MC 250 STAGE V - Veegmachine Kärcher - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MC 250 STAGE V Kärcher in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over MC 250 STAGE V Kärcher
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Veegmachine in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MC 250 STAGE V - Kärcher en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MC 250 STAGE V van het merk Kärcher.
GEBRUIKSAANWIJZING MC 250 STAGE V Kärcher
7.6 Innenbeleuchting 13
7.7 Sonnenblende 13
7.6 Innenbeleuchting
1 Algemene instructies 235
1.1 Inleiding 235
1.2 Leveringsomvang 235
1.2.1 Levering controleren 235
1.2.2 Leveromvang MC 250 235
1.2.3 Uitlaatbehandelingsystem (ATS) 235
1.3 Garantie 235
1.4 Toebehoren en reserveonderdelen 235
2 Reglementair gebruik 235
2.1 Apparaathouder 236
2.2 Te voorzien fout gebruik 236
3 Milieubescherming 236
3.1 Afvalverwijdering 236
3.2 Afvalverwijdering van het uitgediende voertuig 236
4Veiligheidsinstructies 236
4.1 Gevarenniveaus 236
4.2 Algemene veiligheidsinstructies 236
4.3 Veiligheidsinstructies voor het rijden 236
4.4 Veiligheidsinstructies dieselmotoren 237
4.5 Veiligheidsinstructies voor het transport 237
4.6 Veiligheidsinstructies m.b.t. het onderhoud 237
4.7 Aanvullende veiligheidsinstructies voor het gebruik ... 237
4.8 Positie van fabrieksplaatjes 237
4.9 Positie chassisummer (VIN) 237
4.10 Symbolen op het voertuig 238
4.11 Positie van de symbolen op het voertuig 239
4.12 Veiligheidsinrichtingen 239
4.12.1 Startvergrendeling 239
4.12.2 Stoelcontactschakelaar 239
4.12.3 Parkeerrem 240
4.12.4 Bestuurderscabine 240
5 Batterijen / oplaadapparaten. 240
5.0.1 Symbolen waarschuwingsinstrumenties 240
5.0.2 Veiligheidsinstructures 240
6 Voertuigoverzicht 241
6.1 Aanzicht van voren 241
6.2 Achteraanzicht 241
6.3 Hydraulic aansluitingen 241
6.3.1 Hydraische aansluitingen voorzijde 241
6.3.2 Hydraulische aansluitingen hinterzijde 242
6.4Panelen 242
7 Bestuurderscabine 242
7.1 Deuren 242
7.2 Interieurfilter 243
7.3 Radio 243
7.4 Schakelaars 243
7.5 Verwarming, ventilatie, airconditioning 243
7.5.1 Automatische airconditioning (optie) 244
7.6 Interieurverlichting 244
7.7 Zonwering 244
7.8 Console op de bestuurdersstoel 245
7.8.1 Schakelaar voor het accuscheidingsrelais 245
7.9 Stuurwielconsole 245
7.9.1 Multischakelaar 245
7.9.2 Rijrichtingsschakelaar 246
7.9.3 Contactslot.. 246
7.10 Pedalen 246
7.10.1 Rijpedaal 246
7.10.2 Rempedaal 246
7.10.3 Parkeerrem 246
7.11 Display 247
7.11.1 Functie-/insteltoetsen 247
7.11.2 Display-indications in de start-/transportmodus 247
7.11.3 Display-indications in de werkmodus 247
7.11.4 Besturing selecteren (2-wiel / 4-wiel) 248
7.11.5 Achteruitrijcamera 248
7.11.6 Stoelcontactschakelaar overbruggen 248
7.11.7 Symbolen op het display 248
4 Bedieningsconsoles 251
4.1 Bedieningsconsole armleuning 251
4.1.1 Indeling apparatushouser 251
5 Display 251
5.1 Menu aanbouwapparaten 252
5.2 Menu Installingen 252
5.2.1 Displayinstallingen uitvoeren 252
5.2.2 Systemeiminformatie weergeven 252
5.2.3 DPF (diesel-deeltjesfilter) 253
5.3 Menu Service 253
5.4 AUX-menu (het hydraulische systeme drukloos mak-ken). 253
6 Inbedrijfstelling 253
6.1 Veiligheidscontrole voor de start 253
6.1.1 Veiligeidscontrole aan de apparaatdrager 253
6.2 Bestuurdersstoel instellen 254
6.3 Stuurwielpositie instellen 255
6.4Tanken 255
6.4.1 Brandstof tanken 255
6.4.2 DEF resp. AdBlue® bijvullen 255
7 Werking. 255
7.1 De eerste 10 / 50 / 100 bedrijfsuren (inlooptijd) 256
7.2 Parkeerrem 256
7.3 Rijden 256
7.3.1 Motor starten 256
7.3.2 Rijrichtingkiezen 256
7.3.3 Rijden 256
7.3.4 Stoppen 256
7.3.5 Differentieelblokkering (specialeuitvoering) 256
7.3.6 Tempomaat 257
7.3.7 Voertuig parkeren 257
7.4 Regeneratieproces bij voertuigen met een diseelpartikelfilter (DPF). 257
7.4.1 Handmatige regeneratie 257
7.4.2 Automatische regeneration 258
7.5 Inzet in de winter 258
7.5.1 Vorstbescherming 258
8Aanbouwapparaten. 258
8.1 Aanbouwapparaten aan het voertuig koppelen 258
8.2 Aanhangerkoppeling 258
8.3 Het voertuig ballasten 258
8.3.1 Berekening van de minimale ballast van dechter-kant voor front-aanbouwapparaten 259
8.3.2 Berekening van de daadwerkelijkke voorasbelasting 259
8.3.3 Berekening van het werkelijkte totale gewicht 259
8.3.4 Berekening van de daadwerkelijkke achterasbelasting 259
9 Transport 259
9.1 Voertuig verladen 259
9.1.1 Voertuig borgen 259
9.2 Transportbeveiliging aanbrengen 259
9.2.1 De standarde verilgheidsgordel op het voorwiel aan-brengen 260
9.2.2 Standaard verilgheidsgordel op het anschterwiel aan-brengen 260
9.2.3 Voertuig vastsjorren 260
9.3 Voertuig weg Slepen 260
10 Verzorging en onderhoud 261
10.1 Algemene instructies 261
10.2 Onderhouds- en reinigingswerkzaamheden voorbereiden 261
10.3 Service-indicatie 261
10.4 Onderhoudsintervallen 261
10.5 Onderhoudsschemavoertuig 261
10.6 Smeerschemavoertuig 262
10.7 Onderhoudswerkzaamheden 262
10.7.1 Ruitensproeierreservoir vullen 262
10.7.2 Koelvloeistofpeil controleren en koelvloeistof bijvullen 262
10.7.3 Peil hydraulische olie controlleren en hydraulische olie bijvullen 263
10.7.4 Accu inbouwen / uitbouwen 263
10.7.5 Accu Iaden 263
10.7.6 Luchtfilter reinigen en verrangen 264
10.7.7 Wiel verwisselen 264
10.7.8 Motoroliepeil controleren / bijvullen 265
10.7.9 Motorolie / motoroliefilter verrangen 265
10.7.10 Remvloeistofpeil in het reservoir controeren..... 265
10.7.11 Waterafscheider legen 265
10.7.12 De parkeerrem loses (noodbediening). 266
10.8 Reinigen 266
10.8.1 Voertuig reinigen 266
10.8.2 Koeler reinigen 266
10.9 Zekeringen 267
10.9.1 Zekeringen in de bestuurderscabine 267
10.9.2 Zekeringen van het voertuig 267
11 Opslag 268
12 Hulp bij storingen 268
12.1 Storingen op het voertuig 268
12.2 Verhelpen van storingen bij symboolweergaven..... 268
13 Technische gegevens 270
13.1 Technische gegevens motoren 271
13.2 Bandenuitrusting 271
1 Algemene instructies
1.1 Inleiding
Voordat u uw voertuig voor het eerst gebruikt, dient u de originele gebruiksaanwijzing en de veiligheidsinstructies door te lezen. Houd u hieraan.
Bewaar de gebruiksaanwijzing voor later gebruik of voor de volgende eigenaar.
1.2 Leveringsomvang
1.2.1 Levering controlleren
Meld bij de overdracht van het voertuig gebreken en transportschade meteen aan uw dealer of verkoopvestiging.
1.2.2 Leveromvang MC 250
De volgende voertuigen worden in deze gebruiksaanwij-zing beschreiben:
Apparaatdrager met VM-motor (R754EU6C) 75 kW (Euro 6) met DPF- en SCR-filter
Apparaatdrager met VM-motor (R754ISE5) 54,5 kW (niveau V)
met DPF-filter
1.2.3 Uitlaatbehandelingsystem (ATS)
Instructie
De volgende teksten zijn een uittrekseluit de gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant.
(VM motor Euro 6)
Het ATS-system bestaat uit een katalysator 'Diesel Oxidation Catalyst (DOC)', een deeltjesfilter 'Diesel Particulate Filter (DPF)' en uit een katalysator 'Selective Catalyst
Reduction (SCR). Deze componenten verbranden de verzamelde deeltjesijdens een "regeneratieproces' en verminderen de stikstofoxidien (NOx). Voor effectieve regeneratie要去en de uitlaatgassen gedurende een bepaalde periode bij een hoge temperatuur uittreden. De uitaatgassen要去en een temperatuur hebben die geschikt is voor regeneratie, anders filtert de DPF continu en loopt zo het risico van verstopping. Om verstopping van het filter te voorkomen, worden een actief geregenereerd nabehandelingssysteme gebruikt.
In de uitlaatgassen van een dieselmotor bevinden zich stikstofoxiden (NOx) die要去en worden gereduceerd. In overeenstemming met de normen voor verontreinigende emissies werden het huidige nabehandelingsystem met een 'SCR'-systeme geintegreerd.
Het systemd voor het verminderen van NOx-gassen bestaatuit een doseerbesturingseenheid (DCU-box),een tank voor de reactievloeistof DEF (Diesel Exhaust Fluid), een DEF-injector en een katalysator-SCR.
De vloeistof 'Diesel Exhaust Fluid' (DEF) of bekend als Ad-Blue® als handelsnaam worden door de doseerbesturingseenheid (DCU-box) in de injector gespompt. De injector verstuift de vloeistof voor de SCR-katalysator en veroorzaakt een chemische reactie. Deze chemische reactie zet de stikstofoxiden (NOx) in de uitlaatgassen om in water-damp en stikstof.
AdBlue® of DEF is een nicht-giftige, kleurloze, reukloze en Niet-ontvlambare vloeistof. Deze worden in een speciale container in het voertuig gezuld en in het uitlaatsysteme geinjecteerd voor het reinigen van de uitlaatgassen.
1.3 Garantie
In elk land gelden de garantievoorwaarden die door onze verantwoordelijkke verkoopmaatschappij zijn uitgegeben.
Mogelijkke storingen aan uw voertuig verhopen we binnen de garantieperiode Gratis, voor zover een materiaal- of productiefout deoorzaak is. Als u gebruik wilt make van de garantie, neemt u met uw aankoopbon contact op met uw distributeur of de dichtstbijzijnde geauthoriseerde klantenservice.
1.4 Toebehoren en reserveonderdelen
Gebruik alleen origineel toebehoren en originele reserve-onderdelen. Deze garanderen een veilige en storingsvrijweerking van het apparaat.
Informatie over toebehoren en reserveonderdelen vindt u.
onder www.kaercher.com.
Het voertuig mag alleen reglementair worden gebruikt, zoals in deze gebruiksaanwijzing weergegeven en beschreiben.
Tot het reglementaire gebruik behoort ook het in acht nemen van het voorgeschreven onderhoud.
Het voertuig en de aanbouwapparatenogens alleen doordien personen worden gebruikt, onderhonden en gerepareerd die hiermee vertrouwd zich en over de hiermee gepaard gaande gezaren geinstrueree zijn.
Neem de algemene veiligheidsvoorschriften en de voorschriften inzake ongevallenpreventie van de wetgever in acht. Neem ook andere veiligheidstechnische, arbo- en verkeersregels in acht.
Het voertuig is nicht bedoeld om te worden gebruikt met een frontlader.
Het bedieningspersoneel moet:
lichamelijk en geestelijk geschikt zich
- over het gebruik van het voertuig en de aanbouwapparaten geinstrueerd zijn
- Voor het begin van het werk deze gebruiksaanwijzing alsook de gebruiksaanwijzingen van aanbouwappara-ten of getrokken apparaten gelezen en begrepen hebben
- de geschiktheid voor het besturen van het voertuig te-genover de ondernemer aangetoond hebben
- door de ondernemer voor het besturen van het voertuig aangewezen zijn
2.1 Apparaathouder
Het voertuig is een apparaatdrager waaraan maar wens verschillende aanbouwapparaten (niet meegeleverd) voor en ook darüber;kuren worden aangebracht.
Dit voertuig is geschikt voor het gebruik met verschillende aanbouwapparaten en voor het trekken van aanhangers.
- Ongeremd tot 600 kg, oplooprem tot 3000 kg
De maximaal te trekken aanhanglast is op het typeplaatje resp. in de technische gegevens aangegeven en mag nicht worden overschreten.
Voor het gebruik op de openbare weg moet het voertuig aan de nationaal geldende richtlijnen voldoen.
Er mogen alleen door KÄRCHER vrijgeveen aanbouwap-.
paraten worden gebruikt.
KÄRCHER kan nicht aansprakelijk worden gesteld voor ongevallen of storingen van Niet vrijgeveen aanbouwapparaten.
Neem de gebruiksaanwijzingen van de aanbouwapparaten inucht.
Rijbewijs: Zorg bij het rijden op de openbare weg voor een rijbewijs dat geldig is voor dit voertuig. Neem contact op met Kärcher Service als er垦e onduidelijk is.
2.2 Te voorzien fout gebruik
Voldoe aan deplaatselijke nationale voorschriften.
Niet-reglementair gebruik is verboden.
Het bedieningspersoneel is aansprakelijk voor gevaar dat door het Niet toegestane gebruik ontstaat. Het gebruik voor andere doeleinden dan in deze documentatie beschreiben is verboden.
Aan het voertuig mooten geen veranderingen worden aangebracht.
- Blijf nicht in de gezavenzone.
- Gebruik het apparaat nooit in explosieve ruimtes.
- Vervoer geen mensen (behalte op de waarvoor bestemde stoelen) met het voertuig, de laadruimte of op aanbouwapparaten.
- Gebruik het voertuig Niet in de bosbouw.
- Versproei geen insecticiden, pesticiden of kunstmest met het voertuig.
- De motorkap is nicht geschickt als laadvlak. Betreden is ook verboden.
3 Milieubescherming

