STIGA Tornado 5108 HW - Grasmaaier

Tornado 5108 HW - Grasmaaier STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Tornado 5108 HW STIGA in PDF-formaat.

📄 112 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice STIGA Tornado 5108 HW - page 92
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE Italiano IT Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : STIGA

Model : Tornado 5108 HW

Categorie : Grasmaaier

Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Tornado 5108 HW - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Tornado 5108 HW van het merk STIGA.

GEBRUIKSAANWIJZING Tornado 5108 HW STIGA

NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing 

[15]   Hydrostatische aandrijving (Indicatieve) voortbewegingssnelheid bij 3000 min

LET OP: VOORALEER DE MACHINE TE GEBRUIKEN, DIENT MEN DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG TE LEZEN. Bewaren voor toekomstige behoeften Voor de motor en de batterij wordt verwe- zen naar de relatieve handleidingen. INHOUDSOPGAVE 1.   VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN  ............. 1

In de tekst van de handleiding worden enkele  paragrafen, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de  werking, gekenmerkt door diverse symbolen die  de volgende betekenis hebben: OPMERKING of BELANGRIJK Verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de machine beschadigd wordt of er schade veroorzaakt wordt. LET OP! Gevaar van persoonlijk letsel of letsel aan anderen in geval van niet in- achtneming. GEVAAR! Kans op ernstig persoonlijk letsel of ernstig letsel aan anderen met ge- vaar voor dodelijke ongelukken, in geval van niet inachtneming. In de handleiding zijn verschillende versies van de machine beschreven, die hoofdzakelijk de  volgende verschillen kunnen vertonen: –   type aandrijving: met mechanische versnel- ling of met continue hydrostatische regeling  van de snelheid. De modellen met hydrosta- tische overbrenging kunnen herkend worden  aan het opschrift “HYDRO” geplaatst op het  identicatie-etiket (zie 2.2); –   de aanwezigheid van componenten of on- derdelen die niet altijd voorradig zijn in de verschillende regio’s; – speciale uitrustingen. Het symbool “   ” geeft elk verschil aan met  betrekking tot het gebruik, gevolgd door de  indicatie van de versie waar het betrekking op  heeft. OPMERKING De aanwijzingen “voor”, “ach- ter”, “rechts” en “links” hebben betrekking op de zitpositie van de gebruiker. (Afb. 1.1) BELANGRIJK Voor alle gebruiks- en onder- houdswerkzaamheden met betrekking tot de mo- tor en de accu die niet beschreven zijn in deze handleiding, dienen de specifieke handleidingen, die een aanvullend deel op de geleverde docu- mentatie zijn, te worden geraadpleegd.

1. VEILIGHEIDSNORMEN die strikt

moeten opgevolgd worden A) VOORBEREIDING 1) LET OP! Lees deze aanwijzingen aandachtig  alvorens de machine te gebruiken. Zorg dat u  vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen  en in staat bent de machine op de juiste wijze  te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten.  Het niet in acht nemen van de voorschriften  en instructies kan brand en/of ernstige letsels  veroorzaken.  Bewaar alle waarschuwingen  en instructies om ze in de toekomst te kunnen  raadplegen. 2) Laat nooit toe dat de machine gebruikt wordt  door kinderen of door personen die niet ver- trouwd zijn met deze aanwijzingen. De minimale  leeftijd van de gebruiker kan landelijk geregle- menteerd zijn. 3) Gebruik de machine nooit als er personen,  met name kinderen, of dieren in de buurt zijn 4) Gebruik de machine nooit indien de gebruiker  vermoeid of onwel is, of indien hij geneesmidde- len, drugs, alcohol of andere stoen ingenomen  heeft die negatieve invloed kunnen hebben zijn  voor zijn reactievermogen en aandacht. 5) Denk eraan dat de persoon die de machine2 bedient of de gebruiker aansprakelijk is voor  ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overko- men. Het valt onder de verantwoordelijkheid van  de gebruiker om de risico’s, die het terrein waar  hij op moet werken met zich mee kan brengen,  te beoordelen en om alle nodige voorzorgs- maatregelen te treen met het oog op zijn eigen  veiligheid en die van anderen, met name op hel- lingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen. 6) Indien men de machine aan derden wil geven  of lenen, moet men zich ervan verzekeren dat  de gebruiker de gebruiksaanwijzingen in dit  handboek doorneemt. 7) Vervoer geen kinderen of andere passagiers  op de machine, aangezien deze zouden kunnen  vallen en zware letsels kunnen opdoen en een  veilig rijgedrag in het gedrang brengen. 8) De bestuurder van de machine moet nauwge- zet de instructies voor het rijden in acht nemen  en met name: –   Zich niet laten aeiden en de nodige concen- tratie behouden tijdens het werk; –   Eraan denken dat een machine die van een  helling afglijdt niet gestopt kan worden door  de rem te gebruiken. De voornaamste oorza- ken waardoor de macht over het stuur kwijt  geraakt kan worden zijn:     •   Onvoldoende grip van de wielen;     •   Overdreven snelheid;     •   Niet passende remming;     •   De machine is niet geschikt voor het doel  waarvoor zij gebruikt wordt;     •   Gebrek aan kennis van de gevolgen die de  toestand waarin het terrein zich bevindt kan  hebben en hellingen in het bijzonder;     •   Onjuist gebruik als trekvoertuig. 9) De machine is voorzien van een reeks mi- croschakelaars en veiligheidsinrichtingen die  nooit gewijzigd of verwijderd mogen worden,  op strae van het verval van de garantie en de  afwijzing van alle aansprakelijkheid vanwege de  fabrikant. Vooraleer de machine te gebruiken,  dient men steeds na te gaan of de veiligheidsin- richtingen werkzaam zijn. 

1) Gebruik tijdens het gebruik van de machine  steeds stevige antislip-werkschoenen en een  lange broek. Bedien de machine niet met blote  voeten of met open sandalen. Draag geen ket- tingen, armbanden, kledij met loshangende  delen, of met veters of dassen. Lang haar moet  zorgvuldig bijeengebonden worden. Draag altijd  gehoorbescherming. 2) Controleer grondig de hele werkzone en ver- wijder alles wat van de machine weg zou kun- nen springen of de snijgroep en de motor zou  kunnen beschadigen (keien, takken, ijzerdraad,  beenderen, enz.) 3) LET OP: GEVAAR! Benzine is bijzonder  brandbaar. –   Bewaar de brandstof in speciale reservoirs; –   Vul de brandstof, met een trechter, alleen bui- ten en rook niet tijdens deze werkzaamheden  en wanneer u met de brandstof bezig bent; –   Giet de brandstof in de tank vóórdat u de mo- tor aanzet: als de motor aanstaat of warm is  mag u geen benzine toevoegen of de dop van  de benzinetank afdraaien; –   Als u benzine gemorst hebt mag u de motor  niet starten maar dient u de machine uit de  buurt van de plek waar u de benzine gemorst  hebt te brengen en voorkomen dat er brand  ontstaat. U dient te wachten totdat de brand- stof verdampt is en de benzinedampen opge- lost zijn: –   Draai de dop altijd weer goed op de tank van  de machine en het benzinereservoir.  4) Vervang de geluiddempers als deze defect  zijn 5) Ga vóór het gebruik over op een algemene  controle van de machine, en in het bijzonder: het uitzicht van de snij-inrichting, en controleer of de schroeven en de snijgroep niet versleten of beschadigd zijn. Vervang de snij-inrichtingen en de beschadigde of versleten schroeven en bloc om ervoor te zorgen dat het maaidek in  balans blijft. Eventuele herstellingen moeten  nabij een gespecialiseerd centrum uitgevoerd  worden. 6) Controleer regelmatig de staat van de batterij,  Vervang ze in geval van beschadigingen aan het omhulsel, aan het deksel of aan de klemmen. 7) Vooraleer het werk aan te vangen, dient men  steeds de beschermingen op de uitgang te  monteren (opvangzak, zijdelingse aaatbeveili- ging of achterste aaatbeveiliging).

