen messen uitbalanceren (werk-plaats van de klantenservice)! | ||
| Foute maaihoogte. Maaihoogte corrigeren. | ||
| Te laag motortoerental. Maximaal motortoerental instellen. | ||
| Rijsnelheid te hoog. Rijsnelheid verlagen. | ||
| Verschillende bandendruk op de wielen. | Tot juiste bandendruk oppompen. Cor-recte bandendruk op wielen aflezen. | |
| Grasopvangbak vult niet. | Maaihoogte te diep ingesteld. Maaihoogte corrigeren. | |
| Gras is te vochtig - is te zwaar om door de luchtstroom te wor-den getransporteerd. | Maaitijd verschuiven tot het gazonop-pervlak is gedroogd. | |
| Messen sterk versleten. Messen vervangen. (Werkplaats klan-tenservice) | ||
| Gazon te hoog. Gazon 2 keer maaien: | ||
| ■ 1e stap: max. maaihoogte | ||
| ■ 2e stap: gewenste maaihoogte. | ||
| Weefselzak verstopt – geen luchtdoorlaat. | Weefselzak reinigen. | |
| Uitwerpkanaal maaidek vuil. Uitwerpkanaal/maaidek reinigen. | ||
| Vulniveauweergave reageert niet. | Maairesten aan hendel vul-niveauweergave. | Maairesten verwijderen van hendel vul-niveauweergave. Vervolgens controle-ren op licht lopen. |
| Aandrijving, rem, koppeling en maaier. | Uitsluitend laten controleren door een werkplaats met klantenservice! | |
13 GARANTIE
Eventueel binnen de wettelijke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft.
Onze garantie geldt alleen bij:
■ naleving van deze gebruikershandleiding
■ Deskundig gebruik
■ Gebruik van originele reserveonderdelen
De garantie vervalt bij:
■ Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
■ Eigenhandig aangebrachte technische wijzigingen
- Gebruik voor andere doeleinden dan het gebruiksdoel
Van de garantie zijn uitgesloten:
■ lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik
■ Slijtageonderdelen die op de reserveonderdelenkaart met een kader xxxxxx (x) zijn aangeduid
■ Verbrandingsmotoren (hierop zijn de garantiebepalingen van toepassing van de betreffende motorfabrikant)
De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is daarbij de datum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.
TRADUCTION DE LA NOTICE D'UTILISATION ORIGINALE
Table des matières
Fara p.g.a. het motor!