MC 250 STAGE V - Veegmachine Kärcher - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MC 250 STAGE V Kärcher in PDF-formaat.
| Soort product | Veegmachine / Gereedschapsdrager |
| Merk | Kärcher |
| Model | MC 250 STAGE V |
| Afmetingen (L × B × H) | 4 248 × 1 300 × 1 990 mm |
| Leeggewicht (ongeveer) | 2 500 – 2 800 kg |
| Toegestaan totaalgewicht | 6 000 kg |
| Motor | Diesel 4 cilinder 4-takt, VM R754EU6C (Euro 6) of VM R754ISE5 (Stage V) |
| Motorvermogen | 75 kW (102 pk) – Euro 6 / 54,5 kW (74 pk) – Stage V |
| Brandstof | Diesel volgens DIN EN 590 (biodiesel max. 7%) |
| Brandstoftankinhoud | 70 L |
| Uitlaatvloeistof (DEF/AdBlue) | DEF-tank volgens ISO 22241 |
| Maximale rijsnelheid | 20, 25, 30, 40, 50 of 60 km/u (afhankelijk van variant) |
| Maximale werksnelheid | 20 km/u (40 km/u in de winter) |
| Maximaal toelaatbare helling | 25% |
| Draaicirkel | 2,06 m (4-wielmodus) |
| Accu | 12 V / 105 Ah, onderhoudsvrij |
| Motoroliesoort | Shell Rimula R6 LM (SAE 10W-40, ACEA E6) |
| Hoeveelheid motorolie | 13,2 L |
| Hydraulische olie soort | Renol B HV 46 (ISO 11158) |
| Hoeveelheid hydraulische olie | 55 L |
| Parkeerrem | Automatisch (motor uit), hydraulisch losmaken |
| Stoelcontactschakelaar | Voorkomt rijden als bestuurder afwezig is |
| Geluidsniveau (bestuurdersoor) | 73 dB(A) (gesloten cabine) |
| Onderhoud | Dagelijkse reiniging van de radiator, controle van niveaus; onderhoud door erkende service |
| Accessoires en reserveonderdelen | Originele Kärcher onderdelen (www.karcher.com) |
Veelgestelde vragen - MC 250 STAGE V Kärcher
Gebruikersvragen over MC 250 STAGE V Kärcher
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Veegmachine in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MC 250 STAGE V - Kärcher en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MC 250 STAGE V van het merk Kärcher.
GEBRUIKSAANWIJZING MC 250 STAGE V Kärcher
7.6 Interieurverlichting
1 Algemene instructies 235 1.1 Inleiding 235 1.2 Leveringsomvang 235 1.2.1 Levering controleren 235 1.2.2 Leveromvang MC 250 235 1.2.3 Uitlaatbehandelingsysteem (ATS) 235 1.3 Garantie 235 1.4 Toebehoren en reserveonderdelen 235 2 Reglementair gebruik 235 2.1 Apparaathouder 236 2.2 Te voorzien foutief gebruik 236 3 Milieubescherming 236 3.1 Afvalverwijdering 236 3.2 Afvalverwijdering van het uitgediende voertuig 236 4 Veiligheidsinstructies 236 4.1 Gevarenniveaus 236 4.2 Algemene veiligheidsinstructies 236 4.3 Veiligheidsinstructies voor het rijden 236 4.4 Veiligheidsinstructies dieselmotoren 237 4.5 Veiligheidsinstructies voor het transport 237 4.6 Veiligheidsinstructies m.b.t. het onderhoud 237 4.7 Aanvullende veiligheidsinstructies voor het gebruik ... 237 4.8 Positie van fabrieksplaatjes 237 4.9 Positie chassisnummer (VIN) 237 4.10 Symbolen op het voertuig 238 4.11 Positie van de symbolen op het voertuig 239 4.12 Veiligheidsinrichtingen 239 4.12.1 Startvergrendeling 239 4.12.2 Stoelcontactschakelaar 239 4.12.3 Parkeerrem 240 4.12.4 Bestuurderscabine 240 5 Batterijen / oplaadapparaten 240 5.0.1 Symbolen waarschuwingsinstrumenten 240 5.0.2 Veiligheidsinstructies 240 6 Voertuigoverzicht 241 6.1 Aanzicht van voren 241 6.2 Achteraanzicht 241 6.3 Hydraulische aansluitingen 241 6.3.1 Hydraulische aansluitingen voorzijde 241 6.3.2 Hydraulische aansluitingen achterzijde 242 6.4 Panelen 242 7 Bestuurderscabine 242 7.1 Deuren 242 7.2 Interieurfilter 243 7.3 Radio 243 7.4 Schakelaars 243 7.5 Verwarming, ventilatie, airconditioning 243 7.5.1 Automatische airconditioning (optie) 244 7.6 Interieurverlichting 244 7.7 Zonwering 244 7.8 Console op de bestuurdersstoel 245 7.8.1 Schakelaar voor het accuscheidingsrelais 245 7.9 Stuurwielconsole 245 7.9.1 Multischakelaar 245 7.9.2 Rijrichtingsschakelaar 246 7.9.3 Contactslot 246 7.10 Pedalen 246 7.10.1 Rijpedaal 246 7.10.2 Rempedaal 246 7.10.3 Parkeerrem 246 7.11 Display 247 7.11.1 Functie-/insteltoetsen 247 7.11.2 Display-indicaties in de start-/transportmodus 247 7.11.3 Display-indicaties in de werkmodus 247 7.11.4 Besturing selecteren (2-wiel / 4-wiel) 248 7.11.5 Achteruitrijcamera 248 7.11.6 Stoelcontactschakelaar overbruggen 248 7.11.7 Symbolen op het display 248
4 Bedieningsconsoles 251 4.1 Bedieningsconsole armleuning 251 4.1.1 Indeling apparatenhuis 251 5 Display 251 5.1 Menu aanbouwapparaten 252 5.2 Menu Instellingen 252 5.2.1 Displayinstellingen uitvoeren 252 5.2.2 Systeeminformatie weergeven 252 5.2.3 DPF (diesel-deeltjesfilter) 253 5.3 Menu Service 253 5.4 AUX-menu (het hydraulische systeem drukloos maken) 253 6 Inbedrijfstelling 253 6.1 Veiligheidscontrole voor de start 253 6.1.1 Veiligheidscontrole aan de apparaatdrager 253 6.2 Bestuurdersstoel instellen 254 6.3 Stuurwielpositie instellen 255 6.4 Tanken 255 6.4.1 Brandstof tanken 255 6.4.2 DEF resp. AdBlue® bijvullen 255 7 Werking 255 7.1 De eerste 10 / 50 / 100 bedrijfsuren (inlooptijd) 256 7.2 Parkeerrem 256 7.3 Rijden 256 7.3.1 Motor starten 256 7.3.2 Rijrichting kiezen 256 7.3.3 Rijden 256 7.3.4 Stoppen 256 7.3.5 Differentieelblokkering (speciale uitvoering) 256 7.3.6 Tempomaat 257 7.3.7 Voertuig parkeren 257 7.4 Regeneratieproces bij voertuigen met een dieselpartikelfilter (DPF) 257 7.4.1 Handmatige regeneratie 257 7.4.2 Automatische regeneratie 258 7.5 Inzet in de winter 258 7.5.1 Vorstbescherming 258 8 Aanbouwapparaten 258 8.1 Aanbouwapparaten aan het voertuig koppelen 258 8.2 Aanhangerkoppeling 258 8.3 Het voertuig ballasten 258 8.3.1 Berekening van de minimale ballast van de achterkant voor front-aanbouwapparaten 259 8.3.2 Berekening van de daadwerkelijke voorasbelasting 259 8.3.3 Berekening van het werkelijke totale gewicht 259 8.3.4 Berekening van de daadwerkelijke achterasbelasting 259 9 Transport 259 9.1 Voertuig verladen 259 9.1.1 Voertuig borgen 259 9.2 Transportbeveiliging aanbrengen 259 9.2.1 De standaard veiligheidsgordel op het voorwiel aanbrengen 260 9.2.2 Standaard veiligheidsgordel op het achterwiel aanbrengen 260 9.2.3 Voertuig vastsjorren 260 9.3 Voertuig wegslepen 260 10 Verzorging en onderhoud 261 10.1 Algemene instructies 261 10.2 Onderhouds- en reinigingswerkzaamheden voorbereiden 261 10.3 Service-indicatie 261 10.4 Onderhoudsintervallen 261 10.5 Onderhoudsschema voertuig 261 10.6 Smeerschema voertuig 262 10.7 Onderhoudswerkzaamheden 262 10.7.1 Ruitensproeierreservoir vullen 262 10.7.2 Koelvloeistofpeil controleren en koelvloeistof bijvullen 262
10.7.3 Peil hydraulische olie controleren en hydraulische olie bijvullen 263 10.7.4 Accu inbouwen / uitbouwen 263 10.7.5 Accu laden 263 10.7.6 Luchtfilter reinigen en vervangen 264 10.7.7 Wiel verwisselen 264 10.7.8 Motoroliepeil controleren / bijvullen 265 10.7.9 Motorolie / motoroliefilter vervangen 265 10.7.10 Remvloeistofpeil in het reservoir controleren 265 10.7.11 Waterafscheider legen 265 10.7.12 De parkeerrem lossen (noodbediening) 266 10.8 Reinigen 266 10.8.1 Voertuig reinigen 266 10.8.2 Koeler reinigen 266 10.9 Zekeringen 267 10.9.1 Zekeringen in de bestuurderscabine 267 10.9.2 Zekeringen van het voertuig 267 11 Opslag 268 12 Hulp bij storingen 268 12.1 Storingen op het voertuig 268 12.2 Verhelpen van storingen bij symboolweergaven 268 13 Technische gegevens 270 13.1 Technische gegevens motoren 271 13.2 Bandenuitrusting 271
1 Algemene instructies
1.1 Inleiding
Voordat u uw voertuig voor het eerst gebruikt, dient u de originele gebruiksaanwijzing en de veiligheidsinstructies door te lezen. Houd u hieraan.
Bewaar de gebruiksaanwijzing voor later gebruik of voor de volgende eigenaar.
1.2 Leveringsomvang
1.2.1 Levering controleren
Meld bij de overdracht van het voertuig gebreken en transportschade meteen aan uw dealer of verkoopvestiging.
1.2.2 Leveromvang MC 250
De volgende voertuigen worden in deze gebruiksaanwijzing beschreven:
Apparaatdrager met VM-motor (R754EU6C) 75 kW (Euro 6) met DPF- en SCR-filter Apparaatdrager met VM-motor (R754ISE5) 54,5 kW (niveau V)
met DPF-filter
1.2.3 Uitlaatbehandelingsysteem (ATS)
Instructie
De volgende teksten zijn een uittreksel uit de gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant.
(VM-motor Euro 6)
Het ATS-systeem bestaat uit een katalysator 'Diesel Oxidation Catalyst (DOC)', een deeltjesfilter 'Diesel Particulate Filter (DPF)' en uit een katalysator 'Selective Catalyst
Reduction (SCR). Deze componenten verbranden de verzamelde deeltjes tijdens een "regeneratieproces" en verminderen de stikstofoxiden (NOx). Voor effectieve regeneratie moeten de uitlaatgassen gedurende een bepaalde periode bij een hoge temperatuur uittreden. De uitlaatgassen moeten een temperatuur hebben die geschikt is voor regeneratie, anders filtert de DPF continu en loopt zo het risico van verstopping. Om verstopping van het filter te voorkomen, wordt een actief geregenereerd nabehandelingssysteem gebruikt.
In de uitlaatgassen van een dieselmotor bevinden zich stikstofoxiden (NOx) die moeten worden gereduceerd. In overeenstemming met de normen voor verontreinigende emissies werd het huidige nabehandelingssysteem met een 'SCR'-systeem geïntegreerd.
Het systeem voor het verminderen van NOx-gassen bestaat uit een doseerbesturingseenheid (DCU-box), een tank voor de reactievloeistof DEF (Diesel Exhaust Fluid), een DEF-injector en een katalysator-SCR.
De vloeistof 'Diesel Exhaust Fluid' (DEF) of bekend als AdBlue® als handelsnaam wordt door de doseerbesturingseenheid (DCU-box) in de injector gepompt. De injector verstuift de vloeistof voor de SCR-katalysator en veroorzaakt een chemische reactie. Deze chemische reactie zet de stikstofoxiden (NOx) in de uitlaatgassen om in waterdamp en stikstof.
AdBlue® of DEF is een niet-giftige, kleurloze, reukloze en niet-ontvlambare vloeistof. Deze wordt in een speciale container in het voertuig bewaard en in het uitlaatsysteem geïnjecteerd voor het reinigen van de uitlaatgassen.
1.3 Garantie
In elk land gelden de garantievoorwaarden die door onze verantwoordelijke verkoopmaatschappij zijn uitgegeven.
Mogelijke storingen aan uw voertuig verhelpen we binnen de garantieperiode gratis, voor zover een materiaal- of productiefout de oorzaak is. Als u gebruik wilt maken van de garantie, neemt u met uw aankoopbon contact op met uw distributeur of de dichtstbijzijnde geautoriseerde klantenservice.
1.4 Toebehoren en reserveonderdelen
Gebruik alleen origineel toebehoren en originele reserveonderdelen. Deze garanderen een veilige en storingsvrije werking van het apparaat.
Informatie over toebehoren en reserveonderdelen vindt u onder www.kaercher.com.
Het voertuig mag alleen reglementair worden gebruikt, zoals in deze gebruiksaanwijzing weergegeven en beschreven.
Tot het reglementaire gebruik behoort ook het in acht nemen van het voorgeschreven onderhoud.
Het voertuig en de aanbouwapparaten mogen alleen door personen worden gebruikt, onderhouden en gerepareerd die hiermee vertrouwd zijn en over de hiermee gepaard gaande gevaren geïnstrueerd zijn.
Neem de algemene veiligheidsvoorschriften en de voorschriften inzake ongevallenpreventie van de wetgever in acht. Neem ook andere veiligheidstechnische, arbo- en verkeersregels in acht.
Het voertuig is niet bedoeld om te worden gebruikt met een frontlader.
Het bedieningspersoneel moet:
lichamelijk en geestelijk geschikt zijn - over het gebruik van het voertuig en de aanbouwapparaten geïnstrueerd zijn - voor het begin van het werk deze gebruiksaanwijzing alsook de gebruiksaanwijzingen van aanbouwapparaten of getrokken apparaten gelezen en begrepen hebben - de geschiktheid voor het besturen van het voertuig tegenover de ondernemer aangetoond hebben
- door de ondernemer voor het besturen van het voertuig aangewezen zijn
2.1 Apparaathouder
Het voertuig is een apparaatdrager waaraan naar wens verschillende aanbouwapparaten (niet meegeleverd) voor en achter kunnen worden aangebracht.
Dit voertuig is geschikt voor het gebruik met verschillende aanbouwapparaten en voor het trekken van aanhangers.
- Ongeremd tot 600 kg, oplooprem tot 3000 kg
De maximaal te trekken aanhanglast is op het typeplaatje resp. in de technische gegevens aangegeven en mag niet worden overschreden.
Voor het gebruik op de openbare weg moet het voertuig aan de nationaal geldende richtlijnen voldoen.
Er mogen alleen door KÄRCHER vrijgegeven aanbouwapparaten worden gebruikt.
KÄRCHER kan niet aansprakelijk worden gesteld voor ongevallen of storingen van niet vrijgegeven aanbouwapparaten.
Neem de gebruiksaanwijzingen van de aanbouwapparaten in acht.
Rijbewijs: Zorg bij het rijden op de openbare weg voor een rijbewijs dat geldig is voor dit voertuig. Neem contact op met Kärcher Service als er iets onduidelijk is.
2.2 Te voorzien fout gebruik
Voldoe aan de plaatselijke nationale voorschriften.
Niet-reglementair gebruik is verboden.
Het bedieningspersoneel is aansprakelijk voor gevaar dat door het niet toegestane gebruik ontstaat. Het gebruik voor andere doeleinden dan in deze documentatie beschreven is verboden.
Aan het voertuig mogen geen veranderingen worden aangebracht.
- Blijf niet in de gevarenzone.
- Gebruik het apparaat nooit in explosieve ruimtes.
- Vervoer geen mensen (behalve op de daarvoor bestemde stoelen) met het voertuig, de laadruimte of op aanbouwapparaten.
- Gebruik het voertuig niet in de bosbouw.
- Versproei geen insecticiden, pesticiden of kunstmest met het voertuig.
- De motorkap is niet geschikt als laadvlak. Betreden is ook verboden.
3 Milieubescherming