C) TIJDENS HET GEBRUIK

1) Start de motor niet in gesloten ruimten waar  zich gevaarlijke koolstofmonoxide kan ontwik- kelen. Het starten dient altijd in de open lucht of  in een goed geventileerde ruimte te gebeuren.  Onthoud steeds dat de aaatgassen giftig zijn.  2) Werk enkel bij daglicht of met een goede  kunstmatige verlichting en bij goede zichtbaar- heid. Verwijder personen, kinderen en dieren uit  de werkzone. 3) Vermijd, indien mogelijk, op nat gras te wer- ken. Vermijd te werken in de regen en bij risico  op onweer. Gebruik de machine nooit bij slechte  weersomstandigheden, en zeker niet bij kans  op bliksem. 4) Alvorens de motor op te starten, dient men de  snij-inrichting of de krachtafnemer te ontkoppe- len en de aandrijving vrij te zetten. 5) Let bijzonder goed op bij het benaderen van3 hindernissen die de zichtbaarheid kunnen be- perken. 6) Schakel de handrem in wanneer de machine  geparkeerd wordt. 7) De machine mag nooit gebruikt worden op  hellingen van meer dan 10° (17%), onafgezien  van de looprichting. 8) Denk eraan dat er geen “veilige” hellingen  bestaan. Let bijzonder goed op bij hellingen. Om omkantelen of verlies van controle over de  machine te vermijden, raadt men aan: –   Niet plotseling te stoppen of weg te rijden bij  het op- of afrijden van een helling; –   De koppeling altijd langzaam in te schakelen  en altijd de versnelling ingeschakeld te hou- den, vooral bij het afrijden van een helling; –   De snelheid op hellingen en in smalle bochten  laag te houden; – Goed op bobbels, goten en verborgen geva- ren te letten; –   Het gazon in geen geval te maaien in de  dwarsrichting ten opzichte van de helling.  Maai een hellend gazon altijd van boven naar beneden en nooit in de dwarsrichting. Pas erg  goed op bij het veranderen van richting en let erop niet op obstakels te stuiten (bijv. stenen,  takken, wortels, enz.). Deze obstakels kunnen  het zijwaarts glijden en het omkiepen van de  machine veroorzaken of de macht over het  stuur doen verliezen. 9) Vertraag de snelheid op hellingen alvorens  van richting te veranderen. Op een helling dient de handrem altijd te worden ingeschakeld al- vorens de machine te verlaten en onbeheerd  achter te laten. 10) Wees zeer voorzichtig nabij ravijnen, grach- ten of dijken. De machine kan omkantelen  indien een wiel over de rand gaat of indien de  rand inzakt.  11) Let zeer goed op bij het achteruit rijden en  werken. Kijk achteruit voor en na het achteruit  rijden om u ervan te verzekeren dat er geen hin- dernissen zijn. 12) Let op bij het trekken van lasten of zware  gereedschappen: –   Gebruik voor de trekstangen alleen de goed- gekeurde bevestigingspunten; –   Leg alleen gemakkelijk controleerbare lasten  op; –   Neem geen scherpe bochten. Let op bij het  achteruit rijden; –   Gebruik tegengewichten of gewichten op de  wielen wanneer dit wordt aangeraden in de  gebruiksaanwijzing. 13) Schakel de snij-inrichting of de krachtaf- nemer uit bij het oversteken van zones zonder  gras, bij het verplaatsen van of naar de zone die gemaaid moet worden en breng de snijgroep  omhoog. 14) Let goed op het verkeer, wanneer de ma- chine dicht bij de straat gebruikt wordt. 15) LET OP! De machine is niet goedgekeurd  om op de openbare weg te rijden. Ze mag (vol- gens het Wegverkeersregelement) uitsluitend  gebruikt worden op privé-terrein dat voor ver- keer gesloten is. 16) Gebruik de machine niet indien de be- schermingen beschadigd zijn, of zonder de op- vangzak, zonder de zijdelingse of de achterste  aaatbeveiliging. 17) Breng uw handen en voeten nooit nabij of  onder de draaiende delen. Blijf steeds op af- stand van de aaatopening. 18) De machine niet in hoog gras laten staan  met een draaiende motor, teneinde geen risico  op brand te veroorzaken. 19) De aaat nooit op personen richten wanneer  de toebehoren gebruikt worden. 20) Gebruik enkel toebehoren die goedgekeurd  werden door de fabrikant van de machine. 21) Gebruik de machine niet indien de toebeho- ren/werktuigen niet op de voorziene plaatsen  geïnstalleerd zijn.  22) Let op bij het gebruik van opvangzakken en  toebehoren die de stabiliteit van de machine  kan wijzigen, in het bijzonder op hellingen. 23) Wijzig de afstelling van de motor niet en laat  het toerental van de motor niet buitengewoon  hoog oplopen. 24) Raak de onderdelen van de motor die tij- dens het gebruik heet worden, niet aan. Gevaar  voor brandwonden. 25) Ontkoppel de snij-inrichting of de krachtaf- nemer, zet in vrije stand en schakel de handrem  in, stop de motor en verwijder de sleutel, (verze- ker u ervan dat alle bewegende delen volledig  stil staan): –   Elke keer wanneer men de machine onbe- waakt laat of de bestuurdersplaats verlaat: –   Vooraleer blokkeringen te verhelpen of voor- aleer het windkanaal vrij te maken; –   Vóórdat u de machine controleert, schoon- maakt of eraan werkt; –   Nadat er op een vreemd voorwerp gestoten  is. Controleer de machine op eventuele be- schadigingen en voer de nodige reparaties uit alvorens ze opnieuw te gebruiken; 26) Ontkoppel de snij-inrichting of de krachtaf- nemer en stop de motor, (verzeker u ervan dat  alle bewegende delen volledig stil staan): –   Alvorens brandstof bij te vullen; –   Elke keer wanneer u de opvangzak verwijdert  of opnieuw monteert; –   Elke keer wanneer u de zijdelingse aaatde- ector verwijdert of opnieuw monteert; –   Vooraleer de maaihoogte af te stellen indien  dit niet vanuit de plaats van de bestuurder uit- gevoerd kan worden. 27) Ontkoppel de snij-inrichting of de krachtaf- nemer tijdens het vervoer en telkens wanneer4 deze niet gebruikt worden. 28) Geef gas terug vooraleer de motor stil te zet- ten. Sluit de toevoer van de brandstof af aan het einde van het werk, volgens de aanwijzingen in  het handboekje. 29) Let goed op de snijgroep met meerdere  snij-inrichtingen, aangezien een draaiende snij-inrichting ook de andere zou kunnen doen  draaien. 30) LET OP: – In geval van breuken of ongeval- len tijdens het werk, dient men de motor onmid- dellijk stil te zetten en de machine te verwijderen  om geen verdere schade te berokkenen; in  geval van ongevallen met persoonlijke letsels  of letsels aan derden, dient men onmiddellijk  de meest geschikte eerste-hulp-procedures te  volgen voor de situatie en zich tot een gezond- heidsstructuur te richten voor de nodige zor- gen. Verwijder zorgvuldig eventuele resten die  schade of letsels aan personen of dieren kun- nen veroorzaken indien ze onopgemerkt blijven. 31) LET OP – Het niveau van het geluid en van  de trillingen dat aangegeven is in deze hand- leiding, zijn de maximale waarden voor het  gebruik van de machine. Het gebruik van een  niet gebalanceerde snij-inrichting, een over- dreven snelheid van de beweging en gebrekig  onderhoud hebben een negatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Bijgevolg is het noodzakelijk preventieve maatregelen te  treen om mogelijke schade ten gevolge van  een hoog geluidsniveau en stress van trillingen te vermijden; zorg voor het onderhoud van de  machine, draag gehoorbescherming, maak pau- zes tijdens het werk.