Componenten als batterijen, accu's of olie die, als ze verkeerd worden gebrukt of onjuist worden weggegoood, een potentieel risico voor de menselijk ge-dheid en het milieu vormen, mogen nicht met het shoudelijk afval worden weggegoood.
Instructies betreffende inhoudsstoffen (REACH)
Actuele informatatie over inhoudsstoffen treft u aan via internetadres: www.kaercher.nl/REACH
3.1 Afvalverwijdering
Houd u aan de nationale regelgeving ter plaatse.
- Neem de specifieke voorschriften van het bedrijf in acht.
- Voer bedrijfs- en hulpstoffen volgens de geldende productinformatiebladen milieuvriendelijk af.
3.2 Afvalverwijdering van het uitgediende voertuig
Uitgediende voertuigen bevatten waardevolle recyclebare materialien. Voor de afvoer van uw voertuig raden we de samenwerking met een gespecialiseerd afvalverwijderingsbedrijf aan.
4 Veiligheidsinstructies
4.1 Gevarenniveauaus
△GEVAAR
- Aanwijzing voor direct dreigend gevaar dat tot zware of dodelijkke verwondingen leidt.
WAARSCHUWING
Aanwijzing voor een möglichke gevaarlijke situatie die tot zware of dodelijke verwondingen kan leiden.
△VOORZICHTIG
Aanwijzing voor een möglichke gevaarlijke situatie die tot lichte verwondingen kan leiden.
LET OP
Aanwijzing voor een möglichke gevaarlijke situatie die tot materièle schade kan leiden.
4.2 Algemene veiligheidsinstructies
GEVAAR Verstikkingsgevaar. Houd verpakkingsfolie buiten het bereik van kinderen.
WAARSCHUWING · Gebruik het voertuig alleen volgens de voorschriften. Houd rekening met deplaatselijke omstandigheden en let bij het uitvoeren van werkzaamheden op andere Personen en met name kinderen. · Personen met verminderde fysieke, sensorische of geestelijkte capaciteiten of een gebrek aan ervaring en kennisMMCen het voertuig alleen onder begeleiding gebruiken of wanner ze in het veilige gebruik van het apparaat worden gettraind en de hieruit voortvloeije bevaren begrijpen.
- Alleen personen die in de omgang met het voertuig zich geinstrueerd of hebben bewezen dat ze het apparaat correct bedieren en uitdrukkelijk de opdracht hebben dit apparaat te gebruiken,ogens het voertuig gebruiken.
- Kinderen mogen het voertuig Niet gebruiken. - Houd toenlicht op kinderen omervoorte zorgen dat ze Niet met het voertuig spelen.
VOORZICTIG · Veiligheidsinrichtingen zich er voor uw verilgheid. Verander of omzeil veiligheidsinrichtingen nooit.
4.3 Veiligheidsinstrumentes voor het rijden
GEVAAR · Kantelgevaar bij te grote hellingen! Neem bij het rijden op hellingen de maximaal toegestane waarden in de technische gevevens in acht. · Kantelgevaar bij te grote zijdelingse helling! Neem bij het rijden dwars op de rijrichting de maximaal toegestane waarden in de technische gevevens in acht. · Kantelgevaar bij instabiele ondergrond! Gebruik het voertuig uitsluitend op verharde ondergrond.
WAARSCHUWING · Gevaar voor ongevallen door Niet aangepaste snelheid. Rijd langzaam in bochten. · De lijst met aanwijzingen m.b.t. het kantelgevaar maakt geen aanspraak op volledigheid.
VOORZICHTIG • Bestuurderscabines zichn van ventilatiesleuven of luchtuitlaatopeningen voorzien. Houd deze beslist vrij om voldoende ventilatie te waarborgen.
LET OP
Zorg voor vrij zich op de openbare weg voör gebruik (bijv. mistvrijne voorruiten, spiegels etc.).
4.4 Veiligheidsinstructies dieselmotoren
GEVAAR · Dieselmotor: Gebruik voertuigen met dieselmotor nooit in besloten ruimtes. · Gevaar voor vergiftiging: Uitlaatgassen Niet inademen. · Sluit de openingsoor uitlaatgassen nooit af. · Buig Niet over de openingoor uitlaatgassen heen. Raak de uitlaatgasopening Niet aan. · Blij beslist ut de buurt van de aandrijving. Houd rekening met de nalooptijd van de motor bij het afzetten (3-4 seconden).
4.5 Veiligheidsinstructies voor het transport
WAARSCHUWING
Houd rekening met het gewicht van het voertuig om ongevallen en letsel te voorkomen; zie hoofdstuk.
- Houd rekening met de voertuighoogte bij het transport op een aanhanger of vrachtwagen en beveilig het voertuig;zie hoofdstuk.
4.6 Veiligheidsinstructies m.b.t. het onderhoud
- Schakel de motor uit en verwijder de sleutel voordat u het voertuig schoonmaakt en onderhoudt, onderdelen verrangt of overschakelt maar een andere functie.
- Laat reparations alleen uitvoeren door erkende klantenservices of experts voor dit gebied die bekend zijn met alle relevante verilgheidsvoorschriften.
- Neem veiligheidscontroles in acht in overeenstemming met de lokaal geldende voorschriften voor commercieel gebruikte bedrijfsvoertuigen.
- Reinig banden, koelerlamellen, hydraulische slangen en kleppen, afdichtingen en elektrische en elektronische componenten nicht met de hagedrukreiniger.
- Let op de juiste bandenspanning, de band kan barsten als de bandenspanning te hoog is.
- Alleen originele Kärcher-zittingsenogens worden gebruikt. Anders kann den trillingswaarden nicht worden gegarandeerd.
4.7 Aanvullende veiligheidsinstrumenties voor het gebruik
Algemeen
Het voertuig heeft een hydrostatische aandrijving, evenals een 2-wielbesturing en een selecteerbare 4-wielbesturing. Hierdoor is het rijgedrag anders dan dat van een gewone auto.
Remgedrag
Om te remmen moet het rempedaal worden ingedrukt.
Instructie
Loslaten van het rijpedaal zorgt voor zich voor een merkbare vertraging.
Draaibewegingen
Het voertuig heeft 2-wielbesturing en een selecteerbare 4-wielbesturing.
2-wielbesturing is standard geactiveerd, als het voertuig wordt gestart (rijmodus).
De 4-wielbesturing kan op verzoek worden geselecteerd (werkmodus).
De 4-wielbesturing maakt nauwere bochten möglichk dan bij 2-wielbesturing.
Instructie
Vermijd snelle stuurbewegingen en rijd langzaam in bochten. Houd rekening met de zwenken van de weiterzijde.
Zwaartepunt / pendelbewegingen
Öpbouweheden achteraan en beladingstoestanden beivloeden de positie van het zwaartepunt van het voertuig
en daarmee het rijgedrag. Stel u vooral na het verrangen van opbouweenheden en bij veranderlijke beladingstoestaenden op een veranderd rijgedrag in. De limieten konnen eerder worden bereikt.
4.8 Positie van fabrieksplaatjes
Instructie
De fabrieksplaatjes staan rechts in de rijrichting, in de bestuurderscabine naast de bestuurdersstoel.

1 Typeplaatje frame
2 Typeplaatje voertuig
3 Typeplaatje motor
4 Bestuurdersstoel
4.9 Positie chassisnummer (VIN)
Instructie
De chassisnummers bevinden zich rechts op het frame in de rijrichting, in de buurt van het voorwiel.

1 Chassisnummer
4.10 Symbolen op het voertuig
Instructie
Onleesbare of verdwenen symbolen onmiddelijk verrangen.
| △GEVAAR Verbrandingsgevaar door hete oppervlakken Laat het voertuig afkoelen voordat u eraan werkt. | |
| △GEVAAR Verbrandingsgevaar door hete uitlaat Raak de uitlaat Niet aan. Laat de uitlaat afkoelen voordat u eraan werkt. | |
| △GEVAAR Kantelgevaar Rijd alleen over terrein wonneer de dwarshelling Niet meer is dan 10°. | |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel doorwegspattende voorwerpen Houd voldoende afstand van Personen, dieren en voorwerpen. | |
| △WAARSCHUWING Gevaar voor letsel Gevaar voor beknelling en afknelling aan rie-men, zijbezems, vuilreservoir, kap. | |
| △GEVAAR Gevaar voor beknelling Let er bij het gebruik van het voertuig als tractor op dat zich tijdens het gebruik geen personenCUSSEN HET VOERTUIG EN DE AANHANGER BEVINDEN. | |
| LET OP Roterende machinedelen. | |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel door roterende onderden Open de kap pas als de motor stilstaat. | |
| △WAARSCHUWING Gezondheidsrisico door giffige uitlaatgas-sen Adem geen uitlaatgassen in. | |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel door onbevoed gebruik Trek de contactsleutel uit het contact ter beveilig-tingegen onbevoed gebruik en voor reini-gings- en onderhoudswerkzaamheden. |
| LET OP Materièle schade bij reiniging en onderhoud Parkeer voor reinigings- en onderhoudswerk- zaamheden het voertuig op een vlakke, vaste ondergrond. |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel door Niet voorziene zit- plaats Neemplaats op de bestuurdersstoel. |
| △GEVAAR Gevaar voor letsel door overrijden Tijdens het gebruik mooten zich geen Personen in de buurt van het voertuig ophouden. |
| △GEVAAR Gevaar voor stoten, gevaar voor beknelling Ondersteun bij het transport of werkzaamheden onder hangende last met geschikte middelen. |
| Smeerpunt |
| Remvloeistof DOT 4 gezruiken |
| Diesel volgens DIN EN 590 tanken |
| Opnamepunt voor krik |
| Motorkap openen |
| Gebruiksaanwijzing lezen |
4.11 Positie van de symbolen op het voertuig
Instructie
Onleesbare of verdwenen symbolen onmiddelijk verrangen.

4.12 Veiligheidsinrichtingen
Veiligheidsinrichtingen dieren voor de bescherming van de gebruiker en mogen Niet buiten werkung worden gesteld en de functies ervan mogen Niet worden omzeild. Neem de veiligheidsinstructies in de hoofdstukken inacht!
Voorwaarden voor het starten van de motor:
Bestuurder zit op de bestuurdersstoel
- Neutrale stand van de rijrichtingschakelaar
- Als de rijrichtingschakelaar op vooruit ofijkenuit staat wanner de motor worden gestart, kan de motor wel worden gestart, maar is rijden alleen möglichk als de rijrichtingschakelaar eerst in de neutrale stand staat.
Bedien de schakelaar voor het accuscheidingsrelais. Zie het hoofdstuk "Schakelaar voor het accuscheidings relais".

① Accu losgekoppeld (starten van het voertuig geblokkeerd)
② Accu geactiveerd (voertuig kan worden gestart)
4.12.2Stoelcontactschakelaar
- Kan met het voertuig Niet gereden worden.
- Kan de PTO voor Niet ingeschakeld worden of schakeltuit.
4.12.3Parkeerrem
De parkeerrem heeft hydraulische druk nodig om te los- sen. Bij een uitgeschakelde motor worden de rem automatisch bediend.
Bij een draaiende motor en de rijrichtingshendel op NEU-TRAAL is de parkeerrem eveneens aangetrokken.
Instructie
Het waarschuwingslampje in de multifunctionele individatie "Parkeerrem aangetrokken" brandt bij een aangetrokken parkeerrem.
4.12.4Bestuurderscabine
De bestuurdber worden beschermd gegen blikseminslag in de bestuurderscabine.
De bestuurderscabine heeft een kantelbeveiligingsstruktur (ROPS), die omkanten na kantelen voorkomt.
De bestuurderscabine heeft geen beschemende structuur voor vallende voorwerpen (FOPS).
De bestuurderscabine heeft geen bescherming gegen binnendringende objecten (OPS).
Gebruik altijd de veiligheidsgordel.
5 Batterijen / oplaadapparaten
LET OP
Gebruik alleen de door de fabrikant aanbevolen batterijen en oplaadapparaten
Vervang de batterijen alleen door batterijen van hetzelfde type!
Verwijder de batterij voordat u het voertuig afvoert en voer het voertuig af met inachtneming van de landspecifieke enplaatselijke voorschriften.
5.0.1 Symbolen waarschuwingsinstructies
Neem bij de omgang met accu's volgende waarschuwingsinstrumenties in acht:
| Aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de accu en op de accu alsook in deze gebruiksaan-wijzing in ache nemen. |
| Oogbescherming dragen. |
| Kinderen uit de buurt van zour en accu houden. |
| Explosiegevaar |
| Vuur, vonden, openlicht en roken verboden. |
| Verbrandingsgevaar |
| Eerste hulp. |
| Waarschuwing |
| Afvalverwijdering | |
| Accu nicht in de vuilnisbak gooien. |
5.0.2 Veiligheidsinstructies
△GEVAAR
Brand- en explosiegevaar
Leg geen gereedschap of andere voorwerpen op de batterij.
Vermijd absoluut roken en open vuur.
Zorg bij het laden van batterijen in ruimtes voor een goede ventilatie.
Gebruik uitsluitend door Kärcher vrijgeveen batterijen en oplaadapparaten (originele reserveonderdelen).
△WAARSCHUWING
Milieugevaar door ondeskundige verwijdering van de batterij
Voer defecte of opgebruekte batterijen op een veilige manier af (neem eventueel contact op met een afvalverwijderingsfirma of met de Karcher-service).
Maatregelen voor onbedoeld vrijkomen van zwavelzuur.
Bij reglementair gebruik en wanner de gebruiksaanwijz ing wordt opgevolgd vormen loodbatterijen geen gevaar. Houd er darüber reckening mee dat loodbatterijen zwavelzuur bevatten dat ernstig letsel kan veroorzaken.
- Gemorst zwavelzuur of zwavelzuur dat uit een lekkende batterij treedt met absorptiemiddel opvangen, bijv. zand. Niet in de riolering, de bodem of de wateren latentterechtkommen.
- Zuur neutraliseren met kalk/natriumcarbonaat en volgens deplaatselijke voorschriften afvoeren.
- Neem contact op met een afvalverwerkingsbedrijf voor de afvoer van defecte batterijen.
- Zuurspatten in het oog of op de huid met veel helder water uit- resp. afspoelen.
- Daarna onmiddelijk een arts raadplegen.
- Vervuilde kleding met water uitwassen.
- Kleding verrangen.
6 Voertuigoverzicht

6.1 Aanzicht van voren
①Voorwiel
Opnameaanbouwapparaten
③ Voeding aanbouwapparaten
4Hydraulische aansluitingen
⑤Ruitenwisser
⑥Rijlicht/knipperlicht
⑦ Achteruitkijkspiegel,verwarmd(optie)
Werkverlichting
Kentekenplaathouder
10Bestuurderscabine met aflsuitbare deuren
Sleepinrichting
Het voorste sleepapparaat is bevestigd aan het linker-frame en beveiligd met een veriligeidsbout.