Componenten als batterijen, accu's of olie die, als ze verkeerd worden gebruikt of onjuist worden weggegooid, een potentieel risico voor de menselijke gezondheid en het milieu vormen, mogen niet met het huishoudelijk afval worden weggegooid.
Instructies betreffende inhoudsstoffen (REACH)
Actuele informatie over inhoudsstoffen treft u aan via internetadres: www.kaercher.nl/REACH
3.1 Afvalverwijdering
Houd u aan de nationale regelgeving ter plaatse. - Neem de specifieke voorschriften van het bedrijf in acht. - Voer bedrijfs- en hulpstoffen volgens de geldende productinformatiebladen milieuvriendelijk af.
3.2 Afvalverwijdering van het uitgediende voertuig
Uitgediende voertuigen bevatten waardevolle recyclebare materialen. Voor de afvoer van uw voertuig raden we de samenwerking met een gespecialiseerd afvalverwijderingsbedrijf aan.
4 Veiligheidsinstructies
4.1 Gevarenniveaus
△GEVAAR
- Aanwijzing voor direct dreigend gevaar dat tot zware of dodelijke verwondingen leidt.
WAARSCHUWING
Aanwijzing voor een mogelijke gevaarlijke situatie die tot zware of dodelijke verwondingen kan leiden.
△VOORZICHTIG
Aanwijzing voor een mogelijke gevaarlijke situatie die tot lichte verwondingen kan leiden.
LET OP
Aanwijzing voor een mogelijke gevaarlijke situatie die tot materiële schade kan leiden.
4.2 Algemene veiligheidsinstructies
GEVAAR Verstikkingsgevaar. Houd verpakkingsfolie buiten het bereik van kinderen. WAARSCHUWING: Gebruik het voertuig alleen volgens de voorschriften. Houd rekening met de plaatselijke omstandigheden en let bij het uitvoeren van werkzaamheden op andere personen en met name kinderen. Personen met verminderde fysieke, sensorische of geestelijke capaciteiten of een gebrek aan ervaring en kennis mogen het voertuig alleen onder begeleiding gebruiken of wanneer ze in het veilige gebruik van het apparaat zijn getraind en de hieruit voortvloeiende gevaren begrijpen. Alleen personen die in de omgang met het voertuig zijn geïnstrueerd of hebben bewezen dat ze het apparaat correct bedienen en uitdrukkelijk de opdracht hebben dit apparaat te gebruiken, mogen het voertuig gebruiken. Kinderen mogen het voertuig niet gebruiken. Houd toezicht op kinderen om ervoor te zorgen dat ze niet met het voertuig spelen. VOORZICHTIG: Veiligheidsinrichtingen zijn er voor uw veiligheid. Verander of omzeil veiligheidsinrichtingen nooit.
4.3 Veiligheidsinstructies voor het rijden
GEVAAR: Kantelgevaar bij te grote hellingen! Neem bij het rijden op hellingen de maximaal toegestane waarden in de technische gegevens in acht. Kantelgevaar bij te grote zijdelingse helling! Neem bij het rijden dwars op de rijrichting de maximaal toegestane waarden in de technische gegevens in acht. Kantelgevaar bij instabiele ondergrond! Gebruik het voertuig uitsluitend op verharde ondergrond.
WAARSCHUWING: Gevaar voor ongevallen door niet aangepaste snelheid. Rijd langzaam in bochten. De lijst met aanwijzingen m.b.t. het kantelgevaar maakt geen aanspraak op volledigheid. VOORZICHTIG: Bestuurderscabines zijn van ventilatiesleuven of luchtuitlaatopeningen voorzien. Houd deze beslist vrij om voldoende ventilatie te waarborgen.
LET OP
Zorg voor vrij zicht op de openbare weg vóór gebruik (bijv. mistvrije voorruiten, spiegels etc.).
4.4 Veiligheidsinstructies dieselmotoren
GEVAAR: Dieselmotor: Gebruik voertuigen met dieselmotor nooit in besloten ruimtes. Gevaar voor vergiftiging: Uitlaatgassen niet inademen. Sluit de opening voor uitlaatgassen nooit af. Buig niet over de opening voor uitlaatgassen heen. Raak de uitlaatgasopening niet aan. Blijf beslist uit de buurt van de aandrijving. Houd rekening met de nalooptijd van de motor bij het afzetten (3-4 seconden).
4.5 Veiligheidsinstructies voor het transport
WAARSCHUWING
Houd rekening met het gewicht van het voertuig om ongevallen en letsel te voorkomen; zie hoofdstuk. Houd rekening met de voertuighoogte bij het transport op een aanhanger of vrachtwagen en beveilig het voertuig; zie hoofdstuk.
4.6 Veiligheidsinstructies m.b.t. het onderhoud
- Schakel de motor uit en verwijder de sleutel voordat u het voertuig schoonmaakt en onderhoudt, onderdelen vervangt of overschakelt naar een andere functie.
- Laat reparaties alleen uitvoeren door erkende klantenservices of experts voor dit gebied die bekend zijn met alle relevante veiligheidsvoorschriften.
- Neem veiligheidscontroles in acht in overeenstemming met de lokaal geldende voorschriften voor commercieel gebruikte bedrijfsvoertuigen.
- Reinig banden, koelerlamellen, hydraulische slangen en kleppen, afdichtingen en elektrische en elektronische componenten niet met de hogedrukreiniger.
- Let op de juiste bandenspanning, de band kan barsten als de bandenspanning te hoog is.
- Alleen originele Kärcher-zittingsenogens worden gebruikt. Anders kunnen de trillingswaarden niet worden gegarandeerd.
4.7 Aanvullende veiligheidsinstructies voor het gebruik
Algemeen
Het voertuig heeft een hydrostatische aandrijving, evenals een 2-wielbesturing en een selecteerbare 4-wielbesturing. Hierdoor is het rijgedrag anders dan dat van een gewone auto.
Remgedrag
Om te remmen moet het rempedaal worden ingedrukt.
Instructie
Het loslaten van het rijpedaal zorgt voor een merkbare vertraging.
Draaibewegingen
Het voertuig heeft 2-wielbesturing en een selecteerbare 4-wielbesturing.
2-wielbesturing is standaard geactiveerd wanneer het voertuig wordt gestart (rijmodus).
De 4-wielbesturing kan op verzoek worden geselecteerd (werkmodus).
De 4-wielbesturing maakt nauwere bochten mogelijk dan bij 2-wielbesturing.
Instructie
Vermijd snelle stuurbewegingen en rijd langzaam in bochten. Houd rekening met het uitzwenken van de achterzijde.
Zwaartepunt / pendelbewegingen
Opbouweenheden achteraan en beladingstoestanden beïnvloeden de positie van het zwaartepunt van het voertuig
en daarmee het rijgedrag. Stel u vooral na het vervangen van opbouweenheden en bij veranderlijke beladingstoestanden op een veranderd rijgedrag in. De limieten kunnen eerder worden bereikt.
4.8 Positie van fabrieksplaatjes
Instructie
De fabrieksplaatjes staan rechts in de rijrichting, in de bestuurderscabine naast de bestuurdersstoel.

1 Typeplaatje frame 2 Typeplaatje voertuig 3 Typeplaatje motor 4 Bestuurdersstoel
4.9 Positie chassisnummer (VIN)
Instructie
De chassisnummers bevinden zich rechts op het frame in de rijrichting, in de buurt van het voorwiel.
1 Chassisnummer
4.10 Symbolen op het voertuig
Instructie
Onleesbare of verdwenen symbolen onmiddellijk vervangen.
| △GEVAAR Verbrandingsgevaar door hete oppervlakken Laat het voertuig afkoelen voordat u eraan werkt. | |
| △GEVAAR Verbrandingsgevaar door hete uitlaat Raak de uitlaat Niet aan. Laat de uitlaat afkoelen voordat u eraan werkt. | |
| △GEVAAR Kantelgevaar Rijd alleen over terrein wonneer de dwarshelling Niet meer is dan 10°. | |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel doorwegspattende voorwerpen Houd voldoende afstand van Personen, dieren en voorwerpen. | |
| △WAARSCHUWING Gevaar voor letsel Gevaar voor beknelling en afknelling aan rie-men, zijbezems, vuilreservoir, kap. | |
| △GEVAAR Gevaar voor beknelling Let er bij het gebruik van het voertuig als tractor op dat zich tijdens het gebruik geen personenCUSSEN HET VOERTUIG EN DE AANHANGER BEVINDEN. | |
| LET OP Roterende machinedelen. | |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel door roterende onderden Open de kap pas als de motor stilstaat. | |
| △WAARSCHUWING Gezondheidsrisico door giffige uitlaatgas-sen Adem geen uitlaatgassen in. | |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel door onbevoed gebruik Trek de contactsleutel uit het contact ter beveilig-tingegen onbevoed gebruik en voor reini-gings- en onderhoudswerkzaamheden. |
| LET OP Materièle schade bij reiniging en onderhoud Parkeer voor reinigings- en onderhoudswerk- zaamheden het voertuig op een vlakke, vaste ondergrond. |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel door Niet voorziene zit- plaats Neemplaats op de bestuurdersstoel. |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel door overrijden Tijdens het gebruik mooten zich geen Personen in de buurt van het voertuig ophouden. |
| △GEVAAR Gevaar voor stoten, gevaar voor beknelling Ondersteun bij het transport of werkzaamheden onder hangende last met geschikte middelen. |
| Smeerpunt |
| Remvloeistof DOT 4 gezruiken |
| Diesel volgens DIN EN 590 tanken |
| Opnamepunt voor krik |
| Motorkap openen |
| Gebruiksaanwijzing lezen |
4.11 Positie van de symbolen op het voertuig
Instructie
Onleesbare of verdwenen symbolen onmiddellijk vervangen.

4.12 Veiligheidsinrichtingen
Veiligheidsinrichtingen dienen voor de bescherming van de gebruiker en mogen niet buiten werking worden gesteld en de functies ervan mogen niet worden omzeild. Neem de veiligheidsinstructies in de hoofdstukken in acht!
Voorwaarden voor het starten van de motor:
Bestuurder zit op de bestuurdersstoel - Neutrale stand van de rijrichtingschakelaar
- Als de rijrichtingschakelaar op vooruit of achteruit staat wanneer de motor wordt gestart, kan de motor wel worden gestart, maar is rijden alleen mogelijk als de rijrichtingschakelaar eerst in de neutrale stand staat.
Bedien de schakelaar voor het accuscheidingsrelais. Zie het hoofdstuk "Schakelaar voor het accuscheidingsrelais".