D) ONDERHOUD EN OPSLAG

1) LET OP! – Haal de sleutel uit het contact en  lees de bijgeleverde instructies alvorens enige reinigings-, of onderhoudswerkzaamheden te  verrichten. Draag geschikte kleding en werk- handschoenen voor alle handelingen die ge- vaarlijk kunnen zijn voor de handen. 2) LET OP! – Gebruik de machine nooit als er  onderdelen versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen moeten  vervangen en niet gerepareerd worden. Gebruik  uitsluitend originele reserveonderdelen: het  gebruik van niet originele en/of niet goed ge- monteerde onderdelen beïnvloedt de veiligheid  van de machine, kan ongelukken of persoonlijk  letsel aanrichten en de fabrikant kan hiervoor  niet aansprakelijk gesteld worden.  3) Alle onderhoudshandelingen en afstellingen  die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uitgevoerd worden door uw Verkoper  of in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt  over de nodige kennis en uitrustingen om de  werken correct uit te voeren, met respect voor  het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de  machine. Handelingen die uitgevoerd werden  in niet geschikte structuren of door onbekwame  personen doen elke vorm van garantie en alle  verplichtingen of aansprakelijkheid van de Fa- brikant vervallen. 4) Verwijder na ieder gebruik de sleutel en con- troleer of er geen beschadigingen zijn. 5) Laat bouten en schroeven vastgedraaid zitten  om er zeker van te zijn dat de machine altijd op  een veilige manier gebruiksklaar is. Als u regel- matig onderhoud pleegt, zal de werking ervan  veilig blijven en zal het prestatieniveau bewaard  blijven. 6) Controleer regelmatig of de schroeven van de  snij-inrichting correct vastgedraaid zijn. 7) Draag werkhandschoenen om de snij-inrich- tingen te hanteren, te demonteren of opnieuw te  monteren. 8) Let op de balans van de snij-inrichtingen,  wanneer deze geslepen worden. Alle hande- lingen die betrekking hebben op de snij-inrich- tingen (demontage, slijpen, in balans brengen,  hermontage en/of vervanging) vergen een spe- cieke vaardigheid en het gebruik van geschikt  gereedschap; uit veiligheidsoverwegingen moe- ten deze handelingen daarom steeds uitgevoerd  worden in een gespecialiseerd centrum. 9) Controleer regelmatig de werkzaamheid van  de remmen. Het is zeer belangrijk het onder- houd van de remmen goed uit te voeren en,  indien nodig, ze te herstellen. 10) Controleer regelmatig de zijdelingse aaat- beveiliging, of de achterste aaatbeveiliging,  de opvangzak en het zuigrooster. Vervang ze  indien ze beschadigd zijn. 11) Vervang de labels met instructies en waar- schuwingen, indien deze beschadigd zijn. 12) Als de machine opgeborgen of onbeheerd  achtergelaten moet worden, dient de snijgroep  omlaag gezet te worden 13) Berg de machine op in een plaats die niet  toegankelijk is voor kinderen. 14) Zet de machine niet met benzine in de tank  in een ruimte waar de benzinedampen met  vlammen, vonken of een warmtebron in aanra- king zouden kunnen komen. 15) Laat de motor eerst afkoelen alvorens de  machine de machine in eender welke ruimte op  te bergen. 16) Om brandgevaar zoveel mogelijk te beper- ken dienen de motor, de geluiddemper van de  uitlaat, de accubak en de benzinetank vrij ge- houden te worden van gras, bladeren of teveel  vet. Leeg de opvangzak en laat geen containers  met gemaaid gras in gesloten ruimtes achter.  17) Om het risico op brand te verminderen, dient  men regelmatig na te gaan of er geen olie- en/of  brandstoekken zijn.  18) Als u de tank moet ledigen, dient u dit in de5 open lucht te doen en wanneer de motor koud  is. 19) Laat de sleutels nooit op de machine zitten,  of laat ze niet binnen het bereik van kinderen of  niet geschikte personen. Haal de sleutel uit het  contact alvorens enige onderhoudswerkzaam- heden te verrichten E) TRANSPORT 1) LET OP! - Als de machine op een vrachtwa- gen of op een oplegger vervoerd moet worden,  dient men toegangshellingen met geschikte  draagkracht, breedte en lengte te gebruiken.  Laat de machine met de motor uitgeschakeld,  zonder bestuurder en enkel duwend, met een  geschikt aantal personen. Sluit, alvorens de  machine te vervoeren, de benzinekraan ( indien  voorzien), zet de snijgroep of het toebehoren  in de laagste stand, schakel de handrem in en  zorg dat de machine goed vastzit aan het ver- voermiddel met touwen of kettingen. F) MILIEUBESCHERMING 1) De milieubescherming moet een belangrijk en  prioritair aspect vormen voor het gebruik van de  machine, ten gunste van de civiele samenleving  en de omgeving waarin we leven. Wees geen  storend element voor uw buren. 2) Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor  het verwerken van de verpakking, olie, benzine,  lters, versleten delen of eender welk element  met een sterke invloed op de omgeving; dit  afval mag niet met de huisafval weggeworpen  worden, maar moet gescheiden worden en aan  speciale verzamelcentra toevertrouwd worden,  die de recyclage van de materialen zullen ver- zorgen. 3) Volg nauwkeurig de lokale normen op voor de  afdanking van het snijafval. 4) Bij het buiten bedrijf stellen van de machine,  mag deze nooit in het milieu achtergelaten  worden maar moet ze naar een opvangcentrum  gebracht worden, volgens de geldende lokale  normen.

GEBRUIKSGEBIED Deze machine is een tuingereedschap en met  name een grasmaaier met zittende bediener. De machine is voorzien van een motor, die de  snij-inrichting inschakelt, beschermd door een  carter, en een aandrijvingsgroep die de bewe- ging aan de machine doorgeeft. De bediener kan de machine bedienen en de  hoofdcommando’s inschakelen terwijl hij steeds  op zijn plaats blijft zitten. De inrichtingen die op de machine gemonteerd  zijn, zorgen voor het stilvallen van de motor  en de snij-inrichting binnen enkele seconden  indien de handelingen van de bediener niet overeenstemmen met de voorziene veiligheids- condities. Voorzien gebruik Deze machine is ontworpen en gebouwd voor  het maaien van gras. Het gebruik van bijzonder toebehoren, voorzien  door de Fabrikant als oorspronkelijke uitrusting  of afzonderlijk aan te kopen, staat toe dit werk  uit te voeren volgens de verschillende werkwij- zen die in deze handleiding of in de instructies die met het toebehoren geleverd worden, be- schreven zijn. Tegelijkertijd kan de mogelijkheid bijkomend  toebehoren te gebruiken (indien voorzien door  de Fabrikant) het gebruik ervan uitbreiden naar  andere functies, volgens de limieten en condi- ties die beschreven zijn in de instructies die het toebehoren zelf vergezellen. Type gebruiker Deze machine is bestemd voor gebruik door  consumenten, d.w.z. door niet professionele  bedieners. Deze machine is bestemd voor een  amateuriëel gebruik. Onjuist gebruik Eender welk ander gebruik, dat afwijkt van wat  hierboven beschreven is, kan gevaarlijk zijn en  schade berokkenen aan personen en/of zaken.  De volgende situaties behoren tot het onjuist gebruik (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend): –   andere personen, kinderen of dieren op de  machine of op een oplegger vervoeren; –   ladingen trekken of duwen zonder het gebruik  van het daarvoor bestemde toebehoren voor  het slepen; –   gebruik van de machine op onstabiele,  gladde, bevroren, stenige of oneen terrei- nen, in geval van plassen of moerassen die  niet toestaan de consistentie van het terrein in te schatten; –   de snij-inrichting aanschakelen op zones  zonder gras. –   gebruik van de machine voor het verzamelen  van bladeren of afval; Het onjuist gebruik brengt verval van zowel de  garantie als de aansprakelijkheid van de fabri- kant teweeg waardoor de gebruiker zelf verant- woordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of  anderen oplopen.6

(zie afbeeldingen op pag. ii)

2.  CE-overeenstemmingskenteken 3.  Bouwjaar 4.  Vermogen en bedrijfstoerental van de motor 5.  Machinetype 6.  Serienummer 7.  Gewicht in kg 8.  Naam en adres van de fabrikant 9.  Type overbrenging 10.  Artikelcode Het voorbeeld van de verklaring van overeen- stemming bevindt zich op de voorlaatste pagina  van de handleiding.   /–––/–––/–––/–––/–––/–––/–––/ Vul hier het serienummer van de machine in (6) Onmiddellijk na de aankoop van de machine,  worden de identicatienummers (3 – 5 – 6) in de  hiertoe bestemde ruimten op de laatste pagina  van de handleiding genoteerd. De machine bestaat uit een serie hoofdcompo- nenten die de volgende werking hebben:

11. Snijgroep: dit is de carter die de draaiende

snij-inrichtingen omvat. 

12. Snij-inrichtingen: dit zijn de elementen 

die ervoor dienen om het gras te maaien;  de windvleugels die aan de uiteinden zitten  bevorderen de afvoer van het gemaaid gras  naar het uitwerpkanaal.

13. Zijdelingse aaatdeector: dit is een

beveiliging die voorkomt dat eventuele  voorwerpen, die door de snij-inrichtingen  meegenomen worden, ver van de machine  weg kunnen schieten.   

14. Motor: brengt de beweging naar zowel de 

snij-inrichtingen als de wielaandrijving over;  de kenmerken en gebruiksvoorschriften van  de motor staan in een specieke handlei- ding aangegeven.

15. Batterij: levert de energie om de motor te 

kunnen starten; de kenmerken en gebruiks- voorschriften staan in een specieke hand- leiding aangegeven.

16. Bestuurdersplaats: dit is de werkplaats 

van de bestuurder, uitgerust met een sensor  die de aanwezigheid van de bestuurder  waarneemt met het oog op de werking van  de beveiligingssystemen.

17. Waarschuwings- en veiligheidslabels:

herinneren aan de belangrijkste bepalingen  om veilig te werken.

2.3 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

Uw grasmaaier moet voorzichtig gebruikt wor- den. Om daaraan herinnerd te worden bevinden  zich op de machine een aantal stickers die door  middel van afbeeldingen op de belangrijkste  voorzorgsmaatregelen wijzen. Deze afbeel- dingen worden als een aanvullend deel van de  machine beschouwd. Als een sticker loslaat of  onleesbaar wordt, dient er contact met de leve- rancier te worden opgenomen voor vervanging.  Hun betekenis is hieronder weergegeven.

31. Let op:  Lees de aanwijzingen alvorens de 

machine te gebruiken.