6.2 Achteraanzicht
① Achterwiel
② Trekinrichting
③ Contactdoos voor aanhangwagens / aanbouwappara-ten
4Uitlaat
⑥ Bevestigingsgebied kenteken
6Kentekenverlichting
⑦ Achteruitrijcamera
⑧ Achterlicht / remlicht / richtingaanwijzers
9Bestuurderscabine
Stoffilter bestuurderscabine
Hydraulische aansluitingen
Voeding aanbouwapparaten
13Opname voor aanbouwapparaat vuilreservoir
14Klimhulp, opklapbaar
6.3 Hydraulische aansluitingen
Begripsdefinitie hydraulische PTO
Power Take Off = hydraulische krachtaftgifte
Begripsdefinitie AUX
Auxiliary valve = extra stuurventiel

6.3.1 Hydraulische aansluitingen voorzijde
Instructie
Als u een aansluiting Niet gebruikt, breng dan de stofkap ter bescherming aan.
6.3.2 Hydraulische aansluitingen achechterijde

Instructie
Als u een aansluiting Niet gebruikt, breng dan de stofkap ter bescherming aan.
6.4 Panelen
Voor de verschillende onderhouds- of reinigingswerkzaamheden要去en de desbetreffende panelen worden geopend. Een beschrijving van de onderhouds- en reinigingswerkzaamheden vindt u in het hoofdstuk "Onderhoud".

Afbeelding: weergave zonder afdekking
Radiatorrooster, zwenkbaar
② Onderhoudsklep rechts zwenkbaar
③ Motorkap / schoonwaterreservoir, zwenkbaar
Onderhoudsklep links, zwenkbaar
⑤Vergrendeling radiatorrooster
⑥ Vergrendeling van de motorkap/watertank
Vierkantsleutel (in leveringsomvang)
- Radiatorrooster: ontrendelen met vierkantsleutel en\ aar buiten draaien.
a Reiniging combinatiekoeler
b Reiniging condensor airconditioning
- Onderhoudsklep rechts: zwenken om te openen.
a DEF of AdBlue® bijvullen
b Ruitenwisservloeistofpeil controleren/bijvullen
c Koelvloeistofpeil in het expansiereservoir controleren/ bijvullen
- Motorkap/schoonwatertank: ontgrendelen met vierkantsleutel en maar buiten draajen.
a Motorolieil controller
b Noodontgrendeling van de parkeerrem
c Vulniveau remvloeistof controeren
- Onderhoudsklep links: zwenken om te openen.
a Luchtaanzuiging aan de zijkant van de luchtfilterbehuing reinigen
b Luchtfilterdeksel van bovenaf openen en het luchtfilter reinigen
- Vierkantsleutel: voor het ontgrendelen van het radiat- torrooster en de motorkap/watertank
7 Besturderscabine
7.1 Deuren

Schuifraam (2 delen)
2Deurslot
③Deuropener
4Grepen
Sluit beiden deuren na het parkeren van het voertuig af.
De bestuurdersportieren dienen als noodlesitgang.
Variant besturing rechts
De bestuurdersstoel en het bestuurdersportier bevinden zich rechts in de rijrichting en er is een tweede deur aan de linkerkant van de bestuurderscabine.
De bestuurdersstoel en het bestuurdersportier bevinden zich links in de rijrichting en er is een tweede deur aan de rechterkant van de bestuurderscabine.
In- en uitstaphulp
Er zijn handgrepen in de deur en op de A-stijl, die kunnen worden gebruikt als in- en uitstaphulpmiddelen.
7.2 Interieurfilter

①Vergrendeling
②Afdekking
③ Fijnstofffilter filterklasse F9
De frisse lucht worden aangezogen door een fijnstofffilter in de bestuurderscabine (rechtsachter).
7.3 Radio

De radio is als optie verkrijgbaar en bevindt zich in de dakconsole.
Raadpleeg de bedieningsinstrumenties van de fabrikant voor gebruik.
7.4 Schakelaars
De schakelaars bevinden zich in de plafondconsole.
Instructie
De indicative in de schakelaar brandt als deutsche is ingeschakeld.

① Schakelaar noodknipperlichten Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
Schakelaar verlichting
Bovenste stand: dimlicht uit
Middelste stand: parkeerlicht aan
Onderste stand: dimlicht aan
③ Mistachterlicht (optie)
Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
4Schakelaar werkschijnwerper voor
Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
Schakelaar zwaailicht
Bovenste stand: Uit
Onderste stand:
Schakelaar verwarmbare buitenspiegels (optie) Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
⑦ Schakelaar voorruitverwarming (optie)
Bovenste stand: Uit
Onderste stand: In
Verwarming/airconditioning
De bediening worden in een apart hoofdstuk beschreiben.
7.5 Verwarming, ventilatie, airconditioning
De bedieningselementen bevinden zich in de dakconsole.

①Temperatuurregelaar voor koeling / verwarming
②Airconditioning aan / uit
Instructie
Het airconditioningsystem wordt pas geactiveerd, als de ventilatormotorregelaar zich ten minste op niveau 1 bevindt.
Schakelaar boven: Airconditioning aan - indicator brandt
Schakelaar onder: Airconditioning uit
③Regelaar voor ventilatormotor
- Zorg voor een aangenaam klimaat in de bestuurderscabine. Stel dit in met behulp van de bedieningselementen.

①Ventilateopeningen
2. Stel de ventilatiemondstukken tochtrvrij in. Druk op de ventilatieklep om deze te openen / sluiten. Draai de ventilatieklep om de richting van de luchtstroom te veranderen.

Luchtkanaal voetruimte
3. Houd het luchtkanaal in de voetruimte voor de voorruit vrij. Anders beslaat deze.
7.5.1 Automatische airconditioning (optie)
De bedieningselementen bevinden zich in de plafondconsole.

①LCD-display
② Instelknop (SET)
③ Airconditioning aan/uit
- Na het inschaken toont het LCD-display de gesele-teerde temperatuur, de ventilatorsnelheid en de gese-lecteerde instelling.
a In de test-/diagnosemodus geeft het display de juiste berichten weeoor de storingsoplossing.
- De instellingen können worden geseleerd met de instelknop. Schakel hiervoord de airconditioning in.
a Druk op de insteltoets (SET).
b Draai de instelknop met de klok mee of gegen de klok in om de gewenste instellen gen te selecteren.
c Het systeme keert met de geselecteerde instellenen na enkele seconden automatisch terug maar het hoofdschem. Druk Niet op de instelknop.

- Om het contrast en de helderheid van het display en de temperatuurweergave in ^ C of ^ F in te stellen, drukt u twee koer op de instelknop als e airconditioning is ingeschakeld. Maak de nodige instellingen door de instelknop met de klok mee of gegen de klok in te draaien. Druk 1x op de instelknop om de instellingen op te slaan. Wacht een paar seconden, het systeme keert automatisch terug maar het hoofdschem.

4. Nadat de airconditioning is uitgeschakeld, worden de achtergrondverlichting uitgeschakeld en worden de vooraf ingestelde instelling weergegeven.
5. Het airconditioningsysteme hebft ook menu's voor de instelling, foulweergaven of statistieken. Deze mogen alleen worden gebruikt door de bevoegde klantenservice. Neem bij vragen of een storing contact op met de bevoegde klantenservice.
7.6 Interieurverlichting

Druk links: Verlichting aan
Middenpositie: Verlichting wordeningschakeld wonneer een deur worden geopend
③ Druk rechts: Verlichting uit
7.7 Zonwering

①Zonwering
② Trek omlaag maar de gewenste positie om te werken
③ Trek om te ontgrendelen, zonneklep gaat omhoog
7.8 Console op de bestuurdersstoel
Naast de bestuurdersstoel is er een console met schakelaars, een opberbakje voor verschillendekleine onderden en stopcontacten voor USB en 12V.

①Opbergbakje
② Schakelaar recyclingwater aflaten (optioneel bij aanbouwset voor vegen)
③ Schakelaar voor het accuscheidingsrelais
Schakelaar voor het legen van het vuilreservoir (optioneel bij aanbouwset voor vegen)
⑥ Extra stopcontact 12V / max.10A
USB-aansluiting 5V / .2,1A
7.8.1 Schakelaar voor het accuscheidingsrelais
Alle functies van het voertuig konnen worden gedexe-veerd met de schakelaar voor het accuscheidingsrelais.

① Schakelstand "accu loskoppelen"
② Schakelstand "accu activeren"
- Koppel de accu los elke keer dat het voertuig geparkeerd worden door de schakelaar in de stand "accu loskoppelen" te duwen. Wacht minstens 60 seconden na het uitschakelen van de verbrandingsmotor voordat u de schakelaar bedient.
Opmerking: Als de verbrandingsmotor is uitgeschakeld, worden de regeleenheden geleidelijk gedeactiveerd. De accu kan pas worden losgekoppeld als het LASTe apparaat is uitgeschakeld. Houd waarom rekening met een wachtijd van 60 seconden.
- Voor de inbedrijfstelling activeert u de accu door deschakelaar in de stand "accu activeren" te duwen.

7.9 Stuurwielconsole
Stuurwiel
②Display met functietoetsen
③ Multischakelaar
④Stuurknop
⑤ Rijrichtingsschakelaar

7.9.1 Multischakelaar
- Claxonneren: Knop aan korte zijde indrukken
- Knipperen maar rechts: hendelঀ voren
- Knipperen maar links: Hendel maar anschter
Grootlicht: Hendel bij ingeschakeld rijlichtaar onderen drukken - Lichtsignaal: Trek aan de hendel en LAST hem los
Ruitenwisser-interval: Ring maar voren draaien
Instructie
De tijdsperiode van het ruitenwisserinterval is instelbaar (programmeerbaar).
Draai hiervoor aan de ring op het wis-interval, wacht op het gewenste tijdsinterval, schakel verwolgens uit en weein binnen 1,5 seconden. Het ingestelde tijdsinterval keert terug maar de basisprogrammering nadat het contact is uittgeschakeld.
- Continu wissen: Draai de ring maar achteren
Instructie
- Niveau voor normale wissnelheid
- Draai een stap verder voor snelle veegsnelheid
Ruitensproeiervloeistof: Ring indrukken
7.9.2 Rijrichtingsschakelaar
De rijrichting worden geselecteerd met de rijrichtingschakelaar.
LETOP
Om de rijrichting te selecteren,要去 het voertuig stilstaan en要去 de rijkeuzeschakelaar in de neutrale stand staan.
Foute bediening
Als de rijkeuzeschakelaarijdens selecteren van de rijrichting in de voorwaartse ofchterwaartse richting staat, verandert het symbool op het display, maar worden nicht omgeschakeld.

①Rijrichtingsschakelaar
- Keuzeschakelaar omhoog maar het stuur trekken, dan in de gewenste rijrichting bewegen (voor / acheer). De rijrichting worden op het display weergegeven.
- Rijrichtingshendel in middelste stand zetten (neutrale stand). De motor is in nullast.
- Transportsnelheid of werksnelheid met het gaspedaal doseren.
7.9.3 Contactslot

Motoruit
② Ontstekinguit
③ Motor starten
Het contactslot bevindt zich onder de rijrichtingsschakelaar.
7.10 Pedalen

①Rijpedaal
②Rempedaal
③ Pedaal (geen functie, alleen actief met "Aanbouwset voor vegen")
7.10.1Rijpedaal
Instructie
Loslaten van het gaspedaal veroorzaakt geen significante vertraging in de transportmodus.
Om te remmen moet het rempedaal worden ingedrukt.
1 Transportmodus: Als het rijpedaal worden ingetrapt, worden het motortoerental en de rijsnelheid hoger.
Als het rijpedaal worden losgelaten, worden het motortoerental en de rijnsnelheid lager.
2 Werkmodus: Het motortoerental is ingesteld op een vaste waarde. De werksnelheid met het rijpedaal regelen.
Als het rijpedaal worden ontlast, daalt alleen de werksnelheid en Niet het motortoerental.
7.10.2Rempedaal
Het rempedaal activeert het voor- en weiterwiel van het remsystem.
Om te remmen要去hrempedaal worden ingedrukt.
Instructie
Loslaten van het rijpedaal zorgt voor Niet voor een merkBare vertraging.
7.10.3Parkeerrem
De parkeerrem heeft hydraulische druk nodig om te los- sen. Bij een uitgeschakelde motor worden de rem automatisch bediend.
Bij een draaiende motor en de rijrichtingshendel op NEUTRAAL is de parkeerrem eveneens aangetrokken.
Instructie
Het waarschuwingslampje in de multifunctionele individatie "Parkeerrem aangetrokken" brandt bij een aangetrokken parkeerrem.
7.11 Display
7.11.1 Functie-/insteltoetsen
Volgende individatie worden na het inschakelen van het contact op het display weergegeven.