① Accu losgekoppeld (starten van het voertuig geblokkeerd) ② Accu geactiveerd (voertuig kan worden gestart)
4.12.2 Stoelcontactschakelaar
- Kan met het voertuig niet gereden worden.
- Kan de PTO niet ingeschakeld worden of schakelt uit.
4.12.3 Parkeerrem
De parkeerrem heeft hydraulische druk nodig om te lossen. Bij een uitgeschakelde motor worden de remmen automatisch bediend.
Bij een draaiende motor en de rijrichtingshendel op neutraal is de parkeerrem eveneens aangetrokken.
Instructie
Het waarschuwingslampje in de multifunctionele indicatie "Parkeerrem aangetrokken" brandt bij een aangetrokken parkeerrem.
4.12.4 Bestuurderscabine
De bestuurder wordt beschermd tegen blikseminslag in de bestuurderscabine.
De bestuurderscabine heeft een kantelbeveiligingsstructuur (ROPS), die omkantelen voorkomt.
De bestuurderscabine heeft geen beschermende structuur voor vallende voorwerpen (FOPS).
De bestuurderscabine heeft geen bescherming tegen binnendringende objecten (OPS).
Gebruik altijd de veiligheidsgordel.
5 Batterijen / oplaadapparaten
LET OP
Gebruik alleen de door de fabrikant aanbevolen batterijen en oplaadapparaten.
Vervang de batterijen alleen door batterijen van hetzelfde type!
Verwijder de batterij voordat u het voertuig afvoert en voer het voertuig af met inachtneming van de landspecifieke en plaatselijke voorschriften.
5.0.1 Symbolen waarschuwingsinstructies
Neem bij de omgang met accu's volgende waarschuwingsinstructies in acht:
| Aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de accu en op de accu alsook in deze gebruiksaan-wijzing in ache nemen. |
| Oogbescherming dragen. |
| Kinderen uit de buurt van zour en accu houden. |
| Explosiegevaar |
| Vuur, vonden, openlicht en roken verboden. |
| Verbrandingsgevaar |
| Eerste hulp. |
| Waarschuwing |
| Afvalverwijdering | |
| Accu nicht in de vuilnisbak gooien. |
5.0.2 Veiligheidsinstructies
△GEVAAR
Brand- en explosiegevaar
Leg geen gereedschap of andere voorwerpen op de batterij.
Vermijd absoluut roken en open vuur.
Zorg bij het laden van batterijen in ruimtes voor een goede ventilatie.
Gebruik uitsluitend door Kärcher vrijgegeven batterijen en oplaadapparaten (originele reserveonderdelen).
△WAARSCHUWING
Milieugevaar door ondeskundige verwijdering van de batterij
Voer defecte of opgebruikte batterijen op een veilige manier af (neem eventueel contact op met een afvalverwijderingsfirma of met de Karcher-service).
Maatregelen voor onbedoeld vrijkomen van zwavelzuur.
Bij reglementair gebruik en wanneer de gebruiksaanwijzing wordt opgevolgd, vormen loodbatterijen geen gevaar. Houd er rekening mee dat loodbatterijen zwavelzuur bevatten dat ernstig letsel kan veroorzaken.
- Gemorst zwavelzuur of zwavelzuur dat uit een lekkende batterij treedt, met absorptiemiddel opvangen, bijv. zand. Niet in de riolering, de bodem of de wateren laten terechtkomen.
- Zuur neutraliseren met kalk/natriumcarbonaat en volgens de plaatselijke voorschriften afvoeren.
- Neem contact op met een afvalverwerkingsbedrijf voor de afvoer van defecte batterijen.
- Zuurspatten in het oog of op de huid met veel helder water uit- resp. afspoelen.
- Daarna onmiddellijk een arts raadplegen.
- Vervuilde kleding met water uitwassen.
- Kleding verrangen.
6 Voertuigoverzicht
6.1 Aanzicht van voren
① Voorwiel ② Opnameaanbouwapparaten ③ Voeding aanbouwapparaten ④ Hydraulische aansluitingen ⑤ Ruitenwisser ⑥ Rijlicht/knipperlicht ⑦ Achteruitkijkspiegel, verwarmd (optie) ⑧ Werkverlichting ⑨ Kentekenplaathouder ⑩ Bestuurderscabine met afsluitbare deuren
Sleepinrichting
Het voorste sleepapparaat is bevestigd aan het linker-frame en beveiligd met een veiligheidsbout.

6.2 Achteraanzicht
① Achterwiel ② Trekinrichting ③ Contactdoos voor aanhangwagens / aanbouwapparaten ④ Uitlaat ⑤ Bevestigingsgebied kenteken ⑥ Kentekenverlichting ⑦ Achteruitrijcamera ⑧ Achterlicht / remlicht / richtingaanwijzers ⑨ Bestuurderscabine ⑩ Stoffilter bestuurderscabine ⑪ Hydraulische aansluitingen ⑫ Voeding aanbouwapparaten ⑬ Opname voor aanbouwapparaat vuilreservoir ⑭ Klimhulp, opklapbaar
6.3 Hydraulische aansluitingen
Begripsdefinitie hydraulische PTO
Power Take Off = hydraulische krachtaftgifte
Begripsdefinitie AUX
Auxiliary valve = extra stuurventiel
6.3.1 Hydraulische aansluitingen voorzijde
Instructie
Als u een aansluiting niet gebruikt, breng dan de stofkap ter bescherming aan.
6.3.2 Hydraulische aansluitingen achterzijde

Instructie
Als u een aansluiting niet gebruikt, breng dan de stofkap ter bescherming aan.
6.4 Panelen
Voor de verschillende onderhouds- of reinigingswerkzaamheden moeten de desbetreffende panelen worden geopend. Een beschrijving van de onderhouds- en reinigingswerkzaamheden vindt u in het hoofdstuk "Onderhoud".

Afbeelding: weergave zonder afdekking
Radiatorrooster, zwenkbaar ② Onderhoudsklep rechts zwenkbaar ③ Motorkap / schoonwaterreservoir, zwenkbaar ④ Onderhoudsklep links, zwenkbaar ⑤ Vergrendeling radiatorrooster ⑥ Vergrendeling van de motorkap/watertank Vierkantsleutel (in leveringsomvang)
- Radiatorrooster: ontgrendelen met vierkantsleutel en naar buiten draaien.
a Reiniging combinatiekoeler b Reiniging condensor airconditioning
- Onderhoudsklep rechts: zwenken om te openen.
a DEF of AdBlue® bijvullen b Ruitenwisservloeistofpeil controleren/bijvullen
c Koelvloeistofpeil in het expansiereservoir controleren/bijvullen
- Motorkap/schoonwatertank: ontgrendelen met vierkantsleutel en naar buiten draaien.
a Motoroliepeil controleren b Noodontgrendeling van de parkeerrem c Vulniveau remvloeistof controleren
- Onderhoudsklep links: zwenken om te openen.
a Luchtaanzuiging aan de zijkant van de luchtfilterbehuizing reinigen b Luchtfilterdeksel van bovenaf openen en het luchtfilter reinigen
- Vierkantsleutel: voor het ontgrendelen van het radiatorrooster en de motorkap/watertank
7 Bestuurderscabine
7.1 Deuren

Schuifraam (2 delen)
2 Deurslot
③Deuropener
4Grepen
Sluit beiden deuren na het parkeren van het voertuig af.
De bestuurdersportieren dienen als nooduitgang.
Variant besturing rechts
De bestuurdersstoel en het bestuurdersportier bevinden zich rechts in de rijrichting en er is een tweede deur aan de linkerkant van de bestuurderscabine.
De bestuurdersstoel en het bestuurdersportier bevinden zich links in de rijrichting en er is een tweede deur aan de rechterkant van de bestuurderscabine.
In- en uitstaphulp
Er zijn handgrepen in de deur en op de A-stijl, die kunnen worden gebruikt als in- en uitstaphulpmiddelen.
7.2 Interieurfilter

①Vergrendeling ②Afdekking ③Fijnstofffilter filterklasse F9
De frisse lucht wordt aangezogen door een fijnstofffilter in de bestuurderscabine (rechtsachter).
7.3 Radio

De radio is als optie verkrijgbaar en bevindt zich in de dakconsole.
Raadpleeg de bedieningsinstructies van de fabrikant voor gebruik.
7.4 Schakelaars
De schakelaars bevinden zich in de plafondconsole.
Instructie
Het indicatielampje in de schakelaar brandt als de functie is ingeschakeld.

① Schakelaar noodknipperlichten. Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
② Schakelaar verlichting
Bovenste stand: dimlicht uit
Middelste stand: parkeerlicht aan
Onderste stand: dimlicht aan
③ Mistachterlicht (optie)
Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
④ Schakelaar werkschijnwerper voor
Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
Schakelaar zwaailicht
Bovenste stand: Uit
Onderste stand:
Schakelaar verwarmbare buitenspiegels (optie) Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
Schakelaar voorruitverwarming (optie) Bovenste stand: Uit Onderste stand: In Verwarming/airconditioning De bediening wordt in een apart hoofdstuk beschreven.
7.5 Verwarming, ventilatie, airconditioning
De bedieningselementen bevinden zich in de dakconsole.

① Temperatuurregelaar voor koeling / verwarming ② Airconditioning aan / uit
Instructie
Het airconditioningsysteem wordt pas geactiveerd, als de ventilatormotorregelaar zich ten minste op niveau 1 bevindt.
Schakelaar boven: Airconditioning aan - indicator brandt Schakelaar onder: Airconditioning uit
③ Regelaar voor ventilatormotor
- Zorg voor een aangenaam klimaat in de bestuurderscabine. Stel dit in met behulp van de bedieningselementen.

①Ventilatieopeningen 2. Stel de ventilatiemondstukken tochtvrij in. Druk op de ventilatieklep om deze te openen/sluiten. Draai de ventilatieklep om de richting van de luchtstroom te veranderen.
Luchtkanaal voetruimte 3. Houd het luchtkanaal in de voetruimte voor de voorruit vrij. Anders beslaat deze.
7.5.1 Automatische airconditioning (optie)
De bedieningselementen bevinden zich in de plafondconsole.
①LCD-display ② Instelknop (SET) ③ Airconditioning aan/uit
- Na het inschakelen toont het LCD-display de geselecteerde temperatuur, de ventilatorsnelheid en de geselecteerde instelling.
a In de test-/diagnosemodus geeft het display de juiste berichten weer voor de storingsoplossing.
- De instellingen kunnen worden geselecteerd met de instelknop. Schakel hiervoor de airconditioning in.
a Druk op de insteltoets (SET). b Draai de instelknop met de klok mee of tegen de klok in om de gewenste instellingen te selecteren. c Het systeem keert met de geselecteerde instellingen na enkele seconden automatisch terug naar het hoofdscherm. Druk niet op de instelknop.

- Om het contrast en de helderheid van het display en de temperatuurweergave in °C of °F in te stellen, drukt u twee keer op de instelknop als de airconditioning is ingeschakeld. Maak de nodige instellingen door de instelknop met de klok mee of tegen de klok in te draaien. Druk 1x op de instelknop om de instellingen op te slaan. Wacht een paar seconden, het systeem keert automatisch terug naar het hoofdscherm.
4. Nadat de airconditioning is uitgeschakeld, worden de achtergrondverlichting uitgeschakeld en worden de vooraf ingestelde instellingen weergegeven. 5. Het airconditioningsysteem heeft ook menu's voor de instelling, foutweergaven of statistieken. Deze mogen alleen worden gebruikt door de bevoegde klantenservice. Neem bij vragen of een storing contact op met de bevoegde klantenservice.
7.6 Interieurverlichting Druk links: Verlichting aan Middenpositie: Verlichting wordt uitgeschakeld wanneer een deur wordt geopend ③ Druk rechts: Verlichting uit
7.7 Zonwering ①Zonwering
② Trek omlaag naar de gewenste positie om te werken ③ Trek om te ontgrendelen, zonneklep gaat omhoog
7.8 Console op de bestuurdersstoel
Naast de bestuurdersstoel is er een console met schakelaars, een opbergbakje voor verschillende kleine onderdelen en stopcontacten voor USB en 12V.

① Opbergbakje ② Schakelaar recyclingwater aflaten (optioneel bij aanbouwset voor vegen) ③ Schakelaar voor het accuscheidingsrelais ④ Schakelaar voor het legen van het vuilreservoir (optioneel bij aanbouwset voor vegen) ⑤ Extra stopcontact 12 V / max. 10 A ⑥ USB-aansluiting 5 V / max. 2,1 A
7.8.1 Schakelaar voor het accuscheidingsrelais
Alle functies van het voertuig kunnen worden gedeactiveerd met de schakelaar voor het accuscheidingsrelais.

① Schakelstand "accu loskoppelen" ② Schakelstand "accu activeren"
- Koppel de accu los elke keer dat het voertuig geparkeerd wordt door de schakelaar in de stand "accu loskoppelen" te duwen. Wacht minstens 60 seconden na het uitschakelen van de verbrandingsmotor voordat u de schakelaar bedient.
Opmerking: Als de verbrandingsmotor is uitgeschakeld, worden de regeleenheden geleidelijk gedeactiveerd. De accu kan pas worden losgekoppeld als het laatste apparaat is uitgeschakeld. Houd daarom rekening met een wachttijd van 60 seconden.
- Voor de inbedrijfstelling activeert u de accu door de schakelaar in de stand "accu activeren" te duwen.
7.9 Stuurwielconsole
① Stuurwiel ② Display met functietoetsen ③ Multischakelaar ④ Stuurknop ⑤ Rijrichtingsschakelaar
7.9.1 Multischakelaar
- Claxonneren: Knop aan korte zijde indrukken
- Knipperen naar rechts: hendel naar voren
- Knipperen naar links: hendel naar achteren Grootlicht: hendel bij ingeschakeld rijlicht naar onderen drukken
- Lichtsignaal: trek aan de hendel en laat hem los Ruitenwisser-interval: ring naar voren draaien
Instructie
De tijdsperiode van het ruitenwisserinterval is instelbaar (programmeerbaar).
Draai hiervoor aan de ring op het wis-interval, wacht op het gewenste tijdsinterval, schakel vervolgens uit en weer in binnen 1,5 seconden. Het ingestelde tijdsinterval keert terug naar de basisprogrammering nadat het contact is uitgeschakeld.
- Continu wissen: Draai de ring naar achteren
Instructie
- Niveau voor normale wissnelheid
- Draai een stap verder voor snelle veegsnelheid. Ruitensproeiervloeistof: Ring indrukken
7.9.2 Rijrichtingsschakelaar
De rijrichting wordt geselecteerd met de rijrichtingsschakelaar.
LET OP
Om de rijrichting te selecteren, moet het voertuig stilstaan en moet de rijkeuzeschakelaar in de neutrale stand staan.
Foute bediening
Als de rijkeuzeschakelaar tijdens het selecteren van de rijrichting in de voorwaartse of achterwaartse richting staat, verandert het symbool op het display, maar wordt niet omgeschakeld.