32. Let op: Haal de sleutel uit het contact en

lees de instructies alvorens elke willekeu- rige onderhouds- of reparatie-ingreep uit te voeren.

33. Gevaar! Wegschietende voorwerpen:

Niet werken zonder de zijdelingse aaatde- ector bevestigd te hebben.

34. Gevaar! Wegschietende voorwerpen:

Houd personen op een afstand.

35. Gevaar! Omkantelen van de machine:

Gebruik deze machine niet op hellingen van  meer dan 10°.

36. Gevaar! Verminking: Zorg ervoor dat

kinderen op een afstand van de machine  blijven als de motor aanstaat.

37. Gevaar voor snijwonden: Bewegende 

snij-inrichtingen. Steek uw handen of voe- ten niet in de holte van de snij-inrichtingen.

38. Let op! Houd u op afstand van de hete op-

Op aanvraag is er een set leverbaar waarmee  het mogelijk is een kleine aanhanger voort te  trekken; dit accessoire dient volgens de desbe- treende aanwijzingen gemonteerd te worden.  

41. Bij gebruik mag het laadvermogen, dat 

op de sticker staat vermeld, niet worden  overschreden en dienen de veiligheidsvoor- schriften in acht genomen te worden. OPMERKING De afbeeldingen die overeen- stemmen met de teksten van hoofdstuk 3 en daarop volgende bevinden zich op de pagina’s iii en daaropvolgende van deze handleiding.

3. HET UITPAKKEN EN MONTEREN

Om vervoers- en opslagredenen worden som- mige onderdelen van machine niet direct in de7 fabriek gemonteerd. Zij dienen na het uitpakken  gemonteerd te worden aan de hand van de vol- gende instructies. BELANGRIJK De machine wordt zonder motorolie en benzine geleverd. Vòòrdat de motor in werking wordt gesteld dient er dan ook olie en benzine bijgevuld te worden aan de hand van de voorschriften die in het instructieboekje van de motor staan aangegeven. LET OP! De machine moet op een vlakke en solide ondergrond uitgepakt en gemonteerd worden, met voldoende bewe- gingsruimte voor de machine en de verpak- king, en steeds met gebruik van geschikte werktuigen.

Bij het verwijderen van de verpakking dient erop  gelet te worden dat de losse onderdelen en de  uitrustingen niet zoekraken. Zorg er voor de  snijgroep niet te beschadigen op het moment  dat de machine van de pallet wordt afgereden. De standaard-verpakking bevat: –   de machine zelf; –   het stuurwiel; –   de bedekking van het dashboard; –   de stoel; –   de accu; –   de zijdelingse aaatdeector –   een mapje met:     –   de verschillende gebruikershandleidingen  en de documenten,     –   de montage-onderdelen van het stuur,     –   de schroeven en moeren voor de montage  van de stoel en de montage-onderdelen  van de zijdelingse aaatdeector     –   de schroeven en moeren voor de aanslui- ting van de accukabels,     –   2 contactsleutels,      –   1 reservezekering van 10 A. OPMERKING Zet de snijgroep in de hoogste stand om beschadiging ervan te voorkomen en let zeer goed op als de machine van de pallet wordt afgereden. Hydrostatische aandrijving –   Om de machine makkelijker van de pal- let te halen en te verplaatsen, verplaatst men de hendel voor het loskoppelen van  de achterste transmissie in pos. «B» (zie  4.33). De verpakking moet volgens de plaatselijk gel- dende bepalingen worden afgevoerd.

3.2 MONTAGE VAN HET STUURWIEL

  • Stuurwiel Type “I” (Afb. 3.1) Plaats de machine op een vlakke ondergrond en  zorg er voor dat de voorwielen uitgelijnd zijn. Monteer de naaf (1) op de as (2), met de stift (3)  goed in de naaf. Plaats de bedekking van het dashboard (4) door  de zeven haakjes in hun plaats te laten klikken. Monteer het stuurwiel (5) op de naaf (1) met de  spaken naar de stoel gericht. Plaats het afstandstuk (6) en bevestig het stuur  met de bijgeleverde schroeven en moeren (7), in  de aangegeven volgorde. Plaats de bedekking van het stuurwiel (8) door  de drie haakjes in hun plaats te laten klikken.
  • Stuurwiel Type “II” (Afb. 3.2) Plaats de machine op een vlakke ondergrond en  zorg er voor dat de voorwielen uitgelijnd zijn. Monteer de naaf (1) op de as (2), met de stift (3)  goed in de naaf. Plaats de bedekking van het dashboard (4) door  de zeven haakjes in hun plaats te laten klikken. Monteer het stuurwiel (5) op de naaf (1) zodat de  spaken correct gericht zijn.

AANSLUITEN (Afb. 3.4) De accu (1) bevindt zich onder de stoel, en zit  vast met een veer (2). Sluit eerst de rode draad (3) aan op de positieve  klem (+) en da de zwarte draad (4) op de nega- tieve klem (–) met behulp van de bijgeleverde  schroeven, zoals aangeduid. Besmeer de klemmen met siliconevet en let op  de correcte positie van de beschermdop van de  rode draad (5). BELANGRIJK Zorg er altijd voor de accu vol- ledig op te laden en volg hierbij de aanwijzingen die in het instructieboekje van de accu staan aangegeven. BELANGRIJK Om te voorkomen dat het beveiligingssysteem van de elektronische kaart in werking treedt, dient het starten van de motor8 absoluut vermeden te worden alvorens de accu volledig opgeladen is!

AFLAATDEFLECTOR (Afb. 3.6) Monteer de veer (2) aan de binnenkant van de  zijdelingse aaatdeector (1), door het uiteinde  (2a) in de opening te voeren en te draaien zodat  zowel de veer (2) als het uiteinde (2a) goed in  hun respectieve zittingen rusten. Positioneer de zijdelingse aaatdeector (1)  tegenover de houders (3) van de snijgroep en  draai, met behulp van een schroevendraaier,  het tweede uiteinde (2b) van de veer (2) tot deze  buiten de deector komt te staan. Steek de pin (4) in de gaten van de houders  (3) en van de zijdelingse aaatdeector, door- heen de windingen van de veer (2) tot het open  uiteinde ervan helemaal uit de meest interne  houder komt Steek de stift (5) in de opening (4a) van de pin  en verdraai de pin zodat de twee uiteinden (5a)  van de stift (met behulp van een tang) geplooid  worden, zodat de stift niet kan los komen en zo  de pin kan doen vrijkomen LET OP! Waak erover dat de veer op correcte wijze werkt en de zijdelingse aflaat- deflector stabiel op zijn plaats houdt in de lage stand, en zorg ervoor dat de pin goed geplaatst is en niet per ongeluk naar buiten kan steken

3.7 HERPOSITIONERING VAN DE

ANTISCALP WIELEN (Afb. 3.7) Om transportredenen zijn de antiscalp wielen  (1) in het hoogste gat bevestigd.  Om hun taak te kunnen verrichten moeten de  antiscalp wielen (1) in het meest geschikte gat  voor het soort grond bevestigd worden (zie 

Hiermee kan het toerental van de motor bepaald  worden. De diverse standen staan als volgt aan- geven op de sticker:   «STARTER»  koud starten     «LANGZAAM»   minimaal toerental  van de motor   «SNEL»  maximaal toerental van de motor –   De «STARTER» stand veroorzaakt een ver- rijking van het mengsel en dient alleen te wor- den gebruikt bij de start met een koude motor,  uitsluitend voor zolang dit strikt nodig is. – Tijdens het rijden dient er een stand tussen «LANGZAAM» en «SNEL» gekozen te wor- den. –   Zet de gashendel tijdens het maaien in de  «SNEL» stand. 4.2a COMMANDO STARTER (indien voorzien) (Afb. 4.1 n.2) Dit veroorzaakt een verrijking van het mengsel  en dient alleen te worden gebruikt bij de start  met een koude motor, uitsluitend voor zolang dit  strikt nodig is.

De handrem voorkomt dat de machine gaat  rijden na het parkeren. De hendel heeft twee  standen: «A»  =   Rem uitgeschakeld   «B»   =  Rem ingeschakeld –   Om de handrem in te schakelen dient het  pedaal (4.21 ofwel 4.31) volledig te worden  ingetrapt en de hendel in stand «B» gezet te worden; als de voet van het pedaal gehaald  wordt blijft het in deze lage stand staan. –   Om de handrem weer uit te schakelen dient  het pedaal (4.21 ofwel 4.31) weer te worden  ingetrapt, waarna de hendel automatisch te- rug komt in stand «A».