1 Functietoetsen
②Display-indicatie in de start-/transportmodus
③Insteltoetsen
Door drukken op de desbeteffende functietoets verandert de weergave op het display. Door opnieuw indrukken of indrukken van de 'Home' knop navigeert u terug.
Wijzigen van instelwaarden worden uitgevoerd met de insteltoetsen.
| Bezetting van de functietoetsen | |
| F1 Hier kan informatie, zoals de gebruiksaanwijzing van het voertuig,+zijn opgeslagen In de werkmodus:Hogedrukreiniger inschakelen (optie) | |
| F2 Weergave van datum enarend | |
| F3 Diverse instellen | |
| F4 In de werkmodus:Stoelcontactschakelaar overbrug-gen | |
| F5 Waarschuwingssignaal voorchyteruirijden aan/uit | |
| F6 Achteruirijcamera aan/uit | |
| F7 Zuigmondcamera (optioneel bijaanbouwset voor vegen) | |
| F8 Tempomaat set | |
| F9 Tempomaat resume | |
| F10 Selectie 2- of 4-wielbesturing | |
| Insteltoetsen | ||
| Toets + springt | binnen een instelbewer-king een veld maar boven | |
| Toets - springt | binnen een instelbewer-king een veld maar anderen | |
| "Home"-toets Gaat� het "home" beeld-schem van de betreffende mo-dus (transport/werk) | ||
| Insteltoetsen | ||
| Esc | Esc-toets sprung | gt binnen een instelbewer-king een stap terug |
| "Return"-toets sluit een instelbewerking af | ||
7.11.2 Display-indications in de start-/transportmodus In de start-/transportmodus worden volgendeindications op het display weergegeven.

①Motortoerental
Rijnselheid
③ Vulstand DEF reservoir
④Tankindicatie
Waarschuwingslampje parkeerrem geactiveerd
6 Koelvloeistoftemperatuur motor
Rijrichtingsindicatie
Rijrichting vooruit
- Neutrale stand
Rijrichting awhile
⑥Display 2-wiel / 4-wielbesturing
© Kilometerstand
Motorbedrijsuren
11Werkurenteller
7.11.3Display-indications in de werkmodus
Wordt maar de werkmodus overgeschakeld (PTO), dan wordt volgendeindicatie op het display weergegeven.

①Weergave motorbelasting
② Aansturing aandrijving van het aanbouwapparaat vooraan in %
- gele wijzer: PTO links
- grijze wijzer: PTO rechts
③Tankindication
4Temperatuur hydraulische olie
⑤ Werksnelheid
⑥ Motortoerental
⑦Koelvloeistoftemperatuur motor
Aansturing aandrijying van het aanbouwapparaat achteraan in %
⑨ DPF regeneratie-indicatie
10Rijrichtingsindicatie
① Kilometerstand
⑫ Schoonwaterreservoir (alleen bij optionele aanbouwset voor vegen)
13Recyclingwatertank (alleen bij optionele aanbouwset voor vegen)
Bedrijfsurenteller
15Werkurenteller
7.11.4Besturing selectoren (2-wiel / 4-wiel)
Bij het starten van de motor wordt automatisch transportmodus en 2-wielbesturing geselecteerd.
In de werkmodus (PTO aan) kan de 4-wielbesturing worden geselecteerd.

①Weergave stuurtype (2-wiel / 4-wiel)
② Functietoets F10
- Functietoets F10 indrukken.
- Stuurwiel over de middelste positie (referentiepunt) draaien. Als het display groen worden, is het stuurtype geactiveerd.
7.11.5 Achteruitrijcamera
Dechteruittrijcamera bevindt zich aan dechterzijde van het voertuig.
Bij anschteruirijden worden de camera automatisch ingeschakeld en worden het beeld op het display weergegeven.
WAARSCHUWING
De weiteruitrijcamera is geen verrangng voor de oplettendheid voor de omgeving
Let bij het achteruitrijden altijd op de omgeving.
Er mogen zich geen Personen, dieren of voorwerpen binnen het rangeergegebied bevinden.
7.11.6Stoelcontactschakelaar overbruggen
Instructie
Is nodig voor werkzaamheden bijvoorbeeld met de handzuigslang (optie) of hogedrukreiniger (optie) waar bij de bestuurder de bestuurdersstoel moet verlaten.
- Richtingkeuzeschakelaar in stand NEUTRAAL.
- Hydraulisch systeme activeren (PTO aan).
- Op het display boven de functietoets F4 drukken.
Op het display verschijnt het waarschuwingssymbol "stoelcontactschakelaar overbrugd".
De stoelecontactschakelaar is nu overbrugd, de PTO blijft echter verder actief.
7.11.7Symbolen op het display
Groene controelampjes zijn aanwijzingen.
Oranje controleampjes duiden op storingen of nodige omschakelingen van bedrijfstoestanden:
a Verder rijden is möglich als voorzichtig worden gere den.
b Vraag de hulp van een gespecialiseerd bedrijf.
- Rode controleampjes duiden op storingen en+zijn veiligheidsgerelateerde waarschuwingen.
a Lees de gebruiksaanwijzing!
b Stop met rijden!
c Vraag de hulp van een gespecialiseerd bedrijf.
De volgende symbolen en waarschuwingen können op het display worden weergegeven.
| 00 | Parkeerlicht |
| D | Dimlicht |
| D | Groot Licht |
| Rijrichtingsindicatie | |
| 2 | Controllampje aanhangwagen |
| Kruisingsfunctie actief | |
| 1 | AUX X-zwemfunctie actief |
| 2 | AUX Y-zwemfunctie actief |
| 1+2 | AUX X- en Y-zwemfunctie actief |
| 99 dB | Functie 99 dB (A) actief |
| Achteruitrijcamera actief | |
| T | 2-wielbesturing geactiveerd |
| 2-wielbesturingCLAAR voor selectie | |
| 4-wielbesturing geactiveerd | |
| 4-wielbesturingCLAAR voor selectie | |
| Differentieelblokkering geactiveerd | |
| Differentieelblokkering in Voorbereiding | |
| Cruise control geactiveerd | |
| Cruise control Niet actief | |
| Tempomaat (resume) De erder ingestelde snugheid activeren | |
| Rijrichtingschakelaar moet in de neutrale stand (middelste stand) staan | |
| Besturingsfout | |
| Stoelcontactschakelaar Niet herkend | |
| Stoelcontact handmatig overschreven (over-brudg) | |
| Service vereist | |
| Voorgloeien actief | |
| Algemene storing (niet kritiek), foulentlijst controleren | |
| Waarschuwing, brandstofvulpeil | |
| Regeneratieproces uitvoeren |
| Motorstoring (nietkritiek) | |
| Waarschuwing, de motor要去 worden uitge-schakeld | |
| Waarschuwing, de werkhydraulica要去 wor-den uitgeschakeld | |
| De werkhydraulica要去 worden ingeschakeld | |
| Waarschuwing, asbelasting | |
| Waarschuwing, olietemperatuur aandrijving | |
| Waarschuwing, hydraulisch oliepeil staat hoop | |
| Functie weiteruitrijden actief | |
| Mistlicht aan | |
| Uitlaattemperatuur hoop (regeneratie is actief) | |
| Regeneratie is actief (remmen) | |
| Het vermogen van het voertuig is beperkt, de snelheid is beperkt | |
| Waarschuwing, het voertuig bevindt zich in be-perkte toestand (transportmodus) | |
| Waarschuwing, de generatorinstallatie heeft een storing | |
| Waarschuwing, asbelasting te hoop | |
| Storing, olietemperatuur aandrijving | |
| Storing DCU (besturingseenheid) | |
| DCU in stoptoestand | |
| Waarschuwing, anschuirijden nicht toegestaan | |
| Waarschuwing, hydraulisch oliepeil staat laag | |
| Storing hydraulische oliefilter | |
| Waarschuwing, temperatuur hydraulische olie hoog | |
| Storing stoecontactschakelaar | |
| Storing luchtfilter motor | |
| Kritieke storing, motor uitschakelen | |
| Waarschuwing, koelvloeistoftemperatuur motor te hoog | |
| Parkeerrem actief | |
| Achteruitrijlicht uit | |
| Waarschuwing, remdruk te laag | |
| Waarschuwing, motoroliedruk te laag | |
| Motor afzetten | |
| Waarschuwing, motorstoring • Als de motorstoring actief is, brandt het waar schuwingslampje continu | |
| Water van de motor in de brandstof | |
| Motorstoring in het uitlaatgasbehandelingsystem |
|  | Waarschuwing, hydraulische circuits worden automatisch ontlucht (alleen bij de eerste inbedrijfstelling) |
|  | Waarschuwing, controller hydraulisch systeem offline |
|  | Waarschuwing, display offline |
|  | Waarschuwing, 2-wielbesturing veilig ac- tiveren |
|  | Waarschuwing, de snugheid is te hoog - snugheid verlagen |
|  | Waarschuwing, bedrijfsrem defect |
|  | Waarschuwing parkeerrem defect |
|  | Waarschuwing, remvloeistof |
|  | Waarschuwing, motortemperatuur hoog |
4 Bedieningsconsoles
4.1 Bedieningsconsole armleuning
De bedieningsconsole bevindt zich op de armleuning naast de bestuurdersstoel. De armsteun kan individuele worden aangepast aan de bestuurder, zie hoofdstuk 'Bestuurdersstoel instellen'.
4.1.1 Indeling apparaathouder
Instructie
De indications in de schakelaars branden als ze+zijn ingeschakeld.

Joystick links
②Joystick rechts
③Geen functie
④ Hydraulisch systeem in-/uitschakelen
⑤ Niet bezet
Niet bezet
⑦ Elektrische AUX 1 achter / AUX 3 voor
⑧ Achter-PTO in-/uitschakelen
Geen functie
10Elektrische AUX 2 achter / AUX 4 voor
(A) Front-PTO maximaal 40 l/min
Hydraulisch vermogen instelbaar via potentiometer
(B) Front-PTO maximaal 40 l/min
Hydraulisch vermogen instelbaar via potentiometer
(C) Toets voor het instellen van het motortoerental
Instructie
Het toerental kan in stappen van 100 worden gere-geld.
(D) Geen functie
(E) PTO achterzijde maximaal 60 l/min
(F) Toets indrukken om ingestelde waarden of programma's op te slaan en submenu's te openen.
(G) Draaiknop voor het wijzigen van waarden en selecteren van programma's.
5 Di s p I a y
Instructie
De op het display vooraf ingestelde taal is Engels, de taal kan via het menu instellenen worden gewijzigd.
Via het display konnen bijvoorbeeld instellenen aan het voertuig worden uitgevoerd, weergaves op het display zichl worden ingesteld, informatie over het voertuig worden weergegeven.
In detail,zijn dat de functies die hierna nauwkeurig worden beschreiben.

① Selectie en configuratie van de aanbouwapparaten
②Instellingingen
-Scherminstellingen
- Systeeminformatie
- DPF (informatie over de regeneratie)
③Service
- Dit bereik is uitsluitend bestemd voor de klantenservice
4AUX
Drukontlasting van het hydraulische system

① Draaiknop voor het wijzigen van waarden en selecteren van programme's
② Toets indrukken om ingestelde waarden of programma's op te slaan en submenu's te openen
1 De centrale elementen voor het navigeren en selecteren van de menupunten op het display+zijn de draaiknop en toets.
2 Als u op de toets drukt, worden submenu's geopend en worden de geselecteerde instelleningen opgeslagen.
3 De menupunten können worden geseleedr met de draaiknop.

5.1 Menu aanbouwapparaten

Afbeelding: Menu-selectie aanbouwapparaten
Als er aanbouwapparaten aan het voertuig zijn bevestigd, moeten deze in het menu worden geconfigureerd. Onder andere de volgende configuraties können worden geselecteerd:
Apparaathouder
Veegmachine
Winterdienst
Natreiniging
5.2 Menu Installingen

Afbeelding: Menu-selectie Instelleningen
Via het menu instellungen können de volgende submenu's worden geselecteerd.
Service
-Het menupunt mag alleen door de bevoegde klantenservice worden gebrukt
- Installingen
- Displayhelderheid en contrast
Eenheid nselheid (km/h / mph) en temperatuur (^/ F)
-Taal
- Datum enijd
- Informatie
-Weergave van voertuigspecifieke systeminformatie
- DPF (diesel-deeltjesfilter)
- Weergave wanner de volgende automatische regeneratie start
5.2.1 Displayinstallingenuitvoeren

①Weergave helderheid en contrast
Eenheden snelheid en temperatuur
③Taal
④ Datum,tijd
- Door bedieren van de toets "Instellenen"aar het vol-gende niveau van de displayinstelleningen wisselen.
- Via de toetsen "Weergave", "Eenheden", "Taal" en "Datum,ijd" de submenu's openen en de gewenste instellingen uitvoeren.
5.2.2 Systeminformatie weergeven

- Door bedieren van de toetsen 'Instellingen' en Infoaar het venster van de systeeminformatie wisselen.
5.2.3 DPF (diesel-deeltjesfilter)

- Door bedieren van de toets 'Instellenen' en 'DPF' maar het venster DPF wisselen.
Meer informatatie zie hoofdstuk 7.4 Regeneratieproces bij voertuigen met een dieselpartikelfilter (DPF).
5.3 Menu Service

Afbeelding: Menu-selectie Service
Dit menu mag alleen worden gebruikt door de bevoegde klantenservice.
5.4 AUX-menu (het hydraulische system drukloos make)
Het hydraulische systeme moet drukloos worden gemaatkt vooraleer de hydraulische slangen van de hydraulische aansluitingen worden geschienen.
△VOORZICHTIG
Gevaar voor letsel, gevaar voor beschadiging
Laat opgetilde aanbouwapparaten neer voordat u de druk ontlast.