① Rijrichtingsschakelaar
- Keuzeschakelaar omhoog naar het stuur trekken, dan in de gewenste rijrichting bewegen (voor / achter). De rijrichting wordt op het display weergegeven.
- Rijrichtingshendel in middelste stand zetten (neutrale stand). De motor is in nullast.
- Transportsnelheid of werksnelheid met het gaspedaal doseren.
7.9.3 Contactslot

Motor uit ② Ontsteking uit ③ Motor starten
Het contactslot bevindt zich onder de rijrichtingsschakelaar.
7.10 Pedalen

① Rijpedaal ② Rempedaal ③ Pedaal (geen functie, alleen actief met "Aanbouwset voor vegen")
7.10.1 Rijpedaal
Instructie
Loslaten van het gaspedaal veroorzaakt geen significante vertraging in de transportmodus.
Om te remmen moet het rempedaal worden ingedrukt.
1 Transportmodus: Als het rijpedaal wordt ingetrapt, worden het motortoerental en de rijsnelheid hoger.
Als het rijpedaal wordt losgelaten, worden het motortoerental en de rijsnelheid lager.
2 Werkmodus: Het motortoerental is ingesteld op een vaste waarde. De werksnelheid met het rijpedaal regelen.
Als het rijpedaal wordt ontlast, daalt alleen de werksnelheid en niet het motortoerental.
7.10.2 Rempedaal
Het rempedaal activeert het voor- en achterwiel van het remsysteem.
Om te remmen moet het rempedaal worden ingedrukt.
Instructie
Het loslaten van het rijpedaal zorgt niet voor een merkbare vertraging.
7.10.3 Parkeerrem
De parkeerrem heeft hydraulische druk nodig om te lossen. Bij een uitgeschakelde motor worden de remmen automatisch bediend.
Bij een draaiende motor en de rijrichtingshendel op NEUTRAAL is de parkeerrem eveneens aangetrokken.
Instructie
Het waarschuwingslampje in de multifunctionele indicatie "Parkeerrem aangetrokken" brandt bij een aangetrokken parkeerrem.
7.11 Display
7.11.1 Functie-/insteltoetsen
Volgende indicaties worden na het inschakelen van het contact op het display weergegeven.

1 Functietoetsen ②Display-indicatie in de start-/transportmodus ③Insteltoetsen
Door drukken op de desbetreffende functietoets verandert de weergave op het display. Door opnieuw indrukken of indrukken van de 'Home' knop navigeert u terug.
Wijzigen van instelwaarden worden uitgevoerd met de insteltoetsen.
| Bezetting van de functietoetsen | |
| F1 Hier kan informatie, zoals de gebruiksaanwijzing van het voertuig,+zijn opgeslagen In de werkmodus:Hogedrukreiniger inschakelen (optie) | |
| F2 Weergave van datum enarend | |
| F3 Diverse instellen | |
| F4 In de werkmodus:Stoelcontactschakelaar overbrug-gen | |
| F5 Waarschuwingssignaal voorchyteruirijden aan/uit | |
| F6 Achteruirijcamera aan/uit | |
| F7 Zuigmondcamera (optioneel bijaanbouwset voor vegen) | |
| F8 Tempomaat set | |
| F9 Tempomaat resume | |
| F10 Selectie 2- of 4-wielbesturing | |
| Insteltoetsen | ||
| Toets + springt | binnen een instelbewer-king een veld maar boven | |
| Toets - springt | binnen een instelbewer-king een veld maar anderen | |
| "Home"-toets Gaat� het "home" beeld-schem van de betreffende mo-dus (transport/werk) | ||
| Insteltoetsen | ||
| Esc | Esc-toets sprung | gt binnen een instelbewer-king een stap terug |
| "Return"-toets sluit een instelbewerking af | ||
7.11.2 Display-indicaties in de start-/transportmodus In de start-/transportmodus worden volgende indicaties op het display weergegeven.

① Motortoerental
Rijsnelheid
③ Vulstand DEF-reservoir
④ Tankindicatie
Waarschuwingslampje parkeerrem geactiveerd
⑥ Koelvloeistoftemperatuur motor
Rijrichtingsindicatie
Rijrichting vooruit - Neutrale stand Rijrichting achteruit
⑥ Display 2-wiel / 4-wielbesturing ⑨ Kilometerstand Motorbedrijfsuren ⑪ Werkurenteller
7.11.3 Display-indicaties in de werkmodus
Wordt naar de werkmodus overgeschakeld (PTO), dan wordt volgende indicatie op het display weergegeven.

① Weergave motorbelasting ② Aansturing aandrijving van het aanbouwapparaat vooraan in % - gele wijzer: PTO links - grijze wijzer: PTO rechts
③ Tankindicatie
4Temperatuur hydraulische olie ⑤ Werksnelheid ⑥ Motortoerental ⑦ Koelvloeistoftemperatuur motor Aansturing aandrijving van het aanbouwapparaat achteraan in % ⑨ DPF regeneratie-indicatie ⑩ Rijrichtingsindicatie ⑪ Kilometerstand ⑫ Schoonwaterreservoir (alleen bij optionele aanbouwset voor vegen) ⑬ Recyclingwatertank (alleen bij optionele aanbouwset voor vegen) Bedrijfsurenteller ⑮ Werkurenteller
7.11.4 Besturing selectoren (2-wiel / 4-wiel)
Bij het starten van de motor wordt automatisch transportmodus en 2-wielbesturing geselecteerd.
In de werkmodus (PTO aan) kan de 4-wielbesturing worden geselecteerd.

① Weergave stuurtype (2-wiel / 4-wiel)
② Functietoets F10
- Functietoets F10 indrukken.
- Stuurwiel over de middelste positie (referentiepunt) draaien. Als het display groen wordt, is het stuurtype geactiveerd.
7.11.5 Achteruitrijcamera
De achteruitrijcamera bevindt zich aan de achterzijde van het voertuig. Bij achteruitrijden worden de camera automatisch ingeschakeld en worden het beeld op het display weergegeven.
WAARSCHUWING
De achteruitrijcamera is geen vervanging voor de oplettendheid voor de omgeving.
Let bij het achteruitrijden altijd op de omgeving.
Er mogen zich geen personen, dieren of voorwerpen binnen het rangeergebied bevinden.
7.11.6 Stoelcontactschakelaar overbruggen
Instructie
Is nodig voor werkzaamheden bijvoorbeeld met de handzuigslang (optie) of hogedrukreiniger (optie) waarbij de bestuurder de bestuurdersstoel moet verlaten.
- Richtingkeuzeschakelaar in stand NEUTRAAL.
- Hydraulisch systeem activeren (PTO aan).
- Op het display boven de functietoets F4 drukken.
Op het display verschijnt het waarschuwingssymbool "stoelcontactschakelaar overbrugd".
De stoelcontactschakelaar is nu overbrugd, de PTO blijft echter verder actief.
7.11.7 Symbolen op het display
Groene controlelampjes zijn aanwijzingen. Oranje controlelampjes duiden op storingen of nodige omschakelingen van bedrijfstoestanden:
a Verder rijden is mogelijk als voorzichtig wordt gereden.
b Vraag de hulp van een gespecialiseerd bedrijf.
- Rode controlelampjes duiden op storingen en zijn veiligheidsgerelateerde waarschuwingen.
a Lees de gebruiksaanwijzing! b Stop met rijden! c Vraag de hulp van een gespecialiseerd bedrijf.
De volgende symbolen en waarschuwingen kunnen op het display worden weergegeven.
| 00 | Parkeerlicht |
| D | Dimlicht |
| D | Groot Licht |
| Rijrichtingsindicatie | |
| 2 | Controllampje aanhangwagen |
| Kruisingsfunctie actief | |
| 1 | AUX X-zwemfunctie actief |
| 2 | AUX Y-zwemfunctie actief |
| 1+2 | AUX X- en Y-zwemfunctie actief |
| 99 dB | Functie 99 dB (A) actief |
| Achteruitrijcamera actief | |
| T | 2-wielbesturing geactiveerd |
| 2-wielbesturingCLAAR voor selectie | |
| 4-wielbesturing geactiveerd | |
| 4-wielbesturingCLAAR voor selectie | |
| Differentieelblokkering geactiveerd | |
| Differentieelblokkering in Voorbereiding | |
| Cruise control geactiveerd | |
| Cruise control Niet actief | |
| Tempomaat (resume) De erder ingestelde snugheid activeren | |
| Rijrichtingschakelaar moet in de neutrale stand (middelste stand) staan | |
| Besturingsfout | |
| Stoelcontactschakelaar Niet herkend | |
| Stoelcontact handmatig overschreven (over-brudg) | |
| Service vereist | |
| Voorgloeien actief | |
| Algemene storing (niet kritiek), foulentlijst controleren | |
| Waarschuwing, brandstofvulpeil | |
| Regeneratieproces uitvoeren |
| Motorstoring (nietkritiek) | |
| Waarschuwing, de motor要去 worden uitge-schakeld | |
| Waarschuwing, de werkhydraulica要去 wor-den uitgeschakeld | |
| De werkhydraulica要去 worden ingeschakeld | |
| Waarschuwing, asbelasting | |
| Waarschuwing, olietemperatuur aandrijving | |
| Waarschuwing, hydraulisch oliepeil staat hoop | |
| Functie weiteruitrijden actief | |
| Mistlicht aan | |
| Uitlaattemperatuur hoop (regeneratie is actief) | |
| Regeneratie is actief (remmen) | |
| Het vermogen van het voertuig is beperkt, de snelheid is beperkt | |
| Waarschuwing, het voertuig bevindt zich in be-perkte toestand (transportmodus) | |
| Waarschuwing, de generatorinstallatie heeft een storing | |
| Waarschuwing, asbelasting te hoop | |
| Storing, olietemperatuur aandrijving | |
| Storing DCU (besturingseenheid) | |
| DCU in stoptoestand | |
| Waarschuwing, anschuirijden nicht toegestaan | |
| Waarschuwing, hydraulisch oliepeil staat laag | |
| Storing hydraulische oliefilter | |
| Waarschuwing, temperatuur hydraulische olie hoog | |
| Storing stoecontactschakelaar | |
| Storing luchtfilter motor | |
| Kritieke storing, motor uitschakelen | |
| Waarschuwing, koelvloeistoftemperatuur motor te hoog | |
| Parkeerrem actief | |
| Achteruitrijlicht uit | |
| Waarschuwing, remdruk te laag | |
| Waarschuwing, motoroliedruk te laag | |
| Motor afzetten | |
| Waarschuwing, motorstoring • Als de motorstoring actief is, brandt het waar schuwingslampje continu | |
| Water van de motor in de brandstof | |
| Motorstoring in het uitlaatgasbehandelingsystem |
|  | Waarschuwing, hydraulische circuits worden automatisch ontlucht (alleen bij de eerste inbedrijfstelling) |
|  | Waarschuwing, controller hydraulisch systeem offline |
|  | Waarschuwing, display offline |
|  | Waarschuwing, 2-wielbesturing veilig ac- tiveren |
|  | Waarschuwing, de snugheid is te hoog - snugheid verlagen |
|  | Waarschuwing, bedrijfsrem defect |
|  | Waarschuwing parkeerrem defect |
|  | Waarschuwing, remvloeistof |
|  | Waarschuwing, motortemperatuur hoog |
4 Bedieningsconsoles
4.1 Bedieningsconsole armleuning
De bedieningsconsole bevindt zich op de armleuning naast de bestuurdersstoel. De armsteun kan individueel worden aangepast aan de bestuurder, zie hoofdstuk 'Bestuurdersstoel instellen'.
4.1.1 Indeling apparaathouder
Instructie
De indicaties in de schakelaars branden als ze zijn ingeschakeld.

Joystick links
② Joystick rechts
③ Geen functie
④ Hydraulisch systeem in-/uitschakelen
⑤ Niet bezet
⑥ Niet bezet
⑦ Elektrische AUX 1 achter / AUX 3 voor
⑧ Achter-PTO in-/uitschakelen
⑨ Geen functie
⑩ Elektrische AUX 2 achter / AUX 4 voor
(A) Front-PTO maximaal 40 l/min
Hydraulisch vermogen instelbaar via potentiometer
(B) Front-PTO maximaal 40 l/min
Hydraulisch vermogen instelbaar via potentiometer
(C) Toets voor het instellen van het motortoerental
Instructie
Het toerental kan in stappen van 100 worden geregeld.
(D) Geen functie (E) PTO achterzijde maximaal 60 l/min (F) Toets indrukken om ingestelde waarden of programma's op te slaan en submenu's te openen. (G) Draaiknop voor het wijzigen van waarden en selecteren van programma's.
5 Display
Instructie
De op het display vooraf ingestelde taal is Engels, de taal kan via het menu instellen worden gewijzigd.
Via het display kunnen bijvoorbeeld instellingen aan het voertuig worden uitgevoerd, weergaves op het display worden ingesteld, informatie over het voertuig worden weergegeven.
In detail zijn dat de functies die hierna nauwkeurig worden beschreven.

① Selectie en configuratie van de aanbouwapparaten
② Instellingen
- Scherminstellingen - Systeeminformatie - DPF (informatie over de regeneratie)
③ Service - Dit bereik is uitsluitend bestemd voor de klantenservice ④ AUX Drukontlasting van het hydraulische systeem

① Draaiknop voor het wijzigen van waarden en selecteren van programma's ② Toets indrukken om ingestelde waarden of programma's op te slaan en submenu's te openen
1 De centrale elementen voor het navigeren en selecteren van de menupunten op het display zijn de draaiknop en toets. 2 Als u op de toets drukt, worden submenu's geopend en worden de geselecteerde instellingen opgeslagen. 3 De menupunten kunnen worden geselecteerd met de draaiknop.

5.1 Menu aanbouwapparaten

Afbeelding: Menu-selectie aanbouwapparaten
Als er aanbouwapparaten aan het voertuig zijn bevestigd, moeten deze in het menu worden geconfigureerd. Onder andere de volgende configuraties kunnen worden geselecteerd:
Apparaathouder Veegmachine Winterdienst Natreiniging
5.2 Menu Instellingen

Afbeelding: Menu-selectie Instellingen
Via het menu instellingen kunnen de volgende submenu's worden geselecteerd.
Service
- Het menupunt mag alleen door de bevoegde klantenservice worden gebruikt - Instellingen - Displayhelderheid en contrast Eenheid snelheid (km/h / mph) en temperatuur (°C / F) - Taal - Datum en tijd - Informatie - Weergave van voertuigspecifieke systeeminformatie - DPF (diesel-deeltjesfilter) - Weergave wanneer de volgende automatische regeneratie start
5.2.1 Displayinstellingen uitvoeren

① Weergave helderheid en contrast ② Eenheden snelheid en temperatuur ③ Taal ④ Datum, tijd
- Door bedienen van de toets "Instellingen" naar het volgende niveau van de displayinstellingen wisselen.
- Via de toetsen "Weergave", "Eenheden", "Taal" en "Datum, tijd" de submenu's openen en de gewenste instellingen uitvoeren.
5.2.2 Systeeminformatie weergeven

- Door bedienen van de toetsen 'Instellingen' en 'Info' naar het venster van de systeeminformatie wisselen.
5.2.3 DPF (diesel-deeltjesfilter)

- Door bedienen van de toets 'Instellingen' en 'DPF' naar het venster DPF wisselen.
Meer informatie zie hoofdstuk 7.4 Regeneratieproces bij voertuigen met een dieselpartikelfilter (DPF).
5.3 Menu Service

Afbeelding: Menu-selectie Service
Dit menu mag alleen worden gebruikt door de bevoegde klantenservice.
5.4 AUX-menu (het hydraulische systeem drukloos maken)
Het hydraulische systeem moet drukloos worden gemaakt vooraleer de hydraulische slangen van de hydraulische aansluitingen worden gescheiden.
△VOORZICHTIG
Gevaar voor letsel, gevaar voor beschadiging
Laat opgetilde aanbouwapparaten neer voordat u de druk ontlast.