(Afb. 4.1 n.5) De drukknop dient om de snij-inrichtingen in te  schakelen door een elektromagnetische kop- peling: «A»  Ingedrukt =   Snij-inrichtingen  uitgeschakeld   «B»  Uitgetrokken =   Snij-inrichtingen  ingeschakeld  –   Het inschakelen van de messen zonder het  in acht nemen van de voorgeschreven veilig- heidsmaatregelen veroorzaakt het afslaan  van de motor die niet meer kan worden aan- gezet (zie 5.2). –   Door de snij-inrichtingen uit te schakelen  (Stand «A») wordt er een rem in werking gezet  die binnen enkele seconden het draaien van  de messen stopt.

4.6 REGELAAR MAAIHOOGTE

(Afb. 4.1 n.6) Deze hendel heeft zeven standen, «1» t/m «7»,  die op de desbetreende sticker staan aange- geven en overeenkomen met dezelfde aantal  maaihoogtes tussen 3 en 8 cm. –   Om van de ene positie naar de andere over te  gaan, moet u de hendel zijdelings verplaatsen  en hem in één van de stopstanden zetten.

4.7 TOETS TOELATING SNIJDEN BIJ

ACHTERUITVERSNELLING (Afb. 4.1 n.7) Houd de toets ingedrukt om achteruit te rijden  met de snij-inrichtingen ingeschakeld, zonder  dat de motor stopt.  Mechanische aandrijving

4.21 KOPPELINGS-/REMPEDAAL

(afb. 4.2 n.21) Dit pedaal heeft een dubbele functie: bij  het intrappen van het eerste gedeelte dient het pedaal als koppelingspedaal waarbij de  wielaandrijving in- of uitgeschakeld wordt  en het tweede deel dient als rem, die op de  achterwielen inwerkt. BELANGRIJK U moet bijzonder goed op- letten dat u tijdens de koppelingsfase niet te lang aarzelt om oververhitting en, als ge- volg daarvan, beschadiging van de overbren- gingsriem te vermijden. OPMERKING Tijdens het rijden is het ver- standig uw voet niet op dit pedaal te laten rusten.

4.22 VERSNELLINGSPOOK

(Afb. 4.2 n.22) Deze pook heeft zeven standen die overeen- stemmen met vijf versnellingen vooruit, de  stand om de versnelling in zijn vrij te zetten  «N» en de achteruitrijdversnelling «R». Om van de ene versnelling naar de andere  te schakelen moet u het pedaal (4.21) half  intrappen en de pook overeenkomstig de  gegevens die op het plaatje staan in de ge- wenste versnelling zetten. LET OP! Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat. Hydrostatische aandrijving

Dit pedaal stelt het aandrijfsysteem voor de  wielen in werking en regelt de snelheid van  de machine, zowel bij het voor- als bij het  achteruit rijden. –   Om de machine vooruit te laten rijden  dient het pedaal met de punt van de voet  in richting «F» geduwd te worden; hoe  meer druk er op het pedaal wordt uitge- voerd, hoe hoger de snelheid van de ma- chine. –   De achteruitversnelling wordt in werking  gesteld door met de hak op het pedaal in  richting «R» te drukken. –   Als het pedaal wordt losgelaten komt het  automatisch weer in de vrije stand «N» te- rug. LET OP! Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat. OPMERKING Als het koppelingspedaal zowel bij het voor- als het achteruitrijden be- diend wordt met een ingeschakelde handrem (4.4) slaat de motor af.

4.33 ONTGRENDELING VAN DE

HYDROSTATISCHE AANDRIJVING (Afb. 4.3 n.33) Deze hendel heeft twee standen die op de  desbetreende sticker staan aangegeven: «A»  =   Aandrijving ingeschakeld:  voor alle gebruikscondities,  tijdens het rijden en het maaien; «B»  =   Aandrijving ontgrendeld:  vermindert aanzienlijk de  kracht die nodig is om de  machine, met de motor uit- geschakeld, met de hand  te verplaatsen. BELANGRIJK Teneinde te voorkomen dat de aandrijfunit beschadigd wordt, mag deze operatie alleen worden uitgevoerd met een stilstaande motor, met de pedaal (4.32) in de stand «N».

LET OP! Als er verwacht wordt de ma- chine voornamelijk op hellende terreinen (max. 10°) te gebruiken dan is het verstandig tegengewichten ((zie 8.6) ) onder het dwars- profiel van de voorwielen te monteren, waar- door de stabiliteit aan de voorkant verhoogd wordt en de mogelijkheid dat de machine gaat steigeren zich beperkt. BELANGRIJK Alle verwijzingen met betrek- king tot de bedieningsposities worden weergege- ven in hoofdstuk 4.

5.3.1 De stoel afstellen (Afb. 5.1)

Om de positie van de stoel af te stellen schoreft  u de vier stelschroeven (1) wat los en laat u de  stoel langs de steungaten schuiven. Wanneer de stoel op de juiste hoogte staat, zet u de vier stelschroeven (1) stevig aan.

5.3.2 Bandenspanning (Afb. 5.2)

Een juiste bandenspanning is noodzakelijk om  de snijgroep geheel evenredig boven het gras- oppervlak te krijgen, zodat u een mooi maai- beeld krijgt. Schroef de beschermdopjes los en sluit de klep- pen aan op een persluchttoevoer voorzien van een drukmeter en regel de druk op de aangege- ven waarden.11

5.3.3 Olie en benzine bijvullen

OPMERKING Het type van olie en benzine dat gebruikt moet worden is aangegeven in de handleiding van de motor. Het oliepeil moet zich tussen de MIN. en de  MAX. inkeping van de peilstok bevinden. (Afb.  5.3) Het bijvullen van de brandstof dient uitgevoerd te worden met behulp van een trechter. Let  daarbij op de tank niet te vol te vullen. (Afb. 5.4) GEVAAR! Het bijvullen dient altijd te ge- beuren met de motor uit. Doe dit in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte. Denk er altijd aan dat benzinedampen brand- baar zijn! GEEN OPEN VUUR IN DE BUURT VAN DE TANK BRENGEN OM DE INHOUD TE

CONTROLEREN EN NIET ROKEN TIJDENS

HET BIJVULLEN. BELANGRIJK Vermijden benzine op de plastic gedeelten te gieten zodanig dat ze niet beschadigd worden; bij toevallige lekken onmid- dellijk spoelen met water. De garantie dekt geen schade aan de plastic onderdelen van de carros- serie of de motor, veroorzaakt door benzine.

5.3.4 Controleer de aaatbescherming

(Zijdelingse aaatdeector ) (Afb. 5.5) LET OP! Gebruik de machine nooit zonder beveiliging op de afvoer of als de be- scherming beschadigd is! Waak er steeds over dat de binnenste veer van  de deector (1) op correcte wijze werkt en deze  stabiel in de lage stand houdt

5.3.5 Controle van de veiligheid en de

doeltreendheid van de machine 1.   Controleer of de beveiligingen werken zoals  aangegeven (zie5.2). 2.   Controleer of de rem correct werkt. 3.   Begin niet te maaien indien de snij-inrichtin- gen trillen of men twijfels heeft omtrent de  scherpe staat van de messen; denk er altijd  aan dat:     –   Een botte snij-inrichting rukt het gras uit  een veroorzaakt de vergeling van het ga- zon. – Een snij-inrichting die niet goed vastzit gaat op abnormale wijze trillen en is een potenti- ele gevarenbron. LET OP! Gebruik de machine niet indien men niet zeker is van de doeltreffendheid en veiligheid en contacteer de Verkoper voor de nodige controles of reparaties.

Om de motor te starten (Afb. 5.6): –   draai de benzinekraan (1) open; –   de koppeling in de vrije stand («N») zetten (zie  4.22 ofwel 4.32); –   door de snij-inrichtingen uit te schakelen  (zie4.5); –   schakel de handrem in als u zich op een hel- lend terrein bevindt; –   bij koud opstarten, dient men de starter (zie  4.2 ofwel 4.2a) aan te schakelen; –   als de motor reeds warmgedraaid is, is het  voldoende de hendel tussen «LANGZAAM» en «SNEL» te zetten; –   steek de sleutel in het contactslot en draai  deze in de «DRAAIEN» stand om het elek- trische circuit in werking te stellen, draai de  sleutel daarna in de «START» stand om de  motor te starten; –   laat de sleutel los zodra de motor gestart is. Als de motor eenmaal draait breng de gashen- del terug in de «LANGZAAM» stand; BELANGRIJK De choke dient uitgeschakeld te worden zodra de motor regelmatig draait; het gebruik van de choke bij een warmgedraaide motor kan de bougie bevuilen en een onregelma- tige werking van de motor veroorzaken. OPMERKING Als er moeilijkheden zijn bij het starten, blijf dan niet te lang aanhouden om de accu niet uit te putten en de motor niet te verzui- pen. Draai de sleutel weer in de «STOP» stand, wacht enkele seconden en probeer opnieuw te starten. Indien het probleem voortduurt, raad- pleeg dan hoofdstuk «8» van deze handleiding en de handleiding van de motor. BELANGRIJK Denk er altijd aan dat de beveiligingssystemen het starten van de motor beletten wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen (zie 5.2). Nadat in de bovenstaande gevallen het belet tot starten is hersteld, dient de sleutel in de «STOP» stand gedraaid te worden voordat de motor opnieuw gestart kan worden.