① AUX-drukontlasting vooraan
② AUX-drukontlasting achteraan
- Selecteer de menupunten met de toets en de draaiknop op de bedieningsconsole. Bevestig de geselecteerde instelling met de toets.
a Ga via de "AUX"-knop maar het volgende niveau.
b Selecteer AUX-drukontlasting vooraan of achteraan.
6 Inbedrijfstelling
VOORZICHTIG
De handleiding van de aanbouwapparatuur lezen.
Bij gebruik van aanbouwapparatuur of getrokken machin es aanhangers voor de inbedrijfstelling de betreffende handleidingen lezen en opvolgen.
Neem de toegestane belastingen in acht, zie hoofdstuk.
6.1 Veiligeheidscontrole voor de start
△GEVAAR
Gevaar voor ongevallen en letsel door gebrekkig voertuig
Stel het voertuig Niet in bedrijf wonneer aan een punt van de veiligheidscontrole Niet is voldaan en LAST het voertuig repareren.
Instructie
Voer voor iedere inzet van het voertuig de aanbevolen veligeheidscontrole uit.
6.1.1 Veiligheidscontrole aan de apparaatdrager
Controleer voor elke start volgende punten:
- Als de schakelaar van het accuscheidingsrelais is ingesteld op "accu geactiveerd". Zie hoofdstuk 7.8.1 Schakelaar voor het accuscheidingsrelais
- Hydraulische aansluitingen op netheid
- Hydraulische leidingen op lekkage en beschadiging
- Hydraulisch oliepeil, zie hoofdstuk 10.7.3 Peil hydraulische olie controleren en hydraulische olie bijvullen
- Motoroliepeil, zie hoofdstuk 10.7.8 Motoroliepeil contro- leren / bijvullen
- Koelvloeistofpeil, zie hoofdstuk 10.7.2 Koelvloeistofpeil controlleren en koelvloeistof bijvullen
-
Remvloeistofpeil, zie hoofdstuk 10.7.10 Remvloeistofpeil in het reservoir controleren
-
Bij vorstgevaar koelvloeistof op voldoende antivirusiesmiddel
- Elektrische leidingen op beschadiging
10.Schroeven en moeren op vastheid
11.Voertuig, motor en radiatorrooster op beschadiging
12.Motorlichtfilter op properheid
13.Cabinestoffilter op properheid
14.Vloeistofniveau in het ruitensproeierreservoir, zie hoofdstuk 10.7.1 Ruitensproeierreservoir vullen
15.Bandenspanning en bandenslijtage
16.Of de lichten en richtingaanwijzers werken
17.Gaspedaal oplichtlopendheid
18.Functioneren temperatuurindicatie en tankindicatie?
6.2 Bestuurdersstoel instellen
△GEVAAR
Gevaar voor ongevallen
Stel de bestuurdersstoel alleen in, als het voertuig stilstaat.
△VOORZICTIG
Beschadigingsgevaar
Omgeklapte leuning nicht als opbergvlak tijdens rijden op de weg gebruiken, of overeenkomstig borgen
LET OP
Alleen de hieronder aangegeven en door Kärcher aangeboden stoelen worden gebruikt. Anders können de trillingswaarden nicht worden gegarandeerd.
Instructie
De demping van de bestuurdersstoel gebeurt automatisch.
Instructie
Als geen passagiersstoel voorhanden is, is er een direct toegankelijk opbergvak
Kärcherbiedt3verschillendebestuurdersstoelenaan:
Stoel Konig K210MVGL-P350-W2

① Horizontaleverstelling
Om te verstellen, de hendel omhoog trekken
② Bestuurdersstoel luchtgeveerd
③ Hellingsinstalling rugleuning
④Verstellinglendenwervelsteun (lordosesteun)
⑤VeiligeHDsgordel
⑥ Schakelaar stoelverwarming
⑦Hoofdsteun
Voor hoogteverstelling eruit trekken of erin schuiven
⑥ Armleuning met bedieningsconsole
Passagiersstoel (optie)
Stoel Cobo SC47M-M200 (zonder armleuning weergegeven)

Bestuurdersstoel
② Horizontaleverstelling
Omtverstellen,dehendel omhoog trekken
③Dempingsinstelling bestuurdersgewicht
④Veiligheidsgordel
⑤ Hendel, rugleuning omklappen
Hoofdsteun
Voor hoogteverstelling eruit trekken of erin schuiven
Stoel Grammer MSG75GL/522 (zonder armleuning weergegeven)

① Bestuurdersstoel luchtgeveerd
② Hoogteverstelling
③ Horizontaleverstelling
Om te verstellen, de'hendel omhoog trekken
④Veiligheidsgordel
Hellingsinstelling rugleuning
1. De linker armleuning voor de bediening van de bedieiningsconsole in helling, hoogte en positie instellen.
- Bestuurdersstoel ergonomisch zodanig instellen dat pedalen en het stuurwiel comfortabel+kennen worden bereikt. De bestuurdersstoelen Grammer en Konig beschikken over een lendensteun (lumbaalsteun).
- De luchtgeveerde bestuurdersstoel (Grammer en Konig) kan nog in hoogte worden versteld door de stoel met compressor in de hoogst möglichke positie te bredgen en verrolgens lucht met de veer te lately ontsnappen tot de stoel 2-3 cm is neergelaten.
- Bij de passagiersstoel zijn leuning en zitvlak klapbaar. Onder het zitvlak is er een opbergvak. Hierin+kunnen documenten over het voertuig alsmedekleine voorwerpen worden aangebracht.
6.3 Stuurwielpositie instellen
GEVAAR
Gevaar voor ongevallen
Stel de stuurwielpositie alleen bij stilstaand voertuig in.

① Klemhendel hoogteverstelling stuurwiel
② Hendel hellingsverstelling stuurwiel
- Aan hendel voor de hellingsverstelling trekken, vasthouden en stuurwiel op gewenste helling instellen.
- Hendel inschuiven.
- Klemhendel voor de hoogte losesten en stuurwiel op degewenste hoogte instellen.
- Klemhendel vergrendelen.
6.4 Tanken

Tankslot
②Rechter zijbekleding
③DEFafsluiting
6.4.1 Brandstof tanken
△GEVAAR
Explosiegevaar
Tank Niet in gesloten ruimten.
Rook Niet en vermijd open vuur.
Zorg ervoor dat er geen brandstof op hete oppervlakken terechtkommen.
△VOORZICHTIG
Gevaar voor letsel
Door overgelopen vloeistof bestaat gevaar voor uitgliden.
LET OP
Brandstof zet uit als het warm is, Niet tot de rand voltanken.
- Ontsteking uitschakelen.
- Tankdop openen.
- Brandstof tanken.
Alleen dieselbrandstof volgens DIN EN 590 gebruiken.
4. Overgelopen brandstof wegvegen en tankdop sluiten.
6.4.2 DEF resp. AdBlue® bijvullen
DEF (Diesel Exhaust Fluid) wird met inachtneming van strengge kwaliteitstandaards gemaatk. Er mag uitsluitend vloeistof worden gebruikt die voldoet aan de ISO 22241 standard.
LET OP
Het is verboden ureumoplossingen te gebruiken waar van de eigenschappen verschillen van de gespecificierde.
LET OP
Indien möglichk geen deelhoeveelheden bijtanken, anders verschijnt een waarschuwingslampje. Als dit waarschuwingslampje staat branden,kest u het Niet resetten. Het gaat uit na verschillende tankbeurten. Ditheft darüber geen efect op de werkig.
Tank alleen als het vulniveau van de DEF-container ver onder de 50% is (weergegeven op het display).
- Rechter serviceklep openen.
- Blauwe DEF-containingsluiting openen.
- DEF bijvullen, nicht overvullen.
Spoel overgelopen DEF met veel water weg.
- Containersluiting en de rechter serviceklep sluiten.
7 Werking
△GEVAAR
Gevaar voor beknelling
Zorg ervoor dat er tijdens gebruik geen personen in de buurt van het voertuig�.
Let er bij het gebruik van het voertuig als tractor op dat zich tijdens het gebruik geen Personen:tussen het voertuig en de aanhanger bevinden.
△VOORZICHTIG
Gevaar voor verbranding
Gebruik het voertuig alleen wonneer alle beplatingen zijn aangebracht.
LET OP
Beschadigingsgevaar door oververhitte hydraulische olie of oververhitte motor
Als de temperatuur van de hydraulische olie of van de koelvloeistof te hoog is, de motor stationair lately lopen tot de temperatuur onder de triggerwaarde 'Waarschuwingslampje uit' is gedaald.
LET OP
Beschadigingsgevaar door ontbrekende smering
Als het waarschuwingslampie 'Motoroliedruk'ijdens het gebruik gaat branden, moet u het voertuig onmiddelijk uit deGeVarenzone van het verkeer brengen en de motor uitschakelen. Los daarna de storing op.
VOORZICHTIG
Verminderde stabiliteit door opbouw
Pasuwrijstijl aan.
7.1 De eerste 10 / 50 / 100 bedrijfsuren (inlooptijd)
- De eerste 100 bedrijfsuren: rijd voorzichtig en vermijd overbelasting.
- Na 50 bedrijfsuren: Eerste inspectie moet worden uitgevoerd door de geautoriseerde klantenservice volgens de inspectiechecklist (ICL).
- Na 10 bedrijfsuren: De weltbouteu controlleren.
7.2 Parkeerrem
De parkeerrem heeft hydraulische druk nods om te los- sen. Bij een uitgeschakelde motor worden de rem automatisch bediend.
Bij een draaiende motor en de rijrichtingshendel op NEU-TRAAL is de parkeerrem eveneens aangetrokken.
Instructie
Het waarschuwingslampje in de multifunctionele individatie "Parkeerrem aangetrokken" brandt bij een aangetrokken parkeerrem.
7.3Rijden
7.3.1 Motor starten
- Op de bestuurdersplaats plaats nemen.
- Contactsleutel in het contactslot steken.
- Rijrichtingshendel in middelste stand zetten (neutrale stand).
- Contact inschakelen.
- Volledige opbouw van het display afwachten.
- Motor starten.
Als waarschuwingslampjes van laadcontrole en motorioliedruk Niet uitgaan, de motor uitschakelen en de fout verhelpen. Zie hoofdstuk 'Foutmeldingen bij symboolweergaven'
- Bij omgevingstemporaturen onder 0^ : Voertuig met laag motortoerental warm rijden.
7.3.2 Rijrichtingkiezen
Voor een uitvoerige beschrijving van de rijrichtingschakelaar, zie hoofdstuk 'Stuurconsole | rijrichtingsschakelaar'

①Rijrichtingsschakelaar
- Keuzeschakelaar omhoog maar het stuur trekken, dan in de gewenste rijrichting bewegen (voor /chter).
De rijrichting worden op het display weergegeven. - Transportsnelheid resp. werknelsheid met het rijpedaal selecteren.
7.3.3 Rijden
WAARSCHUWING
Gevaar voor ongevallen
Rijd alleen met correct geinstalleerd aanbouwapparaat.
△VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar
Stel zeker dat het voertuig bij het passeren van obstakels Niet vast komt te zitten.
Passeer obstakels tot 150mm langzaam en voorzichtigonder een hoek van 45^
Passeer obstakels van meer dan 150~mm alleen met een geschikte rijplank.
△VOORZICTIG
Beschadigingsgevaar door zwaalicht
Let bij het rijden in parkeergarages etc. op het waar bovenuitstekende zwaailicht (2,20m) . Demonteer ze indien nodig vooraf. Ga Niet op de motorkap (zoetwatertank) staan.
△VOORZICHTIG
Gevaar voor ongevallen
Schakel de aftakas UIT, als u voor transportdoeleinden op openbare wegen rijdt (niet bij het reinigen van openbare wegen).
Instructie
Loslaten van het rijpedaal zorgt voor Niet voor een merkbare vertraging.
- Veiligheidsgordel omdoen.
- Rijpedaal voorzichtig intrappen.
- Rijrichting met het stuurwiel sturen.
- Om te remmen moet het rempedaal worden ingedrukt.
7.3.4 Stoppen
- Rijpedaal loslaten.
Instructie
Loslaten van het gaspedaal veroorzaakt geen significante vertraging in de transportmodus.
2. Om te stoppen of in noodsituatives het rempedaal intrappen.
7.3.5 Differentieelblokkering (specialeuitvoering)
Als er nicht kan worden gereden sondern de aandrijfwielen zich op een ondergrond met afwisselende tractie bevinden (bijv. asfalt/sneeuw), kan de differentieelblokkering worden geactiveerd om het voertuig vrij te rijden.
LET OP
De differentieelblokkering alleen activeren, als het voertuig stilstaat!
Differentieelblokkering activeren
- De werkmodus activeren, die hoofdstuk 7.11.3 Displayindications in de werkmodus.
- De 2-wielbesturing activeren, zie hoofdstuk 7.11.4 Besturing selecteren (2-wiel / 4-wiel).
Als het contrôlelampje "Waarschuwing, 2-wielbesturing nicht actief - Besturing rechtuit instellen" brandt: de besturing in positierechtuit zetten.