① AUX-drukontlasting vooraan ② AUX-drukontlasting achteraan
- Selecteer de menupunten met de toets en de draaiknop op de bedieningsconsole. Bevestig de geselecteerde instelling met de toets.
a Ga via de "AUX"-knop naar het volgende niveau.
b Selecteer AUX-drukontlasting vooraan of achteraan.
6 Inbedrijfstelling
VOORZICHTIG
De handleiding van de aanbouwapparatuur lezen.
Bij gebruik van aanbouwapparatuur of getrokken machines/aanhangers voor de inbedrijfstelling de betreffende handleidingen lezen en opvolgen.
Neem de toegestane belastingen in acht, zie hoofdstuk.
6.1 Veiligheidscontrole voor de start
△GEVAAR
Gevaar voor ongevallen en letsel door gebrekkig voertuig
Stel het voertuig niet in bedrijf wanneer aan een punt van de veiligheidscontrole niet is voldaan en laat het voertuig repareren.
Instructie
Voer voor iedere inzet van het voertuig de aanbevolen veiligheidscontrole uit.
6.1.1 Veiligheidscontrole aan de apparaatdrager
Controleer voor elke start volgende punten:
- Als de schakelaar van het accuscheidingsrelais is ingesteld op "accu geactiveerd". Zie hoofdstuk 7.8.1 Schakelaar voor het accuscheidingsrelais
- Hydraulische aansluitingen op netheid
- Hydraulische leidingen op lekkage en beschadiging
- Hydraulisch oliepeil, zie hoofdstuk 10.7.3 Peil hydraulische olie controleren en hydraulische olie bijvullen
- Motoroliepeil, zie hoofdstuk 10.7.8 Motoroliepeil controleren / bijvullen
- Koelvloeistofpeil, zie hoofdstuk 10.7.2 Koelvloeistofpeil controleren en koelvloeistof bijvullen
- Remvloeistofpeil, zie hoofdstuk 10.7.10 Remvloeistofpeil in het reservoir controleren
- Bij vorstgevaar koelvloeistof op voldoende antivriesmiddel
- Elektrische leidingen op beschadiging 10. Schroeven en moeren op vastheid 11. Voertuig, motor en radiatorrooster op beschadiging 12. Motorluchtfilter op properheid 13. Cabinefilter op properheid 14. Vloeistofniveau in het ruitensproeierreservoir, zie hoofdstuk 10.7.1 Ruitensproeierreservoir vullen 15. Bandenspanning en bandenslijtage 16. Of de lichten en richtingaanwijzers werken 17. Gaspedaal oplichtlopendheid 18. Functioneren temperatuurindicatie en tankindicatie?
6.2 Bestuurdersstoel instellen
△GEVAAR
Gevaar voor ongevallen
Stel de bestuurdersstoel alleen in, als het voertuig stilstaat.
△VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar
Omgeklapte leuning niet als opbergvlak tijdens rijden op de weg gebruiken, of overeenkomstig borgen
LET OP
Alleen de hieronder aangegeven en door Kärcher aangeboden stoelen worden gebruikt. Anders kunnen de trillingswaarden niet worden gegarandeerd.
Instructie
De demping van de bestuurdersstoel gebeurt automatisch.
Instructie
Als geen passagiersstoel voorhanden is, is er een direct toegankelijk opbergvak
Kärcher biedt 3 verschillende bestuurdersstoelen aan:
Stoel Konig K210MVGL-P350-W2

① Horizontale verstelling: Om te verstellen, de hendel omhoog trekken. ② Bestuurdersstoel luchtgeveerd. ③ Hellingsinstelling rugleuning. ④ Verstelling lendenwervelsteun (lordosesteun). ⑤ Veiligheidshdgsgordel. ⑥ Schakelaar stoelverwarming. ⑦ Hoofdsteun: Voor hoogteverstelling eruit trekken of erin schuiven. ⑧ Armleuning met bedieningsconsole. Passagiersstoel (optie).
Stoel Cobo SC47M-M200 (zonder armleuning weergegeven)

Bestuurdersstoel ① Horizontale verstelling: om te verstellen, de hendel omhoog trekken. ② Dempingsinstelling bestuurdersgewicht. ③ Veiligheidsgordel. ④ Hendel, rugleuning omklappen. Hoofdsteun.
Voor hoogteverstelling eruit trekken of erin schuiven.
Stoel Grammer MSG75GL/522 (zonder armleuning weergegeven).

① Bestuurdersstoel luchtgeveerd. ② Hoogteverstelling. ③ Horizontale verstelling: om te verstellen, de hendel omhoog trekken. ④ Veiligheidsgordel. Hellingsinstelling rugleuning: 1. De linker armleuning voor de bediening van de bedieningsconsole in helling, hoogte en positie instellen.
- Bestuurdersstoel ergonomisch zodanig instellen dat pedalen en het stuurwiel comfortabel kunnen worden bereikt. De bestuurdersstoelen Grammer en König beschikken over een lendensteun (lumbaalsteun).
- De luchtgeveerde bestuurdersstoel (Grammer en König) kan nog in hoogte worden versteld door de stoel met compressor in de hoogst mogelijke positie te brengen en vervolgens lucht met de veer te laten ontsnappen tot de stoel 2-3 cm is neergelaten.
- Bij de passagiersstoel zijn leuning en zitvlak klapbaar. Onder het zitvlak is er een opbergvak. Hierin kunnen documenten over het voertuig alsmede kleine voorwerpen worden aangebracht.
6.3 Stuurwielpositie instellen
GEVAAR
Gevaar voor ongevallen
Stel de stuurwielpositie alleen bij stilstaand voertuig in.

① Klemhendel hoogteverstelling stuurwiel
② Hendel hellingsverstelling stuurwiel
- Aan hendel voor de hellingsverstelling trekken, vasthouden en stuurwiel op gewenste helling instellen.
- Hendel inschuiven.
- Klemhendel voor de hoogte losmaken en stuurwiel op de gewenste hoogte instellen.
- Klemhendel vergrendelen.
6.4 Tanken

Tankslot ② Rechter zijbekleding ③ DEF-afsluiting
6.4.1 Brandstof tanken
△GEVAAR
Explosiegevaar
Tank niet in gesloten ruimten.
Rook niet en vermijd open vuur.
Zorg ervoor dat er geen brandstof op hete oppervlakken terechtkomt.
△VOORZICHTIG
Gevaar voor letsel
Door overgelopen vloeistof bestaat gevaar voor uitglijden.
LET OP
Brandstof zet uit als het warm is, niet tot de rand voltanken.
- Ontsteking uitschakelen.
- Tankdop openen.
- Brandstof tanken.
Alleen dieselbrandstof volgens DIN EN 590 gebruiken. 4. Overgelopen brandstof wegvegen en tankdop sluiten.
6.4.2 DEF resp. AdBlue® bijvullen
DEF (Diesel Exhaust Fluid) wordt met inachtneming van strenge kwaliteitsstandaards gemaakt. Er mag uitsluitend vloeistof worden gebruikt die voldoet aan de ISO 22241-standaard.
LET OP
Het is verboden ureumoplossingen te gebruiken waarvan de eigenschappen verschillen van de gespecificeerde.
LET OP
Indien mogelijk geen deelhoeveelheden bijtanken, anders verschijnt een waarschuwingslampje. Als dit waarschuwingslampje brandt, kunt u het niet resetten. Het gaat uit na verschillende tankbeurten. Dit heeft geen effect op de werking.
Tank alleen als het vulniveau van de DEF-container ver onder de 50% is (weergegeven op het display).
- Rechter serviceklep openen.
- Blauwe DEF-containerafsluiting openen.
- DEF bijvullen, niet overvullen.
Spoel overgelopen DEF met veel water weg.
- Containersluiting en de rechter serviceklep sluiten.
7 Werking
△GEVAAR
Gevaar voor beknelling
Zorg ervoor dat er tijdens gebruik geen personen in de buurt van het voertuig zijn.
Let er bij het gebruik van het voertuig als tractor op dat zich tijdens het gebruik geen personen tussen het voertuig en de aanhanger bevinden.
△VOORZICHTIG
Gevaar voor verbranding
Gebruik het voertuig alleen wanneer alle beplatingen zijn aangebracht.
LET OP
Beschadigingsgevaar door oververhitte hydraulische olie of oververhitte motor
Als de temperatuur van de hydraulische olie of van de koelvloeistof te hoog is, de motor stationair laten lopen tot de temperatuur onder de triggerwaarde 'Waarschuwingslampje uit' is gedaald.
LET OP
Beschadigingsgevaar door ontbrekende smering
Als het waarschuwingslampje 'Motoroliedruk' tijdens het gebruik gaat branden, moet u het voertuig onmiddellijk uit de gevarenzone van het verkeer brengen en de motor uitschakelen. Los daarna de storing op.
VOORZICHTIG
Verminderde stabiliteit door opbouw
Pas uw rijstijl aan.
7.1 De eerste 10 / 50 / 100 bedrijfsuren (inlooptijd)
- De eerste 100 bedrijfsuren: rijd voorzichtig en vermijd overbelasting.
- Na 50 bedrijfsuren: Eerste inspectie moet worden uitgevoerd door de geautoriseerde klantenservice volgens de inspectiechecklist (ICL).
- Na 10 bedrijfsuren: De wielbouten controleren.
7.2 Parkeerrem
De parkeerrem heeft hydraulische druk nodig om te lossen. Bij een uitgeschakelde motor worden de rem automatisch bediend.
Bij een draaiende motor en de rijrichtingshendel op NEUTRAAL is de parkeerrem eveneens aangetrokken.
Instructie
Het waarschuwingslampje in de multifunctionele indicatie "Parkeerrem aangetrokken" brandt bij een aangetrokken parkeerrem.
7.3 Rijden
7.3.1 Motor starten
- Op de bestuurdersplaats plaats nemen.
- Contactsleutel in het contactslot steken.
- Rijrichtingshendel in middelste stand zetten (neutrale stand).
- Contact inschakelen.
- Volledige opbouw van het display afwachten.
- Motor starten.
Als waarschuwingslampjes van laadcontrole en motoroliedruk niet uitgaan, de motor uitschakelen en de fout verhelpen. Zie hoofdstuk 'Foutmeldingen bij symboolweergaven'.
- Bij omgevingstemperaturen onder 0°C: Voertuig met laag motortoerental warm rijden.
7.3.2 Rijrichtingkiezen
Voor een uitvoerige beschrijving van de rijrichtingschakelaar, zie hoofdstuk 'Stuurconsole | rijrichtingsschakelaar'.
① Rijrichtingsschakelaar
- Keuzeschakelaar omhoog naar het stuur trekken, dan in de gewenste rijrichting bewegen (voor/achter). De rijrichting wordt op het display weergegeven.
- Transportsnelheid resp. werksnelheid met het rijpedaal selecteren.
7.3.3 Rijden
WAARSCHUWING
Gevaar voor ongevallen
Rijd alleen met correct geïnstalleerd aanbouwapparaat.
△VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar
Stel zeker dat het voertuig bij het passeren van obstakels niet vast komt te zitten.
Passeer obstakels tot 150 mm langzaam en voorzichtig onder een hoek van 45°.
Passeer obstakels van meer dan 150 mm alleen met een geschikte rijplank.
△VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar door zwaailicht
Let bij het rijden in parkeergarages etc. op het bovenuitstekende zwaailicht (2,20 m). Demonteer ze indien nodig vooraf. Ga niet op de motorkap (zoetwatertank) staan.
△VOORZICHTIG
Gevaar voor ongevallen
Schakel de aftakas UIT, als u voor transportdoeleinden op openbare wegen rijdt (niet bij het reinigen van openbare wegen).
Instructie
Het loslaten van het rijpedaal zorgt niet voor een merkbare vertraging.
- Veiligheidsgordel omdoen.
- Rijpedaal voorzichtig intrappen.
- Rijrichting met het stuurwiel sturen.
- Om te remmen moet het rempedaal worden ingedrukt.
7.3.4 Stoppen
- Rijpedaal loslaten.
Instructie
Loslaten van het gaspedaal veroorzaakt geen significante vertraging in de transportmodus. 2. Om te stoppen of in noodsituaties het rempedaal intrappen.
7.3.5 Differentieelblokkering (speciale uitvoering)
Als er niet kan worden gereden omdat de aandrijfwielen zich op een ondergrond met afwisselende tractie bevinden (bijv. asfalt/sneeuw), kan de differentieelblokkering worden geactiveerd om het voertuig vrij te rijden.
LET OP
De differentieelblokkering alleen activeren, als het voertuig stilstaat!
Differentieelblokkering activeren
- De werkmodus activeren, zie hoofdstuk 7.11.3 Displayindicaties in de werkmodus.
- De 2-wielbesturing activeren, zie hoofdstuk 7.11.4 Besturing selecteren (2-wiel / 4-wiel).
Als het controlelampje "Waarschuwing, 2-wielbesturing niet actief - Besturing rechtuit instellen" brandt: de besturing in positie rechtuit zetten.