5.4.2 Vooruit rijden en verplaatsingen

Tijdens het vervoer: –  de snij-inrichtingen uitschakelen;12 –   de snijgroep in de hoogste stand (stand «7»)  zetten; – de gashendel in een tussenstand zetten tus- sen «LANGZAAM» en «SNEL». Mechanische aandrijving Trap het pedaal zo ver mogelijk in (zie 4.21)  en zet de versnellingshendel in de stand voor de 1ste versnelling (zie 4.22). Houd het pedaal ingetrapt om zo de hand- rem uit te schakelen; laat het pedaal lang- zaam opkomen zodat het pedaal van de  “remfunctie” naar de “koppelingsfunctie”  overgaat, waarbij de achterwielen in werking  gesteld worden (zie 4.21). LET OP! U dient het pedaal geleide- lijk op te laten komen om te beletten dat de machine, door een te bruuske start, begint te steigeren en u de macht over het stuur kwijtraakt. Zorg dat u geleidelijk de gewenste snelheid  bereikt door de gashendel en de versnel- lingspook te bedienen; om van de ene ver- snelling naar de andere over te gaan dient u de koppeling te bedienen door het pedaal  half in te trappen (zie 4.21). Hydrostatische aandrijving Schakel de handrem uit en laat het rempe- daal opkomen (zie4.31). Trap het pedaal van de aandrijving (zie 4.32)  in de richting «F» totdat de gewenste snel- heid bereikt is door een lichte druk op het  pedaal uit te voeren en de gashendel te be- dienen. LET OP! Het inschakelen van de koppeling dient uitgevoerd te worden zo- als reeds eerder beschreven is (zie 4.32) om te voorkomen dat de machine door een te bruuske bediening kan gaan stei- geren en u de macht over het stuur ver- liest, vooral op hellingen.

5.4.4 Achteruit rijden

BELANGRIJK Het inschakelen van de achter- uitversnelling dient altijd bij stilstand te gebeuren. BELANGRIJK m achteruit te kunnen rijden met de snij-inrichtingen ingeschakeld, moet men de toets voor toelating (zie 4.7) ingedrukt hou- den om te vermijden dat de motor stilvalt. Mechanische aandrijving Trap het pedaal in totdat de machine stil- staat, schakel de achteruit in door de ver- snellingspook opzij te duwen en in de «R»  (zie  4.22) stand te zetten. Laat het pedaal  geleidelijk opkomen om de koppeling in te  schakelen en begin met de achteruitrijdma- noeuvre. Hydrostatische aandrijving Stop de machine en schakel de achteruitver- snelling in door op het koppelingspedaal in  de richting «R» te duwen (zie 4.32).

5.4.5 Het gras maaien

(Afb. 5.7)  Regel de positie van de antiscalp wie- len naar gelang de oneenheid van de grond. De functie van de antiscalp wielen is het risico  op scheuren in het gazon te vermijden, die ver- oorzaakt zouden kunnen worden doordat de  rand van de snijgroep op onregelmatige grond  sleept. Door de vier mogelijke montageposities van  de wielen wordt er een veiligheidsafstand ge- houden tussen de rand van de snijgroep en de grond. Om de positie te veranderen, de schroef (2)  losdraaien en verwijderen en het wiel (1) weer  vastzetten met het afstandstuk (3) in het gat dat  overeenstemt met de gewenste afstand; draai  dan de schroef (2) stevig in de moer (4). LET OP! Deze werkzaamheid moet steeds op beide wieltjes uitgevoerd worden, die op dezelfde hoogte geplaatst moeten worden, BIJ UITGESCHAKELDE MOTOR EN SNIJ-INRICHTINGEN.13 Beginnen met maaien: –   zet de gashendel in de «SNEL» stand; –   zet de snijgroep in de hoogste stand; –   schakel de snij-inrichtingen alleen in (zie  4.5)  op het grasveld en niet op grond met grind of  te hoog gras. –   begin heel langzaam en voorzichtig te rijden  op de grasgrond, zoals reeds eerder beschre- ven is; –   stel de juiste rijsnelheid en maaihoogte in  (zie  4.6) afhankelijk aan de toestand van het  gazon (lengte, dichtheid en vochtigheid van het gras). LET OP! Bij het maaien van hellingen dient de rijsnelheid verminderd te worden om de veiligheidscondities te garanderen (zie 1A – C7-8-9). Het is in ieder geval verstandig om, elke keer als  er een afname in het aantal toeren van de motor  wordt waargenomen, de snelheid te vertragen,  denk eraan dat er nooit een mooi maaibeeld  verkregen wordt als de rijsnelheid te hoog is ten  opzichte van de hoeveelheid gras. Ontkoppel de snij-inrichtingen en zet de  snijgroep in de hoogste stand als er over een obstakel heen moet worden gereden.

Ontkoppel de snij-inrichtingen na het maaien  en laat de motor in toeren afnemen. Op de te- rugweg dient de snijgroep in de hoogste stand  te staan.

Breng de machine tot stilstand, zet de gashen- del in de «LANGZAAM» stand en schakel de  motor uit door de sleutel in de «STOP» stand te  draaien. Als de motor is uitgeschakeld, sluit de benzinek- raan (1) (indien voorzien). (Afb. 5.8). LET OP! Om een ontploffing in de knal- pot te vermijden dient u de gashendel, 20 seconden voordat u de motor afzet, in de «LANGZAAM» stand zetten. BELANGRIJK Om de lading van de accu in stand te houden, wordt de sleutel niet in de stand «DRAAIEN» of «KOPLAMPEN AAN» gelaten wanneer de motor niet aanstaat.

5.4.8 De machine reinigen

Reinig de buitenkant van de machine na ieder  gebruik. Reinig de delen in kunststof van de machine  met een vochtige spons en een schoonmaak- middel. Let er op dat de motor, de elektrische  onderdelen en de elektronische kaart onder het  dashboard niet nat worden. BELANGRIJK Gebruik in geen geval hoge- drukreinigers of bijtende middelen voor het reini- gen van de carrosserie en de motor! LET OP! Op de bovenkant van de snijgroep mogen zich geen afval en droge grasresten ophopen om de doeltreffendheid en de veiligheid van de machine op maxi- maal niveau te houden. Na ieder gebruik, de snijgroep zorgvuldig  schoonmaken om alle grasresten en afval te  verwijderen. LET OP! Draag tijdens het schoonma- ken van de snijgroep een beschermbril en verwijder mensen en dieren uit het omlig- gende gebied. a) Het reinigen van de binnenkant van de snijgroep en het uitwerpkanaal dient, onder de  volgende condities, op een harde ondergrond te gebeuren: –   met de zijdelingse aaatdeector bevestigd –   de gebruiker zit op de machine; –   zet de snijgroep in stand «1»; –   de motor draait; –   de koppeling staat in de vrije stand; –  de snij-inrichtingen zijn ingeschakeld. Sluit een waterslang eerst op de ene speciale  tting (1) aan en daarna op de andere en laat  voor enkele minuten in elke tting water lopen  terwijl de snij-inrichtingen draaien. (Afb. 5.9). BELANGRIJK Om de goede werking van de elektromagnetische koppeling niet te compromit- teren, dient men: – te vermijden dat de koppeling in aanraking komt met olie; – geen hogedruk-waterstralen direct op de groep van de koppeling te richten; – de koppeling nooit met benzine reinigen. b) Voor de reiniging van de bovenkant van de snijgroep: –   de snijgroep helemaal omlaag zetten (stand  «1»); –   met een straal perslucht door de openingen  van de beschermingen rechts en links blazen  (Afb. 5.10)14

5.4.9 De machine opbergen en geruime

tijd niet gebruiken Als er verwacht wordt de machine voor geruime  tijd niet te gebruiken (meer dan 1 maand), moe- ten de kabels van de accu losgekoppeld wor- den, waarbij de aanwijzingen in de handleiding  van de motor in acht genomen moeten worden. (Afb. 5.11) Leeg de brandstoftank door de slang  (1) op de toevoer van het benzinelter (2) los te  maken en vang de brandstof op in een geschikt  reservoir. Verbind de slang (1) weer en let er hierbij op de  slangklem (3) goed aan te brengen. Berg de machine op in een droge ruimte, be- schut tegen alle weersomstandigheden en dek  ze, indien mogelijk, toe met een zeil (zie 8.5). BELANGRIJK De accu dient opgeborgen te worden op een koele, droge plaats. De accu altijd terug opladen vóór iedere lange periode van in- activiteit (langer dan 1 maand) en terug opladen vooraleer de activiteit te hervatten (zie 6.2.3). Controleer, voordat er opnieuw met de machine  gewerkt wordt, of er uit de slang, de benzinek- raan en de carburateur geen benzine lekt.