Functietoets F3
Weergave differentieelblokkering
- De functietoets F3 indrukken en ingedrukt honden.
De differentieelblokkering vergrendelt, de weergave differenietieelblokkering brandt groen.
Bij ongunstige stand van de achteras vergrendelt de differentieelblokkering eventeel Niet meteen; de weergave differentieelblokkering brandt dan oranje.
Het rijpediaal voorzichtig bedieren tot de differentieelblokkering vergrendelt.
- Het voertuig op ondergrond met tractie rijden, en hierbij de functietoets F3 ingedrukt honden.
Differentieelblokkering deactiveren
- De functietoets F3 loslaten.
De differentieelblokkering ontgrendelt, de weergave differenietieelblokkering brandt wit.
Instructie
Als aandrijfijn onder spanning is, ontgrendelt de differentieelblokkering eventeel Niet meteen; de weergave differntieelblokkering brandt dan oranje.
Door rijden met stuurbewegingen resp. varieren van de last ontgrendelt de differentieelblokkering.
7.3.6 Tempomaat
De tempomaat is alleen in de werkmodus actief.
Tempomaat activeren
1 Gewenste werksnelheid met het rijpedaal selecteren.
2 Functietoets F 8 indrukken.
De tempomaat is geactiveerd.
Tempomaat deactiveren
1 Rempedaal of functietoets F 8 indrukken.
Functietoets F 9 (tempomaat resume) activeert de voor-dien ingestelde slelheid.
7.3.7 Voertuig parkeren
△WAARSCHUWING
Verwondingsgevaar door aanbouwapparaten
Eventuel aangebouwde aanbouwapparaten volledig neerlaten.
- Voertuig stoppen.
- Rijrichtingsschakelaar in neutrale stand zetten (middelste stand). In deze stand worden de parkeerrem automatisch bediend.
- Aangebouwde aanbouwapparaten neerlaten (niet het veegsystem).
- Motor 1 tot 2 minuten stationair laten draaien.
- Contact uitschakelen en contactsleutel uittrekken.
-
Bij een langere stop, de toets accu-ontkoppelingsrelais bedieren. Zie hoofdstuk 'Accu-ontkoppelingsrelais'.
-
Als de accu moet worden losgekoppeld, 30 seconden wachten zodat de opslagprocedure van de motorregelenheid kan worden voltooid.
7.4 Regeneratieproces bij voertuigen met een dieselpartikelfilter (DPF)
De DPF verzamelt roetdeeltjes die worden verbrand bij bereiken van de filterbelasting door verhoging van de uitlaatgastemperatuur (regeneratie).
Het regeneratieproces worden automatisch uitgevoerd tijdens het werk of tijdens het rijden of kan indien nodighandmatig worden gestart.
Hoe hoger de toerentallenijdens het rijden zijn of hoe hoger de belasting is, hoe minder vaak een handmatige regeneratie moet worden uitgevoerd.
7.4.1 Handmatige regeneratie
△WAARSCHUWING
Gevaar voor verbranding
Tijdens het regeneratieproces können uitlaatgassen een temperatuur van 600^ bereiken.
Start het regeneratieproces Niet opplaatsen waar gevaar voor brand is.
VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door hete afvoergassen
Houd mensen, dieren en brandbare voorwerpen uit de buurt van het regeneratiegebied.
Instructie
Onderbreek het regeneratieproces alleen in geval van noood.
Onder 50 uu is geen handmatige regeneratie möglichk.
De gemiddelde duur van de verbrandingsprocedure bij de handmatige regeneratie is ca. 20 minutes.

①Weergave voor handmatige regeneratie
a) Weergave parkeerrem
b) Weergave motortemperatuur
c) Weergave rijmodus
d) Weergave OK
e) Weergave vulgraad in % van het deeltjesfilter
f) Weergave in uren tot de handmatige reiniging kan worden gestart
② Automatische Reiniging verschuiven
③ Handmatige reiniging activeren
④ Automatische reiniging activeren
- De handmatig regeneratie kan alleen worden gestart, als alle 4 kenmerken groen+zijn:
a Parkeerrem is geactiveerd
b Temperatuur van de motor heeft een bepaalde waarde overschreden
c Machine is in rijmodus N (neutraal)
d Dan gaat ok groen branden, de handmatige verbranding kan worden gestart
7.4.2 Automatische regeneratie
WAARSCHUWING
Gevaar voor verbranding
Tijdens het regeneratieproces können uitlaufgassen een temperatuur van 600^ bereiken.
Start het regeneratieproces Niet opplaatsen waar gevaar voor brand is.
Instructie
Bij automatische regeneratie kan worden doorgewerkt.
De automatische regeneratie kan in bepaalde situatuies\ aar een ander tijdstip worden verschoven.
7.5 Inzet in de winter
- Controller de vorstbescherming van uw voertuig. Zie hoofdstuk 'Onderhoudswerkzaamheden | Koelvloeistof-niveau controleren en koelvloeistof toevoegen'.
8 Aanbouwapparaten
Instructie
Lees voor de installmentie de gebruiksaanwijzing van het gebruekte aanbouwapparaat.
Aanbouwapparaten zich opnieel en kuren worden bevestigd aan de beoogde bevestigingspunten op het voertuig.
△GEVAAR
Gevaar door gewijzigd zwaartepunt van het voertuig en gewijzigd rijgedrag.
Bij transport van vloeistoffen en / of bulkgoederen, zoals steenslag, können stromende bewegingen optreden die het voertuig schommelen.
Bij ombouwen, vooral bij het omschakelen van winteraar zomerbedrivij, en bij gewijzigde laadamstandigheden, moet de ook bestuurder zich rijgedrag aanpassen.
WAARSCHUWING
Gevaar voor beknelling bij het bevestigen van aanbouwapparaten
Grijp Nietussen de bevestigingspunten en het aanbouwapparaat.
VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door hete hydraulische koppelingen
Draag handschoenen bij het loshalen van hydraulische koppelingen.
LET OP
Draag geschikte beschermende kleding, veiligheidsschoenen en handschoenen bij het bevestigen of losmaken van de aanbouwapparaten. Dit geldt ookijdens gebruik en toepassing.
Neem contact op met uwplaatselijke dealer voorat u aanbouwapparaten installeert die Niet specifiek voor dit voertuig zijn ontworpen. Uw dealer controleert hoe en of deze aanbouwapparaten op dit voertuig hunnen worden bevestigd en gebruikt. Dit is belangrijk voor de veiligheid van de bestuurder en het voertuig en voor eventuele garantieclaims.
Aanbouwapparaten die de veiligheid of stabiliteit van het voertuig in gevaar brengen moot Niet worden gebruikt.
8.1 Aanbouwapparaten aan het voertuig koppelen
LET OP
Beschadigingsgevaar
Houd hydraulische aansluitingen schoon.
Reinig de stekker en koppeling voor gebruik met een pluisvrijde doek.

① Koppelingsstekker
② Koppelingsmof
③ Ring
- Ring van de koppelingsmofaar beneden trekken en vasthouden.
- Koppelingsstekker van de hydraulische slang van het aanbouwapparaat in de koppelingsmof drukken.
- Ring van de koppel loslaten. Op veilig vastklikken controeren.
- Om te ontkoppelen de ring maar beneden trekken, vasthonden en de hydraulische slang eruit trekken.
8.2 Aanhangerkoppeling
Instructie
Voor toegestane kogelbelasting en aanhangergewicht zie hoofdstuk.
8.3 Het voertuig ballasten
Instructie
De Vooras van het voertuig moet.altijd worden belast met ten minste 30% de achteras altijd met ten minste 30% van het leeggewicht van het voertuig.
Controleer voor de aanschaf van het hulpstuk of aan deze eisen is voldaan door de combinatie voertuig-werktuig te weg.
Voor de bepaling van het totale gewicht, de aslasten en de bandlastcapaciteit en de vereiste minimale ballast zijn de volgende gegevens vereist:
- Alle gewichten in kg (eventueel het voertuig wegen)
Alleafmetingin meter (m)

| TL (kg) = | Leeggewicht van het voertuig * | ||
| TV (kg) = | Voorasbelasting van het lege voertuig * | ||
| TH (kg) = | Achterasbelasting van het lege voer-tuig | * | |
| GH (kg) = | Totaal gewicht hinterballast | ** | |
| GV (kg) = | Totaal gewicht frontbevestiging / voor-ballast | ** | |
| a (m) = | Afstandussen zwaartepunt voorste bevestiging (voorballast) en midden vooras, max. = 0,86 m | ** | |
| b (m) = | Welbasis van het voertuig | *** | |
| c (m) = | Afstandussen het midden van de ach-teras en het zwaartepunt van de ach-terballast | *** | |
- zie hoofdstuk "Technische gegevens" ** zie gebruiksaanwijzing van het hulpstukbijlage *** afmeten
8.3.1 Berekening van de minimale ballast van de城县ertkant voor front-aanbouwapparaten
Waarde 'x' zie informatatie van de fabrikant, indien nicht gespecifieerd, x = 0.45 .
$$ G _ {H \min } = \frac {G _ {V} \times a - T _ {H} \times b + x \times T _ {L} \times b}{b + c} $$
- Voer het resultaat in de tabel in.
8.3.2 Berekening van de daadwerkelijk voorasbelasting
$$ T _ {V t a t} = \frac {G _ {V} \times (a + b) + T _ {V} \times b - G _ {H} \times C}{b} $$
- Wordt met het frontaanbouwapparaat (GV) de vereiste minimum frontballast (GV min) Niet bereikt, moet het gewicht van het frontaanbouwapparaat tot het gewicht van de minimum frontballast worden verhoogd.
- De feitelijk berekende Voorasbelasting en de toegestane voorasbelasting zoals aangegeven in de bedienings-instructies van het voertuig in de tabel invoeren.
8.3.3 Berekening van het werkelijkte totale gewicht
$$ G _ {t a t} = G _ {V} + T _ {L} + G _ {H} $$
- Wordt met het achteraanbouwapparaat (GH) de vereiste minimumballast achteraan (GH min) Niet bereikt, moet het gewicht van het achteraanbouwapparaat tot
het gewicht van de minimumballast achteraan worden verhoogd.
8.3.4 Berekening van de daadwerkelijkke achterasbelasting
$$ T _ {H t a t} = G _ {t a t} - T _ {V t a t} $$
- Resultaat in de tabel noteren.
9 Transport
9.1 Voertuig verladen
GEVAAR
Gevaar voor letsel door verkeerd transport
Houd rekening met het gewicht van het voertuig.
Rijd het voertuig langzaam en voorzichtig op het transportvoertuig.
LET OP
Beschadiging van het voertuig
Verlaad het voertuig Niet met een kraan.
Gebruik geen vorkheftetruck.
- Voertuig met lage snelheid op het transportvoertuig rijden.
Instructie
Als het voertuig Niet kan rijden, die hoofdstuk 9.3 Voertuig weg slepen.
9.1.1 Voertuig borgen
WAARSCHUWING
Gevaar voor ongevallen
Beveilig het voertuig voor het transport gegen verschuiven.
- Voertuig parkeren en gegen wegrollen beveiligigen, bijv. door geactiveerde parkeerrem (rijrichtingschakelaar in NEUTRAAL - middelste stand)
- Voertuig met een sjorsysteme welbeveiliging volgens toepasbare richtlijnen aan de wielen borgen.
9.2 Transportbeveiliging aanbrengen
De transportbeveiliging worden met behulp van de kruisgordels en de standard spanbanden op de 4 banden van het voertuig aangebracht.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar
Plaats de riemen zoicht möglichk op het midden van het wie1.
Zorg er.daar bij voor dat u geen kabels aanraakt of beknet.

①Kruisgordels (4x)
② Standaard veiligheidsgordels (4x)
1. Voertuig op de 4 wielen bevestigen, zoals afgebeeld.
9.2.1 De standarde verilgheidsgordel op het voorwiel aanbrengen

①Voorwiel
② Standaard veiligheidsgordel aanbrengen
- De veiligheidsgordel zoals afgebeeld op het voorwielplaatsen.
- Aan de buitenkant van het wiel de kruisgordel op de standaard veiligheidsgordel bevestigen.
9.2.2 Standaard verilgheidsgordel op het anschterwiel aanbrengen

① Achterwiel
② Standaard veiligheidsgordel aanbrengen
- De veiligheidsgordel zoals aufgebeeld op het awhileplaatsen.
- Aan de buitenkant van het wiel de kruisgordel op de standaard veiligheidsgordel bevestigen.
9.2.3 Voertuig vastsjorren

- De veiligheidsgordels in de bevestigingsogen hangen en het voertuig vastsjorren.
a Voor het vastsjorren controleren of de riemen op het wiei correct zijn geplaatst.
9.3 Voertuig wegstepen
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar door ondeskundig weg slepen
Sleep het voertuig alleen in kruipsnelheid weg, en alleen tot waar het voertuig uit de gezavenzone van stromend verkeer is. Daarna het voertuig inladen.
Vertrek langzaam en zonder schokken.
Bevestig de sleepkabel of de sleepstang alleen aan de trekhaak om te slepen.
Controleer of besturing en rem fonctioneren (alleen bij draaiende motor).
Als de motor beschadigd is, parkeerrem loszetten om te laden.
LET OP
Voertuig nicht weg slepen als motor, besturing of rem defect zich.