Functietoets F3
Weergave differentieelblokkering
- De functietoets F3 indrukken en ingedrukt houden. De differentieelblokkering vergrendelt, de weergave differentieelblokkering brandt groen.
Bij ongunstige stand van de achteras vergrendelt de differentieelblokkering eventueel niet meteen; de weergave differentieelblokkering brandt dan oranje.
Het rijpedaal voorzichtig bedienen tot de differentieelblokkering vergrendelt.
- Het voertuig op ondergrond met tractie rijden, en hierbij de functietoets F3 ingedrukt houden.
Differentieelblokkering deactiveren
- De functietoets F3 loslaten.
De differentieelblokkering ontgrendelt, de weergave differentieelblokkering brandt wit.
Instructie
Als aandrijflijn onder spanning is, ontgrendelt de differentieelblokkering eventueel niet meteen; de weergave differentieelblokkering brandt dan oranje.
Door rijden met stuurbewegingen resp. variëren van de last ontgrendelt de differentieelblokkering.
7.3.6 Tempomaat
De tempomaat is alleen in de werkmodus actief.
Tempomaat activeren
1 Gewenste werksnelheid met het rijpedaal selecteren.
2 Functietoets F 8 indrukken.
De tempomaat is geactiveerd.
Tempomaat deactiveren
1 Rempedaal of functietoets F 8 indrukken.
Functietoets F 9 (tempomaat resume) activeert de voorheen ingestelde snelheid.
7.3.7 Voertuig parkeren
△WAARSCHUWING
Verwondingsgevaar door aanbouwapparaten
Eventueel aangebouwde aanbouwapparaten volledig neerlaten.
- Voertuig stoppen.
- Rijrichtingsschakelaar in neutrale stand zetten (middelste stand). In deze stand worden de parkeerrem automatisch bediend.
- Aangebouwde aanbouwapparaten neerlaten (niet het veegsysteem).
- Motor 1 tot 2 minuten stationair laten draaien.
- Contact uitschakelen en contactsleutel uittrekken.
- Bij een langere stop, de toets accu-ontkoppelingsrelais bedienen. Zie hoofdstuk 'Accu-ontkoppelingsrelais'.
- Als de accu moet worden losgekoppeld, 30 seconden wachten zodat de opslagprocedure van de motorregelenheid kan worden voltooid.
7.4 Regeneratieproces bij voertuigen met een dieselpartikelfilter (DPF)
De DPF verzamelt roetdeeltjes die worden verbrand bij het bereiken van de filterbelasting door verhoging van de uitlaatgastemperatuur (regeneratie).
Het regeneratieproces wordt automatisch uitgevoerd tijdens het werk of tijdens het rijden of kan indien nodig handmatig worden gestart.
Hoe hoger de toerentallen tijdens het rijden zijn of hoe hoger de belasting is, hoe minder vaak een handmatige regeneratie moet worden uitgevoerd.
7.4.1 Handmatige regeneratie
△WAARSCHUWING
Gevaar voor verbranding
Tijdens het regeneratieproces kunnen uitlaatgassen een temperatuur van 600°C bereiken.
Start het regeneratieproces niet op plaatsen waar gevaar voor brand is.
VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door hete afvoergassen
Houd mensen, dieren en brandbare voorwerpen uit de buurt van het regeneratiegebied.
Instructie
Onderbreek het regeneratieproces alleen in geval van nood.
Onder 50 uur is geen handmatige regeneratie mogelijk.
De gemiddelde duur van de verbrandingsprocedure bij de handmatige regeneratie is ca. 20 minuten.

①Weergave voor handmatige regeneratie a) Weergave parkeerrem b) Weergave motortemperatuur c) Weergave rijmodus d) Weergave OK e) Weergave vulgraad in % van het deeltjesfilter f) Weergave in uren tot de handmatige reiniging kan worden gestart ② Automatische reiniging verschuiven ③ Handmatige reiniging activeren ④ Automatische reiniging activeren
- De handmatige regeneratie kan alleen worden gestart, als alle 4 kenmerken groen zijn:
a Parkeerrem is geactiveerd b Temperatuur van de motor heeft een bepaalde waarde overschreden c Machine is in rijmodus N (neutraal) d Dan gaat OK groen branden, de handmatige verbranding kan worden gestart
7.4.2 Automatische regeneratie
WAARSCHUWING
Gevaar voor verbranding
Tijdens het regeneratieproces kunnen uitlaatgassen een temperatuur van 600°C bereiken.
Start het regeneratieproces niet op plaatsen waar gevaar voor brand is.
Instructie
Bij automatische regeneratie kan worden doorgewerkt.
De automatische regeneratie kan in bepaalde situaties naar een ander tijdstip worden verschoven.
7.5 Inzet in de winter
- Controleer de vorstbescherming van uw voertuig. Zie hoofdstuk 'Onderhoudswerkzaamheden | Koelvloeistofniveau controleren en koelvloeistof toevoegen'.
8 Aanbouwapparaten
Instructie
Lees voor de installatie de gebruiksaanwijzing van het gebruikte aanbouwapparaat.
Aanbouwapparaten moeten opnieuw en kunnen worden bevestigd aan de beoogde bevestigingspunten op het voertuig.
△GEVAAR
Gevaar door gewijzigd zwaartepunt van het voertuig en gewijzigd rijgedrag.
Bij transport van vloeistoffen en / of bulkgoederen, zoals steenslag, kunnen stromende bewegingen optreden die het voertuig doen schommelen.
Bij ombouwen, vooral bij het omschakelen van winter- naar zomerbedrijf, en bij gewijzigde laadomstandigheden, moet de bestuurder zich aanpassen aan het rijgedrag.
WAARSCHUWING
Gevaar voor beknelling bij het bevestigen van aanbouwapparaten
Grijp niet tussen de bevestigingspunten en het aanbouwapparaat.
VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door hete hydraulische koppelingen.
Draag handschoenen bij het loshalen van hydraulische koppelingen.
LET OP
Draag geschikte beschermende kleding, veiligheidsschoenen en handschoenen bij het bevestigen of losmaken van de aanbouwapparaten. Dit geldt ook tijdens gebruik en toepassing.
Neem contact op met uw plaatselijke dealer voordat u aanbouwapparaten installeert die niet specifiek voor dit voertuig zijn ontworpen. Uw dealer controleert hoe en of deze aanbouwapparaten op dit voertuig kunnen worden bevestigd en gebruikt. Dit is belangrijk voor de veiligheid van de bestuurder en het voertuig en voor eventuele garantieclaims.
Aanbouwapparaten die de veiligheid of stabiliteit van het voertuig in gevaar brengen, mogen niet worden gebruikt.
8.1 Aanbouwapparaten aan het voertuig koppelen
LET OP
Beschadigingsgevaar
Houd hydraulische aansluitingen schoon.
Reinig de stekker en koppeling voor gebruik met een pluisvrije doek.

① Koppelingsstekker ② Koppelingsmof ③ Ring
- Ring van de koppelingsmof naar beneden trekken en vasthouden.
- Koppelingsstekker van de hydraulische slang van het aanbouwapparaat in de koppelingsmof drukken.
- Ring van de koppeling loslaten. Op veilig vastklikken controleren.
- Om te ontkoppelen de ring maar beneden trekken, vasthouden en de hydraulische slang eruit trekken.
8.2 Aanhangerkoppeling
Instructie
Voor toegestane kogelbelasting en aanhangergewicht zie hoofdstuk.
8.3 Het voertuig ballasten
Instructie
De vooras van het voertuig moet altijd worden belast met ten minste 30% en de achteras altijd met ten minste 30% van het leeggewicht van het voertuig.
Controleer voor de aanschaf van het hulpstuk of aan deze eisen is voldaan door de combinatie voertuig-werktuig te wegen.
Voor de bepaling van het totale gewicht, de aslasten en de bandlastcapaciteit en de vereiste minimale ballast zijn de volgende gegevens vereist:
- Alle gewichten in kg (eventueel het voertuig wegen) Alle afmetingen in meter (m)

| TL (kg) = | Leeggewicht van het voertuig * | ||
| TV (kg) = | Voorasbelasting van het lege voertuig * | ||
| TH (kg) = | Achterasbelasting van het lege voer-tuig | * | |
| GH (kg) = | Totaal gewicht hinterballast | ** | |
| GV (kg) = | Totaal gewicht frontbevestiging / voor-ballast | ** | |
| a (m) = | Afstandussen zwaartepunt voorste bevestiging (voorballast) en midden vooras, max. = 0,86 m | ** | |
| b (m) = | Welbasis van het voertuig | *** | |
| c (m) = | Afstandussen het midden van de ach-teras en het zwaartepunt van de ach-terballast | *** | |
- zie hoofdstuk "Technische gegevens" ** zie gebruiksaanwijzing van het hulpstukbijlage *** afmeten
8.3.1 Berekening van de minimale ballast van de achterkant voor front-aanbouwapparaten
Waarde 'x' zie informatie van de fabrikant, indien niet gespecificeerd, x = 0.45.
G _ H = G _ V × a - T _ H × b + x × T _ L × bb + c
- Voer het resultaat in de tabel in.
8.3.2 Berekening van de daadwerkelijke voorasbelasting
T _ Vtat = G _ V × (a + b) + T _ V × b - G _ H × Cb
- Wordt met het frontaanbouwapparaat (GV) de vereiste minimum frontballast (GV min) niet bereikt, moet het gewicht van het frontaanbouwapparaat tot het gewicht van de minimum frontballast worden verhoogd.
- De feitelijk berekende voorasbelasting en de toegestane voorasbelasting zoals aangegeven in de bedieningsinstructies van het voertuig in de tabel invoeren.
8.3.3 Berekening van het werkelijke totale gewicht
G _ tat = G _ V + T _ L + G _ H
- Wordt met het achteraanbouwapparaat (GH) de vereiste minimumballast achteraan (GH min) niet bereikt, moet het gewicht van het achteraanbouwapparaat tot
het gewicht van de minimumballast achteraan worden verhoogd.
8.3.4 Berekening van de daadwerkelijke achterasbelasting
T _ Htat = G _ tat - T _ Vtat
- Resultaat in de tabel noteren.
9 Transport
9.1 Voertuig verladen
GEVAAR
Gevaar voor letsel door verkeerd transport
Houd rekening met het gewicht van het voertuig.
Rijd het voertuig langzaam en voorzichtig op het transportvoertuig.
LET OP
Beschadiging van het voertuig
Verlaad het voertuig niet met een kraan.
Gebruik geen vorkheftruck.
- Rijd het voertuig met lage snelheid op het transportvoertuig.
Instructie
Als het voertuig niet kan rijden, zie hoofdstuk 9.3 Voertuig wegslepen.
9.1.1 Voertuig borgen
WAARSCHUWING
Gevaar voor ongevallen
Beveilig het voertuig voor het transport tegen verschuiven.
- Parkeer het voertuig en beveilig het tegen wegrollen, bijv. door geactiveerde parkeerrem (rijrichtingschakelaar in NEUTRAAL - middelste stand).
- Borg het voertuig met een sjorsysteem volgens toepasbare richtlijnen aan de wielen.
9.2 Transportbeveiliging aanbrengen
De transportbeveiliging wordt met behulp van de kruisgordels en de standaard spanbanden op de 4 banden van het voertuig aangebracht.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar
Plaats de riemen zo veel mogelijk op het midden van het wiel.
Zorg er daarbij voor dat u geen kabels aanraakt of beklemt.

①Kruisgordels (4x) ② Standaard veiligheidsgordels (4x) 1. Voertuig op de 4 wielen bevestigen, zoals afgebeeld.
9.2.1 De standaard veiligheidsgordel op het voorwiel aanbrengen

①Voorwiel
② Standaard veiligheidsgordel aanbrengen
- De veiligheidsgordel zoals afgebeeld op het voorwiel plaatsen.
- Aan de buitenkant van het wiel de kruisgordel op de standaard veiligheidsgordel bevestigen.
9.2.2 Standaard veiligheidsgordel op het achterwiel aanbrengen

① Achterwiel
② Standaard veiligheidsgordel aanbrengen
- De veiligheidsgordel zoals afgebeeld op het wiel plaatsen.
- Aan de buitenkant van het wiel de kruisgordel op de standaard veiligheidsgordel bevestigen.
9.2.3 Voertuig vastsjorren

- De veiligheidsgordels in de bevestigingsogen hangen en het voertuig vastsjorren.
a Voor het vastsjorren controleren of de riemen op het wiel correct zijn geplaatst.
9.3 Voertuig weg slepen
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar door ondeskundig weg slepen
Sleep het voertuig alleen in kruipsnelheid weg, en alleen tot waar het voertuig uit de gevarenzone van stromend verkeer is. Daarna het voertuig inladen.
Vertrek langzaam en zonder schokken.
Bevestig de sleepkabel of de sleepstang alleen aan de trekhaak om te slepen.
Controleer of besturing en rem functioneren (alleen bij draaiende motor).
Als de motor beschadigd is, parkeerrem loszetten om te laden.
LET OP
Voertuig niet weg slepen als motor, besturing of rem defect is.