5.4.10 Beveiligingszekering van de kaart

De elektronische kaart is voorzien van een ze- kering waardoor het circuit verbroken wordt in  geval van afwijkingen of kortsluiting in de elek- trische installatie. Als de zekering ingrijpt stopt de motor; voor de  zekering te vervangen (zie 6.3.5), de oorzaak  van de storing opsporen en verhelpen om te  voorkomen dat dit zich herhaalt.

5.5 GEBRUIK OP HELLINGEN (Afb. 5.12)

De aangegeven limieten in acht nemen (max 10° - 17). LET OP! Op hellingen dient het rijden zeer zorgvuldig te gebeuren om het steige- ren van de machine te voorkomen. Vertraag de snelheid bij het beginnen van een helling, vooral bij het afdalen. GEVAAR! Gebruik de achteruitversnel- ling nooit om snelheid te minderen; dit kan de macht over het stuur doen verliezen, vooral op gladde terreinen. Mechanische aandrijving GEVAAR! Rijd nooit een helling af met de versnelling of de koppeling in de vrije stand! Schakel altijd een lage ver- snelling in voordat u de machine onbe- heerd achterlaat. Hydrostatische aandrijving Het afdalen van een helling kan uitgevoerd  worden zonder het koppelingspedaal te be- dienen (zie  4.32) om zoveel mogelijk ge- bruik te maken van het remeect van de hy- drostatische aandrijving als de koppeling  niet is ingeschakeld.

5.6 TIPS OM ALTIJD EEN MOOI GAZON

TE HEBBEN 1.     Voor een mooi, groen en zacht gazon is het  nodig dat het gras regelmatig en op de juiste  manier gemaaid wordt. Het gazon kan van  verschillende soorten gras zijn. Bij regel- matige maaibeurten, groeit het gras sneller,  waardoor meer wortelgroei ontstaat en een  mooi dicht gazon bekomen wordt; indien  minder vaak gemaaid wordt, wordt ook de  groei van hoog en wild gras bevorderd (kla- ver, margrieten, enz.) 2.     Het is beter het gras te maaien als het ga- zon goed droog is. 3.     De snij-inrichtingen dienen geen gebreken  te vertonen en goed scherp te zijn, zodat het gras op de juiste manier wordt afgesneden  zonder uitgerukt te worden. Dit kan namelijk  tot vergeling van de punten leiden. 4.     De motor dient op volle toeren te draaien  om zowel het gras op de juiste manier af te  snijden als een goede afvoer van het gras naar het uitwerpkanaal te verkrijgen. 5.     De maaifrequentie wordt bepaald aan de  hand van de groei van het gras, waarbij  vermeden moet worden dat het gras te hoog  wordt. 6.     In de warmste en droogste tijden van het  jaar is het beter om het gras iets hoger te la- ten worden zodat het gazon niet uitdroogt. 7.     De optimale hoogte van het gras van een  goed verzorgd gazon bedraagt ongeveer 4-5 cm en met een enkele maaibeurt wordt  het best niet meer dan een derde van de vol- ledig lengte gemaaid. Als het gras erg hoog  is, raden wij aan om het gazon, met tussen- poos van één dag, in twee keer te maaien,  de eerste keer met de snij-inrichtingen in15 de hoogste stand en smallere grasstroken  tegelijk maaiend en de tweede keer met de  snij-inrichtingen in de gewenste stand. (Afb.  5.13)  8.     Het gazon zal er mooier uitzien als het  maaien afwisselend, in de lengte- en in de  dwarsrichting uitgevoerd wordt. (Afb. 5.14) 9.     Als de afvoer zich telkens verstopt met gras  is het beter om de snelheid te vertragen  zodat het maaien niet te snel gebeurt ten  opzichte van de toestand van het gazon;  mocht het probleem aanhouden dan kan het  ook zijn dat de snij-inrichtingen niet goed  geslepen zijn of dat het proel van de vleu- gels vervormd is. 10.   Pas erg goed op bij het maaien langs strui- ken en boorden. Deze kunnen de stand van  de snijgroep ontregelen en de zijkant van  de snijgroep en de snij-inrichtingen bescha- digen.

LET OP! Men dient onmiddellijk de Verkoper of een gespecialiseerd Centrum te contacteren indien men onregelmatigheden aantreft in de werking: – van de rem, – bij het inschakelen en stoppen van de snij- inrichtingen, – bij de inschakeling van de aandrijving vooruit of achteruit.

6.2 GEWOON ONDERHOUD

Het doel van de tabel is om uw machine een op- timale conditie te laten behouden. Hierin staan  de voornaamste ingrepen en de tijden waarop  ze uitgevoerd moeten worden. In de vakjes ernaast kunt u de datum of het  aantal werkuren noteren wanneer de ingreep is  uitgevoerd. Ingreep Uren Uitvoering (Datum of Uren)

Controle aandrijfriem 

Vervanging aandrijfriem  2) 3)

Controle en afstelling tractie

Vervanging luchtlter …16 Ingreep Uren Uitvoering (Datum of Uren)

   Raadpleeg de handleiding van de motor voor de complete lijst en de tussenpozen.

   Handeling die door uw Verkoper of door een gespecialiseerd Centrum moet uitgevoerd worden.

   De algemene smering van alle bewegende onderdelen moet bovendien, elke keer er verwacht  wordt de machine voor geruime tijd niet te gebruiken, uitgevoerd worden.  

6.2.1 Motor (Afb. 6.1)

BELANGRIJK Volg alle aanwijzingen die in de handleiding van de motor staan aangegeven. Om de motorolie te lozen, de verlengslang (1)  goed vasthouden en de aftapdop (2) losdraaien. Wanneer u de dop (2) weer monteert, op de  interne afdichting (3) letten en goed aandraaien  terwijl u de verlengslang (1) goed vasthoudt.

Deze bestaan uit een verzegelde eenheid en vragen geen onderhoud.; de eenheid is voor- zien van een permanente smering die geen  vervanging of aanvulling behoeft.

6.2.3 Batterij (Afb. 6.2)

Het is fundamenteel om de accu zorgvuldig te  onderhouden voor een duurzaam bestaan.  De accu van uw machine dient steeds te worden  opgeladen: –   bij het eerste gebruik na de aankoop van de  machine; –   vóór elke langere periode waarin de machine  niet zal worden gebruikt; –   vóór de machine na een lange periode van  stilstand opnieuw in gebruik te nemen. Lees met aandacht de oplaadprocedures die in  de handleiding van de accu staan en volg ze op. Als deze procedures niet in acht worden geno- men of als de accu niet wordt opgeladen, kan  er zich onherstelbare schade voordoen aan de elementen van de accu. Een lege accu moet zo snel mogelijk opgeladen  te worden. BELANGRIJK Het opladen dient uitgevoerd te worden met gelijkspanning apparatuur. Andere oplaadsystemen kunnen de accu op een onher- stelbare manier beschadigen. De machine is uitgerust met een connector (1)  voor het opladen, die aangesloten moet wor- den op de overeenstemmende connector van  de speciale acculader van behoud in dotatie (indien voorzien) of beschikbaar op aanvraag  (zie 8.2). BELANGRIJK Deze connector mag uitslui- tend gebruikt worden voor de aansluiting op de acculader van behoud die voorzien is door de Fabrikant. Voor zijn gebruik: – de aanwijzingen volgen aangegeven in de des- betreffende gebruiksinstructies; – de aanwijzingen volgen aangegeven in het instructieboekje van de accu.

6.3 INGREPEN AAN DE MACHINE

6.3.1 Uitlijning van de snijgroep (Afb. 6.3)

Een correcte afstelling van de snijgroep is belangrijk om een mooi eenvormig gazon te  verkrijgen.  Als het gras onregelmatig gemaaid wordt, de  bandenspanning nakijken. Indien dat niet voldoende is voor een eenvormig  gazon, neem dan contact op met uw verko- per voor de afstelling van de uitlijning van de snijgroep.

6.3.2 De wielen vervangen (Afb. 6.4)

Plaats de machine op een vlakke ondergrond  en plaats aan de kant waar het wiel vervangen  moet worden, een steunblok, onder een dra- gend deel van het chassis. De wielen worden op hun plaats gehouden door  een elastische ring (1) die verwijderd kan wor- den door middel van een schroevendraaier. OPMERKING Als een of beide wielen vervan- gen moeten worden, verzeker u er dan van dat eventuele verschillen in de buitendiameter niet17 groter zijn dan 8-10 mm; anders moet de uitlijning van de snijgroep afgesteld worden om te voorko- men dat het gras onregelmatig gemaaid wordt. BELANGRIJK Alvorens een wiel te hermon- teren, de wielas met vet insmeren. De elastische ring (1) en de borgring (2) weer precies op hun plaats zetten.