①Sleepinrichting
② Opname voor sleepinrichting.
③ Bout met veerstekker
- Sleepinrichting aan de opname bevestigen. Met bout en veerstekker borgen.
- Sleepkabel of sleepstang aan de sleepinrichting bevestigen.
- Bij motorschade de parkeerrem om te laden loszetten,
zie hoofdstuk 'Parkeerrem loszetten'. - Voertuiguit de gevarenzone slepen en cervolgens la den.
10 Verzorging en onderhoud
10.1 Algemene instructies
△GEVAAR
Gevaar voor beknelling
Wanneer u onder gehevenaanbouwapparatuur werkt, beveiligt u de aanbouwapparatuur alkijd mechanisch (onderbouwen).
- Vooraleer u het voertuig reinigt en onderhoudt, onderdelen verrangt of op een andere functie omstelt, schakelt u de motor uit en trekt u de contactsleutel eruit.
- Controller voor loskoppelen van de accu of uw radio met een radiocode is beveiligd.
- Klem voör werkzaamheden aan de elektrische installatione de accu af.
- Reparaties mogen alleen door erkende klantenservices of door experts op dit gebied worden uitgevoerd en die met alle relevante veriligheidsvoorschriften vertrouwd zichn.
- Alle laswerkzaamheden aan het voertuig of aan de aanbouwapparaten zijn alleen toegestaan door geaurisi-seerde Kärcher-klantenservice.
10.2 Onderhouds- en reinigingswerkzaamheden voorbereiden
- Voertuig op een effen ondergrond plaatsen.
- Voertuig gegen het weglen beveiligden.
- Contact uitschakelen en contactsleutel uittrekken.
10.3 Service-indicatie
De service-indicatie gaat branden, als het bijbehorende onderhoud volgens de inspectiechecklist要去 worden uitgevoerd.
Door de bediener/klantuit te voeren.
De service-indicatie knippert op het display:
- Na 50 bedrijfsuren, als de eerste inspectie要去 worden uitgevoerd.
- Daarna volgens de onderhoudsintervallen conform inspectiechecklist.
Instructie
De service-indicatie moet door de klantenservice worden teruggezet.
10.4 Onderhoudsintervallen
Instructie
Om tegemoet te komen aan garantie-eisen moetenijdens de garantieloooptijd alle service- en onderhoudswerkzaamheden door de geauthoriseerde klantenservice conform de inspectiechecklist (ICI) worden uitgevoerd.
- Na wassen van het voertuig alle lagers smeren.
- De intervallen voor inspectie- en onderhoudswerkzaamheden (dagelijks / wekelijks) door de klant / operator staan in het hoofdstuk 'Onderhoudsschema voertuig'.
- Laat de veiligheidscontrole indien nodig door de geautoriseerde klantenservice uitvoeren in overeenstemming met de lokaal geldende voorschriften.
Verdere onderhoudswerkzaamheden要去en worden uitgevoerd door de geauthoriseerde klantenservice in overeenstemming met de inspectiechecklist. Neemijdig contact op met de klantenservice.
10.5 Onderhoudsschema voertuig
| Bouwgroep Handeling Da- | ge-lijks | We-ke-lijks | |
| Waterkoeler Koelribben reinigen X | |||
| Oliekoeler | Koelribben reinigen | X | |
| Koelvloeisto-fexpansievat | Koelvloeistofpeil controleren X | ||
| Mengverhouding water/an-tivriesmittel | Seizoensgebonden of bij hetverversen van de koelvloei-stof controleren | ||
| V-snaar Controler | eren op spanning enslijtage | X | |
| Hydraulische olietank | Hydraulische oliepeil contro-leren (weergave op het dis-play) | X | |
| Hydraulischekoppelingen en aansluitin-gen | Controleren op lekken X | ||
| Hydraulischeslangen | Controleren op werkung en BeschadigingenInstructieZorgervoordat de hydraulische slangen worden verran-gen volgens deinspectiechecklist! | X | |
| Bouwgroep Handeling Da- | ge-lijks | We-ke-lijks | |
| Accupolen | Op oxidatie controlleren, in-dien nodig afborstelen en met poolvet insmeren. Op vast-heid van de verbindingska-bels letten. | X | |
| Motoroliepeil | Controleren | X | |
| Remvloeistof-peil | Controleren | X | |
| Stofffilter van de cabine | Controleren | X | |
| Banden | Toestand en vuldruk controle- ren | X | |
| Ruitensproei-erreservoir | Vulniveau controlleren | X | |
| Accu | Controleren | X | |
| Uitlaatsystem | Visuele controle | X | |
| verlichting | Werkung controlleren | X | |
| Motorluchtfilter | Luchtfilter controlleren/reini-gen of verrangen. | X | |
| Radiatorroos-ter | Reinigen | X | |
| Airconditioning | Controleren en koelribben reinigen | X | |
| Parkeerrem | Op werkung controlleren | X | |
| Pedalen | Op werkung controlleren | X | |
| Bouwgroep | Handeling | Da-ge-lijks | We-ke-lijks |
| Besturing Op werking controlleren X | |||
| Waarschu-wingssticker | Leesbaarheid controlleren, in-dien nodig verwangen | X | |
| Stofkappen en afdekkingen hydraulisch systeme | Controlleren, indien nodig verwangen | X | |
| Schroeferbin-dingen | Controlleren of ze goed vast-zitten, indien nodig vastdraai-en | X | |
| Slangen en slangklemmen | Controlleren X | ||
| Koelvloei-stofslangen | Controlleren X | ||
| Brandstoflei-dingen en aan-sluitingen | Controlleren op lekken X | ||
| Bowdenka-bels en bewe-gende delen | Op soepelheid controlleren X | ||
| Elektrische lei-dingen | Op beschadigingen controle- ren | X | |
| Lagers/smeer-punten | Smeren, zie hoofdstuk "Smeerplan voor het voer-tuig" | X | |
10.6 Smeerschemavoertuig

| Smeerpunt Aantal Interval | ||
| Scharnier van verswaterre-servoir, boven | 1 | Wekelijks |
| Scharnier van verswater-tank, onder | 1 | Wekelijks |
10.7 Onderhoudswerkzaamheden
10.7.1 Ruitensproeierreservoir vullen
Instructie
Fabrikantgegevens over spreoiwatervloeistof en antivriesmiddel in acht nemen. Antivriesmiddel nicht andere antivriesmiddelen vermengen.

①Serviceklep rechts
② Sluiting
③ Ruitensproeierreservoir
- Serviceklep rechts openen.
- Deksel van ruitensproeierreservoir openen.
- Sproeiwatervloeistof bijvullen.
a Bij vorstgevaar spreoiwatervloeistof conform fabrikantgegevens toevoegen.
- Deksel van ruitensproeierreservoir sluiten.
10.7.2Koelvloeistofpeil controlleren en koelvloeistof bijvullen
△VOORZICTIG
Verbrandingsgevaar door hete onderdelen
Als de motor heet is de radiateur en onderdelen van het koelsysteme损坏 aanraken.
△VOORZICTIG
Verwondingsgevaar door onder druk staand koelsysteme
Expansievat voorzichtig openen (2 niveaus).
LET OP
Materielle schade door verkeerde koelvloeistof
Vul koelvloeistof alleen bij een koude motor bij.
De mengverhouding water / antivries moet bij 60:40 tot 50:50 liggen. Dit komt meestal overeen met vorstbescherming van -25 °C tot -40 °C.
De minimale mengverhouding moet 70:30, de de maxima-le mengverhouding moet 40:60 zich. Toevoegen van meer antivriesmiddel (bijv. 30:70) betekent nicht dat het vriespunt kan worden verhoogd.
Het mengsel van de koelvloeistof moet bestaan uit gede- ioniseerd of gedestilleerd water en een koelmiddel volgens de normen ASTM D 3306 Type 1 op basis van monoethy-leenglycol met toevoeging van organische remmers.
Koelmiddel zie hoofdstuk 'Technische gegevens'.

①Serviceklep rechts
②Sluiting
③Expansievat
- Vulpeil bij een koude motor controlleren.
- Serviceklep rechts openen.
- Vulniveau aan het expansievat controeren.
Aanwijzing
Het juiste koelmiddelpeil moetussen MAX en MIN liggen. Bij sterk verlies van koelmiddel, het probleem zoeken en verhelpen.
- Indien nodig koelvloeistof bijvullen.
Koelmiddel bijvullen
- Sluiting van het expansievat om te openen draaien en verwijderen.
- Voeg goedgekeurd koelmiddel toe aan het expansievat tot de bovenste marketing (MAX).
- Sluiting van het expansievatplaatsen en vastdraaien.
- Serviceklep sluiten.
10.7.3Peil hydraulische olie controlen en hydraulische olie bijvullen

Inschroefdeksel met luchtfilter Instructie
Luchtfilter Jaarlieks of elke 1000 bedrijfsuren verrangen
② Hydraulische-olieffilter Instructie
Mag alleen door de klantenservice conform inspectie-checklist (ICL) worden verrangen
3Hydraulische-olieffilter Instructie
Mag alleen door de klantenservice conform inspectie-checklist (ICL) worden verrangen
Tank van het hydraulische system
- Een te laag hydraulische-oliepeil worden weergegeven op het display.
- Indien nodig hydraulische olie bijvullen.
Aanwijzing
Ontbrekende hydraulische olie kan alleen door een spe- ciaal toebehoren worden bijgevuld, dat op de lekkage- koppeling van het voertuig worden aangesloten. Indien nodig, bestel-nr. bij Karcher aanvragen of het bijvullen door de Karcher klantenservice latent uitvoeren. Hydraulische-oliesoorten: zie hoofdstuk 'Technische ge- gevens'.
10.7.4Accu inbouwen /uitbouwen
△GEVAAR
Gevaar voor letsel
Neem de veiligheidsvoorschriften bij de omgang met accu's in acht.
LET OP
Accuverzorging
Controleer of de occupolen en poolklemmen door voldoen- de poolvet beschermd zich.

1Batterij
②Pluspool
③Minuspool
④ Afdekking (niet afgebeeld)
Accu inbouwen
- Accu in de accuholder plaatsen.
- Houder aan de accubodem vastschroeven.
- Poolklem (rode kabel) aan de pluspool (+) aansluiten.
- Poolklem (zwarte kabel) aan de minpool (-) aansluiten.
- Afdekking aanbrengen.
Accuuitbouwen
- Bij uitbouwen van de accu eerst de minpool losmaken.
10.7.5Accu laden
△GEVAAR
Gevaar voor letsel!
Batterij alleen met een geschikt oplaadapparaat opladen. Veiligheidsvoorschriften bij de omgang met accu's in acht nemen.
Gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het oplaadapparaat in acht nemen.
- Minpool van de accu affklemmen.
- Oplaadapparaat op accu aansluten.
- Netstekker aansluten en oplaadapparaat inschakelen.
- Accu met de zo Klein möglichke laadstroom laden.
- Na het laden het oplaadapparaat eerst van het net en dan pas van de accu scheiden (minpool eerst).
- Accu weeer vastklemmen.
10.7.6Luchtfilter reinigen en verrangen
De verwuiligingsgraad van het luchtfilter worden aangegeven met een indicatie. Vanaf een bepaalde filterbelasting gaat het waarschuwingslampje branden (geen stijgende individie Zoals bij de temperatuur of DPF).
LETOP
Beschadigingsgevaar voor de motor
De verbrandingsmotor要去 worden uitgeschakeld om het luchtfilter te verwijderen en wonneer het luchtfilter is verwijderd.
Let bij het reinigen van het luchtfilter erop dat er geen vreeemde voorwerpen in de aanzuigbuis komen.

① Onderhoudsklep links
Luchtfilter
- Onderhoudsklep links openen.

①Vergrendelingshaak (4x)
②Deksel
③Veiligheidsfilter
Filterinzetstuk
⑤Schroef
⑥ Voorafscheider
7Indicatie luchtfiltervervuiling
-
Vergrendelingshaak op de luchtfilterbehuzing openen.
-
Deksel luchtfilterbehuzing verwijderen.
-
De schroef openen en de Voorafscheider verwijderen.
-
De Voorafscheider met perslucht of waterstraal reinigen.
-
Het filtrilege en het veiligheidsfilter verwijderen
-
Beide filters uittkloppen en met maar buiten gerichte persluchtstraal reinigen, eventueel verrangen of volgens onderhoudsplan.
-
Binnenkant van de ventilatorbehuizing reinigen.
-
Controlleren of het afdichtingsvlak en de zuigkanalen schoon en Niet beschadigd়n.
-
Alle gereinigde filters terugplaatsen.
10.7.7Wiel verwisselen
△GEVAAR
Levensgevaar door verkeersstroom
Breng voor reparatiewerkzaamheden het voertuig uit de gezenvarenzone van het doorgaande verkeer.
Schakel het alarmlicht in.
Zet een waarschuwingsdriehoek neer.
Draag waarschuwingskleding.
WAARSCHUWING
Letselgevaar door dalend voertuig
Niet gaan staan onder een voertuig dat alleen met een krik worden opgetild.
△VOORZICTIG
Gevaar voor ongevallen
Zorg ervoor dat de ondergrond effen en stevig is. Eventu-eel, grote, stabiele onderlegger voor de kruk gebruiken.
LET OP
Voer de welverwisseling alleen uit als u met de nodige handelingen van de welverwisseling bent vertrouwd. Anders dient u een beroep te doen op een vakman.
Gebruik alleen geschikt en onbeschadigd gereedschap voor de welverwisseling.
Gebruik een geschiktte, commerciale krik met een hefvermogen van minimaal 5000kg

① Wiel
② Wielboute met onderlegringen
1. Voertuig op een effen oppervlak met stevige ondergrond plaatsen.
2. Contactsleutel uittrekken.
3. Voertuig gegen wegrollen (bijv. Met weltblokken) beveiligen.
4. Wielbouten met geschickt gereedschap ca. 1 omwente-ling losdraaien.

- Krik op het opnamepunt voor de krikplaatsen en dan pas het voertuig heffen.
- Voertuig aanvullend veilig ondersteunen.
- Wielbouten losdraaien.
- Wiel verwijderen.
- Verontreinigde weltbauten reinigen.
- Nieuw vielplaatsen en alle wellobouten met onderlegringen er—helemaal inschroeven, nog Niet met het vollemoment vastdraaien.
- De weltboutein de aangegeven volgorde (A - E) staps-gewijs aandraaien.
12.Voertuig met krik neerlaten.
13.Afsluitend de weltbouten in de aangegeven volgorde met een storingsvrij werkende momentsleutel met 330 Nm aandraaien.
14.Na 50 - 100 km weltbouteen nadraaien.
10.7.8Motoroliepeil controleren / bijvullen
△VOORZICHTIG
Gevaar voor verbranding
Raak geen hete oppervlakken, zoals uitlaat, SCR-cat, motor- of aandrijvingsdelen aan.

①Olievulopening
② Oliepeilstok
- Motoroliepeil alleen controlleren, als voertuig effen staat.
- Breng de motor op bedrijfstemperatuur (70 - 80^)
- Motor uitschakelen en enkele minuten wachten zodate alle olie in de bak kan stromen.
- Vergrendeling van het verswaters reservoir links (motorkap) met een vierkante sleutel openen.
- Verswatertank opzij zwenken.
- Oliepeil met de oliepeilstok aflezen.
Als het oliepeil onder de onderste markering (MIN) ligt, motorolie inkleine stappen (100 - 200ml) bijvullen tot het juiste oliepeil is bereikt.
Gebruekte oliesoort, zie hoofdstuk 'Technische gevevens'.
10.7.9Motorolie / motoroliefilter verrangen
LET OP
Verversen van motorolie en verrangen van motoroliefilter mag alleen worden uitgevoerd door de geauthoriserde klantenservice.
Na elke olieverversing moet de functie (berekening van de olieverdunning) worden geses met een diagnose-instrument.
10.7.10Remvloeistofpeil in het reservoir controleren

①Remvloeistofreservoir
②Sluiting/vulopening
- Regelmatig het remvloeistofpeil in het reservoir contro- leren.
- Het vloeistof niveau moet tussen de "MIN"- en MAX"- markering liggen.
- Als het remvloeistofpeil in het reservoir onder MIN daalt, gaat het controleampje branden.
a De remvloeistof tot MAX bijvullen.
b Als het controleampje na korteijd waar gaat branden, het remsysteme door een bevoegde klantenservice op lekkage lately controlleder.
c De machine veilig afzetten.
- De remvloeistof mag alleen worden verrangen door de bevoegde klantenservice volgens de inspectiechecklist (ICL).
10.7.11Waterafscheider legend
VOORZICTIG
Gevaar voor verbranding
Raak geen hete oppervlakken, zoals uitaat, SCR-cat, motor- of aandrijvingsdelen aan.
Als de indicateie 'Water in brandstof' gaat branden, als volgt te werk gaan.