Sleepinrichting. Opname voor sleepinrichting. Bout met veerstekker.
- Sleepinrichting aan de opname bevestigen. Met bout en veerstekker borgen.
- Sleepkabel of sleepstang aan de sleepinrichting bevestigen.
- Bij motorschade de parkeerrem om te laden loszetten, zie hoofdstuk 'Parkeerrem loszetten'.
- Voertuig uit de gevarenzone slepen en vervolgens laden.
10 Verzorging en onderhoud
10.1 Algemene instructies
GEVAAR
Gevaar voor beknelling
Wanneer u onder geheven aanbouwapparatuur werkt, beveiligt u de aanbouwapparatuur altijd mechanisch (onderbouwen).
- Voordat u het voertuig reinigt en onderhoudt, onderdelen vervangt of op een andere functie omstelt, schakelt u de motor uit en trekt u de contactsleutel eruit.
- Controller voor loskoppelen van de accu of uw radio met een radiocode is beveiligd.
- Klem voor werkzaamheden aan de elektrische installatie de accu af.
- Reparaties mogen alleen door erkende klantenservices of door experts op dit gebied worden uitgevoerd en die met alle relevante veiligheidsvoorschriften vertrouwd zijn.
- Alle laswerkzaamheden aan het voertuig of aan de aanbouwapparaten zijn alleen toegestaan door geautoriseerde Kärcher-klantenservice.
10.2 Onderhouds- en reinigingswerkzaamheden voorbereiden
- Voertuig op een effen ondergrond plaatsen.
- Voertuig tegen het weglopen beveiligen.
- Contact uitschakelen en contactsleutel uittrekken.
10.3 Service-indicatie
De service-indicatie gaat branden, als het bijbehorende onderhoud volgens de inspectiechecklist moet worden uitgevoerd.
Door de bediener/klant uit te voeren.
De service-indicatie knippert op het display:
- Na 50 bedrijfsuren, als de eerste inspectie moet worden uitgevoerd.
- Daarna volgens de onderhoudsintervallen conform inspectiechecklist.
Instructie
De service-indicatie moet door de klantenservice worden teruggezet.
10.4 Onderhoudsintervallen
Instructie
Om tegemoet te komen aan garantie-eisen moeten tijdens de garantieloooptijd alle service- en onderhoudswerkzaamheden door de geauthoriseerde klantenservice conform de inspectiechecklist (ICI) worden uitgevoerd.
- Na het wassen van het voertuig alle lagers smeren.
- De intervallen voor inspectie- en onderhoudswerkzaamheden (dagelijks / wekelijks) door de klant / operator staan in het hoofdstuk 'Onderhoudsschema voertuig'.
- Laat de veiligheidscontrole indien nodig door de geautoriseerde klantenservice uitvoeren in overeenstemming met de lokaal geldende voorschriften.
Verdere onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd door de geautoriseerde klantenservice in overeenstemming met de inspectiechecklist. Neem tijdig contact op met de klantenservice.
10.5 Onderhoudsschema voertuig
| Bouwgroep Handeling Da- | ge-lijks | We-ke-lijks | |
| Waterkoeler Koelribben reinigen X | |||
| Oliekoeler | Koelribben reinigen | X | |
| Koelvloeisto-fexpansievat | Koelvloeistofpeil controleren X | ||
| Mengverhouding water/an-tivriesmittel | Seizoensgebonden of bij hetverversen van de koelvloei-stof controleren | ||
| V-snaar Controler | eren op spanning enslijtage | X | |
| Hydraulische olietank | Hydraulische oliepeil contro-leren (weergave op het dis-play) | X | |
| Hydraulischekoppelingen en aansluitin-gen | Controleren op lekken X | ||
| Hydraulischeslangen | Controleren op werkung en BeschadigingenInstructieZorgervoordat de hydraulische slangen worden verran-gen volgens deinspectiechecklist! | X | |
| Bouwgroep Handeling Da- | ge-lijks | We-ke-lijks | |
| Accupolen | Op oxidatie controlleren, in-dien nodig afborstelen en met poolvet insmeren. Op vast-heid van de verbindingska-bels letten. | X | |
| Motoroliepeil | Controleren | X | |
| Remvloeistof-peil | Controleren | X | |
| Stofffilter van de cabine | Controleren | X | |
| Banden | Toestand en vuldruk controle- ren | X | |
| Ruitensproei-erreservoir | Vulniveau controlleren | X | |
| Accu | Controleren | X | |
| Uitlaatsystem | Visuele controle | X | |
| verlichting | Werkung controlleren | X | |
| Motorluchtfilter | Luchtfilter controlleren/reini-gen of verrangen. | X | |
| Radiatorroos-ter | Reinigen | X | |
| Airconditioning | Controleren en koelribben reinigen | X | |
| Parkeerrem | Op werkung controlleren | X | |
| Pedalen | Op werkung controlleren | X | |
| Bouwgroep | Handeling | Da-ge-lijks | We-ke-lijks |
| Besturing Op werking controlleren X | |||
| Waarschu-wingssticker | Leesbaarheid controlleren, in-dien nodig verwangen | X | |
| Stofkappen en afdekkingen hydraulisch systeme | Controlleren, indien nodig verwangen | X | |
| Schroeferbin-dingen | Controlleren of ze goed vast-zitten, indien nodig vastdraai-en | X | |
| Slangen en slangklemmen | Controlleren X | ||
| Koelvloei-stofslangen | Controlleren X | ||
| Brandstoflei-dingen en aan-sluitingen | Controlleren op lekken X | ||
| Bowdenka-bels en bewe-gende delen | Op soepelheid controlleren X | ||
| Elektrische lei-dingen | Op beschadigingen controle- ren | X | |
| Lagers/smeer-punten | Smeren, zie hoofdstuk "Smeerplan voor het voer-tuig" | X | |
10.6 Smeerschema voertuig

| Smeerpunt Aantal Interval | ||
| Scharnier van verswaterre-servoir, boven | 1 | Wekelijks |
| Scharnier van verswater-tank, onder | 1 | Wekelijks |
10.7 Onderhoudswerkzaamheden
10.7.1 Ruitensproeierreservoir vullen
Instructie
Fabrikantgegevens over sproeiervloeistof en antivriesmiddel in acht nemen. Antivriesmiddel niet met andere antivriesmiddelen vermengen.

① Serviceklep rechts
② Sluiting
③ Ruitensproeierreservoir
- Serviceklep rechts openen.
- Deksel van ruitensproeierreservoir openen.
- Sproeiwatervloeistof bijvullen.
a Bij vorstgevaar sproeiwatervloeistof conform fabrikantgegevens toevoegen.
- Deksel van ruitensproeierreservoir sluiten.
10.7.2 Koelvloeistofpeil controleren en koelvloeistof bijvullen
VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door hete onderdelen
Als de motor heet is, de radiateur en onderdelen van het koelsysteem niet aanraken.
VOORZICHTIG
Verwondingsgevaar door onder druk staand koelsysteem
Expansievat voorzichtig openen (2 niveaus).
LET OP
Materiële schade door verkeerde koelvloeistof
Vul koelvloeistof alleen bij een koude motor bij.
De mengverhouding water / antivries moet bij 60:40 tot 50:50 liggen. Dit komt meestal overeen met vorstbescherming van -25 °C tot -40 °C.
De minimale mengverhouding moet 70:30, de maximale mengverhouding moet 40:60 zijn. Toevoegen van meer antivriesmiddel (bijv. 30:70) betekent niet dat het vriespunt kan worden verhoogd.
Het mengsel van de koelvloeistof moet bestaan uit gedeïoniseerd of gedestilleerd water en een koelmiddel volgens de normen ASTM D 3306 Type 1 op basis van mono-ethyleenglycol met toevoeging van organische remmers.
Koelmiddel: zie hoofdstuk 'Technische gegevens'.

① Serviceklep rechts
② Sluiting
③ Expansievat
- Vulpeil bij een koude motor controleren.
- Serviceklep rechts openen.
- Vulniveau aan het expansievat controleren.
Aanwijzing
Het juiste koelmiddelpeil moet tussen MAX en MIN liggen. Bij sterk verlies van koelmiddel, het probleem zoeken en verhelpen.
- Indien nodig koelvloeistof bijvullen.
Koelmiddel bijvullen
- Sluiting van het expansievat om te openen draaien en verwijderen.
- Voeg goedgekeurd koelmiddel toe aan het expansievat tot de bovenste markering (MAX).
- Sluiting van het expansievat plaatsen en vastdraaien.
- Serviceklep sluiten.
10.7.3 Peil hydraulische olie controleren en hydraulische olie bijvullen

Inschroefdeksel met luchtfilter Instructie
Luchtfilter jaarlijks of elke 1000 bedrijfsuren vervangen
② Hydraulische-oliefilter Instructie
Mag alleen door de klantenservice conform inspectie-checklist (ICL) worden vervangen
③ Hydraulische-oliefilter Instructie
Mag alleen door de klantenservice conform inspectie-checklist (ICL) worden vervangen
Tank van het hydraulische systeem
- Een te laag hydraulische-oliepeil wordt weergegeven op het display.
- Indien nodig hydraulische olie bijvullen.
Aanwijzing
Ontbrekende hydraulische olie kan alleen door een speciaal toebehoren worden bijgevuld, dat op de lekkagekoppeling van het voertuig wordt aangesloten. Indien nodig, bestelnummer bij Kärcher aanvragen of het bijvullen door de Kärcher klantenservice laten uitvoeren. Hydraulische-oliesoorten: zie hoofdstuk 'Technische gegevens'.
10.7.4 Accu inbouwen / uitbouwen
GEVAAR
Gevaar voor letsel
Neem de veiligheidsvoorschriften bij de omgang met accu's in acht.
LET OP
Accuverzorging
Controleer of de accupolen en poolklemmen door voldoende poolvet beschermd zijn.

1 Batterij
2 Pluspool
3 Minpool
4 Afdekking (niet afgebeeld)
Accu inbouwen
- Plaats de accu in de accuhouder.
- Schroef de houder aan de accubodem vast.
- Sluit de poolklem (rode kabel) aan op de pluspool (+).
- Sluit de poolklem (zwarte kabel) aan op de minpool (-).
- Breng de afdekking aan.
Accu uitbouwen
- Bij het uitbouwen van de accu eerst de minpool losmaken.
10.7.5 Accu laden
△GEVAAR
Gevaar voor letsel!
Batterij alleen met een geschikt oplaadapparaat opladen. Veiligheidsvoorschriften bij de omgang met accu's in acht nemen.
Gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het oplaadapparaat in acht nemen.
- Minpool van de accu afklemmen.
- Oplaadapparaat op accu aansluiten.
- Netstekker aansluiten en oplaadapparaat inschakelen.
- Accu met de zo klein mogelijke laadstroom laden.
- Na het laden het oplaadapparaat eerst van het net en dan pas van de accu scheiden (minpool eerst).
- Accu weer vastklemmen.
10.7.6 Luchtfilter reinigen en vervangen
De vervuilingsgraad van het luchtfilter wordt aangegeven met een indicatie. Vanaf een bepaalde filterbelasting gaat het waarschuwingslampje branden (geen stijgende indicatie zoals bij de temperatuur of DPF).
LETOP
Beschadigingsgevaar voor de motor
De verbrandingsmotor moet worden uitgeschakeld om het luchtfilter te verwijderen en wanneer het luchtfilter is verwijderd.
Let bij het reinigen van het luchtfilter erop dat er geen vreemde voorwerpen in de aanzuigbuis komen.
① Onderhoudsklep links Luchtfilter
- Onderhoudsklep links openen.
① Vergrendelingshaak (4x) ② Deksel ③ Veiligheidsfilter ④ Filterinzetstuk ⑤ Schroef
⑥ Voorafscheider
⑦ Indicatie luchtfiltervervuiling
- Vergrendelingshaak op de luchtfilterbehuizing openen.
- Deksel luchtfilterbehuizing verwijderen.
- De schroef openen en de Voorafscheider verwijderen.
- De voorafscheider met perslucht of waterstraal reinigen.
- Het filterlidge en het veiligheidsfilter verwijderen.
- Beide filters uitkloppen en met naar buiten gerichte persluchtstraal reinigen, eventueel verrangen of volgens onderhoudsplan.
- Binnenkant van de ventilatorbehuizing reinigen.
- Controleren of het afdichtingsvlak en de zuigkanalen schoon en niet beschadigd zijn.
- Alle gereinigde filters terugplaatsen.
10.7.7 Wiel verwisselen
GEVAAR
Levensgevaar door verkeersstroom
Breng voor reparatiewerkzaamheden het voertuig uit de gevarenzone van het doorgaande verkeer.
Schakel het alarmlicht in.
Zet een waarschuwingsdriehoek neer.
Draag waarschuwingskleding.
WAARSCHUWING
Letselgevaar door dalend voertuig
Niet gaan staan onder een voertuig dat alleen met een krik wordt opgetild.
VOORZICHTIG
Gevaar voor ongevallen
Zorg ervoor dat de ondergrond effen en stevig is. Eventueel grote, stabiele onderlegger voor de krik gebruiken.
LET OP
Voer de wielverwisseling alleen uit als u met de nodige handelingen van de wielverwisseling bent vertrouwd. Anders dient u een beroep te doen op een vakman.
Gebruik alleen geschikt en onbeschadigd gereedschap voor de wielverwisseling.
Gebruik een geschikte, commerciële krik met een hefvermogen van minimaal 5000 kg.
① Wiel ② Wielbouten met onderlegringen 1. Voertuig op een effen oppervlak met stevige ondergrond plaatsen. 2. Contactsleutel uittrekken. 3. Voertuig tegen wegrollen (bijv. met wielblokken) beveiligen. 4. Wielbouten met geschikt gereedschap ca. 1 omwenteling losdraaien.

- Krik op het opnamepunt voor de krikplaatsen en dan pas het voertuig heffen.
- Voertuig aanvullend veilig ondersteunen.
- Wielbouten losdraaien.
- Wiel verwijderen.
- Verontreinigde wielbouten reinigen.
- Nieuw wiel plaatsen en alle wielbouten met onderlegringen er helemaal inschroeven, nog niet met het volle moment vastdraaien.
- De wielbouten in de aangegeven volgorde (A - E) stapsgewijs aandraaien. 12. Voertuig met krik neerlaten. 13. Afsluitend de wielbouten in de aangegeven volgorde met een storingsvrij werkende momentsleutel met 330 Nm aandraaien. 14. Na 50 - 100 km wielbouten nadraaien.
10.7.8 Motoroliepeil controleren / bijvullen
△ VOORZICHTIG
Gevaar voor verbranding
Raak geen hete oppervlakken, zoals uitlaat, SCR-cat, motor- of aandrijvingsdelen aan.

① Olievulopening
② Oliepeilstok
- Motoroliepeil alleen controleren, als voertuig effen staat.
- Breng de motor op bedrijfstemperatuur (70 - 80 °C)
- Motor uitschakelen en enkele minuten wachten zodat alle olie in de bak kan stromen.
- Vergrendeling van het verswaterreservoir links (motorkap) met een vierkante sleutel openen.
- Verswatertank opzij zwenken.
- Oliepeil met de oliepeilstok aflezen. Als het oliepeil onder de onderste markering (MIN) ligt, motorolie in kleine stappen (100 - 200 ml) bijvullen tot het juiste oliepeil is bereikt. Gebruikte oliesoort, zie hoofdstuk 'Technische gegevens'.
10.7.9 Motorolie / motoroliefilter verrangen
LET OP
Verversen van motorolie en verrangen van motoroliefilter mag alleen worden uitgevoerd door de geautoriseerde klantenservice.
Na elke olieverversing moet de functie (berekening van de olieverdunning) worden getest met een diagnose-instrument.
10.7.10 Remvloeistofpeil in het reservoir controleren

① Remvloeistofreservoir ② Sluiting/vulopening
- Regelmatig het remvloeistofpeil in het reservoir controleren.
- Het vloeistofniveau moet tussen de "MIN"- en "MAX"-markering liggen.
- Als het remvloeistofpeil in het reservoir onder MIN daalt, gaat het controlelampje branden.
a De remvloeistof tot MAX bijvullen. b Als het controlelampje na korte tijd weer gaat branden, het remsysteem door een bevoegde klantenservice op lekkage laten controleren. c De machine veilig afzetten.
- De remvloeistof mag alleen worden ververst door de bevoegde klantenservice volgens de inspectiechecklist (ICL).
10.7.11 Waterafscheider legenda
VOORZICHTIG
Gevaar voor verbranding
Raak geen hete oppervlakken aan, zoals uitlaat, SCR-katalysator, motor- of aandrijfonderdelen.
Als de indicatie 'Water in brandstof' gaat branden, ga dan als volgt te werk.