6.3.3 De banden repareren of vervangen

De banden zijn “Tubeless” en iedere vervanging  of reparatie als gevolg van een lek dient dan ook  door een vakman uitgevoerd te worden volgens  de, voor dit type banden, geldende voorschrif- ten.

  • Lampen type “I” (gloeilampen) (Afb. 6.5) De koplampen (18W) zijn door middel van een  bajonettting in de lamphouder gedraaid. De  lamphouder kan verwijderd worden door deze  met behulp van een tang tegen de klok in te  draaien.
  • Lampen type “II” (LED) (Afb. 6.6) Draai de ringmoer (1) los en verwijder de con- nector (2). Demonteer de LED-verlichting (3) die met de  schroeven bevestigd (4) is.

6.3.5 Een zekering vervangen (Afb. 6.7)

De machine is uitgerust met een aantal zeke- ringen (1) met verschillend vermogen en met de  volgende functies en kenmerken: –   Zekering van 10 A = bescherming van de al- gemene stroomcircuits en het vermogen van  de elektronische kaart; het in werking treden  van deze zekering veroorzaakt de stilstand  van de machine. –   Zekering van 25 A = bescherming van het  laadcircuit; wanneer deze zekering in werking  treedt, verliest de accu geleidelijk aan zijn la- ding en ontstaan problemen bij het starten. Het vermogen van de zekering is aangegeven  op de zekering zelf. BELANGRIJK Een doorgebrande zekering dient altijd vervangen te worden door eenzelfde type met hetzelfde vermogen. Als de oorzaak van het in werking treden niet  gevonden kan worden dient er contact opgeno- men te worden met uw Verkoper.

6.3.6 Demontage, vervanging en

hermontage van de snij-inrichtingen LET OP! Draag werkhandschoenen om de snij-inrichting te hanteren. LET OP! Vervang de beschadigde of verwrongen snij-inrichtingen steeds; probeer ze nooit te herstellen! GEBRUIK STEEDS ORIGINELE SNIJ-INRICHTINGEN! Voor deze machine is het gebruik van een snij- inrichtingen voorzien met de code die aangege- ven is in de tabel op pagina ii. Gezien de ontwikkeling van het product, kunnen  de boven vermelde snij-inrichtingen in de loop  van de tijd vervangen worden door andere, met  soortgelijke eigenschappen voor wat betreft  verwisselbaarheid en functionele veiligheid. BELANGRIJK Het is raadzaam dat de mes- sen per koppel vervangen worden, vooral in ge- val van duidelijke verschillen in de slijtage.

1.   Met de sleutel in de stand  «START», draait de startmotor  niet –   er is geen toestemming tot  starten gegeven – de accu is niet goed aangesloten – de polen van de accu zijn omgewisseld – de accu is niet goed opgeladen –   de zekering is doorgebrand –   de kaart nat is – storing van het startrelais Zet de sleutel op stand «STOP» en zoek de oorzaken van het defect: – controleer of de toelatingsvoorwaarden worden  gerespecteerd (zie 5.2.a) – controleer de aansluitingen (zie 3.4) – controleer de aansluitingen (zie 3.4) –   laad de accu opnieuw op  (zie 6.2.3) –   vervang de zekering (10 A)  (zie 6.3.5) –   drogen met lauwe lucht –   Contacteer uw Verkoper18

PROBLEMEN MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING

2.   De sleutel staat in de stand  «START», de startmotor draait  maar de motor slaat niet aan – de accu is niet goed opgeladen –   te weinig benzineaanvoer –   er een defect in de ontsteking is  opgetreden –   laad de accu opnieuw op  (zie 6.2.3) – controleer het niveau in de benzinetank (zie 5.3.3) –    draai de benzinekraan open  ( indien voorzien) (zie 5.4.1) –   controleer de benzinelter –    controleer of de bougiekap juist  bevestigd is –    controleer of de elektroden niet  vuil zijn en of hun onderlinge afstand juist is 3.   Een moeilijke start of een  onregelmatige werking van de  motor –   er zijn brandstofproblemen –   reinig of vervang luchtlter –   leeg de benzinetank en vul met  nieuwe benzine – controleer en vervang eventueel de benzinelter 4.   Tijdens het maaien is er een  krachtverlies van de motor – de rijsnelheid is te hoog ten opzicht van de snijhoogte (zie 5.4.5) –    verminder de rijsnelheid en/ of verhoog de stand van het maaidek (zie 5.4.5) 5.   De motor stopt tijdens het werk – ingreep van de veiligheidsinrichting –   de zekering is doorgebrand – controleer of de toelatingsvoorwaarden worden  gerespecteerd (zie 5.2.b) –   vervang de zekering (10 A)  (zie 6.3.5) 6.   De snij-inrichtingen schakelen  zich niet in of stoppen niet onmiddellijk wanneer ze  uitgeschakeld worden.  –   problemen bij de inschakeling –    Contacteer uw Verkoper 7.   De hoogte van het gras is  onregelmatig –   de snijgroep staat niet evenwijdig  ten opzichte van het terrein –   onwerkzaamheid van de  snij-inrichtingen – controleer de bandenspanning ( zie 5.3.2) – herstel de uitlijning van de snijgroep ten opzichte van het terrein (zie 6.3.1) –   Contacteer uw Verkoper 8.   Vreemde trillingen tijdens het  werk –   de snijgroep zit vol met gras – de snij-inrichtingen zijn uit balans of losgekomen –   de bevestigingen zijn losgeraakt –   reinig de snijgroep (zie 5.4.8) –   Contacteer uw Verkoper – controleer en draai de bevestigingsschroeven van de motor en het chassis goed vast. 9.   Onzekere of niet werkzame  remming –   niet correct afgestelde rem –   Contacteer uw Verkoper 10.   Onregelmatige beweging,  weinig tractie bij stijging of  neiging van de machine om op  te trekken –   problemen aan de riem of aan  het inschakelsysteem –   Contacteer uw Verkoper 11.   Als het aandrijfpedaal bediend  wordt met een draaiende motor,  verplaatst de machine zich niet  ( modellen met hydrostatische  aandrijving) – ontgrendelingshendel in stand «B» – terugzetten in stand «A» (zie 4.33)19

PROBLEMEN MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING

12.    De machine begint op  abnormale wijze begint te  trillen –   beschadiging of losgekomen  delen –   zet de machine stil en koppel de  kabel van de bougie los – controleer eventuele beschadigigingen – controleer of er delen losgekomen zijn en klem ze weer  vast – Voer de controles, vervangingen of herstellingen uit bij een Gespecialiseerd Centrum Mochten de problemen aanhouden na het uitvoeren van de bovengenoemde handelingen, dan dient  er contact te worden opgenomen met uw Verkoper. LET OP! Probeer nooit om zelf gecompliceerde reparaties uit te voeren zonder de juiste hulpmiddelen en het nodige technische inzicht. Iedere slecht uitgevoerde reparatie brengt au- tomatisch verval van, zowel de garantie, als de aansprakelijkheid van de Fabrikant teweeg.

Versnippert het pas gemaaide gras en laat het  achter op het terrein, als alternatief voor het op- vangen in de opvangzak.

8.2 BATTERIJ-OPLADER VOOR BEHOUD

(Afb. 8.1 n.42) Laat toe de accu eciënt te houden tijdens  de periodes van inactiviteit van de machine,  waarbij een optimaal laadniveau en een lan- gere duurzaamheid van de accu gegarandeerd  wordt.

8.3 KIT TRACTIE (Afb. 8.1 n.43)

Voor het voorttrekken van een kleine aanhan- ger.

Beschermt de machine van stof als deze niet  gebruikt wordt.

8.6 SNEEUWKETTINGEN 18”

(Afb. 8.1 n.46) Verbeteren de wegvastheid van de achterste  wielen op besneeuwde wegen en staan het ge- bruik van sneeuwruimnde werktuigen toe.

8.7 AANHANGWAGEN (Afb. 8.1 n.47)

Voor het transport van werktuigen of andere  voorwerpen, binnen de limieten van de toege- stane ladingen.

Voor het wegschuiven van de sneeuw en het  zijdelings ophopen ervan.

8.11 OPVANGER VOOR BLADEREN EN

GRAS (Afb. 8.1 n.51) Voor het opvangen van bladeren en gras op grasvelden.doc_base r. 5- ro_fm-p_0

EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)1. Het bedrijf 2. Verklaart onder zijn eigen verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Handelsmodel c) Bouwjaar d) Serienummer e) Motor: benzinemotor 3. Voldoet aan de specificaties van de richtlijnen: f) Certificatie-instituut g) EG-onderzoek van het Type 4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen i) Gemeten niveau van geluidsvermogen j) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen k) Snijbreedte q) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier r) Plaats en Datum