Waterafscheider met filter
Sensor
- Contact uitschakelen en contactsleutel uittrekken.
- Motor voldoende lately afkoelen.
- Reservoir met voldoende capaciteit klaarzetten.
- Sensor op de waterafscheider losschroeven.
- Brandstof aftappen tot geen water meer voorhanden is.
Zorg ervoor dat Niet alle brandstof uit het filter in de waterafscheider loopt, anders moet het brandstofffilter wor-
den verwijderd, opnieuw worden gezuld en moet het systeme worden ontlucht.
De volgende beschrijving is alleen van toepassing als de motor Niet functioneert en er geen hydraulische druk beschikbaar is (bijv. voor slepen of laden).
△GEVAAR
Verbrandingsgevaar door hete oppervlakken
Laat het voertuig afkoelen voordat u eraan werkt.
LET OP
Gevaar voor ongevallen door wegrollen
Zet de parkeerrem pas los als het voertuig gegen wegrollen is beveiligid.


Afbeelding: Noodbediening in positie A
Afbeelding: Noodbediening in positie B
① Schroef met stergreep
②Dieselroetfilter
③Hulst
- Vergrendeling van het linker zijpaneel met een vierkant-sleutel openen.
- Zijpaneel maar buiten zwenken.
- De stergreep helemaal gegen de klok in eruit draaien. De hoes verwijderen.
- De stergreep met de klok mee draaien om zo de hydraulische druk op te bouwen om de parkeerrem vrij te geven om de parkeerrem te losesen.
- Na het slepen: Stergreep helemaal losschroeven, hulser weer opplaatsen en de stergreep vastdraaien.
10.8 Reinigen
10.8.1Voertuig reinigen
Voertuig dagelijks na einde van het werk reinigen.
△VOORZICTIG
Beschadigingsgevaar door verkeerde reiniging
Neem de respectieve veiligheidsvoorschriften in acheit, als u het voertuig met een hogedrukreiniger reinigt.
Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen.
Om het luchtfilter te beschermen, het voertuig alleen wassen als de motor isuitgeschakeld.
- Ter vermijding van brandgevaar: Voertuig op olie- en brandstoflekkage controleren. Lekkage door de klantenservice lately verhelpen.
- Ter vermijding van brandgevaar: Plantresten en olie van motor, uitlauf an accu verwijderen.
- Motor indien nodig met een borstel, perslucht of lage waterdruk reinigen.
- Vuilvangers / weltkasten van de wielen reinigen.
10.8.2Koeler reinigen
LET OP
Letselgevaar door scherpe randen
Gebruik beschermende handschoenen voor de reiniging.

①Vergrendeling
②Zijbekleding rechts
③Condensatorairco
4Combikoeler
-
Laadlucht, water- en hydraulische oliekoeler
-
Vergrendeling van de zijbekleding met vierkante sleutel losmaken.
- Bekleding maar buiten kantelen, een veiligheidstouw houdt deze op+zijn plaat.
- Grof vuil handmatig van de koeler verwijderen.
- Met een zachte borstel of bezem met perslucht (max. 5 bar) of geringe waterdruk reinigen.
10.9 Zekeringen
10.9.1Zekeringen in de bestuurderscabine
De zekeringen in de bestuurderscabine bevinden zich op dechterwand van de cabine in het midden anschter een afdekking.


①Afdekking
② Sluitingen
③Zekeringen
4Diagnosestekker
- Rugleuning van de passagiersstoel maar voren kanten.
- Sluitingen van de afdekking openen, afdekking kantelen en waar boven toe verwijderen.
- Defecte zekeringen verrangen.
Alleen zekeringen metdezelfde amperewaarde gebruiken.
10.9.2Zekeringen van het voertuig
De volgende zekeringen bevinden zich op het voertuigincer de zijbekledingincer een afdekking.

2

3
①Zijbekleding rechts
② Afdekking
③Zekeringen
- Vergrendeling van de bijbekleding met vierkante sleutel losmaken.
- Bekleding maar buiten kantelen, een veiligheidstouw houdt deze op+zijn plaat.
- Sluiting van de afdekking openen, afdekking verwijderen.
- Defecte zekeringen verrangen.
Alleen zekeringen metdezelfde amperewaarde gebruiken.
11 Opslag
WAARSCHUWING
Gevaar voor letsel en beschadiging
Neem het gewicht van het apparatus in acht.
-
Voertuig op een beschemde, effen en droge plaats parkeren.
-
Bij vorstgevaar controleren of er voldoende antivirusismiddel in de koelvloeistof voorhanden is.
- Voertuig van binnen en van buiten reinigen.
Bij bewaring langer dan een maand:
- Voertuig opkrikken (vrij draaiende wielen).
- Accu loskoppelen, elke 2 maanden opladen.
- Bij opnieuw in bedrijf stellen na langdurige opslag eventueel onderhoud volgens schema lately uitvoeren.
12 Hulp bij storingen
Kleinere storingenkestumetbehulpvan het volgende overzichtsclfverhelpen.
Neem bij twijfel contact op met de geautoriseerde klantenservice.
△GEVAAR
Gevaar voor elektrische schokken
Schakel voor alle onderhoudswerkzaamheden het voertuig uit en trek de sleutel eruit.
Reparatiewerkzaamheden en werkzaamheden aan elektrische componenten mogen alleen door de geauthoriserde klantenservice worden uitgevoerd.
12.1 Storingen op het voertuig
| Fout Oplossing | |
| Voertuig kan nicht worden gestart | Accu controlleren/laden. Op de bestuurdersplaats plaats nemen (stoelcontactschakelaar worden geactiveerd). Rijrichtingshendel in stand NEUTRAAL - middelste stand. Brandstof tanken, brandstoffsysteme omtluchten. Brandstofffilter controlleren, reinigen en/of verrangen. Brandstofaansluitingen en leidingen controlleren. Geauthoriseerde klantenservice op de hoogte brengen. |
| Motor loopt onregelmatig | Luchtfilter reinigen/ervangen. Brandstofffilter controlleren, reinigen en/of verrangen. Brandstof tanken, brandstoffsysteme omtluchten. Brandstoffaansluitingen en leidingen controlleren. Geauthoriseerde klantenservice op de hoogte brengen. |
| Motor draait, maar voer-tuig beweegt nicht of slechts langzaam | Vulniveau in de hydraulische olietank controlleren. Bij viestemperaturen en koude hydraulische olie: Voertuig minstens 3 minutes warm la-ten draaien. |
12.2 Verhelpen van storingen bij symboolweergaven
| Fout Oorzaak Oplossing | ||
| CHECK | Het motorcontrolelampje (MIL) gaat branden als het contact worden ingeschakeld om de werkking te contrôle- ren. Het lampje stelt de bestuurd er op de hoogte van een storing in een emissie- of veiligheidsgerelateerd component. Bij actieve storingen brandt de MIL- lamp permanent. | Als de storing Niet更是actief is, wordt de lamp na 3 rijcyclicuitgeschakeld Bij DEF-storingen gaat de lamp al na 1 rijcylclusuit na het bijvullen van de reactievloeistof (DEF)1 rijcylclus = a Contact inschakelenb Motor starten en minstens 5 seconden latentdraaiencMotor uitschakelen en wachten op de afterrun(ca. 30 seconden) |
| Motorstoring in het uitlaatgasbehandelingsystem Geeft aan dat de uitlaatgasbehande- ling is gestoord. | De storing verhelpen om het voertuig weevelleg functioneel te krijgen, dit voorkomt schadeaan de motor en het voertuig Het vulniveau in het DEF-reservoir controerenMinimale bedrijfsduur van de motor na het bijvuIen is 20 minutes. Daarna gaat het waarschu-wingslampjeuit. | |
| Regeneratie vereist. | Regeneratie uitvoeren (zie hoofdstuk "Regeneratie"). | |
| Regeneratie heeft fouten (NOx controle-eenheid). | Met klantenservice contact opnemen. | |
| Motoroliedruk te hoog. | Met klantenservice contact opnemen. | |
| Fout in de aandrijving. | ● Met klantenservice contact opnemen. | |
| Parkeerrem actief. ● Parkeerrem loszetten. | ||
| Brandstofpeil laag. ● Brandstof bijvullen. | ● Brandstofsystem ontluchten, als de tank leeg is | |
| Koelmiddeltemperatuur te hoog. ● Motor afzetten. | ● Koeler reinigen (zie hoofdstuk "Koeler reinigen"). ● Stand van de koelvloeistof in de motor controle-ren, indien nodig bijvullen. ● Als het waarschuwingslampje nicht binnen 5 minu-ten uitgaat: a Motor afzetten b Klantenservice raadplegen | |
| Temperatuur hydraulische olie te hoog. | ● Motor met standgas gebruiken tot het waarschu-wingslampje uitgaat. | |
| Peil hydraulische olie te laag. | ● Hydraulische olie bijvullen. | |
| Temperatuur hydraulische olie te laag. | ● Motor voorzichtig warmdraaien tot het waarschu-wingslampje uitgaat. | |
| Storing hydraulische olie filter | ● Filter verwuid of olie te viskeus (dikvloeibaar) ● Hydraulische olie tot min. 40 °C verwarmen door het voertuig te latent draaien. Als de storing nog steeds actief is: Contact opnemen met de service. | |
| Service vereist. | ● Service door klantenservice lately uitvoeren. a De serviceweergave要去 door de klantenser-vice worden terugpezet. |
| Gegevens capacititeit apparaat | ||
| Rijnsnelheid km/h 20, 25, 30, 40, 50, 60 | ||
| Afhankelijk van de variant en de landspecifieke vereisten kan de snelheid worden beperkt. De beperking worden bveiligd aan de hand van software. | ||
| Rijnsnelheid, anscheruit km/h 20 | ||
| Werksnelheid km/h 20 | ||
| Werksnelheid (max.) km/h 40 / winter | ||
| Klimvermogen (max.) % 25 | ||
| Draaicirkel m 2,06 (Dwi) | ||
| Elektrische installment/accu | ||
| Accutype - onderhoudsvrij | ||
| Accuspanning V 12 | ||
| Accucapaciteit | Ah | 105 |
| Afmetingen en gewichten | ||
| Lente | mm | 4.248 +/- 30 |
| Breedte | mm | 1.300 |
| Hoogte | mm | 1.990 +10/-20 |
| Leeggewicht (transportgewicht) | kg | 2500-2800 (afhankelijk van de uitrusting als tractor) |
| Toegestaan totaal gewicht | kg | 6000 |
| Max. toegestane asbelasting voor | kg | 2700 |
| Max. toegestane asbelasting.akter | kg | 3300 |
| Stunlast aanhangerkoppeling | kg | 300 |
| Aanhangerlast, geremd | kg | 3000 |
| Aanhanglast, ongeremd | kg | 750 |
| Toegestaan totaal gewicht combinatie, geremd | kg | 9000 |
| Toegestane totaal gewicht combinatie, ongeremd | kg | 6750 |
| Bedrijsstoffen | ||
| Brandstoffype | Diesel (volgens de specificaties van DIN EN 590) BIODIESEL kan worden tegevoegt tot een aandeel van 7% (volgens de specificaties van UNI EN 14214) | |
| Inhoud brandstoftank | 70 | |
| Type motorolie | Shell Rimula R6 LM (ACEA E6 - SAE 10W-40) | |
| Hoeveelheid motorolie | I | 13,2 |
| Soort koelmiddel | Glysantin G 40 (ASTM D 3306) | |
| Hoeveelheid koelmiddel | I | 14 |
| Soort hydraulische olie | Renol B HV 46 (ISO 11158) | |
| Hoeveelheid hydraulische olie | I | 55 |
| Smeervet | EP lithiumzeep (NLGI 2) Neem de smeerpuntsymbolen op het apparaat in alot | |
Technische wijzigingen voorbehonden.
| Motortype VM R754EU6C | (Euro 6) VM R754ISE5 (fase V) | ||
| Type Viercilinder 4-takt dieselmotor | DPF- en SCR-systeem | Viercilinder 4-takt dieselmotor DPF-systeem | |
| Koeltype Waterkoeling Waterkoeling | |||
| Cilinderinhoud cm | 3 | 2970 2970 | |
| Motorrendement kW/PS 75 / 102 54,5 / 74 | |||
| Mortoroerental 1/min 2300 | 2300 | ||
| Geluid bij bestuurdersoor volgens Verordening (EU) 1322/2014, app. XIII | dB(A) 73 (gesloten) | 79 (open) | 73 (gesloten) 79 (open) |
| Trillingswaarde, gehele lia-chaam, conform VO (EU) 1322/2014, bijl. XIV | m/s2 | 1 Zitting Grammer MSG75GL / 522: - 1,22 (lichte bestuurder) - 1,01 (zware bestuurder) 2 Zitting Cobo SC47M-M200: - 1,15 (lichte bestuurder) - 0,91 (zware bestuurder) 3 Zitting König K210MVGL-P350-W2: - 1,16 (lichte bestuurder) - 1,03 (zware bestuurder) | 1 Zitting Grammer MSG75GL / 522: - 1,22 (lichte bestuurder) - 1,01 (zware bestuurder) 2 Zitting Cobo SC47M-M200: - 1,15 (lichte bestuurder) - 0,91 (zware bestuurder) 3 Zitting König K210MVGL-P350-W?: - 1,16 (lichte bestuurder) - 1,03 (zware bestuurder) |