Waterafscheider met filtersensor
- Schakel de contactspanning uit en trek de contactsleutel eruit.
- Laat de motor voldoende afkoelen.
- Zet een reservoir met voldoende capaciteit klaar.
- Schroef de sensor op de waterafscheider los.
- Tap brandstof af tot er geen water meer aanwezig is. Zorg ervoor dat niet alle brandstof uit het filter in de waterafscheider loopt, anders moet het brandstoffilter wor-
den verwijderd, opnieuw worden gereinigd en moet het systeem worden ontlucht.
De volgende beschrijving is alleen van toepassing als de motor niet functioneert en er geen hydraulische druk beschikbaar is (bijv. voor slepen of laden).
GEVAAR
Verbrandingsgevaar door hete oppervlakken
Laat het voertuig afkoelen voordat u eraan werkt.
LET OP
Gevaar voor ongevallen door wegrollen
Zet de parkeerrem pas los als het voertuig tegen wegrollen is beveiligd.

Afbeelding: Noodbediening in positie A Afbeelding: Noodbediening in positie B
① Schroef met stergreep ② Dieselroetfilter ③ Hulst
- Vergrendeling van het linker zijpaneel met een vierkantsleutel openen.
- Zijpaneel naar buiten zwenken.
- De stergreep helemaal tegen de klok in eruit draaien. De hoes verwijderen.
- De stergreep met de klok mee draaien om zo de hydraulische druk op te bouwen om de parkeerrem vrij te geven om de parkeerrem te lossen.
- Na het slepen: Stergreep helemaal losschroeven, huls weer opplaatsen en de stergreep vastdraaien.
10.8 Reinigen
10.8.1 Voertuig reinigen
Voertuig dagelijks na einde van het werk reinigen.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar door verkeerde reiniging
Neem de respectieve veiligheidsvoorschriften in acht, als u het voertuig met een hogedrukreiniger reinigt.
Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen.
Om het luchtfilter te beschermen, het voertuig alleen wassen als de motor is uitgeschakeld.
- Ter vermijding van brandgevaar: Voertuig op olie- en brandstoflekkage controleren. Lekkage door de klantenservice laten verhelpen.
- Ter vermijding van brandgevaar: Plantresten en olie van motor, uitlaat en accu verwijderen.
- Motor indien nodig met een borstel, perslucht of lage waterdruk reinigen.
- Vuilvangers / wielkasten van de wielen reinigen.
10.8.2 Koeler reinigen
LET OP
Letselgevaar door scherpe randen
Gebruik beschermende handschoenen voor de reiniging.

①Vergrendeling ②Zijbekleding rechts ③Condensator airco ④Combikoeler
- Laadlucht-, water- en hydraulische oliekoeler
- Vergrendeling van de zijbekleding met vierkante sleutel losmaken.
- Bekleding naar buiten kantelen, een veiligheidstouw houdt deze op zijn plaats.
- Grof vuil handmatig van de koeler verwijderen.
- Met een zachte borstel of bezem met perslucht (max. 5 bar) of geringe waterdruk reinigen.
10.9 Zekeringen
10.9.1 Zekeringen in de bestuurderscabine
De zekeringen in de bestuurderscabine bevinden zich op de rechterwand van de cabine in het midden achter een afdekking.


① Afdekking ② Sluitingen ③ Zekeringen ④ Diagnosestekker
- Rugleuning van de passagiersstoel naar voren kantelen.
- Sluitingen van de afdekking openen, afdekking kantelen en naar boven toe verwijderen.
- Defecte zekeringen vervangen.
Alleen zekeringen met dezelfde amperewaarde gebruiken.
10.9.2 Zekeringen van het voertuig
De volgende zekeringen bevinden zich op het voertuig achter de zijbekleding achter een afdekking.
2
3
①Zijbekleding rechts ②Afdekking ③Zekeringen
- Vergrendeling van de zijbekleding met vierkante sleutel losmaken.
- Bekleding naar buiten kantelen, een veiligheidstouw houdt deze op zijn plaats.
- Sluiting van de afdekking openen, afdekking verwijderen.
- Defecte zekeringen vervangen.
Alleen zekeringen met dezelfde amperewaarde gebruiken.
11 Opslag
WAARSCHUWING
Gevaar voor letsel en beschadiging
Neem het gewicht van het apparaat in acht.
- Voertuig op een beschermde, effen en droge plaats parkeren.
- Bij vorstgevaar controleren of er voldoende antivriesmiddel in de koelvloeistof aanwezig is.
- Voertuig van binnen en van buiten reinigen.
Bij bewaring langer dan een maand:
- Voertuig opkrikken (vrij draaiende wielen).
- Accu loskoppelen, elke 2 maanden opladen.
- Bij opnieuw in bedrijf stellen na langdurige opslag eventueel onderhoud volgens schema laten uitvoeren.
12 Hulp bij storingen
Kleinere storingen kunt u met behulp van het volgende overzicht zelf verhelpen.
Neem bij twijfel contact op met de geautoriseerde klantenservice.
△GEVAAR
Gevaar voor elektrische schokken
Schakel voor alle onderhoudswerkzaamheden het voertuig uit en trek de sleutel eruit. Reparatiewerkzaamheden en werkzaamheden aan elektrische componenten mogen alleen door de geautoriseerde klantenservice worden uitgevoerd.
12.1 Storingen op het voertuig
| Fout Oplossing | |
| Voertuig kan nicht worden gestart | Accu controlleren/laden. Op de bestuurdersplaats plaats nemen (stoelcontactschakelaar worden geactiveerd). Rijrichtingshendel in stand NEUTRAAL - middelste stand. Brandstof tanken, brandstoffsysteme omtluchten. Brandstofffilter controlleren, reinigen en/of verrangen. Brandstofaansluitingen en leidingen controlleren. Geauthoriseerde klantenservice op de hoogte brengen. |
| Motor loopt onregelmatig | Luchtfilter reinigen/ervangen. Brandstofffilter controlleren, reinigen en/of verrangen. Brandstof tanken, brandstoffsysteme omtluchten. Brandstoffaansluitingen en leidingen controlleren. Geauthoriseerde klantenservice op de hoogte brengen. |
| Motor draait, maar voer-tuig beweegt nicht of slechts langzaam | Vulniveau in de hydraulische olietank controlleren. Bij viestemperaturen en koude hydraulische olie: Voertuig minstens 3 minutes warm la-ten draaien. |
12.2 Verhelpen van storingen bij symboolweergaven
| Fout Oorzaak Oplossing | ||
| CHECK | Het motorcontrolelampje (MIL) gaat branden als het contact worden ingeschakeld om de werkking te contrôle- ren. Het lampje stelt de bestuurd er op de hoogte van een storing in een emissie- of veiligheidsgerelateerd component. Bij actieve storingen brandt de MIL- lamp permanent. | Als de storing Niet更是actief is, wordt de lamp na 3 rijcyclicuitgeschakeld Bij DEF-storingen gaat de lamp al na 1 rijcylclusuit na het bijvullen van de reactievloeistof (DEF)1 rijcylclus = a Contact inschakelenb Motor starten en minstens 5 seconden latentdraaiencMotor uitschakelen en wachten op de afterrun(ca. 30 seconden) |
| Motorstoring in het uitlaatgasbehandelingsystem Geeft aan dat de uitlaatgasbehande- ling is gestoord. | De storing verhelpen om het voertuig weevelleg functioneel te krijgen, dit voorkomt schadeaan de motor en het voertuig Het vulniveau in het DEF-reservoir controerenMinimale bedrijfsduur van de motor na het bijvuIen is 20 minutes. Daarna gaat het waarschu-wingslampjeuit. | |
| Regeneratie vereist. | Regeneratie uitvoeren (zie hoofdstuk "Regeneratie"). | |
| Regeneratie heeft fouten (NOx controle-eenheid). | Met klantenservice contact opnemen. | |
| Motoroliedruk te hoog. | Met klantenservice contact opnemen. | |
| Fout in de aandrijving. | ● Met klantenservice contact opnemen. | |
| Parkeerrem actief. ● Parkeerrem loszetten. | ||
| Brandstofpeil laag. ● Brandstof bijvullen. | ● Brandstofsystem ontluchten, als de tank leeg is | |
| Koelmiddeltemperatuur te hoog. ● Motor afzetten. | ● Koeler reinigen (zie hoofdstuk "Koeler reinigen"). ● Stand van de koelvloeistof in de motor controle-ren, indien nodig bijvullen. ● Als het waarschuwingslampje nicht binnen 5 minu-ten uitgaat: a Motor afzetten b Klantenservice raadplegen | |
| Temperatuur hydraulische olie te hoog. | ● Motor met standgas gebruiken tot het waarschu-wingslampje uitgaat. | |
| Peil hydraulische olie te laag. | ● Hydraulische olie bijvullen. | |
| Temperatuur hydraulische olie te laag. | ● Motor voorzichtig warmdraaien tot het waarschu-wingslampje uitgaat. | |
| Storing hydraulische olie filter | ● Filter verwuid of olie te viskeus (dikvloeibaar) ● Hydraulische olie tot min. 40 °C verwarmen door het voertuig te latent draaien. Als de storing nog steeds actief is: Contact opnemen met de service. | |
| Service vereist. | ● Service door klantenservice lately uitvoeren. a De serviceweergave要去 door de klantenser-vice worden terugpezet. |
| Gegevens capacititeit apparaat | ||
| Rijnsnelheid km/h 20, 25, 30, 40, 50, 60 | ||
| Afhankelijk van de variant en de landspecifieke vereisten kan de snelheid worden beperkt. De beperking worden bveiligd aan de hand van software. | ||
| Rijnsnelheid, anscheruit km/h 20 | ||
| Werksnelheid km/h 20 | ||
| Werksnelheid (max.) km/h 40 / winter | ||
| Klimvermogen (max.) % 25 | ||
| Draaicirkel m 2,06 (Dwi) | ||
| Elektrische installment/accu | ||
| Accutype - onderhoudsvrij | ||
| Accuspanning V 12 | ||
| Accucapaciteit | Ah | 105 |
| Afmetingen en gewichten | ||
| Lente | mm | 4.248 +/- 30 |
| Breedte | mm | 1.300 |
| Hoogte | mm | 1.990 +10/-20 |
| Leeggewicht (transportgewicht) | kg | 2500-2800 (afhankelijk van de uitrusting als tractor) |
| Toegestaan totaal gewicht | kg | 6000 |
| Max. toegestane asbelasting voor | kg | 2700 |
| Max. toegestane asbelasting.akter | kg | 3300 |
| Stunlast aanhangerkoppeling | kg | 300 |
| Aanhangerlast, geremd | kg | 3000 |
| Aanhanglast, ongeremd | kg | 750 |
| Toegestaan totaal gewicht combinatie, geremd | kg | 9000 |
| Toegestane totaal gewicht combinatie, ongeremd | kg | 6750 |
| Bedrijsstoffen | ||
| Brandstoffype | Diesel (volgens de specificaties van DIN EN 590) BIODIESEL kan worden tegevoegt tot een aandeel van 7% (volgens de specificaties van UNI EN 14214) | |
| Inhoud brandstoftank | 70 | |
| Type motorolie | Shell Rimula R6 LM (ACEA E6 - SAE 10W-40) | |
| Hoeveelheid motorolie | I | 13,2 |
| Soort koelmiddel | Glysantin G 40 (ASTM D 3306) | |
| Hoeveelheid koelmiddel | I | 14 |
| Soort hydraulische olie | Renol B HV 46 (ISO 11158) | |
| Hoeveelheid hydraulische olie | I | 55 |
| Smeervet | EP lithiumzeep (NLGI 2) Neem de smeerpuntsymbolen op het apparaat in alot | |
Technische wijzigingen voorbehouden.
| Motortype VM R754EU6C | (Euro 6) VM R754ISE5 (fase V) | ||
| Type Viercilinder 4-takt dieselmotor | DPF- en SCR-systeem | Viercilinder 4-takt dieselmotor DPF-systeem | |
| Koeltype Waterkoeling Waterkoeling | |||
| Cilinderinhoud cm | 3 | 2970 2970 | |
| Motorrendement kW/PS 75 / 102 54,5 / 74 | |||
| Mortoroerental 1/min 2300 | 2300 | ||
| Geluid bij bestuurdersoor volgens Verordening (EU) 1322/2014, app. XIII | dB(A) 73 (gesloten) | 79 (open) | 73 (gesloten) 79 (open) |
| Trillingswaarde, gehele lia-chaam, conform VO (EU) 1322/2014, bijl. XIV | m/s2 | 1 Zitting Grammer MSG75GL / 522: - 1,22 (lichte bestuurder) - 1,01 (zware bestuurder) 2 Zitting Cobo SC47M-M200: - 1,15 (lichte bestuurder) - 0,91 (zware bestuurder) 3 Zitting König K210MVGL-P350-W2: - 1,16 (lichte bestuurder) - 1,03 (zware bestuurder) | 1 Zitting Grammer MSG75GL / 522: - 1,22 (lichte bestuurder) - 1,01 (zware bestuurder) 2 Zitting Cobo SC47M-M200: - 1,15 (lichte bestuurder) - 0,91 (zware bestuurder) 3 Zitting König K210MVGL-P350-W?: - 1,16 (lichte bestuurder) - 1,03 (zware bestuurder) |